Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


namespace:anarchie_in_actie

Verschillen

Dit geeft de verschillen weer tussen de geselecteerde revisie en de huidige revisie van de pagina.

Link naar deze vergelijking

Beide kanten vorige revisie Vorige revisie
namespace:anarchie_in_actie [19/12/19 14:49]
defiance [13. Hoe ver durf je af te wijken?]
namespace:anarchie_in_actie [19/12/19 15:04] (huidige)
defiance [12. Als de welvaartsstaat in elkaar stort]
Regel 593: Regel 593:
 <​cite>​John Vaizy, Scenes from Institutional Life.</​cite></​blockquote>​ <​cite>​John Vaizy, Scenes from Institutional Life.</​cite></​blockquote>​
  
-Men zegt soms tegen anarchisten dat hun eenvoudige voorstelling van de staat als de beschermer van de voorrechten van de machtigen hopeloos achterhaald is: de welvaart heeft de staat veranderd. Sommige politici beweren zelfs dat hun partijen de welvaart uitgevonden hebben. Wijlen Hugh Gaitskill bijvoorbeeld,​ beschreef de welvaartsstaat als ‘nog een verwezenlijking van Labour’, eraan toevoegend dat ‘dankbaarheid jammer genoeg niet een betrouwbare politieke eigenschap is’. In feite wedijveren de ministerkandidaten in de meeste ​Westerse ​regeringen met elkaar in het uitdelen van welvaartpakketjes ​aan hun kiezers.+Men zegt soms tegen anarchisten dat hun eenvoudige voorstelling van de staat als de beschermer van de voorrechten van de machtigen hopeloos achterhaald is: de welvaart heeft de staat veranderd. Sommige politici beweren zelfs dat hun partijen de welvaart uitgevonden hebben. Wijlen Hugh Gaitskill bijvoorbeeld,​ beschreef de welvaartsstaat als ‘nog een verwezenlijking van //Labour//’, eraan toevoegend dat ‘dankbaarheid jammer genoeg niet een betrouwbare politieke eigenschap is’. In feite wedijveren de ministerkandidaten in de meeste ​westerse ​regeringen met elkaar in het uitdelen van welvaartspakketjes ​aan hun kiezers.
  
-Maar wat bedoelen we met de welvaartsstaat?​ Er kan sociale welvaart zijn zonder een staat. En staten kunnen bestaan, dat is zelfs vaak het geval, zonder enige verantwoordelijkheid op te nemen voor de sociale welvaart. Elke vereniging kan een vereniging zijn die de welvaart op het oog heeft: vakverenigingen,​ clubs, kerken, tienerbenden - ze hebben waarschijnlijk allemaal ​eikaars ​welzijn, comfort en veiligheid op het oog - kunnen beschouwd worden als aspecten van sociale welvaart. De staat is, zoals we al gezegd hebben, een vorm van sociale organisatie die in twee opzichten verschilt van al de andere: ten eerste omdat de staat de trouw eist van de hele bevolking en niet slechts van diegenen die uit eigen beweging lid geworden zijn, en ten tweede, omdat de staat de macht heeft om de mensen tot die trouw te dwingen. De verenigingen die eikaars ​welzijn op het oog hebben zijn zo oud als de mens zelf - we zouden hier niet zijn als dat niet zo was - en zijn biologisch van oorsprong. Kropotkin, die deze ingeboren menselijke neiging in Mutual Aid te boek stelt, beschrijft niet de versterking maar de vernietiging van de sociale instellingen die deze neiging belichaamden,​ die gepaard ging met de groei van de moderne soevereine staat vanaf de 15de eeuw:+Maar wat bedoelen we met de welvaartsstaat?​ Er kan sociale welvaart zijn zonder een staat. En staten kunnen bestaan, dat is zelfs vaak het geval, zonder enige verantwoordelijkheid op te nemen voor de sociale welvaart. Elke vereniging kan een vereniging zijn die de welvaart op het oog heeft: vakverenigingen,​ clubs, kerken, tienerbenden - ze hebben waarschijnlijk allemaal ​elkaars ​welzijn, comfort en veiligheid op het oog - kunnen beschouwd worden als aspecten van sociale welvaart. De staat is, zoals we al gezegd hebben, een vorm van sociale organisatie die in twee opzichten verschilt van al de andere: ten eerste omdat de staat de trouw eist van de hele bevolking en niet slechts van diegenen die uit eigen beweging lid geworden zijn, en ten tweede, omdat de staat de macht heeft om de mensen tot die trouw te dwingen. De verenigingen die elkaars ​welzijn op het oog hebben zijn zo oud als de mens zelf - we zouden hier niet zijn als dat niet zo was - en zijn biologisch van oorsprong. Kropotkin, die deze ingeboren menselijke neiging in //Mutual Aid// te boek stelt, beschrijft niet de versterking maar de vernietiging van de sociale instellingen die deze neiging belichaamden,​ die gepaard ging met de groei van de moderne soevereine staat vanaf de 15de eeuw:
  
-Gedurende de volgende drie eeuwen hebben de Staten, zowel op het continent als op deze eilanden, systematisch alle instellingen uitgeroeid waarin de neiging tot wederzijdse hulp vroeger uitdrukking had gevonden. De dorpsgemeenschappen werden beroofd van hun volksvergaderingen,​ hun gerechtshoven en hun onafhankelijke administratie:​ hun gronden werden afgenomen. De gilden werden beroofd van hun bezittingen en vrijheden en onder het toezicht, de willekeur en de omkoperij van staatsambtenaren geplaatst. De steden moesten afstand doen van hun soevereiniteit en de bronnen van hun innerlijk leven - de volksvergaderingen,​ hun verkozen wetten en de administratie ervan, de soevereine parochies en de soevereine gilden - werden vernietigd; de Staatsambtenaar nam elke schakel van wat vroeger een organisch geheel was in bezit ... In de universiteiten en vanaf de preekstoel werd verkondigd dat de instellingen waarin de mensen vroeger hun behoeften om elkaar te helpen uitdrukten, niet konden geduld worden in een behoorlijk georganiseerde Staat; dat de Staat alleen de banden van eenheid tussen zijn onderdanen kon vertegenwoordigen;​ dat federalisme en ‘particularisme’ de vijanden waren van de vooruitgang,​ en dat alleen de Staat op een rechtmatige manier tot verdere ontwikkeling kon aanzetten ​(1).+Gedurende de volgende drie eeuwen hebben de Staten, zowel op het continent als op deze eilanden, systematisch alle instellingen uitgeroeid waarin de neiging tot wederzijdse hulp vroeger uitdrukking had gevonden. De dorpsgemeenschappen werden beroofd van hun volksvergaderingen,​ hun gerechtshoven en hun onafhankelijke administratie:​ hun gronden werden afgenomen. De gilden werden beroofd van hun bezittingen en vrijheden en onder het toezicht, de willekeur en de omkoperij van staatsambtenaren geplaatst. De steden moesten afstand doen van hun soevereiniteit en de bronnen van hun innerlijk leven - de volksvergaderingen,​ hun verkozen wetten en de administratie ervan, de soevereine parochies en de soevereine gilden - werden vernietigd; de Staatsambtenaar nam elke schakel van wat vroeger een organisch geheel was in bezit [...In de universiteiten en vanaf de preekstoel werd verkondigd dat de instellingen waarin de mensen vroeger hun behoeften om elkaar te helpen uitdrukten, niet konden geduld worden in een behoorlijk georganiseerde Staat; dat de Staat alleen de banden van eenheid tussen zijn onderdanen kon vertegenwoordigen;​ dat federalisme en ‘particularisme’ de vijanden waren van de vooruitgang,​ en dat alleen de Staat op een rechtmatige manier tot verdere ontwikkeling kon aanzetten.[1]
  
-Dit is geen ouderwetse romantische opvatting van op het einde van de Middeleeuwen:​ het komt tot uiting in de moderne wetenschap, bijvoorbeeld in Ullmann’s Government and the People in the Middle Ages. En het bitter verslag erover van Kropotkin is evenmin overdreven, zoals je kunt zien in de geschiedenis van de armoede in Groot-Brittannië. In de Middeleeuwen werd de armoede verholpen zonder dat een beroep moest gedaan worden op de staat. Gildeleden die in armoede vervielen werden bijgestaan door het broederschap,​ dat zich ook om de weduwen en de wezen bekommerde. Er waren ziekenhuizen en huizen voor melaatsen, en in de kloosterziekenhuizen kon iedereen terecht die het nodig had. Maar toen door de Tudors een stevige soevereine staat gevestigd werd, was het wel kenmerkend dat de eerste wet die uitgevaardigd werd aangaande de armoede vereiste dat de bedelaars van de straat zouden geveegd worden en ten tweede dat ze zouden gebrandmerkt worden en dat de essentie van de armenwet, vanaf de codificatie in 1601 tot het amendement in 1834 en de uiteindelijke verdwijning ervan in onze tijd, straffend zou zijn. Elk lid van de Claimants’ Union zou zelfs nu nog volhouden dat de armenwet nog steeds bestaat en dat hij straffend is. +Dit is geen ouderwetse romantische opvatting van op het einde van de Middeleeuwen:​ het komt tot uiting in de moderne wetenschap, bijvoorbeeld in Ullmann’s ​//Government and the People in the Middle Ages//. En het bitter verslag erover van Kropotkin is evenmin overdreven, zoals je kunt zien in de geschiedenis van de armoede in Groot-Brittannië. In de Middeleeuwen werd de armoede verholpen zonder dat een beroep moest gedaan worden op de staat. Gildeleden die in armoede vervielen werden bijgestaan door het broederschap,​ dat zich ook om de weduwen en de wezen bekommerde. Er waren ziekenhuizen en huizen voor melaatsen, en in de kloosterziekenhuizen kon iedereen terecht die het nodig had. Maar toen door de Tudors een stevige soevereine staat gevestigd werd, was het wel kenmerkend dat de eerste wet die uitgevaardigd werd aangaande de armoede vereiste dat de bedelaars van de straat zouden geveegd worden en ten tweede dat ze zouden gebrandmerkt worden en dat de essentie van de armenwet, vanaf de codificatie in 1601 tot het amendement in 1834 en de uiteindelijke verdwijning ervan in onze tijd, straffend zou zijn. Elk lid van de Claimants’ Union zou zelfs nu nog volhouden dat de armenwet ​//nog steeds// bestaat en dat hij straffend ​//is//.
-We kunnen dus concluderen dat er een wezenlijke paradox bestaat in het feit dat de staat de beheerder en de organisator zou zijn van de sociale welvaart terwijl de politieagent,​ de cipier en de soldaat zijn symbolen zijn. Er bestaat een zeer nauw verband tussen welvaart en oorlogvoering. Tot laat in de 19de eeuw heeft de staat oorlog gevoerd met professionele soldaten en huurlingen, maar door de toenemende omvang en strekking van de oorlogen werden de staten ertoe gedwongen om steeds meer aandacht te besteden aan de fysieke kwaliteiten van de rekruten, de vrijwilligers zowel als de dienstplichtigen,​ en de vaststelling dat zo’n groot gedeelte van het in aanmerking komende kanonnenvlees fysisch ongeschikt was (iets wat ze in elke oorlog van de laatste 100 jaar hebben moeten vaststellen) had tot gevolg dat de staat maatregelen moest treffen om de lichamelijke gezondheid van het volk te verbeteren. Richard Titmuss in zijn essay War and Social Policy merkt het volgende op: ‘Het was de Zuidafrikaanse oorlog, een oorlog die geen schokkende wijzigingen heeft doorgevoerd in de loop der gebeurtenissen,​ die de aanleiding was tot de oprichting van de beweging voor persoonlijke gezondheidszorg,​ die uiteindelijk geleid heeft tot de Nationale Gezondheidsdienst in 1948 (2).'+
  
-Toen de oorlogvoering zich uitbreidde tot de burgerbevolking, ​de nood zich deed voelen om het moreel hoog te houden door het formuleren ​van ‘vredesdoeleinden’, en een algemeen schuldgevoel ontstond over de onrechtvaardigheden van het verleden ​en het voornemen om het in de toekomst beter te doenbreidde ​de bezorgdheid over de lichamelijke gezondheid zich uit tot een breder gebied ​van sociale welvaart. ‘De strekkingen tijdens ​de oorlog ​om de publieke bevoorrading ​van bepaalde fundamentele behoeften te veralgemenen’beweerde Titmuss‘betekenen in feite dat het maatschappelijk systeem ​zo georganiseerd moet worden dat het alle burgers ​(en niet slechts de soldaten) in staat stelt te leren wat ze van hun leven kunnen maken in vredestijd. In deze context worden ​de onderwijswetten ​van 1944 begrijpelijk en ook het Beveridge Report van 1842 en de sociale verzekering, de gezinsbijslag en de wetten betreffende ​de dienstplicht. Al deze maatregelen van maatschappelijk beleid waren gedeeltelijk een uitdrukking ​van de behoeften van de strategie uit de oorlogstijd om de levensvoorwaarden van burgers en niet-burgers samen te smelten en gelijk te schakelen (3).+We kunnen dus concluderen dat er een wezenlijke paradox bestaat in het feit dat de staat de beheerder en de organisator zou zijn van de sociale welvaart terwijl de politieagentde cipier ​en de soldaat zijn symbolen zijn. Er bestaat een zeer nauw verband tussen welvaart ​en oorlogvoering. Tot laat in de 19de eeuw heeft de staat oorlog gevoerd met professionele soldaten en huurlingenmaar door de toenemende omvang en strekking ​van de oorlogen werden de staten ertoe gedwongen ​om steeds meer aandacht te besteden aan de fysieke kwaliteiten ​van de rekrutende vrijwilligers zowel als de dienstplichtigenen de vaststelling ​dat zo’n groot gedeelte van het in aanmerking komende kanonnenvlees fysisch ongeschikt was (iets wat ze in elke oorlog ​van de laatste 100 jaar hebben moeten vaststellen) had tot gevolg dat de staat maatregelen moest treffen om de lichamelijke gezondheid ​van het volk te verbeteren. Richard Titmuss in zijn essay //War and Social Policy// merkt het volgende op: ‘Het was de Zuid-Afrikaanse oorlogeen oorlog die geen schokkende wijzigingen heeft doorgevoerd in de loop der gebeurtenissen,​ die de aanleiding was tot de oprichting ​van de beweging voor persoonlijke gezondheidszorg,​ die uiteindelijk geleid heeft tot de Nationale Gezondheidsdienst in 1948.'[2]
  
-Zijn cynische conclusie is dat ‘het doel en de inhoud van het maatschappelijk beleid zowel in vredestijd als tijdens de oorlog bepaald zijn - tenminste tot op aanzienlijke hoogte - door de mate waarin de samenwerking tussen de volkeren essentieel is voor het succesvolle verderzetten van de oorlog.’ Er zijn in feite verscheidene tradities van sociale welvaart: het product van totaal verschillende houdingen tegenover de sociale noden. Zelfs in de iedereen-gelijk-voor-de-wet wetgeving van de welvaartsstaat blijven deze tradities leven. Een vriend van mij, een experimenteel psycholoog, die veel in ziekenhuizen komt, zegt dat hij altijd merkt of een ziekenhuis gegroeid is uit een vrijwilligers- vereniging, een gemeentelijke instelling of een instelling van de Openbare Onderstand, hoewel de Nationale Gezondheidsdienst reeds verscheidene tientallen jaren geleden is opgericht. Eén van deze tradities is dat de overheid straffend en met tegenzin diensten verleent en de andere traditie is de uitdrukking van sociale verantwoordelijkheid,​ of van hulp aan elkaar en aan zichzelf. De ene wordt belichaamd in instituten, de andere in verenigingen.+Toen de oorlogvoering zich uitbreidde tot de burgerbevolking,​ de nood zich deed voelen om het moreel hoog te houden door het formuleren van ‘vredesdoeleinden’,​ en een algemeen schuldgevoel ontstond over de onrechtvaardigheden van het verleden en het voornemen om het in de toekomst beter te doen, breidde de bezorgdheid over de lichamelijke gezondheid zich uit tot een breder gebied van sociale welvaart. ‘De strekkingen tijdens de oorlog om de publieke bevoorrading van bepaalde fundamentele behoeften te veralgemenen’,​ beweerde Titmuss, ‘betekenen in feite dat het maatschappelijk systeem zo georganiseerd moet worden dat het alle burgers (en niet slechts de soldaten) in staat stelt te leren wat ze van hun leven kunnen maken in vredestijd. In deze context worden de onderwijswetten van 1944 begrijpelijk en ook het Beveridge Report van 1842 en de sociale verzekering,​ de gezinsbijslag en de wetten betreffende de dienstplicht. Al deze maatregelen van maatschappelijk beleid waren gedeeltelijk een uitdrukking van de behoeften van de strategie uit de oorlogstijd om de levensvoorwaarden van burgers en niet-burgers samen te smelten en gelijk te schakelen.’[3] 
 + 
 +Zijn cynische conclusie is dat ‘het doel en de inhoud van het maatschappelijk beleid zowel in vredestijd als tijdens de oorlog bepaald zijn - tenminste tot op aanzienlijke hoogte - door de mate waarin de samenwerking tussen de volkeren essentieel is voor het succesvolle verderzetten van de oorlog.’ Er zijn in feite verscheidene tradities van sociale welvaart: het product van totaal verschillende houdingen tegenover de sociale noden. Zelfs in de iedereen-gelijk-voor-de-wet wetgeving van de welvaartsstaat blijven deze tradities leven. Een vriend van mij, een experimenteel psycholoog, die veel in ziekenhuizen komt, zegt dat hij altijd merkt of een ziekenhuis gegroeid is uit een vrijwilligers- vereniging, een gemeentelijke instelling of een instelling van de Openbare Onderstand, hoewel de Nationale Gezondheidsdienst reeds verscheidene tientallen jaren geleden is opgericht. Eén van deze tradities is dat de overheid straffend en met tegenzin diensten verleent en de andere traditie is de uitdrukking van sociale verantwoordelijkheid,​ of van hulp aan elkaar en aan zichzelf. De ene wordt belichaamd in //instituten//, de andere in //verenigingen//.
  
 In het jargon van de sociale administratie bestaat er een lelijke maar expressieve term: ‘institutionalisering’,​ wat betekent: de mensen in instituten stoppen. Er bestaat zelfs nog een lelijker woord: ‘de-institutionalisering’,​ wat betekent: ze er weer uithalen. De terminologie is misschien wel betreurenswaardig maar ze beschrijft een richting die erg belangrijk is uit anarchistisch standpunt. De algemene betekenis van ‘instituut’ is ‘een gevestigde wet, gewoonte, gebruik, praktijk, organisatie of een ander element in het politieke of sociale leven van een volk’ en in de bijzondere betekenis is ‘instituut’ ‘een educatieve, filantropische,​ genezende of straffende instelling waarbij een gebouw of een gebouwencomplex een grote en centrale rol speelt, bijvoorbeeld scholen, ziekenhuizen,​ weeshuizen, bejaardentehuizen,​ gevangenissen.’ Als je deze definities aanvaardt, zul je zien dat het anarchisme vijandig staat tegenover de instituten in de algemene betekenis, dat wil zeggen vijandig tegenover de institutionalisering in vooropgestelde vormen of wettige entiteiten van verscheidene verenigingen. Het is voorstander van de-institutionalisering,​ van het afschaffen van de instituten. In het jargon van de sociale administratie bestaat er een lelijke maar expressieve term: ‘institutionalisering’,​ wat betekent: de mensen in instituten stoppen. Er bestaat zelfs nog een lelijker woord: ‘de-institutionalisering’,​ wat betekent: ze er weer uithalen. De terminologie is misschien wel betreurenswaardig maar ze beschrijft een richting die erg belangrijk is uit anarchistisch standpunt. De algemene betekenis van ‘instituut’ is ‘een gevestigde wet, gewoonte, gebruik, praktijk, organisatie of een ander element in het politieke of sociale leven van een volk’ en in de bijzondere betekenis is ‘instituut’ ‘een educatieve, filantropische,​ genezende of straffende instelling waarbij een gebouw of een gebouwencomplex een grote en centrale rol speelt, bijvoorbeeld scholen, ziekenhuizen,​ weeshuizen, bejaardentehuizen,​ gevangenissen.’ Als je deze definities aanvaardt, zul je zien dat het anarchisme vijandig staat tegenover de instituten in de algemene betekenis, dat wil zeggen vijandig tegenover de institutionalisering in vooropgestelde vormen of wettige entiteiten van verscheidene verenigingen. Het is voorstander van de-institutionalisering,​ van het afschaffen van de instituten.
Regel 612: Regel 613:
 Maar toen ze het hoogtepunt van hun groei en ontwikkeling bereikt hadden begon men te twijfelen. Roeien ze het kwaad wel uit en dienen ze werkelijk de doelstellingen waarvoor ze opgericht zijn, of bestendigen ze het kwaad alleen maar? Er ontstaat een nieuwe generatie van baanbrekende denkers die trachten het proces om te keren, de instituten helemaal af te schaffen, of ze om te vormen tot niet-institutionele eenheden, of om aan dezelfde sociale behoefte tegemoet te komen op een niet-institutionele manier. Deze denkrichting kent zoveel bijval dat we gedwongen worden te gaan nadenken over de mate waarin de bijzondere instituten kunnen beschouwd worden als de microcosmos of het model voor het kritische onderzoek van de algemene instituten in de maatschappij. Maar toen ze het hoogtepunt van hun groei en ontwikkeling bereikt hadden begon men te twijfelen. Roeien ze het kwaad wel uit en dienen ze werkelijk de doelstellingen waarvoor ze opgericht zijn, of bestendigen ze het kwaad alleen maar? Er ontstaat een nieuwe generatie van baanbrekende denkers die trachten het proces om te keren, de instituten helemaal af te schaffen, of ze om te vormen tot niet-institutionele eenheden, of om aan dezelfde sociale behoefte tegemoet te komen op een niet-institutionele manier. Deze denkrichting kent zoveel bijval dat we gedwongen worden te gaan nadenken over de mate waarin de bijzondere instituten kunnen beschouwd worden als de microcosmos of het model voor het kritische onderzoek van de algemene instituten in de maatschappij.
  
-In één betekenis heeft het instituut zijn architecturale uitdrukking gevonden in de hiërarchie van de enorme Victoriaanse gebouwen, in een kerkhovengordel rond de steden. ‘Vlakbij het kerkhof,’ schreef C.F. Casterman, ‘was er een enorm groot koortsziekenhuis ... Aan de voorkant was er een reusachtig armenhuis; aan de achterkant een reusachtig gekkenhuis, rechts een reusachtige kazemeschool en links een reusachtige gevangenis ... De randen van de stad zijn bezaaid met reusachtige gebouwen, gevangenissen of paleizen die getuigen van de inspanningen van de stad om de problemen van verminkt en vervormd leven het hoofd te bieden - getuigenissen van de energie die erin gestopt is, maar ook van de mislukking. De wanhopigen, de opstandigen,​ de krankzinnigen,​ de verlaten kinderen en de verlaten oudjes worden opgesloten achter hoge hekken en glimmende muren (4).' Heather Woolmer leverde de volgende commentaar: ‘Casterman beschouwt dat alles als kenmerkend voor een maatschappij die opzettelijk alles wil verwerpen wat ze wil vergeten, zoals de dood, en alles wat last bezorgt, zoals de armen, de oudjes en de krankzinnigen. Er zou bijna een hele subcultuur kunnen opgericht worden aan de rand van de steden: van liefdadigheidsscholen tot armenhuizen,​ bejaardentehuizen,​ ziekenhuizen en kerkhoven: net batterij kippen die wachten op de transportband naar de dood (5).’ Institutionalisering is inderdaad een aangelegenheid die ons leven beïnvloedt van de wieg tot het graf. Een generatie terug was het algemeen aanvaarde ‘ideale’ patroon om te bevallen in een kraaminrichting. De baby werd van de moeder weggenomen bij de geboorte en door een gemaskerde verpleegster achter glas geplaatst. Hij mocht enkel op vast voorgeschreven uren weer buiten om gevoed te worden. Kussen en knuffelen werden als onhygiënisch beschouwd. (De meeste babies werden niet op die manier geboren, maar dat was het ideaal.) Nu is het ideaalbeeld helemaal anders. De baby wordt thuis geboren terwijl de vader de vroedvrouw helpt, en de broertjes en zusjes aangemoedigd worden om de nieuwe ‘aanwinst’ te delen. Hij wordt door iedereen zonder onderscheid vertroeteld en wordt gevoed als hij erom vraagt. (Weer worden veel babies ​niet zo geboren maar het is het algemeen aanvaarde ideaal.) Deze gewijzigde houding kan toegeschreven worden aan een gewijzigde levenswijze of aan het gezond verstand dat zich weer doet gelden of aan het erg invloedrijke bewijsmateriaal dat verzameld werd door John Bowlby in zijn rapport voor de Wereld Gezondheidsorganisatie over kraamverzorging ​(6). Ashley Montagu schrijft :Er bestaat een ziekte die slechts een halve eeuw geleden de doodsoorzaak was van meer dan de helft van de kinderen onder de 1 jaar die stierven. Deze ziekte was bekend onder de naam marasmus, wat afkomstig is van het Griekse woord dat ‘verspillen’ betekent. Deze ziekte was ook bekend onder de naam ‘infantiele atrofie’ of ‘debiliteit’. Toen studies aangevat werden om de oorzaak van die ziekte op te sporen, ontdekte men dat de babies ​in de ‘beste’ huizen en kraaminrichtingen gewoonlijk het slachtoffer werden, ​babies ​die toch blijkbaar het best en het meest hygiënisch verzorgd werden, terwijl de babies ​in de armste huizen, maar met een goede moeder, ondanks het gebrek aan hygiëne, vaak de lichamelijke bezwarende omstandigheden te boven kwamen en gezond ontwikkelden. Hetgeen ontbrak in de gesteriliseerde omgeving van de eerste klas babies ​en gul verstrekt werd aan de tweede klas babies ​was moederliefde. Deze ontdekking heeft tot gevolg gehad dat men zich tegenwoordig in de kraaminrichtingen inspant om de babies ​een zo kort mogelijke tijd daar te houden ​(7).+In één betekenis heeft het instituut zijn architecturale uitdrukking gevonden in de hiërarchie van de enorme Victoriaanse gebouwen, in een kerkhovengordel rond de steden. ‘Vlakbij het kerkhof,’ schreef C.F. Casterman, ‘was er een enorm groot koortsziekenhuis ​[...Aan de voorkant was er een reusachtig armenhuis; aan de achterkant een reusachtig gekkenhuis, rechts een reusachtige kazemeschool en links een reusachtige gevangenis ​[...De randen van de stad zijn bezaaid met reusachtige gebouwen, gevangenissen of paleizen die getuigen van de inspanningen van de stad om de problemen van verminkt en vervormd leven het hoofd te bieden - getuigenissen van de energie die erin gestopt is, maar ook van de mislukking. De wanhopigen, de opstandigen,​ de krankzinnigen,​ de verlaten kinderen en de verlaten oudjes worden opgesloten achter hoge hekken en glimmende muren.'​[4] Heather Woolmer leverde de volgende commentaar: ‘Casterman beschouwt dat alles als kenmerkend voor een maatschappij die opzettelijk alles wil verwerpen wat ze wil vergeten, zoals de dood, en alles wat last bezorgt, zoals de armen, de oudjes en de krankzinnigen. Er zou bijna een hele subcultuur kunnen opgericht worden aan de rand van de steden: van liefdadigheidsscholen tot armenhuizen,​ bejaardentehuizen,​ ziekenhuizen en kerkhoven: net batterij kippen die wachten op de transportband naar de dood.’[5] Institutionalisering is inderdaad een aangelegenheid die ons leven beïnvloedt van de wieg tot het graf. Een generatie terug was het algemeen aanvaarde ‘ideale’ patroon om te bevallen in een kraaminrichting. De baby werd van de moeder weggenomen bij de geboorte en door een gemaskerde verpleegster achter glas geplaatst. Hij mocht enkel op vast voorgeschreven uren weer buiten om gevoed te worden. Kussen en knuffelen werden als onhygiënisch beschouwd. (De meeste babies werden niet op die manier geboren, maar dat was het ideaal.) Nu is het ideaalbeeld helemaal anders. De baby wordt thuis geboren terwijl de vader de vroedvrouw helpt, en de broertjes en zusjes aangemoedigd worden om de nieuwe ‘aanwinst’ te delen. Hij wordt door iedereen zonder onderscheid vertroeteld en wordt gevoed als hij erom vraagt. (Weer worden veel baby'​s ​niet zo geboren maar het is het algemeen aanvaarde ideaal.) Deze gewijzigde houding kan toegeschreven worden aan een gewijzigde levenswijze of aan het gezond verstand dat zich weer doet gelden of aan het erg invloedrijke bewijsmateriaal dat verzameld werd door John Bowlby in zijn rapport voor de Wereld Gezondheidsorganisatie over kraamverzorging.[6Ashley Montagu schrijft: Er bestaat een ziekte die slechts een halve eeuw geleden de doodsoorzaak was van meer dan de helft van de kinderen onder de 1 jaar die stierven. Deze ziekte was bekend onder de naam //marasmus//, wat afkomstig is van het Griekse woord dat ‘verspillen’ betekent. Deze ziekte was ook bekend onder de naam ‘infantiele atrofie’ of ‘debiliteit’. Toen studies aangevat werden om de oorzaak van die ziekte op te sporen, ontdekte men dat de baby'​s ​in de ‘beste’ huizen en kraaminrichtingen gewoonlijk het slachtoffer werden, ​baby'​s ​die toch blijkbaar het best en het meest hygiënisch verzorgd werden, terwijl de baby'​s ​in de armste huizen, maar met een goede moeder, ondanks het gebrek aan hygiëne, vaak de lichamelijke bezwarende omstandigheden te boven kwamen en gezond ontwikkelden. Hetgeen ontbrak in de gesteriliseerde omgeving van de eerste klas baby'​s ​en gul verstrekt werd aan de tweede klas baby'​s ​was moederliefde. Deze ontdekking heeft tot gevolg gehad dat men zich tegenwoordig in de kraaminrichtingen inspant om de baby'​s ​een zo kort mogelijke tijd daar te houden.[7]
  
-Het conflict tussen deze twee ‘ideale’ patronen van bevallen wordt nog steeds vaak bediscussieerd. Er werd bijvoorbeeld aangetoond dat ‘veel moeders hun opname en verzorging in de kraaminrichting ongunstig vergelijken met een bevalling thuis. Van de 336 moeders die ten minste één baby in een kraaminrichting gekregen hadden en één thuis, verkozen 80% thuis te bevallen en slechts 14% in een kraaminrichting ​(8)* Dit betekent eenvoudig dat de moeders natuurlijk de voordelen willen van de twee ‘idealen’ - medische veiligheid en een huiselijke atmosfeer. Wat ze echt willen is een de-institutionalisering van de ziekenhuizen. Toen professor Norman Morris dus de kraaminrichting van het Charing Cross Hospital opende, verklaarde hij dat ‘25 jaar onderzoek de risiko’s van de bevalling heel wat heeft doen afnemen, maar kraaminrichtingen verdrinken de vreugde van het moederschap vaak in een zee van onmenselijkheid.’ Hij zei dat daar ‘een atmosfeer heerst van kilte, onvriendelijkheid en strengheid, die eerder doet denken aan een belastingkantoor. Veel van onze inrichtingen die onderwerping en disciplinering met zich brengen moeten volledig herzien worden ​(9).’ Later beschreef hij verscheidene bestaande kraaminrichtingen als echte babyfabrieken. ‘Sommige schijnen er zelfs trots op te zijn dat ze een doeltreffender transportbandsysteem ontwikkeld hebben dan wat vroeger gangbaar was (10). ’ De algemene aanvaarding van de opvatting die bekendheid verworven heeft als de hypothese van Bowlby over de moederde privatie ​heeft een diepgaande invloed gehad op de behandeling van jonge kinderen in ziekenhuizen. Amerikaanse kinderartsen hebben vastgesteld dat een verblijf in een ziekenhuis zich manifesteert door een duidelijk omschreven klinisch beeld. ‘Het is opvallend dat die kinderen bijna niet toenemen in gewicht, ondanks diëten waarvan ze thuis goed groeien.’ ​Babies ​in ziekenhuizen slapen minder dan anderen en lachen en babbelen zelden spontaan. Ze zijn lusteloos en apathisch en zien er ongelukkig uit.’ Bowlby stelt hetzelfde vast en beweert dat de toestand van deze babies ​‘ongetwijfeld een vorm van depressie is en vele kenmerken gemeen heeft met de toestand van de volwassenen depressieve patiënten in de psychiatrische inrichtingen ​(11).'+Het conflict tussen deze twee ‘ideale’ patronen van bevallen wordt nog steeds vaak bediscussieerd. Er werd bijvoorbeeld aangetoond dat ‘veel moeders hun opname en verzorging in de kraaminrichting ongunstig vergelijken met een bevalling thuis. Van de 336 moeders die ten minste één baby in een kraaminrichting gekregen hadden en één thuis, verkozen 80% thuis te bevallen en slechts 14% in een kraaminrichting.'[8Dit betekent eenvoudig dat de moeders natuurlijk de voordelen willen van de twee ‘idealen’ - medische veiligheid en een huiselijke atmosfeer. Wat ze echt willen is een de-institutionalisering van de ziekenhuizen. Toen professor Norman Morris dus de kraaminrichting van het //Charing Cross Hospital// opende, verklaarde hij dat ‘25 jaar onderzoek de risiko’s van de bevalling heel wat heeft doen afnemen, maar kraaminrichtingen verdrinken de vreugde van het moederschap vaak in een zee van onmenselijkheid.’ Hij zei dat daar ‘een atmosfeer heerst van kilte, onvriendelijkheid en strengheid, die eerder doet denken aan een belastingkantoor. Veel van onze inrichtingen die onderwerping en disciplinering met zich brengen moeten volledig herzien worden.’[9] Later beschreef hij verscheidene bestaande kraaminrichtingen als echte babyfabrieken. ‘Sommige schijnen er zelfs trots op te zijn dat ze een doeltreffender transportbandsysteem ontwikkeld hebben dan wat vroeger gangbaar was.’[10] De algemene aanvaarding van de opvatting die bekendheid verworven heeft als de hypothese van Bowlby over de moeder-deprivatie ​heeft een diepgaande invloed gehad op de behandeling van jonge kinderen in ziekenhuizen. Amerikaanse kinderartsen hebben vastgesteld dat een verblijf in een ziekenhuis zich manifesteert door een duidelijk omschreven klinisch beeld. ‘Het is opvallend dat die kinderen bijna niet toenemen in gewicht, ondanks diëten waarvan ze thuis goed groeien.’ ​Baby'​s ​in ziekenhuizen slapen minder dan anderen en lachen en babbelen zelden spontaan. Ze zijn lusteloos en apathisch en zien er ongelukkig uit.’ Bowlby stelt hetzelfde vast en beweert dat de toestand van deze baby'​s ​‘ongetwijfeld een vorm van depressie is en vele kenmerken gemeen heeft met de toestand van de volwassenen depressieve patiënten in de psychiatrische inrichtingen.'​[11]
  
 De observaties van de uitwerking van een institutionele omgeving op zieke kinderen zijn ook toepasselijk op fysiek gezonde kinderen. Eén van de eerste vergelijkende studies van weeshuizen met een gelijke controlegroep bracht de onderzoekers ertoe het volgende op te merken: De observaties van de uitwerking van een institutionele omgeving op zieke kinderen zijn ook toepasselijk op fysiek gezonde kinderen. Eén van de eerste vergelijkende studies van weeshuizen met een gelijke controlegroep bracht de onderzoekers ertoe het volgende op te merken:
  
-Niemand zou hebben kunnen voorspellen,​ laat staan bewijzen, dat kinderen die verbleven in wat vroeger beschouwd werd als normale weeshuizen, voortdurend aftakelden. Met betrekking tot intelligentie,​ woordenschat,​ algemene ontwikkeling,​ sociaal gedrag, persoonlijke aanpassing en de motorische prestaties was er een algemene achterstand. Eén tot drie jaar in een kleuterschool,​ die nog ver beneden haar eigen mogelijkheden werkte, had enkel als gevolg dat de richting van de regressie omgekeerd werd, wat voor enkelen tot zwakzinnigheid heeft geleid ​(12)+Niemand zou hebben kunnen voorspellen,​ laat staan bewijzen, dat kinderen die verbleven in wat vroeger beschouwd werd als normale weeshuizen, voortdurend aftakelden. Met betrekking tot intelligentie,​ woordenschat,​ algemene ontwikkeling,​ sociaal gedrag, persoonlijke aanpassing en de motorische prestaties was er een algemene achterstand. Eén tot drie jaar in een kleuterschool,​ die nog ver beneden haar eigen mogelijkheden werkte, had enkel als gevolg dat de richting van de regressie omgekeerd werd, wat voor enkelen tot zwakzinnigheid heeft geleid.[12] 
-In Groot-Brittannië tijdens de oorlog brachten Dorothy Burlingham en Anna Freud in Infants without Family verslag uit over de opvallende wijzigingen in kinderen die alle tekenen van achterlijkheid vertoonden, toen hun kinderbewaarplaatsen vervangen werden door groepjes van telkens vier kinderen met een eigen substituut moeder en sindsdien werden een groot aantal vergelijkende studies gemaakt in verscheidene landen, met resultaten die Barbara Wootton in de volgende woorden samenvat: ‘Herhaaldelijk is gebleken dat deze kinderen een achterstand vertonen in vergelijking met andere kinderen die thuis wonen; dat ze zowel een lager intelligentiequotiënt als een lager ontwikkelings- quotiënt hebben en dat ze verder nog relatief achter zijn in spreken en lopen ... Ze zijn ook destructiever en aggressiever,​ rustelozer, minder in staat om zich te concentreren en onverschilliger voor hun recht op privacy dan de andere kinderen. Ze zijn in feite verarmd in alle aspecten van hun persoonlijkheid ​(13).' De wijziging in de publieke en de officiële opinie in Groot-Brittannië nam een aanvang met een brief aan The Times in 1944 van Lady Allen of Hurtwood. Ze liet er een pamflet op volgen om de aandacht te vestigen op de erg onbevredigende toestanden in kindertehuizen en weeshuizen, en gaf voorbeelden van onvoorstelbare en wrede behandelingen. Als resultaat daarvan werd er het volgend jaar een comité opgericht en het rapport daarvan (het Curtis Report over de kinderverzorging) werd uitgegeven in december 1946. Daarin werd de verzorging in de instituten erg bekritiseerd en advies gegeven dat sindsdien zo algemeen aanvaard werd dat Bowlby kon schrijven dat ‘de controverse over de verdiensten van pleeghuizen en van de verzorging in instituten nu beschouwd kan worden als afgehandeld. Er is nu niemand meer die zou aanraden kinderen in grote groepen samen te brengen om  ​+ 
 +In Groot-Brittannië tijdens de oorlog brachten Dorothy Burlingham en Anna Freud in //Infants without Family// verslag uit over de opvallende wijzigingen in kinderen die alle tekenen van achterlijkheid vertoonden, toen hun kinderbewaarplaatsen vervangen werden door groepjes van telkens vier kinderen met een eigen substituut moeder en sindsdien werden een groot aantal vergelijkende studies gemaakt in verscheidene landen, met resultaten die Barbara Wootton in de volgende woorden samenvat: ‘Herhaaldelijk is gebleken dat deze kinderen een achterstand vertonen in vergelijking met andere kinderen die thuis wonen; dat ze zowel een lager intelligentiequotiënt als een lager ontwikkelings-quotiënt hebben en dat ze verder nog relatief achter zijn in spreken en lopen [...Ze zijn ook destructiever en aggressiever,​ rustelozer, minder in staat om zich te concentreren en onverschilliger voor hun recht op privacy dan de andere kinderen. Ze zijn in feite verarmd in alle aspecten van hun persoonlijkheid.'​[13] De wijziging in de publieke en de officiële opinie in Groot-Brittannië nam een aanvang met een brief aan //The Times// in 1944 van Lady Allen of Hurtwood. Ze liet er een pamflet op volgen om de aandacht te vestigen op de erg onbevredigende toestanden in kindertehuizen en weeshuizen, en gaf voorbeelden van onvoorstelbare en wrede behandelingen. Als resultaat daarvan werd er het volgend jaar een comité opgericht en het rapport daarvan (het Curtis Report over de kinderverzorging) werd uitgegeven in december 1946. Daarin werd de verzorging in de instituten erg bekritiseerd en advies gegeven dat sindsdien zo algemeen aanvaard werd dat Bowlby kon schrijven dat ‘de controverse over de verdiensten van pleeghuizen en van de verzorging in instituten nu beschouwd kan worden als afgehandeld. Er is nu niemand meer die zou aanraden kinderen in grote groepen samen te brengen om  ​
 ze te verzorgen - iedereen raadt het ten zeerste af.’ ze te verzorgen - iedereen raadt het ten zeerste af.’
  
 Het is niet verwonderlijk dat de methodes en houdingen die het meeste succes gekend hebben in het de-institutionaliseren van de behandeling van normale kinderen, nog meer moeten opvallen bij de behandeling van kinderen die op één of andere manier gehandicapt zijn, spastische kinderen bijvoorbeeld,​ of epileptische kinderen, en mentaal gehandicapte kinderen. In het onderzoeks-project in Brooklands, Reigate, dat op touw gezet werd door Dr J. Tizard en Juffrouw Daly werd een groep van 16 ‘imbeciele’ kinderen vergeleken met een controlegroep in het hospitaal vanwaar het onderzoek uitging. Zelfs na het eerste jaar hadden de kinderen die verzorgd werden in gezinsverband gemiddeld 8 maanden vooruitgang geboekt in mentale leeftijd op een verbale intelligentietest,​ tegenover slechts drie maanden voor de controlegroep. Ze waren zes maanden vooruitgegaan,​ tegenover drie maanden in de controlegroep,​ in persoonlijke onafhankelijkheid,​ gemeten op een leeftijdsschaal,​ en er werd een belangrijke ontwikkeling vastgesteld van de spraak, het sociaal en emotioneel gedrag en de zelf gekozen activiteiten. Gelijkaardige experimenten aangaande de voordelen van kleine permissieve gezinsgroepen hebben diegenen beloond die getracht hebben de institutionele verzorging van ‘delinquente’ of onaangepaste kinderen te de-institutionaliseren - George Lyward van Finchden Manor of David Wills van Bodenham bijvoorbeeld. Het is niet verwonderlijk dat de methodes en houdingen die het meeste succes gekend hebben in het de-institutionaliseren van de behandeling van normale kinderen, nog meer moeten opvallen bij de behandeling van kinderen die op één of andere manier gehandicapt zijn, spastische kinderen bijvoorbeeld,​ of epileptische kinderen, en mentaal gehandicapte kinderen. In het onderzoeks-project in Brooklands, Reigate, dat op touw gezet werd door Dr J. Tizard en Juffrouw Daly werd een groep van 16 ‘imbeciele’ kinderen vergeleken met een controlegroep in het hospitaal vanwaar het onderzoek uitging. Zelfs na het eerste jaar hadden de kinderen die verzorgd werden in gezinsverband gemiddeld 8 maanden vooruitgang geboekt in mentale leeftijd op een verbale intelligentietest,​ tegenover slechts drie maanden voor de controlegroep. Ze waren zes maanden vooruitgegaan,​ tegenover drie maanden in de controlegroep,​ in persoonlijke onafhankelijkheid,​ gemeten op een leeftijdsschaal,​ en er werd een belangrijke ontwikkeling vastgesteld van de spraak, het sociaal en emotioneel gedrag en de zelf gekozen activiteiten. Gelijkaardige experimenten aangaande de voordelen van kleine permissieve gezinsgroepen hebben diegenen beloond die getracht hebben de institutionele verzorging van ‘delinquente’ of onaangepaste kinderen te de-institutionaliseren - George Lyward van Finchden Manor of David Wills van Bodenham bijvoorbeeld.
  
-Verscheidene generaties lang heeft het woord ‘instituut’,​ voor de meerderheid van de bevolking van Groot-Brittannië,​ één ding betekend: het Instituut, het Armenhuis of de Openbare Onderstand. Het was een schande als je daarin opgenomen werd en het werd met vrees en haat beschouwd als een laatste toevlucht. De armenwet is verdwenen maar de tradities blijven bestaan. Langzaamaan hebben we geleerd dat onverschillig welke instelling voor bejaarden de seniliteit bevordert, terwijl een inspanning om hen te helpen in hun eigen woning hun eigen leven te leiden de onafhankelijkheid en de levensdrang doet toenemen.+Verscheidene generaties lang heeft het woord ‘instituut’,​ voor de meerderheid van de bevolking van Groot-Brittannië,​ één ding betekend: ​//het// Instituut, het //Armenhuis of de Openbare Onderstand//. Het was een schande als je daarin opgenomen werd en het werd met vrees en haat beschouwd als een laatste toevlucht. De armenwet is verdwenen maar de tradities blijven bestaan. Langzaamaan hebben we geleerd dat onverschillig welke instelling voor bejaarden de seniliteit bevordert, terwijl een inspanning om hen te helpen in hun eigen woning hun eigen leven te leiden de onafhankelijkheid en de levensdrang doet toenemen.
  
-Iemand die oude mensen moet verzorgen, moet eerst en vooral leren dat het absoluut nodig is hen de grootst mogelijke vrijheid van handelen te geven, zich te realiseren dat hun persoonlijkheid nog steeds individueel is en dat een betekenis in de maatschappij essentieel is om gelukkig te zijn. Het is erg gemakkelijk te denken dat bejaarden toch niets meer kunnen doen en hen daarom aan te moedigen te rusten en niets te doen. Dit is een verkeerde vriendelijkheid,​ hoewel je zo op een gemakkelijke manier je geweten kunt sussen als je het vergelijkt met de meer eisende benadering waarbij de bejaarden voortdurend aangemoedigd worden om actief te zijn, om uit te gaan, om een bezigheid te vinden die de moeite waard is. De laatste benadering nochtans is waarschijnlijk meer bevorderlijk voor hun geluk en voorkomt de moeilijkheden die later zouden kunnen opduiken als gevolg van zwakheid en apathie ​(14). De de-institutionalisering van de behandeling van geesteszieken begon in de 18de eeuw toen William Tuke het York Retreat stichtte, en toen Pinel in hetzelfde jaar (1792) te Bicètre zijn zwakzinnige patiënten bevrijdde van hun kettingen. Maar in de 19de eeuw werd, met wat Kathleen Jones ‘de triomf van het legalisme’ noemt, het patroon voorgeschreven van de reusachtige geïsoleerde krankzinnigengestichten als een sinister aanhangsel van de armenwet - de erfenis waartegen de moderne pioniers moeten vechten. Kropotkin nam in zijn opmerkelijke lezing over gevangenissen die hij in Parijs in 1887 gegeven heeft, Pinel als vertrekpunt voor de ‘gemeenschapszorg’ die nu algemeen aanvaard wordt als het beleid voor mentale gezondheid: Men zal toch blijven zeggen dat er altijd enkele mensen zullen overblijven,​ de zieken, als je ze zo wilt noemen, die een gevaar betekenen voor de maatschappij. Is het dan niet nodig dat we ons op één of andere manier van hen ontdoen, of tenminste voorkomen dat ze de anderen kwaad doen? Geen enkele maatschappij,​ hoe weinig intelligent ook, heeft zulke absurde instelling nodig, en om de volgende reden. Vroeger dacht men dat de krankzinnigen bezeten waren door de duivel en ze werden dienovereenkomstig behandeld. Ze werden vastgeketend in een soort stal, vastgeklonken aan de muur zoals wilde beesten. Maar toen kwam Pinel, de man van de Grote Revolutie, en die durfde hun kettingen wegnemen en durfde hen behandelen als broeders. ‘Je zult door hen verscheurd worden,’ schreeuwden de bewakers. Maar Pinel durfde het toch. Degenen die beschouwd werden als wilde beesten gingen rond Pinel zitten en bewezen door hun gedrag dat hij gelijk had te geloven in de betere zijde van de menselijke natuur, zelfs als de intelligentie beneveld wordt door een ziekte. Toen was de zaak gewonnen en men hield op de krankzinnigen te ketenen.+Iemand die oude mensen moet verzorgen, moet eerst en vooral leren dat het absoluut nodig is hen de grootst mogelijke vrijheid van handelen te geven, zich te realiseren dat hun persoonlijkheid nog steeds individueel is en dat een betekenis in de maatschappij essentieel is om gelukkig te zijn. Het is erg gemakkelijk te denken dat bejaarden toch niets meer kunnen doen en hen daarom aan te moedigen te rusten en niets te doen. Dit is een verkeerde vriendelijkheid,​ hoewel je zo op een gemakkelijke manier je geweten kunt sussen als je het vergelijkt met de meer eisende benadering waarbij de bejaarden voortdurend aangemoedigd worden om actief te zijn, om uit te gaan, om een bezigheid te vinden die de moeite waard is. De laatste benadering nochtans is waarschijnlijk meer bevorderlijk voor hun geluk en voorkomt de moeilijkheden die later zouden kunnen opduiken als gevolg van zwakheid en apathie.[14] De de-institutionalisering van de behandeling van geesteszieken begon in de 18de eeuw toen William Tuke het //York Retreat// stichtte, en toen Pinel in hetzelfde jaar (1792) te Bicètre zijn zwakzinnige patiënten bevrijdde van hun kettingen. Maar in de 19de eeuw werd, met wat Kathleen Jones ‘de triomf van het legalisme’ noemt, het patroon voorgeschreven van de reusachtige geïsoleerde krankzinnigengestichten als een sinister aanhangsel van de armenwet - de erfenis waartegen de moderne pioniers moeten vechten. Kropotkin nam in zijn opmerkelijke lezing over gevangenissen die hij in Parijs in 1887 gegeven heeft, Pinel als vertrekpunt voor de ‘gemeenschapszorg’ die nu algemeen aanvaard wordt als het beleid voor mentale gezondheid: Men zal toch blijven zeggen dat er altijd enkele mensen zullen overblijven,​ de zieken, als je ze zo wilt noemen, die een gevaar betekenen voor de maatschappij. Is het dan niet nodig dat we ons op één of andere manier van hen ontdoen, of tenminste voorkomen dat ze de anderen kwaad doen? Geen enkele maatschappij,​ hoe weinig intelligent ook, heeft zulke absurde instelling nodig, en om de volgende reden. Vroeger dacht men dat de krankzinnigen bezeten waren door de duivel en ze werden dienovereenkomstig behandeld. Ze werden vastgeketend in een soort stal, vastgeklonken aan de muur zoals wilde beesten. Maar toen kwam Pinel, de man van de Grote Revolutie, en die durfde hun kettingen wegnemen en durfde hen behandelen als broeders. ‘Je zult door hen verscheurd worden,’ schreeuwden de bewakers. Maar Pinel durfde het toch. Degenen die beschouwd werden als wilde beesten gingen rond Pinel zitten en bewezen door hun gedrag dat hij gelijk had te geloven in de betere zijde van de menselijke natuur, zelfs als de intelligentie beneveld wordt door een ziekte. Toen was de zaak gewonnen en men hield op de krankzinnigen te ketenen.
  
 Dan vonden de boeren van het kleine Belgische dorpje Geel er iets beters op. Ze zegden: ‘Stuur ons uw krankzinnigen. We zullen hen absolute vrijheid geven.’ Ze namen hen op in hun gezinnen, ze gaven hen een plaats aan tafel, de kans om naast hen op de velden te werken en een plaats tussen de jonge mensen op de dansavonden. ‘Eet, drink en dans met ons. Werk, ren door de velden en wees vrij.’ Dat was het systeem. Dat was alles wat de Belgische boeren wisten. En de vrijheid bracht een mirakel teweeg. De krankzinnigen genazen. Zelfs degenen die een ongeneesbaar organisch letsel hadden, werden aangename, handelbare gezinsleden,​ net zoals de anderen. De zieke geest bleef op een abnormale manier werken, maar het hart zat op de juiste plaats. Ze schreeuwden dat er een mirakel gebeurd was. De genezingen werden toegeschreven aan een heilige en aan een maagd. Maar deze maagd was de vrijheid en de heilige was het werk op het veld en de broederlijke behandeling. Dan vonden de boeren van het kleine Belgische dorpje Geel er iets beters op. Ze zegden: ‘Stuur ons uw krankzinnigen. We zullen hen absolute vrijheid geven.’ Ze namen hen op in hun gezinnen, ze gaven hen een plaats aan tafel, de kans om naast hen op de velden te werken en een plaats tussen de jonge mensen op de dansavonden. ‘Eet, drink en dans met ons. Werk, ren door de velden en wees vrij.’ Dat was het systeem. Dat was alles wat de Belgische boeren wisten. En de vrijheid bracht een mirakel teweeg. De krankzinnigen genazen. Zelfs degenen die een ongeneesbaar organisch letsel hadden, werden aangename, handelbare gezinsleden,​ net zoals de anderen. De zieke geest bleef op een abnormale manier werken, maar het hart zat op de juiste plaats. Ze schreeuwden dat er een mirakel gebeurd was. De genezingen werden toegeschreven aan een heilige en aan een maagd. Maar deze maagd was de vrijheid en de heilige was het werk op het veld en de broederlijke behandeling.
  
-Aan het ene uiterste van de ‘immense ruimte tussen geestesziekte en misdaad’ waarvan Maudsley spreekt, hebben de vrijheid en de broederlijkheid hun mirakel teweeggebracht. Ze zullen hetzelfde doen aan het andere uiterste ​(15). +Aan het ene uiterste van de ‘immense ruimte tussen geestesziekte en misdaad’ waarvan Maudsley spreekt, hebben de vrijheid en de broederlijkheid hun mirakel teweeggebracht. Ze zullen hetzelfde doen aan het andere uiterste.[15
-Heel traag hebben de publieke opinie en het officiële beleid zich aangepast aan deze houding. ‘Bij de eerste hervorming in de verzorging van de geesteszieken in Amerika werden ze in staats- ziekenhuizen gestopt,’ schrijft J.B. Martin, ‘de tweede hervorming is nu bezig - hen er weer uit krijgen ​(16).’ Precies hetzelfde geldt voor Groot-Brittannië. Jarenlang hebben de bewijzen zich opgestapeld dat institutionalisering krankzinnigheid veroorzaakt. Een erg belangrijk onderzoek (uitgevoerd door Hillard en Munday) in The Fountain (psychiatrische inrichting) toonde aan dat 54% van de ‘superieure’ patiënten in feite niet intellectueel defectief waren. In dat licht leverden ze commentaar op ‘deze valse indruk van het probleem van zwakzinnigheid’ die het resultaat was van de huidige classificaties en merkten ze op dat ‘zulke patiënten misschien sociaal onaangepast zijn maar in veel gevallen heeft het leven in het instituut zelf hun emotionele moeilijkheden nog verergerd ​(17).'+ 
 +Heel traag hebben de publieke opinie en het officiële beleid zich aangepast aan deze houding. ‘Bij de eerste hervorming in de verzorging van de geesteszieken in Amerika werden ze in staats- ziekenhuizen gestopt,’ schrijft J.B. Martin, ‘de tweede hervorming is nu bezig - hen er weer uit krijgen.’[16] Precies hetzelfde geldt voor Groot-Brittannië. Jarenlang hebben de bewijzen zich opgestapeld dat institutionalisering krankzinnigheid veroorzaakt. Een erg belangrijk onderzoek (uitgevoerd door Hillard en Munday) in //The Fountain// (psychiatrische inrichting) toonde aan dat 54% van de ‘superieure’ patiënten in feite niet intellectueel defectief waren. In dat licht leverden ze commentaar op ‘deze valse indruk van het probleem van zwakzinnigheid’ die het resultaat was van de huidige classificaties en merkten ze op dat ‘zulke patiënten misschien sociaal onaangepast zijn maar in veel gevallen heeft het leven in het instituut zelf hun emotionele moeilijkheden nog verergerd.'​[17]
  
 De wet zelf is veranderd en heeft het hele gedoe met diploma’s weggeveegd en tracht geesteszieken te laten behandelen zoals alle andere zieken en zwakzinnigheid zoals om het even welke fysieke handicap. Faciliteiten voor patiënten die niet in een inrichting verpleegd worden, werkplaatsen en een heleboel voorzieningen die gekend zijn als ‘gemeenschapszorg’ zijn bedoeld om de instituten te vervangen waar het mogelijk is. En toch is er ieder jaar weer een nieuwe oogst van verhalen over groteske toestanden in zogenaamde therapeutische instituten, over vreselijke mishandeling van hulpeloze patiënten of over de voortgezette onwettelijke opsluiting van mensen die jaren geleden in een instelling geplaatst waren omdat ze hun familie of een plaatselijke overheid last bezorgden, en die na een jarenlang verblijf in de instelling vroegtijdig seniel geworden zijn. De wet zelf is veranderd en heeft het hele gedoe met diploma’s weggeveegd en tracht geesteszieken te laten behandelen zoals alle andere zieken en zwakzinnigheid zoals om het even welke fysieke handicap. Faciliteiten voor patiënten die niet in een inrichting verpleegd worden, werkplaatsen en een heleboel voorzieningen die gekend zijn als ‘gemeenschapszorg’ zijn bedoeld om de instituten te vervangen waar het mogelijk is. En toch is er ieder jaar weer een nieuwe oogst van verhalen over groteske toestanden in zogenaamde therapeutische instituten, over vreselijke mishandeling van hulpeloze patiënten of over de voortgezette onwettelijke opsluiting van mensen die jaren geleden in een instelling geplaatst waren omdat ze hun familie of een plaatselijke overheid last bezorgden, en die na een jarenlang verblijf in de instelling vroegtijdig seniel geworden zijn.
  
-Maar waarom, als we dan toch geconfronteerd worden met bekende feiten over de schadelijke gevolgen van instituten, en met het officieel aanvaarde beleid van ‘gemeenschapszorg’,​ zijn we mislukt, op enkele schitterende uitzonderingen na, om de zwakzinnigheid te de-institutionaliseren?​ Het antwoord ligt niet enkel in de karige begroting voor de geestelijke gezondheidszorg,​ er zijn nog twee andere belangrijke componenten. Hoe kunnen we een beleid aanvaarden dat ‘een bewakend autoritair systeem wil vervangen door een permissieve en tolerante cultuur waarin de patiënten aangemoedigd worden om zichzelf te zijn en hun gevoelens mee te delen,​’ ​(18als het personeel zelf georganiseerd is volgens de strakke en autoritaire hiërarchie die elk ziekenhuis kenmerkt? De mensen die hun leven in zeer nauw contact met de patiënten doorbrengen staan zelf op de bodem van de piramide van getreiter en uitbuiting: voor hen bestaat er geen ‘permissieve en tolerante cultuur’, laat staan voor de patiënten. (Dit aspect van de instituten wordt op een schitterende manier toegelicht in het boek van Erving Goffman: Asylums). De andere factor is wat het PEP report over maatschappelijke geestelijke gezondheid de ‘belangrijke irrationele component’ noemt in de algemene houding tegenover afwijkingen ​(19)Dr Joshua Bierer merkte op dat ‘ik en mijn collega’s ervan overtuigd zijn dat onze eigen ongerustheid ons ertoe dwingt mensen op te sluiten, hen te brandmerken en misdadigers van hen te maken. Ik ben ervan overtuigd dat, als we onze eigen onrust kunnen overwinnen en de volwassenen en adolescenten behandelen als leden van de gemeenschap,​ er minder geesteszieken zullen zijn en minder misdadigers ​(20).’ Er zijn inderdaad enkele mensen wier aanwezigheid in de gewone samenleving zulke onrust of vijandschap of vrees oproept of voor wier welzijn de maatschappij met zulke tegenzin verantwoordelijkheid opneemt in de normale primaire groepen zoals het gezin, dat de speciale instellingen die we besproken hebben opgericht werden om hen op te vangen: gestichten voor de krankzinnigen,​ weeshuizen voor de kinderen die geen thuis meer hebben, het armenhuis voor de armen en de bejaarden, kazernes voor de verdedigers van de staat, gevangenissen en tuchthuizen voor degenen die de wet overtreden en op heterdaad betrapt worden. Discipline, routine, gehoorzaamheid en onderwerping kenmerkten de goed georganiseerde instellingen,​ en werden het best bereikt in een afgesloten omgeving, ver weg van de ontspanning,​ het comfort, de verleiding en de gevaarlijke vrijheden van de gewone samenleving. In de 19de eeuw - de eeuw bij uitstek voor het bouwen van instituten - werd inderdaad hetzelfde geëist in de gewone ‘open’ instellingen van buiten de samenleving,​ de fabriek, de school, de groeiende civiele dienst, de patriarchale familie. De gevangenis is wel het instituut bij uitstek, en elke inspanning om dat instituut te hervormen laat de fundamentele geaardheid ervan onaangeroerd. Het is, zoals Merfyn Turner zegt ‘pijnlijk voor degenen die het systeem dat de instituten verpersoonlijken steunen, en een bron van wanhoop voor diegenen die het zouden willen veranderen.’ Godwin onderstreepte dit fundamentele dilemma reeds in de jaren 1790:+Maar waarom, als we dan toch geconfronteerd worden met bekende feiten over de schadelijke gevolgen van instituten, en met het officieel aanvaarde beleid van ‘gemeenschapszorg’,​ zijn we mislukt, op enkele schitterende uitzonderingen na, om de zwakzinnigheid te de-institutionaliseren?​ Het antwoord ligt niet enkel in de karige begroting voor de geestelijke gezondheidszorg,​ er zijn nog twee andere belangrijke componenten. Hoe kunnen we een beleid aanvaarden dat ‘een bewakend autoritair systeem wil vervangen door een permissieve en tolerante cultuur waarin de patiënten aangemoedigd worden om zichzelf te zijn en hun gevoelens mee te delen,’[18als het personeel zelf georganiseerd is volgens de strakke en autoritaire hiërarchie die elk ziekenhuis kenmerkt? De mensen die hun leven in zeer nauw contact met de patiënten doorbrengen staan zelf op de bodem van de piramide van getreiter en uitbuiting: voor hen bestaat er geen ‘permissieve en tolerante cultuur’, laat staan voor de patiënten. (Dit aspect van de instituten wordt op een schitterende manier toegelicht in het boek van Erving Goffman: ​//Asylums//). De andere factor is wat het PEP report over maatschappelijke geestelijke gezondheid de ‘belangrijke irrationele component’ noemt in de algemene houding tegenover afwijkingen.[19] Dr. Joshua Bierer merkte op dat ‘ik en mijn collega’s ervan overtuigd zijn dat onze eigen ongerustheid ons ertoe dwingt mensen op te sluiten, hen te brandmerken en misdadigers van hen te maken. Ik ben ervan overtuigd dat, als we onze eigen onrust kunnen overwinnen en de volwassenen en adolescenten behandelen als leden van de gemeenschap,​ er minder geesteszieken zullen zijn en minder misdadigers.’[20] Er zijn inderdaad enkele mensen wier aanwezigheid in de gewone samenleving zulke onrust of vijandschap of vrees oproept of voor wier welzijn de maatschappij met zulke tegenzin verantwoordelijkheid opneemt in de normale primaire groepen zoals het gezin, dat de speciale instellingen die we besproken hebben opgericht werden om hen op te vangen: gestichten voor de krankzinnigen,​ weeshuizen voor de kinderen die geen thuis meer hebben, het armenhuis voor de armen en de bejaarden, kazernes voor de verdedigers van de staat, gevangenissen en tuchthuizen voor degenen die de wet overtreden en op heterdaad betrapt worden. Discipline, routine, gehoorzaamheid en onderwerping kenmerkten de goed georganiseerde instellingen,​ en werden het best bereikt in een afgesloten omgeving, ver weg van de ontspanning,​ het comfort, de verleiding en de gevaarlijke vrijheden van de gewone samenleving. In de 19de eeuw - de eeuw bij uitstek voor het bouwen van instituten - werd inderdaad hetzelfde geëist in de gewone ‘open’ instellingen van buiten de samenleving,​ de fabriek, de school, de groeiende civiele dienst, de patriarchale familie. De gevangenis is wel het instituut bij uitstek, en elke inspanning om dat instituut te hervormen laat de fundamentele geaardheid ervan onaangeroerd. Het is, zoals Merfyn Turner zegt ‘pijnlijk voor degenen die het systeem dat de instituten verpersoonlijken steunen, en een bron van wanhoop voor diegenen die het zouden willen veranderen.’ Godwin onderstreepte dit fundamentele dilemma reeds in de jaren 1790:
  
-De meest voorkomende methode om de overtreders te beroven van de vrijheid die ze misbruikt hebben, is het oprichten van een publieke gevangenis waarin allerlei soorten overtreders samen gestopt worden en aan hun lot overgelaten om onder hen zo goed als het gaat een gemeenschap te vormen. Verscheidene omstandigheden dragen ertoe bij dat luiheid en ondeugd aangekweekt worden en ijver ontmoedigd; en er wordt helemaal niets ondernomen om deze toestanden uit de wereld te helpen of te verzachten. Het is niet nodig uit te weiden over de afschuwelijkheid van dit systeem. Een spreekwoord zegt dat gevangenissen broeinesten zijn van ondeugd; als iemand er niet veel slechter uitkomt dan toen hij er binnen ging, moet hij wel ongewone passies kennen en ongewoon bedreven zijn in de onrechtvaardigheid,​ ofwel een subliem deugdzaam mens (21).+De meest voorkomende methode om de overtreders te beroven van de vrijheid die ze misbruikt hebben, is het oprichten van een publieke gevangenis waarin allerlei soorten overtreders samen gestopt worden en aan hun lot overgelaten om onder hen zo goed als het gaat een gemeenschap te vormen. Verscheidene omstandigheden dragen ertoe bij dat luiheid en ondeugd aangekweekt worden en ijver ontmoedigd; en er wordt helemaal niets ondernomen om deze toestanden uit de wereld te helpen of te verzachten. Het is niet nodig uit te weiden over de afschuwelijkheid van dit systeem. Een spreekwoord zegt dat gevangenissen broeinesten zijn van ondeugd; als iemand er niet veel slechter uitkomt dan toen hij er binnen ging, moet hij wel ongewone passies kennen en ongewoon bedreven zijn in de onrechtvaardigheid,​ ofwel een subliem deugdzaam mens.[21]
  
 En in de jaren 1880 legde Kropotkin (die de gevangenissen definieerde als ‘universiteiten van de misdaad’) de nutteloosheid uit van de pogingen tot hervorming: Welke wijzigingen er ook doorgevoerd worden in het gevangenisregime,​ het probleem van de recidivisten wordt daardoor niet opgelost. Het is onvermijdelijk - het moet zo zijn - de gevangenis doodt alle kwaliteiten in de mens waardoor hij zich zo goed mogelijk kan aanpassen aan het leven in de maatschappij. Het maakt van hem de persoon die onvermijdelijk weer in de gevangenis zal terecht komen ... En in de jaren 1880 legde Kropotkin (die de gevangenissen definieerde als ‘universiteiten van de misdaad’) de nutteloosheid uit van de pogingen tot hervorming: Welke wijzigingen er ook doorgevoerd worden in het gevangenisregime,​ het probleem van de recidivisten wordt daardoor niet opgelost. Het is onvermijdelijk - het moet zo zijn - de gevangenis doodt alle kwaliteiten in de mens waardoor hij zich zo goed mogelijk kan aanpassen aan het leven in de maatschappij. Het maakt van hem de persoon die onvermijdelijk weer in de gevangenis zal terecht komen ...
  
-Ik zou kunnen voorstellen dat er een Pestalozzi aan het hoofd van elke gevangenis zou geplaatst worden ... Ik zou ook kunnen voorstellen dat in de plaats van de bewakers, de ex-soldaten en de ex-politiemannen 60 Pestalozzi’s zouden komen. Maar, zul je zeggen, waar gaan we die vinden? Een pertinente vraag. De grote Zwitserse meester zou vast en zeker geweigerd hebben een gevangenisbewaker te zijn want in wezen is het principe van alle gevangenissen verkeerd omdat het de mensen van hun vrijheid berooft. Zolang je iemand van zijn vrijheid berooft zul je hem niet beter maken. Je zult gewoontemisdadigers kweken ​(22). Eén van de dingen die ontdekt werden bij het bestuderen van instituten is het bestaan van een duidelijk ontaard institutioneel karakter. Het werd in zijn uiterste vorm beschreven door de psychiater Bruno Bettelheim in zijn boek The Informed Heart (waar hij zijn vorige studies over gedrag in concentratiekampen en van emotioneel gestoorde kinderen in verband brengt met de ‘condition humaine’ in de moderne maatschappij). Bettelheim heeft in Dachau en Buchenwald gezeten, en hij beschrijft de gevangenen die bekend stonden als Muselmänner ​(mohammedanen), de wandelende lijken die ‘zodanig verstoken waren van affectie, van elk gevoel van eigenwaarde en van elke vorm van stimulatie, en die fysiek en emotioneel zo totaal uitgeput waren dat ze zich door de omgeving volledig in beslag lieten nemen. Deze aftakeling begon als ze ophielden te proberen hun levensloop en hun omgeving ook maar enigszins te beïnvloeden ​(23).’ Zijn verschrikkelijke beschrijving van de tot het uiterste geïnstitutionaliseerde mens gaat verder:+Ik zou kunnen voorstellen dat er een Pestalozzi aan het hoofd van elke gevangenis zou geplaatst worden ... Ik zou ook kunnen voorstellen dat in de plaats van de bewakers, de ex-soldaten en de ex-politiemannen 60 Pestalozzi’s zouden komen. Maar, zul je zeggen, waar gaan we die vinden? Een pertinente vraag. De grote Zwitserse meester zou vast en zeker geweigerd hebben een gevangenisbewaker te zijn want in wezen is het principe van alle gevangenissen verkeerd omdat het de mensen van hun vrijheid berooft. Zolang je iemand van zijn vrijheid berooft zul je hem niet beter maken. Je zult gewoontemisdadigers kweken.[22Eén van de dingen die ontdekt werden bij het bestuderen van instituten is het bestaan van een duidelijk ontaard institutioneel karakter. Het werd in zijn uiterste vorm beschreven door de psychiater Bruno Bettelheim in zijn boek //The Informed Heart// (waar hij zijn vorige studies over gedrag in concentratiekampen en van emotioneel gestoorde kinderen in verband brengt met de ‘condition humaine’ in de moderne maatschappij). Bettelheim heeft in Dachau en Buchenwald gezeten, en hij beschrijft de gevangenen die bekend stonden als //Muselmänner//, de wandelende lijken die ‘zodanig verstoken waren van affectie, van elk gevoel van eigenwaarde en van elke vorm van stimulatie, en die fysiek en emotioneel zo totaal uitgeput waren dat ze zich door de omgeving volledig in beslag lieten nemen. Deze aftakeling begon als ze ophielden te proberen hun levensloop en hun omgeving ook maar enigszins te beïnvloeden.’[23] Zijn verschrikkelijke beschrijving van de tot het uiterste geïnstitutionaliseerde mens gaat verder:
  
-‘Maar zelfs de mohammedanen, die nog slechts organismen waren, konden het niet helpen toch op één of andere manier op hun omgeving te reageren en ze deden dat door de omgeving te beroven van de macht hen op gelijk welke manier te beïnvloeden als subjecten. Om dit te bereiken moesten ze het helemaal opgeven op die omgeving te reageren, en ze werden objecten, maar daardoor hielden ze op personen te zijn. Op dit punt aangekomen gehoorzaamden die mensen nog wel de bevelen, maar blind en automatisch;​ niet langer meer selectief of met een innerlijk voorbehoud of enige haat omdat ze zo misbruikt werden. Ze keken nog wel rond, of bewogen tenminste hun ogen. Het rondkijken hield pas veel later op, hoewel ze zelfs dan nog hun lichamen bewogen als ze daartoe bevolen werden, maar ze deden niets meer uit zichzelf. Het is typisch dat ze ophielden iets uit zichzelf te doen toen ze niet langer meer hun voeten van de grond oplichtten om te lopen, maar ze over de grond voortsleepten. Toen ze tenslotte zelfs ophielden uit zichzelf rond te kijken, waren ze gauw dood (24)’ Deze beschrijving vertoont een opvallende verwantschap met het gedrag dat waargenomen wordt in de ‘normale’ instituten. ‘De kinderen zaten daar vaak inert of waren urenlang zichzelf aan het wiegen,’ zegt Dr Bowlby over kinderen in instituten. ‘Zie ze daar zitten staren naar die radiator; ze zitten te wachten op hun dood,’ zegt Brian Abel-Smith over geïnstitutionaliseerde gepensioneerden. Dr Russell Barton noemde deze ziekte die door de mens gemaakt is de institutionele neurose, en beschreef de klinische symptomen in psychiatrische ziekenhuizen,​ de differentiële diagnose, de etiologie, de behandeling en de preventie van die ziekte. Hij zegt dat het: een ziekte is die gekenmerkt wordt door apathie, een gebrek aan initiatief, het verliezen van belangstelling,​ vooral voor zaken van persoonlijke aard, onderworpenheid,​ schijnbare onbekwaamheid om plannen te maken voor de toekomst, gebrek aan individualiteit en soms een karakteristieke houding en manier van lopen. Permutaties van deze woorden en uitdrukkingen,​ ‘geïnstitutionaliseerd’,​ ‘suf’, ‘apathisch’,​ ‘teruggetrokken’,​ ‘ontoegankelijk’,​ ‘eenzelvig’,​ ‘nooit met iets bezig’, ‘geen initiatief aan de dag leggend’, ‘niet spontaan’,​ ‘niet mededeelzaam’,​ ‘simpel’,​ ‘kinderlijk’,​ ‘bezorgt geen last’, ‘heeft zich goed aangepast’,​ ‘werkt goed mee’, zouden je altijd moeten doen vermoeden dat het proces van institutionalisering een neurose heeft voortgebracht ​(25). +‘Maar zelfs de Muselmänner, die nog slechts organismen waren, konden het niet helpen toch op één of andere manier op hun omgeving te reageren en ze deden dat door de omgeving te beroven van de macht hen op gelijk welke manier te beïnvloeden als subjecten. Om dit te bereiken moesten ze het helemaal opgeven op die omgeving te reageren, en ze werden objecten, maar daardoor hielden ze op personen te zijn. Op dit punt aangekomen gehoorzaamden die mensen nog wel de bevelen, maar blind en automatisch;​ niet langer meer selectief of met een innerlijk voorbehoud of enige haat omdat ze zo misbruikt werden. Ze keken nog wel rond, of bewogen tenminste hun ogen. Het rondkijken hield pas veel later op, hoewel ze zelfs dan nog hun lichamen bewogen als ze daartoe bevolen werden, maar ze deden niets meer uit zichzelf. Het is typisch dat ze ophielden iets uit zichzelf te doen toen ze niet langer meer hun voeten van de grond oplichtten om te lopen, maar ze over de grond voortsleepten. Toen ze tenslotte zelfs ophielden uit zichzelf rond te kijken, waren ze gauw dood.[24] Deze beschrijving vertoont een opvallende verwantschap met het gedrag dat waargenomen wordt in de ‘normale’ instituten. ‘De kinderen zaten daar vaak inert of waren urenlang zichzelf aan het wiegen,’ zegt Dr Bowlby over kinderen in instituten. ‘Zie ze daar zitten staren naar die radiator; ze zitten te wachten op hun dood,’ zegt Brian Abel-Smith over geïnstitutionaliseerde gepensioneerden. Dr Russell Barton noemde deze ziekte die door de mens gemaakt is de //institutionele// neurose, en beschreef de klinische symptomen in psychiatrische ziekenhuizen,​ de differentiële diagnose, de etiologie, de behandeling en de preventie van die ziekte. Hij zegt dat het: een ziekte is die gekenmerkt wordt door apathie, een gebrek aan initiatief, het verliezen van belangstelling,​ vooral voor zaken van persoonlijke aard, onderworpenheid,​ schijnbare onbekwaamheid om plannen te maken voor de toekomst, gebrek aan individualiteit en soms een karakteristieke houding en manier van lopen. Permutaties van deze woorden en uitdrukkingen,​ ‘geïnstitutionaliseerd’,​ ‘suf’, ‘apathisch’,​ ‘teruggetrokken’,​ ‘ontoegankelijk’,​ ‘eenzelvig’,​ ‘nooit met iets bezig’, ‘geen initiatief aan de dag leggend’, ‘niet spontaan’,​ ‘niet mededeelzaam’,​ ‘simpel’,​ ‘kinderlijk’,​ ‘bezorgt geen last’, ‘heeft zich goed aangepast’,​ ‘werkt goed mee’, zouden je altijd moeten doen vermoeden dat het proces van institutionalisering een neurose heeft voortgebracht.[25]
-Hij associeert 7 factoren met de omgeving waarin de ziekte voorkomt in psychiatrische ziekenhuizen:​ (1) Het verlies van contact met de buitenwereld. (2) Het gedwongen nietsdoen. (3) De bazigheid van het medisch en verplegend personeel. (4) het verlies van persoonlijke vrienden, bezittingen en persoonlijke gebeurtenissen. (5) De geneesmiddelen. (6) De sfeer van bewaking. (7) Het verlies van vooruitzichten buiten het instituut. Andere schrijvers hebben deze toestand ‘psychologisch institutionalisme’ of ‘gevangenisbedwelming’ genoemd, en jaren geleden gaf Lord Brockway in zijn boek over gevangenissen een uiterst nauwkeurig beeld van dit type in zijn beschrijving van de Ideale Gevangene: ‘De man die geen persoonlijkheid heeft: die ermee tevreden is een gewoon radertje te zijn in de gevangenismachine;​ wiens geest zo afgestompt is dat hij niet voelt hoe hard de opsluiting in cellen is; die zijn makkers niets te zeggen heeft; die geen verlangens heeft behalve om te eten en te slapen; die verantwoordelijkheid ontwijkt voor zijn eigen bestaan en bijgevolg maar al te graag bereid is te leven op bevel van anderen; die de taken uitvoert die hij toegewezen krijgt, loopt waar hij bevolen wordt, de deur van zijn cel sluit en zo zichzelf opsluit zoals vereist wordt (26).'+
  
-Dit is het type van de Instituut-Mens,​ iemand die helemaal past in het systeem ​van de publieke instellingen dat we overgeërfd hebben ​van het verledenHet is niet toevallig dat hij ook het ideale type is van de beneden-mensen in alle autoritaire instellingenHet is de ideale soldaat ​(hij moet zich niet druk maken over het waarom), de ideale aanbidder ​(Niet mijn wil maar Uw wil geschiede), de ideale arbeider (je wordt niet betaald ​om te denken, schiet ​maar wat op), de ideale echtgenote (een bezit)het ideale kind (je ziet het maar je hoort het niet) - het ideale product van de onderwijswetten ​van 1870.+Hij associeert 7 factoren met de omgeving waarin de ziekte voorkomt ​in psychiatrische ziekenhuizen:​ (1) Het verlies ​van contact met de buitenwereld. (2) Het gedwongen nietsdoen. (3) De bazigheid ​van het medisch en verplegend personeel(4) het verlies ​van persoonlijke vrienden, bezittingen en persoonlijke gebeurtenissen. (5De geneesmiddelen. ​(6De sfeer van bewaking. (7) Het verlies van vooruitzichten buiten het instituut. Andere schrijvers hebben deze toestand ‘psychologisch institutionalisme’ of ‘gevangenisbedwelming’ genoemden jaren geleden gaf Lord Brockway in zijn boek over gevangenissen een uiterst nauwkeurig beeld van dit type in zijn beschrijving van de Ideale Gevangene: ‘De man die geen persoonlijkheid heeft: die ermee tevreden is een gewoon radertje te zijn in de gevangenismachine;​ wiens geest zo afgestompt is dat hij niet voelt hoe hard de opsluiting in cellen is; die zijn makkers niets te zeggen heeft; die geen verlangens heeft behalve ​om te eten en te slapen; die verantwoordelijkheid ontwijkt voor zijn eigen bestaan en bijgevolg ​maar al te graag bereid is te leven op bevel van anderen; die de taken uitvoert die hij toegewezen krijgt, loopt waar hij bevolen wordt, de deur van zijn cel sluit en zo zichzelf opsluit zoals vereist wordt.'[26]
  
-De instituten waren een microcosmosof in sommige gevallen een karikatuur, ​van de maatschappij die hen voortgebracht hadStrak, autoritair, hiërarchisch, ​de deugden die ze eisten waren gehoorzaamheid en onderdanigheidMaar de mensen die probeerden ​de instituten af te schaffen, de baanbrekers voor de veranderingen die nu langzaamaan doorgevoerd wordenof waarvoor nog moet gevochten wordenwaren gemotiveerd door andere waarden. De kernwoorden in hun woordenschat waren liefdesympathie, vrije moraal, en in plaats ​van instituten eisten zij gezinnen, gemeenschappen,​ groepen zonder leider, autonome groepen. De kwaliteiten die ze trachtten aan te moedigen waren zelfvertrouwen,​ autonomie, zelfrespect,​ en, bijgevolg, sociale verantwoordelijkheid,​ wederzijds respect en wederzijdse hulp.+Dit is het type van de Instituutsmensiemand die helemaal past in het systeem ​van de publieke instellingen dat we overgeërfd hebben van het verledenHet is niet toevallig dat hij ook het ideale type is van de beneden-mensen in alle autoritaire instellingenHet is de ideale soldaat (hij moet zich niet druk maken over het waarom), ​de ideale aanbidder (Niet mijn wil maar Uw wil geschiede), de ideale arbeider (je wordt niet betaald om te denkenschiet maar wat op)de ideale echtgenote (een bezit)het ideale kind (je ziet het maar je hoort het niet) - het ideale product ​van de onderwijswetten van 1870.
  
-Als we de Victoriaanse antecedenten ​van onze publieke instellingen vergelijken met de organen van onderling hulpbetoon van de arbeidersklasse in dezelfde periode spreekt de benaming reeds boekdelenAan de ene kant het Armenhuis, het Ziekenhuis voor de Armen, de Nationale Vereniging ​voor het Onderricht van de Armen in Overeenstemming met de Principes van de Gevestigde Kerk; en aan de andere ​kantVereniging tot Wederzijdse Hulpde Ziekenrclubde Coöperatieve Verenigingde Vakvereniging. De ene vertegenwoordigt de traditie van broederlijke en autonome verenigingen ​die ontstaan vanuit het volkde andere die van autoritaire instellingen die van bovenuit bestuurd worden.+De instituten waren een micro-cosmos,​ of in sommige gevallen een karikatuur, ​van de maatschappij die hen voortgebracht had. Strak, autoritair, hiërarchisch, ​de deugden die ze eisten waren gehoorzaamheid en onderdanigheidMaar de mensen die probeerden ​de instituten af te schaffen, de baanbrekers ​voor de veranderingen die nu langzaamaan doorgevoerd worden, of waarvoor nog moet gevochten worden, waren gemotiveerd door andere ​waarden. De kernwoorden in //hun// woordenschat waren liefdesympathievrije moraalen in plaats van instituten eisten zij gezinnengemeenschappen,​ groepen zonder leider, autonome groepen. De kwaliteiten ​die ze trachtten aan te moedigen waren zelfvertrouwenautonomie, zelfrespect,​ en, //​bijgevolg//,​ sociale verantwoordelijkheid,​ wederzijds respect en wederzijdse hulp.
  
-Het is belangrijk op te merken dat het personeel ​van de instituten evenzeer het slachtoffer is als de patiëntenRussell Barton zegt: ‘Ik heb de indruk dat een autoritaire houding eerder de regel is dan een uitzondering’ in psychiatrische ziekenhuizenen hij legt het verband met het feit dat de verpleegsters zelf ‘onderworpen zijn aan het proces van institutionalisering in het verblijf ​voor de verpleegsters waar ze wonen.’ Hij vindt het nutteloos individuen iets te verwijten want ‘individuen veranderen vaakmaar psychiatrische ziekenhuizen blijven dezelfde,​’ en hij suggereert dat de fout ligt bij de administratieve structuur. Richard Titmuss ​in zijn studie over ‘The Hospital and its Patients’ schrijft ​de barrière ​van de stiltedie zo vaak voorkomt in gewone ziekenhuizentoe aan ‘de uitwerking van het voortdurend werken en wonen in een gesloten instelling met strakke sociale hiërarchieën en gedragscodes ... Deze mensen zijn geneigd met hun onzekerheid af te rekenen door te trachten hun verantwoordelijkheid te beperkenen de efficiëntie op te drijven door strakke regels en voorschriften te formuleren en door een autoritaire en beveiligende discipline te ontwikkelen. De barrière ​van de stilte is een middel dat gebruikt wordt om het gezag te handhaven. Als we naar andere instellingen ​kijken waar de relatie tussen het personeel en de patiënten niet erg gelukkig is, zien we dat het gebruikt wordt tegen verschillende achtergronden (27).+Als we de Victoriaanse antecedenten ​van onze publieke instellingen vergelijken met de organen van onderling hulpbetoon van de arbeidersklasse in dezelfde periode spreekt ​de benaming reeds boekdelenAan de ene kant het //​Armenhuis//​, het //​Ziekenhuis ​voor de Armen//, de //Nationale Vereniging voor het Onderricht van de Armen in Overeenstemming met de Principes ​van de Gevestigde Kerk//; en aan de andere kantVereniging tot //​Wederzijdse Hulp//, de Zieken//​club//​, de //​Coöperatieve//​ Vereniging, de Vak//​vereniging//​. De ene vertegenwoordigt de traditie ​van broederlijke en autonome verenigingen die ontstaan vanuit het volk, de andere ​die van autoritaire ​instellingen ​die van bovenuit bestuurd worden.
  
-En John Vaizey, die opmerkt dat ‘alles in ons maatschappelijk leven kan geïnstitutionaliseerd worden, en dat volgens mij al onze politieke energie zou moeten gebruikt worden om de instituten in bedwang te houden’ zegt dat ‘instituten op de eerste plaats aan onbekwame mensen geven wat ze het liefst willen - macht. Legerofficieren,​ verpleegsters,​ gevangenisbewakers - veel van deze mensen zijn onbekwaam en onbevredigd en ze zijn belust op macht en leiding ​(28). In The Criminal and his Victim werkt von Hentig deze opvatting verder uit: ‘De politiemacht en de positie van gevangenisbeambte trekken veel afwijkende karakters aan omdat ze de mogelijkheid geven om op een wettelijke manier anderen te pijnigen en, macht uit te oefenen, en omdat deze posities aan de houders ervan een grote mate van immuniteit verlenen, heeft dat op zijn beurt tot gevolg dat de psychopatische geaardheid steeds meer verward wordt (29) ...’ Dit punt wordt aan de hand van veel sprekende illustraties uitgewerkt in een moderne anarchistische klassieker: Authority and Delinquency in the Modern State van Alex Comfort.+Het is belangrijk op te merken dat het personeel van de instituten evenzeer het slachtoffer is als de patiënten. Russell Barton zegt: ‘Ik heb de indruk dat een autoritaire houding eerder de regel is dan een uitzondering’ in psychiatrische ziekenhuizen,​ en hij legt het verband met het feit dat de verpleegsters zelf ‘onderworpen zijn aan het proces van institutionalisering in het verblijf voor de verpleegsters waar ze wonen.’ Hij vindt het nutteloos individuen iets te verwijten want ‘individuen veranderen vaak, maar psychiatrische ziekenhuizen blijven dezelfde,​’ en hij suggereert dat de fout ligt bij de administratieve structuur. Richard Titmuss in zijn studie over ‘The Hospital and its Patients’ schrijft de barrière van de stilte, die zo vaak voorkomt in gewone ziekenhuizen,​ toe aan ‘de uitwerking van het voortdurend werken en wonen in een gesloten instelling met strakke sociale hiërarchieën en gedragscodes ... Deze mensen zijn geneigd met hun onzekerheid af te rekenen door te trachten hun verantwoordelijkheid te beperken, en de efficiëntie op te drijven door strakke regels en voorschriften te formuleren en door een autoritaire en beveiligende discipline te ontwikkelen. De barrière van de stilte is een middel dat gebruikt wordt om het gezag te handhaven. Als we naar andere instellingen kijken waar de relatie tussen het personeel en de patiënten niet erg gelukkig is, zien we dat het gebruikt wordt tegen verschillende achtergronden.’[27] 
 + 
 +En John Vaizey, die opmerkt dat ‘alles in ons maatschappelijk leven kan geïnstitutionaliseerd worden, en dat volgens mij al onze politieke energie zou moeten gebruikt worden om de instituten in bedwang te houden’ zegt dat ‘instituten op de eerste plaats aan onbekwame mensen geven wat ze het liefst willen - macht. Legerofficieren,​ verpleegsters,​ gevangenisbewakers - veel van deze mensen zijn onbekwaam en onbevredigd en ze zijn belust op macht en leiding.[28] In //The Criminal and his Victim// werkt von Hentig deze opvatting verder uit: ‘De politiemacht en de positie van gevangenisbeambte trekken veel afwijkende karakters aan omdat ze de mogelijkheid geven om op een wettelijke manier anderen te pijnigen en, macht uit te oefenen, en omdat deze posities aan de houders ervan een grote mate van immuniteit verlenen, heeft dat op zijn beurt tot gevolg dat de psychopatische geaardheid steeds meer verward wordt [...][29] Dit punt wordt aan de hand van veel sprekende illustraties uitgewerkt in een moderne anarchistische klassieker: ​//Authority and Delinquency in the Modern State// van Alex Comfort.
  
 De anarchistische benadering is duidelijk: het uit elkaar vallen van instituten in kleine eenheden in de bredere gemeenschap,​ gebaseerd op het instaan voor zichzelf en de wederzijdse hulp, zoals Synanon of de Anonieme Alcoholisten,​ of de vele andere steun verlenende organisaties die ontstaan zijn buiten het officiële bestuursapparaat van de sociale welvaart. Brian Abel-Smith (helemaal geen anarchist), werd gevraagd hoe we de sociale diensten zouden moeten wederoprichten en herstructureren zodat ze reële diensten zouden kunnen verlenen, en hij antwoordde: De anarchistische benadering is duidelijk: het uit elkaar vallen van instituten in kleine eenheden in de bredere gemeenschap,​ gebaseerd op het instaan voor zichzelf en de wederzijdse hulp, zoals Synanon of de Anonieme Alcoholisten,​ of de vele andere steun verlenende organisaties die ontstaan zijn buiten het officiële bestuursapparaat van de sociale welvaart. Brian Abel-Smith (helemaal geen anarchist), werd gevraagd hoe we de sociale diensten zouden moeten wederoprichten en herstructureren zodat ze reële diensten zouden kunnen verlenen, en hij antwoordde:
  
-We zouden de ziekenhuizen herorganiseren volgens moderne maatstaven - departementen of gezondheidscentra voor patiënten die niet in de inrichting verpleegd worden, waar in de hoeken een paar bedden gezet worden. We zouden de psychiatrische inrichtingen sluiten en villa’s bouwen met kleine zalen. Hoeveel mensen zouden kunnen verzorgd worden door quasi-huismoeders in eenheden van 8, net zoals wat een goede plaatselijke overheid voorziet voor kinderen die geen normale thuis meer hebben? Hoeveel zouden er thuis kunnen verzorgd worden als er geschikte werkplaatsen en dienstverlening aan huis zouden zijn? We zouden de sombere oude psychiatrische inrichtingen afbreken en kleine gebouwen oprichten in of dichtbij de steden. We zouden de meeste instituten voor bejaarden afbreken en voor geschikte huisvesting zorgen ... We zouden zorgen voor een uitgebreid gamma van activiteiten voor de invaliden, de bejaarden en de zieken, waarmee ze zich thuis of elders zouden kunnen bezig houden ​(30)+We zouden de ziekenhuizen herorganiseren volgens moderne maatstaven - departementen of gezondheidscentra voor patiënten die niet in de inrichting verpleegd worden, waar in de hoeken een paar bedden gezet worden. We zouden de psychiatrische inrichtingen sluiten en villa’s bouwen met kleine zalen. Hoeveel mensen zouden kunnen verzorgd worden door quasi-huismoeders in eenheden van 8, net zoals wat een goede plaatselijke overheid voorziet voor kinderen die geen normale thuis meer hebben? Hoeveel zouden er thuis kunnen verzorgd worden als er geschikte werkplaatsen en dienstverlening aan huis zouden zijn? We zouden de sombere oude psychiatrische inrichtingen afbreken en kleine gebouwen oprichten in of dichtbij de steden. We zouden de meeste instituten voor bejaarden afbreken en voor geschikte huisvesting zorgen ... We zouden zorgen voor een uitgebreid gamma van activiteiten voor de invaliden, de bejaarden en de zieken, waarmee ze zich thuis of elders zouden kunnen bezig houden.[30] 
-En een anarchistische benadering van de strafinrichtingen?​ Die is er niet, behalve dan het voorstel om ze allemaal te sluiten. De organisatie die Radical Alternatives to Prison genoemd wordt, heeft een lijst gemaakt van 12 bestaande alternatieven binnen de maatschappij,​ waarvan elk waarschijnlijk meer effectief is dan het opsluiten in een gevangenis door onpersoonlijke,​ straffende en incompetente autoriteiten,​ omdat ze allerlei soorten ‘overtreders’ in staat stellen een rol te spelen als creatieve en invloedrijke leden van de samenleving ​(31)+ 
-Binnen de structuur van de maatschappelijke zekerheid zoals die tegenwoordig samengesteld is - sociale welvaart als een substituut voor sociale rechtvaardigheid - is het meest anarchistische kenmerk de vlugge groei van de Claimants’ Unions. Dit is een directe reactie op de manier waarop het zogenaamde sociale verzekeringsschema geïnstitutionaliseerd geworden is in een straffende, inquisitoriale bureaucratie die weigert aan de ‘klanten’ de basis bekend te maken waarop het geld uitbetaald wordt of weerhouden ​(32). Anna Coote’s verslag van de Claimants’ Unions leert ons het volgende: ‘Ze zijn helemaal spontaan ontwikkeld, zoals de recente opkomst van huurdersverenigingen,​ speelgroepen, ​buurt- krantjes ​en adviescentra. Ze hebben geen politieke kleur en ze zijn er allemaal om bekommerd om hun onafhankelijkheid te behouden en niet gecontroleerd of beïnvloed te worden door één of andere organisatie. Alle Claimants’ Unions werden gevormd in nauw contact met het volk onder de claimants zelf - en als reactie op een bepaalde behoefte ​(33).’+En een anarchistische benadering van de strafinrichtingen?​ Die is er niet, behalve dan het voorstel om ze allemaal te sluiten. De organisatie die //Radical Alternatives to Prison// genoemd wordt, heeft een lijst gemaakt van 12 bestaande alternatieven binnen de maatschappij,​ waarvan elk waarschijnlijk meer effectief is dan het opsluiten in een gevangenis door onpersoonlijke,​ straffende en incompetente autoriteiten,​ omdat ze allerlei soorten ‘overtreders’ in staat stellen een rol te spelen als creatieve en invloedrijke leden van de samenleving.[31] 
 + 
 +Binnen de structuur van de maatschappelijke zekerheid zoals die tegenwoordig samengesteld is - sociale welvaart als een substituut voor sociale rechtvaardigheid - is het meest anarchistische kenmerk de vlugge groei van de Claimants’ Unions. Dit is een directe reactie op de manier waarop het zogenaamde sociale verzekeringsschema geïnstitutionaliseerd geworden is in een straffende, inquisitoriale bureaucratie die weigert aan de ‘klanten’ de basis bekend te maken waarop het geld uitbetaald wordt of weerhouden.[32] Anna Coote’s verslag van de Claimants’ Unions leert ons het volgende: ‘Ze zijn helemaal spontaan ontwikkeld, zoals de recente opkomst van huurdersverenigingen,​ speelgroepen, ​buurtkrantjes ​en adviescentra. Ze hebben geen politieke kleur en ze zijn er allemaal om bekommerd om hun onafhankelijkheid te behouden en niet gecontroleerd of beïnvloed te worden door één of andere organisatie. Alle Claimants’ Unions werden gevormd in nauw contact met het volk onder de claimants zelf - en als reactie op een bepaalde behoefte.’[33]
  
 Ze maakt de zeer belangrijke opmerking dat de leden van de Claimants’ Unions zich in het kantoor voor maatschappelijke zekerheid thuis voelen. ‘Ze staan daar en wisselen informatie uit, discussiëren,​ organiseren,​ delen pamfletten uit en moedigen elkaar aan’ terwijl ‘claimants die niet tot de vereniging behoren daar gewoonlijk stilletjes zitten, zonder te praten, en er onrustig uitzien.’ Een heleboel organisaties voor onderling hulpbetoon onder claimants, patiënten en slachtoffers,​ maken de invloedrijkste stimulus uit voor verandering,​ door de welvaartsstaat om te vormen tot een echte welzijnsstaat,​ door gemeenschapszorg om te vormen tot een bezorgde gemeenschap. Ze maakt de zeer belangrijke opmerking dat de leden van de Claimants’ Unions zich in het kantoor voor maatschappelijke zekerheid thuis voelen. ‘Ze staan daar en wisselen informatie uit, discussiëren,​ organiseren,​ delen pamfletten uit en moedigen elkaar aan’ terwijl ‘claimants die niet tot de vereniging behoren daar gewoonlijk stilletjes zitten, zonder te praten, en er onrustig uitzien.’ Een heleboel organisaties voor onderling hulpbetoon onder claimants, patiënten en slachtoffers,​ maken de invloedrijkste stimulus uit voor verandering,​ door de welvaartsstaat om te vormen tot een echte welzijnsstaat,​ door gemeenschapszorg om te vormen tot een bezorgde gemeenschap.
namespace/anarchie_in_actie.txt · Laatst gewijzigd: 19/12/19 15:04 door defiance