Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen

namespace:de_spaanse_revolutie._enkele_beschouwingen

De Spaanse Revolutie. Enkele beschouwingen

Door Alexander Schapiro

  • Verschenen: 1938
  • Bron: Waarom verloren wij de revolutie? - De nederlaag van het Spaanse anarchosyndicalisme in 1936-1937, Archief/Wereldvenster, 1979; De Spaanse Revolutie. Enkele beschouwingen, De Syndicalist (13, 16 april, 14, 28 mei, 4 juni 1938)
  • Digitalisering: Tommy Ryan

Dit artikel is verschenen als supplement bij l'Espagne nouvelle (het nieuwe Spanje), Nîmes, 15 maart 1939) en kreeg een integrale herdruk bij onder andere De Syndicalist in Haarlem onder de titel 'De Spaanse Revolutie. Enkele beschouwingen', naast een de artikelenreeks 'Het Spaanse probleem' door Albert de Jong (1891-1970), die tevens de redactie van het blad voerde.

Alexander Schapiro schreef dit artikel op verzoek van de Argentijnse anarchistische federatie als reflectie op de Spaanse Revolutie.


De Spaanse Revolutie. Enkele beschouwingen [1]

I.

Spanje staat in vlammen en het bloedt uit vele wonden. Madrid vernietigd. Barcelona meedogenloos gebombardeerd. Duizenden doden en gewonden — vooral vrouwen en kinderen. Een langzame en smartelijke doodsstrijd van een geheel volk. Zogenaamde democratieën die koelbloedig een monsterachtige moordpartij aanzien, waarvan de bebloede dolk zich weldra tegen haarzelve zal keren. En de arbeidersklasse van alle landen, zwak en beschaamd, laat het begaan, met het bewustzijn dat als zij zelf morgen dezelfde prijs moet betalen, het haar eigen schuld zal zijn, omdat ze heeft toegestaan dat het Spaanse volk werd verpletterd.

In die heldenstrijd van het Spaanse volk, ongeëvenaard in de annalen van de burgeroorlogen en van de revolutie, heeft de CNT vanaf de eerste dag gestaan op de gevaarlijkste strijdpunten tegenover het internationale fascisme, dat in Spanje zijn bloedige vlag wilde planten. Reeds op 19 juli was iedereen, vriend en vijand, het erover eens, dat de grote massa der anarcho-syndicalisten het enige bolwerk was, waarop altijd de aanvallen van alle vijanden van de CNT te pletter zouden slaan. Als de zogenaamde ‘regeringstroepen’ de vijand terugsloegen of een strategisch punt bestormden en namen, kwam het doordat de troepen, brigades of regimenten van de CNT en van de FAI in de eerste gelederen stonden. Als de ‘regeringstroepen’ zich terugtrokken of terrein verloren, was het doordat men onze kameraden uit de eerste rijen had verwijderd.

De democratische Frans-Engelse non-interventiepolitiek heeft Mussolini en Hitler in staat gesteld in Spanje binnen te dringen en Franco te hulp te komen. Is het dan nu het moment om de redenen op te sporen van de verschillende zwenkingen en de talrijke afwijkingen van de leidende organen der CNT? Zou het misschien niet beter zijn om heden ten dage er het zwijgen toe te doen en onze eventuele kritiek te laten rusten tot een minder verward en rustiger ogenblik?

Velen onzer kameraden, in Spanje zelf en in het buitenland, schijnen daartoe besloten te hebben. Wij zouden hun voorbeeld kunnen volgen, zo wij niet diep doordrongen waren van de overtuiging, dat onze Spaanse kameraden, de strijders van de CNT en de FAI, en vooral de grote massa der aangesloten leden nog lang niet verslagen zijn, en dat van het ene ogenblik op het andere een energieke poging de vroegere toestand zou kunnen herstellen en de revolutie zou kunnen terugbrengen op haar eigen weg, de enige die tot de overwinning kan leiden.

Deze hoop geeft ons de vrijheid te spreken, ondanks de kritieke toestand van ‘ons’ front in Spanje, en verplicht ons het stilzwijgen te verbreken, na de gebeurtenissen van mei 1937, toen de eerste poging tot herstel werd gewaagd door de arbeidersklasse van Barcelona, aangesloten bij de CNT.

Wat zijn de meest zwakke punten geweest in de organische en ideologische bouw van onze Spaanse beweging?

Vóór 19 juli 1936: het verzet van de CNT tegen een reorganisatie op de grondslag van de industriefederaties; het verzet tegen het opbouwende anarcho-syndicalisme, waarvoor men het afbrekende anarchisme met een putschistisch sausje in de plaats stelde, zoals blijkt uit de gebeurtenissen van 8 januari en 8 december 1933; het verzwakken van het antiparlementarisme door de (naar buiten vermomde) deelneming aan de verkiezingen van 1936; de verzwakking van de kaders der organisatie doordat de lakse houding, welke men er tegenover aannam, aan het ‘trentisme’[2] de gelegenheid gaf, zich te ontwikkelen. Het was de eerste ideologische bres in de bouw van de CNT.

Na 19 juli 1936: De bewust door de CNT gewenste en geëiste deelneming aan de regering; de ideologische compromissen met de staatsgezinde partijen, zowel marxistische als burgerlijke; het uitwerken van een reeks minimumprogram- ma’s, het een nog minimaler dan het andere; de vernietiging van de krachtigste organen van de revolutie en de militarisatie van het gewapende volk; het aanvaarden van het centralisme en het verzwakken van de federalistische activiteit in de boezem van de organisatie zelve; het zich onderwerpen aan de eisen van de Sovjetunie en van haar agenten te Barcelona, Valencia en Madrid, wat leidde tot het invoeren in onze Spaanse beweging, en vooral in de officiële pers van de CNT, van een sterke liefde voor het bolsjewisme.

Het zou misschien te ver voeren, zelfs in verschillende artikelen, bij al die belangrijke factoren in de ontwikkeling van de Spaanse anarchistische beweging stil te staan. Wij zullen dus slechts de meest opvallende veranderingen de revue laten passeren, welke de CNT sinds het begin van de burgeroorlog heeft ondergaan.

De belangrijkste verandering is ongetwijfeld het deelnemen van vertegenwoordigers van de CNT aan de regering.

Zeker, tal van theorieën worden te pletter geslagen op de rotsen van het dagelijkse leven. De meest diepzinnige theorieën kunnen bij onvoorziene omstandigheden moeten worden herzien. En de schoonste van alle theorieën — die van het libertaire communisme — is gebleken niet te verwezenlijken te zijn bij de eerste botsing, die zich voordeed toen de fascisten op 19 juli 1936 in Catalonië binnenvielen.

Niemand van ons heeft ooit gemeend, dat de theorie van het libertaire communisme van vandaag op morgen in praktijk kon worden gebracht. Reeds in 1933 hebben wij de aandacht van de CNT gevestigd op het onmiskenbare feit, dat een putsch geen revolutie is en dat het in een of ander dorp proclameren van het libertaire communisme nog niet de verwezenlijking is van ons ideaal.[3]

Maar men moet twee zaken niet verwarren: die van de theorie en die van bet beginsel. Als de eerste niet altijd onmiddellijk kan worden verwezenlijkt, de tweede blijft, en moet altijd, onkreukbaar blijven. Men kan niet optrekken naar het libertaire communisme als men uitgaat van principes die gedeeltelijk of lijnrecht met die van het libertaire communisme in strijd zijn. En iedere gevolgde tactiek, die uitgaat van beginselen die in strijd zijn met het libertaire communisme, zal ongetwijfeld leiden tot een toestand, die niets meer gemeen heeft met het doel, dat wij ons hebben gesteld.

Welnu, de tactiek van het deelnemen van anarchisten aan welke regering ook kan tot niets anders leiden dan tot versterking van de staatsidee: deze tactiek gaat dus tegen onze eigen beginselen in en zij zal zich noodzakelijkerwijze tegen ons moeten keren. Het federalistische beginsel, dat wij stellen tegenover de altijd centralistische staat, kan niet samengaan met een deelnemen aan de regering.

Trouwens, onze Spaanse kameraden weten dit alles zelf heel goed, en het besluit, de samenwerking met de regering te vragen, werd meer genomen bij wijze van politieke manoeuvre dan uit overtuiging of zelfs als revolutionaire tactiek.

Maar welke redenen kan de CNT gehad hebben om ook categorisch haar recht op te eisen zitting te nemen in de ministeries, nadat zij zo glorieus de eerste slag van een burgeroorlog had gewonnen welke zich op de eerste dag na deze grote overwinning zou hebben ontwikkeld tot een sociale revolutie door de wil van het ganse volk?

Wij zullen trachten dit raadsel op te lossen.

II.

De fascistische opstand onder leiding van Franco heeft de meest verpletterende nederlaag geleden op de 19de juli te Barcelona, onder de geweldige drang en het enthousiasme van de leden der CNT-FAI. De revolutie was mogelijk geworden, tenminste in Catalonië. Voor iedereen stond het vast: het was naar de mening van allen de enige mogelijke oplossing, de enige revolutionaire oplossing, de enige logische oplossing van het conflict, dat gerezen was tussen het volk en het fascisme.

Maar daar was ook nog het overige Spanje. En het overige Spanje was van zijn stuk gebracht door de aanval der fascisten […] en de CNT-FAI was er minder sterk, vooral in Madrid.

De strijd tussen de centrale regering in Madrid en de regering van Catalonië is reeds op de eerste dag begonnen. Het is voor niemand een geheim, dat de meest hardnekkige tegenstander van hulp aan de Catalaanse troepen bij hun opmars naar Aragon en in het bijzonder naar Zaragoza, Largo Caballero was. Hij weigerde zowel munitie als geld. Het was dus dringend noodzakelijk de controle op de staat in handen te nemen, de controle op diezelfde staat, wiens functie in lijnrechte tegenstelling is met de minste revolutionaire wensen van een strijdend volk.

Wat te doen? Men had, wel te verstaan, in het tumult van de plotseling ontketende burgeroorlog, die reeds gewonnen was in Catalonië, in Levante, en langs de weg die Durruti van Barcelona tot de poorten van Zaragoza had afgelegd, de arbeidersmassa’s van Castilië kunnen opwekken, zich bij de revolutionaire beweging aan te sluiten. Men had het kunnen riskeren. Men had het misschien moeten riskeren. Maar het Nationale Comité van de CNT heeft, zonder dat het daarom het elan van het proletariaat van de steden en van het land ook maar in het minst wilde tegenhouden of zelfs maar remmen, gemeend dat het voldoende zou zijn, de teugels van het bewind in handen te krijgen om werkelijk in staat te zijn de oorlog en de revolutie overeenkomstig de wensen van het volk te leiden. Het Nationale Comité had eerst de instelling van een nationale verdedigingsraad geëist — en wel bij ultimatum. Het ultimatum is doodgezwegen, en de CNT verschanste zich achter de eis van vier ministerportefeuilles, waaronder die van Financiën en van Oorlog. Deze voorwaarde was, als minimum-program, een conditio sine qua non. Al zij de commando- en de controleposten kreeg, kon de CNT hopen oorlog en revolutie te leiden. Eindelijk werden de CNT enkele portefeuilles toegekend, maar… portefeuilles van volstrekt ondergeschikte betekenis, die geen enkele mogelijkheid boden om de leiding in handen te nemen of controle uit te oefenen.

Het ondanks alles aannemen van die overbodige en nutteloze ministerzetels is, zelfs vanuit een zuiver tactisch standpunt, een grove fout van de CNT geweest. Van principieel standpunt, van anarchistisch standpunt, ja ook zelfs van revolutionair standpunt was de eis deel te nemen aan het bestaande bewind reeds een kardinale fout, die betekende dat men, al was het dan slechts terwille van ogenblikkelijke doeleinden, de staat accepteerde als een instrument, dat de strijd tegen een zogenaamd gemeenschappelijke vijand (en nog wel in het belang van de arbeiders!) zou kunnen organiseren.

Het zitting nemen in de regering was dus niet een intocht met wapperende vaandels, maar een binnengaan door een achterdeurtje, als smekelingen en niet als meesters, waarbij ons vaandel opgevouwen in de vestiaire werd achtergelaten.

Toen onze kameraden besloten hadden van hun beginselen af te wijken en een uitsluitend tactische rol te spelen, hebben zij zich een zeer naïeve voorstelling gemaakt van de tactische bekwaamheden van onze zogenaamde medestanders, die in dat opzicht specialisten zijn.

En toen onze kameraden begrepen, dat ze bedrogen en geleverd waren, was het al te laat om terug te trekken. Men was, ondanks zichzelf, ministerialist geworden. Eerst was men gaan geloven, dat het karakter van de ministerportefeuille de loop der gebeurtenissen zou kunnen beïnvloeden; later meende men, dat van de portefeuille op zichzelf heil kon worden verwacht.

Natuurlijk hebben de oude politici zich bij de eerste de beste gelegenheid van de opportunistische en gelegenheidsministerialisten ontdaan. ‘De Moor heeft zijn plicht gedaan, de Moor kan gaan.’ Maar de plicht die hij vervuld had, was verre verwijderd van de plicht, die hij had moeten vervullen tegenover de revolutionaire arbeidersmassa, die wat anders verwachtte dan een onvruchtbare en volstrekt ondoelmatige deelname aan de regering. Het staat voor ons vast, dat het zeker niet uit overtuiging was, dat de CNT deelnam aan de regering met burgerlijke en centralistische elementen op een ogenblik, dat de revolutie eiste dat het centralisme zou verdwijnen en de bourgeoisie werd vernietigd. Maar… al etende komt de trek wel, zegt men, en wat oorspronkelijk slechts een politieke manoeuvre was, werd later een noodzakelijk onderdeel van de ‘revolutionaire’ tactiek en ten slotte een overtuiging. Op deze wijze is bijvoorbeeld uit het ‘trentisme’, voortgekomen uit de CNT, later de ‘Syndicalistische Partij’ en het opportunistische parlementarisme voortgevloeid.

Onze kameraden-ministers hebben deze klip niet kunnen omzeilen. Want wie met pek omgaat, wordt ermee besmet.

De fouten, die later door de leidende instanties van de CNT zijn begaan, zijn slechts logische uitvloeisels van die eerste fout: het deelnemen aan de macht.

De reorganisatie van de militie tot een gemilitariseerd leger en de opheffing van de economische raad zijn contrarevolutionaire daden. Toch zijn ze begaan met toestemming, met instemming, ja zelfs op initiatief van anarchistische ministers en raadslieden, omdat de ministeriële samenwerking een compromis eiste, en een compromis, waarbij de concessies uitsluitend van onze kant moesten komen.

Het deelnemen aan de regering door de Spaanse anarchisten heeft henzelf voor een nog belangrijker vraagstuk gesteld, en wel voor de beslissing of de oorlog en de revolutie gemeenschappelijk konden worden doorgezet, dan wel of een van deze beide ten bate van de andere moest worden opgeofferd; en zo ja, welke van de twee men moest laten vallen, en waarom. Dank zij de deelneming van onze kameraden aan de regering kon dit brandende vraagstuk door hen op slechts één wijze worden opgelost. Wij komen daar de volgende maal op terug.

III.

Het probleem ‘oorlog en revolutie’ dateert van 19 juli 1936. Op deze dag brak in Catalonië de revolutie uit, een revolutie met een zuiver sociaal karakter; zij ontwikkelde zich overigens van dag tot dag, nam in omvang toe, sloeg over naar Aragon, sleepte Levante mee. De bodem werd gecollectiviseerd. In Barcelona gingen de transportmiddelen, de opslagplaatsen en fabrieken over in handen van de CNT. En de UGT, meegesleept door het voorbeeld en door het succes, maakte de methoden van directe actie van de CNT tot de hare. Zoals Antona, toen secretaris van het Nationale Comité van de CNT, terecht zei: In dit plechtige uur — op de ochtend van de 20ste juli 1936 — stierf onder de handen van een gewapend volk een geheel regime. De kogels die het leven van de officieren en leiders van het leger wegmaaiden, hebben niet enkele mensen gedood, zij doodden een gehele maatschappij…

Maar op bijna hetzelfde ogenblik, waarop dit gebeurde, nam de confederale organisatie van de CNT in Catalonië, in weerwil van de grote revolutionaire overwinning op het fascisme, een historische beslissing. Het was, vergeten vrij het niet, de 20ste juli 1936. De voltallige vergadering van de gewestelijke federaties en de plaatselijke arbeidssecretariaten van Catalonië, gaf, 'zonder zich te laten meeslepen door de gebeurtenissen van het ogenblik of zich te laten bedwelmen door de snelle en definitieve overwinning, die de burcht in onze handen had gebracht’, de volgende parolen uit: ‘De steden en provincies van Spanje te veroveren, die in handen van het fascisme waren.’ ‘Geen vrij communisme.’ ‘De eerste taak is, de vijand te verslaan waar hij wordt aangetroffen.’ En zij stelde voor een organisatie te stichten, die alle anti-fascisten zou kunnen verenigen.

Dat was, volgens Mariano Vázquez, van wie wij hierboven enkele zinnen hebben geciteerd uit zijn terugblik op de gebeurtenissen van 19 juli (De Julio a Julio) ‘het eerste bewijs van collectieve verantwoordelijkheid’.

Ongeveer veertien dagen later, in het begin van augustus 1936, kwam de CNT in een nationaal plenum van gewestelijke federaties bijeen. ‘Hier werd hetzelfde besloten,’ vervolgt M. Vázquez, ‘wat het gewest Catalonië op 20 juli had aanvaard: Geen libertair communisme. Onze eerste plicht is de fascistische legers te verslaan.’

Het is dus duidelijk, dat de CNT niet van plan was de gebeurtenissen die zich in het antifascistische Spanje ontwikkelden tot hun logische en uiterste consequenties door te voeren. De revolutie sloeg alle overgangsfasen over, zij vernietigde de grondslagen van de kapitalistische maatschappij, het volk wijdde zich — zonder de dagelijkse strijd tegen het binnendringende fascisme te vergeten — met al zijn enthousiasme aan de wederopbouw van een nieuwe maatschappij. En laten wij niet vergeten, dat die nieuwe maatschappij niet alleen niet naar de smaak van de fascisten was, maar ook indruiste tegen de staatsopvattingen van de republikeinen, van de socialisten en de communisten, welke laatsten, tenminste op dat ogenblik, volkomen konden worden verwaarloosd. Maar hoe kan men een vrije maatschappij opbouwen, als men begint met te besluiten om zich in een gemeenschappelijk front te binden aan de politieke tegenstanders van een zodanige maatschappij? Toen zij voor dit probleem gesteld werden, hadden onze Spaanse kameraden uit de geschiedenis van de revoluties, en vooral uit de zeer recente geschiedenis van de Russische Revolutie van 1917, een nuttige les kunnen trekken: Als het gaat om een revolutie, dat wil zeggen om het vernietigen van een regime, ten einde in de plaats daarvan een nieuw regime op te bouwen, dan kan er geen sprake zijn van compromissen of overeenkomsten met ideologische tegenstanders van het nieuwe regime of met politieke verdedigers van het regime dat men vernietigt, zelfs indien deze compromissen of overeenkomsten noodzakelijk schijnen om een doel te verwezenlijken, dat voor allen hetzelfde schijnt. De geestesgesteldheid van voorlopige compromissen draagt in zich de uiterst gevaarlijke kiem van het revolutionaire defaitisme. De ontwikkeling van de gebeurtenissen in Spanje heeft trouwens bewezen, dat dat gevaar zeer reëel is. In plaats van te proclameren dat de revolutie het doel is waarnaar wij streven, en dat wij de Revolutie zullen doorvoeren, terwijl wij de burgeroorlog slechts beschouwen als het middel om dat doel te bereiken, hebben onze kameraden van de CNT, uit vrees dat zij in het binnenland de ‘republikeinse’ en marxistische lichtgeraaktheid niet voldoende zouden ontzien en de Engelse en de Franse democratie aanstoot zouden geven, het beter gevonden de revolutie op de achtergrond te dringen, in de hoop dat men, als de oorlog maar eenmaal ten einde was, de revolutie weer zou kunnen opnemen op het punt, waar men haar vrijwillig tot staan had gebracht. En als wij over revolutie praten, bedoelen wij daarmee, wel te verstaan, de revolutie die als uiteindelijk doel en bekroning heeft de verwezenlijking van het libertaire communisme.

Dit parool, dat door de CNT was gelanceerd — 'geen libertair communisme' — betekende dus voor de anarchisten dat de oorlog tegen het fascisme op de voorgrond werd geschoven en, of men het wenste of niet, doel werd op zichzelf, en niet een incident in de ontwikkeling van de Sociale Revolutie.

Door die dubbele tactiek van compromissen — het opschorten van de revolutie ten bate van een burgeroorlog die al heel spoedig een oorlog zonder meer werd, en het deelnemen aan de regering 'om de oorlog beter te kunnen voeren’ — verzonk de CNT in het drijfzand van het loslaten harer beginselen, waardoor de geestdrift tot revolutionaire opbouw bij de arbeidersmassa’s — bij de boeren en de arbeiders — slechts kon worden ondermijnd.

Men herhaalde de fout van Peter Kropotkin in 1914. Vóór de wereldoorlog had Kropotkin verklaard, dat in geval van oorlog de revolutie moest worden geproclameerd en dat deze tegen de binnendringende legers moest worden verdedigd.[4] De dag na het uitbreken van de oorlog had Kropotkin in elk geval de schijn van een rechtvaardiging voor zijn houding, daar de revolutie was uitgebleven. In Spanje echter is de revolutie niet uitgebleven. Zij brak er uit bij het vallen van de eerste geweerschoten in de oorlog der fascisten. Men had de oprukkende zegevierende revolutie dus moeten verdedigen tegen de aanvallende legers, doch haar niet mogen remmen en tot stilstand mogen brengen door te verklaren, dat zij ongelegen kwam. Thans bewijzen de gebeurtenissen, dat de Spaanse Revolutie in een hachelijke positie verkeert, ondanks het antifascistische front. Misschien zelfs dankzij het antifascistische front, dat de grootste verwarring heeft gesticht en de revolutie onvruchtbaar en werkloos heeft gemaakt. De algemene toestand zou op het ogenblik zeker niet slechter zijn geweest, indien men het republikeins regime zonder meer had weggevaagd en als men openlijk had verklaard, dat de revolutie optrok voor het libertaire communisme. De toestand zou gunstiger zijn geweest, zelfs indien de nederlaag op het oorlogsfront het werk van de wederopbouw tot stilstand had gebracht. Maar door dit werk vrijwillig op te geven, enkel en alleen ten bate van de oorlog, heeft men de scheppingsdrang van het proletariaat van alle inhoud beroofd, van een proletariaat dat reeds door zijn eigen krachtsinspanning de dageraad van een nieuwe maatschappij zag gloren. Hoe meer men de revolutie in staat had gesteld zich uit te breiden en te verdiepen, hoe moeilijker het zou zijn geworden in geval van een nederlaag tot de oude toestand terug te keren. Maar nu die terugkeer is vergemakkelijkt door medestanders, die zeker de revolutie niet wensten, en die, door het feit dat ze aan de macht kwamen, die wijzelf hun in de handen hebben geworpen, langzaam en voorzichtig het hele werk van de dagen na 19 juli konden vernietigen, zal iedere militaire nederlaag ons onvermijdelijk terugbrengen tot de vroegere toestand, zo niet tot erger. De leuze ‘eerst de oorlog’ heeft zodoende door de deelname aan de regering het werk van de revolutie vernietigd. Maar die leuze heeft het sluiten van overeenkomsten, zij het dan slechts van voorlopige en tijdelijke overeenkomsten tussen de verschillende secties van het antifascistische front en in de eerste plaats tussen de CNT en de UGT, noodzakelijk gemaakt. Wij moeten dus thans nog onderzoeken, of deze laatste overeenkomst tussen de beide grote vakcentrales in het belang van de revoluties is geweest.

IV.

Reeds vóór de burgeroorlog, in 1934, tekende zich in de boezem van de CNT een stroming af die samenwerking met de UGT voorstond. De eerste overeenkomst in deze richting kwam in Asturië tot stand aan de vooravond van de opstand in oktober in 1934. Maar reeds toen voorzag men in enkele kringen van onze beweging, zowel in Spanje zelf als daarbuiten, dat de enige vorm van samenwerking die de toekomstige revolutie zou kunnen versterken, zou moeten bestaan in een eng samengaan van de syndicaten van beide richtingen van onderen op. Een samenwerking van verschillende plaatselijke organisaties, die misschien tot plaatselijke fusies zou hebben kunnen leiden, had moeten ontstaan door de wil van de arbeiders die zich bewust waren geworden van de noodzakelijkheid van de vereniging van alle krachten voor tot gemeenschappelijk doel: de Revolutie.

Nochtans meende de 'politieke' stroming voor een verbond van de CNT en de UGT — in tegenstelling tot de denkbeelden die wij daarover tot dusverre steeds hadden gekoesterd — dat een nationaal tot stand gekomen overeenkomst, dat wil zeggen een niet door de massa’s van boeren en arbeiders zelf, maar door de uitvoerende organen der beide vakcentrales gesloten overeenkomst, sneller tot een samensmelting van het Spaanse proletariaat in zijn strijd voor de revolutie zou kunnen leiden.

Zoals wij zagen had de burgeroorlog, toen het vraagstuk van de revolutie voorlopig was opgeschort, de samenwerking van alle antifascistische elementen noodzakelijk gemaakt In deze samenwerking namen de CNT en de UGT een overheersende positie in. En inderdaad is vooral sedert bet begin van de burgeroorlog de samenwerking tussen de beide centrales zo sterk mogelijk op de voorgrond gesteld. Maar wij moeten er goede nota van nemen, dat bet in werkelijkheid alleen de CNT was, die de propaganda voor die samenwerking tot het uiterste doorvoerde, zoals ook zij het is geweest, en zij alleen, die tot het uiterste in 1936 propaganda heeft gevoerd voor haar deelname aan de regering. De UGT, die ten nauwste verbonden is met de socialistische en met de communistische partij, had bij die samenwerking veel minder belang. Zij heeft haar ten slotte slechts geaccepteerd, omdat de CNT bereid was tot elk offer, en daardoor tot elk compromis.

Inderdaad, het verdrag tussen UGT en CNT, dat afgelopen maart werd getekend, is uitsluitend een compromis van de zijde van de CNT. Het is de erkenning, feitelijk en rechtens, van de regering en de staat als enige en onbetwistbare autoriteit, niet alleen op het gebied van de oorlog, maar op alle terreinen van het sociale, economische, politieke en culturele leven van het land. Door dit verdrag heeft de CNT erkend, dat het onroerend bezit een goed van de staat was, geregeld door de wetten van de staat, dat productie en consumptie door de regering moeten worden gecontroleerd en geregeld; dat de handelswinst aan de algemene wetgeving moet worden onderworpen; dat de controle door de arbeiders moet steunen op de wet… enzovoorts. Een slotparagraaf bewijst overigens hoezeer niet alleen de anti-staatsgezinde ideologie van onze Spaanse beweging, maar ook de behoeften van de dagelijkse revolutionaire tactiek, zelfs vanuit het standpunt van het tijdelijke opportunisme dat in de bestaande kritieke toestand onvermijdelijk zou kunnen blijken, geheel zijn vervangen door een geest van compromis. Deze paragraaf toch verklaart, dat in de toekomst:

‘de beide organisaties elkander wederkerig waarborgen dat tot aan het einde van de strijd tegen het fascisme het recht van het Spaanse volk, en meer in het bijzonder van de arbeidersklasse, zal worden gerespecteerd om zich die regering te kiezen, welke het meest beantwoordt aan de offers die zij thans brengen en aan de behoefte om in ons land een waarachtige democratie te handhaven.’

Aldus heeft de CNT zich door dit verdrag niet alleen gecompromitteerd wat de huidige toestand betreft, maar ze heeft reeds de toekomst van onze beweging als onderpand gegeven door aan de arbeidersklasse haar hulp toe te zeggen om een ‘waarlijk democratische regering’ te verkrijgen.

Het verdrag tussen CNT en UGT, dat dus aan de UGT de steun van de massa’s van de CNT verschaft, brengt deze laatste slechts de droeve aanblik van een ideologische debacle als resultaat van een revolutie, die met enthousiasme is begonnen en verstikt werd in een moeras van compromissen, die in de geschiedenis van onze beweging zonder weerga zijn.

De terugkeer van de CNT in de centrale regering zet een definitieve punt achter het verdrag CNT-UGT. In een aanhangsel van het verdrag wordt inderdaad verklaard, dat ‘de UGT zich tegen opname van de CNT in de regering niet zal verzetten’. Het is dus dank zij dit verdrag en dank zij de goede wil van de UGT, dat het Spaanse anarchosyndicalisme, vertegenwoordigd door de CNT, opnieuw aan de regering kan meewerken, die door dezelfde CNT van gisteren nog als een regering van verraders werd beschouwd.

Ongelukkigerwijze is deze deelname aan de regering niets anders dan een noodlottige klucht, opgevoerd door de ‘antifascistische’ vijanden van de CNT, teneinde op de dag van de capitulatie, die zij bezig zijn achter de rug van onze kameraden voor te bereiden, de handtekening van de CNT onder het definitieve verraad te verkrijgen. Indien deze regeringsdeelname nu nog van een dergelijke betekenis was, dat de CNT op de gang van zaken een wezenlijke invloed zou kunnen uitoefenen, dat zou men, ongeacht alle principiële bezwaren die opgeworpen kunnen worden, kunnen hopen op een zwenking in de politiek van de regering Negrín in de geest van een verzwakking van de politie-dictatuur dezer regering. Maar de anarchistische minister in deze regering staat volkomen geïsoleerd: hij heeft alle andere ministers tegen zich, onverschillig of ze tot de UGT, tot de socialistische, de communistische of tot de republikeinse partij behoren. Onder deze omstandigheden kan hij er slechts een zuiver negatieve rol spelen, een rol die niets betekent in de regering, en die negatief is voor de toekomst van de CNT.

Het verdrag CNT-UGT is aan de ene kant geweest het sluitstuk van het Economische Plenum van de CNT, en aan de andere kant het voorspel van een nieuwe vorm van dictatuur, van een anarchistische dictatuur, die zich noemt het Uitvoerend Comité van de Libertaire Beweging in Catalonië.[5]

Deze twee bakens — het ene politiek, het andere economisch — in de opportunistische ontwikkeling van de CNT verdienen nader bezien te worden, want zij wijzen op een volkomen breken met de revolutionaire, anti-staatsgezinde en federalistische beginselen uit het verleden. Reformistisch optreden op economisch gebied, dictatuur op politiek terrein, dat schijnen op het ogenblik de richtlijnen van de CNT te zijn. Wij zullen dus die beide nieuwe verschijnselen in de huidige anarchistische ideologie in Spanje aan een nader onderzoek onderwerpen.

Het Economische Plenum van de CNT had ten doel nieuwe economische grondslagen te scheppen, die nieuwe mogelijkheden zouden brengen ten bate van een economische revolutie in het land gedurende de oorlog. Deze mogelijkheden, waarvan de eerste glanzen reeds onmiddellijk na de 19de juli 1936 te zien waren bij de eerste pogingen tot wederopbouw op industrieel en landbouwgebied, moesten een terugkeer tot de oude toestand, welke wending de burgeroorlog ook zou nemen, onmogelijk maken.

Het Economische Plenum was dus verplicht richtlijnen uit te stippelen voor een nieuwe revolutionaire economie die, bij alle voorbehoud door de remmende macht van de burgeroorlog noodzakelijk gemaakt, toch de nieuwe weg moesten afbakenen, die men zou moeten volgen om te geraken tot de algehele economische bevrijding van het proletariaat van stad en land.

Maar als men de tekst bestudeert van de resoluties, die door dat Economische Plenum werden aangenomen, en de commentaren die het Nationale Comité van de CNT aan elke resolutie deed voorafgaan, dan kan men zich niet aan de indruk onttrekken dat als een zware last op alle debatten van het Plenum de hele politiek van opportunisme, van compromissen, en vooral van het in de steek laten van de Revolutie drukte, een politiek die reeds van het begin van de burgeroorlog af de houding van het Nationale Comité van de CNT heeft gekarakteriseerd. Moeten wij er ons dan over verwonderen, dat de door genoemd Plenum bereikte resultaten onmiskenbaar de tekenen van die mentaliteit vertonen? De genomen besluiten rechtvaardigen in geen enkel opzicht de verwachtingen, die de bijeenroeping van het Plenum had gewekt. Die besluiten lijken veeleer een nieuwe serie compromissen — ditmaal van economische aard — met het doel het terrein voor te bereiden om de UGT (waarin de reformistische en marxistische geest van een deel der Spaanse arbeidersklasse is belichaamd) te brengen tot het aanvaarden van een gemeenschappelijk plan van actie, niet zozeer op economisch als wel nogmaals op politiek en militair gebied. Het lijkt wel of de dwanggedachte dat, zo de oorlog slechts wordt gewonnen, zelfs door de domper te zetten op ons gehele ideologische arsenaal, wij in staat zouden zijn onmiddellijk na de behaalde overwinning de opmars van de revolutie weer ter hand te nemen, die wij zelf in haar oorspronkelijk elan hadden gestuit, de gehele activiteit van de CNT bepaalt. Trouwens, het Nationale Comité van de CNT verklaart zelf in zijn voorwoord bij de brochure die alle resoluties van het Economische Plenum bevat:

‘Ons komt de eer toe de eerste organisatie te zijn, die de netelige en gecompliceerde problemen van bet economische leven — als gevolg van de oorlog — heeft aangesneden, die deze onmiddellijk heeft bestudeerd en de besluiten heeft genomen, die door de omstandigheden werden vereist.’

De problemen van het economische leven zijn dus in werkelijkheid, volgens de CNT slechts een ‘gevolg van de oorlog’. Wij moeten dus het Economische Plenum niet als een uiting van revolutionaire actie beschouwen, maar als een toevallige gebeurtenis, een incident van de burgeroorlog. Het ware juister geweest, komt het ons voor, de oorlog te beschouwen als een incident van de bevrijdende Revolutie. De resultaten zouden dan zeker minder betreurenswaardig zijn geweest.

Vergeefs hebben wij in de verschillende door het Economische Plenum aangenomen besluiten gezocht naar de scheppende adem van een economische wedergeboorte, die aan het volk het gevoel zou geven, dat het een nieuw leven schept, terwijl het de vijanden van de Revolutie bestrijdt. Vergeefs hebben wij ook in die besluiten naar enige belangrijke afwijking van de uitgeslepen methoden van het klassieke reformistische socialisme gezocht.

Laten wij niet vergeten, dat onder de door het Economische Plenum behandelde onderwerpen voorkwamen: de arbeidsinspectie, de arbeidslonen, de vakverenigingsbank, de sociale verzekeringen, de coöperaties en de arbeidswetgeving. Wij kunnen, in deze korte artikelen, niet ingaan op een algemene bespreking van al die problemen, waarvan de meeste in bijna alle kapitalistische landen reeds zijn onderzocht of opgelost Wij kunnen slechts enkele uittreksels geven uit de tekst zelf, die de innerlijke waarde van dit Plenum zullen aantonen. Het besluit betreffende de instelling van een arbeidsinspectie en de technische afgevaardigden bij die inspectie bevat de volgende paragraaf:

'Ten einde hun functie zo doeltreffend mogelijk te kunnen verrichten, en in de gevallen waarin het nodig zal zijn, zullen zij aan de raad die hen benoemd heeft, die dwangmaatregelen voorstellen die zij noodzakelijk achten tegen de individuen of organisaties, wier gedrag tot dergelijke maatregelen aanleiding geeft. De vakvereniging regelt de machtsbevoegdheid van de organismen, die daarvan gebruik zullen maken, en stelt een reglement op voor de toepassing dier machtsbevoegdheid.'

Deze bepalingen gelden uitsluitend voor de bedrijven die in handen van de arbeiders zijn. Moet men dus een Plenum bijeenroepen om dwangmaatregelen tegen de arbeidersklasse uit te werken? Die maatregelen bestaan overal, wij bestrijden ze, en de CNT had slechts de praktijk behoeven te bestuderen, bijvoorbeeld van Sovjet Rusland dat verstand heeft van sancties tegen de arbeiders […]

Betreffende de vraag van de arbeidslonen, een bij uitstek netelige kwestie, omdat ze de ongelijkheid als grondslag van de salariëring erkent en aanvaardt door aan de technicus het dubbele loon te geven van wat voor de handarbeid is vastgesteld, merkt het Plenum op, dat de resoluties die het over deze kwestie heeft aangenomen de ‘tendens hebben langs evolutionaire weg te leiden tot onze uiteindelijke bedoelingen’. Wij behoeven alweer slechts te wijzen op de ervaringen in Rusland, die ons reeds duidelijk kunnen maken, hoe gevaarlijk het is de arbeidersklasse in verschillende toongroepen te verdelen […] en dat men, in dit opzicht evenals in alle andere, niet langs evolutionaire weg kan bereiken wat het wezen zelve van de Revolutie uitmaakt.

Wat de stichting van de Vakverenigingsbank CNT-UGT betreft, zij raakt in geen enkel opzicht het probleem van het geld, de kredietbeweging, de prijspolitiek en de eisen van import en export. Daar zij de staatsbank onaangetast laat, zullen de werkzaamheden van de Vakverenigingsbank enkel en alleen die zijn van een kleine voorschotbank (er is zelfs niet vastgesteld, of de voorschotten met of zonder rente zullen worden verstrekt), en de resolutie van het Plenum houdt zich dan ook veel meer bezig met de wijze waarop men de administrateuren en directeuren zal benoemen dan met de taak van de bank als zodanig. De stelling van het Nationale Comité, dat die bank 'ertoe zal bijdragen een rationele industriële planmatigheid te verwezenlijken’, is dus slechts een utopische verklaring zonder de minste grondslag.

Wat de planmatigheid in de industrie betreft, stelt het Plenum voor een opperste economische raad te stichten, die onmiddellijk 'de nodige maatregelen zal moeten nemen om een uitvoerig ontwerpprogramma voor de meer planmatige organisatie van het gehele economische leven voor te bereiden en toe te passen' en wel zonder te wachten op de stichting van een nationale economische raad, 'het officiële organisme op half-syndicale, half-etatische grondslag’. Hier zal men inderdaad al het werk van industriële planmatigheid — ook wat de landbouw betreft — moeten doen, [voor] het gehele economische leven, al dan niet confederaal, voor de ongewenste stichting van een gemengde raad, die niet anders kan zijn dan een hinderpaal voor de ontwikkeling op industrieel en landbouwgebied. Laten wij hopen dat de CNT bij dit werk tenminste niet het initiatief van de regering zal afwachten, welk initiatief voor industrie en landbouw noodlottig zal zijn.

Het probleem van de arbeidswetgeving heeft het Plenum gedwongen nogmaals de tegenstelling tussen zijn ideologie en zijn praktijk te openbaren. Het verklaart eerst:

'Het confederale libertaire ideaal stelt tegenover die valse systemen, welke niet deugen voor het dagelijkse leven van een beschaafd volk dat zich zijn waardigheid bewust is, de formule van de verantwoordelijke organisatie, die in elke historische periode, in elk land, naar zijn mogelijkheden en overeenkomstig een door de meerderheid erkende en aanvaarde discipline moet optreden. Deze opvatting, die anti-staatsgezind is en afwijzend staat tegenover elk individualisme, betekent de juiste toepassing van de democratie in het sociale teven van een volk.'

Dan gaat de resolutie voort een reeks dwangmaatregelen […] tegen de arbeiders te onderzoeken, maatregelen die ons — nog weer eens — herinneren aan de methoden, toegepast in het bolsjewistische Rusland tegen de arbeider, die niet voor 100% de bevelen gehoorzaamt van een chef, die hij niet gekozen heeft. Al die maatregelen, aanvaard door het Plenum dat zich uitspreekt voor het libertaire ideaal, lijken wel te zijn gedicteerd door de dwanggedachte, dat de arbeider de vijand van de Revolutie is, een gedachte waarschijnlijk ingeprent door degenen, die een is-gelijk-teken zetten tussen Revolutie en dictatuur!

Het Economische Plenum heeft geen enkele nieuwe richtlijn aangegeven. Het heeft niet als grondslag van zijn beslissing het libertaire communisme en het strijdende anarchosyndicalisme genomen. De basis was een geheel andere: een gemeenschappelijke taal te vinden met de evolutionistische methode van het burgerlijk-marxistische reformisme, dat de UGT ZO goed vertegenwoordigt. Om die gemeenschappelijke taal te vinden, heeft men op economisch gebied het opportunisme moeten toepassen, door het herscheppende anarchosyndicalisme van zijn inhoud te ontdoen. Men sprak zich uit voor het anarchistische ideaal, en men handelde volgens de voorschriften van de reformistische praktijk.

Nauwelijks twee maanden na het Economische Plenum was het verdrag tussen CNT en UGT getekend. Als wij een Plenum van economische wederopbouw hadden gehad, en niet een van economische aanpassing, was er geen verdrag tot stand gekomen. Alweer een door de voorhoede bezette loopgraaf, die wij ons door de staatsgezinden hebben laten afnemen.[6]

Voetnoten

  • [1] De redactie van De Syndicalist liet het eerste artikel voorafgaan door de volgende opmerking: 'Op verzoek van de kameraden in Argentinië is kameraad A. Schapiro begonnen een aantal artikelen over de Spaanse Revolutie te schrijven, die hij bereid bleek mede ter beschikking van De Syndicalist te stellen. Het eerste drukken wij hieronder af.’
  • [2] Het gaat om de stroming in de CNT die in augustus 1931 het ‘Manifest van de Dertig' uitgaf (Treinta, naar het aantal ondertekenaars), waarin de FAI en de linkervleugel van de CNT werden aangevallen om hun revolutionaire ongeduld. De groep, waartoe vooraanstaande CNT-leiders als Angel Pestana en Juan Peiró behoorden, stond een voorzichtige en gematigde koers voor, die door Schapiro in 1935 werd gekarakteriseerd als 'de politiek van verzwakking van de CNT ten gunste van het republikeinse regime’. Het 'treintismo' veroorzaakte in 1932 een scheuring in de CNT, die pas op het Congres van Zaragoza in mei 1936 ongedaan werd gemaakt: de trentistische ‘sindicatos de oposición’ keerden toen in de CNT terug, zij het zonder Pestaña, die inmiddels een Partido Sindicalista had opgericht.
  • [3] Vgl. Alexander Schapiro, 'Bericht über die Confederación National del Trabajo (CNT) und den Aufstand in Spanien im Jannar 1933’, Jahrbuch Arbeiterbewegung, dl. 4, Frankfurt/Main 1976.
  • [4] Hier wordt gerefereerd aan het Manifest van de Zestien, waarin Kropotkin, samen met 15 andere anarchisten stellingnamen voor de geallieerden tijdens de Eerste Wereldoorlog.
  • [5] Dit Comité was opgericht tijdens een vergadering van de Catalaanse organisaties van CNT, FAI en Libertaire Jeugd (2 april 1938). Juan Garcia Oliver, Federica Montseny, José Xena en andere coryfeeën van het Spaanse anarchisme maakten deel uit van dit orgaan, dat een vrijwel absolute macht moest krijgen om zowel aan als achter het front een ijzeren discipline op te leggen. Omdat het Nationaal Comité van de CNT het comité weigerde te sanctioneren, zou dit uiteindelijk afsterven.
  • [6] Dit is het laatste verschenen artikel van de reeks, die dus niet voltooid lijkt te zijn: aan het slot van het vierde artikel werd immers naast deze economische nog een specifiek politieke beschouwing aangekondigd.
namespace/de_spaanse_revolutie._enkele_beschouwingen.txt · Laatst gewijzigd: 16/04/19 13:26 door defiance