Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen

namespace:de_nieuwe_vrouw

De nieuwe vrouw

Door Emma Goldman

  • Geschreven: 1910
  • Vertaling: Uit het Amerikaans uit de bundel Anarchism and other essays, New York, 1910.
  • Vertaling: Bas Moreel
  • Bron: Brochure, Emma Goldman, De nieuwe vrouw, april 1979

I. De tragedie van de vrouwenemancipatie

Ik begin met een uitspraak: ondanks alle politieke en economische theorieën over fundamentele verschillen tussen verschillende groepen binnen het menselijke ras, ondanks de klasse- en rasverschillen, ondanks alle kunstmatige scheidslijnen tussen mannen- en vrouwenrechten ben ik toch van mening dat er een punt is waar die verschillen tot een perfect geheel samenkomen.

Wat ik hier zeg is niet bedoeld als een vredesvoorstel. De sociale tegenstellingen op alle mogelijke gebieden die op het ogenblik heel het openbare leven beheersen als gevolg van de botsingen tussen tegenstrijdige belangen vallen weg als er een reorganisatie komt van ons maatschappelijk leven op basis van beginselen van economische rechtvaardigheid.

Vrede of harmonie tussen geslachten en individuen hoeft niet te berusten op een oppervlakkige gelijkschakeling van de mensen; ook niet op wegwerking van individuele kenmerken en eigenaardigheden. Het probleem waar wij op het ogenblik voor staan en in de nabije toekomst moeten oplossen, is hoe jezelf te zijn en toch een te zijn met anderen, hoe met alle mensen diep mee te voelen en toch je eigen karaktertrekken te behouden. Volgens mij is dat de basis waarop massa en individu, echte democraat en echte individualiteit, man en vrouw elkaar kunnen ontmoeten zonder elkaar in de haren te zitten en te bestrijden. Het motto moet niet zijn ‘Vergeef elkaar’ maar ‘Begrijp elkaar’. Het veel gehoorde gezegde van madame de Stael ‘Alles begrijpen is alles vergeven’ heeft me nooit erg aangesproken: het ruikt mij te veel naar de biechtstoel; een ander vergeven wekt de farizeïsche indruk van te denken dat je beter bent dan die ander. Het is genoeg iemand te begrijpen. Mijn stelling is het uitgangspunt van mijn ideeën over vrouwenemancipatie en over de invloed daarvan op het vrouw zijn als geheel.

De emancipatie moet de vrouwen in staat stellen om mens te zijn in de volste betekenis van het woord. Heel haar verlangen naar zelfverwerkelijking en activiteit moet volledig aan zijn trekken kunnen komen; alle kunstmatige barrières moeten worden opgeruimd en de weg naar grotere vrijheid moet worden vrijgemaakt van alle sporen van eeuwenlange onderwerping en slavernij.

Dit was het oorspronkelijke doel van de vrouwenemancipatie. Maar de tot nu toe bereikte resultaten hebben de vrouwen geïsoleerd en beroofd van de bronnen van het geluk dat zo belangrijk voor haar is. Louter uiterlijke emancipatie heeft de moderne vrouw tot een kunstmatig wezen gemaakt dat je doet denken aan de Franse tuinen met hun sierlijk in de vorm van piramiden, wielen en kransen geknipte bomen en struiken; fraai, maar geen uiting van de eigen innerlijke kwaliteiten. Er zijn veel zulke kunstmatig gevormde vrouwelijke planten, vooral in de zogenaamde intellectuele beroepen.

Vrijheid en gelijkheid voor de vrouw! Wat een verwachtingen en verlangens hebben die woorden gewekt toen zij voor bet eerst werden uitgesproken door enkele persoonlijkheden die tot de edelste en dapperste van hun tijd moeten worden gerekend. De zon zou in al haar licht en glorie opgaan over een nieuwe wereld; in deze wereld zou de vrouw vrij zijn om zelf haar lot te bepalen — een doel dat alleszins het enthousiasme, de moed, de volharding en de onophoudelijke inspanning waardig was van de talrijke mannelijke en vrouwelijke pioniers die alles op het spel zetten in hun strijd tegen vooroordelen en onwetendheid.

Dat duel is ook wat ik zo graag verwezenlijkt zie maar ik ben van mening dat de vrouwenemancipatie zoals die op het ogenblik wordt geïnterpreteerd en in de praktijk gebracht, dat grote doel niet heeft bereikt. De vrouwen moeten zich nu van de emancipatie bevrijden als zij werkelijk vrij willen zijn. Dat klinkt misschien paradoxaal maar is toch echt de enige waarheid.

Wat heeft de vrouw met haar emancipatie bereikt? Gelijk stemrecht in een paar staten. Heeft dat ons politieke leven gezuiverd, zoals veel goedbedoelende voorstanders voorspelden? Bepaald niet. Het is tussen haakjes echt tijd dat mensen met een helder, gezond oordeelsvermogen het niet meer alsmaar over de corruptie in de politiek hebben op de manier van een kostschoolmeisje. Corruptie in de politiek heeft niets te maken met de zedelijkheid of onzedelijkheid van de politici maar heeft een heel gewone materiële oorzaak. De politiek is een afspiegeling van het zaken- en bedrijfsleven, waar de spelregel is: ‘Beter te krijgen dan te geven’, ‘koop goedkoop en verkoop duur’, ‘als twee vuile handen elkaar wassen worden ze allebei schoon’. Je hoeft er niet in het minst op te rekenen dat de vrouwen de politiek zullen kunnen zuiveren als zij stemrecht krijgen.

De emancipatie heeft de vrouw economisch op gelijke voet gebracht met de man, dat wil zeggen ze kan zelf een beroep kiezen; maar doordat er aan de vrouwen altijd veel minder hoge eisen zijn gesteld zijn ze nu niet sterk genoeg om met de mannen te concurreren, waardoor ze vaak al hun energie moeten aanspreken, al haar levenskracht moeten opgebruiken en zich tot het uiterste moeten inspannen om het niveau van de markt te bereiken. Er zijn er maar heel weinig die daarin slagen, want het is een feit dat vrouwelijke leerkrachten, artsen, advocaten, architecten en ingenieurs minder vertrouwen genieten dan haar mannelijke collega’s en ook niet gelijk betaald worden. En degenen die die verleidelijke gelijkheid wel bereiken, doen dat meestal ten koste van haar lichamelijke en psychische gezondheid. Wat de grote massa van de werkende meisjes en vrouwen betreft, hoeveel onafhankelijkheid winnen die als zij de bekrompenheid en onvrijheid van het huis willen ruilen voor de bekrompenheid en onvrijheid van fabriek, werkhuis, winkel of kantoor? Bovendien zitten veel vrouwen er nog mee dat ze naast hun zware dagtaak ook nog voor een ‘heerlijk eigen’ — koud, ongezellig, onopgeruimd, weinig uitnodigend — huis te zorgen hebben. Mooie onafhankelijkheid! Geen wonder dat honderden meisjes al gauw genoeg krijgen van hun ‘onafhankelijkheid’ achter de toonbank of aan naai- of schrijfmachine en bereid zijn het eerste het beste huwelijksaanbod aan te nemen. Zij zijn even bereid om te trouwen als meisjes uit de middenklasse die van het juk van de ouderlijke heerschappij a£ willen. Een zogenaamde onafhankelijkheid die iemand maar net genoeg laat verdienen om van te leven is niet zo aanlokkelijk en ideaal dat je kunt verwachten dat een vrouw daar alles voor opoffert. Onze hooggeprezen onafhankelijkheid is wel beschouwd niet meer dan een langzaam voortschrijdend proces van afstomping en verstikking van de persoonlijkheid en het liefdes- en moederinstinct van de vrouw.

Niettemin is de positie van het werkende meisje veel natuurlijker en menselijker dan die van haar schijnbaar gelukkiger zuster in de meer culturele beroepen: leraressen, artsen, advocaten, ingenieurs, enz., die verplicht zijn zich waardig en stijlvol te gedragen terwijl hun innerlijke leven steeds leger en doodser wordt.

De beperktheid van de tegenwoordige opvattingen over onafhankelijkheid en emancipatie van de vrouw, de vrees verliefd te raken op een man die maatschappelijk haar gelijke niet is, de vrees dat de liefde ten koste zal gaan van vrijheid en onafhankelijkheid, de angst dat de liefde of de vreugde van het moederschap alleen maar een hindernis zal zijn voor de beroepsuitoefening, al deze dingen tezamen dwingen de moderne geëmancipeerde vrouw ertoe om alleen te blijven, waardoor het leven met zijn verhelderende verdriet en zijn diepe, in verrukking brengende vreugden voorbijgaat zonder haar persoonlijk te beroeren of aan te grijpen.

De emancipatie zoals de meeste aanhangers en vertegenwoordigers ervan die opvatten, is veel te beperkt om ruimte te bieden voor de grenzeloze liefde en verrukking die het deel kunnen zijn van een in vrijheid levende echte vrouw, minnares of moeder.

De tragedie van de zelf haar kost verdienende of economisch vrije vrouw ligt niet in een te veel maar in een te weinig aan ervaringen. Ze weet meer van de wereld en van de menselijke natuur dan haar zusters van voorgaande generaties maar juist daardoor voelt ze zo sterk dat ze het wezenlijke van het leven mist dat het enige is waardoor de menselijke ziel zich rijk kan voelen, en doordat zij dit missen zijn de meeste vrouwen loutere automaten geworden die een beroep uitoefenen.

Dit was al voorzien door mensen die inzagen dat er op het gebied van de ethiek nog veel oude ruïnes overeind werden gehouden uit de tijd van de onbetwiste superioriteit van de man, die ook veel geëmancipeerde vrouwen nog onmisbaar vinden. Iedere beweging voor vernietiging van bestaande levensvormen en vervanging daarvan door iets nieuwers en beters heeft volgelingen die in theorie de meest radicale ideeën aanhangen maar zich in de dagelijkse praktijk gedragen als doorsnee burgers die naar buiten toe aan de gebruikelijke fatsoensnormen willen blijven voldoen en eraan hechten om bij hun tegenstanders goed aangeschreven te staan. Er zijn bijvoorbeeld socialisten en zelfs anarchisten die het idee ‘eigendom is diefstal’ aanhangen maar die dood vallen als iemand voor de waarde van een half dozijn spelden bij hen in het krijt staat.

Dit soort mensen vind je ook in de vrouwenemancipatie-eigendom. Sensatiejournalisten en tweederangsschrijvers hebben portretten van geëmancipeerde vrouwen geschilderd die de brave burgerij de stuipen op het lijf joegen. De leden van de beweging voor vrouwenrechten werden allemaal voorgesteld als George Sands die zich van geen god of gebod iets aantrokken en voor wie niets heilig was. De ideale verhouding tussen man en vrouw zei hun niets. Emancipatie stond gewoon gelijk met een leven van lust en zonde, dat maatschappij, godsdienst en moraal aan zijn laars lapte. De humorloze vertegenwoordigers waren hoogst verontwaardigd over deze onjuiste voorstelling van zaken en zetten alles op haren en snaren om te bewijzen dat ze zo helemaal niet waren en juist het tegenovergestelde. Zolang de vrouw de slavin was van de man kon ze natuurlijk niet behoorlijk en fatsoenlijk zijn maar nu ze vrij en onafhankelijk was, zou ze laten zien hoe fatsoenlijk ze kon zijn en dat zij een zuiverende invloed zou hebben op alle vormen van maatschappelijk leven. De beweging voor vrouwenrechten heeft veel oude ketenen verbroken maar heeft ook nieuwe gesmeed. De grote beweging voor ECHTE emancipatie is niet bepaald overstroomd door vrouwen die tegen de vrijheid opgewassen waren. Hun benauwde, puriteinse opvattingen verbanden de mannen als storende en twijfelachtige elementen uit hun gevoelsleven. Voor geen geld wilden ze iets met mannen te maken hebben, tenzij misschien als vader van een kind omdat je zonder vader nu eenmaal moeilijk een kind kon krijgen. Gelukkig zijn ook de stijfste puriteinen nooit sterk genoeg om het ingeboren verlangen naar het moederschap te doden. Maar de vrijheid van de vrouw is nauw verbonden met de vrijheid van de man en veel van mijn zogenaamde geëmancipeerde zusters schijnen over het hoofd te zien dat een in vrijheid geboren kind de liefde en de genegenheid nodig heeft van alle mensen om hem heen, mannen zowel als vrouwen. Helaas is deze bekrompen opvatting over menselijke relaties de oorzaak geweest van veel ellende in het leven van moderne mannen en vrouwen.

Vijftien jaar geleden ongeveer verscheen er een boek van de briljante Noorse schrijfster Laura Marholm, De vrouw, een karakterstudie. Laura Marholm was een van de eersten die wees op de leegheid en beperktheid van de heersende opvattingen over vrouwenemancipatie en op de tragische invloed daarvan op het innerlijke leven van de vrouwen. In dit boek beschrijft zij het lot van verschillende internationaal bekende begaafde vrouwen: het genie Eleonora Duse, de grote wiskundige en schrijfster Sonja Kovalefskaja, de jong gestorven kunstenares en dichterlijke natuur Marie Basjkirtzef. Door de levensbeschrijving van elk van deze buitengewoon denkende vrouwen loopt een duidelijk spoor van onbevredigd verlangen naar een gevuld, afgerond, volledig, mooi leven en van onrust en eenzaamheid wegens het ontbreken daarvan. Deze meesterlijke psychologische schetsen laten overduidelijk zien dat hoe hoger de geestelijke ontwikkeling van een vrouw hoe moeilijker het voor haar is om een gelijkgeaarde metgezel te ontmoeten die in haar niet alleen het seksuele ziet maar ook een menselijk wezen, een vriendin, een kameraad en een sterke persoonlijkheid die niets van haar karakter kan en hoeft prijs te geven.

De doorsnee man met zijn zelfgenoegzaamheid, zijn belachelijke superioriteitswaan en zijn neerbuigendheid tegenover vrouwen is een onmogelijkheid voor het soort vrouwen dat Laura Marholm in haar Karakterstudie beschrijft. Evenzeer echter de mannen die alleen haar mentaliteit en genie zien en geen vrouwelijke gevoelens in haar wakker maken.

Een rijke geest en een gevoelig hart worden meestal als noodzakelijke eigenschappen voor een diepvoelende, edele persoonlijkheid beschouwd. Bij een moderne vrouw vormen deze eigenschappen echter een belemmering om helemaal tot haar recht te komen. Meer dan honderd jaar lang is het oude, op de bijbel met zijn ‘tot de dood u zal scheiden’ gebaseerde huwelijk aangeklaagd als een samenlevingsvorm waarin de man de baas is over de vrouw en de vrouw zich volledig aan zijn grillen en bevelen te onderwerpen heeft, zijn naam draagt en voor haar levensonderhoud helemaal van hem afhankelijk is. Steeds opnieuw is afdoende aangetoond dat de oude huwelijksrelatie de rol van de vrouw beperkte tot die van dienstbode van haar man en moeder van zijn kinderen. Toch zijn er nog veel geëmancipeerde vrouwen die de voorkeur geven aan het huwelijk met al zijn gebreken boven de beperktheid van een ongewild bestaan, beperkt en ondraaglijk door de ketens van morele en sociale vooroordelen die haar geest gevangen houden en ketenen.

De verklaring voor dit gebrek aan logica bij veel moderne vrouwen ligt in het feit dat zij nooit helemaal hebben leren inzien wat emancipatie inhoudt. Zij dachten dat zij zich alleen maar van tirannen buiten zich hoefden te bevrijden; de tirannen binnen in hen — de morele en sociale conventies — die veel schadelijker zijn voor leven en ontwikkeling, mochten hun gang gaan; wat zij dan ook deden. Zij lijken het in de hoofden en de harten van zelfs de actiefste vertegenwoordigers van de vrouwenemancipatie even goed te doen als in de hoofden en harten van onze grootmoeders, die inwendige tirannen, of het nu de publieke opinie is of wat zullen moeder, broer, vader, tante, familie, Mrs. Grundy, Mr. Comstock, de baas, het ministerie van onderwijs wel zeggen, al die bemoeials, zielengluurders, cipiers van de menselijke geest, wat zullen zij wel zeggen? Zolang een vrouw niet geleerd heeft zich daar niets van aan te trekken, geen duimbreed van haar eigen standpunt te wijken, vast te houden aan haar onbeperkte vrijheid, naar de stem van haar natuur te luisteren, of deze nu roept om de grootste schat van het leven — de liefde voor een man — of om haar prachtigste voorrecht — het leven te schenken aan een kind — zo lang kan zij zich niet geëmancipeerd noemen. Hoeveel geëmancipeerde vrouwen hebben de moed om te erkennen dat de stem van de liefde roept en wild tegen haar borsten slaat eisend om gehoord en bevredigd te worden?

In een van zijn romans Nieuwe schoonheid doet de Franse schrijver Jean Reibach een poging het beeld te schilderen van de ideale, mooie, geëmancipeerde vrouw. Dit ideaal krijgt gestalte in de persoon van een jong meisje, een arts. Zij kan met zeer veel inzicht en wijsheid over het voeden van kinderen praten, zij is vriendelijk en verstrekt gratis medicijnen aan arme moeders. Zij praat met een jonge man uit haar kennissenkring over de hygiënische toestanden in de toekomst en hoe allerlei bacillen en ziektekiemen zullen worden uitgeroeid door het gebruik van stenen muren en vloeren en de afschaffing van kleedjes en wandtapijten. Zij draagt natuurlijk zeer eenvoudige, praktische kleding, meestal zwart. De jonge man, die bij hun eerste ontmoeting diep onder de indruk was gekomen van de wijsheid van zijn geëmancipeerde vriendin, begint haar langzamerhand te begrijpen en ontdekt op een goede dag dat hij van haar houdt. Zij zijn jong en zij is vriendelijk en mooi, en ofschoon ze altijd onberispelijk gekleed is, geven een vlekkeloos wit kraagje en manchetten haar verschijning iets zachts. Je zou verwachten dat hij haar van zijn liefde zou vertellen maar hij is geen man om romantische dwaasheden te begaan. De poëzie en de opwinding van de liefde verbergen hun blozende gezichten voor de zuivere schoonheid van de dame. Hij brengt de stem van zijn natuur tot zwijgen en blijft correct. Zij is ook altijd precies op tijd, altijd verstandig en gedraagt zicht altijd zoals het behoort. Ik ben bang dat als zij waren gaan samenwonen de jongeman de kans had gelopen dood te vriezen. Ik moet bekennen dat ik niets moois zie in deze nieuwe schoonheid die zo koud is als de stenen muren en vloeren waar zij van droomt. Ik houd meer van de liefdesliedjes uit de oude romantische tijden, van Don Juan en vrouwe Venus, van een schaking met ladder en touw op een maanverlichte nacht met de bijbehorende vervloeking van de vader, zuchten van de moeder en morele commentaren van de buren dan van pijnlijk nauwkeurig afgemeten correctheid en netheid. Als liefde niet mateloos kan geven en nemen is het geen liefde maar een transactie waar iedere cent telt.

Het grootste gebrek van de tegenwoordige emancipatie zijn de kunstmatige stijfheid en het bekrompen fatsoen ervan die in de vrouwenziel een leegte veroorzaken die haar belet van de levensbron te drinken. Ik heb wel eens gezegd dat ik meer overeenkomst zag tussen de ouderwetse moeder en gastvrouw, altijd bedacht op het geluk van haar kinderen en het welzijn van haar vrienden, en de werkelijk nieuwe vrouw dan tussen deze laatste en haar doorsnee geëmancipeerde zuster. De aanhangsters van de pure emancipatie noemden mij een heidin die op de brandstapel thuishoorde. In hun blinde ijver zagen zij niet dat mijn vergelijking tussen de oude en de nieuwe vrouw alleen maar bedoeld was om te illustreren dat veel van onze grootmoeders meer bloed in hun aderen hadden, veel geestiger waren en meer gevoel voor humor hadden en zeker natuurlijker, hartelijker en eenvoudiger waren dan de meeste geëmancipeerde vrouwelijke beoefenaars van een intellectueel beroep die de universiteiten, onderwijsinstellingen en allerlei kantoren bevolken. Dat betekent niet dat ik terug wil naar het verleden of de vrouwen in hun oude wereld van keuken en kinderkamer wil laten blijven.

Onze redding ligt in een energieke mars voorwaarts naar een lichtere en helderdere toekomst. Wij moeten ons bevrijden van alle kluisters die ons aan oude tradities en gebruiken geketend houden. De vrouwenemancipatiebeweging heeft alleen nog maar de eerste stap in die richting gezet. Het is te hopen dat zij de kracht zal vinden om opnieuw een stap te doen. Stemrecht en gelijke burgerrechten zijn misschien rechtvaardige eisen maar echte emancipatie begint niet bij de stembus of in de rechtszaal. Die begint in de ziel van de vrouw. De geschiedenis leert ons dat een onderdrukte klasse zich alleen maar door eigen inspanning werkelijk van zijn meesters bevrijdt. De vrouwen moeten die les ter harte nemen, zij moeten beseffen dat hun vrijheid even ver reikt als hun vermogen om zich vrij te maken. Het is daarom veel belangrijker om te beginnen met een innerlijke wedergeboorte en om de last van vooroordelen, tradities en gewoonten van zich of te schudden. Vrouwen eisen met recht en reden gelijke rechten op alle gebieden van het leven maar het belangrijkste recht is toch het recht om liefde te geven en te ontvangen. Als we willen dat de gedeeltelijke emancipatie van de vrouw een volledige en echte emancipatie wordt, dan moet er een einde komen aan de dwaze opvatting dat te worden liefgehad, geliefde en moeder te zijn, gelijkstaat met slavernij en onderdanigheid. Dan moet er ook een einde komen aan de dwaze gedachte dat man en vrouw twee verschillende of tegengestelde werelden zijn.

Kleinheid scheidt — grootheid verenigt. Laten we het breed en groot zien. Laten we de belangrijkste dingen niet verwaarlozen wegens de massa’s kleinigheden waar we mee geconfronteerd worden. Een juiste opvatting over de verhouding tussen de geslachten kent geen veroveraar en veroverde maar slechts één groot ding: zich onbeperkt geven om zich rijker, dieper en beter terug te vinden. Dat is het enige wat de leegte kan vullen en de tragedie van de vrouwenemancipatie kan omzetten in vreugde, mateloze vreugde.

II. Vrouwenstemrecht

Wij zijn er trots op te leven in een tijd van vooruitgang en wetenschap. Is het niet vreemd dat we dan toch nog in fetisjen geloven? De fetisjen van nu zijn weliswaar anders van vorm en inhoud, maar ze hebben nog dezelfde rampzalige macht over de menselijke geest als die uit het verleden.

Onze moderne fetisj is het algemeen stemrecht. Wie het nog niet heeft, voert een bloedige strijd om het te krijgen en wie eronder leeft, brengt grote offers op het altaar van deze almachtige godheid. Wee de ketter die het waagt aan deze godheid te twijfelen!

Vrouwen zijn fetisjaanbidders, nog meer dan mannen; ze veranderen misschien van afgod maar hun geknielde houding en opgeheven handen blijven, eeuwig blind als ze zijn voor de lemen voeten van hun god. Zo komt het dat de vrouwen sinds onheuglijke tijden altijd de trouwste aanhangers van de goden zijn geweest. Zo komt het ook dat zij altijd de prijs te betalen hadden die alleen goden kunnen eisen: haar vrijheid, het bloed van haar hart en haar leven.

De beroemde uitspraak van Nietzsche ‘Als je naar een vrouw gaat, vergeet dan je zweep niet’ wordt als uiterst barbaars beschouwd, maar geeft wel de houding van de vrouwen tegenover haar goden uitstekend weer.

De godsdienst, vooral de christelijke, heeft van de vrouw een minderwaardig wezen, een slavin gemaakt. Zij heeft haar verhinderd haar natuur te volgen en haar haar geestelijke vrijheid ontnomen, maar desondanks zijn vrouwen de trouwste en meest toegewijde aanhangers van de christelijke godsdiensten. Je kunt zelfs stellen dat zonder de steun van de vrouwen de godsdienst allang geen praktische invloed meer zou hebben gehad. Over heel de wereld werken vrouwen het hardste voor de kerken en zijn vrouwen de onvermoeibaarste zendingswerkers, altijd offeren zij zich op op de altaren van de goden die haar geest ketenen en haar lichaam onderwerpen.

Het onverzadigbare monster oorlog berooft vrouwen van alles wat haar lief en dierbaar is. Het vordert haar broers, haar mannen, haar zoons en beloont haar met een leven van eenzaamheid en wanhoop. Niettemin zal niemand de oorlog zo steunen en verheerlijken als een vrouw. Vrouwen voeden kinderen op tot veroverzucht en machtshonger; vrouwen bezingen de glorie van de oorlog voor hun kleintjes vanaf hun prilste kinderjaren. Vrouwen wiegen hun kinderen in slaap op de tonen van trompetten en het gebulder van kanonnen. Vrouwen kronen de overwinnaar bij zijn terugkeer van het slagveld. De vrouwen betalen de hoogste tol aan het onverzadigbare monster oorlog.

Dan het huis. Wat een afschuwelijke fetisj! Deze moderne gevangenis met haar gouden spijlen zuigt alle levenskracht uit de vrouwen! De schone schijn belet haar de prijs te zien die zij als vrouw, moeder en huishoudster te betalen hebben. Niettemin klampen de vrouwen zich hardnekkig vast aan het huis, aan die macht die haar tot slavinnen maakt.

Sommigen zeggen misschien dat de vrouwen beseffen welk een zware tol Kerk, Staat en huis van haar eisen en dat ze daarom stemrecht verlangen om zich te bevrijden. Voor sommigen gaat dat misschien op, maar de meeste voorstandsters van vrouwenstemrecht beschouwen zo een gedachtegang als een godslastering en werpen die ver van zich af. Zij zeggen juist altijd dat het vrouwenstemrecht haar tot betere christenen en huisvrouwen en tot waardevolle staatsburgers zal maken. Op die manier is het stemrecht dus slechts een middel om de almacht te versterken van de goden die de vrouwen sinds onheuglijke tijden hebben gediend.

Het is dus geen wonder dat de vrouwen aan de nieuwe afgod, het vrouwenstemrecht, dezelfde toewijding, ijver en onderwerping betonen. Zoals van oudsher verdragen ze glimlachend vervolgingen, gevangenschap, martelingen, afkeuring en veroordeling. Zoals van oudsher verwachten juist de meest verlicht geesten een wonder van de twintigste-eeuwse afgod, het stemrecht. Het stemrecht zal leven, geluk, vreugde, vrijheid, onafhankelijkheid en nog veel meer brengen. In hun blinde toewijding ontgaat de vrouwen wat intelligente mensen vijftig jaar geleden al zagen: dat het stemrecht een kwaad is, iets dat alleen goed was om de mensen tot slaven te maken, dat het haar nagenoeg blind heeft gemaakt, opdat zij niet zouden zien hoe bekwaam zij tot slaven werden gemaakt.

Het streven van de vrouwen naar gelijk stemrecht berust grotendeels op de gedachte dat de vrouwen op alle gebieden van het maatschappelijk leven gelijkberechtigd moeten zijn. Daar zou niets tegenin te brengen zijn als stemmen een recht was. De menselijke geest moet echter wel erg onwetend zijn als zij het als een recht beschouwt om iemand zijn wil op te leggen. Of is het geen staaltje van uiterst brute dwang als de ene groep mensen wetten maakt die zij een andere groep dwingt te gehoorzamen? Niettemin eisen de vrouwen luidkeels die ‘gouden kans’ op, die al zoveel ellende over de wereld heeft gebracht en de mensen hun persoonlijkheid en hun zelfvertrouwen heeft ontnomen, een dwang die de mensen grondig heeft verpest en tot een weerloze prooi heeft gemaakt in de handen van gewetenloze politici.

Die arme, domme, vrije Amerikaanse burgers! Ze zijn vrij om van honger te sterven, vrij om langs de grote wegen van dit grote land te zwerven en hebben een algemeen stemrecht waarmee ze zich in de ketens hebben geslagen. De beloning bestaat in strenge arbeidswetten die hen verbieden te boycotten, te staken en in feite alles behalve om zich te laten beroven van de vruchten van hun arbeid. Van al deze rampzalige gevolgen van de twintigste-eeuwse fetisj hebben de vrouwen echter niets geleerd. Maar dan wordt ons verzekerd dat de vrouwen de politiek willen zuiveren.

Het spreekt wel vanzelf dat ik niet tegen vrouwenstemrecht ben om de gebruikelijke reden dat vrouwen daar ongeschikt voor zijn. Ik zie geen fysieke, psychologische of verstandelijke gronden waarom vrouwen niet hetzelfde stemrecht zouden moeten hebben als mannen. Maar daarom ben ik nog niet zo blind dat ik de dwaze opvatting zou gaan huldigen dat de vrouwen zullen klaarspelen wat de mannen niet is gelukt. Ze zouden het misschien niet erger maken maar zeker niet beter. Wie dus aanneemt dat de vrouwen iets zullen zuiveren wat niet te zuiveren is, schrijft haar bovennatuurlijke krachten toe. Het grootste ongeluk voor de vrouwen is geweest dat ze beschouwd werden als engelen of als duivels; hun enige kans op redding is daarom een plaats op de aarde te krijgen, beschouwd te worden als mensen met alle mogelijkheden van menselijke dwaasheden en misgrepen. Moeten we soms geloven dat twee misgrepen samen een goede greep zijn? Moeten we soms aannemen dat het vergif dat de politiek uit haar wezen eigen is, minder wordt als vrouwen de politieke arena binnenstappen? Zo bont zullen zelfs de vurigste voorstandsters van het vrouwenstemrecht het wel niet maken.

De beste kenners van het algemeen stemrecht zijn tot het inzicht gekomen dat de bestaande politieke machtsstelsels stuk voor stuk onzinnig zijn en geen enkele bijdrage leveren voor een oplossing van de dringende levensproblemen. Deze opvatting vinden we ook terug in een uitspraak van Dr. Helen L. Sumner, die overigens heilig in het vrouwenstemrecht gelooft. In haar uitstekende boek Gelijk stemrecht schrijft ze: ‘In Colorado laat het gelijke stemrecht overduidelijk zien hoe door en door rot en mensonterend het bestaande stelsel is’. Dr Sumner denkt daarbij natuurlijk aan een bepaalde methode van stemmen, maar wat ze zegt geldt onverminderd voor het hele mechanisme van het vertegenwoordigende stelsel. Het is moeilijk in te zien hoe de vrouwen binnen zo een stelsel iets voor zichzelf of voor de rest van de mensheid kunnen doen.

Maar, zeggen de voorstandsters van het vrouwenstemrecht, kijk maar eens naar de landen en staten waar een vrouwenstemrecht bestaat. Kijk eens wat de vrouwen tot stand hebben gebracht in Australië, Nieuw-Zeeland, Finland, de Scandinavische landen en in onze eigen vier staten Idaho, Colorado, Wyoming en Utah. Wat je ver haalt is lekker, of zoals ze in Polen zeggen: ‘Waar we niet zijn is het goed’. We zouden dus mogen aannemen dat die landen en staten anders zijn dan andere landen en staten, dat er meer vrijheid en meer sociale en economische gelijkheid is, een meer genuanceerde kijk op het menselijke leven, meer inzicht in de grote sociale strijd met alle belangrijke problemen die deze voor het menselijke ras inhoudt.

In Australië en Nieuw-Zeeland hebben de vrouwen stemrecht en het recht om te helpen wetten te maken. Zijn de arbeidsomstandigheden daar nu beter dan in Engeland, waar de voorvechtsters van het vrouwenstemrecht zo een heldhaftige strijd voeren? Staat het moederschap daar op een hoger plan en zijn de kinderen er gelukkiger en vrijer dan in Engeland? Worden de vrouwen daar niet meer als pure seksuele koopwaar beschouwd? Hebben de vrouwen zich daar geëmancipeerd van de puriteinse dubbele moraal voor mannen en vrouwen? Behalve de gewone vrouwelijke politicus op verkiezingstournee durft vast en zeker niemand die vragen met ja te beantwoorden. Als dat zo is, is het natuurlijk belachelijk om Australië en Nieuw-Zeeland aan te halen als landen waar het gelijke stemrecht zulke prachtige resultaten heeft opgeleverd.

Wie de werkelijke politieke verhoudingen in Australië kent, weet maar al te goed dat de politiek daar de arbeiders van hun vrijheid heeft beroofd door strenge arbeidswetten, die stakingen zonder goedkeuring van een arbitragecommissie tot misdaden maken welke gelijkstaan met landverraad.

Ik bedoel zeker niet dat het vrouwenstemrecht de oorzaak is van deze toestand. Wat ik echter wel bedoel, is dat er geen reden is om Australië te beschouwen als een land waar door de vrouwen zo wonderlijk veel is bereikt, aangezien haar invloed onvoldoende was om de arbeiders te bevrijden van de onderwerping aan de politieke bazen.

In Finland hebben de vrouwen gelijk stemrecht en zelfs het recht om in het parlement te zitten. Zijn de vrouwen daar nu heldhaftiger en ijveriger dan in Rusland? Finland gaat evenals Rusland gebukt onder de wrede zweep van die bloedhond van een tsaar. Waar zijn de Finse Perofskaja’s, Siridonova’s, Figners en Bresjkofskaja’s? Waar zijn de talloze Finse meisjes die opgewekt naar Siberië gaan terwille van hun ideaal? Finland zit te springen om heldhaftige bevrijders. Waarom heeft het stembiljet daar niet voor gezorgd? De enige Fin die zijn volk heeft gewroken was een man, geen vrouw, en hij gebruikte een doeltreffender wapen dan het stembiljet.

Wat heeft het stemrecht tot stand gebracht in de Amerikaanse staten waar vrouwen mogen stemmen en waar steeds zo hoog over wordt opgegeven, wat is daar via het stemrecht bereikt wat vrouwen in andere staten niet grotendeels al hebben?

Inderdaad, in de staten met vrouwenstemrecht hebben de vrouwen gelijke bezitsrechten; maar wat hebben de massa’s bezitloze vrouwen daaraan en de duizenden loonarbeidsters die van de ene dag in de andere leven? Dat hun toestand door het gelijke stemrecht niet veranderd is en niet veranderen kan, geeft ook Dr. Sumner toe, en dat is toch wel iemand die het kan weten. Dr. Sumner is een vurige voorvechtster van vrouwenstemrecht en is door de Collegiate Equal Suffrage League in New York naar Colorado gestuurd om materiaal te verzamelen ten gunste van het vrouwenstemrecht. Zij zou dus wel de laatste zijn om iets ten nadele van het vrouwenstemrecht te zeggen; niettemin kunnen we bij haar lezen dat het ‘gelijke stemrecht echt nauwelijks invloed heeft gehad op de economische toestand van de vrouwen. Dat vrouwen voor hetzelfde werk niet hetzelfde betaald krijgen en dat, ondanks het feit dat de vrouwen in Colorado sinds 1876 stemrecht hebben op basis van schoolopleiding, vrouwelijke leerkrachten daar toch minder betaald krijgen dan in California’. Van de andere kant geeft Dr. Sumner geen verklaring voor het feit dat, ondanks het gegeven dat de vrouwen daar al 34 jaar stemrecht hebben op basis van schoolopleiding en sinds 1894 gelijk stemrecht, de volkstelling van enkele maanden geleden in Denver aan het licht bracht dat alleen daar al 15.000 gebrekkige schoolkinderen zijn. Dat ook niettegenstaande het feit dat het ministerie van opvoeding grotendeels uit vrouwen bestaat en dat de vrouwen van Colorado de ‘meest stringente wetten voor de bescherming van kinderen en dieren’ voor elkaar hebben gekregen. De vrouwen van Colorado ‘legden grote belangstelling aan de dag voor de staatsinstellingen ten behoeve van arme en gebrekkige kinderen en van kinderen die met de justitie in aanraking waren geweest’. Wat een afschuwelijke aanklacht tegen de zorg en de belangstelling van de vrouwen als er in een stad 15.000 gebrekkige kinderen zijn. Waar is de glorie van het vrouwenstemrecht als dit volkomen faalt in het belangrijkste maatschappelijke probleem, het kind? En waar is het grotere gevoel voor rechtvaardigheid dat de vrouwen in de politiek zouden brengen? Waar was dat rechtvaardigheidsgevoel in 1903, toen de mijneigenaars een guerrillaoorlog voerden tegen de Western Miners’ Union, toen generaal Bell een schrikbewind uitoefende, mannen ‘s nachts van hun bed lichtte, de grens over bracht en in stierenhokken gooide met de woorden ‘verrek met de grondwet, de knuppel is de grondwet’? Waar waren de vrouwelijke politici toen en waarom oefenden zij toen niet hun stemmacht uit? Dat deden ze wel, en ze hielpen de fatsoenlijkste en liberaalste kandidaat, gouverneur Waite, verslaan. Deze moest het veld ruimen voor het werktuig van de mijnkoningen, voor gouverneur Peabody, de vijand van de arbeiders, de tsaar van Colorado. ‘Mannen zouden zeker niet slechter gestemd hebben.’ Zo is het. Maar wat schieten de vrouwen en de maatschappij dan met vrouwenstemrecht op? De veel verkondigde bewering dat de vrouwen de politiek zullen zuiveren is ook maar een mythe. Van mensen die de politieke verhoudingen in Idaho, Colorado, Wyoming en Utah kennen, zul je dat niet horen.

Door hun puriteinse inslag zijn vrouwen van nature kwezelig en glashard en meedogenloos in hun streven om anderen hun normen op te leggen. Zo hebben ze daar in Idaho hun zusters van de straat hun burgerrechten ontnomen en alle ‘wellustig aangelegde’ vrouwen ongeschikt verklaard om te stemmen. Prostitutie binnen het huwelijk wordt daarbij natuurlijk niet als wellustig beschouwd. Illegale prostitutie en gokken zijn daar natuurlijk verboden. Wat dat betreft kan het niet anders of wet moet vrouwelijk zijn: ze verbiedt altijd. In dat opzicht zijn alle wetten geweldig. Meer doen ze niet, maar de strekking ervan zet alle poorten van de hel wagenwijd open. Prostitutie en gokken hebben nog nooit zo gebloeid als sinds er wetten tegen bestaan.

In Colorado heeft het vrouwelijke puritanisme nog drastischere vormen aangenomen. ‘Mannen van wie algemeen bekend is dat ze onbehoorlijk leven of die iets met een café te maken hebben, hebben hun politieke rechten verloren sinds de invoering van het vrouwenstemrecht.’ (Dr. Helen Sumner, Equal Suffrage (Gelijk stemrecht)) Zou Brother Comstock het haar kunnen verbeteren? Ik vraag me af hoeveel vrouwen de ernst van deze zogenaamde prestatie inzien. Ik vraag me af of zij wel inzien dat deze de vrouwen niet verheft maar juist verlaagt tot politieke spionnen, tot verachtelijke gluursters in andermans privé-zaken, niet voor de goede zaak maar omdat zij, om een vrouw uit Colorado aan te halen, ‘graag in huizen komen waar zij nog nooit geweest zijn, en graag overal waar zij maar kunnen, op politiek gebied of wat dan ook, hun neus in willen steken’. (Ibid.) Ja, ook in de kleinste hoekjes en gaatjes van de menselijke ziel. Want niets zien de meeste vrouwen zo graag als schandalen. En waar vind je daar beter de gelegenheid voor dan in de politiek?

‘Mannen die duidelijk onbehoorlijk leven of iets met een café te maken hebben.’ Je kunt de dames stemverzamelaars zeker niet beschuldigen van veel gevoel voor verhoudingen. Zelfs als we even aannemen dat deze bemoeials kunnen uitmaken wie behoorlijk leeft om geschikt te zijn voor de bij uitstek zuivere sferen van de politiek, betekent dit dan dat caféhouders onbehoorlijke mensen zijn? Zo’n idee kun je alleen maar verwachten van de Amerikaanse schijnheiligheid en kwezeligheid waar het alcoholverbod zo’n duidelijk blijk van geeft: de rijken mogen zich rustig bedrinken maar de enige plaats waar de armen terecht kunnen, wordt scherp in het oog gehouden. Alleen al vanwege hun bekrompen, puriteinse levensopvattingen maakt politieke macht de vrouwen een gevaar voor de vrijheid. De mannen zijn de verschillende vormen van bijgeloof waar de vrouwen nog aan vast zitten, sinds lang ontgroeid. Door de economische concurrentie hebben zij noodgedwongen geleerd efficiënt, zakelijk, vakkundig en met kennis van zaken te werken. Ze hadden daardoor geen tijd en geen zin om andermans zedelijkheid met een puriteinse ellemaat te gaan meten. Ook op politiek gebied houden de mannen hun ogen open. Ze weten dat het in de politiek niet gaat om het ‘hoe’ maar om het ‘wat' en afgezien van wat sentimentele hervormers en oude fossielen weten de mannen ook dat de politiek alleen maar een moeras kan zijn.

Vrouwen die de gang van zaken in de politiek een beetje kennen, kennen de aard van het beestje ook wel, maar ze zijn zo van zichzelf overtuigd en betrekken alles zozeer op zichzelf dat ze denken dat ze het maar hoeven te aaien of het wordt zo lief en zo zacht en zo zuiver als een lammetje. Alsof er nooit vrouwen zijn geweest die hun stem verkochten en omkoopbaarheid bij vrouwelijke politici niet voorkwam! Vrouwen verkopen wel hun lichaam voor materiële gunsten, maar hun stem zouden ze niet verkopen? Dat dit in Colorado en andere staten gebeurt, ontkennen zelfs de voorstandsters van vrouwenstemrecht niet.

Zoals ik al zei is de bekrompenheid van de vrouwen op het menselijke vlak niet de enige reden om te denken dat zij het in de politiek niet beter zullen doen dan de mannen. Er zijn ook nog andere redenen. Hun jarenlange economische parasitisme heeft het vrouwelijke denken over gelijkheid niet bepaald verhelderd. De vrouwen eisen gelijke rechten maar volgens Dr. Sumner ‘zijn er maar weinig vrouwen die in moeilijke districten campagne willen voeren’. Vergelijk dat eens met de gelijkheidsopvattingen van de Russische vrouwen die voor hun idealen zelfs de hel riskeren’.

De vrouwen eisen dezelfde rechten als de mannen, maar ze zijn wel verontwaardigd als een man niet steil achteroverslaat als er een vrouw binnenkomt, gewoon doorgaat met roken, zijn hoed ophoudt en niet als een lakei opspringt. Op zich is zoiets onbelangrijk, maar het zegt wel alles over de Amerikaanse voorstandsters van vrouwenstemrecht. Hun Engelse zusters zijn niet zo kinderachtig meer. Die hebben blijk gegeven van karaktervastheid en doorzettingsvermogen. Alle eer aan hun heldhaftigheid en flinkheid! Hun energieke, agressieve methoden hebben sommige van de bloedloze, karakterloze dames hier aan het denken gezet. Maar ook de Engelse suffragettes zien nog niet duidelijk wat werkelijke gelijkheid inhoudt. Hoe is het anders te verklaren dat deze dappere voorvechtsters zich zo ontzettend, werkelijk reusachtig hebben ingespannen voor een onnozel wetje waar een handvol bezittende vrouwen iets aan heeft maar dat geen enkele verandering brengt in de positie van de grote massa werkende vrouwen? Natuurlijk, in de politiek moet je opportunistisch zijn en met de helft genoegen nemen als je het hele niet kunt krijgen. Maar een intelligente, liberale vrouw moet toch inzien dat als het stembiljet een wapen is, de misdeelden daar meer behoefte aan hebben dan de beter gesitueerden en dat deze laatsten door hun economische superioriteit toch al te veel macht hebben.

De briljante leidster van de Engelse suffragettes, Emmeline Pankhurst, gaf op haar Amerikaanse lezingentournee zelf toe dat gelijkheid tussen de politieke bovenlaag en benedenlaag niet mogelijk is. Als dat zo is, kun je toch niet verwachten dat de Engelse werkende vrouwen, die in economisch opzicht al de mindere zijn van de dames die profiteren van het wetsontwerp Shackleton,[1] zullen kunnen samenwerken met haar politieke meerderen als het wetsontwerp wordt aangenomen? Ligt het niet voor de hand dat de hard werkende, toegewijde, opofferende klasse van Annie Keeney gedwongen zal worden het karretje van hun politieke bazinnen te trekken zoals ze voor hun economische meesters al doen? De invoering van algemeen stemrecht voor mannen en vrouwen in Engeland zou daar niets aan veranderen. De arbeiders kunnen doen wat zij willen, zij mogen altijd het gelag betalen. Alleen geven degenen die in de macht van het stembiljet geloven, geen overweldigend blijk van gevoel voor recht als zij zich niets gelegen laten liggen aan degenen die daar volgens hun zeggen het meeste voordeel van kunnen hebben.

De Amerikaanse stemrechtbeweging is tot voor zeer kort zuiver een salonprobleem geweest, dat niets van doen had met de economische problemen van het volk. Susan B. Anthony bijvoorbeeld, een alleszins uitzonderlijke vrouw, stond niet alleen onverschillig maar zelfs uitgesproken vijandig tegenover de arbeiders; ze deinsde er ook niet voor terug om van die vijandigheid blijk te geven toen zij in 1869 de vrouwen aanspoorde om in New York de plaatsen van de stakende drukkers in te nemen. Of zij er voor zij stierf anders over is gaan denken, weet ik niet.

Er zijn natuurlijk ook wel voorstandsters van het vrouwenstemrecht die met werkende vrouwen samenwerken, de Women’s Trade Union League bijvoorbeeld, maar dat is een kleine minderheid, die zich ook nog in hoofdzaak op economisch gebied beweegt. De rest beschouwt de noodzaak om te werken als een juiste beschikking van de Voorzienigheid. Wat moesten de rijken als er geen armen waren? Wat zou het lot zijn van die nietsdoende parasiterende dames die in een week meer verspillen dan hun slachtoffers in een jaar verdienen, als er geen 80 miljoen loontrekkers waren? Gelijkheid, wat is dat?

Er zijn weinig landen waar arrogantie en snobisme zulke vormen hebben aangenomen als in Amerika. Dit geldt vooral voor de Amerikaanse vrouwen uit de middenklasse. Zij beschouwen zich niet alleen als gelijk aan de mannen, maar ook als beter, vooral door hun zuiverheid, goedheid en zedelijk peil. Geen wonder dus dat de Amerikaanse voorstandsters van vrouwenstemrecht zo een ongelooflijke macht aan hun stem toeschrijven. Door hun overspannen eigenwaan beseffen ze niet hoezeer ze slaven zijn, niet zozeer van de mannen als wel van haar eigen kinderachtige opvattingen en tradities. Van het vrouwenstemrecht is voor die trieste toestand geen verbetering te verwachten, het kan die alleen maar duidelijker laten blijken en doet dat ook.

Een van de grote vrouwelijke leidsters in Amerika stelt dat de vrouwen niet alleen het recht hebben op gelijke betaling maar ook wettelijk recht moeten krijgen op het loon van hun man. Een man die niet aan zijn onderhoudsverplichtingen voldoet, moet volgens haar tot dwangarbeid worden veroordeeld met de bepaling dat zijn aan hem gelijke vrouw het verdiende geld aan de gevangenis kan komen afhalen. Is er niet nog een andere voorvechtster van het vrouwenstemrecht die beweert dat dit het einde zal betekenen van het sociale onrecht in de wereld, dat de gezamenlijke inspanningen van de meest vooraanstaande geesten ter wereld tevergeefs hebben bestreden? Het is werkelijk jammer dat de beweerde schepper van het heelal alles al zo prachtig heeft geregeld, met het vrouwenstemrecht zouden de vrouwen het nu zeker stukken beter doen.

Niets is zo gevaarlijk als het ontleden van een fetisj. De tijd dat zo een ketterij met de brandstapel werd gestraft is voorbij, maar het bekrompen veroordelen van mensen die het wagen er afwijkende opvattingen op na te houden, leeft nog altijd voort. Ik zal dus wel als anti-vrouw beschouwd worden. Maar dat kan mij er niet van weerhouden om het probleem recht in de ogen te zien. Ik herhaal wat ik in het begin zei: de vrouwen zullen de politiek volgens mij niet erger maken, maar ook niet beter. Maar als ze de fouten van de mannen niet kunnen verbeteren, waarom zullen ze ze dan gaan maken?

De geschiedenis is misschien een samenraapsel van leugens, maar ze bevat toch ook een paar waarheden, en deze zijn onze enige gids voor de toekomst. De geschiedenis van het politiek bezig zijn van de mannen laat zien dat zij daarmee absoluut niets hebben bereikt dat niet op een directere, minder kostbare en meer blijvende resultaten opleverende manier mogelijk was geweest. Iedere duimbreed grond die de mannen hebben veroverd, hebben zij te danken aan voortdurend vechten en onophoudelijk strijden, en niet aan het stemrecht. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de vrouwen bij hun streven naar emancipatie iets aan het stemrecht hebben gehad of zullen hebben.

In Rusland, het donkerste land ter wereld met zijn absolute despotisme, zijn de vrouwen de gelijken geworden van de mannen, niet door het stemrecht maar door hun wil om te zijn en te handelen. Niet alleen hebben ze al hun mogelijkheden om te studeren en een beroep uit te oefenen zelf veroverd, zij hebben daardoor ook de achting, het respect en de kameraadschap van de mannen gewonnen, meer dan dat, ze hebben in heel de wereld bewondering en respect afgedwongen. Ook weer niet door te gaan stemmen, maar door hun ongelooflijke heldhaftigheid, sterkte, kunde, wilskracht en doorzettingsvermogen in hun strijd voor vrijheid. In welk land of welke staat hebben de vrouwen zo een overwinning behaald? Als we kijken naar wat de vrouwen in Amerika hebben bereikt, zien we ook dat zij zich niet hebben geëmancipeerd door deelname aan de verkiezingen maar door iets veel diepers en krachtigers.

Precies tweeënzestig jaar geleden formuleerde een handjevol vrouwen op de conventie van Seneca Falls een aantal eisen voor wat betreft gelijke opleidingsrechten en gelijke toegang tot de verschillende beroepen, ambachten, enz. Wat hebben die vrouwen geen prachtige successen en overwinningen geboekt! Alleen een volkomen onbenul kan het zich nog permitteren om te zeggen dat de vrouwen alleen maar goed zijn om in de huishouding te sloven. Wie durft er nog te zeggen dat sommige beroepen ongeschikt zijn voor vrouwen? Meer dan zestig jaar lang hebben vrouwen gewerkt om voor zichzelf een nieuwe levenssfeer en een nieuw leven te scheppen. Zij zijn een wereldmacht geworden op alle gebieden van het menselijke denken en doen. En dat allemaal zonder stemrecht, zonder het recht om wetten te maken en zonder het ‘voorrecht’ om rechter, cipier of beul te worden.

Ja, laat ze mij maar als een vijand van de vrouwen beschouwen, maar ik zal het heel mooi vinden als ik hun de ogen kan openen.

Het ongeluk van de vrouwen is niet dat zij niet hetzelfde werk kunnen doen als mannen, maar dat zij hun levenskracht verdoen met te proberen het beter te doen, en dat na een traditie van eeuwen waardoor zij fysiek hun mindere zijn. Ja, ik weet het wel, sommigen zijn daar toch in geslaagd maar vraag niet wat ze daar een ontzettende, afschuwelijke prijs voor hebben betaald. Het gaat niet om het soort werk dat een vrouw doet maar om hoe zij het doet. De vrouwen kunnen de aard van het stemrecht of het stembiljet niet veranderen en daar ook niets uithalen waardoor zij zelf beter worden. Hun ontwikkeling, hun vrijheid en hun onafhankelijkheid moet van en door de vrouwen zelf komen. In de eerste plaats door een persoonlijkheid te zijn en niet een seksobject. In de tweede plaats door niemand recht op hun lichaam te geven, door te weigeren kinderen te krijgen als ze zelf niet willen, door te weigeren in dienst te staan van God, de staat, de maatschappij, man, gezin, enz., en door hun leven eenvoudiger maar dieper en rijker te maken. Dat wil zeggen door te proberen uit te vinden wat het leven in al zijn verwikkelingen inhoudt en betekent, door zich te bevrijden van vrees voor wat de mensen van hen denken en hoe ze over hen oordelen. Alleen daardoor en niet door te stemmen wordt een vrouw vrij, wordt zij een tot nu toe ongekende kracht in de wereld, een kracht die echte liefde, vrede en harmonie brengt; een goddelijk vuur, een levengevende kracht, een schepper van vrije mannen en vrouwen.

III. De handel in vrouwen

Onze hervormers hebben plotseling een grote ontdekking gedaan: de handel in blanke slavinnen. De kranten staan vol over deze ‘ongehoorde toestanden’ en wettenmakers bereiden al nieuwe wetten voor om deze gruwel te bestrijden.

Het is opvallend dat steeds als de aandacht van het publiek moet worden afgeleid van een ernstige sociale misstand er een kruistocht wordt ingezet tegen onzedigheid, gokken, cafés, enz. Met het gevolg dat het gokken toeneemt, de cafés via de achterdeur goede zaken doen, de prostitutie hoogtij viert en bordeelkoninginnen en souteneurs wel varen.

Hoe komt het dat iets waar zelfs de meeste kinderen van wisten, zo plotseling ontdekt werd? Hoe komt het dat dit kwaad, waarvan iedere socioloog op de hoogte is, nu tot zo een belangrijke zaak wordt gemaakt?

Het is op zijn minst uiterst dwaas om te geloven dat het onlangs gehouden (overigens zeer oppervlakkige) onderzoek naar de handel in blanke slavinnen iets nieuws aan het licht heeft gebracht. De prostitutie was en is een wijdverspreid euvel maar de mensheid gaat haar gang zonder zich ook maar iets van het leed en de nood van de slachtoffers aan te trekken. Zoals zij zich ook niet druk maakt over het industriële stelsel of de economische prostitutie.

Alleen als menselijk leed een stuk speelgoed wordt in schreeuwende kleuren krijgt het kind publiek belangstelling, even tenminste. Het publiek is een uiterst wispelturig kind dat iedere dag nieuw speelgoed wil. De ‘terechte’ verontwaardiging over de handel in blanke slavinnen is zo een speelgoed. Het houdt het publiek een ogenblik bezig en levert weer een paar dikbetaalde politieke baantjes op voor parasieten die de wereld rondreizen als inspecteur, rechercheur, detective, enz.

Wat is in feite de oorzaak van de handel in vrouwen, niet alleen in blanke vrouwen maar ook in gele en zwarte vrouwen? De uitbuiting natuurlijk, de genadeloze Moloch van het kapitalisme die wel vaart bij onderbetaald werk, waardoor duizenden vrouwen en meisjes de prostitutie in gedreven worden. Zij redeneren zoals mevrouw Warren: ‘Waarom je leven verknoeien met achttien uur werken per dag in een bijkeuken voor een paar shilling per week?’

Daarover hoor je onze hervormers natuurlijk niets zeggen. Zij weten dat natuurlijk ook wel, maar zij worden er niets beter van om deze oorzaken te noemen. Het is veel voordeliger om heel farizeïsch te doen of je zedelijk gekwetst bent.

Er is echter een loffelijke uitzondering onder de jonge schrijvers: Reginald Wright Kauffman, die in zijn boek The House of Bondage (Het slavenhuis) de eerste serieuze poging doet om dit sociale euvel te beschrijven zonder sentimenteel filistijns gejammer. De breed georiënteerde journalist Kauffman laat zien dat de prostitutie voor de meeste vrouwen in het heersende industriële stelsel de enige keuze is. De vrouwen in The House of Bondage behoren tot de arbeidersklasse. Als de schrijver het leven van vrouwen in een andere omgeving had geschilderd, zou hij dezelfde toestand hebben aangetroffen.

Een vrouw wordt niet behandeld naar wat zij presteert maar naar haar sekswaarde. Ze ontkomt er daarom praktisch niet aan om voor haar bestaansrecht of haar recht op een positie te betalen met seksuele gunsten. Of ze zich binnen of buiten het huwelijk aan een of aan veel mannen verkoopt, is zo alleen maar een gradueel verschil. Of onze hervormers het daarmee eens zijn of niet, de prostitutie is het gevolg van de zwakke economische en sociale positie van de vrouwen.

Op het ogenblik worden onze brave medeburgers geschokt door de onthulling dat alleen al in New York City één op de tien vrouwen in een fabriek werkt, dat een vrouw gemiddeld per week voor 48 tot 60 uur werk 6 dollar ontvangt en dat de meeste vrouwelijke loonarbeiders vaak maandenlang zonder werk zitten, zodat ze gemiddeld per jaar ca. 280 dollar verdienen. Bij zulke afschuwelijke economische toestanden is het toch niet te verwonderen dat de prostitutie en de handel in blanke slavinnen zo’n grote rol spelen?

Voor wie mocht denken dat deze cijfers overdreven zijn, is het goed om kennis te nemen van wat enkele gezaghebbende personen over prostitutie te zeggen hebben:

‘Een belangrijke oorzaak van het zedelijke verval van vrouwen vinden we in de verschillende tabellen met soorten werk en ontvangen loon van deze vrouwen in de tijd voor hun val. Ik laat het aan de politieke economen over om uit te maken of werkgevers het recht hebben uit puur zakelijke overwegingen de lonen te verlagen en of de besparing van een paar procent op de lonen niet meer dan te niet wordt gedaan door de enorme bedragen aan belastinggelden die het publiek als geheel moet opbrengen voor de bestrijding van een kwaad DAT IN VEEL GEVALLEN HET RECHTSTREEKSE GEVOLG IS VAN EEN TE LAGE BELONING VOOR FATSOENLIJK WERK.’

Dr. Sanger, The History of Prostitution [2]

Onze hedendaagse hervormers zouden er goed aan doen het boek van Dr. Sanger eens door te lezen. Zij kunnen daar lezen dat van de tweeduizend gevallen die hij onderzocht er maar een paar uit de middenklassen afkomstig waren, uit een ordelijk huishouden of uit een prettig thuis. De overgrote meerderheid waren werkende meisjes en werkende vrouwen; sommigen waren door pure nood tot prostitutie gedreven, anderen door een wreed, ellendig leven tuis, weer anderen door lichamelijke gebreken en afwijkingen. Het zal de handhavers van de zuiverheid en de goede zeden ook goed doen om te vernemen dat 490 van de 2.000 vrouwen getrouwd waren en met hun man samenleefden. De heiligheid van het huwelijk was dus kennelijk niet zo’n bijster goede waarborg voor hun ‘veiligheid en zuiverheid’.

In zijn boek Prostitution in the Nineteenth Century (Prostitutie in de 19e eeuw) legt Dr. Alfred Blaschko er nog meer de nadruk op dat de economische omstandigheden een van de belangrijkste oorzaken van de prostitutie zijn.

‘Prostitutie is er altijd geweest, maar het is pas in de negentiende eeuw een gigantisch sociaal verschijnsel geworden. De ontwikkeling van de industrie met grote massa’s mensen op zoek naar werk, het ontstaan van de grote overvolle steden en de moeilijkheid om werk te vinden en te houden, hebben de prostitutie doen toenemen op een wijze waarvan niemand ooit heeft gedroomd.’

Een Havelock Ellis, die de economische omstandigheden niet zo absoluut als de enige oorzaak aanwijst, moet toch toegeven dat zij indirect en direct wel de voornaamste oorzaak zijn. Hij stelt bijvoorbeeld vast dat een groot deel van de prostituees afkomstig is uit de dienstbodenklasse, ofschoon deze niet zoveel zorgen hebben en zekerder zijn van hun werk. Aan de andere kant ontkent Ellis niet dat de dagelijkse sleur, het zware werk en de eentonigheid en vooral het feit dat een dienstbode geen deel heeft aan de huiselijke omgang en gezelligheid zeker geen onbelangrijke oorzaak van het zoeken van afleiding en vergetelheid in de vrolijkheid en schittering van de prostitutie zijn. Met andere woorden, voor de als een sloof behandelde dienstbode zonder recht op een eigen leven en doodop van de grillen van haar mevrouw is evenals voor het fabrieks- of winkelmeisje de prostitutie de enige uitweg.

Het vermakelijkste aan deze nu zo in de belangstelling staande zaak is de verontwaardiging van de ‘eerzame, fatsoenlijke lieden’, vooral van de verschillende christelijke heren die bij iedere kruistocht altijd voorop lopen. Weten ze soms helemaal niets van de geschiedenis van de godsdiensten, met name van de christelijke? Of hopen ze voor de huidige generatie de rol te verbergen die de kerk in het verleden op het gebied van de prostitutie heeft gespeeld? Hoe dan ook, zij moeten toch wel de laatsten zijn om zo te keer te gaan tegen de ongelukkige slachtoffers van deze tijd, omdat iedereen die een beetje op de hoogte is weet dat de prostitutie van godsdienstige oorsprong is en eeuwenlang in stand is gehouden en gestimuleerd, niet als iets schandelijks maar als iets goeds dat ook de goden hogelijk prezen.

Zover wij kunnen nagaan is de oorsprong van de prostitutie in de eerste plaats te zoeken in een godsdienstig gebruik, in die zin dat de godsdienst als grote beschermer van maatschappelijke gebruiken, in veranderde vorm een oorspronkelijke vrijheid in stand hield die in het gewone maatschappelijke leven aan het verdwijnen was. Het typische voorbeeld hiervan is het gebruik in de tempel van Mylitta, de Babylonische Venus, beschreven door Herodotus in de vijfde eeuw voor Christus, waarbij iedere vrouw zich als eerbewijs aan de godin, eens in haar leven aan de eerste vreemdeling moest geven die een geldstuk in haar schoot wierp. Veel daarop lijkende gebruiken kwamen ook elders in West-Azië, Noord-Afrika, op Cyprus en op andere eilanden in het oostelijk deel van de Middellandse Zee voor, evenals in Griekenland, waar de tempel van Afrodite op het fort van Korinthe meer dan duizend hierodulen bezat, die toegewijd waren aan de dienst van de godin.

‘Alle gezaghebbende schrijvers op dit gebied hangen de theorie aan dat de godsdienstige prostitutie in het algemeen ontstond uit het geloof dat de levenwekkende activiteiten van de mensen een mysterieuze, heilige invloed hadden die de vruchtbaarheid van de Natuur bevorderde. Naargelang de prostitutie echter georganiseerde vormen aannam onder priesterlijke invloed werd de godsdienstige prostitutie ook van economisch belang doordat zij hielp de openbare inkomsten te vergroten.

‘De opkomst van het christendom als politieke macht bracht hier nauwelijks verandering in. De voornaamste leiders van de kerk legden de prostitutie niets in de weg. In de dertiende eeuw komen bordelen voor die van gemeentewege bescherming genieten. Zij vormden een soort openbare dienst en de hoofden werden bijna als ambtenaren beschouwd.’

Havelock Ellis, Sex and Society

Het volgende citaat uit het boek van Dr. Sanger mag hier niet ontbreken:

‘Paus Clemens II vaardigde een bul uit die bepaalde dat prostituees ongemoeid zouden worden gelaten als zij een bepaald deel van hun inkomsten aan de Kerk betaalden.

‘Paus Sixtus IV was praktischer ingesteld: uit een bordeel dat hij zelf had laten bouwen, trok hij een inkomen van 20.000 dukaten.’

Op het ogenblik is de Kerk in dat opzicht een beetje zorgvuldiger. Ze heft althans niet openlijk schatting van prostituees. Ze vindt het veel voordeliger om in onroerend goed te doen, zoals Trinity Church die ruimtes die niet meer dan hokken zijn, tegen woekerprijzen verhuurt aan mensen die van de prostitutie leven.

Ofschoon ik het graag zou willen, laat de ruimte niet toe dat ik ook iets zeg over de prostitutie in Egypte, Griekenland, Rome en in de Middeleeuwen. De Middeleeuwen waren bijzonder interessant omdat de prostitutie toen in gilden georganiseerd was met een bordeelkoningin aan het hoofd. Deze gilden hanteerden het stakingswapen om betere voorwaarden te krijgen en om een standaardprijs te handhaven. Dat was beslist een efficiëntere methode dan degene die moderne loonslaven hanteren.

Het zou eenzijdig en erg oppervlakkig zijn om te beweren dat de prostitutie alleen economische oorzaken heeft. Er zijn ook nog andere, minstens zo belangrijke en wezenlijke oorzaken. Ook dat weten onze hervormers, maar zij durven die andere oorzaken nog minder te noemen dan het probleem dat het leven van mannen en vrouwen vernielt. Ik bedoel het seksuele vraagstuk, dat je maar hoeft te noemen om de meeste mensen de morele stuipen op het lijf te jagen.

Het is een erkend feit dat de vrouw tot sekswaar wordt opgevoed, maar toch wordt ze tegelijkertijd in volkomen onwetendheid gelaten over de betekenis en het belang van het seksuele leven. Alles wat daarop slaat wordt doodgezwegen en wie probeert wat licht in deze afschuwelijke duisternis te brengen, wordt vervolgd en gevangen gezet. Niettemin, zolang een meisje niet mag weten waar zij op moet letten en wat de functie is van het belangrijkste in haar leven, moeten we niet verbaasd zijn als zij een gemakkelijke prooi wordt van de prostitutie of van een andere relatie die haar tot een louter seksobject verlaagt.

Deze onwetendheid misvormt en verknoeit het hele leven en de hele persoonlijkheid van een meisje. Het wordt sedert lang als vanzelfsprekend beschouwd dat een jongen de drang van de natuur mag volgen, dat wil zeggen dat zodra zijn seksuele behoeften zich openbaren hij deze mag bevredigen; maar onze moralisten zijn hevig verontwaardigd bij de gedachte alleen al dat de seksuele behoeften van een meisje zich zouden kunnen openbaren. Voor deze mensen bestaat de prostitutie er niet zozeer in dat vrouwen hun lichaam verkopen, maar dat dit buiten het huwelijk gebeurt. Dit is niet zomaar een bewering maar blijkt uit het feit dat een huwelijk om het geld volkomen wettig is en door de wetten en de publieke opinie wordt goedgekeurd terwijl alle andere verhoudingen worden veroordeeld en afgekeurd. Niettemin betekent het woord ‘prostituee’, mits juist gedefinieerd, niets anders dan ‘iemand voor wie seksuele relaties in dienst staan van materieel gewin.’ (Guyot, La prostitution)

‘Prostituees zijn vrouwen die hun lichaam verkopen voor het plegen van de geslachtsdaad en daar een beroep van maken.’ Banger, Criminalité et condition economique

In feite gaat Banger verder; hij stelt dat prostitutie ‘in wezen gelijk staat met wat een man of vrouw doen die om economische redenen een huwelijk sluiten’.

Ieder meisje wil natuurlijk trouwen, maar aangezien duizenden meisjes niet kunnen trouwen, veroordelen onze domme maatschappelijke gebruiken haar tot de ongehuwde staat of de prostitutie. De menselijke behoeften trekken zich niets van wetten aan en bovendien is er geen enkele zinnige reden waarom de natuur zich zou moeten aanpassen aan onnatuurlijke moraalopvattingen.

De maatschappij beschouwt de seksuele ervaringen van een man als behorend tot zijn algemene ontwikkeling, terwijl soortgelijke ervaringen in het geval van een vrouw worden beschouwd als een verschrikkelijke ramp en een verlies van haar eer en van alles wat een menselijk wezen goed en edel maakt. Deze dubbele moraal heeft een niet geringe rol gespeeld in het ontstaan en blijven voortbestaan van de prostitutie. Om deze dubbele moraal in stand te houden worden de jongeren op seksueel gebied in een volkomen onwetendheid gehouden, die gelijkgesteld wordt met ‘onschuld’, met als gevolg een verwrongen en verstard seksueel leven, waardoor toestanden ontstaan die onze puriteinen juist zo graag willen voorkomen of tegengaan.

Niet dat de bevrediging van de seksuele behoeften noodzakelijk tot prostitutie leidt; deze wordt veroorzaakt door de wrede, harteloze, misdadige vervolging van degenen die het wagen de platgetreden paden te verlaten.

Meisjes, in feite kinderen, werken tien à twaalf uur per dag in overvolle, oververhitte ruimten aan machines die hen in een voortdurende staat van seksuele overopwinding houden. Veel van deze meisjes hebben geen thuis of soortgelijk toevluchtsoord, zodat de straat of een goedkoop vermaakscentrum de enige plaats zijn waar ze de dagelijkse sleur kunnen vergeten. Hierdoor komen zij natuurlijk in aanraking met het andere geslacht. Het is moeilijk te zeggen welke van deze twee factoren hun seksuele opwinding tot uitbarsting brengen, maar dat er een uitbarsting komt is zeker wel het natuurlijkste wat er bestaat. Dat is de eerste stap naar de prostitutie. Het meisje kun je daar niet verantwoordelijk voor stellen. Het is juist helemaal de schuld van de maatschappij, van ons gebrek aan begrip en gevoel voor jong leven; de grootste schuld ligt bij het misdadige gedrag van de moralisten die een meisje voor alle eeuwigheid veroordelen omdat zij het ‘pad van de deugd’ heeft verlaten, dat wil zeggen omdat zij haar eerste seksuele ervaringen opdeed zonder de goedkeuring van de Kerk.

Met de deuren van thuis en van de maatschappij voor haar neus dichtgesmeten voelt het meisje zich een totale verschoppeling. Door haar opvoeding en de traditie ziet zij zichzelf als een ontaarde, gevallen vrouw, waardoor zij ieder houvast kwijt is en niets meer heeft dat haar opheft. Dat is de manier waarop de maatschappij de slachtoffers schept waar zij naderhand vergeefs probeert vanaf te komen. De meest middelmatige, waardeloze, afgetakelde man voelt zich nog te goed om te trouwen met een vrouw wier gunsten hij eerst graag bereid was te kopen, ook al zou hij haar daardoor een afschuwelijk leven besparen. Bij haar zusters hoeft ze ook niet om hulp te komen. Die vinden zich daar in hun domheid te zuiver en te kuis voor, niet beseffend dat hun eigen positie in veel opzichten nog bedroevender is dan die van hun zusters van de straat.

‘De vrouw die om het geld trouwt’, zegt Havelock Ellis, ‘is in vergelijking met de prostituee de werkelijke onderkruiper. Zij krijgt minder betaald, levert daarvoor veel meer arbeid en verzorging en is met handen en voeten aan haar meester gebonden. De prostituee doet nooit afstand van haar recht op haar eigen persoon, zij behoudt haar vrijheid en persoonlijke rechten en hoeft zich ook niet altijd door een man te laten nemen.’

Ook voelt de zich beter dan een ander voelende vrouw de verdediging van Lecky niet aan dat de prostituee ‘misschien het opperste voorbeeld van ondeugd is maar ook de beste hoedster van de deugd. Zonder prostituees zouden veel gelukkige huisgezinnen bezoedeld worden en zouden onnatuurlijke en schadelijke praktijken schering en inslag zijn.’

De moralisten staan altijd klaar om de halve mensheid op te offeren aan een of andere miserabele traditie waar zij niet overheen komen. In feite is de prostitutie evenmin een bescherming voor de zuiverheid van het huisgezin als strenge wetten een bescherming tegen de prostitutie vormen. Vijftig procent van de getrouwde mannen gaan wel eens naar een bordeel. Deze brave borsten maken dat getrouwde vrouwen — en zelfs kinderen — geslachtsziekten krijgen. Niettemin zal de maatschappij de man niet veroordelen, maar is geen wet te gemeen om toegepast te worden op het hulpeloze slachtoffer. Ze is niet alleen een prooi van degenen die haar gebruiken maar ook volledig overgeleverd aan de genade of ongenade van de eerste de beste politieagent of miezerige rechercheur op ronde, van het personeel op het politiebureau en van de gevangenisautoriteiten.

In een onlangs verschenen boek van een vrouw die twaalf jaar lang een bordeel had, staan de volgende cijfers: ‘De autoriteiten lieten me maandelijks $14, 70 tot $29, 70 boete betalen, de meisjes betaalden $5, 70 tot $9, 70 aan de politie’. Als je ervan uit gaat dat de schrijfster in een kleine stad werkte en dat in de bedragen die zij noemt de extra steekpenningen en boetes niet begrepen zijn, kun je wel uitrekenen wat voor enorme inkomsten de politie verkrijgt uit het bloedgeld van haar slachtoffers, die zij niet eens beschermt. En wee degenen die weigeren hun tol te betalen, zij zouden bij elkaar gedreven worden als vee, ‘al was het maar om een goede indruk te maken op de brave burgers van de stad of om de overheid aan extra geld te helpen. De verknipte geesten die menen dat gevallen vrouwen geen menselijke gevoelens kennen, zijn niet in staat ons verdriet, onze ellende, tranen en gekwetste trots te begrijpen als wij weer eens werden opgepakt’.

Vreemd, nietwaar, dat een vrouw die een bordeel gedreven heeft, zulke gevoelens kan hebben! Maar nog vreemder is het dat een goedchristelijke wereld zulke vrouwen uitperst en uitkleedt en daarvoor niets anders teruggeeft dan kwaadsprekerij en gerechtelijke vervolging. Wat is die christelijke wereld toch liefderijk!

Er wordt met grote stelligheid beweerd dat er blanke slavinnen in Amerika geïmporteerd worden. Hoe kan Amerika netjes blijven als Europa het niet helpt? Ik zal niet zeggen dat het helemaal niet gebeurt, evenmin als ik zal ontkennen dat er Duitse en andere handlangers zijn die economische slaven naar Amerika lokken; maar ik houd bij hoog en bij laag vol dat de prostitutie niet in grote omvang uit Europa geïmporteerd wordt. Misschien zijn de meeste prostituees in New York inderdaad buitenlanders, maar dat is dan omdat de meerderheid van de bevolking daar buitenlands is. Als je in andere Amerikaanse steden ging kijken, in Chicago of in het Midden-Westen, zou je zien dat de buitenlandse prostituees ver in de minderheid zijn.

Het is ook overdreven om aan te nemen dat de meeste straatmeisjes hier dat ook al waren voordat ze naar Amerika kwamen. De meeste van die meisjes spreken uitstekend Engels, zien er Amerikaans uit en gedragen zich Amerikaans, iets wat totaal onmogelijk zou zijn als ze hier niet al jarenlang woonden. Dat betekent dus dat zij tot de prostitutie zijn gebracht door Amerikaanse toestanden en door de door en door Amerikaanse gewoonte om overdreven te koop te lopen met sieraden en kleding, waarvoor je natuurlijk geld nodig hebt — en dat geld verdien je niet in een winkel of in een fabriek.

Er is met andere woorden geen enkele reden om te denken dat bepaalde lieden het risico en de kosten van de import van buitenlandse producten op zich gaan nemen als de Amerikaanse toestanden de markt met meisjes overstromen. Aan de andere kant zijn er bewijzen genoeg om aan te tonen dat de export van Amerikaanse meisjes als prostituee zeker niet te verwaarlozen is.

Clifford G. Roe, vroeger substituut-officier van justitie in Cook-County, Ill., uit bijvoorbeeld openlijk de beschuldiging dat er speciaal ten behoeve van de mannen in dienst van Uncle Sam meisjes uit New England naar Panama gebracht worden. Roe voegt daaraan toe dat ‘hij aanwijzingen heeft dat er een ondergrondse spoorlijn loopt van Boston naar Washington waar veel meisjes gebruik van maken’. Zegt het niets dat die spoorlijn nota bene naar de zetel van de federale regering leidt? Dat Roe meer zei dan bepaalde kringen lief was, blijkt wel uit het feit dat hij zijn baan kwijt raakte. Als je een officiële positie bekleedt kun je maar beter niet uit de school klappen.

Het excuus dat aangevoerd wordt voor de toestanden in Panama is dat er in de Kanaalzone geen bordelen zijn. Dat is de gebruikelijke smoes van een schijnheilige wereld die de waarheid niet onder ogen durft te zien. Niet in de Kanaalzone, niet binnen de steden — dus er is geen prostitutie.

Verder is er James Bronson Reynolds, die een grondige studie heeft gemaakt van de handel in blanke slavinnen in Azië. Reynolds was een solide Amerikaanse burger en vriend van de toekomstige Napoleon van Amerika, Theodore Roosevelt, zodat hij dus wel de laatste zou zijn om de goede eigenschappen van zijn land in opspraak te brengen. Niettemin vernemen we van hem dat je in Hong Kong, Sjanghai en Jokohama de Augiasstallen van de Amerikaanse ondeugd vindt. De Amerikaanse prostituees hebben zich daar zo gedragen dat de uitdrukking ‘American girl’ in het Verre Oosten synoniem is met ‘prostituee’. Reynolds herinnert zijn landgenoten eraan dat de Amerikanen in China de bescherming genieten van Amerikaanse consulaire vertegenwoordigers, maar dat de Chinezen in Amerika volledig onbeschermd zijn. Iedereen die de brute, barbaarse vervolgingen kent waaraan Chinezen en Japanners aan de Amerikaanse westkust blootstaan, zal dit beamen.

Gezien het bovenstaande is het nogal dwaas om Europa aan te wijzen als het moeras waar al Amerika’s maatschappelijke kwalen vandaan komen. Even dwaas is het om het sprookje te verkondigen dat die gewillige prooi voor het grootste deel uit joodse meisjes bestaat. Er zal wel niemand zijn die mij van nationalisme beschuldigt. Daar heb ik mij gelukkig van bevrijd, evenals van zoveel andere vooroordelen. Als ik dus bezwaar heb tegen de bewering dat er hier joodse prostituees geïmporteerd worden, dan is dat niet vanwege sympathie voor de joden maar vanwege de feiten die het joodse leven bepalen. Niemand die deze meer dan oppervlakkig kent, zal beweren dat een joods meisje naar een vreemd land gaat als ze daar geen bloedverwant of andere relatie heeft. Joodse meisjes zijn geen avonturiersters. Tot voor kort kwam het helemaal niet voor dat een joods meisje thuis wegging, zelfs niet naar een nabijgelegen stad of dorp, als het niet was om er familie te bezoeken. Lijkt het dan geloofwaardig dat joodse meisjes hun ouders of familie verlaten en naar vreemde landen vertrekken op duizenden mijlen afstand omdat vreemde elementen dat zo graag willen en haar met fraaie beloften trachten te paaien? Ga maar kijken als er weer een zeeschip aankomt en zie dan zelf of deze meisjes niet in gezelschap zijn van hun ouders, broers, tantes of andere familie. Er kunnen natuurlijk best uitzonderingen zijn, maar wie beweert dat er grote aantallen joodse meisjes hiernaartoe gehaald worden als prostituee of om andere redenen kent gewoon de joodse psyche niet.

Wie in een glazen huis woont moet niet met stenen gaan gooien; het Amerikaanse glazen huis is bovendien nogal dun, het breekt en het inwendige ziet er allesbehalve fris uit.

Wie de toename van de prostitutie toeschrijft aan beweerde import, aan het toenemende pooierdom en dergelijke, blijft wel erg aan de oppervlakte. Over de import heb ik het al gehad. Wat het pooierdom betreft, hoe een onfrisse zaak dat ook is, we mogen toch niet vergeten dat dat in wezen een aspect is van de moderne prostitutie dat zich ontwikkelde als reactie op de maatregelen tegen de prostitutie en het politieke gekonkel bij de af en toe ondernomen kruistochten tegen het sociale kwaad.

Een souteneur is inderdaad geen stralend voorbeeld voor zijn medemensen, maar waarom zou hij verachtelijker zijn dan de politieman die een tippelaarster haar laatste cent afneemt en dan in het politiebureau opsluit? Waarom is een pooier misdadiger of een grotere bedreiging voor de samenleving dan de eigenaar van een warenhuis of een fabriek die goede zaken doet van het zweet van zijn slachtoffers en ze dan de straat op schopt? Ik pleit niet voor de souteneurs, maar ik zie niet in waarom die meedogenloos vervolgd moeten worden terwijl de eigenlijke veroorzakers van al het onrecht ongestraft blijven en zelfs prestige genieten. Verder mogen we wel bedenken dat de prostituees niet door de souteneurs gemaakt worden. Zij zijn allebei kinderen van onze onoprechtheid en schijnheiligheid.

Tot 1894 was het verschijnsel souteneur in Amerika praktisch onbekend. Toen werden wij opeens geteisterd door een deugdzaamheidsepidemie. Het moest afgelopen zijn met de smeerlapperij, het land moest tot iedere prijs gezuiverd worden. Hierdoor werd het sociale gezwel uit het gezicht maar dieper in het lichaam gedreven. De bordeelhoudsters en hun ongelukkige slachtoffers werden overgeleverd aan de tedere zorgen van de politie. Met als onvermijdelijk gevolg buitensporige steekpenningen en de gevangenis.

Terwijl de meisjes in de bordelen nog betrekkelijk beschermd leefden omdat zij een zekere geldswaarde vertegenwoordigden, stonden zij nu op straat, volledig overgeleverd aan de grillen van de op geld beluste politie. In hun wanhoop en hun behoefte aan bescherming en genegenheid waren deze meisjes natuurlijk een gemakkelijke prooi voor de souteneurs, die ook het product waren van de geldbezetenheid van deze tijd. Het pooierdom was dus het directe gevolg van de vervolgingen en afpersingen door de politie en van de pogingen om een einde te maken aan de prostitutie. Het zou pure dwaasheid zijn om de moderne fase van het sociale kwaad te verwarren met de oorzaken ervan.

Onderdrukking en barbaarse maatregelen zijn alleen maar goed om de ongelukkige slachtoffers van onwetendheid en domheid te verbitteren en nog verder omlaag te halen. Het toppunt van domheid beleven we overigens wel in het wetsvoorstel om humane behandeling van prostituees tot een misdaad te maken en het verlenen van onderdak aan een prostituee te bestraffen met vijf jaar gevangenis en 10.000 dollar boete. Dergelijke ideeën verraden alleen maar het afschuwelijke gebrek aan begrip voor de werkelijke oorzaken van de prostitutie als sociaal verschijnsel en een puritanisme als in de dagen van de Scarlet Letter.

Geen enkele moderne schrijver over dit onderwerp laat na te wijzen op de volkomen zinloosheid van wettelijke maatregelen ter bestrijding van het kwaad. Dr. Blaschko stelt bijvoorbeeld vast dat onderdrukking van overheidswege en morele kruistochten alleen maar tot gevolg hebben dat het kwaad geheime wegen gaat zoeken en daardoor gevaarlijker wordt voor de samenleving. Havelock Ellis, de meest serieuze en humane onderzoeker op het gebied van de prostitutie, laat aan de hand van een overvloed aan feitelijke gegevens zien dat hoe straffer het vervolgingsbeleid, hoe erger de toestand. Zo kunnen wij o.a. lezen dat de Franse koning ‘Karel IX in 1560 per edict de bordelen afschafte maar dat het aantal prostituees niettemin toenam, terwijl er ook veel nieuwe bordelen ontstonden die alleen helemaal niet aan een bordeel deden denken en daardoor alleen maar gevaarlijker waren. Ondanks, of juist door al die wetten is er geen land waar de prostitutie zo’n opvallende plaats heeft ingenomen.’ (Sex and Society)

Alleen een goed geïnformeerde publieke opinie niet gehinderd door gerechtelijke en morele jacht op prostituees kan verbetering brengen in de bestaande toestand. Willens en wetens de ogen sluiten en weigeren dit kwaad te erkennen als een maatschappelijk element in het moderne leven, kan de zaak alleen maar verergeren. Wij moeten ons bevrijden van het dwaze idee dat we beter zijn dan anderen en in de prostituees een product van de maatschappelijke omstandigheden leren zien. Dan komt er een eind aan de schijnheiligheid en ontstaat er plaats voor meer begrip en een menselijker optreden. Een grondige uitroeiing van de prostitutie is alleen mogelijk als alle aanvaarde normen — vooral de zedelijke — volledig herzien worden en tegelijk de industriële slavernij wordt afgeschaft.

IV. Huwelijk en liefde

De gangbare opvatting over huwelijk en liefde is dat ze op hetzelfde neerkomen, dat zij aan dezelfde drijfveren ontspruiten en dat zij aan dezelfde menselijke behoeften beantwoorden. Zoals de meeste gangbare opvattingen berust ook deze niet op werkelijke feiten maar op bijgeloof.

Huwelijk en liefde hebben niets met elkaar te maken en staan even ver uit elkaar als de noord- en de zuidpool, in feite zijn het elkaars tegengestelden. Ik zal niet zeggen dat er geen huwelijken uit liefde zijn. Dat is echter niet omdat liefde alleen in een huwelijk tot haar recht kan komen maar eerder omdat de meeste mensen er niet in slagen om zich helemaal van een algemeen gebruik los te maken. Er zijn op het ogenblik massa’s mannen en vrouwen voor wie het huwelijk gewoon een farce is maar die er zich aan onderwerpen vanwege de publieke opinie. Hoe dan ook, ik ontken niet dat er huwelijken uit liefde zijn en gevallen dat de liefde tijdens het huwelijk stand houdt, maar ik houd wel staande dat dit dan ondanks het huwelijk is en niet dankzij het huwelijk.

Het is echter volstrekt onwaar dat er liefde uit het huwelijk ontstaat. Je hoort wel eens van het wonderlijke geval dat mensen na de huwelijkssluiting van elkaar gaan houden, maar als je daar wat dieper op ingaat blijkt dan dat het louter een kwestie is van zich in het onvermijdelijke schikken. Aan elkaar gewend raken staat mijlenver af van de spontaniteit, intensiteit en schoonheid van de liefde, en zonder liefde kan de intimiteit van het huwelijk vrouw en man alleen maar omlaag halen.

Het huwelijk is in de eerste plaats een economische overeenkomst, een verzekeringscontract. Het enige verschil met een gewoon levensverzekeringscontract is dat het bindender is en meer verplichtingen met zich meebrengt. In vergelijking met de investeringen die ermee gemoeid zijn, zijn de voordelen onbetekenend klein. Wie een verzekering neemt betaalt een bepaald bedrag en kan zijn betalingen altijd stoppen. Maar een vrouw die een man neemt, betaalt daarvoor met haar naam, haar rechten op een eigen leven, haar zelfrespect en haar hele leven ‘tot de dood hen scheidt’. De huwelijksverzekering veroordeelt haar ook tot levenslang afhankelijk zijn, parasiteren en volkomen nutteloos zijn zowel voor zichzelf als voor de maatschappij. De man betaalt ook zijn tol, maar omdat zijn levenssfeer wijder is, beperkt het huwelijk hem niet zo in zijn mogelijkheden als de vrouw. Zijn ketens doen zich meer in economisch opzicht voelen.

Wat in Dantes Inferno boven de hellepoort geschreven staat, geldt evenzeer voor het huwelijk: ‘Gij die hier binnengaat, laat alle hoop varen’.

Iemand moet wel ontstellend dom zijn om niet in te zien dat het huwelijk een onding is. Een blik in de echtscheidingsstatistieken is voldoende om te laten zien wat een onmogelijk onding het in werkelijkheid is. Het stereotiepe argument van de leek over de gemakkelijkheid van de echtscheidingswetten en de toenemende losheid van zeden van de vrouwen als oorzaken van het mislukken van huwelijken verklaart niet waarom: ten eerste één op de twaalf huwelijken op een echtscheiding eindigt, ten tweede het aantal echtscheidingen van 28 per 100.000 inwoners in 1870 gestegen is tot 73 per 100.000 op het ogenblik, ten derde overspel als echtscheidingsgrond sedert 1867 met 270,8% is gestegen en ten vierde het aantal verlatingen met 369,8%. Naast deze verontrustende cijfers is er een grote hoeveelheid toneel- en romanliteratuur die verder licht op deze zaak werpt. Robert Herrich in zijn Together, Pinero in zijn Mid-Channel, Eugene Walter in zijn Paid in Full en tientallen andere schrijvers schilderen de dorheid, saaiheid en laag-bij-de-grondsheid van het huwelijk en de ongeschiktheid ervan als werktuig voor het bereiken van harmonie en begrip.

Wie een beetje nadenkt neemt geen genoegen met het gebruikelijke oppervlakkige excuus daarvoor. Hij moet dieper op het eigenlijke leven van de geslachten ingaan om te begrijpen waarom het huwelijk zo’n ramp is.

Edward Carpenter zegt dat ieder huwelijk bepaald wordt door de omgevingen waarin man en vrouw leven en die zo verschillend van elkaar zijn dat zij wel vreemden voor elkaar moeten blijven. Door de onoverkomelijke muur van bijgeloof, gewoonte en gebruiken die het omgeeft kan het huwelijk niet het wederzijdse begrip en respect doen ontstaan die ieder samenleven nodig heeft om niet tot mislukken gedoemd te zijn.

Henrik Ibsen, die al het onechte in het maatschappelijke leven verafschuwde, was waarschijnlijk de eerste die oog kreeg voor deze grote waarheid. Nora verlaat haar man, niet — zoals een domme criticus waarschijnlijk denkt — omdat zij van haar verantwoordelijkheden af wil of haar rechten als vrouw opeist, maar omdat zij is gaan beseffen dat zij acht jaar heeft samengeleefd met een vreemde voor wie zij kinderen heeft gebaard. Wat is er vernederender en verlagender dan je hele leven met een vreemde te moeten samenzijn? De vrouw hoeft van de man alleen maar het inkomen te weten. En wat valt er van een vrouw meer te weten dan dat zij een prettig voorkomen heeft? We zijn nog niet ontgroeid aan de theologische mythe dat een vrouw geen ziel heeft en alleen een aanhangsel is van de man, gemaakt uit zijn rib louter en alleen voor het welzijn van de heer, die zo sterk was dat hij bang was voor zijn eigen schaduw.

Misschien ligt het aan de slechte kwaliteit van het materiaal waar zij van gemaakt is, dat de vrouw zo weinig waard is. Maar hoe dan ook, een vrouw heeft geen ziel, dus wat valt er over haar te weten? Trouwens, hoe minder ziel een vrouw heeft, hoe meer haar man aan haar heeft en hoe meer ze in hem zal opgaan. Dat het instituut van het huwelijk zo lang schijnbaar intact is gebleven, is toe te schrijven aan de slaafse aanvaarding van de superioriteit van de man. Nu de vrouw haar lot in eigen hand begint te nemen en zichzelf echt begint te zien als iemand die niet bij de gratie van de meester bestaat, verliest het heilige instituut van het huwelijk langzamerhand zijn grondslag en is al het sentimentele gejammer niet in staat het overeind te houden.

De meeste meisjes leren praktisch vanaf hun eerste kinderjaren dat het huwelijk hun bestemming is; heel hun opvoeding moet daarom daarop gericht zijn. Zoals het stomme vee wordt vetgemest voor de slager wordt een meisje voorbereid voor het huwelijk. Het vreemde is echter dat zij veel minder van haar taak als vrouw en moeder te weten komt dan een doorsnee ambachtsman van zijn vak. Het is onbehoorlijk en vies voor een net meisje om iets over de huwelijksrelatie te weten. Waar is de logica van het fatsoen, dat de huwelijksbelofte nodig heeft om iets dat vies is te veranderen in een overeenkomst die zo zuiver en heilig is dat niemand er twijfel of kritiek over durft te uiten? Toch is dat precies de denkwijze van de meeste verdedigers van het huwelijk. De aanstaande vrouw en moeder wordt in volledige onwetendheid gehouden over haar enige troef in de concurrentiestrijd, haar seksuele kwaliteiten. Zo gaat ze dan een levenslange relatie aan met een man, alleen om tot het uiterste geschokt, afgestoten en vernederd te worden door het meest natuurlijke en gezonde instinct, de seksuele neigingen. We kunnen rustig zeggen dat een groot deel van het lichamelijke en psychische leed, de miserie en de ellende in het huwelijk het gevolg is van de misdadige onwetendheid op seksueel gebied die als zo’ n grote deugd geprezen wordt. Ook overdrijf ik niet in het minst als ik zeg dat heel wat gezinnen daaraan kapot zijn gegaan.

Als daarentegen een vrouw vrij en groot genoeg is om kennis te maken met de geheimen van het seksuele leven zonder de goedkeuring van staat of kerk, wordt zij beschouwd als iemand die ten enenmale ongeschikt is om de vrouw van een ‘goede’ man te worden, waarbij goedheid dan gelijkstaat met een leeg hoofd en een volle beurs. Wat is er beledigender dan dat een gezonde, volwassen levenslustige vrouw aan de eisen van de natuur moet verzaken, haar diepste verlangens moet onderdrukken, haar gezondheid moet ondermijnen en haar geest moet breken, haar gezichtsveld moet vernauwen en moet afzien van de diepte en de glorie van de seksuele ervaringen in afwachting van een ‘goede’ man die haar tot vrouw neemt? En dat is precies wat het huwelijk inhoudt. Waar kan zo’ n overeenkomst anders eindigen dan in een mislukking? Dit is een, zij het niet het onbelangrijkste, verschil tussen huwelijk en liefde.

Wij leven in een praktische tijd. De tijd dat Romeo en Julia voor hun liefde de woede van hun vaders riskeerden en dat Gretchen vanwege haar liefde de praatjes van de buren op de koop toe nam is voorbij. Als er nog wel eens jonge mensen zijn die zich de weelde van een romance veroorloven, zorgen de ouderen er wel voor dat zij onder handen genomen worden en net zo lang worden gedrild en bewerkt tot zij ‘hun verstand leren gebruiken’.

De moraal die het meisje ingepompt krijgt is niet of de man haar liefde heeft gewekt maar ‘Hoeveel?’. De grote en enige God van het praktische Amerikaanse leven is: ‘Kan de man de kost verdienen? Kan hij een vrouw onderhouden?’ Dat is de enige voorwaarde voor het huwelijk. Het denken van het meisje wordt daar op de duur helemaal door beheerst, zij droomt niet van maneschijn en kussen en lachen en tranen maar van winkelen en koopjes. Dit soort gevoelsarmoede en laag-bij-de-gronds denken tekent het huwelijk ten voeten uit. Het zijn de enige idealen die voor staat en kerk aanvaardbaar zijn omdat zij daarbij als toezichthouders kunnen optreden.

Er zijn natuurlijk nog wel mensen voor wie de liefde boven het geld gaat, vooral in de klasse die door economische noodzaak gedwongen is zelf zijn kost te verdienen. De geweldige verandering die deze economische noodzaak in de positie van de vrouw teweeg heeft gebracht is fenomenaal als we bedenken dat de vrouw in de industrie nog zo een nieuw verschijnsel is. Zes miljoen vrouwelijke loontrekkers, zes miljoen vrouwen die dezelfde rechten hebben als de mannen om uitgebuit en bestolen te worden, in staking te gaan en zelfs om dood te gaan van de honger. Is er nog meer, heer? Ja, zes miljoen loontrekkers in alle mogelijke beroepen, van het hoogste intellectuele werk tot het zwaarste slavenwerk in de mijnen en bij de spoorwegen; en zelfs zijn er vrouwelijke rechercheurs en politieagenten. De emancipatie is werkelijk totaal.

Desondanks zijn er maar heel weinig vrouwen in dat ontzaglijke arbeidsleger die het werken buitenshuis als iets blijvends beschouwen zoals de mannen. Een man mag nog zo’ n sukkel zijn maar hij heeft toch geleerd om zelfstandig te zijn en voor zichzelf te zorgen. Natuurlijk is geen enkele man in de economische tredmolen waarin we leven echt onafhankelijk, maar dat neemt niet weg dat iedere man, hoe gespeend van kwaliteiten hij ook is, er een hekel aan heeft om te parasiteren of minstens om als parasiet bekend te staan.

Voor een vrouw is het werken buitenshuis iets tijdelijks dat zij bij het eerste het beste huwelijksaanbod laat schieten. Daarom is het ook zoveel moeilijker om vrouwen te organiseren dan mannen. ‘Waarom zal ik lid van een bond worden? Ik ga toch trouwen en een huisgezin stichten. Is haar niet van jongsafaan bijgebracht dat dat haar uiteindelijke roeping is? Ze ervaart gauw genoeg dat het huis wel niet zo’n grote gevangenis is als de fabriek maar dat de deuren en sloten er degelijker zijn. Bovendien is de oppasser zo trouw dat niets hem ontgaat. Het ergste is echter dat het gezin de vrouw niet meer van de loonslavernij ontslaat maar alleen haar taak verzwaart.

Volgens de nieuwste statistieken, voorgelegd aan een Commissie ‘voor arbeid en lonen en overbevolking’ is alleen al in de stad New York 10% van de vrouwelijke werknemers getrouwd maar niettemin gedwongen het slechtst betaalde werk ter wereld te blijven doen. Als je daar dan nog het gesloof in de huishouding bijtelt, wat blijft er dan over van de bescherming en de glorie van het gezinsleven? Trouwens, ook een getrouwde vrouw uit de middenklasse kan niet van ‘haar’ huis spreken, want het is de man die haar levenssfeer bepaalt. Of de man een bruut is of een schat verandert daar niets aan. Wat ik wil aantonen is dat het huwelijk de vrouw alleen maar een tehuis garandeert bij de gratie van haar man. Jaar in jaar uit leeft ze in ZIJN huis, net zo lang tot haar kijk op het leven en de mensen even fantasieloos en bekrompen en grauw wordt als haar omgeving. Geen wonder dat een vrouw een vitterig, kleingeestig, ruzieachtig, kletskouserig, onuitstaanbaar wezen wordt dat haar man het huis uitdrijft. Zij zou niet weg kunnen als ze wilde, want zij kan nergens heen. Zelfs het kortste huwelijksleven maakt bovendien de doorsnee vrouw volkomen onbekwaam om zich buiten haar gewone kringetje te handhaven omdat ze helemaal afleert om haar eigen kwaliteiten te gebruiken. Zij verwaarloost haar uiterlijk, wordt onhandig in haar bewegingen, durft zelf geen beslissingen meer te nemen en geen oordeel meer uit te spreken en wordt een last en een zeurkous waar de meeste mannen op de duur een hekel en een afkeer van krijgen. Wat een inspirerende atmosfeer om het leven draaglijk te maken, hè?

Maar het kind moet toch beschermd worden, behalve dan voor het huwelijk. Want daar gaat het toch alles bij elkaar vooral om! Wat een kermis, wat een schijnheiligheid! Het huwelijk beschermt het kind maar toch zijn er duizenden van alles berooide en thuisloze kinderen! Het huwelijk beschermt het kind maar toch zijn de weeshuizen en opvoedingsgestichten overvol en heeft de Society for the Prevention of Cruelty to Children (Genootschap ter voorkoming van wreedheden tegenover kinderen) handenvol werk om kleine slachtoffertjes uit de handen van hun ‘liefhebbende’ ouders te redden en toe te vertrouwen aan de liefdevolle zorgen van de Gerry Society. Wat een giller!

Ze zeggen dat het huwelijk het vermogen heeft om ‘het paard bij het water te brengen’, maar heeft het paard ooit leren drinken? De wet kan de vader arresteren en een gevangenispak aangeven, maar heeft dat ooit de honger van een kind gestild? Als een vader geen werk heeft of zijn identiteit verbergt, wat doet het huwelijk dan? Het doet een beroep op de wet om een man te laten berechten en veilig op te sluiten; maar het geld dat hij verdient, gaat niet naar het kind maar naar de staat. Het enige wat het kind eraan overhoudt is een vage herinnering aan zijn vader in gevangeniskleren.

Wat de bescherming van de vrouw aangaat — dat is de grote vloek van het huwelijk. Niet dat het huwelijk de vrouw werkelijk beschermt, maar het hele idee is zo weerzinwekkend, zo een belediging en smaad aan het adres van het leven en haalt de menselijke waardigheid zo omlaag dat het genoeg is om dit parasitaire instituut voor altijd te veroordelen.

Het huwelijk is hetzelfde als die andere paternalistische instelling — het kapitalisme. Het kapitalisme berooft de man van zijn geboorterecht, belemmert zijn ontwikkeling, vergiftigt zijn lichaam, veroordeelt hem tot onwetendheid, armoede en afhankelijkheid en richt dan liefdadige instellingen op die de laatste resten van zijn zelfrespect wegvreten.

Het instituut van het huwelijk maakt de vrouw tot een parasiet, tot iemand die volkomen van een ander afhankelijk is. Het maakt haar ongeschikt voor de strijd om het bestaan, vernietigt haar maatschappelijk bewustzijn, verlamt haar verbeeldingskracht en zadelt haar vervolgens op met een genadige bescherming, die in werkelijkheid een valstrik is, een aanfluiting van het mens zijn.

Als het moederschap het hoogste is wat een vrouw kan bereiken, wat voor bescherming is daar dan voor nodig behalve liefde en vrijheid? Het huwelijk besmeurt, beledigt en verpest het alleen maar. Zegt het huwelijk niet tegen de vrouw: alleen als je mij volgt zul je leven voortbrengen? Veroordeelt het huwelijk de vrouw niet ter dood, verlaagt het haar niet en nagelt het haar niet aan de schandpaal als zij weigert haar rechten op het moederschap te kopen met de verkoop van zichzelf? Weigert het huwelijk zijn goedkeuring niet aan het moederschap als het niet onder dwang tot stand komt en blijft het niet volkomen onverschillig als iemand in haat moeder wordt? Als het moederschap voortkomt uit vrije keuze, liefde, extase, uit alles trotserende passie, dan plaatst het huwelijk een doornenkroon op het hoofd van het onschuldige kind en kerft het er in bloedige letters het scheldwoord ‘bastaard’ in. Zelfs als het huwelijk alle deugden bezat die eraan worden toegeschreven, zouden de misdaden die het tegen het moederschap heeft begaan, het nog voor altijd van het rijk van de liefde uitsluiten.

De liefde, het sterkste en diepste element in het leven, voorbode van hoop, van blijdschap, van verrukking, uitdager van alle wetten en conventies, de meest vrije en krachtige factor in het menselijke leven, hoe kan zo een alles bewegende kracht gelijk zijn aan dat miezerige, door staat en kerk voortgebrachte plantje van het huwelijk?

Vrije liefde? Alsof liefde anders dan vrij kan zijn! Hersens kun je kopen maar alle miljoenen ter wereld zijn niet in staat om liefde te kopen. Lichamen zijn onderworpen, maar alle macht van de aarde is niet in staat geweest om liefde te onderwerpen. Hele naties zijn veroverd maar alle legers helpen niet om liefde te veroveren. Geesten zijn geketend en in boeien gelegd maar tegenover liefde waren boeien en ketens volkomen hulpeloos. Iemand die hoog op een troon zit voelt zich met alle praal en schittering die hij met zijn goud kan krijgen niettemin arm en verlaten als de liefde hem voorbijgaat. Maar als er liefde woont is zelfs het armoedigste krot een bron van warmte, leven en kleur. De liefde heeft de magische kracht om van een bedelaar een koning te maken. Het is zo, liefde is vrij; anders is liefde niet mogelijk. In vrijheid geeft liefde zich zonder voorbehoud, mateloos, volledig. Alle wetten en rechtbanken ter wereld kunnen de liefde niet uitrukken als zij eenmaal wortel geschoten heeft. Maar als de grond onvruchtbaar is, hoe kan het huwelijk er dan iets laten groeien? Het is als de laatste doodsstrijd van wegebbend leven.

De liefde heeft geen bescherming nodig, zij is haar eigen bescherming. Zolang leven uit liefde ontstaat, zijn er geen kinderen die in de steek gelaten worden, honger lijden of verkwijnen door gebrek aan genegenheid. Ik spreek uit ervaring. In ken vrouwen die in vrijheid moeder werden door mannen van wie zij hielden. Er zijn niet veel wettige kinderen die zoveel zorg, bescherming en toewijding genieten als een vrij moederschap geven kan.

De apostelen van het gezag moeten niets van het vrije moederschap hebben omdat zij dan hun prooi kwijtraken. Wie levert er dan nog soldaten? Wie zorgt er dan nog voor arbeiders om rijkdommen te scheppen? Wie zorgt er voor politie- en gevangenispersoneel als de vrouwen niet meer bereid zijn alsmaar kinderen ter wereld te brengen? Het ras! Het ras! roepen de koning, de president, de kapitalist en de priester. Het ras moet in stand gehouden worden; dat de vrouw daarbij verlaagd wordt tot een loutere machine doet er niet toe — en het huwelijk is onze enige waarborg tegen het verderfelijke seksuele ontwaken van de vrouw. Maar deze verwoede pogingen om een toestand van slavernij te handhaven zijn tevergeefs. Ook tevergeefs zijn de uitspraken van de kerk, de grimmige aanvallen van de regeerders en zelfs de arm van de wet. De vrouwen weigeren verder mee te doen aan de voortbrenging van een ras van ziekelijke, zwakke, gedegenereerde, ongelukkige menselijke wezens die de kracht en de morele moed missen om het juk van armoede en slavernij af te werpen. Zij willen minder en betere kinderen, gekregen en grootgebracht in liefde en uit vrije keuze, niet gedwongen zoals in het huwelijk. Onze pseudo-moralisten moeten de diepe betekenis nog leren van het gevoel van verantwoordelijkheid tegenover het kind dat de vrije liefde in het hart van de vrouw heeft gewekt. Deze zou liever voor altijd van de glorie van het moederschap verstoken blijven dan leven voort te brengen in een sfeer van vernietiging en dood.

Als zij moeder wordt is dat om het kind het diepste en beste te geven dat haar wezen te geven heeft. Groeien met het kind is haar leuze; zij weet dat dat de enige manier is om werkelijke mannelijkheid en vrouwelijkheid te helpen ontstaan.

Ibsen moet aan een vrije moeder hebben gedacht toen hij de meesterlijke figuur van mevrouw Alving schiep. Zij was de ideale moeder omdat zij het huwelijk met al zijn verschrikkingen ontgroeid was, omdat zij haar ketens verbroken had en haar geest had bevrijd om op te stijgen tot zij herboren en sterk terugkeerde. Het was toen helaas te laat om de vreugde van haar leven, haar Oswald, te redden, maar niet om tot het besef te komen dat liefde in vrijheid de enige voorwaarde is om tot een mooi leven te komen. Mensen die zoals mevrouw Alving hun geestelijk ontwaken met bloed en tranen hebben moeten betalen, verwerpen het huwelijk als nep, als een doorzichtige, lege schijnvertoning. Of een liefde maar even duurt of eeuwig, voor hen is het het enige scheppende, inspirerende, stimulerende uitgangspunt voor een nieuw mensenras en een nieuwe wereld.

In het pigmeeënland waarin wij leven is de liefde voor de meesten een vreemde. Men kijkt er vreemd tegenaan en is er bang voor, zodat zij zelden wortel kan schieten, of als zij wortel schiet verwelkt zij weer spoedig en gaat zij dood. De zachte vezels van de liefde zijn niet bestand tegen de dagelijkse druk en spanning waaraan zij zijn blootgesteld. Haar geest is te complex om zich aan te passen aan de glibberige structuren van onze maatschappelijke verhoudingen. Zij weent en zucht en lijdt met degenen die naar haar verlangen maar niet in staat zijn tot haar toppen op te stijgen.

Eens, eens zullen grote, sterke, vrije mannen en vrouwen naar boven gaan en elkaar op de bergtop ontmoeten, bereid om te ontvangen en te delen en om zich te koesteren in de gouden stralen van de liefde. Welke fantasie, welke verbeeldingskracht, welk poëtisch genie kan ook maar bij benadering de mogelijkheden vermoeden die zo een kracht in het leven van mannen en vrouwen opent? Als de wereld ooit werkelijke kameraadschap en eenheid zal voortbrengen, zal de verwekker Liefde heten en niet Huwelijk.

Voetnoten

  • [1] Shackleton was een arbeidersleider. Het spreekt dus vanzelf dat het wetsontwerp dat hij indiende, zijn kiezers uitsloot. Het Engelse parlement zat vol met zulke Judassen. — Noot van Goldman
  • [2] Het is veelzeggend dat de Amerikaanse posterijen weigeren het boek van Dr. Sanger voor verzending aan te nemen. De overheid is er kennelijk niet zo op gebrand dat het publiek de werkelijke oorzaken van de prostitutie te weten komt. — Noot van Goldman
namespace/de_nieuwe_vrouw.txt · Laatst gewijzigd: 25/06/16 15:57 door defiance