Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen

namespace:compliment_en_lachspiegel_-_over_de_zoveelste_weerlegging_van_het_anarchisme_deel_2

Compliment en lachspiegel – over de zoveelste ‘weerlegging’ van het anarchisme (deel 2)

Door Peter Storm

Dit is het tweede artikel in een reeks van 5 artikelen als reactie op een artikel genaamd: “Anarchisme gaat ons de revolutie niet brengen”.[1] Het derde gedeelte, Compliment en lachspiegel - over de zoveelste 'weerlegging' van het anarchisme (deel 3), verscheen op 14 mei 2016.


Compliment en lachspiegel – over de zoveelste ‘weerlegging’ van het anarchisme (deel 2)

Het in deze reeks besproken artikel vervolgt met een alinea waarin anarchisten complimentjes krijgen omdat we de politie wantrouwen, de wet niet zaligmakend zien, en de confrontatie aangaan. De complimentjes worden meteen onderuitgehaald door een klacht over de horizontale organisatievormen die we hanteren, en die volgens de auteur – JW, zo weet ik intussen zeker, en het blijkt OK dat ik hem noem – niet effectief zijn. Daarop volgt dan een kernkritiek. Het probleem is “inherent aan datgene wat anarchisme specifiek maakt en zich onderscheid van zo’n beetje alle andere ideologieën: het afwijzen van formele hiërarchie en van alle vormen van officiële macht”. De vetgedrukte woorden waren in het origineel gecursiveerd, in een verder platte tekst, en ze wijzen op fatale misvattingen.

Het anarchisme verwerpt namelijk niet enkel de formele vormen van hiërarchie. Het verwerpt ten principale alle hiërarchie, formeel zowel als informeel. Het anarchisme verdraagt geen bestuursmacht van bovenaf, geen staat, geen directie, geen generale staf en geen partijbestuur. Het anarchisme is echter ook in strijd met de macht van de grootste bek en van de handigste netwerker of de behendigste vakvrouw/vakman. Anarchisten erkennen vaak wel expertise, maar wijzen experts hun plek omdat experts maar al te makkelijk informele machthebbers worden. Waar mogelijk zorgen we dat de expertise gedeeld wordt, en dat iedereen ergens wel enigszins ‘expert’ in is, zodat we elkaar nodig hebben op basis van gelijkwaardigheid en wederkerigheid. Anarchisten onderkennen het verschijnsel ‘privilege’ – wit privilege, mannelijk privilege – als probleem, als een vorm van hiërarchie, vaak juist heel informeel en daardoor extra gevaarlijk – en zijn zich bewust hoe dat doorwerkt ook binnen actiegroepen, kraakgemeenschappen en wat al niet.

Doen anarchisten dat altijd goed? Natuurlijk niet: we zijn opgegroeid in een van hiërarchie doordrenkte maatschappij, de bijbehorende gedragspatronen hebben we ons eigen gemaakt, die zijn er niet meteen uit op het moment dat we voor het eerst een A met een cirkel op onze jas hebben getekend. Maar het anarchistische idee wijst juist ook de informele hiërarchie principieel af, ook waar het ons niet goed lukt om er ook daadwerkelijk mee af te rekenen.

Dan die andere anarchistische eigenschap: “het afwijzen van (…) alle vormen van formele macht“. Alweer: het is niet het formele karakter van een verschijnsel dat we afwijzen; het is het verschijnsel zelf. Maar zelfs dan is de bewering onjuist. Het is niet waar dat anarchisten “alle vormen van macht” afwijzen. Wat we afwijzen is opgelegde autoriteit, doorgaans maar niet altijd verankerd in instituties als staat, kapitaal/ management, witte overheersing, patriarchaat. Het gaat, als je het woord ‘macht’ hier perse wil hanteren, om macht-van-bovenaf. De macht om te commanderen, in de verwachting dat de commando’s worden uitgevoerd, in een context dat die uitvoering ook afgedwongen kan worden. Díe macht verwerpen wij. Met formeel versus informeel heeft dat niets te maken. Met een verwerping van alle macht trouwens evenmin, want de macht om vorm te geven aan onze eigen levens, en het juk af te werpen dat ons van hogerhand wordt opgelegd, díé macht zoeken we, streven we na, en helpen we vorm te geven waar we maar kunnen.

Het is waar dat niet iedere anarchist deze druk-van-onderaf ‘macht’ noemt. Sommigen van ons hebben, uit weerzin tegen die alomtegenwoordige opgelegde macht-van-bovenaf een weerzin tegen het hele wóórd ontwikkeld. Maar het verschijnsel dat ik er hier mee aanduid – een vermogen om iets voor elkaar te krijgen, van onderop in gang gezet – is iets dat anarchisten wel degelijk zoeken. Kijk maar hoe ook anarchisten het woord ‘empowerment’ soms gebruiken, als verwijzend naar iets positiefs. Daar zit het woordje ‘power’ in. Macht, van het soort dat we willen, van het soort dat ons in staat stelt om als vrije mensen te leven, en die van dat leven-in-vrijheid ook een uitdrukking is.

De hele definitie die de auteur van het hier geanalyseerde stuk geeft van het anarchisme, klopt gewoon niet, zoals we in het vorige stuk in deze reeks al zagen. Maar JW heeft deze definitie nodig voor zijn vervolg, waarin geschetst wordt wat er gebeurt als enkel de formele hiërarchie wordt verworpen. Dan duiken er informele hiërarchieën op, hetgeen geen serieuze anarchist ernstig zal verbazen. Je werpt de hiërarchie immers niet omver door enkel de formele versie ervan in de ban te doen. Dat is half werk, hooguit. Geen anarchist die zoiets bepleit. Het zou net zoiets merkwaardigs zijn als dat je alleen geüniformeerde agenten verwerpt, maar agenten-in-burger tolereert. Het zijn allemaal immers agenten, alleen is de tweede soort geniepiger, moeilijker waarneembaar. Zo is het met informele hiërarchie ook. Informele hiërarchieën zijn de stillen van de opgelegde autoriteit.

De voorbeelden die JW aandraagt, van wat er gebeurt als we formele macht overboord gooien en informele hiërarchie de ruimte geven, gaan dan ook aan de anarchistische aanpak voorbij. We krijgen een verhandeling over “omarmen van consensus”, het idee dat “niemand jou kan vertegenwoordigen behalve jouzelf”, en de gevolgtrekking dat “jij aanwezig moet zijn op de algemene vergadering, het centrale orgaan in het consensusmodel”. Schrikbeeld: eindeloze vergaderingen, waar de volhouders met zeeën van tijd de discussie ‘winnen’, niet op inhoud maar op uithoudingsvermogen, dit alles met een vergadering in het Maagdenhuis die acht uur voortsleepte, als voorbeeld.

Tja, dat Maagdenhuis van vorig voorjaar. Ik heb die verhalen meer gehoord, ik ga er van uit dat ze juist zijn. Ze zeggen iets over onervarenheid, over het hanteren van organisatiemodellen op een manier die niet zo goed heeft uitgepakt en waar in de haast misschien ook niet erg diep is nagedacht. Improvisatie is echter een symptoom van authentieke ‘massastrijd’, om maar even in het favoriete jargon van de auteur van het alhier besproken stuk te blijven. De verhalen zeggen daarmee alleen nog niets over het anarchisme. Het idee dat de anarchistische organisatieleer samengevat kan worden in de formule ‘alle macht aan de algemene vergaderingen + besluitvorming volgens consensus = een anarchistische samenleving’ doet aan het anarchisme bepaald geen recht.

Grote algemene vergaderingen zijn monsterlijke dingen als je ze dag na dag doet en met bestuurlijke macht uitrust. Ze zijn ook helemaal nergens voor nodig, tenzij je vast zit in het idee dat je pas iets mag doen als daar eerst een officieel besluit over is genomen. Ze zijn onnodig, tenzij je vastzit aan het idee dat één centraal orgaan de dienst dient uit te maken, in dit geval een centraal orgaan waar we in principe allemaal lid van zijn. Dan hanteer je dus de assemblee als een direct-democratisch georganiseerde opgelegde bestuursstructuur, ergo als een staat, zij het een hele ‘platte’. Horizontaal georganiseerde staatsmacht is nog steeds staatsmacht, en dus voorwerp van anarchistische kritiek. Anarchisten organiseren weliswaar horizontaal, maar daarmee is nog niet elke horizontale organisatievorm ook meteen anarchistisch.

Een assemblee van tweehonderd bezettende studenten kan een goede plek zijn om voorstellen te doen, ervaringen te delen, elkaar te motiveren. Maar als bestuurslichaam is het een bureaucratisch onding. Laten mensen vooral gewoon hun ding doen, medestanders ervoor vinden en aan de slag gaan. Je hebt geen toestemming van een algemene vergadering nodig om een demonstratie vanuit een bezet gebouw te lanceren. Je meldt het aan de assemblee, je vraagt wie zin heeft mee te doen, je komt met medestanders bijeen en gaat aan de slag. Na afloop breng je verslag uit in de assemblee. Zo wordt de vergadering een plek om dingen te delen met elkaar, zonder dat je eindeloos aan besluitvorming op de vierkante millimeter te hoeven doen. De algemene vergadering gáát maar beter niet over alle activiteiten van alle bezetters. De vergadering gaat primair over de vraag: gaat de bezetting door, hoe houden we de bezetting in stand, wanneer en onder welke voorwaarden heffen we de bezetting op? Dát moet je samen beslissen, en verder eigenlijk weinig tot niets.

In Spanje, in 2011, raakte de beweging van de Indignados met hun pleinbezettingen en grootschalige algemene vergaderingen al snel verlamd omdat die assemblee, die vergaderingen, precies zo’n bestuurlijke macht claimden en zo log werden dat al gauw achter de schermen vaak een stuurcomité de dienst uit maakte. Juist uit anarchistische hoek kwam daarop kritiek en werden alternatieven ontwikkeld. Peter Gelderloos heeft daar, vanuit anarchistisch gezichtspunt en op basis van ervaring ter plekke, nuttige dingen over opgeschreven, onder meer in “Reflections for the US Occupy Movement”.[2] Dit verscheen in oktober 2011, toen Occupy net op gang was en de Indignados-acties nog vers. De kern: anarchisme is geen directe democratie plus consensus. Anarchisme is vrije associatie, waarbij het woordje ‘vrije’ net zo belangrijk is als het woordje ‘associatie’.

De auteur maakt ook een denkfout waar uit “niemand kan (jou) vertegenwoordigen” geconcludeerd wordt dat je dus “aanwezig moet zijn bij de algemene vergadering”. Inderdaad, anarchisten wijzen vertegenwoordiging af als iets onbestaanbaars: je kunt je persoon niet ‘verhuizen’ in een ander, ook niet tijdelijk. Het is een fictie, bedacht door rechtsgeleerden en politieke filosofen om de liberale staatsvorm te theoretiseren. Je laten vertegenwoordigen is ergens altijd afstand doen van jezelf. Anarchisten hebben wel een alternatief hoe kleinere groepen onderling zaken kunnen coördineren: delegatie en federatie. Niemand kan zich mijn persoon toe-eigenen en gaan doen alsof hij of zij ‘namens mij’ kan spreken. Maar ik kan wel mensen aanwijzen die iets door kunnen geven aan een overleggroep. Dat is dan delegatie, waar de zeggenschap bij mezelf blijft, geen vertegenwoordiging waar die zeggenschap naar boven verdwijnt.

Delegatie: kleine groepen (waarbinnen consensus prima kan werken, zoals de auteur overigens impliciet erkent) wijzen iemand aan, oftewel ze delegeren iemand; ze sturen deze iemand, de gedelegeerde dus, naar een samenkomst waar ook gedelegeerden vanuit andere kleine groepen naartoe komen. Die bespreken wat er gezamenlijk te doen is, hebben daarvoor van de groep waaruit se komen een bepaalde instructie en wat speelruimte meegekregen, oftewel hun mandaat. De uitkomst van dat overleg van gedelegeerden wordt vervolgens weer aan de groepen voorgelegd die er ja of nee tegen kunnen zeggen. Ten allen tijde kunnen de groepen hun gedelegeerde instrueren, op het matje roepen, terugfluiten en vervangen. Zo is het dus niet nodig dat jij zelf bij centraal overleg aanwezig bent, terwijl je toch mede de touwtjes in handen houdt. Hopla, weg grote logge bestuurlijke assemblee, coördinatie van onderop vanuit werkbare basiseenheden komt er voor in de plaats.

Federatie: de bundeling van zulke basisgroepen is een voorbeeld van wat anarchisten een federatie noemen. Basisgroepen – collectieven op de werkplek, woongemeenschappen, actiegroepen, sociale centra – die een federatie vormen, via delegatie gezamenlijk besluiten nemen maar waarin de mensen in de basisgroepen het laatste word hebben: dát is wat je in anarchistische theorievorming keer op keer terugvindt. Noch Bakoenin, noch Kropotkin, noch Malatesta noch Emma Goldman had in de flauwekul van de eindeloze grootschalige assemblees een serieuze vertaling van een anarchistisch streven gezien. Dat bewijst op zich niet dat ze daar gelijk in hadden. Maar het laat wel zien hoe hachelijk het is om een onvruchtbaar werkend consensusmodel gehanteerd in een onwerkbare assemblee, als bewijsstuk op te voeren tegen ‘het anarchisme’.

In revoluties waar anarchisten een grote rol speelden, zie je het fenomeen ook nauwelijks: niet in Spanje 1936-1937, niet in Oekraïne 1918-1921. Ook dat zegt niet alles: je gelukkig kunt niet uitsluiten dat er daarna nieuwe praktijken worden gehanteerd, ook door anarchisten. Maar die moeten dan wel bij anarchistische kernideeën passen, en grote overkoepelende assemblees met bindende bevoegdheden doen dat niet. Anarchisten verkiezen juist verregaande decentralisatie, in functionele eenheden. Daar waar de activiteit daadwerkelijk wordt verricht, dáár kom je samen om de activiteit te bespreken en op poten te zetten. Wel zijn dit soort grootschalige assembleepraktijken een poging tot zelforganisatie, waarbij anti-autoritaire, anarchistische impulsen en opvattingen vermengd zijn met allerlei andere gedragspatronen en ideeën, deel van een onvermijdelijk leerproces, iets wat je ook zag in Occupy en zoals we al zagen, ook in de Indignados-acties. Maar de poging was dus vaak niet zo heel erg geslaagd. Assemblees-annex-consensus werkt in kleine groepen. Op grotere schaal kun je beter een andere werkwijze kiezen.

Maar door die assemblee-ellende één op één in verband te brengen met het anarchisme, kan een criticus als JW natuurlijk wel makkelijk zeggen of impliceren: dat anarchisme werkt niet, probeer het met een doodgewone gekozen leiding met ruime bevoegdheden. Een leninist zegt na slechte ervaring met beklemmend pseudo-zelfbestuur: weg met het zelfbestuur. Een anarchist zegt dan eerder: op zoek naar authentiek, werkelijk anti-autoritair zelfbestuur, in plaats van de consensuskarikatuur met als assemblees vermomde parlementen. En die anarchist vindt dan in de eigen traditie en theorie de aanknopingspunten in die zoektocht.

Voetnoten

namespace/compliment_en_lachspiegel_-_over_de_zoveelste_weerlegging_van_het_anarchisme_deel_2.txt · Laatst gewijzigd: 12/04/18 01:39 door autonomia