Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


namespace:manifest_van_de_zestien

Manifest van de zestien

Door Peter Kropotkin en Jean Grave

Het manifest van de zestien, oorspronkelijk in het Frans verschenen als het Manifeste de Seize, was een anarchistische verklaring welke tijdens de Eerste Wereldoorlog werd opgesteld door Peter Kropotkin en Jean Grave en medeondertekend door dertien andere prominente anarchisten[1]. In het statement stelt men zich op aan zijde van de Geallieerden en voor het verslaan van het Duitse Keizerrijk. Het manifest verscheen voor het eerst op 28 februari 1916 in de krant La Bataille, een controversiële socialistische krant welke de oorlog steunde. De oorlog woedde toen al anderhalf jaar.

De volledige lijst van ondertekenaars van het Manifest is:

Peter Kropotkin, Jean Grave, Christian Cornelissen, Henri Fuss, Jacques Guérin, Charles-Ange Laisant, François Le Lève, Charles Malato, Jules Moineau, Antoine Orfila, Marc Pierrot, Paul Reclus, Ph. Richard, Tchikawa (Sanshirō Ishikawa), Warlaam Tcherkesoff (Varlam Cherkezishvili).[1]

Ontvangst

De verklaring werd door de bredere anarchistische beweging slecht ontvangen vanwege het verraad van de anarchistische principes – het kiezen van de zijde van nationaalstaten en het verlaten van antimilitaristische principes. De oppositie tot de verklaring werd aangevoerd door Errico Malatesta. Nog voor het uitbreken van de oorlog schreef hij in 1914 in het blad Freedom een anti-oorlogsverklaring genaamd Anarchisten hebben hun beginselen vergeten. Als reactie op het Manifest van de zestien schreef hij vervolgens in 1916 de tekst Anarchisten voor de regering.

Hoewel Kropotkin veel aanzien genoot binnen de anarchistische beweging vanwege zijn bijdrage aan het anarchisme, raakte hij door zijn positie omtrent de Eerste Wereldoorlog steeds verder in isolement.


Het Manifest

Vanuit verschillende kanten komen stemmen op met een eis voor onmiddellijke vrede. “Er is genoeg bloedvergieten geweest” zeggen ze, “genoeg verwoesting, het is tijd om ermee te stoppen, op wat voor een manier dan ook.” Meer dan wie dan ook, en voor een lange tijd, hebben wij ons en onze kranten, tegen elke aanvalsoorlog gekeerd tussen volkeren en tegen het militarisme, ongeacht of deze het imperialistisch of republikeins uniform draagt. We zouden daarom de voorwaarden voor vrede – als dit mogelijk was - graag door de Europese arbeiders besproken zien worden in een internationaal congres. Vooral omdat het Duitse volk zichzelf in augustus 1914 liet misleiden. Als zij werkelijk geloofd hadden dat zij zich mobiliseerden ter verdediging van hun grondgebied, hadden zij de tijd om zich te realiseren dat ze bedrogen waren en men met een veroveringsoorlog was begonnen.

De Duitse arbeiders moeten inmiddels, in ieder geval in hun min of meer gevorderde organisaties, inzien dat de plannen voor de invasie van Frankrijk, België en Rusland al lang van te voren was voorbereid, en dat, als deze oorlog niet in 1875, 1886, 1911 of 1913 was uitgebroken, dit alleen was omdat de internationale betrekkingen er toen niet gunstig voor stonden en de militaire voorbereidingen nog niet voldoende waren om een overwinning voor Duitsland te garanderen. (Strategische linies moesten nog worden afgemaakt, het kanaal bij Kiel moest worden uitgebreid en grote belegeringskanonnen geperfectioneerd). En nu, na twintig maanden van oorlog en verschrikkelijke verliezen, zouden zij moeten weten dat de veroveringen die het Duitse leger hebben gemaakt, niet houdbaar zijn. Vooral omdat men zich moet realiseren dat (zoals Frankrijk in 1859 al ervoer bij het verslaan van Oostenrijk), de bevolking elk gebied zelf al dan niet moet instemmen met een annexatie.

Als de Duitse arbeiders de situatie zouden zien zoals wij die zien, en zoals deze al door een kleine minderheid van sociaaldemocraten wordt begrepen – en gehoord zouden worden door hun regering – zou er een gemeenschappelijk begin kunnen worden gemaakt aan een gesprek over vrede. Maar dan zouden zij moeten verklaren dat zij de annexaties absoluut afwijzen, of instemmen met het volgende: dat zij de “bijdragen” van de binnengevallen landen afwijzen, dat zij de plicht van de Duitse staat zien om zoveel mogelijk de materiële schade te herstellen die door de invasie van diens buurlanden is ontstaan en dat zij geen economische onderwerping zullen opleggen onder het mom van handelsrelaties. Helaas zien wij tot op heden geen enkele aanwijzing van zo een aanwakkerend bewustzijn bij het Duitse volk.

Hierover werd gesproken op de conferentie in Zimmerwald, maar daar ontbrak het aan een essentieel onderdeel: de vertegenwoordiging van de Duitse arbeiders. Er is veel aandacht besteed aan een aantal rellen die in Duitsland plaats vonden vanwege de hoge voedselprijzen. Maar we vergeten daarbij dat deze gebeurtenissen altijd tijdens grote oorlogen hebben plaatsgevonden zonder de duur hiervan werd beïnvloed. De nieuwe maatregelen die op het moment worden getroffen door de Duitse overheid, bewijzen dat deze zich voor het voorjaar op nieuwe aanvallen voorbereid. Tevens is men ervan op de hoogte dat zij, terwijl de Geallieerden hiertegen nieuwe legers zullen inzetten, voorzien van nieuwe uitrusting en met artillerie die veel krachtiger is als voorheen, tweedracht probeert te zaaien onder de Geallieerde bevolking. En dat men hiervoor middelen inzet die zo oud zijn als oorlog zelf: door het verspreiden van geruchten van een naderende vrede, waarvan alleen het leger en de leveranciers van de legers tegenstanders zijn. Dit is wat Bülow[2] en zijn administratie tijdens zijn laatste bezoek aan Zwitserland tot doel had.

Maar met wat voor een voorwaarden had hij deze vrede voorgesteld?

De Neue Zuercher Zeitung[2] denkt het te weten en het officieel dagblad Nord-deutsche Zeitung lijkt dit niet te weerspreken: het grootste deel van België zal worden geëvacueerd, maar op voorwaarde dat het niet zal herhalen wat het in augustus 1914 deed toen het zich verzette tegen de doorgang van Duitse troepen. Wat zullen deze toezeggingen zijn? De Belgische kolenmijnen? Congo? Niemand zegt het. Maar ze eisen nu al een grote jaarlijkse bijdrage. Het veroverde gebied in Frankrijk zal teruggegeven worden, evenals het deel van Lotharingen waar Frans gesproken wordt. Maar in ruil daarvoor zal Frankrijk alle Russische leningen, met een totale waarde van achttien miljard, aan Duitse staat overdragen. Dat is een bijdrage van achttien miljard die door de land- en fabrieksarbeiders zal moeten worden terugbetaald, aangezien zij degene zijn die belasting betalen. Achttien miljard om tien departementen terug te kopen die door hun werk zo rijk en welvarend geworden waren, maar nu totaal verwoest terug zullen worden gegeven.

Wat betreft de meningen in Duitsland over de voorwaarden voor vrede, is één ding zeker: de burgerlijke pers bereid het land voor op een eenvoudige annexatie van België en de departementen in het noorden van Frankrijk. En er is in Duitsland geen enkele partij die bij machte is zich hiertegen te verzetten. De arbeiders die hun stem tegen deze veroveringsoorlog hadden moeten verheffen, doen dit niet. De vakbondsarbeiders laten zich leiden door een imperialistische koorts. En de sociaaldemocratische partij, die te zwak is om de besluiten van de regering omtrent de vrede te beïnvloeden – zelfs hoewel deze een compacte massa representeert – is in twee vijandige kampen verdeeld over dit vraagstuk, waarbij de meerderheid met de regering mee marcheert. Het Duitse Rijk ziet geen reden waarom zij niet zou moeten profiteren van de veroveringen die zij al hebben gemaakt, nu haar troepen na anderhalf jaar 90 km van Parijs verwijderd zijn en zij gesteund wordt door het Duitse volk in haar dromen van een overwinning. Het gelooft dat ze in staat is om de voorwaarden voor een vrede te dicteren en de nieuwe miljarden aan bijdragen te kunnen investeren in nieuwe wapens om Frankrijk nog eens aan te vallen, om diens koloniën en andere provincies af te pakken, en niet langer angst meer hoeft te hebben voor verzet.

Om op dit moment over vrede spreken, betekend precies de Duitse regerende partij van Bülow en zijn diplomaten in de kaart te spelen. Wij weigeren om ons aan te sluiten bij de illusies van sommige van onze kameraden wat betreft de vredelievende bedoelingen van diegene die aan het roer staan van Duitsland. We kijken liever het gevaar in de ogen en kijken naar wat we kunnen doen om het dit af te wenden. Dit gevaar negeren betekent het te vergroten.

Wij waren ons er zeer bewust van dat de Duitse agressie een bedreiging was. Een bedreiging niet alleen voor onze hoop op emancipatie, maar voor de gehele menselijke evolutie. Daarom hebben wij, anarchisten, antimilitaristen, vijanden van oorlog, gepassioneerde partizanen voor de vrede en het broederschap der volkeren, ons aan de zijde van het verzet opgesteld. En dat is waarom wij ons niet verplicht voelen om ons lot van dat van de rest van de bevolking te scheiden. Wij geloven niet dat het nodig is om er op te staan dat de bevolking haar verdediging zelf in eigen hand neemt. Omdat dit onmogelijk was, zat er dan niets op om te doorstaan wat niet kan worden veranderd. Met diegene die vechten delen we dat, tenzij de Duitse bevolking haar gezonde verstand voor rechtvaardigheid en recht terugvind, en eindelijk weigert een instrument te zijn van de Pan-Germaanse politieke overheersing, er geen sprake kan zijn van vrede. Ondanks de oorlog, ondanks de moorden, vergeten wij niet dat wij internationalisten zijn; dat we de vereniging van alle volkeren voorstaan en het verdwijnen van de grenzen. Maar omdat we de verzoening van de volkeren willen, met inbegrip van het Duitse volk, zijn wij van mening dat het nodig is om verzet te bieden aan een agressor die de vernietiging van al onze hoop op bevrijding representeert.

Te spreken van vrede terwijl de partij die vijfenveertig jaar lang Europa tot een enorm, ingegraven kamp heeft gemaakt, en in staat is om diens voorwaarden te dicteren, zou de meest verschrikkelijke fout zijn die we zouden kunnen maken. Verzet bieden en hun plannen dwarsbomen, is ruimte bieden aan dat deel van de Duitse bevolking dat haar gezonde verstand heeft behouden en hen de mogelijkheid geven om zichzelf te ontdoen van de [heersende] partij. Laat onze Duitse kameraden begrijpen dat dit de enige manier is om voor beide partijen een positieve uitkomst te bereiken, en dat we klaar voor staan om met hen samen te werken.

28 februari 1916

Onder druk van de gebeurtenissen en om deze verklaring te publiceren, toen het werd gecommuniceerd aan de Franse en buitenlandse pers, hebben enkel vijftien kameraden, wiens namen hier volgen, ingestemd met deze tekst: Christian Cornelissen, Henri Fuss, Jean Grave, Jacques Guérin, Pierre Kropotkine, A. Laisant. F. Le Lève (Lorient), Charles Malato, Jules Moineau (Luik), A. Orfila, Hussein Dey (Algerije), M. Pierrot, Paul Reclus, Richard (Algerije), Tchikawa (Japan), W. Tcherkes-off.

Voetnoten

  • [1] De verklaring werd in eerste instantie door 15 anarchisten ondertekend. Bij de naam Antoine Orfila ontstond verwarring doordat het dorp vanwaar hij kwam was toegevoegd, Hussein Dey. Dit werd verward voor de naam van een persoon waardoor werd aangenomen dat het document door zestien mensen ondertekend was.
  • [2] Bernhard von Bülow (1849-1929): Minister van buitenlandse zaken voor het Duitse Rijk van 1900 tot 1909 en tijdens de Eerste Wereldoorlog diplomaat voor Duitse Rijk.
  • [3] Krant uit Zürich, Zwitserland
namespace/manifest_van_de_zestien.txt · Laatst gewijzigd: 16/10/19 10:14 (Externe bewerking)