Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen

namespace:radicale_landbouw

Radicale landbouw

Door Murray Bookchin

  • Oorspronkelijke titel: Radical Agriculture
  • Verschenen:1976
  • Bron: De As #130-131 (); Richard Merrill (ed.), Radical Agriculture; New York, 1976 p.3-13
  • Vertaling: André Bons

Radicale landbouw

Landbouw is een vorm van cultuur. Het verbouwen van voedsel is een sociaal en cultureel verschijnsel dat alleen bij mensen voorkomt. Bij dieren lijkt alles wat ergens zou kunnen worden omschreven als voedselteelt op zijn best een kortstondige activiteit; en zelfs bij mensen begon de landbouw zich pas ongeveer tienduizend jaar geleden te ontwikkelen. Maar nu voedselproductie is gereduceerd tot louter industriële techniek wordt het bijzonder belangrijk stil te blijven staan bij de culturele implicaties van de 'moderne' landbouw en aan te geven welke invloed zij niet alleen heeft op de volksgezondheid maar ook op de relatie van de mens met de natuur en op de intermenselijke verhoudingen.

Er bestaat een dramatisch verschil tussen vroegere en moderne landbouw- praktijken, Het zou zelfs heel moeilijk zijn de één te begrijpen vanuit het perspectief van de ander of om in te zien dat zij worden verenigd door welke culturele continuïteit dan ook, We kunnen dit contrast niet alleen maar toeschrijven aan verschillen in technologie. De landbouw in de huidige tijd is duidelijk kapitalistisch van aard; ze ziet de verbouw van voedsel als een zakelijke onderneming die uitsluitend plaats moet vinden met het oog op het genereren van winst in een markteconomie. Vanuit dit standpunt is grond een vervreemdbare waar die 'onroerend goed’ wordt genoemd, de bodem een 'natuurlijke hulpbron' en voedsel een ruilwaarde die op onpersoonlijke wijze gekocht en verkocht wordt met behulp van een medium dat 'geld' heet. De landbouw verschilt niet sterker van andere takken van industrie dan de staalproductie of de auto-industrie. Het is wel zo dat, naarmate de verbouw van voedsel te maken krijgt met niet-industriële factoren als het klimaat en de veranderingen van seizoenen, de voorspelbaarheid ontbreekt die het kenmerk is van een werkelijk 'rationele' en wetenschappelijk georganiseerde operatie. En omdat deze natuurverschijnselen zich onttrekken aan bourgeoismanipulatie, zijn ook zij het voorwerp van speculatie op beurzen en bij tussenhandelaren in het circuit tussen boerderij en detailhandel. In deze onpersoonlijke wereld van de voedselproductie kan het geen verbazing wekken er achter te komen dat een 'boer' vaak een piloot blijkt te zijn die de gewassen met pesticiden besproeit, een chemicus die de bodem beschouwt als een levenloze opslagplaats voor anorganische componenten, een bestuurder van enorme landbouwmachines die meer verstand heeft van machinerie dan van botanica, en, wat misschien het belangrijkst is, een financier wiens kennis van het land misschien schril afsteekt bij wat een stedelijke taxichauffeur er van weet. En het voedsel bereikt de consument in containers, zodanig bewerkt en veranderd dat er nog maar weinig is dat aan het origineel doet denken. In de moderne, glimmende supermarkt loopt de koper dromerig door een spektakel van verpakte materialen waarop de afbeeldingen van planten, vlees en zuivelproducten in plaats komen van de levende vormen waarvan ze zijn afgeleid. De fetisj neemt de vorm aan van het werkelijke verschijnsel. De relatie van het individu met een van de meest intieme natuurlijke ervaringen - voeding die onmisbaar is voor het leven - raakt hier los van haar natuurlijke oorsprong. Groenten, fruit, graan, zuivel en vlees verliezen hun identiteit als organische realiteiten en krijgen vaak de naam van de grote fabrikanten. De 'Big Mac' doet in de verste verte niet meer denken aan het levende wezen dat op pijnlijke wijze is geslacht om de consument aan voedsel te helpen.

Dit verworden denken staat in scherp contrast tot een vroegere animistische sensibiliteit, die het land beschouwde als een onvervreemdbaar, bijna heilig domein en die de verbouw van voedsel zag als een spirituele activiteit en het consumeren van eten als een plechtig sociaal ritueel. De Cayuse uit het Noordwesten waren niet de enigen die het oor te luisteren legden bij de bodem, omdat de “Grote Geest de wortels aanwees waarmee de Indianen zich kunnen voeden”, zoals een Cayuse opperhoofd het uitdrukte.[1] De bodem leefde, haar stem moest ter harte worden genomen. Dit standpunt kan inderdaad een cultureel obstakel zijn geweest bij het zich verbreiden van de verbouw van voedsel; weinig uitspraken van jagers tegen landbouw ontroeren meer dan de memorabele woorden van Smohalla: “Je vraagt mij de grond te ploegen. Moet ik een mes pakken en mijn moeders borst opensnijden? Dan zal ze me zeker niet aan haar borst drukken en me koesteren wanneer ik doodga.”[2] Toen de landbouw opkwam, hield ze de animistische sensibiliteit van de jager duidelijk in ere. De rijkdom aan mythische verhalen die verbonden is met het cultiveren van voedsel getuigt van een betoverde wereld die bruist van leven, doel en spiritualiteit. Ludwig Feuerbachs opvatting over God als de projectie van de mens miskent de mate waarin de vroegere mens wordt bepaald en beïnvloed door de natuur en in die zin een verlengde of projectie van die natuur is. Zeggen dat de vroege mensheid in 'partnerschap' leefde met deze wereld is niet de juiste benaming; de mensen leefden als deel van deze wereld - niet ernaast of erboven.

Omdat de bodem leefde en zelfs de moeder was van het leven, was het in cultuur brengen een heilige daad die rituelen vergde waarin góden werden aangeroepen en om verzoening werden gevraagd. Vrijwel elk aspect van het agricultureel proces had een sacrale dimensie, van het bewerken van de grond tot het oogsten van een gewas. De oogst zelf werd gezegend en 'het breken van het brood' was zowel een huiselijk ritueel dat elke dag weer de solidariteit tussen de verwanten bevestigde als ook een daad van gastvrije pacificatie tussen vreemdeling en gemeenschap. En nog steeds bezegelen we een overeenkomst met een drankje en vieren een belangrijke gebeurtenis met een feest. Het omhakken van een boom of het slachten van een dier vereiste verzoenende riten, die erkenden dat deze wezens leefden en dat dit leven onderdeel uitmaakte van een heilige constellatie van verschijnselen.

Hoe naïef de mythen en veel van deze praktijken de moderne mens ook mogen voorkomen, ze weerspiegelen een waarheid over de situatie waarin de landbouw zich bevond. Na het verliezen van het contact met deze 'voorwetenschappelijke' sensibiliteit - ten koste van de vruchtbaarheid van het land en van het ecologische evenwicht - weten we nu dat de bodem inderdaad vol leven zit; dat zij een bepaalde mate van gezondheid heeft, een dynamisch evenwicht en een complexiteit vergelijkbaar met elke levende gemeenschap. De details van deze kennis zijn niet nieuw; alleen, we beseffen ze op een nieuwe en holistische manier. Nog in de vroege jaren zestig beschouwde de Amerikaanse landbouwwetenschap in het algemeen de grond als een medium waarin levende organismen weinig te maken hadden met het chemische management van de voedselverbouw. Nu we de grond hebben verzadigd met nitraten, insecticiden, herbiciden en een ontstellende variatie aan gifstoffen zijn we het slachtoffer geworden van een nieuw type vervuiling dat we 'bodemvervuiling' zouden kunnen noemen. Deze gifstoffen zijn de verborgen smaakmakers aan tafel, de verhulde spoken die ons weer opzoeken als de restproducten van onze uitbuiting van de natuur. Ook hebben we in grote delen van de wereld de bodem ernstig beschadigd en haar gereduceerd tot het eenvoudige beeld van het moderne sciëntisme. Het dierlijke en plantaardige leven dat zo essentieel is voor het ontwikkelen van een voedzame, rulle bodem kwijnt weg en gaat op veel plaatsen lijken op de steriliteit van verarmd, woestijnachtig zand.

In tegenstelling daarmee definieerde de vroegere landbouw, ondanks haar imaginaire aspecten, de relatie van de mens met de natuur binnen zinnige ecologische parameters. Zoals Edward Hyams opmerkt is de houding van mensen en hun cultuur evenzeer onderdeel van hun technische uitrusting als de werktuigen die ze gebruiken. Als “de bijl slechts het fysieke werktuig [was] dat mensen vroeger gebruikten om bomen om te kappen” en “het werktuig van zijn verstand hem in staat stelde zijn bijl [doeltreffend] te hanteren”, “wat moeten we dan vinden van het werktuig van de spiritualiteit?” Dit 'werktuig' is “van die drie werktuigen datgene dat mensen in staat stelt hun handelingen te beheersen en te controleren door te refereren aan het 'gevoel' dat ze hebben voor de gevolgen van de veranderingen die ze in de omgeving aanbrengen”. Aldus zal hun bewustzijn beperkingen hebben opgelegd aan het kappen van bomen, omdat de mensen vroeger “geloofden dat bomen een ziel hebben en aanbeden moeten worden, en ze associeerden bepaalde góden met bepaalde bomen. Osiris met de acacia; Apollo met de eik en de appelboom. De tempels van veel primitieve volkeren waren heilige wouden”. Ook al zijn de mythische aspecten van deze mentaliteit evident, het feit blijft dat de mentaliteit als zodanig “buitengewoon waardevol was voor de bodemgemeenschap en daarmee op de lange duur ook voor de mens. Het betekende dat geen boom zo maar werd geveld, maar alleen wanneer het absoluut noodzakelijk was en dan alleen nog onder begeleiding van verzoeningsriten die in elk geval de functie hadden de houthakkers er voortdurend aan te herinneren dat ze gevaarlijk en belangrijk werk verrichten.”[3] We kunnen daaraan toevoegen dat als de cultuur kan worden beschouwd als een 'werktuig', een kleine accentverschuiving voldoende is om werktuigen als onderdeel van een cultuur te gaan beschouwen. Daarmee drukker we beter uit wat Hyams wil zeggen dan met zijn eigen formulering. Het reduceren van kunsten, waarden en rationaliteit tot niet meer dan instrumenten is heel kenmerkend voor de bourgeoismentaliteit - een manier van denken die zelfs is binnengedrongen in de radicale kritiek op het kapitalisme, als men tenminste mag afgaan op de teneur van de marxistische literatuur die we tegenwoordig zo overvloedig aantreffen.

Gemeenschappelijkheid

en radicale benadering van de landbouw probeert de heersende instrumentalistische visie te overstijgen die het verbouwen van voedsel alleen maar ziet als een 'menselijke techniek' die staat tegenover 'natuurlijke hulpbronnen’. Deze radicale benadering is letterlijk ecologisch in de strikte betekenis dat het land wordt beschouwd als een oikos, een tehuis. Land is noch een 'hulpbron' noch een 'werktuig', maar de oikos van ontelbare bacteriën, schimmels, insecten, regenwormen en kleine zoogdieren. De jacht laat deze oikos in wezen onberoerd, de landbouw daarentegen heeft er grote invloed op en maakt de mensheid tot een integraal onderdeel ervan. De mensen hebben niet langer een indirecte invloed op de bodem; ze interveniëren direct en indirect in de voedselketens en in de bio-geochemische cycli.

En omgekeerd wordt het moeilijk menselijke sociale instituties voor te stellen zonder te verwijzen naar de heersende landbouwkundige praktijken van een bepaalde historische periode en naar de toestand van de grond waarop die praktijken plaatsvinden. Hyams' typering van elke menselijke gemeenschap als een 'bodemgemeenschap' is treffend: in historisch opzicht speelden grondsoorten en veranderingen in agrarische technologie een grote, vaak doorslaggevende rol bij het bepalen of het land coöperatief of individualistisch bewerkt zou worden, verzoenend of uitbuitend, en dit beïnvloedde op haar beurt het heersende systeem van maatschappelijke betrekkingen. De zeer centralistische imperia van de oude wereld hadden duidelijk veel profijt van de irrigatiewerken die noodzakelijk waren voor de dorre gebieden in het Nabije Oosten; het coöperatieve middeleeuwse dorp profiteerde van vernieuwingen in landontwikkeling en ploegtechniek. Lynn White Jr. zoekt de oorzaken van de dwingende houding die het Westen heeft tegenover de natuur helemaal in de Karolingische tijd, met de opkomst van de zware Europese ploeg en de daarmee samenhangende neiging land toe te wijzen aan boeren niet op grond van de behoefte die ze hebben om hun gezin te onderhouden maar “naar hun bijdrage aan het team van ploegers.”[4] Hij ziet deze veranderde houding terug in de inspanningen van Karel de Grote om de maanden om te dopen overeenkomstig de verplichtingen die uit arbeid voortvloeien, waarbij hij eerder de nadruk bleek te leggen op arbeid dan op de natuur of op góden. “De oude Romeinse kalenders lieten af en toe taferelen zien met menselijke activiteit, maar de dominante traditie (die in Byzantium werd voortgezet) beeldt de maanden af als passieve personificaties die symbolen of voorwerpen met zich mee dragen. De nieuwe Karolingische kalenders, die de toon zetten voor de Middeleeuwen, zijn heel anders: ze laten een dwingende houding zien tegenover natuurlijke hulpbronnen. Ze zijn absoluut noordelijk van oorsprong; de olijf immers, die zo belangrijk is in de Romeinse cycli, is nu verdwenen. De voorstellingen veranderen in taferelen van ploegen, oogsten, houthakken, mensen die eikels uit de bomen slaan voor hun varkens, het slachten van varkens. De mens en de natuur zijn nu twee verschillende zaken en de mens is de baas.”[5]

Maar pas als we bij de moderne kapitalistische tijd komen gaan mens en natuur uiteen als waren ze bijna vijanden en de 'heerschappij' van de mens over de natuur neemt de vorm aan van wrede dominantie en niet slechts van hiërarchische classificatie. Het verbreken van de bijna rudimentaire gemeenschapsbanden die ooit de leden van clans, van gilden en van de broederschap van de polis verenigden in wederzijdse hulppraktijken; het reduceren van mensen tot antagonistische verkopers of kopers; de heerschappij van wedijver en egoïsme op elk gebied van het economische en maatschappelijke leven - dit alles doet elk gevoel van gemeenschap met de natuur of met de samenleving vrijwel volledig verdwijnen. De traditionele aanname dat de gemeenschap de authentieke plaats is waar het leven zich afspeelt, verdwijnt zo volledig uit het bewustzijn van mensen dat ze niet langer als relevant wordt gezien voor de toestand waarin mensen zich bevinden. Het nieuwe uitgangspunt voor het vormen van een beeld van de samenleving of van het bewustzijn is de geïsoleerde, geatomiseerde mens die voor zichzelf zorgt in een competitieve jungle. De desastreuze gevolgen van deze visie op natuur en samenleving worden duidelijk zichtbaar in een wereld die gebukt gaat onder explosieve maatschappelijke tegenstellingen, ecologische versimpeling en wijdverbreide vervuiling.

Radicale landbouw streeft ernaar het gevoel van mensen voor gemeenschappelijkheid te herstellen: op de eerste plaats door een volledige erkenning van de bodem als een ecosysteem, een biotische gemeenschap; en op de tweede plaats door een visie op landbouw als de activiteit van een natuurlijke menselijke gemeenschap, een landelijke samenleving en cultuur. Het bedrijven van landbouw wordt een praktisch, dagelijks contact tussen de bodem en de menselijke gemeenschappen, het middel waardoor die twee elkaar ontmoeten en zich met elkaar vermengen. Dit ontmoeten en vermengen kent een aantal basisveronderstellingen. Allereerst dat de mensheid deel uitmaakt van de natuur en niet boven de natuur uittorent als 'de meester' of 'de baas’. Ongetwijfeld is het menselijke bewustzijn uniek wat betreft reikwijdte en diepte van inzicht, maar uniek zijn is geen garantie tegen dominantie en uitbuiting. De radicale landbouw aanvaardt in dit opzicht het ecologische voorschrift dat zegt dat variëteit niet hoeft te worden gestructureerd langs hiërarchische lijnen, zoals we geneigd zijn te doen onder invloed van de hiërarchische samenleving. Handelingen en verhoudingen die duidelijk ten goede komen aan de biosfeer verdienen alle waardering, als uniek op hun eigen wijze en als een waardevolle bijdrage aan het totaal - niet de één boven of onder de ander, ten prooi aan onderdrukking.

Variëteit in zowel de samenleving als in de landbouw moet niet worden beperkt, maar integendeel bevorderd als iets positiefs. We weten nu maar al te goed dat hoe eenvoudiger een ecosysteem is - en hoe beperkter in de landbouw de variëteit is van de gedomesticeerde rassen waar we mee te maken hebben - des te waarschijnlijker het is dat het in elkaar klapt. Hoe complexer de voedselketens, des te stabieler de biostructuur. Dit inzicht, dat we ons tegen hoge kosten voor de biosfeer en voor onszelf hebben eigen gemaakt, weerspiegelt de oeroude richting van de evolutie. De vooruitgang van de leefwereld houdt vooral in differentiatie, kolonisering en een groeiende interdependentie van vormen van leven op een niet-organische planeet - een langdurig proces dat de atmosfeer en de landschappen heeft herschapen volgens lijnen die bevorderlijk zijn voor complexe en steeds intelligenter organismen. Het meest schadelijke aspect van de heersende landbouwmethoden, met hun nadruk op monocultuur, hybride gewassen en chemicaliën, is de versimpeling geweest in voedselteelt, een vereenvoudiging die plaatsvindt op zo'n mondiale schaal dat zij heel goed de planeet zou kunnen terugzetten naar een evolutionaire fase waarin alleen voor eenvoudige levensvormen plaats is.

Het respect van de radicale landbouw voor verscheidenheid houdt een respect in voor de complexiteit van een uitgebalanceerde landbouw: de ontelbare factoren die van invloed zijn op de voeding en het welzijn van planten; de verscheidenheid van relaties in de bodem die op verschillende plaatsen bestaat; het complexe samenspel van factoren als klimaat, geologie en het leven, die verschillen veroorzaken tussen het ene stuk land en het andere; en de vele verschillende manieren waarop culturen op deze verschillen reageren. In overeenstemming daarmee ziet de radicale landbouwer het bedrijven van land bouw niet alleen als een wetenschap, maar ook als een kunst. De verbouwer van voedsel moet in nauw contact leven met een bepaald stuk grond en een gevoeligheid ontwikkelen voor de speciale behoeften die het heeft - en dat zijn behoeften waar een benadering volgens het boekje weinig raad mee weet. De landbouwer moet participeren aan een 'gemeenschap van de bodem’ in de zin dat hij of zij zowel deel uitmaakt van een uniek biosysteem als van een gegeven maatschappelijk systeem.

Deze onderwerpen alleen maar behandelen in termen van techniek zou slechts een heel geringe vooruitgang zijn ten opzichte van de benadering die vandaag de dag in de landbouw gebruikelijk is. Een kenner van de techniek van een 'organische' benadering van landbouw is niet beter dan een gewone boer die de chemische weg bewandelt. We worden geen 'biologische boeren' door alleen maar de nieuwste bladen en handboeken op dit terrein te kiezen en evenmin worden we gezond door het consumeren van 'biologisch' voedsel dat we betrekken van de nieuwste supermarkt in de voorsteden. Het beslissende verschil tussen de organische benadering en de synthetische is de algemene houding en praktijk van de verbouwer van voedsel ten opzichte van de natuur. Op een moment waarop biologisch voedsel en zorg om het milieu modieus zijn geworden, kan het misschien goed zijn onderscheid te maken tussen de ecologische benadering van de radicale landbouw en het halfbakken 'milieu-denken' dat momenteel zo wijd is verbreid. Het milieu-denken beschouwt de natuur alleen maar als een habitat die moet worden gemanaged met minimale vervuiling ten behoeve van de 'wensen' van de samenleving, hoe irrationeel of kunstmatig die behoeften ook zijn. Een werkelijk ecologische benadering daarentegen ziet de levende wereld als een holistische eenheid waarvan de mens deel uitmaakt. Daarom moeten de behoeften van mensen hier worden geïntegreerd met die van de biosfeer, als de mensheid tenminste wil overleven. Deze integratie vereist, zoals we hebben gezien, een diep respect voor de verscheidenheid in de natuur, voor de complexiteit van natuurlijke processen en relaties en voor het werken aan een houding van wederkerigheid tegenover de natuur. Kortom, radicale landbouw impliceert niet alleen nieuwe technieken op hef gebied van de verbouw van voedsel, maar een nieuwe niet-Promefheïsche sensibiliteit tegenover land en samenleving als geheel.

Rekolonisering

Mogen we hopen dat we deze nieuwe sensibiliteit als individuen verwerven, zonder rekening te houden met de grotere sociale wereld om ons heen? Ik denk dat de radicale landbouw een dergelijke geïsoleerde benadering zou moeten verwerpen. Ofschoon individuele inspanningen ongetwijfeld een belangrijke rol spelen bij het initiëren van een brede beweging voor maatschappelijke verandering, zullen we uiteindelijk geen ecologisch houdbare relatie met de natuur opbouwen zonder een ecologische samenleving. Het moderne kapitalisme is inherent anti-ecologisch: de kernverhouding waaruit het is samengesteld - de relatie verkoper-koper - zet het ene individu op tegen het andere en op grotere schaal de mensheid tegen de natuur. De kapitalistische levenswet van de eindeloze expansie, van 'de productie ten behoeve van productie' en de 'consumptie ten behoeve van consumptie', maakt van de overheersing en uitbuiting van de natuur het 'hoogste goed' van het maatschappelijk leven en van de zelfrealisatie van de mens. Zelfs Marx valt ten prooi aan deze inherente bourgoismentaliteit op het moment dat hij aan het kapitalisme een 'grote beschavende invloed’ toekent in het reduceren van de natuur “voor de eerste keer tot niet meer dan een object voor mensen, uitsluitend een kwestie van nut”. De natuur “is niet langer een eigenstandige kracht; en de theoretische kennis van haar onafhankelijke wetten schijnt slechts een strategie te zijn die is ontworpen om haar aan de vereisten van mensen te onderwerpen.”[6]

In tegenstelling tot deze traditie is de radicale landbouw wezenlijk libertair in haar nadruk op gemeenschappelijkheid en wederkerigheid in plaats van wedijver, een accent dat we vinden in de geschriften van Peter Kropotkin[7] en William Morris. Deze nadruk kan met recht ecologisch worden genoemd voordat het begrip 'ecologie’ in de mode raakte, zelfs nog voordat het een eeuw geleden werd bedacht door Ernst Haeckel. Het idee van het versmelten van stad en platteland, van het afwisselen van specifiek stedelijke met landelijke taken, was geopperd door zogenaamd utopisch socialisten als Charles Fourier tijdens de industriële revolutie. Variëteit en diversiteit in iemands dagelijkse activiteiten - het Helleense ideaal van het alzijdige individu in een alzijdige samenleving - kreeg een fysieke tegenhanger in gevarieerde omgevingen die strikt stedelijk noch landelijk waren, maar een synthese van die twee. De ecologie bevestigde dit ideaal door te tonen dat het de voorwaarde vormde voor niet alleen het geestelijke en maatschappelijke welzijn van mensen maar evenzeer voor het welzijn van de natuur. Onze huidige tijd is veel verder gegaan dan deze visionaire benadering. Een eeuw geleden was het nog mogelijk zonder problemen het platteland te bereiken, zelfs vanuit de grootste steden en, indien men dat wilde, het stadsleven voorgoed te verruilen voor een bestaan op het platteland. Het kapitalisme had het menselijke erfgoed nog niet zo volledig weggevaagd dat men niet heel goed wist van het bestaan van buurt- enclaves, ongewone leefstijlen en persoonlijkheden, architectonische diversiteit en zelfs van dorpsleven. Hoe roofzuchtig het nieuwe industriële systeem ook was, het had de menselijke maat niet zo volledig geëlimineerd dat het individu helemaal anoniem en vervreemd was. Vandaag de dag zien we ons gedwongen te gaan wonen in half- landelijke gebieden die in wezen al geürbaniseerd zijn en we worden gereduceerd tot anonieme cijfertjes in een overweldigend bureaucratisch apparaat zonder persoonlijkheid, betrokkenheid op mensen of begrip voor individuele omstandigheden. Onze steden worden vergelijkbaar met de natiestaten van de vorige eeuw, misschien niet in omvang maar dan toch in bevolkingsaantallen. De menselijke maat is vervangen door de onmenselijke schaal. We zijn nauwelijks in staat ons eigen leven te begrijpen, laat staan de samenleving of onze onmiddellijke omgeving te besturen. Onze eigen integriteit hangt af van het verwerkelijken van het beeld dat utopisten en radicale libertairen een eeuw geleden hebben geschetst. In dit opzicht vechten we niet alleen voor een beter leven maar voor ons eigen overleven.

De radicale landbouw biedt een zinvol antwoord op deze wanhopige situatie, niet in termen van een ingebeelde vlucht naar een afgelegen agrarisch toevluchtsoord, maar van een systematische rekolonisering van het land volgens ecologische beginselen. De steden moeten worden gedecentraliseerd - en dit is niet langer een utopische fantasie maar een overduidelijke noodzakelijkheid die zelfs de conventionele stadsplanning begint te onderkennen - en nieuwe eco-gemeenschappen moeten worden gesticht, kunstig toegesneden op de ecosystemen waarbinnen ze zich bevinden. Deze eco-gemeenschappen moeten naar menselijke maat worden opgezet, zodat de hoogst mogelijke mate van zelfbeheer mogelijk is en mensen persoonlijk invloed hebben op de maatschappelijke situatie. Hier geen bureaucratisch, manipulerend, gecentraliseerd bestuur, maar een voluntaristisch systeem waarin economie, maatschappij en ecologie van een gebied worden beheerd door de gemeenschap als geheel en waarin de verdeling van de middelen van bestaan geschiedt op basis van behoefte in plaats van op basis van arbeid, winst of accumulatie.

Maar de radicale landbouw breidt deze traditie verder uit, en wel op het terrein van de technologie zelf. In het hedendaagse maatschappelijke denken wordt technologie vaak gesplitst in aan de ene kant zeer sterk gecentraliseerde arbeidsextensieve vormen en aan de andere kant gedecentraliseerde, ambachtelijke arbeidsintensieve vormen. De radicale landbouw kiest een middenkoers op basis van ecotechnologie: ze benut de tendens tot miniaturisering, wendbaarheid en kwaliteitsproductie, en streeft naar een uitgebalanceerde combinatie van massaproductie en ambachtelijkheid. Want tegelijk met de enorme, zeer gespecialiseerde technologie op basis van fossiele brandstoffen die men tegenwoordig gebruikt, zien we de opkomst van een nieuwe technologie - één die zich leent voor lokale toepassing van vele energiebronnen op kleine schaal (wind, zon en geothermisch) - die ons in staat stelt een breder gebruik te maken van kleine, voor meerdere toepassingen geschikte machines en die ons gemakkelijk kan voorzien van de hoog-kwalitatieve halfproducten die wij als individuen kunnen bereiden naar eigen behoefte en smaak. De alzijdige eco-gemeenschap van de toekomst zou zo worden ondersteund door alzijdige ecotechnologieën.[8] De mensen die in deze gemeenschappen leven, in een zeer diverse agriculturele en industriële samenleving, zouden vrij zijn zich te bedienen van de meest geavanceerde technologie zonder last te hebben van de maatschappelijke vervormingen die de stad tegenover het platteland, de geest tegenover de arbeid en de mensheid tegenover zichzelf en tegenover de natuur hebben gesteld. Radicale landbouw geeft samenhang aan al deze mogelijkheden, want we moeten met het land beginnen, al was het maar omdat het basismateriaal van het bestaan afkomstig is van het land. Dit is niet slechts een ecologische waarheid, maar ook een maatschappelijke. De soort landbouw die we bedrijven weerspiegelt en versterkt de benadering die we kiezen op alle gebieden van het industriële en sociale leven. Het kapitalisme begint historisch gezien met het ondermijnen en overwinnen van de tegenstand van de traditionele boerenwereld tegen de markteconomie. Dit kapitalisme zal nooit helemaal worden overwonnen tenzij op het land een nieuwe samenleving wordt geschapen die de mensheid bevrijdt, in de volle betekenis van het woord, en die de balans herstelt tussen samenleving en natuur.

Voetnoten

  • [1] T.C. McLuhan (ed), Touch the Earth, New York: Outerbridge & Lazard, 1971, p. 8.
  • [2] Ibid., p. 56.
  • [3] Edward Hyams, Soil and Civilization, London: Thames & Hudson, 1952, p. 274 en 276.
  • [4] Lynn White, Jr., Medieval Technology and Social Change, New York: Oxford University Press, 1962, p. 56.
  • [5] Ibid., p. 57.
  • [6] Karl Marx, Grundrisse, geredigeerd en vertaald door David McLellan, New York: Harper & Row, 1971, p. 94.
  • [7] Zie met name Peter Kropotkin, Velden, fabrieken en werkplaatsen; Fields, Factories and Workshops Tomorrow, New York: Harper & Row, 1974; Mutual Aid, Boston: Sargent Publishers, 1955; en ook Conquest of Bread. New York: New York University Press, 1972.
  • [8] Zie Murray Bookchin, Post-Scarcity Anarchism, Berkeley: Ramparts Press, 1972; (fragment: Anarchisme in het tijdperk na de schaarste
namespace/radicale_landbouw.txt · Laatst gewijzigd: 27/03/18 09:08 door defiance