Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


namespace:ecologie_en_revolutionair_denken

Ecologie en revolutionair denken

Door Murray Bookchin

  • Oorspronkelijke titel: Ecology and Revolutionary Thought
  • Verschenen: 1964
  • Bron: Ekologie en revolutionair denken, Ekologie en anarchisme, M. Bookchin, Anarchistiese Uitgeverij, Utrecht, 1977
  • Vertaling: onbekend
  • Digitalisering en modernisering: Tommy Ryan

Ecologie en revolutionair denken

In bijna iedere periode na de Renaissance heeft het revolutionaire denken zich ontwikkeld onder invloed van een of andere wetenschap en in samenhang met een filosofische denktrant.

In de tijd waarin Copernicus en Galileo leefden was het de astronomie die het hare bijdroeg tot de verandering van een stroom van ideeën, die nog uit de middeleeuwen stamden, in een door een kritisch rationalisme gekenmerkte doctrine, die haar naturalistisch en humanistisch karakter niet probeerde te verdoezelen. In het tijdperk van de Verlichting, die culmineerde in de Franse Revolutie, werd de bevrijdende betekenis van die ideeën versterkt door de vooruitgang van mechanica en wiskunde, evolutietheorieën in biologie en antropologie. Marx zijn bewerking van de klassieke economie van Ricardo en Adam Smith, en de psychologie van Freud deden de Victoriaanse maatschappij op haar grondvesten wankelen.

Nu zien we dat de eens zo bevrijdende wetenschappen door de bestaande sociale orde worden opgenomen. We beschouwen de wetenschap nu als een middel om de denk- en leefprocessen van de mens te beheersen. Dit wantrouwen ten opzichte van de wetenschap en haar methode is niet ongegrond. Zo heeft Abraham Maslow ooit de opmerking gemaakt dat “veel mensen met een ontwikkeld gevoelsleven, zoals kunstenaars, bang zijn dat de wetenschap je bezoedelt en verlaagt, dat ze eerder iets kapot maakt dan het integreert, dus niet scheppend is maar juist een vernietigende invloed heeft.” Van gelijke betekenis is het feit dat de moderne wetenschap haar kritisch karakter verloren heeft. Takken van wetenschap die eens aan de boeien der mensheid rukten worden nu, in hun functionele of instrumentele opzet, gebruikt om het bestaan van die ketenen te rekken, om deze te vergulden. Zelfs de filosofie is gezwicht voor de eisen van het instrumentalisme en is nog maar weinig meer dan een verzameling logische vondsten. Ze is de dienares van de computer in plaats van die van de revolutionair. Maar er bestaat een wetenschap die alsnog de bevrijdende taak van de traditionele wetenschappen en filosofieën op zich kan nemen. Deze wetenschap draagt de nogal onnauwkeurige naam “ecologie”, een term die een eeuw geleden door de Duitse bioloog Haeckel werd uitgevonden om daarmee “het onderzoek naar het geheel van relaties dat een levend wezen met zijn organische en anorganische omgeving onderhoudt” aan te duiden. Haeckels definitie is op het eerste gezicht tamelijk onschuldig. In de beperkte betekenis van biologische wetenschap wordt ecologie heel vaak teruggebracht tot een aantal biometrische bepalingen met behulp waarvan veldonderzoekers zich toeleggen op de studie van voedselketens en op het verzamelen van statistische gegevens over dierpopulaties.

Ecologie in de ruime betekenis van het woord houdt zich echter bezig met het natuurlijk evenwicht in het algemeen. Voor zover natuur ook de mens omvat gaat het er deze wetenschap in het bijzonder om dat de harmonie tussen mens en natuur wordt hersteld. De overweldigende implicaties van de ecologische benadering berusten niet enkel op het feit dat ecologie een kritische wetenschap is - en dat in een mate die de meest radicale systemen van politieke economie niet hebben kunnen bereiken - maar evenzogoed op haar vermogen te integreren en te reconstrueren. Deze laatste aspecten van de ecologie brengen haar, wanneer ze consequent wordt doorgevoerd, op het terrein van het anarchistische denken over sociale verhoudingen.

Het kritisch karakter van de ecologie

Laten we ons allereerst bezighouden met het kritisch karakter van de ecologie, een uniek kenmerk in deze tijd van algemene wetenschappelijke schaapachtigheid. Ze dankt dat kritisch karakter aan het onderwerp waarop ze is gericht. Dit onderwerp is onvergankelijk in die zin, dat, indien de vragen die ermee samenhangen niet worden gesteld, het voortbestaan van de mens en de leefbaarheid van de planeet in het gedrang zullen komen. Niet aan het menselijk verstand, dat door de wetenschappen in hun meest revolutionaire periode werd vereerd, maar aan een nog hogere macht, aan de soevereiniteit van de natuur moet dit kritisch karakter worden toegeschreven. Laat de mens manipuleerbaar zijn, zoals de beheersers van de massamedia beweren; laat over delen van de natuur naar believen beschikt kunnen worden, zoals de technici tonen, de ecologie maakt duidelijk dat het geheel van de natuurlijke wereld - de natuur beschouwd in al haar aspecten, cycli en wederzijdse afhankelijkheden - iedere menselijke aanspraak op de heerschappij over de planeet doet vervallen. De grote woestenijen in het middellandse zeegebied, dat eens de plaats was waar de landbouw floreerde en het plantenrijk natuurlijk en gevarieerd was, vormen een histories bewijs voor de wraak van de natuur op het parasiteren van de mens.

In betekenis en omvang kan echter geen enkel voorbeeld uit het verre verleden de vergelijking doorstaan met de plundering van de mens en de wraak van de natuur, zoals die hebben plaatsgevonden na de industriële revolutie en vooral die van na de tweede wereldoorlog. De vroegere gevallen van menselijk parasiteren waren tot één plaats beperkt, zij vormden een voorbeeld voor het menselijk vernietigingspotentieel. Veelal stonden er opmerkelijke verbeteringen in de natuurlijke ecologie van een gebied tegenover, zoals die welke door eeuwen van cultivatie door Europese boeren werden bewerkstelligd, of die welke resulteerden uit het aanleggen van terrassen in het Andesgebergte door Inca-landbouwers in de tijd voor Columbus.

Tegenwoordig gebeurt de plundering van de natuur op wereldomvattende schaal. Zij blijft niet eens tot de aarde beperkt, zo blijkt uit de enkele jaren geleden geconstateerde verstoringen in de Vanallen-gordels. Tegenwoordig ontwricht het menselijk parasiteren meer dan atmosfeer, klimaat en watervoorraden, grond, flora en fauna van een bepaald gebied. In feite worden alle fundamentele natuurprocessen erdoor aangetast en wordt de stabiliteit van de natuurlijke omgeving overal op aarde bedreigd.

Het volgende kan misschien een indruk geven van de ontwrichtende activiteit van de moderne mens. Men schat dat door verbranding van fossiele brandstoffen (steenkool en aardolie ) er per jaar zo'n zeshonderd miljoen ton kooldioxide aan de lucht toegevoegd wordt - dat is ongeveer 0,03 % van de totale atmosferische massa - afgezien van een niet te berekenen hoeveelheid giftige stoffen. Over het geheel genomen is sinds de industriële revolutie de hoeveelheid kooldioxide in de atmosfeer met 13 Z gestegen. Op wetenschappelijk verantwoorde wijze kan worden aangetoond dat dit steeds dikker wordend dek van kooldioxide zal leiden tot een veel destructiever stormenpatroon en dat het door de warmte-uitstraling van de aarde te verhinderen, tenslotte het smelten van de poolkappen zal veroorzaken. Daardoor stijgt het waterpeil van de zeeën, wat leidt tot de overstroming van grote stukken land. Zo'n zondvloed kan dan nog wel ver van ons afliggen, de verandering in de verhouding van kool-dioxide tot de andere atmosferische gassen mag als waarschuwing dienen voor de slechte invloed die de mens op het natuurlijk evenwicht uitoefent.

De waterverontreiniging is een goed voorbeeld van een ecologisch belangrijk onderwerp. De aard en omvang van deze vorm van verontreiniging van het milieu is zodanig dat de wateren van de aarde met recht gekwalificeerd kunnen worden als 'stervende wateren', zoals een veelgelezen tijdschrift dat eens deed. Veel grondwater is niet geschikt voor drinkwater of veroorzaakt epidemieën. Veel open water - rivieren en meren - kun je beter betitelen als verlengstuk van de riolering. In de grote rivieren van de geïndustrialiseerde gebieden kan nauwelijks meer leven bestaan. Tel daar dan nog bij op dé verontreiniging uit radioactieve bron en die door in zee geloosde olieoverschotten.

Over vrijwel ieder deel van de biosfeer kan iets dergelijks worden gezegd. Ieder jaar weer gaan er immense stukken vruchtbare grond verloren; komen er perioden voor waarin de lucht in dichtbevolkte stadscentra dodelijk giftig is. Giftige stoffen als radioactieve isotopen, lood en dergelijke verspreiden zich over de wereld. Steeds meer worden chemische middelen gevonden in de directe alledaagse omgeving, tot op de eettafel om het zo maar te zeggen, in de vorm van pesticiden en allerlei aan het voedsel toegevoegde stoffen. Biologisch zou je de mens dus kunnen beschrijven als een verderfelijke parasiet die, tegelijk met zijn gastheer, zichzelf dreigt te vernietigen.

Voor de ecologie is het begrip parasiet echter geen antwoord. Er wordt eerder een vraag door opgeworpen: hoe is zo’n verhouding tussen de mens en zijn omgeving mogelijk? Ecologen weten heel goed dat parasitisme vaak het symptoom is van het uiteenvallen van een ecologische situatie. Onder bepaalde omstandigheden ontpoppen sommige soorten zich als verderfelijk, die in andere juist heel bruikbaar blijken te zijn. De ecologie verkrijgt haar kritische functie door de vraag waarvoor het feit van destructieve menselijke vermogens ons stelt: welke zijn de omstandigheden die van de mens een verderfelijke parasiet hebben gemaakt?

Invloed op sociale relaties

Zulke verstoringen van het evenwicht heeft de mens niet alleen voortgebracht in de natuur, maar ook, en dat is van meer belang, in de verhoudingen met zijn medemens en in de structuur van de samen-leving waarin hij leeft. Preciezer gezegd: De verstoringen in de natuurlijke wereld waarvoor de mens verantwoordelijk is, zijn het gevolg van de verstoringen die hij in de sociale wereld heeft aangebracht. Een eeuw geleden was het mogelijk om luchten waterverontreiniging te beschouwen als het resultaat van de op eigen voordeel beluste activiteiten van de industriebaronnen en van de bureaucraten. Zo’n morele verklaring zou vandaag de dag een grove simplificatie zijn. Het is ongetwijfeld waar dat de meeste bourgeois ondernemingen een houding aannemen van ’wat gaat ons het publiek aan’. Dit blijkt wel uit de reacties van machtsklieken, automobiel- en staalconcerns op milieuproblemen. Maar de grootte van de fabrieken zelf, de concentratie ervan in een bepaald gebied, hun overlast daardoor voor een gemeente en voor afwateringssystemen, hun behoefte aan grondstoffen en water en hun rol in de verspreiding van arbeid over een natie, dat alles vormt een veel ernstiger te nemen probleem dan de houding van de bezitters van deze fabrieken.

Wat zich nu voor onze ogen afspeelt is een crisis in de sociale ecologie. De moderne samenleving - zeker die in de V.S. en in Europa - is voor naar organisatie afhankelijk van geweldig grote, om een stad gelegen gebieden, van een sterk geïndustrialiseerde landbouw en een immens, bureaucratisch, anoniem staatsapparaat dat alles overkoepelt. Wanneer we voor een ogenblik alle morele overwegingen terzijde schuiven en het materiële kader van de maatschappij onderzoeken, dan moeten we wel onder de indruk komen van de ongelooflijk grote logistieke problemen waarmee zij van doen heeft - problemen op het gebied van vervoer, van bevoorrading (grondstoffen en halffabricaten, voedsel en energie) van economische en politieke organisatie, van industriële vestiging en ga zo maar door. Daardoor is de last die dit type van verstedelijkte en gecentraliseerde samenleving een willekeurig gebied van de wereld oplegt, ontzettend groot. Als dit proces van verstedelijking en industrialisering ongehinderd doorgaat, zal dit resulteren in onvruchtbare aarde, in een wereld die niet langer in staat is gezonde, levenskrachtige wezens te herbergen.

Men vraagt de ecoloog wel eens een beetje honend om met wetenschappelijke precisie het moment aan te geven waarop, ecologisch gezien, de natuur ’het begeeft’. Dat staat gelijk met een psychiater te vragen het precieze moment aan te geven waarop een neurotische patiënt psychotisch zal worden. Het antwoord op zo’n vraag zal men wel altijd schuldig moeten blijven. Wel kan de ecoloog een strategisch belangrijk inzicht verschaffen in de richting die de mens schijnt te zijn ingeslagen door zijn vervreemding van de natuur.

Simplificatie van de omgeving

Vanuit het standpunt van de ecologie bezien vereenvoudigt de mens op een gevaarlijke manier zijn omgeving. De moderne stad betekent een regressief werkende inbreuk van het synthetische op het natuurlijke, van het anorganische ( beton, metalen, glas ) op het organische, van grove elementaire stimuli op prikkels die een uitgestrekt gebied bestrijken. In de geïndustrialiseerde regio’s zijn uitgestrekte, verstedelijkte gebieden ontstaan, die niet alleen een kwelling zijn voor oog en oor, maar die bovendien periodiek worden geplaagd door smog, van lawaai vergeven zijn en in feite door een absolute overmaat van dit alles geen kant meer op kunnen. Het proces waardoor het milieu van de mens vereenvoudigd en steeds meer tot haar elementen teruggebracht wordt heeft echter naast gevolgen voor de natuur ook gevolgen voor de cultuur.

De noodzaak om immense stadsbevolkingen te manipuleren, om miljoenen op elkaar gepakte mensen van de ene plaats naar de andere te brengen, ze te voeden, werk en onderwijs te geven en op een of andere manier te vermaken, leidt tot een doorslaggevende verlaging van de standaards volgens welke ze als burgers en personen behandeld behoren te worden. Een op dergelijke massaliteit gebaseerde opvatting van wat menselijke relaties zijn - totalitair, centralistisch en sterk gedisciplineerd - lijkt de vroegere opvatting die meer op het individu was afgestemd te zullen gaan vervangen. De bureaucratische techniek van sociaal management komt in de plaats van de humanistische benadering. Al het spontane, individuele en creatieve wordt binnen de grenzen gedrongen van het gestandaardiseerde en het gereguleerde van de moderne industriële samenleving. De ruimte die het individu dan nog overblijft wordt voortdurend bedreigd door beperkingen die hem worden opgelegd door een onpersoonlijk sociaal apparaat dat gezichtsloos is. De waardering van unieke persoonlijke kwaliteiten moet meer en meer wijken voor de manipuleerbaarheid van de massa. Een kwantitatieve en statistische benadering, een behandeling van de mensen als vormden ze een bijenkorf, neigt er toe de overhand te krijgen over de waardevolle, individueel - kwalitatieve benadering, met haar nadruk op persoonlijke uniciteit, op vrijheid van meningsuiting en op de complexiteit in de cultuur.

Eenzelfde vereenvoudiging van de omgeving valt te constateren in de moderne landbouw. De in de grote steden opeengepakte massa’s moeten gevoed worden en daarvoor is uitbreiding van de industriële landbouw noodzakelijk. Bij de voedselverbouw moet rekening gehouden worden met een zo groot mogelijke graad aan mechanisatie. Niet om het menselijk zwoegen te verminderen maar om de productie en efficiëntie op te voeren, om een maximaal rendement te verzekeren voor de investeringen en aldus de biosfeer uit te buiten. Het terrein moet daarom in een vlakte herschapen worden, te vergelijken met een fabrieksvloer. De natuurlijke verschillen in terreinopbouw moeten zoveel mogelijk worden weggewerkt. Een nauwkeurige regulering van de plantengroei is noodzakelijk om tegemoet te kunnen komen aan de eisen van de weinig ruimte biedende schema’s van de voedselverwerkende industrieën. Ploegen, bemesten, zaaien en oogsten moeten op massale schaal worden aangepakt, veelal onder voorbijgaan aan de natuurlijke ecologie van een gebied. De plantageachtige vorm van landbouw, waarbij grote stukken land met één soort gewas worden beplant, leent zich bij uitstek voor mechanisatie, maar is tegelijk overgeleverd aan het gevaar van biologische plagen. Zo’n vorm van verbouw van gewassen vormt een ideale omgeving voor diersoorten die tot een plaag kunnen uitgroeien. Tenslotte moet men dan naar chemische middelen grijpen om de problemen opgeworpen door insecten, onkruiden en plantenziekten te lijf te gaan; alleen op deze wijze is maximale exploitatie van de bodem mogelijk. Niet de sikkel of de tractor is het moderne symbool van de landbouw maar het vliegtuig waarmee de bestrijdingsmiddelen worden verspreid. Niet de boer of de kleine landeigenaar of zelfs ook maar de agronoom is de moderne landbouwer - mensen waarvan verwacht mag worden dat ze een nauwere band hebben met het land waarop ze hun gewassen verbouwen - maar de piloot en de chemicus, voor wie de aarde niet veel meer is dan een hulpbron, een grondstof van anorganisch materiaal. Het vereenvoudigingsproces wordt nog verder doorgevoerd in een overdreven regionale of zelfs nationale verdeling van de arbeid. Hele gebieden worden voor bijzondere industriële taken gereserveerd of tot opslagplaats voor grondstoffen gereduceerd. Andere worden tot stedelijke centra, belast met handel en verkoop. Er ontstaat een identificatie van steden en regio’s, zelfs van landen en continenten met een speciaal product: zo zijn er staalsteden en automobielsteden, gebieden met chemische industrie, of ook landen die industriële producten en landen die grondstoffen uitvoeren. De verschillende continentale regio’s vormen ingewikkelde ecosystemen, maar deze dreigen onder te gaan aan de organisatie van hele naties tot economisch rationele eenheden, waarvan elk een tussenstation is in een lange keten van industrieën. Het is slechts een kwestie van tijd, voordat de prachtigste stukken land voor de betonmolen bezweken zullen zijn, zoals de meeste gebieden aan de oostkust van de V.S. reeds aangetast zijn door de versnippering en de bungalowbouw. Wat dan nog resteert aan landelijk schoon zal weldra door de aanleg van kampeerterreinen, tentensloppen, 'schilderachtige' snelwegen, motels, eettentjes, oliesporen van motorboten worden vernietigd.

Het gaat erom dat de mens het werk van de organische evolutie teniet doet. Door uitgestrekte stedelijke agglomeraties van glas, staal en beton te scheppen, door het vernietigen van de complexe fijnzinnig georganiseerde ecosystemen die voor de lokale verschillen in de natuurlijke wereld verantwoordelijk zijn; kortom, door het vervangen van de hoogst ingewikkelde organische omgeving door een vereenvoudigde, niet-organische heeft de mens de biotische piramide die de mensheid vele millennia heeft onderhouden, uiteengeslagen. Terwijl de mens de complexe ecologische relaties waarop alle hogere vormen van leven berusten, door meer elementaire relaties vervangt, behaalt hij als resultaat dat de biosfeer op een niveau wordt gebracht waarop zij alleen nog maar eenvoudiger vormen van leven kan onderhouden. Zet deze ingrijpende omkering van het evolutieproces door, dan is het volstrekt niet overdreven te veronderstellen dat de onmisbare voorwaarden waaronder vormen van hoger leven mogelijk zijn, onherstelbaar vernietigd zullen worden. Haar kritisch vermogen heeft de ecologie niet enkel te danken aan het feit dat zij als enig onder de wetenschappen de mensheid deze afschuwelijke boodschap wil overbrengen, maar net zo goed aan het feit dat ze deze boodschap presenteert in een nieuwe sociale dimensie. Vanuit ecologisch gezichtspunt bezien is de omkering van de organische evolutie het resultaat van schrikbarende tegenstellingen tussen stad en platteland, tussen staat en gemeenschap, tussen industrie en landbouw en veeteelt, tussen massafabricage en handwerk, tussen de schaal van de bureaucratie en de werkelijk menselijke schaal.

De reconstructieve aard van de ecologie

Tot voor kort werden de pogingen om de door verstedelijking, toenemende centralisatie, groeiende bureaucratie en uitbreiding van de staatsmacht ontstane tegenstellingen op te lossen, beschouwd als een ijdel oproeien tegen de vooruitgang in, als een tegenstroming die op zijn best kon worden bestempeld als op een hersenschim berustend en op zijn slechtst als een reactionaire beweging. De anarchist was een dromer, een sociale outcast, vervuld van heimwee naar het leven op een boerendorp of dat in een middeleeuwse gemeenschap. Zijn verlangen naar een gedecentraliseerde samenleving, naar een menswaardige maatschappij, die de behoeften van het individu met de natuur heeft verzoend werd afgedaan als de reactie van een romanticus, van een aan lager wal geraakte handwerksman, of van een maatschappelijk mislukte intellectueel. Zijn protest tegen een centrale staatsmacht kwam nog minder overtuigend over waar ze werd gedragen door vooral ethische overwegingen, door utopische en dus weinig realistische noties over wat de mens kan zijn, niet over wat hij is. Hiertegen voerden de - liberale, conservatieve of autoritaire - tegenstanders van het anarchistisch denken aan dat hun stem die van de historische werkelijkheid was, dat hun opvatting over de staat en het centrale bestuurssysteem en hun politieke begrippen gefundeerd waren in de objectieve wereld van de praktijk.

De tijd kent geen medelijden met de strijd der ideeën. De historische ontwikkeling heeft zo goed als alle bezwaren tegen het anarchisme ontkracht, wat dan ook de relatieve waarde geweest mag zijn van de libertaire en niet-libertaire opvattingen enkele tientallen jaren geleden. De moderne stad en staat, de omvangrijke technologie die op kolen en staal berust, voortgebracht door de industriële revolutie; de latere veel rationelere systemen van massaproductie en lopende band werk, de centraal geregeerde natie en de staat, het ambtenaren apparaat, ze hebben allemaal de grens van hun bestaan bereikt. De vooruitstrevende of bevrijdende rol die ze eens wellicht hadden is in haar tegendeel omgeslagen. Nu werken ze regressief en onderdrukkend. Deze vormen zijn niet alleen regressief omdat ze de menselijke geest aantasten, de gemeenschap van haar bindende kracht beroven, haar ontdoen van de solidariteit, de culturele en ethische normen. Maar ze zijn dat ook vanuit een objectief, ecologisch gezichtspunt. Want naast de menselijke gemeenschap ondermijnen ze de leefbaarheid van de planeet.

Het kan niet voldoende benadrukt worden dat de anarchistische noties van een evenwichtige samenleving, een directe democratie, een menswaardige technologie en een gedecentraliseerde maatschappij, dat deze rijke libertaire begrippen niet alleen wenselijk maar ook noodzakelijk zijn. Ze moeten niet enkel gerekend worden tot de grote toekomstvisies van de mens, ze vormen nu de voorwaarden voor zijn overleven. Het proces van sociale ontwikkeling heeft deze begrippen uit een ethisch en subjectief kader overgebracht in een praktisch en objectief kader. Wanneer een echte gemeenschap, een democratie van aangezicht tot aangezicht, een humane en bevrijdende technologie beschouwd worden als reacties op de gegeven stand van zaken, als een krachtig “nee” op het huidige “ja”, dan kan men daarin een objectief en dwingend argument vinden vóór de vruchtbare praktijk van een anarchistische samenleving. Vooral bij de jongeren is er sprake van een plotselinge toeneming in sympathie voor anarchistische denkbeelden. Een reflexmatige reacties, gericht tegen de huidige toestand, lijkt voor deze toeneming verantwoordelijk te zijn. Met hun liefde voor de natuur verzetten deze jongeren zich tegen de synthetische omgeving en haar armzalige producten, met hun kleding te- gen de voorgeschreven levenswijzen. Hun reactie op het mechanistische leven in fabriek, kantoor of school is: ze laten stikken en eruit stappen. Hun individualisme komt in de praktijk neer op decentralisatie van het sociale leven, op persoonlijke abdicatie van de eisen van de massa-samenleving.

De zo vaak nihilistische afwijzing van de huidige omstandigheden kan door de ecologie worden omgezet in een nadrukkelijke bevestiging van het leven, in een nieuwe levensovertuiging voor een menswaardige samenleving. Evenwicht en harmonie in de natuur, in de samenleving en bijgevolg in het menselijk handelen, kan niet worden bereikt door standaardisatie, maar moet worden bewerkstelligd door het streven naar juist het tegenovergestelde: organische onderscheidenheid. Om deze boodschap te begrijpen moeten we haar betekenis onderzoeken voor de verschillende ervaringsgebieden.

Biologische diversiteit

Laten we eerst eens kijken naar het beginsel van diversiteit in de biologie, naar wat wel genoemd is de “wet van behoud van variatie”. Ecologische studies hebben aangetoond dat fluctuaties in dieren- en plantenpopulaties sterk samenhangen met het aantal soorten die deel uitmaken van het ecosysteem en van de mate van verscheidenheid in de omgeving. Stabiliteit is een functie van complexiteit (of variabiliteit of diversiteit, het doet er niet toe welke naam je eraan geeft). Vereenvoudiging van de omgeving en het terugbrengen van het aantal soorten dieren en planten leidt tot steeds grotere fluctuaties in de populatie. Tenslotte is er geen controle meer over het aantal individuen dat een populatie bevat en bereikt ze daarmee de omvang van een plaag. Wat het voorkomen van plagen betreft zijn vele ecologen tegenwoordig van mening dat het herhaald gebruik van giftige chemicaliën vermeden kan worden door het meer ruimte geven aan natuurlijke relaties tussen dieren en planten. Een grotere plaats moet worden ingeruimd voor natuurlijke spontaniteit en voor de verschillende biologische factoren die een ecologische situatie bepalen. In Europa spreken entomologen al van het management van de gehele planten-insectengemeenschap. Men noemt het ook wel de 'manipulatie’ van de biocoenose (levensgemeenschap). De biocoenosetische omgeving is gevarieerd, complex en dynamisch. Hoewel het aantal individuen voortdurend aan verandering onderhevig is, bereikt onder normale omstandigheden geen enkele soort de omvang van een plaag. Er zijn wel bijzondere omstandigheden waaronder een enkele soort een hoge populatie kan krijgen, maar die komen uiterst zelden voor. 'Manipulatie’ van het ecosysteem of de biocoenose zou ons doel moeten worden, een hele uitdaging.

Wil men de biocoenose gebruiken voor doeleinden die met de eigen overeenstemmen, dan veronderstelt dat een verregaande decentralisatie van de landbouw. Waar dat maar mogelijk is moet de industriële landbouw plaats maken voor eenvoudige landbouw en veeteelt, voor het behoedzame beheer van de bodem. Dat wil niet zeggen dat de vorderingen die gemaakt zijn door de grootschalige landbouw teniet gedaan moeten worden; het land moet echter worden bewerkt als was het een tuin, met een uiteenlopende flora en fauna die behouden en onderhouden en op elkaar afgestemd moeten worden. Ook voor de ontwikkeling van de landbouwer zelf is decentralisatie belangrijk. Voedselverbouw in een echt ecologische betekenis veronderstelt dat de landbouwer bekend is met alle kenmerken en verborgen kwaliteiten van het terrein waarop hij zijn beroep uitoefent. Hij moet dus een grondige kennis hebben van de natuurlijke eigenschappen van de bodem, de bestemming ervan als akkerland, weiland of bos, de minerale en organische samenstelling ervan; hij moet het microklimaat kennen en voortdurend onderzoeken wat de gevolgen zijn van een eventueel andere flora en fauna. Voor de mogelijkheden en behoeften daarvan moet hij een speciaal zintuig ontwikkelen, zo dat hij een organisch onderdeel van de ecologische situatie is geworden. Dat te bereiken zal onmogelijk zijn zonder dat de landbouw wordt teruggebracht tot menselijke proporties, zonder dat ze binnen de mogelijkheden van het individu wordt gebracht. Om te voldoen aan de eisen van de ecologische benadering van voedselverbouw moet de landbouw van de omvang van industriële boerderijen teruggebracht worden tot die van een kleine eenheid.

Diversiteit in energievoorziening

Dezelfde redenering gaat op voor de rationele ontwikkeling van energiebronnen. De industriële revolutie vergrootte wel de hoeveelheid energie beschikbaar voor industriële doeleinden maar verhinderde tegelijkertijd het aantal gebruikte soorten energie. Daarvóór had men zich weliswaar in hoofdzaak verlaten op menselijke en dierlijke spierkracht, maar toch waren in Europa overal complexe patronen van energiegebruik ontstaan, waarbij op subtiele wijze het gebruik van bronnen als wind en water en een groot aantal brandstoffen zoals hout, turf, steenkool, plantaardige en dierlijke vetten waren geïntegreerd.

Deze regionale energiepatronen werden door de industriële revolutie vernietigd en vervangen door andere patronen waarbij men eerst op een enkele bron en later op twee bronnen was aangewezen.

De regio als model van een geïntegreerd energiepatroon moest verdwijnen, en daarmee ging de idee van een integratie door middel van diversiteit verloren. Hierboven werd al opgemerkt dat op deze ma-nier de bij uitstek op mijnbouw aangewezen regio’s ontstonden waar men zich bepaalde tot het onttrek-ken van één hulpbron aan de bodem. Andere kregen de status van industriegebied, veelal uitsluitend belast met de productie van één enkel product. We zullen het dan maar niet hebben over de rol die de afbraak van de regionale beheersvorm heeft gespeeld bij de water- en luchtverontreiniging, de schade die er door is toegebracht aan grote gebieden van het platteland en over het vooruitzicht van uitputting van de kostbare bodemschatten.

Een mogelijkheid is kernenergie. Maar als enige bron van energievoorziening levert dat het weinig aantrekkelijke beeld van dodelijk gevaarlijk radioactief afval waarmee we zullen blijven zitten. Tenslotte zal het gebruik van radioactief materiaal leiden tot een uitgebreide besmetting van het milieu, eerst ongemerkt en later op massale en destructieve schaal.

We zouden daarentegen ook de oplossing van de energieproblemen kunnen zoeken in de toepassing van ecologische principes. De vroegere regionale energiepatronen zouden opnieuw moeten worden ingesteld, in de vorm van gecombineerd gebruik van wind-, water- en zonne-energie. We zouden ons vandaag verzekerd weten van de hulp van apparaten waarvan men in het verleden geen notie had. Bijvoorbeeld windturbines die in een heuvelachtig gebied voldoende energie leveren om een stad van 50.000 inwoners van elektriciteit te voorzien. Of apparaten voor het opvangen van zonnewarmte die zo geperfectioneerd zijn dat ze de hoge temperaturen verdragen die anders aanleiding zouden geven tot materiële problemen. Tezamen met warmtepompen gebruikt, leveren vele daarvan voldoende energie om de warmtevoorziening van kleine huizen voor zo’n driekwart aan te kunnen.

Op zich geven zulke apparaten geen oplossing voor de energieproblemen en de ecologische ontreddering waartoe de conventionele brandstoffen hebben geleid. Worden ze daarentegen in elkaar gepast als in een mozaïek, duidelijker gezegd als in een organisch patroon, dat voortspruit uit de mogelijkheden die een gebied heeft, dan kunnen ze ruim voorzien in de behoeften van een gedecentraliseerde samenleving. In warme en zonnige gebieden kan men de zonne-energie als de belangrijkste vorm van energie gebruiken; in een gebied met onstuimige luchtstromingen kan men zich in hoofdzaak richten op windturbines en in andere gebieden, die sterk met rivieren doorsneden zijn, kan men zich voor het overgrote deel verlaten op hydro-elektrische installaties. In alle gevallen zouden we gebruik maken van een mozaïek van niet-fossiele energiebronnen, aangevuld met conventionele brandstoffen en kernenergie. Met andere woorden: door het aanbrengen van onderscheidenheid in energiebronnen en door ze te organiseren in een ecologisch uitgebalanceerd patroon, kunnen we een regio met een combinatie van wind-, zonne- en waterkracht voorzien in alle behoeften, industrieel en huishoudelijk, met slechts een kleine aanvulling van brandstoffen. Uiteindelijk zullen we voldoende onderlegd zijn om zodanige installaties te ontwerpen dat daardoor alle gebruik van schadelijke energie- bronnen kan worden uitgebannen.

Diversiteit en decentralisatie

Maar zoals ook in het geval van de landbouw werd opgemerkt, veronderstelt de toepassing van ecologische principes op de energievoorziening een wijd- reikende decentralisatie van de maatschappij en een echt regionaal begrip van sociale organisatie. Om een grote stad te onderhouden zijn geweldige hoeveelheden brandstof nodig - bergen steenkool en hele oceanen olie. Zonne-, wind- en waterenergie daarentegen kunnen alleen maar geleverd worden in kleine hoeveelheden. Heel grote stuwdammen uitgezonderd, leveren de nieuwe installaties zelden meer dan een paar duizend kilowattuur elektriciteit. Het is moeilijk te geloven dat we er ooit in zullen slagen om zonnecollectoren te construeren die net zoveel energie zullen produceren als een stoomturbine; het is evenmin voor te stellen dat een batterij van windturbines voldoende kracht zal produceren om het centrum van New York te verlichten. Als huizen en fabrieken op een klein gebied zijn geconcentreerd, blijven de apparaten en installaties om schone energie te produceren speelgoed. Maar als stedelijke gemeenschappen worden verkleind en meer verspreid over een regio, is er geen reden aan te geven waarom deze installaties niet gecombineerd kunnen worden teneinde ons te voorzien van alle gerieven van de geïndustrialiseerde samenleving. Om effectief gebruik te maken van water-, wind- en zonnekracht is het noodzakelijk dat de “megalopolis” gedecentraliseerd wordt. Een nieuw type van gemeenschap dat zorgvuldig is afgestemd op de kenmerken en hulpbronnen van een regio moet er komen ter vervanging van de uitgebreide stedengordels die zich op het moment ontwikkelen.

Decentralisatie en luchtvervuiling

Een objectieve argumentatie voor decentralisatie hoeft zeker niet beperkt te blijven tot de landbouw en de problemen die worden opgeworpen door het huidige energieverbruik. De geldigheid van het decentralisatie-argument kan worden bewezen aan de hand van bijna alle 'logistieke' problemen van onze tijd. Als voorbeeld kan dienen het problematische geval van het transport. Er is nogal veel te doen geweest laatstelijk over de schadelijke effecten van bezineverbruikende motorvoertuigen, over hun verspilling, over hun aandeel in de luchtverontreiniging, over het lawaai waarmee ze de bewoners van de stad het leven zuur maken, over de enorme tol die een stad jaarlijks aan ze moet betalen in de vorm van verkeersslachtoffers. In een sterk verstedelijkte samenleving is het geen oplossing om ze te vervan-gen door schonere, effectievere en zo goed als geluidloze en zeker verkeersveiligere elektrische voertuigen. Die moeten zo om de 150 km hun batterijen herladen, zodat hun bruikbaarheid als transportmiddel in een grote stad gering is. In kleine, gedecentraliseerde gemeenschappen echter zijn ze bijzonder goed te gebruiken als vervoermiddel voor de korte stedelijke en middellange regionale af-standen terwijl voor de lange afstanden monorails in aanmerking komen.

Hoewel het bekend is dat met benzinemotoren voortgedreven auto’s in zeer sterke mate bijdragen tot de luchtverontreiniging, probeert men de kwalijke gevolgen van het autogebruik op allerlei manieren te bagatelliseren. Het is kenmerkend voor onze tijd dat men probeert om alle irrationaliteiten op te lossen met behulp van een technisch snufje. Voorbeelden daarvan treft men aan op allerlei gebieden: naverbranders voor giftige uitlaatgassen, tranquillizers voor psychische moeilijkheden. Het probleem van de luchtverontreiniging is echter heel wat hardnekkiger dan wel uit deze oplossing zou blijken. In de grond van de zaak ligt de oorzaak voor luchtverontreiniging bij de te hoge bevolkingsdichtheid.

De miljoenen opeengepakte mensen in een stedelijk gebied produceren alleen al met hun dagelijkse bezigheden een enorme lokale verontreiniging.

Ze moeten brandstof gebruiken in huizen en fabriek, ze moeten gebouwen neerzetten of afbreken (wat een belangrijke bijdrage levert tot de luchtverontreiniging), ze moeten een enorme hoeveelheid afval kwijt, ze gebruiken rubberbanden (waarvan de erosie ook merkbaar bijdraagt aan de lucht-verontreiniging). Het is duidelijk dat ook als we apparaten ontwikkelen om de schadelijke effecten van benzinegebruik te beperken, het rendement daarvan in ruime mate zal worden teniet gedaan door de toekomstige ontwikkeling van reuzesteden. Hiermee is men over de door decentralisatie gecreëerde mogelijkheden om tot andere sociale vormen te komen nog lang niet uitgepraat. Maar anarchisme houdt wel wat meer in als gedecentraliseerde gemeenschappen. Deze mogelijkheden werden hier alleen maar wat uitgebreider besproken om te laten zien dat een anarchistische gemeenschap i.p.v. een ver verwijderd ideaal, een absolute voorwaarde is om ecologische principes in de praktijk te kunnen brengen. De kritische inhoud van de ecologie kan zo worden samengevat: wanneer we de natuurlijke verscheidenheid verminderen, vernietigen we de eenheid van de natuur, haar samenhang en de kracht die haar harmonie en stabiliteit verzekert, de kracht die voor blijvend evenwicht zorgt. Wellicht het belangrijkst is dat we op die manier een omkering bewerken van de ontwikkeling van de natuurlijke wereld, zodat ze uiteindelijk niet langer in staat zal zijn om hogere vormen van leven te dragen en te onderhouden. Samengevat luidt de reconstructieve boodschap van de ecologie: willen we eenheid en stabiliteit van de natuurlijke wereld herstellen, bewaren en op hoger niveau brengen, dan moeten we de verscheidenheid in stand houden en bevorderen. Vergroting van de verscheidenheid is natuurlijk geen doel op zich. In de natuur ontstaat verscheidenheid spontaan. De kansen van een nieuwe soort moeten worden afgemeten aan de klimatologische omstandigheden, aan de omgang met roofvijanden en zijn verder afhankelijk van de mogelijkheden die een nieuwe soort heeft om haar niche te bezetten en uit te breiden. Slaagt ze daar in dan vergroot ze niet enkel haar eigen plekje, maar vergroot ze de mogelijkheden van het ecosysteem als geheel.

Diversiteit als maatstaf voor ontwikkeling

Hoe kunnen nu deze begrippen (uitbreiding van de ecologische situatie, variatie etc.) sociaal-theoretisch worden toegepast?

Voor velen zal het voldoende zijn erop te wijzen dat in zoverre de mens deel uitmaakt van de natuur, een zich uitbreidend natuurlijk milieu de basis vergroot voor sociale ontwikkeling. Het antwoord op deze vraag gaat echter verder dan ecologen en libertairen kunnen vermoeden Laten we daarom nog eens terugkeren naar het ecologisch beginsel volgens hetwelk verscheidenheid samenhang en evenwicht produceert. We denken daarbij in de eerste plaats aan de opvatting van Herbert Read, volgens welke differentiatie (verscheidenheid, of welke naam men er ook aan geven wil) van een samenleving een indicatie vormt voor de mate waarin ze zich heeft ontwikkeld. Die ontwikkeling beweegt zich tussen de uitersten gevormd door een maatschappelijk kader waarin de individuen volledig zijn ingepast als het ene, en een samenleving van individuen, waarbij ieder op zich een eenheid is, met eigen ruimte en een potentieel om zelfstandig te handelen en zich te ontwikkelen als het andere uiterste. De gedachte van Read is helaas niet tot haar uiterste consequentie doorgevoerd. Er wordt echter wel uit duidelijk dat ecologen en anarchisten overeenstemmen in de nadruk die ze leggen op spontaniteit. De ecoloog, voor zover hij meer is dan een technicus, verwerpt het begrip ‘macht’ als het over de natuur gaat. In plaats daarvan spreekt hij over een ecologische situatie beheren liever dan over het herscheppen van een ecosysteem. De anarchist, op zijn beurt, heeft het over de sociale spontaniteit, over het ontketenen van de menselijke en maatschappelijke mogelijkheden, over het overdragen van alle macht aan de ongebreidelde creativiteit van alle mensen. Ieder op zijn manier verwerpt de autoriteit als een remmende factor, als een last die de creatieve mogelijkheden van een natuurlijke of sociale situatie beperkt. Hun doel is het niet om een bepaald gebied te beheersen maar om het vrij aan zichzelf over te laten.

Ze beschouwen inzicht kennis en verstand als middelen om de mogelijkheden van een situatie tot werkelijkheid te maken, in plaats van deze te willen vervangen door een stelsel van vooropgezette begrippen of dogma's die hem in zijn ontwikkeling remmen.

Het volgende dat ons opvalt aan Read’s tekst is dat ecoloog èn anarchist differentiatie beschouwen als een maat voor ontwikkeling en vooruitgang. Om biologische vooruitgang aan te geven gebruikt de ecoloog de term 'biotische piramide’. De anarchist heeft de term 'individuatie’ voor sociale vooruitgang. Gaan we verder dan Read, dan zullen we merken dat ecoloog en anarchist beide van mening zijn dat een voortdurend uitdijend geheel bereikt kan worden door toenemende differentiatie. Een expanderend geheel ontstaat door diversificatie en verrijking van de delen.

Zoals de ecoloog probeert om met zorg het bereik van een ecosysteem uit te werken en te zorgen voor een vrijer samenspel van de soorten, zo probeert de anarchist met gelijke zorg de omvang van de sociale ervaring te bewerken en alle hindernissen die de ontwikkeling ervan in de weg staan te verwijderen. Anarchisme betekent niet enkel een samenleving zonder staat, maar evenzogoed een geharmoniseerde samenleving, die de mens de gelegenheid geeft een groot scala van ervaringen door te maken, zoals die te vinden zijn in een leven dat de tegengestelde condities in zich verenigt van het platteland en de stad, van fysieke en verstandelijke activiteit, die condities waaronder noch de zintuigen worden onderdrukt noch de geest aan banden wordt gelegd, waaronder de individuele ontwikkeling aangespoord wordt, een ontwikkeling gekenmerkt door spontaniteit en zelfdiscipline; condities waaronder zware en moeizame lichamelijke inspanning geen bestaan meer heeft en veel productie op handwerk berust. In onze gespleten samenleving heten deze doelen elkaar uit te sluiten. Dat ze zo opgevat worden kan wellicht verklaard worden uit de logistiek van deze samenleving, uit haar structuur waardoor er tussen stad en platteland zo'n grote kloof bestaat, waardoor de arbeidsspecialisatie zover doorgevoerd is en de mens geatomiseerd. Pas in een anarchistische samenleving kan aan deze tegenstelling een einde worden gemaakt. Hoe zo'n samenleving eruit moet zien, daarvan geven de geschriften van William Morris en Kropotkin een idee. Maar daarin komen natuurlijk niet tot uitdrukking de gevolgen van de vlucht die de technische ontwikkeling na de tweede wereld oorlog heeft genomen. Evenmin trouwens als de bijdragen van de ecologie tot de vooruitgang. In een zo algemene bespreking als deze kunnen we niet dieper ingaan op de zogeheten utopische geschriften. Wel kunnen we een paar hoofdlijnen aangeven van een toekomstige samenleving.

Anarchistische gemeenschap

Deze kleine gemeenschappen moeten economisch goed uitgebalanceerd zijn, zodat ze ten volle de plaatselijk voorradige grondstoffen en energiebronnen kunnen gebruiken. Wie voorkeur heeft voor het werk van ingenieur moet aangemoedigd worden om ook eens op het land te werken; wie het liefst met zijn hoofd werkt zal ook zijn spieren moeten leren gebruiken en de geboren boer zal moeten weten hoe de graanmolen werkt. Wordt de ingenieur van de grond, de boer van de meelfabriek en de denker van de spade gescheiden dan is daarvan wellicht een overspecialisatie het gevolg, die zal leiden tot een gevaarlijke controle van specialisten over het sociale leven. Net zo belangrijk is dat zulke specialisatie het de gemeenschap onmogelijk zal maken het vitale doel van 'vermenselijking' van de natuur en van 'vernatuurlijking' van de gemeenschap te verwezenlijken.

Een anarchistische gemeenschap moet gedecentraliseerd zijn, niet alleen om een blijvende basis te scheppen voor de harmonisatie van mens en natuur, maar evenzeer om de harmonie van de mensen onderling een nieuwe dimensie te geven. Door decentralisatie worden de persoonlijke relaties bevorderd en deze zijn op hun beurt de voorwaarde om te komen tot een goedwerkend, democratisch bestuur. Elektronische middelen voor communicatie zullen zoveel mogelijk vermeden moeten worden, om zodoende de mensen gelegenheid te geven in direct contact met elkaar te treden. Collectieve beslissingen zullen zo genomen moeten worden dat ieder lid van de gemeenschap optimaal in staat wordt gesteld de spreker van de algemene vergadering naar zijn beweegredenen te vragen, ze met hem te bediscussiëren enz.; in het openbaar maar ook in een persoonlijk onderhoud.

Waarschijnlijk zal een anarchistische gemeenschap veel verwantschap tonen met een doorzichtig ecosysteem wat verscheidenheid, afgewogenheid en harmonische samenhang betreft. Of zo’n ecosysteem de vorm zal hebben van een stedelijke eenheid met een afzonderlijk centrum, zoals dat heeft bestaan in de Griekse polis of de middeleeuwse gemeenschap, valt te betwisten. Wellicht zal ze uit enkele kleinere gemeenschappen bestaan zonder een echt centrum. In beide gevallen zal de ecologische schaal de kleinste biome zijn die in staat is om een populatie van bescheiden afmetingen te onderhouden.

Een gemeenschap die tot op zekere hoogte zichzelf in haar behoeften kan voorzien, en die waarneembaar van de haar omringende natuurlijke wereld afhankelijk is wat haar bestaansmiddelen betreft, zal opnieuw besef krijgen van de organische relaties waarop ze steunt. Zo'n streven naar autarkie zal op de lange duur efficiënter blijken te zijn dan het bestaande systeem van nationale arbeidsverdeling. Ongetwijfeld zal zo'n systeem vereisen dat kleine industriële installaties vermenigvuldigd moeten worden. Daar staat tegenover dat de bekendheid van iedere groep met zijn omgeving en haar worteling in het gebied, een intelligenter en liefdevoller gebruik van de omgeving bevordert. Relatieve zelfvoorziening kan, in plaats van provincialisme, een nieuw patroon scheppen voor individuele en gemeenschappelijke ontwikkeling, in een eenheid met de omgeving die de hele gemeenschap met nieuwe levenskracht vervult.

Voor het individu betekent het afwisselend dragen van verantwoordelijkheid als burger, als ambtsdrager of als beroepsbeoefenaar dat al zijn mogelijkheden worden ontwikkeld, al zijn zintuigen gescherpt. In een complete samenleving mogen we hopen complete mensen te kunnen worden. De idee van zo’n volledigheid is de westerse wereld bekend uit het voorbeeld van de Atheense polis. Daar had men slechts eerbied voor complete mensen en werden zij die slechts in één vaardigheid uitblonken met verachting bejegend. Met minder dan dit kan een anarchistische samenleving toch zeker geen genoegen nemen.

Wordt ooit de hierboven gepoogde verweving van anarchistische met ecologische principes in praktijk omgezet, dan mag men daarvan een sterke stimulering van het sociale leven verwachten, met als uiteindelijk resultaat een groeiende harmonie tussen mens en natuur. We zullen dan een bont patroon van ecosystemen te zien krijgen, zich uitspreidend over regio’s en continenten, waarvan elk zijn specifieke mogelijkheden probeert te realiseren en zijn leden een groot aantal uiteenlopende uitdagingen voorschotelt, op het gebied van economie, cultuur en gedrag. Binnen dit gezichtsveld valt een verscheidenheid van opwindende, soms zelfs dramatische, communale vormen, waarvan sommige gekenmerkt worden door industriële en architecturale aanpassingen aan half- woestijnachtige omstandigheden, andere aan die van steppen en weer andere aan die van bossen. Tussen individu en groep zal een zelfde dynamische verhouding bestaan als tussen gemeenschap en omgeving, tussen mens en natuur. Van onderdrukkende routine bevrijd, van verlammende verdrukkingen en onzekerheden verlost, van de last van zware lichamelijke arbeid en valse behoeften ontheven, van de kluisters der autoriteit en van irrationele dwang ontdaan zal het individu voor het eerst in de geschiedenis in een positie verkeren waarin hij zijn vermogens als lid van de menselijke gemeenschap en van de natuurlijke wereld volledig tot ontplooiing kan brengen.

Opmerkingen over het 'klassieke' anarchisme en de moderne ecologie

De toekomst van de anarchistische beweging zal sterk afhangen van haar mogelijkheden om de fundamentele libertaire principes toe te passen onder histories nieuwe omstandigheden. Welke deze principes zijn is niet zo moeilijk te zeggen: het streven naar een staatloze, gedecentraliseerde samenleving die gebaseerd is op het gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen. Een anarchistische ethiek is er ook. Bakoenin heeft ze prachtig samengevat in de woorden: ”We kunnen, zelfs niet als een revolutionaire overgangsperiode, een zgn. revolutionaire dictatuur toestaan, omdat de revolutie als ze in de handen raakt van een klein aantal individuen, onvermijdelijk en onmiddellijk zal leiden tot een reactionaire ontwikkeling.” Het woord 'klassiek' is in de bovenstaande titel met opzet tussen aanhalingstekens gezet, omdat het nogal merkwaardige bijbetekenissen heeft die niet zo erg van toepassing zijn op een beweging die van nature het karakter heeft van een beeldenstorm.

Anarchisme is een geheel van onvergankelijke idealen, die de mens gedurende duizenden jaren, in alle gebieden van de wereld, heeft proberen te verwezenlijken. In de loop der tijden is de context van deze idealen veranderd, terwijl de fundamentele libertaire beginselen in die tijd nauwelijks veranderd zijn. Essentieel is dat anarchisten de veranderende historische omstandigheden waaronder de idealen werden toegepast leren begrijpen, opdat ze niet nodeloos in oude formules blijven steken.

Historische varianten van het anarchisme

In de moderne wereld verscheen het anarchisme het eerst als een beweging van boeren, gericht tegen de afbrokkelende feodale instellingen. Belangrijke woordvoerders waren Thomas Münzer in Duitsland en Gerrard Winstanley in Engeland. Hun begrippen waren zeer goed afgestemd op de noden van de tijd, waarin de meerderheid van de bevolking op het land leefde en de grootste revolutionaire kracht bij de boeren lag. Of zij hun doelen hadden kunnen bereiken is een academische kwestie; van belang is veeleer dat

ze hun tijdgenoten wisten aan te spreken, dat hun noties als van nature aansloten bij het leven op het land, van waaruit het boerenleger zijn soldaten rekruteerde.

Bij Jacques Roux, Jean Varlet en anderen van de Franse Revolutie vonden goeddeels dezelfde begrippen opnieuw hun toepassing onder nieuwe historische omstandigheden. Het Parijs van 1793, een stad van zo’n 700.000 inwoners, werd vooral bevolkt door winkeliers, handelaars, handwerkslieden, dagloners, arbeiders, zwervers en armelui. Roux en Varlet richtten zich tot een volk van klasselozen, dat misschien nog het best te vergelijken zou zijn met de negerbevolking van een achterbuurt in een grote Amerikaanse stad. Hun anarchisme is 'verstedelijkt’; het is gericht op de noodzaak de honger te stillen van de armen uit het district van Gravilliers, die onder bijzonder erbarmelijke omstandigheden leefden. Hun agitatie was veeleer geconcentreerd op de kosten van levensonderhoud, dan op de verdeling van het land en op controle over het bestuur van Parijs door het volk, dan op het stichten van agrarische communes.

Proudhon heeft op zijn manier tot de essentie van deze omstandigheden weten door te dringen. Zijn stem gold zonder meer de noden van de handwerksman, wiens wereld en waarden bedreigd werden als gevolg van de industriële revolutie. Hij had trouwens een niet onaanzienlijk deel van zijn leven buiten Parijs doorgebracht, in verschillende kleine dorpen, waarvan de invloed in bijna al zijn geschriften doorklinkt. De Parijzenaren die in 1830 'de hemel bestormden’ en in 1848 in opstand kwamen, die in 1871 de Commune stichtten, waren bijna allemaal handwerker en niet fabrieksarbeider; zij zouden Proudhons ideeën trouw blijven. De Proudhonisten waren mensen van hun tijd die te maken hadden met de problemen waaruit de meeste sociale onrust in Frankrijk voortkwam: de afschuwelijke beëindi-ging van het handwerkersvak.

Met de opkomst van het industriële proletariaat in de tweede helft van de negentiende eeuw ziet het anarchistische denken zich geplaatst voor nieuwe historische omstandigheden. De meest effectieve uitdrukking daarvan vind je niet zozeer in de geschriften van Kropotkin en Bakoenin, maar in de opstellen en toespraken van Christiaan Cornelissen, Pierre Monatte, 'Big Bill' Haywood, Armando Borghi en Ferdnand Pelloutier, kortom bij de anarcho-syndicalisten. Het behoeft ons niet te verbazen dat vele leidende anarcho-syndicalisten later zijn afgegleden tot een reformistische vakbondsopvatting. Ze volgden wat dat betreft de algemene trend van de industriële arbeidersklasse, die nu eenmaal meer en meer verwikkeld raakte in de burgerlijke maatschappij. Terugblikkend zien we dat de anarchistische principes, voor zover ze meer waren dan persoonlijke ideeën van een handjevol intellectuelen, die volkomen op zichzelf stonden, altijd ingebed waren in een historische context. Vóór de Franse revolutie doemden anarchistische noties op uit de deining van de boerenstrijd. Tussen de Franse revolutie en de Commune van Parijs werden deze doctrines meegedragen in het verzet der handwerkers. En tussen de Commune en de Spaanse revolutie van 1936 was het anarchisme, evenals het marxistische socialisme, opgenomen in de eb en vloed van het lot van het industrieproletariaat.

Anarchisme onder de huidige omstandigheden

Over de hele wereld komt nog boerenstrijd voor; in de dorpen van Azië, Latijns-Amerika en Afrika ligt de bron van veel en hevige strijd. Nog steeds zijn er handwerkers wier sociale positie ondermijnd wordt door de moderne technologie, en miljoenen industriearbeiders zijn nog dagelijks verwikkeld in een nietsontziende klassenstrijd. Vele aspecten van de oude anarchistische programma’s zijn ook nu nog, door latere denkers ontwikkeld en verbeterd, van toepassing in grote delen van de wereld.

Dat doet niet af aan het feit dat er in de V.S. en in Europa een nieuwe context zich begint af te tekenen voor anarchistische principes. Deze context wordt gekenmerkt door het ontstaan van enorme stedelijke agglomeraties, door toenemende centralisering van het sociale leven in een staatskapitalisme, door de uitbreiding van de geautomatiseerde arbeid tot alle gebieden van de productie, door het gebruik van ’welzijnstechnieken’ om materiële onvrede te smoren, door een toenemend vermogen van de bourgeoisie, beter: de staat, om economische crises te bezweren, door de ontwikkeling van de waren-economie. Dit nieuwe tijdperk van staatskapitalisme, dat volgt op het oude 'laisser faire’ kapitalisme, moet door anarchisten serieus genomen worden, zonder op eerdere dictaten van de anarchistische stromingen een beroep te doen. Wordt geen antwoord gevonden op deze uitdaging van de revolutionaire theorie dan zal alle vooruitgaande beweging gedoemd zijn in haar tegendeel te verkeren. De ecologische benadering geeft de nieuwe problemen een zinvolle discussiebasis, ruimer dan de vroegere syndicalistische benadering deed. Het leven zelf dwingt de anarchist zich meer en meer bezig te houden met de kwaliteit van het leven in de stad, met de reorganisatie van de maatschappij tot een menswaardige, met de subcultuur van nieuwe, nauwelijks te definiëren groepen - studenten, werklozen, de intellectuele bohème en vooral de jongeren die in de vredesbeweging tot sociaal bewustzijn kwamen. De opkomst van een geautomatiseerde computertechnologie houdt alle groepen en klassen in een voortdurende toestand van sociale mobiliteit en onzekerheid. Het moet als een onmogelijkheid worden beschouwd om met enige zekerheid het beroepsperspectief van de meeste mensen uit de westerse wereld te voorspellen.

Tegelijk echter houdt deze technologie de belofte in van een aanstaande en werkelijk bevrijde maatschappij. Deze belofte moet de anarchistische beweging, vóór alle andere, onderzoeken, tot in haar uiterste consequenties. Ze moet deze technologie in zich opnemen en de ontwikkeling, toepassing en mogelijkheden ervan in humanistische termen onthullen. Alleen het anarchisme kan de belofte van de moderne technologie met een organisch perspectief, met een op de mens gerichte betekenis vervullen. Er zijn al genoeg zogenaamde utopieën, die allemaal meer overeenkomst hebben met die van Orwell, of met die van Huxley dan met die van Thomas More. Hoogstwaarschijnlijk zal, indien de anarchistische beweging deze verantwoordelijkheid niet ernstig neemt en zich niet volledig richt op de taak de belofte van de techniek te vertalen in een geheel van richtlijnen, een technocratische, mechanistische benadering van het denken over de toekomst die die taak op zich nemen en de toekomst beheersen. De mens zal dan gedwongen worden te leven in zogenaamd verbeterde versies van de moderne stads- gewrochten, in een massasamenleving, een gecentraliseerde, bureaucratische staat. Dat deze gedrochten een lang leven beschoren zal zijn valt moeilijk te geloven. Het zal er overal gisten van onrust; ze zullen spoedig afglijden naar een nieuwe vorm van barbarij en tenslotte aan de wraak van de natuur ten onder gaan. Het sociale conflict zal dan worden gereduceerd tot haar meest elementaire vormen. Het is dan nog maar de vraag of de mensheid ooit het uitzicht op een libertaire samenleving zal herwinnen.

De geschiedenis herhaalt zich

In dit histories proces gaat een fascinerende dialectiek schui1. Onze tijd lijkt heel veel op de Renaissance, zo’n vier eeuwen geleden. In de tijd van Thomas More tot Valentin Andreae bracht het verval, van de feodale maatschappij een heel eigenaardige sociale sfeer voort; er ontstond een niet nader omschrijfbare epoche waarin de oude instellingen hun kracht verloren hadden en er nog geen nieuwe waren ontstaan. Van de last der traditie bevrijd, verwierf het menselijk denken vermogens tot generalisatie en verbeelding die tot dan toe voor onmogelijk waren gehouden. Vrijelijk het gehele terrein van de ervaring doorkruisend, produceerde dit denken verbazende visies die vaak het kader van het voor die tijd mogelijke verre te buiten gingen, Het was een tijd waarin nieuwe mogelijkheden oude werkelijkheden vervingen en de onderscheiden trekken van de feodale maatschappij vervaagd waren; een tijd waarin de mens, ontdaan van de banden der traditie, van een door afkomst en traditie bepaald in een vitaal en zoekend wezen veranderde. Tegelijk met de feodale klassen raakten de middeleeuwse waarden in onbruik. Een nieuwe sociale mobiliteit, een rusteloos en bijna zigeunerachtig verlangen naar verandering door waarde de westelijke wereld. Uit de stroom van al dit kristalliseerde zich mettertijd de burgerlijke maatschappij, met geheel nieuwe instellingen, klassen en waarden… en nieuwe ketens ter vervanging van de feodale beschaving. Tot die tijd echter had de wereld haar boeien van zich weten te werpen en gezocht naar een bestemming die nog veel minder vaste omtrekken had dan wij ons nu met onze historische houding voorstellen. Deze toekomstige wereld blijft ons bij als een onvergetelijke ochtendstond, rijk gekleurd en van een onuitspreekbare schoonheid, die de gelofte draagt van een spoedig verrijzen.

Nu, in de laatste helft van de 20ste eeuw, leven we eveneens in een periode van sociale desintegratie. De oude klassen vallen uiteen, de oude waarden gaan verloren, de oude instellingen, die in twee eeuwen van kapitalistische ontwikkeling werden opgebouwd, vergaan onder onze ogen. Als onze voorvaderen uit de Renaissance leven wij in een tijdperk van onbegrensde mogelijkheden en net als zij zoeken wij naar de richting waar het eerste licht aan de horizon zal verschijnen.

Van het anarchisme kan toch niet worden verwacht dat ze zich bezig houdt met het oppoetsen van een paar negentiende-eeuwse denkbeelden. In tijden waarin er zo’n gebrek is aan stabiliteit, is er in iedere decennium een hoeveelheid verandering samengeperst, die anders de tijd van een generatie zou vragen. We moeten verder kijken, naar de eeuw die voor ons ligt. In het bevrijden van de menselijke verbeelding kunnen we niet buitensporig genoeg zijn.

namespace/ecologie_en_revolutionair_denken.txt · Laatst gewijzigd: 11/12/19 13:22 door defiance