Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen

namespace:trotski_protesteert_te_veel

Leon Trotski protesteert te veel

Door Emma Goldman

  • Oorspronkelijke titel: Trotsky Protests Too Much
  • Verschenen: 1938
  • Bron: Vanguard, New York City, juli 1938
  • Vertaling: Janneke van der Meulen
  • Digitalisering: Tommy Ryan

Leon Trotski protesteert te veel

Inleiding

Dit pamflet is ontstaan uit een artikel voor Vanguard, een anarchistisch maandblad dat in New York wordt uitgegeven. Het verscheen in het julinummer 1938, maar aangezien de ruimte van het blad beperkt is, kon slechts een deel van het manuscript gebruikt worden. Hier wordt het in een herziene en uitgebreide versie afgedrukt.

Volgens Leon Trotski zal kritiek op zijn aandeel in de tragedie van Kronstadt alleen maar zijn doodsvijand Stalin in de kaart spelen en deze tegen hem ophitsen. Hij beseft niet dat verachting voor de woesteling in het Kremlin en zijn wrede regime niet inhoudt dat men Leon Trotski zijn misdaad tegen de matrozen van Kronstadt vergeven kan.

Ik zie eerlijk gezegd geen duidelijk verschil tussen deze twee kopstukken van het heilzame dictatoriale systeem, afgezien van het feit dat Leon Trotski - in tegenstelling tot Jozef Stalin - niet langer de macht heeft om de zegeningen van dat systeem aan het Russische volk op te leggen.

Neen, mijn achting voor de huidige heerser van Rusland is niet hoog. Ik moet er echter op wijzen dat Stalin niet als een geschenk uit de hemel op het arme Russische volk is neergedaald. Hij houdt enkel de bolsjewistische tradities in ere, ook al zijn zijn methoden dan meedogenlozer.

Vrijwel onmiddellijk nadat Lenin en zijn partij aan de macht gekomen waren, werden de Russische massa’s stelselmatig van de revolutie vervreemd. Grove discriminatie in de verdeling van rantsoenen en woningen, schending van alle politieke rechten, voortdurende vervolgingen en arrestaties, waren al gauw aan de orde van de dag. De toenmalige zuiveringsacties richtten zich inderdaad nog niet tegen partijleden, al werden de gevangenissen en concentratiekampen ook door communisten gevuld. In dit verband kan de eerste arbeidersoppositie[1] genoemd worden, wier gelederen alras uitgeschakeld werden; hun leiders Sjljapnikov en Alexandra Kollontaj werden respectievelijk naar de Kaukasus gestuurd ‘om uit te rusten’ en onder huisarrest gesteld. Maar met alle andere politieke tegenstanders - onder andere mensjeviki, Sociaal-Revolutionairen[2], anarchisten en een groot deel van de liberale intelligentsia, arbeiders en boeren - werd korte metten gemaakt in de kelders van de Tsjeka[3], of ze werden naar uithoeken van Rusland en Siberië verbannen om een langzame dood te sterven. De theorie en methoden waarmee de Russische Revolutie vernietigd is en die het Russische volk opnieuw in de ketenen hebben geslagen, zijn met andere woorden niet door Stalin persoonlijk uitgedacht. Ik geef toe dat de dictatuur onder Stalins heerschappij monsterlijke vormen heeft aangenomen. Dat vermindert echter niet de schuld van Leon Trotski als een der hoofdrolspelers in het revolutionaire drama waarvan Kronstadt een van de bloedigste scènes was.

I.

Voor mij liggen twee nummers van Trotski’s officiële blad, The New International. Er staan artikelen in van John G. Wright, een rasechte trotskist, en van de Grootmogol zelf, bedoeld als weerlegging van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen in verband met Kroonstad. Mr. Wright is niet meer dan de echo van de stem van zijn leermeester, en hij heeft zijn gegevens hoegenaamd niet uit de eerste hand, noch was hij persoonlijk aanwezig tijdens de gebeurtenissen van 1921. Wat dat betreft sla ik Leon Trotski hoger aan. Hij heeft tenminste de twijfelachtige verdienste deel te hebben uitgemaakt van de groep die Kronstadt ‘geliquideerd' heeft. Wrights artikel bevat echter een aantal aperte misvattingen, die rechtgezet dienen te worden. Daar zal ik dan ook mee beginnen; zijn meester komt daarna aan de beurt.

John G. Wright beweert dat The Kronstadt Rebellion[4], van Alexander Berkman, ‘louter een herformulering is van de vermeende feiten en interpretaties der Sociaal-Revolutionairen met een paar onbeduidende veranderingen’ (geplukt uit The Truth about Kronstadt, Volja Rossii, Praag 1921).

De schrijver beschuldigt Alexander Berkman voorts van ‘schaamteloosheid, plagiaat en het aanbrengen, zoals zijn gewoonte is, van enige onbeduidende veranderingen, en het verzwijgen van de eigenlijke bronnen van wat hij opdient als zijn eigen indrukken’.

Alexander Berkman kan door zijn leven en werk gerekend worden tot de grootste revolutionaire denkers en strijders; hij heeft alles gegeven voor zijn ideaal. Zij die hem gekend hebben, kunnen getuigen van de oprechtheid waardoor al zijn handelingen gekenmerkt werden, en van zijn integriteit als serieus schrijver. Het zal hun zeker verrassen van Mr. Wright te vernemen dat Alexander Berkman een ‘plagiaris’ was en ‘schaamteloos’, en dat het ‘zijn gewoonte is een paar onbeduidende veranderingen aan te brengen […]’

De meeste communisten, of ze nu van de firma Trotski of Stalin zijn, zijn even goed op de hoogte van de anarchistische literatuur en haar auteurs als, laten we zeggen, de doorsnee katholiek op de hoogte is van Voltaire of Thomas Paine. Het idee alleen al dat men alvorens de tegenstander uit te schelden toch moet weten waar hij voor staat, zou als ketterij afgedaan worden door de communistische hiërarchie. Ik geloof dan ook niet dat John G. Wright opzettelijk liegt over Alexander Berkman. Veeleer denk ik dat het hem totaal ontbreekt aan kennis van zaken.

Zijn leven lang heeft Alexander Berkman dagboeken bijgehouden. Zelfs tijdens zijn veertien jaar durende lijdensweg in de Western Penitentiary zag hij kans zijn dagboek bij te houden, dat hij sub rosa naar mij toe wist te sturen. Op de Buford, het schip waarop wij onze lange, barre tocht van achtentwintig dagen maakten[5], hield mijn kameraad zijn dagboek bij, en hij bleef deze oude gewoonte getrouw gedurende de drieëntwintig maanden van ons verblijf in Rusland.

Prison Memoirs of an Anarchist, dat zelfs door conservatieve critici vergelijkbaar werd geacht met Fjodor Dostojevski’s Aantekeningen uit het Dodenhuis, was gebaseerd op zijn dagboek. The Kronstadt Rebellion en zijn Bolshevik Myth zijn eveneens het resultaat van zijn dagelijks verslag in Rusland. Het is dan ook stompzinnig om te beweren dat Berkmans brochure over Kronstadt ‘louter een herformulering is van de vermeende feiten’ uit het Sociaal-Revolutionaire boek dat in Praag verschenen is.

Deze door Wright tegen Alexander Berkman ingebrachte beschuldiging is al even onzorgvuldig als zijn bewering dat mijn oude makker de aanwezigheid van generaal Kozlovski[6] in Kronstadt ontkend zou hebben. In The Kronstadt Rebellion staat op pagina 15: ‘De gewezen generaal Kozlovski was inderdaad in Kroonstad. Hij was daar door Trotski geplaatst als artilleriespecialist. Hij speelde geen enkele rol bij de gebeurtenissen in Kroonstad.’ Dit werd bevestigd door niemand minder dan Zinovjev[7], die toen nog op het toppunt van zijn roem verkeerde. Op de buitengewone vergadering van de Petrograd-sovjet op 4 maart, bijeengeroepen om te beslissen over het lot van Kroonstad, zei Zinovjev: ‘Kozlovski is natuurlijk oud en hij kan niets doen, maar de Witte officieren staan achter hem en misleiden de matrozen.’ Alexander Berkman onderstreept echter het feit dat de matrozen niets moesten hebben van Trotski’s gewezen lievelingsgeneraal, noch accepteerden ze het aanbod voor voedselleveranties en andere hulp van Viktor Tsjernov, de leider van de rechtervleugel der Sociaal-Revolutionairen in Parijs.

Trotskisten beschouwen het ongetwijfeld als kleinburgerlijke sentimentaliteit om de belasterde matrozen zelf aan het woord te laten.[8] Ik houd echter vol dat een dergelijke behandeling van een tegenstander getuigt van vervloekt jezuïtisme en meer dan welke andere ‘heilige’ bolsjewistische tactiek ook heeft bijgedragen tot de desintegratie van de hele arbeidersbeweging.

Om de lezers in staat te stellen de misdadige beschuldigingen tegen Kronstadt te vergelijken met hetgeen de matrozen hierover zelf te zeggen hadden, volgt hier de tekst van de radioboodschap die de matrozen van Kronstadt aan de hele internationale arbeidersbeweging richtten:

“Wij strijden voor een rechtvaardige zaak; ons streven is alle macht aan de sovjets, niet aan de partij. Ons streven is vrij gekozen vertegenwoordigers van de werkende massa’s. De door de Communistische Partij gemanipuleerde surrogaat-sovjets zijn steeds doof geweest voor onze noden en eisen: het enige antwoord dat we ooit gehad hebben, waren geweerschoten […]

Kameraden! Jullie worden niet alleen bedrogen, maar ze verdraaien ook opzettelijk de feiten en ze maken zich schuldig aan de meest verachtelijke lasterpraktijken. […] In Kronstadt is de macht geheel en al in handen van de revolutionaire matrozen, soldaten en arbeiders - zij is niet in handen van contrarevolutionairen onder aanvoering van ene Kozlovski, zoals de leugenachtige Radio Moskou jullie wil doen geloven. […] Schroomt niet, kameraden! Sluit je bij ons aan, zorgt ervoor dat jullie afgevaardigden naar Kronstadt toekomen. Alleen daar zullen jullie de volle waarheid horen en zal de duivelse lasterpraat over Fins brood en voorstellen van de Entente ontmanteld worden.

Lang leve het revolutionaire proletariaat en de boeren!

Lang leve de macht van de vrij gekozen sovjets!”

De matrozen die ‘aangevoerd’ zouden zijn door Kozlovski, terwijl ze niettemin de internationale arbeidersbeweging verzocht oplettende afgevaardigden naar Kronstadt te sturen, opdat die zouden kunnen zien of er enige waarheid school in de zwarte laster die tegen hen verspreid was door de Sovjetpers!

Leon Trotski is verbaasd en verontwaardigd over het feit dat iemand zo’n stampij durft te maken over Kroonstad. Het is tenslotte al zo lang geleden - zeventien jaar - en het was niet meer dan een ‘episode in de geschiedenis van de relatie tussen de proletarische stad en het kleinburgerlijke dorp.’ Waarom zou iemand daar nu nog zoveel drukte over willen maken, tenzij om ‘de enige waarachtig revolutionaire beweging die nimmer haar banier onteerd heeft, die nooit geheuld heeft met haar vijanden en die als enige de toekomst belichaamt, in diskrediet te brengen’. Leon Trotskis egoïsme, alom bij zijn vrienden en vijanden bekend, is nooit zijn zwakste punt geweest. Sinds zijn doodsvijand hem maar liefst magische krachten heeft toegedicht, heeft zijn eigenwaan onrustbarende afmetingen aangenomen.

Leon Trotski voelt zich gekrenkt omdat de ‘episode’-Kronstadt weer wordt opgerakeld en er vragen worden gesteld over zijn aandeel daarin. Hij beseft niet dat degenen die hem te hulp komen nu hij zelf het slachtoffer is van een lastercampagne, het recht hebben om te vragen van welke middelen hij zich bediende toen hij zelf aan de macht was, en hoe hij zich zelf gedroeg tegenover degenen die zijn woorden niet voor zoete koek slikten. Het is natuurlijk belachelijk om te veronderstellen dat hij zich zou vermannen en zou zeggen: ‘Ook ik ben maar een mens en ik heb fouten gemaakt. Ook ik heb gezondigd en mijn broeders vermoord of andere mensen daartoe opdracht gegeven.’ Alleen superieure profeten en zieners zijn tot zo'n manmoedige daad in staat. Leon Trotski kan zeker niet tot hen gerekend worden. Integendeel, hij blijft volhouden dat al zijn handelingen en oordelen juist waren en hij blijft iedereen vervloeken die zo stom is om te opperen dat de grote god Leon Trotski ook maar lemen voeten heeft.

Hij doet schamper over het schriftelijke bewijsmateriaal dat door de matrozen van Kronstadt is achtergelaten, en hij bespot de verklaringen van degenen die getuige zijn geweest van de afschuwelijke belegering van Kroonstad. Hij noemt dat ‘misleidende verklaringen’. Niettemin verzekert hij zijn lezers dat zijn versie van de opstand van Kronstadt ‘ondersteund en toegelicht kan worden met een groot aantal feiten en documenten’. Intelligente lezers zullen zich terecht afvragen waarom Leon Trotski niet het fatsoen heeft om deze ‘misleidende verklaringen’ weer te geven, zodat zij zich er een juiste mening over kunnen vormen.

Zelfs in kapitalistische gerechtshoven heeft de verdachte het recht om ter eigen verdediging bewijsmateriaal te overleggen. Niet aldus bij Leon Trotski, de zegsman van de enige echte waarheid, hij die ‘nimmer zijn banier onteerd heeft en nooit geheuld heeft met zijn vijanden’.

Waar het om John G. Wright gaat, kan men nog begrip opbrengen voor een dergelijk gebrek aan normaal fatsoen. Zoals ik al zei, citeert hij louter de heilige bolsjewistische Schrift. Maar dat een vermaard figuur als Leon Trotski het bewijsmateriaal van de matrozen verzwijgt, geeft mijns inziens blijk van verregaande karakterloosheid. Het oude gezegde over de vos die wel zijn haren maar niet zijn streken verliest, geldt in hoge mate voor Leon Trotski. De martelgang die hij heeft doorgemaakt tijdens de jaren van zijn ballingschap, het tragische verlies van zijn naasten en geliefden en, nog schrijnender, het verraad door zijn voormalige wapenbroeders, hebben hem niets geleerd. Geen sprankje menselijkheid of mildheid is doorgedrongen tot Trotski’s haatdragende gemoed.

Wat is het spijtig voor Leon Trotski dat het zwijgen der doden soms luider spreekt dan de stem der levenden. In feite zijn de stemmen die in Kronstadt werden gesmoord, in de afgelopen zeventien jaar alleen maar luider geworden. Is dat de reden, zo vraag ik me af, dat Leon Trotski een hekel heeft aan dat geluid?

Leon Trotski haalt Marx' uitspraak aan, dat het onmogelijk is partijen of personen te beoordelen op wat zij over zichzelf zeggen. Wat is het triest dat hij niet beseft hoezeer deze uitspraak op hemzelf van toepassing is! Geen van de vaardige bolsjewistische schrijvers heeft zo voortdurend zichzelf op de voorgrond weten te plaatsen en hoog weten op te geven van zijn aandeel in de Russische Revolutie en de periode erna als Leon Trotski. Gemeten naar de woorden van zijn grote leermeester, zouden alle geschriften van Leon Trotski als waardeloos bestempeld moeten worden, hetgeen natuurlijk onzin zou zijn.

In zijn pogingen de motieven waardoor de opstand van Kronstadt ontketend werd in diskrediet te brengen, vermeldt Leon Trotski het volgende: ‘Vanuit verschillende fronten werden mij talloze telegrammen gestuurd over de mobilisatie van nieuwe “betrouwbare” garnizoenen bestaande uit St.Petersburgse arbeiders en matrozen van de Baltische vloot; maar al in 1918, en zeker niet later dan 1919, begonnen de gezagvoerders erover te klagen dat de nieuwe lichting “Kronstedelingen” niet voldeed, dat ze veeleisend, ongedisciplineerd en onbetrouwbaar in de strijd waren en meer kwaad dan goed deden’. Verderop, op dezelfde pagina, beweert Trotski: ‘Toen de situatie in het hongerlijdende Petrograd zeer kritiek werd, besprak het Politbureau meer dan eens de mogelijkheid om met Kroonstad, waar zich nog steeds een grote hoeveelheid oude proviand bevond, een “interne lening” af te sluiten; de afgevaardigden van de arbeiders van Petrograd antwoordden echter: “Goedschiks zullen jullie nooit iets van hen gedaan krijgen; ze speculeren in kleding, kolen en brood. Allerhande tuig heeft de laatste tijd in Kronstadt de kop opgestoken.’’ ’ Hoe op en top bolsjewistisch is dat: niet alleen de tegenstanders af te maken, maar ook nog eens hun reputatie te besmeuren. Marx en Engels, Lenin, Trotski en Stalin, zonder uitzondering hebben zij zich van deze methode bediend.

Over de situatie van de matrozen van Kronstadt in 1918 of 1919 wil ik me nu niet uitlaten. Ik kwam pas in 1920 in Rusland terecht. Vanaf dat tijdstip tot aan de ‘liquidatie’ van Kronstadt werden de matrozen van de Baltische vloot aangemerkt als een roemrijk voorbeeld van dapperheid en oversaagde moed. Keer op keer werd mij, niet alleen door ‘anarchisten, Mensjeviki en Sociaal- Revolutionairen’, maar ook door vele communisten, verteld dat deze matrozen de ruggengraat vormden van de revolutie. Tijdens de feestelijkheden die georganiseerd werden ter ere van het bezoek van de eerste Engelse Arbeidersdelegatie op 1 mei 1920, waren de matrozen van Kronstadt vertegenwoordigd met een groot afzonderlijk garnizoen, en er werd bij die gelegenheid gezegd dat zij behoorden tot de grote helden die de revolutie bevrijd hadden van Kerenski[9] en Petrograd van Joedenitsj.[10] Tijdens de herdenking van de Oktoberrevolutie bevonden de matrozen zich opnieuw in de voorste gelederen, en hun opvoering van de inname van het Winterpaleis oogstte een enthousiast applaus van de dichte massa.

Is het mogelijk dat de leidende partijleden, op Leon Trotski na, zich niet bewust waren van de door hem beweerde corruptheid en ontaarding van Kroonstad? Dat denk ik niet. Bovendien betwijfel ik of Trotski er voor maart 1921 zelf een dusdanige mening op na hield over de matrozen van Kroonstad. Zijn verhaal is dan ook hoogstwaarschijnlijk het resultaat van bedenkingen achteraf - of is het een rationalisatie om de zinloze ‘liquidatie’ van Kronstadt goed te praten?

Zelfs al zou het personeel een verandering ondergaan hebben, dan nog strookt het door Leon Trotski en zijn echo geschilderde beeld absoluut niet met de feitelijke situatie der Kroonstedelingen in 1921. De eigenlijke reden voor de ondergang der matrozen was hun diepe verwantschap en solidariteit met de arbeiders van Petrograd, wier weerstandsvermogen tegen kou en honger na een reeks stakingen in februari 1921 gebroken was. Waarom wordt dit niet genoemd door Leon Trotski en zijn discipel? Leon Trotski weet heel goed - Wright misschien niet - dat de eerste scène van het Kronstadt-drama plaatsvond in Petrograd op 24 februari, en dat niet de matrozen maar de stakers de acteurs waren in dat drama. Want op die dag hebben de stakers lucht gegeven aan hun opgekropte wrokgevoelens over de botte onverschilligheid van de mannen die de mond vol hadden van de dictatuur van het proletariaat - een dictatuur die al lang was afgegleden naar de genadeloze dictatuur van de Communistische Partij.

Over deze historische dag schreef Alexander Berkman het volgende in zijn dagboek:

‘De arbeiders van de Troebotsjni-metaalfabriek zijn in staking gegaan. Hun klacht is dat de communisten bij de verdeling van winterkleding op onbillijke wijze bevoordeeld worden boven niet- partijleden. De regering weigert op hun grieven in te gaan zolang de mannen niet naar hun werk terugkeren.’

‘Op straat bij de fabrieken verzamelden zich grote groepen stakers, en er werden soldaten op afgestuurd om ze uiteen te drijven. Het waren koersanten, jeugdige communisten van de Militaire Academie. Er werd geen geweld gebruikt.’

‘Nu hebben de mannen van de marine-werkplaatsen en de dokken zich bij de stakers aangesloten. Er heerst diepe verontwaardiging over de arrogante houding van de regering. Men heeft geprobeerd een demonstratie te houden, maar deze werd verijdeld door cavalerietroepen.’

Nadat het Comité verslag had uitgebracht van de werkelijke situatie onder de arbeiders in Petrograd, deden de matrozen van Kronstadt in 1921 hetzelfde als ze in 1917 gedaan hadden. Ze kozen onmiddellijk de kant van de arbeiders. De rol die de matrozen in 1917 gespeeld hadden, was destijds bezongen als de rode trots en glorie van de Revolutie. Toen ze in 1921 precies hetzelfde deden, werden ze voor de ogen van de hele wereld uitgemaakt voor contrarevolutionaire verraders. Maar in 1917 hielp Kronstadt dan ook de Bolsjewiki in het zadel. In 1921 eiste ze een genoegdoening voor de valse verwachtingen die waren gewekt bij de massa’s en voor de grote belofte die vrijwel onmiddellijk gebroken werd toen de Bolsjewiki zich eenmaal veilig in hun bastion verschanst voelden. Inderdaad een afschuwelijke misdaad. Een belangrijk facet van deze misdaad is echter het feit dat de ‘muiterij’ van Kronstadt niet zomaar uit de lucht kwam vallen. Haar oorzaak lag diep verankerd in het lijden van de Russische arbeiders; het stadsproletariaat, Leon Trotski, niet de kleinburgerlijke boerenstand. De voormalige commissaris verzekert ons weliswaar dat ‘de boeren zich met de landonteigening verzoenden als gold het een tijdelijk kwaad’, en dat ‘de boeren instemden met de Bolsjewiki, maar zich in toenemende mate tegen de “communisten” keerden’. Deze beweringen zijn echter uit de lucht gegrepen, en daarvoor kunnen talloze bewijzen aangevoerd worden-niet in de laatste plaats de liquidatie van de boerensovjet, die onder leiding stond van Maria Spiridonova, en het brute geweld waarmee de boeren werden gedwongen al hun producten, inclusief het zaad voor het volgend voorjaar, af te staan.

Het is een historisch feit dal de boeren het bolsjewistische regime vrijwel vanaf het begin verfoeiden, zeker vanaf het moment dat Lenins strijdkreet ‘besteel de dieven' veranderd werd in ‘besteel de boeren ter meerdere glorie van de communistische dictatuur’.

Leon Trotski weet ons te vertellen dat de matrozen van Kronstadt in 1919 hun proviand niet ‘goedschiks’ zouden hebben afgestaan -niet dat dat ooit geprobeerd was. In feite komt het woord ‘goedschiks’ niet eens voor in het bolsjewistisch jargon. Maar daar heb je die gedemoraliseerde matrozen, dat speculerend tuig, enzovoorts, die zich in 1921 achter het stadsproletariaat scharen, en hun eerste eis is gelijke verdeling van de rantsoenen! Wat een stelletje schurken waren die Kroonstedelingen toch!

Beide schrijvers leggen grote nadruk op het feit dat de matrozen (die, naar onze stellige overtuiging, de opstand niet van te voren gepland hadden, maar op de 1ste maart bijeenkwamen om te bespreken hoe ze hun kameraden in Petrograd konden helpen) al snel een Voorlopig Revolutionair Comité vormden. De verklaring hiervoor wordt in feite door John G. Wright zelf geleverd. Hij schrijft:

“Het is helemaal niet uitgesloten dat de plaatselijke autoriteiten in Kronstadt ‘klungelig reageerden’ op de situatie… Het is geen geheim dat Kalinin[11], laat staan commissaris Koezmin[12], nauwelijks werd gewaardeerd door Lenin en diens collega’s. […] Voor zover de plaatselijke autoriteiten blind waren voor de volle omvang van het gevaar of er niet in slaagden juiste en doeltreffende maatregelen te nemen om de crisis te lijf te gaan, speelden hun blunders een rol in de daarop volgende gebeurtenissen […]”

De bewering dat Lenin geen waardering had voor Kalinin en Koezmin is jammer genoeg een voorbeeld van de oude bolsjewistische truc om alle schuld in de schoenen te schuiven van een of andere klungel, zodat de kopstukken brandschoon kunnen blijven

Inderdaad, de plaatselijke autoriteiten in Kronstadt 'reageerden klungelig'. Koezmin deed een laaghartige aanval op de matrozen en sprak venijnige dreigementen uit. De matrozen wisten blijkbaar wat hun na dergelijke dreigementen te wachten stond. Ze konden wel raden dat als Koezmin en Vasiljev[13] het voor het zeggen kregen, de voorraden munitie en levensmiddelen onmiddellijk uit Kronstadt verwijderd zouden worden. Om die reden vormden de matrozen hun Voorlopig Revolutionair Comité. Een bijkomende factor vormde het bericht dat een delegatie van dertig matrozen die naar Petrograd was gestuurd om aldaar met de arbeiders te beraadslagen, bij haar terugkeer de toegang tot Kronstadt ontzegd was, dat de matrozen gearresteerd en bij de Tsjeka gevangen gezet waren.

Beide schrijvers maken van een mug een olifant waar het gaat om de geruchten die de ronde deden op de vergadering van 1 maart, dat een groot aantal zwaargewapende soldaten op weg was naar Kroonstad. Wright heeft kennelijk nooit in de verstikkende atmosfeer van een dictatuur geleefd. Ik wel - als er geen enkele mogelijkheid is tot menselijk contact, als elke gedachte op zichzelf wordt teruggeworpen en elke vorm van communicatie de kop in wordt gedrukt, dan rijzen geruchten als paddenstoelen de grond uit en zwellen ze tot angstwekkende afmetingen aan. Bovendien heb ik destijds in Petrograd en Moskou regelmatig grote aantallen tot op de tanden gewapende soldaten en Tsjekisten door de straten zien trekken, die ’s nachts hun netten uitwierpen en hun menselijke prooi naar de Tsjeka sleepten. Het is heel logisch dat in de gespannen sfeer van de vergadering na Koezmins dreigende toespraak al gauw geloof gehecht werd aan geruchten.

Het bericht in de Parijse pers over de opstand in Kroonstad, twee weken voordat die daadwerkelijk plaatsvond, werd in de campagne tegen de matrozen breed uitgemeten als duidelijk bewijs dat ze instrumenten van de imperialistische bende waren geweest en dat de opstand in feite in Parijs was bekokstoofd. Het was maar al te duidelijk dat dit praatje alleen maar werd gebruikt om de Kroonstedelingen in de ogen van de arbeiders in diskrediet te brengen.

In wezen verschilde dit voortijdige bericht niet van andere berichten uit Parijs, Riga of Helsinki; deze vielen zelden of nooit samen met de gebeurtenissen die geclaimd werden door de contrarevolutionaire agenten in het buitenland. Daar staat tegenover dat er in Sovjet-Rusland vele gebeurtenissen plaatsvonden die het hart van de imperialistische bende verblijd zouden hebben, maar die ze nooit aan de weet kwam - gebeurtenissen die de Russische Revolutie veel meer schade berokkenden en door de dictatuur van de Communistische Partij zelf veroorzaakt waren. Bijvoorbeeld de oprichting van de Tsjeka, die vele verworvenheden van de Oktoberrevolutie ondergroef en al in 1921 tot een kwaadaardig gezwel in het lichaam van de revolutie was uitgegroeid. En diverse soortgelijke gebeurtenissen die ik hier niet kan behandelen omdat ze me te ver zouden voeren.

Nee, het voortijdige bericht in de Parijse pers had hoegenaamd niets te maken met de opstand in Kroonstad. In 1921 geloofde trouwens niemand - zelfs een vrij groot aantal communisten niet - dat er enig verband bestond tussen die twee zaken. Zoals ik al zei is John G. Wright louter een brave leerling van Leon Trotski, en hij heeft er dan ook weinig benul van hoe er over het algemeen binnen en buiten de partij werd gedacht over deze zogenaamde ‘link’.

Toekomstige historici zullen de ‘muiterij’ van Kronstadt ongetwijfeld naar juiste waarde schatten, en dan zullen ze zeker tot de conclusie komen dat de opstand, als hij opzettelijk was gepland, niet op een geschikter tijdstip had kunnen vallen.

Het lot van Kronstadt werd namelijk in doorslaggevende mate bepaald door de N.E.P.[14] Lenin, die wist dat dit zojuist in elkaar geflanste ‘revolutionaire’ plan op zeer aanzienlijke weerstand van de partij zou stuiten, had voor de geruisloze en snelle aanvaarding van de N.E.P. een of ander dreigend gevaar nodig. Kronstadt kwam hierbij zeer goed van pas. De gehele verpletterende propagandamachine werd onmiddellijk in gang gezet om te bewijzen dat de matrozen samenspanden met de imperialistische machten en contrarevolutionaire elementen om de communistische staat te vernietigen. Dat deed wonderen. De N.E.P. werd zonder slag of stoot doorgevoerd. Alleen de geschiedenis zal uitwijzen tot welke afgrijselijke resultaten deze manoeuvre heeft geleid. De driehonderd afgevaardigden, de bloem der communistische jeugd, die ijlings van het partijcongres vertrokken waren om Kronstadt onschadelijk te maken, vormden slechts een fractie van de duizenden wier levens nodeloos werden opgeofferd. Toen ze vertrokken, geloofden ze heilig in de lastercampagne. Voor hen die het overleefden, was het ontwaken wreed.

In My Disillusionment in Russia heb ik verslag gedaan van een ontmoeting in een ziekenhuis met een gewonde communist. Het is nog steeds even schrijnend als destijds:

‘Het merendeel van degenen die gewond raakten tijdens de aanval op Kronstadt werd naar hetzelfde ziekenhuis gebracht, het waren voornamelijk koersanten. Met een van hen kon ik een gesprek hebben. Zijn lichamelijk lijden was, zo zei hij mij, niets vergeleken met zijn geestelijke pijn. Te laat had hij beseft dat hij zich had laten beetnemen door de kreet “contrarevolutie”. Er waren geen tsaristische generaals in Kroonstad, geen Witgardisten - hij had er alleen maar zijn eigen kameraden aangetroffen, matrozen en soldaten die heldhaftig voor de revolutie gestreden hadden.’

Iedereen met een greintje verstand zal inzien dat er geen enkele gelijkenis bestond tussen de N.E.P. en de eis van de matrozen van Kroonstad: het recht op vrije handel van producten. De N.E.P. bracht alle kwaden die de Russische Revolutie had trachten uit te roeien terug. Vrije handel in producten tussen arbeiders en boeren, tussen stad en platteland, vormde de eigenlijke bestaansreden van de revolutie. Vanzelfsprekend waren ‘de anarchisten tegen de N.E.P.’ Maar vrije handel was, zoals Zinovjev mij in 1920 vertelde, ‘niet opgenomen in onze centralisatieplannen’. Die arme Zinovjev kon zich toen onmogelijk voorstellen tot welk een afgrijselijk wangedrocht de centralisatie van de macht zich zou ontwikkelen.

Door dit idée-fïxe van de centralisatie der dictatuur groeide er al gauw een kloof tussen de stad en het dorp, tussen arbeiders en boeren; niet, zoals Leon Trotski beweert, doordat ‘de ene groep proletarisch is […] en de andere kleinburgerlijk’, maar doordat het initiatief van zowel het stadsproletariaat als de kleinburgerlijke boeren door deze dictatuur werd lamgelegd.

De belangrijkste reden voor de schijnbare onverschilligheid van de arbeiders van Petrograd en het feit dat ze de matrozen niet ijlings te hulp snelden, wordt door Leon Trotski onvermeld gelaten. Ik moet er dan ook op wijzen dat de campagne van laster, verdachtmakerij en beschimping tegen de matrozen op 2 maart 1921 begon. Op die datum begon de Sovjetpers haar giftige praatjes over de matrozen te spuien. Ze kregen de meest verachtelijke beschuldigingen voor de voeten geworpen, en deze campagne werd volgehouden tot 17 maart, de dag dat Kronstadt geliquideerd werd. Bovendien werd in Petrograd de staat van beleg afgekondigd. Verscheidene fabrieken werden gesloten, waardoor de arbeiders werden beroofd van de mogelijkheid om met elkaar te beraadslagen. De volgende passage is uit het dagboek van Alexander Berkman:

‘Er vinden veel arrestaties plaats. Regelmatig zie je hoe groepen door Tsjekisten belasterde stakers naar de gevangenis worden gevoerd. Er hangt een zeer gespannen sfeer in de stad. Er zijn uitgebreide veiligheidsmaatregelen getroffen om de regeringsgebouwen te beschermen. Er zijn machinegeweren geplaatst op het Astoria, waar Zinovjev en andere prominente Bolsjewiki gehuisvest zijn. De stakers wordt via een officiële proclamatie gesommeerd onmiddellijk naar de fabrieken terug te keren… en de bevolking wordt gewaarschuwd tegen samenscholingen op straat.

‘Het Verdedigingscomité is begonnen met een “zuivering van de stad.” Veel arbeiders die ervan worden verdacht te sympathiseren met Kroonstad, zijn gearresteerd. Alle matrozen van Petrograd en het deel van de garnizoenssoldaten dat zijn taak niet “waardig” wordt geacht, zijn naar afgelegen gebieden gezonden, terwijl familieleden van de matrozen van Kronstadt die in Petrograd wonen, in gijzeling gehouden worden. Het Verdedigingscomité heeft aan Kronstadt bekend gemaakt dat “degevangenen in onderpand gehouden worden” ter bescherming van de commissaris van de Baltische vloot N.N. Koezmin, de voorzitter van de Kroonstad-sovjet P.D. Vasiljev, en andere communisten. “Zodra onze kameraden enig kwaad berokkend wordt, zullen de gijzelaars daarvoor met hun leven moeten betalen.“'

Door dergelijke ijzeren reglementen was het de arbeiders van Petrograd fysiek onmogelijk zich aan te sluiten bij Kroonstad; er werd met name op toegezien dat geen woord van de door de matrozen in hun krant afgedrukte manifesten tot de arbeiders in Petrograd door zou dringen. Leon Trotski verdraait, met andere woorden, opzettelijk de feiten. De arbeiders zouden zich zeker hebben aangesloten bij de matrozen, want ze wisten dat die geen muiters of contrarevolutionairen waren, maar achter de arbeiders gestaan hadden zoals hun kameraden dat al in maart 1905 en oktober 1917 hadden gedaan. De aantijgingen van Leon Trotski zijn dan ook een misdadige en welbewuste bezoedeling van de reputatie der matrozen van Kroonstad.

Op pagina 106, in de tweede kolom, verzekert Trotski zijn lezers dat niemand, 'zo kunnen we terloops opmerken, zich in die dagen druk maakte over de anarchisten’. Deze uitspraak strookt helaas niet met de onophoudelijke vervolging van anarchisten die in 1918 begon toen Leon Trotski het anarchistische hoofdkwartier in Moskou met machinegeweren liquideerde. Op dat moment nam de stelselmatige uitroeiing der anarchisten een aanvang. Zelfs nu, zovele jaren later, zitten de concentratiekampen der Sovjetregering nog vol anarchisten, voor zover ze het hebben overleefd. In feite werden er, voor de opstand in Kroonstad, goedbeschouwd in oktober 1920 - toen Leon Trotski weer van mening was veranderd over Makhno[15] (hij had zijn hulp en zijn leger nodig om Wrangel liquideren), en hij toestemming gaf voor het anarchistencongres in Charkov - honderden anarchisten opgepakt en in de Boetirka-gevangenis gedumpt, waar ze zonder enige vorm van proces tot eind 1921 vermoord werden. Maar dat is een aparte bladzijde in de Sovjetgeschiedenis. Wat ik met dit voorbeeld wil zeggen, is dat er wel degelijk veel aandacht werd geschonken aan de anarchisten; anders zou er geen enkele reden zijn geweest om hen te arresteren en volgens de bekende tsaristische gewoonte af te voeren naar concentratiekampen in verre uithoeken van Rusland en Siberië.

Leon Trotski maakt een schampere opmerking over de beschuldiging dat hij vijftienhonderd matrozen zou hebben doodgeschoten. Degene die die beschuldiging uitsprak, vergiste zich. Het was inderdaad naïef van de matrozen om te denken dat vrije sovjets zich zouden kunnen verdragen met een dictatuur. In wezen waren de vrije sovjets, evenals vakbonden en coöperaties, al in een vroeg stadium van het communistische spel uitgeschakeld. Ze waren allemaal vastgehaakt aan de bolsjewistische praalwagen. Ik kan me nog goed herinneren dat Lenin me zeer vergenoegd vertelde: ‘Jullie grote leidsman Errico Malatesta[16] is vóór onze sovjets.’ Daarop gaf ik haastig ten antwoord: ‘U bedoelt vrije sovjets, kameraad Lenin. Ook ik ben daarvóór.’ Lenin bracht ons gesprek snel op een ander onderwerp. Ik kwam er echter al gauw achter waarom er geen vrije sovjets meer in Rusland waren.

Leon Trotski is sarcastisch over de beschuldiging dat hij vijftienhonderd matrozen zou hebben doodgeschoten. Neen, die bloedige taak werd niet door hemzelf uitgevoerd. Hij belastte Toechatsjevski, zijn rechterhand, met de taak om de matrozen ‘als fazanten' neer te schieten, zoals hij al gedreigd had. Toechatsjevski voerde de opdracht tot in de details uit. Hele legioenen werden doodgeschoten en degenen die de eindeloze aanval van het bolsjewistische geschut overleefden, werden toevertrouwd aan de zorgen van Dybenko[17], vermaard om zijn menslievendheid en rechtvaardigheidsgevoel.

Toechatsjevski en Dybenko, helden en redders der dictatuur! De geschiedenis heeft kennelijk zo haar eigen methode om recht te doen geschieden.[18]

Voetnoten

  • [1] Ontstond eind 1920; Alexander Sjljapnikov en Alexandra Kollontaj waren haar belangrijkste woordvoerders.
  • [2] De Sociaal-Revolutionaire Partij (SR) werd in 1901 opgericht; viel na de Oktoberrevolutie uiteen; de nieuw ontstane Linkse SR werkte tot maart 1918 met de Bolsjewiki samen in de regering.
  • [3] ’Buitengewone commissie voor de bestrijding van de contrarevolutie, sabotage en speculatie’, naar de Russische afkorting van Tsjrezvytsjajnaja Komissija; ontstaan in december 1917 uit een informeel besluit van de Raad van Volkscommissarissen; haar bevoegdheden waren niet gedefinieerd.
  • [4] De opstand van Kronstadt, Alexander Berkman, De Zwarte Bibliotheek, 1983
  • [5] De tocht van de VS naar de USSR na hun deportatie, tezamen met 247 andere ongewenste ‘vreemdelingen’.
  • [6] Vroegere tsaristische generaal; de Bolsjewiki verspreidden in hun lastercampagne tegen de Kroonstedelingen de leugen dat hij de aanstichter van de opstand in Kronstadt zou zijn geweest.
  • [7] Grigori J. Zinovjev (1883-1936), toentertijd voorzitter van de sovjet van Petrograd.
  • [8] Zie voor een ooggetuigenverslag van een der matrozen die zelf, als voorzitter van het Voorlopig Revolutionair Comité, een vooraanstaande rol speelde in de opstand van Kroonstad: Kronstadt 1921. De derde Revolutie (Archiefreeks Het Wereldvenster), Bussum 1982.
  • [9] De socialist Alexander Kerenski (1881-1970) werd na het mislukken van de revolutiepoging der Bolsjewiki in juli 1917 minister-president; toen de Bolsjewiki er in november 1917 wel in slaagden de macht over te nemen, ging Kerenski - vanwege zijn geschipper tussen links en rechts zowel door de roden als de witten gehaat en veracht - al spoedig uit Rusland weg en vestigde zich als balling in het Westen.
  • [10] Nikolaj J. Joedenitsj (1862-1933), Russisch generaal; na de Oktoberrevolutie commandeerde hij in de Baltische gewesten een contrarevolutionair leger, waarmee hij in augustus en oktober 1919- mislukte - aanvallen deed op Petrograd; spoedig daarna vertrok hij als balling naar Engeland.
  • [11] Michail I. Kalinin (1857-1946): werd na de Oktoberrevolutie burgemeester van Petrograd: vanaf 1919 presiderend functionaris van de Russische republiek; voorzitter van het Nationale Centraal Uitvoerend Comité.
  • [12] N.N. Koezmin (1883-1939); destijds commandant van de vesting Kroonstad.
  • [13] P.D. Vasiljev: voorzitter van de sovjet van Kroonstad.
  • [14] Nieuwe Economische Politiek: nieuwe economische beleidslijn door Lenin op het tiende Partijcongres, maart 1921, aangekondigd; behelsde een ‘gedeeltelijke terugkeer naar het kapitalisme', waarbij ten einde de productie te verhogen opnieuw ruimte werd geschapen voor het privé-ondememerschap, met name in de landbouwsector.
  • [15] Nestor Makhno (1889-1934), anarchist; leider van de opstandige boerenrenbeweging in de Oekraïne; door toedoen van deze beweging was de macht der Bolsjewiki hier relatief gering. Toen Pjotr N. Wrangel (1878- 1928; vanaf 1920 opperbevelhebber van de contrarevolutionaire strijd-krachten in Zuid-Rusland) in november 1920 opmarcheerde naar het hart van de Oekraïne en het Rode Leger hem niet wist tegen te houden, besloot Makhno zijn strijd tegen de Bolsjewiki voor vrije sovjets en zelfbeschikkingsrecht voorlopig op te geven. Zijn aanbod om te helpen bij de bestrijding van de gemeenschappelijke vijand Wrangel werd door de Sovjet- regering aanvaard en er werd een overeenkomst gesloten tussen het leger van Makhno en de Sovjet regering. Toen Wrangel was verslagen - in niet geringe mate door toedoen van Makhno - werd Makhno echter overbodig en gevaarlijk voor de Bolsjewiki. Zijn leger werd op verraderlijke wijze omsingeld door eenheden van het Rode Leger en hij moest zich overgeven. Terzelfder tijd arresteerde men de afgevaardigden die in Charkov waren gearriveerd voor het anarchistencongres, dat officieel was toegestaan. (Zie Rosa Luxemburg e.a., De Russische Revolutie (Archiefreeks Het Wereldvenster), Baarn 1979, p. 76-77.)
  • [16] Italiaans anarchist (1853-1932).
  • [17] P.J. Dybenko (1889-1938); bekleedde, evenals M.N. Toechatsjevski (1893-1937), verscheidene hoge functies in het Rode Leger.
  • [18] Toechatsjevski zowel als Dybenko werd tijdens de zuiveringen eind jaren dertig geëxecuteerd.
namespace/trotski_protesteert_te_veel.txt · Laatst gewijzigd: 10/04/19 17:00 door defiance