Inhoud

De dood van Iwan Iljitsj

Door Leo Tolstoj


De dood van Iwan Iljitsj

I

Tijdens een onderbreking van het gerechtelijk onderzoek in de zaak Mjelwinski in het grote gebouw van de rechtbank, kwamen de leden en de officier van justitie bij elkaar in de kamer van Iwan Egorowitsj Sjebek, waar het gesprek op de beruchte zaak Krasowski kwam. Fjodor Wasilijevitsj beweerde vol vuur dat de zaak niet onder hun bevoegdheid viel, Iwan Egorovitsj hield het tegenovergestelde vol, terwijl Peter Iwanowitsj, die het begin niet had meegemaakt, geen deel aan de discussie nam, maar de Gazette doorkeek, die hem net was aangereikt.

“Heren,” zei hij, “Iwan Iljitsj is overleden!”

“Dat meen je niet!”

“Hier, lees zelf maar,” antwoordde Peter Iwanowitsj, en gaf de krant, nog nat van de inkt, aan Fjodor Wasilijevitsj door. Omlijnd door een zwarte rand stonden de woorden: “Met groot verdriet geeft Praskowja Fjodorowna Golowina kennis van het overlijden van haar geliefde echtgenoot Iwan Iljitsj Golowin, Lid van de Rechtbank, op 4 februari 1882. De ter aarde bestelling zal plaatsvinden op vrijdag, om een uur ‘s middags.” Iwan Iljitsj was een collega van de aanwezige heren geweest en zij waren allemaal op hem gesteld. Hij was een paar weken ziek geweest en, naar men zei, was de ziekte ongeneeslijk. Ze hadden zijn plek voor hem opengehouden, maar er waren geruchten geweest dat, als hij dood zou gaan, in zijn plaats Alexejew zou worden benoemd, en dat óf Winnikow óf Sjtabel dan Alexejew zou opvolgen. Dus toen ze het nieuws van het overlijden van Iwan Iljitsj hoorden, was de eerste gedachte van de, in die kamer aanwezige heren, aan de veranderingen en promoties die het voor henzelf en hun kennissen zou inhouden. “Ik krijg vast de plaats van Sjtabel of Winnikow,” dacht Fjodor Wasilijewitsj. “Dat is me al lang geleden beloofd, en die promotie betekent voor mij achthonderd roebel per jaar extra, en dan nog de toeslag.”

“Nu moet ik een verzoek indienen voor overplaatsing van mijn zwager uit Kaloega,” dacht Peter Iwanowitsj. “Mijn vrouw zal wel erg blij zijn, en dan kan ze nooit meer zeggen dat ik niets voor haar familie doe.” “Ik wist wel dat hij zijn bed niet meer uit zou komen,” zei Peter Iwanowitsj hardop. “Het is heel verdrietig.” “Maar wat mankeerde hij eigenlijk?”

“De dokters konden het niet zeggen – ten minste ze konden het wel, maar ze zeiden allemaal wat anders. De laatste keer dat ik hem zag, ging het beter met hem.”

“En ik ben sinds de vakantie niet meer bij hem geweest. Ik wilde nog altijd een keer gaan.” “Bezat hij veel?”

“Volgens mij had zijn vrouw wel wat – maar dat stelt niets voor.”

“We moeten wel naar haar toe, maar ze wonen zo’n vreselijk eind weg.”

“Ver weg van u, bedoelt u. Voor u is alles ver weg.”

“Weet u, hij kon me niet vergeven dat ik aan de overkant van de rivier woon,” zei Peter Iwanowitsj glimlachend naar Sjebek. En, terwijl ze het nog steeds over de afstanden tussen de verschillende delen van de stad hadden, keerden ze naar de rechtbank terug.

Behalve de mogelijke overplaatsingen en promoties die het gevolg van de dood van Iwan Iljitsj schenen te zijn, riep alleen al het feit van de dood van een naaste kennis, zoals gewoonlijk, bij allen die het hoorden het voldane gevoel op van “hij is dood en ik niet.” Iedereen dacht of voelde,”Nou goed, hij is dood maar ik leef nog!”

Maar de meer nabije kennissen van Iwan Iljitsj, zijn zogenaamde vrienden, konden ook niet nalaten te bedenken, dat ze nu die vreselijk vervelende fatsoensplichten moesten vervullen, door de rouwdienst bij te wonen en een condoleancebezoek aan de weduwe te brengen.

Fjodor Wasilijewitsj en Peter Iwanowitsj waren zijn naaste kennissen geweest. Peter Iwanowitsj had samen met Iwan Iljitsj rechten gestudeerd en voelde zich jegens hem verplicht.

Nadat hij zijn vrouw tijdens het eten over het overlijden van Iwan Iljitsj had verteld, en over de mogelijkheid om haar broer naar hun district over te laten plaatsen, offerde Peter Iwanowitsj zijn gebruikelijke middagdutje op, trok zijn jacquet aan en reed naar het huis van Iwan Iljitsj.

Bij de voordeur stonden een rijtuig en twee huurkoetsen. Beneden in de hal stond, vlakbij de garderobe, schuin tegen de muur een deksel van een doodskist, bedekt met een goudkleurige, en met gouden koorden en kwasten versierde doek, die met metaalpoeder was gepolijst. Twee dames in het zwart hielpen hem met het uitdoen van zijn bontjas. In een van hen herkende Peter Iwanowitsj de zuster van Iwan Iljitsj, maar de andere was een vreemde voor hem. Zijn collega Schwartz kwam net de trap af, maar toen hij Peter Iwanowitsj zag bleef hij staan en wenkte hem, alsof hij wilde zeggen: “Iwan Iljitsj heeft er een puinhoop van gemaakt, wij niet.”

Het gezicht van Schwartz, met zijn Piccadilly bakkebaarden, en zijn slanke gestalte in jacquet, vertoonden zoals gewoonlijk een ogenschijnlijk elegante plechtstatigheid, die afstak bij de speelsheid van zijn karakter, die hier bijzonder pikant stonden, tenminste in de ogen van Peter Iwanowitsj.

Peter Iwanowitsj liet de dames voorgaan en volgde hen langzaam de trap op. Schwartz kwam niet naar beneden, maar bleef waar hij was, en Peter Iwanowitsj begreep dat hij wilde afspreken waar zij die avond zouden gaan bridgen. De dames liepen naar boven, naar de kamer van de weduwe, en Schwartz wees met gesloten lippen, maar met een speelse blik in zijn ogen, en een frons van zijn wenkbrauwen naar rechts, waar de dode was opgebaard. Zoals ieder ander bij dit soort gelegenheden, ging Peter Iwanowitsj, niet goed wetend wat hij moest doen, de kamer binnen. Hij wist in ieder geval dat het bij dergelijke gelegenheden nooit kwaad kan een kruisteken te slaan. Maar hij wist niet zeker of je daarbij een buiging moet maken. Daarom koos hij een middenweg. Bij het binnengaan van de kamer sloeg hij een kruisteken en maakte een lichte beweging, die op een buiging leek. Tegelijkertijd keek hij, voor zover de beweging van zijn hoofd en arm hem dat toeliet, de kamer rond. Twee jongemannen – kennelijk neven, en een van hen een middelbare scholier – kwamen, een kruisteken makend, de kamer uit. Er stond een bewegingloze oude vrouw, en een dame met zonderling gebogen wenkbrauwen, die haar iets toefluisterde. Een energieke en vastberaden voorlezer van de kerk, in een lange jas, las met luide stem iets voor, dat elke tegenspraak uitsloot. Gerasim, het hulpje van de hoofdbediende, liep vlak voor Peter Iwanowitsj langs, en strooide iets op de vloer. Terwijl hij dat zag, merkte Peter Iwanowitsj meteen een lichte geur op van een, in ontbinding verkerend, lijk.

De laatste keer dat hij bij Iwan Iljitsj op bezoek was geweest, had Peter Iwanowitsj Gerasim in de studeerkamer gezien. Iwan Iljitsj was bijzonder op hem gesteld geweest en hij speelde toen de rol van een ziekenverpleger. Peter Iwanowitsj ging verder met het maken van een kruisteken en boog zijn hoofd lichtelijk in de richting tussen de kist, de voorlezer, en de iconen op de tafel, in een hoek van de kamer. Toen hij zich realiseerde dat die kruistekens makende beweging van zijn arm al te lang had geduurd, bleef hij staan en ging naar de overledene kijken.

De dode man lag, zoals doden altijd liggen, op een bijzondere nadrukkelijke manier, zijn stijve ledematen in de zachte bekleding van de doodskist weggezonken, met zijn hoofd voor altijd voorovergebogen op het kussen. Zijn gele wasachtige voorhoofd, met kale plekken op zijn ingezonken slapen drong, op de voor doden zo eigen manier, naar voren en zijn vooruitstekende neus leek op zijn bovenlip te drukken. Hij was erg veranderd en nog magerder geworden, sinds Peter Iwanowitsj hem het laatst had gezien, maar, zoals altijd bij doden het geval is, was zijn gezicht knapper en vooral waardiger geworden, dan toen hij nog in leven was. De uitdrukking op het gezicht vertelde dat wat gedaan had moeten worden, was gedaan en dat het goed was gedaan. Daarnaast lag in die uitdrukking een verwijt en waarschuwing voor de levenden. Die waarschuwing leek Peter Iwanowitsj niet op zijn plaats, of in ieder geval niet op hem van toepassing. Hij voelde een zeker onbehagen en ging de deur uit – net te haastig en net te weinig gepast, zoals hij zichzelf realiseerde.

Schwartz stond wijdbeens in de aangrenzende kamer op hem te wachten, en speelde met beide handen, achter zijn rug, met zijn hoge hoed. Alleen al het zien van die speelse, opgewekte en elegante gestalte, monterde Peter Iwanowitsj op. Hij voelde dat Schwartz boven dit hele gebeuren stond en zich niet door iets deprimerends zou laten beïnvloeden. Alleen al zijn blik verraadde dat dit gebeuren van een kerkdienst, voor Iwan Iljitsj geen voldoende reden kon zijn om inbreuk op de gang van zaken te maken – dat het met andere woorden vast niet verhinderd kon worden, dat hij die avond een nieuw pak kaarten uit zou pakken en schudden, terwijl een knecht verse kaarsen op tafel zou zetten: eigenlijk was er dus geen reden om te veronderstellen, dat dit voorval zou verhinderen, dat zij de avond aangenaam zouden doorbrengen.

Hij zei dat inderdaad fluisterend, toen Peter Iwanowitsj hem voorbijliep en stelde voor dat ze voor een spelletje kaart bij Fjodor Wasilijewitsj bij elkaar zouden komen.

Maar kennelijk was het Peter Iwanowitsj niet gegeven die avond bridge te spelen. Praskowja Fjodorowna (een kleine, dikke vrouw die, ondanks alle pogingen om het tegenovergestelde te laten lijken, vanaf haar schouders naar beneden steeds verder uitdijde en die diezelfde merkwaardig gebogen wenkbrauwen had als de dame die bij de doodskist had gestaan) helemaal in het zwart en haar hele hoofd bedekt met kant, kwam met een paar andere dames haar kamer uit, ging hen voor naar de kamer waar de overledene lag en zei: “De dienst begint zo meteen. Gaat u alstublieft naar binnen.”

Schwartz, die een vage buiging maakte, bleef staan, en wist duidelijk niet of hij de uitnodiging moest aanvaarden of afwijzen. Praskowja Fjodorowna herkende Peter Iwanowitsj, zuchtte, liep naar hem toe, pakte zijn hand en zei: “Ik weet dat u een echte vriend van Iwan Iljitsj…” en keek hem aan, in afwachting van een passend antwoord.

En Peter Iwanowitsj besefte dus, net zoals in die kamer een kruisteken slaan juist was geweest, dat hij nu haar hand moest drukken, moest zuchten en zeggen, “Geloof me … Dus deed hij dat allemaal en toen hij het deed, voelde hij dat hij het gewenste resultaat had bereikt: dat zowel hijzelf als zij aangedaan waren. “Komt u even mee. Ik wil u wat zeggen, voor het begint,” sprak de weduwe. “Geef mij uw arm.” Peter Iwanowitsj gaf haar zijn arm en ze liepen naar de binnenvertrekken, waarbij ze langs Schwartz kwamen, die meewarig naar Peter Iwanowitsj wenkte.

“Daar gaat ons bridgen! Neem het ons niet kwalijk als we een andere speler vinden. Misschien kun je nog invallen als je ontsnapt,” zei zijn speelse blik.

Peter Iwanowitsj zuchtte nog dieper en mistroostiger, en Praskowja Fjodorowna drukte dankbaar zijn arm. Toen ze bij de salon waren aangekomen, behangen met roze cretonne en verlicht door een schemerlamp, gingen ze aan de tafel zitten – zij op een sofa en Peter Iwanowitsj op een lage poef met veren, die krampachtig onder zijn gewicht meegaven. Praskowja Fjodorowna had op het punt gestaan hem te waarschuwen om een andere stoel te nemen, maar voelde dat zo’n waarschuwing niet in overeenstemming met haar huidige toestand was en dus veranderde ze van gedachte. Terwijl hij op de poef ging zitten herinnerde Peter Iwanowitsj zich hoe Iwan Iljitsj deze kamer had ingericht en dat hij hem over deze roze cretonne met groene bladeren advies had gevraagd. De hele kamer stond vol meubels en spulletjes en toen ze naar de sofa liep, bleef de weduwe, met het kant van haar zwarte omslagdoek, aan de hoek van de tafel hangen. Peter Iwanowitsj stond op om het los te maken, en tegelijkertijd kwamen de springveren van de poef, die van hun gewicht werden bevrijd, ook omhoog en gaven hem een zetje. De weduwe begon zelf haar omslagdoek los te maken en Peter Iwanowitsj ging weer zitten, waarbij hij de opstandige springveren van de poef onder hem, weer indrukte. Maar de weduwe had zichzelf nog niet helemaal bevrijd, of Peter Iwanowitsj stond alweer op, en opnieuw rebelleerde de poef en kraakte zelfs. Toen dat allemaal voorbij was haalde ze een schone, batisten zakdoek tevoorschijn en begon te huilen. Het gebeuren met de omslagdoek en het gevecht met de poef had de onrust van Peter Iwanowitsj bekoeld en daar zat hij dan, met een stuurse blik op zijn gezicht. Deze ongemakkelijke toestand werd doorbroken door Sokolow, Iwan Iljitsj’s hoofdbediende, die kwam melden dat de plek op de begraafplaats, die Praskowja Fjodorowna had uitgekozen, tweehonderd roebel zou kosten. Ze hield op met huilen en terwijl ze, met de houding van een slachtoffer, naar Peter Iwanowitsj keek, merkte ze in het Frans op, dat het haar allemaal heel zwaar viel. Peter Iwanowitsj maakte een stilzwijgend gebaar, waarmee hij aangaf, dat hij het er inderdaad helemaal mee eens was, dat het zo moest gebeuren.

“Rookt u toch alstublieft,” zei ze met een grootmoedige, maar vernietigende stem, en wendde zich naar Sokolow om het over de prijs voor de plek van het graf te hebben.

Peter Iwanowitsj hoorde, terwijl hij sigaret aanstak, haar zeer uitgebreid vragen naar de prijs van verschillende plekken op de begraafplaats en hoe ze uiteindelijk de beslissing nam over welke ze uit zou kiezen. Toen ze daarmee klaar was, gaf ze orders over het bespreken van het koor. Vervolgens verliet Sokolow de kamer.

“Ik regel het allemaal zelf,” vertelde ze Peter Iwanowitsj, terwijl ze de albums die op de tafel lagen verschoof; en toen ze zag dat door zijn sigarettenas de tafel in gevaar werd gebracht, gaf ze hem meteen een asbak aan, en terwijl ze dat deed zei ze: “Ik vind het niet eerlijk als ik zeg dat ik mij, door mijn verdriet, niet met praktische zaken zou kunnen bemoeien. Integendeel, als iets me – ik zal niet zeggen, kan troosten – af kan leiden, dan is het de zorg voor alles wat hem aangaat.”

Opnieuw pakte ze haar zakdoek tevoorschijn, alsof ze wilde gaan huilen, maar opeens leek het alsof ze zich beheerste, ze beefde even en begon rustig te spreken. “Maar er is iets waar ik met u over wil praten.” Peter Iwanowitsj boog, terwijl hij de springveren van de poef, die meteen onder hem begonnen te trillen, in de gaten hield.

“Hij heeft afgelopen dagen vreselijk geleden.”

“Ja?” zei Peter Iwanowitsj.

“O, vreselijk! Hij heeft aan een stuk door geschreeuwd, niet minuten- maar urenlang. De laatste drie dagen heeft hij aan een stuk door geschreeuwd. Het was onverdraaglijk. Ik begrijp niet hoe ik het heb uitgehouden; je kon hem drie kamers verder horen. O, wat heb ik geleden!”

“Kan het, dat hij al die tijd bij bewustzijn was?” vroeg Peter Iwanowitsj.

“Ja,” fluisterde ze. “Tot het laatste ogenblik. Een kwartier voor hij overleed, nam hij afscheid van ons, en vroeg ons nog Wolodja weg te brengen.”

De gedachte aan het lijden van deze man, die hij zo goed had gekend, eerst als een vrolijke kleine jongen, daarna als schoolkameraad, en later als volwassen collega, vervulde Peter Iwanowitsj opeens met afgrijzen, ondanks een onaangenaam besef van huichelarij, bij zichzelf en bij deze vrouw. Hij zag opnieuw dat voorhoofd en die neus, die op de bovenlip drukte en werd zelf bang.

“Drie dagen verschrikkelijk lijden en toen de dood! Nou, dat kan mij ook opeens, zomaar overkomen,” dacht hij, en even voelde hij zich doodsbang. Maar plotseling – hij wist zelf niet hoe – dook de gebruikelijke gedachte in hem op, dat dit Iwan Iljitsj allemaal was overkomen en dat het met hem niet zou en niet kon gebeuren, en dat die gedachte, dat het wel eens zou kunnen gebeuren, zou betekenen dat hij aan een somberheid zou toegeven die, zoals de uitdrukking op het gezicht van Schwartz duidelijk liet zien, niet nodig was. Na die overweging voelde Peter Iwanowitsj zich weer gerust, en begon met belangstelling naar de bijzonderheden van de dood van Iwan Iljitsj te vragen, alsof de dood iets was, wat bij Iwan Iljitsj hoorde en niet bij hem.

Na een heleboel bijzonderheden over het werkelijk vreselijke lichamelijke lijden, dat Iwan Iljitsj had doorstaan (bijzonderheden, die hij alleen maar te horen kreeg door de uitwerking die dat lijden op de zenuwen van Praskowja Fjodorowna had gehad) vond de weduwe het kennelijk nodig om tot zaken te komen.

“O, Peter Iwanowitsj, wat is het toch zwaar! Wat vreselijk, vreselijk zwaar!” en ze begon weer te huilen. Peter Iwanowitsj zuchtte en wachtte tot zij haar neus had gesnoten. Toen ze dat had gedaan, zei hij, “Gelooft u me….” en ze begon weer te praten en ze vertelde, wat kennelijk voor haar de belangrijkste reden was, dat ze hem wilde vragen hoe zij bij de regering, ter gelegenheid van het overlijden van haar echtgenoot, een toelage kon loskrijgen. Ze deed alsof ze Peter Iwanowitsj advies over haar pensioen vroeg, maar al gauw merkte hij dat ze daar al tot in de kleinste bijzonderheden van op de hoogte was, zelfs beter dan hijzelf. Ze wist hoeveel er, als gevolg van het overlijden van haar echtgenoot, bij de regering viel te halen, maar wilde alleen maar weten of ze er mogelijk nog meer uit zou kunnen peuren. Peter Iwanowitsj probeerde nog wat mogelijkheden te bedenken, maar na een tijdje nadenken, en nadat hij uit fatsoen de regering om haar gierigheid had veroordeeld, zei hij dat er niet meer uitgehaald kon worden. Daarop zuchtte ze en begon duidelijk een reden te bedenken om van haar bezoeker af te komen. Hij zag dat, drukte zijn sigaret uit, gaf haar een hand, liep de kamer uit, en begaf zich naar de voorkamer.

In de eetkamer, waar de klok stond waar Iwan Iljitsj zo op gesteld was en die hij in een antiekwinkel had gekocht, kwam Peter Iwanowitsj een priester en een paar kennissen tegen, die waren gekomen om de dienst bij te wonen, en hij herkende de dochter van Iwan Iljitsj, een knappe jonge vrouw. Ze was in het zwart en haar slanke figuurtje leek slanker dan ooit. Ze keek somber, zelfbewust, en bijna boos, en boog naar Peter Iwanowitsj, alsof hem op een of ander manier iets viel te verwijten.

Achter haar stond, met diezelfde krenkende blik, een rijke jongeman, rechter van instructie, die Peter Iwanowitsj ook kende en die, zoals hij had vernomen, haar verloofde was. Hij boog droevig naar hen en wilde net de lijkkamer binnengaan, toen onder aan de trap de gestalte van de schooljongen, de zoon van Iwan Iljitsj, verscheen, die ongelofelijk veel op hem leek. Hij leek een beetje op de jonge Iwan Iljitsj, zoals Peter zich Iwanowitsj herinnerde, toen ze samen rechten studeerden. Zijn behuilde ogen toonden een blik die je wel vaker ziet bij dertien- of veertienjarige jongens, die niet zuiver op de graat zijn. Toen hij Peter Iwanowitsj zag, fronste hij misnoegd en beschaamd zijn wenkbrauwen. Peter Iwanowitsj knikte hem toe en ging de lijkkamer binnen. De dienst begon: kaarsen, gezucht, wierook, tranen en gesnik. Peter Iwanowitsj stond droefgeestig naar zijn voeten te kijken. Hij keek niet één keer naar de dode man, gaf aan geen enkele neerslachtig makende invloed toe, en was een van de eersten, die de kamer weer verliet. Er was niemand in de voorkamer, maar Gerasim glipte uit de kamer van de overledene, haalde met zijn sterke handen de bontjassen overhoop, om de jas van Peter Iwanowitsj te vinden en hielp hem erin.

“Nou, vriend Gerasim,” zei Peter Iwanowitsj, om iets te zeggen, “Het is een droevige zaak, nietwaar?” “Het is Gods wil. Eens zullen wij daar allemaal voor staan,” zei Gerasim, en liet zijn tanden zien – de egaal witte tanden van een gezonde boer – en als iemand die vreselijk druk bezig is, maakte hij snel de voordeur open, riep de koetsier, hielp Peter Iwanowitsj in de koets, en sprong terug in het portiek, alsof hij klaar moest staan voor het volgende, dat hij moest doen.

Peter Iwanowitsj vond, na de geur van wierook, het dode lichaam en het carbolzuur, de frisse lucht bijzonder aangenaam.

“Waarheen, mijnheer?” vroeg de koetsier.

“Het is nog niet te laat….Rij maar naar Fjodor Wasilijewitsj.”

Zo reed hij erheen en trof ze aan terwijl ze net hun eerste robber afmaakten, zodat hij heel gemakkelijk in kon vallen.

II

Het leven van Iwan Iljitsj was het allereenvoudigste en allergewoonste, dat men zich in kon denken en daarom het meest afschuwelijke.

Hij was lid van de rechtbank geweest en stierf op de leeftijd van vijfenveertig jaar. Zijn vader was een ambtenaar geweest die, nadat hij een baan bij verschillende ministeries en departementen in Sint Petersburg had gehad, dat soort carrière had gemaakt dat mensen in posities brengt waaruit zij, ten gevolge van hun vele dienstjaren, niet ontslagen kunnen worden, hoewel ze overduidelijk ongeschikt zijn om welke verantwoordelijke positie dan ook te bekleden, en voor wie daarom speciale baantjes in het leven worden geroepen, die hoewel denkbeeldig, niet denkbeeldige salarissen van zes tot tienduizend roebel opleveren, waarmee ze tot op hoge leeftijd kunnen doorleven.

Ilja Epimowitsj Golowin was zo iemand. Hij was geheimraad en overbodig lid van verschillende overbodige instellingen.

Hij had drie zonen, waar Iwan Iljitsj de tweede van was. De oudste zoon trad in de voetstappen van zijn vader, alleen bij een ander departement, en naderde in zijn dienst al het stadium, waarbij zo’n bezoldiging zonder bezigheden zou worden bereikt. De derde zoon was een mislukkeling. Hij had in een aantal betrekkingen zijn vooruitzichten verpest en diende nu op de afdeling spoorwegen. Zijn vader en broers, en hun vrouwen nog meer, hielden er niet alleen niet van om hem te ontmoeten, maar vermeden, tenzij ze niet anders konden, zich zelfs ook maar te herinneren dat hij bestond. Zijn zuster was met Baron Greff getrouwd, net zo’n Petersburgse ambtenaar als haar vader. Iwan Iljitsj was le phenix de la famille, zoals men zei. Hij was noch zo kil en formeel als zijn oudere broer, noch zo onstuimig als de jongere, maar vergeleken met hen was hij de gulden middenweg – een intelligente, beschaafde, levendige en aangename man. Hij had samen met zijn jongere broer aan de rechtenacademie gestudeerd, maar de laatste had zijn studie niet afgemaakt en werd uit de vijfde klas weggestuurd. Iwan Iljitsj maakte de studie wel af. Zelfs toen hij op de rechtenacademie zat, was hij al precies zoals hij de rest van zijn leven zou blijven: een bekwame, opgewekte, gemoedelijke man, prettig in de omgang, maar streng in het vervullen van wat hij als zijn plicht beschouwde: en hij beschouwde als zijn plicht, wat de autoriteiten als zijn plicht beschouwden. Noch als jongen, noch als volwassen man was hij kruiperig geweest, maar vanaf zijn jongensjaren voelde hij zich van nature tot hooggeplaatste personen aangetrokken, zoals een vlieg door het licht, maakte zich hun levenswijzen en opvattingen eigen en knoopte vriendschappelijke betrekkingen met hen aan. Alle bevlogenheden van kindertijd en jeugd gingen aan hem voorbij, zonder veel sporen na te laten; hij bezweek voor zinnelijkheid en ijdelheid, en tegen het eind van zijn leven, toen hij in de hoogste kringen verkeerde, voor het liberalisme, maar altijd binnen de grenzen die zijn instinct hem onfeilbaar als juist aanwees.

Op school had hij dingen gedaan, die hij aanvankelijk afschuwelijk had gevonden en die hem, als hij ze deed, met afkeer voor zichzelf vervulden; maar toen hij later zag dat die dingen ook door hooggeplaatsten werden gedaan en dat zij dat niet als slecht bestempelden, was hij weliswaar niet helemaal in staat ze als goed te beschouwen, maar hij kon ze volmaakt vergeten en ze zonder enig probleem weer in zijn herinnering terughalen. Nadat hij het diploma van de rechtenacademie had behaald, voor de tiende rang van de civiele dienst bevoegd was verklaard, en van zijn vader geld had gekregen voor de aanschaf van benodigdheden, bestelde Iwan Iljitsj voor zichzelf kleren bij Scharmer, de chique kleermaker, hing een medaillon met de inscriptie respice finem aan zijn horlogeketting, nam afscheid van zijn professor en de prins, die beschermheer van de school was, hield met zijn vrienden een afscheidsdiner bij het eersteklas restaurant Donon, en met zijn nieuwe en deftige valies, linnengoed, kleren, scheer- en ander toiletgerei, en een reisdeken, allemaal in de beste winkels aangeschaft, vertrok hij naar een van de provincies, waar hij door voorspraak van zijn vader, als ambtenaar voor speciale diensten, aan de gouverneur was toegevoegd.

In de provincie richtte Iwan Iljitsj al gauw zijn leven net zo behaaglijk en aangenaam in als het op de rechtenacademie was geweest. Hij verrichtte zijn werk als ambtenaar, maakte carrière, en tegelijkertijd vermaakte hij zich prettig en fatsoenlijk. Af en toe legde hij werkbezoeken aan de plattelandsdistricten af, waar hij zich, zowel naar zijn hoger- als zijn lagergeplaatsten, waardig gedroeg, en waar hij de plichten vervulde die hem waren toevertrouwd, en die voornamelijk sektariërs betroffen, met een stiptheid en onomkoopbare eerlijkheid, waar hij alleen maar trots op kon zijn.

In ambtelijke zaken was hij, ondanks zijn jeugd en neiging tot lichtzinnig vermaak, uitermate terughoudend, punctueel, en zelfs streng; maar in gezelschap was hij vaak onderhoudend en geestig, altijd gemoedelijk en voorkomend in zijn manieren, en een bon enfant, zoals de gouverneur en zijn vrouw – voor wie hij als een lid van de familie was – over hem plachten te praten.

In de provincie had hij iets met een dame, die de elegante jonge jurist avances had gemaakt, en er was ook iets met een modiste; en er waren drinkgelagen met adjudanten die het district bezochten, en avondlijke bezoekjes aan een afgelegen straat met een twijfelachtige reputatie; en er was natuurlijk ook wat kruiperigheid ten opzichte van zijn baas en zelfs de vrouw van de baas, maar dat gebeurde allemaal met zo’n zweem van beschaafde manieren, dat niemand er iets verkeerds van kon zeggen. Het viel allemaal onder het motto van het Franse gezegde: “Il faut que jeunesse se passe.” Alles gebeurde met schone handen, in schone kleren, met Franse bewoordingen, en bij voorkeur in de hoogste kringen en dus met goedkeuring van de gewone man. Zo diende Iwan Iljitsj vijf jaar lang en toen trad in zijn ambtelijke leven een verandering op. Er werden nieuwe en verbeterde juridische instellingen ingevoerd, en er waren nieuwe mensen nodig. Iwan Iljitsj werd zo’n nieuwe man. Hem werd de baan van rechter van instructie aangeboden, maar de standplaats bevond zich in een andere provincie en dat noodzaakte hem de vriendschappen, die hij had gesloten, te verbreken en nieuwe te sluiten. Zijn vrienden kwamen bijeen om hem een afscheidscadeau te overhandigen; ze hadden een groepsfoto laten maken en gaven hem dat, samen met een zilveren sigarettenkoker, en zo vertrok hij naar zijn nieuwe standplaats.

Als rechter van instructie was Iwan Iljitsj even comme il faut en fatsoenlijk, wist algemeen achting af te dwingen en was in staat zijn werk van zijn privé-leven te scheiden, zoals hij ook had gedaan toen hij ambtenaar in speciale functie was. Zijn werk als rechter van instructie was veel belangrijker en aantrekkelijker dan zijn vorige baan. In zijn vorige baan was het prettig geweest om een klein tenue, gemaakt door Scharmer, te dragen en de menigte mensen met verzoekschriften en ambtenaren voorbij te lopen, die bedeesd op een audiëntie bij de gouverneur stonden te wachten en die hem benijdden als hij met ongedwongen en soepele pas rechtstreeks de kamer van zijn baas inliep om met hem een kopje thee te drinken en een sigaret te roken. Maar toen waren er maar weinig mensen, die direct van hem afhankelijk waren – alleen de ambtenaren van de politie en als hij op speciale missie ging, de sektariërs – en hij hield ervan om hen netjes te behandelen, bijna als vrienden, alsof hij hen wilde laten voelen dat hij, die het vermogen had hen te verpletteren, hen op deze eenvoudige en vriendelijke manier behandelde. Destijds waren er maar weinig van zulke mensen. Maar nu hij rechter van instructie was, voelde Iwan Iljitsj dat hij zonder uitzondering iedereen, zelfs de meeste belangrijke en zelfverzekerde persoon, in zijn macht had, en dat hij alleen maar een paar woorden op een vel papier met een bepaald briefhoofd hoefde te schrijven en deze of gene belangrijke en zelfverzekerde persoon zou in de rol van beklaagde of getuige aan hem voorgeleid worden, en als hij hem niet zou toestaan te gaan zitten, zou hij voor hem moeten blijven staan en antwoorden op zijn vragen moeten geven. Iwan Iljitsj maakte nooit misbruik van zijn macht; integendeel, hij probeerde de uitwerking van die macht zoveel mogelijk te verzachten, maar het besef van macht en van de mogelijkheid die te verzachten, vormden voor hem het belangrijkste en aantrekkelijkste deel van zijn baan. In het werk zelf, en met name bij zijn onderzoek, maakte hij zich al gauw de manier eigen om alle overwegingen die voor het juridische aspect van de zaak niet relevant waren buiten beschouwing te laten, en zelfs de meest ingewikkelde zaak terug te brengen tot een vorm, waarin het alleen maar in zijn uiterlijkheden op papier zou verschijnen, met volledige uitsluiting van zijn persoonlijke mening over de zaak, met bovenal inachtneming van de voorgeschreven formaliteiten. Het werk was nieuw en Iwan Iljitsj was een van de eersten die het nieuwe Wetboek van 1864 in praktijk moest brengen. Door het aanvaarden van de baan van rechter van instructie in een nieuwe stad, maakte hij nieuwe kennissen en relaties, veroverde een nieuwe positie en nam een ietwat andere manier van doen aan. Hij mat zich een vrij waardige afstandelijkheid ten opzichte provinciale gezagdragers aan, maar koos voor de beste kringen van juristen en rijke adel die in de stad woonden en sloeg een toon van lichtelijke ontevredenheid met de regering aan, omarmde een gematigd liberalisme en gedroeg zich als een verlichte burger. Zonder ook maar enigszins de sierlijkheid van zijn uiterlijk te veranderen, stopte hij tegelijkertijd met het scheren van zijn kin en liet zijn baard vrijuit groeien.

Het leven van Iwan Iljitsj in deze nieuwe stad werd zeer aangenaam. Het maatschappelijke leven, dat daar naar verzet tegen de gouverneur neigde, was vriendelijk, zijn salaris was hoger, en hij ging whist spelen, dat in zijn ogen niet weinig bijdroeg aan de geneugten des levens, want hij was een goede speler, speelde graag en dacht snel en slim na, zodat hij meestal won.

Nadat hij daar twee jaar had doorgebracht ontmoette hij zijn toekomstige echtgenote, Praskowja Fjodorowna Michel, het meest aantrekkelijke, intelligente en talentvolle meisje uit de kring waar hij zich in bewoog, en als een van de vermaken en ontspanningen van zijn werkzaamheden als rechter van instructie, knoopte Iwan Iljitsj een lichtvoetige en speelse verhouding met haar aan.

Toen hij nog ambtenaar voor speciale zaken was danste hij vaak, maar nu, als rechter van instructie, deed hij het nog bij uitzondering. Als hij nu danste, deed hij het alsof hij wilde laten zien dat hij, hoewel zijn omstandigheden waren veranderd en hij de vijfde klasse van zijn ambt had bereikt, als het op dansen aankwam, het beter dan de meeste anderen kon. Zo danste hij soms aan het eind van de avond met Praskowja Fjodorowna, en het was voornamelijk tijdens deze dansen, dat hij haar veroverde. Ze werd verliefd op hem. Iwan Iljitsj had niet bepaald de bedoeling om te trouwen, maar toen het meisje verliefd op hem werd, zei hij bij zichzelf: “Kom, waarom zou ik niet trouwen?”

Praskowja Fjodorowna kwam uit een goede familie, zag er niet slecht uit, en bezat een klein vermogen. Iwan Iljitsj had dan wellicht een meer glansrijke partij voor ogen gehad, maar dit was ook goed. Hij had zijn salaris, en zij, hoopte hij, zou ongeveer evenveel inbrengen. Ze had een aardige kennissenkring, en was een lieve, aardige en door en door nette jonge vrouw. Om nou te zeggen dat Iwan Iljitsj trouwde omdat hij verliefd op Praskowja Fjodorowna was en dat hij vond dat zij zijn levensopvatting deelde, zou even onjuist zijn als te zeggen dat hij haar huwde omdat de mensen uit zijn eigen kring de partij goedkeurden. Hij liet zich door de volgende overwegingen leiden: het huwelijk gaf hem persoonlijk voldoening, en tegelijkertijd werd het door zijn hoogstgeplaatste collega’s goed bevonden.

Dus trouwde Iwan Iljitsj.

De voorbereidingen voor het huwelijk en de eerste tijd van zijn echtelijk leven, met de huwelijkse liefkozingen, het nieuwe meubilair, nieuwe servies, en nieuwe linnengoed, waren zeer aangenaam, - zodat Iwan Iljitsj was gaan denken dat het huwelijk geen nadelige invloed op zijn rustige, aangename, vrolijke en altijd fatsoenlijke manier van leven zou hebben, wat door zijn omgeving werd bevestigd en door hem zelf als normaal werd beschouwd, maar dat het huwelijk zijn leven zelfs zou verbeteren. Totdat zijn echtgenote zwanger werd. En vanaf de eerste maanden van de zwangerschap van zijn echtgenote verscheen onverwacht iets nieuws, onaangenaams, drukkends en onbetamelijks, waar geen ontsnappen aan was.

Zijn echtgenote begon zonder enige aanleiding – uit een gaieté de coeur zoals Iwan Iljitsj het bij zichzelf noemde – het aangename en fatsoenlijke van hun leven te verstoren. Ze begon zonder enige reden jaloers te worden, verwachtte dat hij al zijn aandacht aan haar zou besteden, vitte overal op, en maakte hevige en onverkwikkelijke scènes.

In het begin hoopte Iwan Iljitsj dat hij, door dezelfde rustige en fatsoenlijke levenshouding die hem vroeger altijd had geholpen, aan die onaangename toestanden kon ontsnappen: hij probeerde de onaangename buien van zijn vrouw te negeren, leefde op zijn gewoonlijk rustige en aangename manier verder, nodigde vrienden bij hem thuis uit voor een spel kaart, en probeerde ook naar zijn club te gaan of zijn avonden met vrienden door te brengen. Maar op zekere dag ging zijn echtgenote hevig tegen hem te keer, met zeer grove taal, en ze ging daarmee door, elke keer dat hij niet aan haar wensen voldeed, zo vastberaden en duidelijk zo vastbesloten daar niet mee op te houden, tot hij zou toegeven – dat wil zeggen, dat hij thuis zou blijven en zich net zo zou vervelen als zij – dat hij ongerust werd. Nu besefte hij dat het getrouwd zijn – in ieder geval met Praskowja Fjodorowna – niet altijd bevorderlijk voor de geneugten en aangenaamheden van het leven was, maar dat het integendeel vaak inbreuk op zowel het gemak als de welvoeglijkheid maakt, en dat hij zich dus tegen zo’n verstoring moest wapenen. En Iwan Iljitsj begon daar manieren voor te zoeken. Zijn ambtelijke zaken, was het enige dat indruk op Praskowja Fjodorowna maakte, en door middel van zijn werk en de plichten die daaraan vast zaten, ging hij met zijn echtgenote het gevecht aan, om zijn eigen onafhankelijkheid veilig te stellen. Met de geboorte van het kind, de pogingen het te voeden en de diverse mislukkingen daarbij, en met de echte en ingebeelde ziekten van moeder en kind, waarbij het medeleven van Iwan Iljitsj werd gevraagd, maar waar hij niets van begreep, werd de noodzaak om zich van een bestaan buiten het gezinsleven te verzekeren, nog dwingender. Naarmate zijn echtgenote prikkelbaarder en veeleisender werd en Iwan Iljitsj het zwaartepunt van zijn leven meer en meer naar zijn werk verlegde, ging hij steeds meer van zijn werk houden en werd meer eerzuchtig dan vóór die tijd.

Al heel gauw, binnen een jaar na zijn trouwen, had Iwan Iljitsj begrepen, dat het huwelijk, hoewel het mogelijk enige gemakken aan het leven toevoegt, in wezen een zeer ingewikkelde en problematische zaak is, waar tegenover men, om zijn plicht te vervullen, dat wil zeggen, een door de gemeenschap goedgekeurd fatsoenlijk leven te leiden, net zoals tegenover de ambtelijke plichten, een bepaalde houding aan moet nemen. En Iwan Iljitsj ontwikkelde zo’n houding tegenover het huwelijkse leven.

Hij verlangde er alleen de gemakken van – het eten thuis, een huisvrouw en een bed – die het hem kon verschaffen, en bovenal die uiterlijke fatsoensvormen, die de publieke opinie eiste. Voor het overige zocht hij naar luchtig en fatsoenlijk vermaak en hij was heel dankbaar als hij dat vond, maar ontmoette hij verzet en geklaag, dan trok hij zich meteen terug in zijn afgescheiden en afgeschermde wereld van zijn werk, waar hij bevrediging in vond.

Iwan Iljitsj werd als een goede ambtenaar beschouwd, en hij werd na drie jaar tot assistent officier van justitie bevorderd. Zijn nieuwe taken, hun belangrijkheid, de mogelijkheid om wie hij maar wilde aan te klagen en in hechtenis te laten nemen, de openbaarheid van zijn toespraken, en het succes dat hij met dat alles boekte, maakte zijn werk nog aantrekkelijker. Er kwamen meer kinderen. Zijn echtgenote werd hoe langer hoe meer klagerig en opvliegend, maar de houding die Iwan Iljitsj ten opzichte van zijn huiselijk leven had aangenomen, maakte hem vrijwel ontoegankelijk voor haar gemopper.

Nadat hij zeven jaar in die stad had gediend, werd hij als officier van justitie naar een andere provincie overgeplaatst. Ze verhuisden, maar kwamen geld tekort en zijn echtgenote hield niet van de stad, waar ze naartoe verhuisd waren. Hoewel het salaris hoger was, waren de kosten van levensonderhoud hoger, waar nog bij kwam dat twee van hun kinderen stierven en het huiselijke leven nog onaangenamer voor hem werd. Praskowja Fjodorowna verweet haar echtgenoot elk ongemak, dat hen in hun nieuwe woonplaats overkwam. De meeste gesprekken tussen man en vrouw, met name als het over de opvoeding van de kinderen ging, leidden tot onderwerpen die aan eerdere discussies herinnerden, en die discussies hadden de neiging om elk moment weer op te laaien. Alleen die zeldzame ogenblikken van verliefdheid, die hen af en toe overkwamen, bleven over, maar die duurden niet lang. Dat waren eilandjes, waar zij een tijdje aanlegden, om vervolgens weer die oceaan van verhulde vijandigheid op te varen, die zich uitte in hun beider afstandelijkheid. Die afstandelijkheid zou Iwan Iljitsj hebben betreurd, als hij van mening was geweest dat die niet nodig zou zijn, maar nu beschouwde hij die toestand als normaal, en hij maakte het zelfs tot het doel, dat hij in het gezinsleven nastreefde. Zijn doel was om zich steeds meer van die onaangenaamheden te bevrijden en ze een schijn van onschuld en fatsoen te geven. Hij bereikte dat door steeds minder tijd met zijn gezin door te brengen, en als hij er niet onderuit kwam om thuis te zijn, probeerde hij zijn positie veilig te stellen door de aanwezigheid van buitenstaanders. De hoofdzaak was echter dat hij zijn werk had. Zijn hele belangstelling concentreerde zich nu op de ambtelijke wereld en die belangstelling nam hem helemaal in beslag. Het besef van zijn macht, het weten dat hij in staat was iedereen die hij maar wilde te ruïneren, zijn gewichtigheid, zelfs de uiterlijke waardigheid waarmee hij de rechtszaal binnentrad, of waarmee hij zijn ondergeschikten bejegende, zijn succes bij hoger- en lagergeplaatsten, en bovenal zijn meesterlijke behandeling van rechtszaken, waar hij zich bewust van was – dat alles deed hem genoegen en vulde, samen met gesprekken met zijn collega’s, diners en whist, zijn leven. Zodat over het geheel genomen het leven van Iwan Iljitsj voortkabbelde zoals hij vond dat het moest gaan – aangenaam en fatsoenlijk.

Zo ging het nog zeven jaar verder. Zijn oudste dochter was al zeventien, er was nog een kind overleden, en er was maar één zoon overgebleven, een schooljongen en een onderwerp van menige onenigheid. Iwan Iljitsj wilde hem op de rechtenacademie hebben, maar uit wrok deed Praskowja Fjodorowna hem op de hogeschool. De dochter kreeg thuisonderwijs en deed het goed: de jongen leerde ook niet slecht.

III

Zo leefde Iwan Iljitsj na zijn huwelijk nog zeventien jaar lang.

Hij was al een hele tijd officier van justitie en had al verschillende overplaatsingen van de hand gewezen in afwachting van een meer gewenste post, toen een onvoorziene en onaangename gebeurtenis zijn vreedzaam verlopende leven helemaal op zijn kop zette. Hij verwachtte dat hem de stansplaats van voorzitter van de rechtbank in een universiteitsstad zou worden aangeboden, maar op een of andere manier trad Happe op de voorgrond en werd in plaats van hem benoemd. Iwan Iljitsj wondt zich op, maakte Happe verwijten en maakte ruzie, zowel met hem als met zijn directe meerderen – die hem koeler begonnen te bejegenen en hem vervolgens bij andere benoemingen weer oversloegen.

Dit gebeurde in 1880, het zwaarste jaar in het leven van Iwan Iljitsj. Toen werd aan de ene kant ook duidelijk dat zijn salaris voor hen ontoereikend was om zo verder te leven, en aan de andere kant dat ze hem vergeten hadden, en dat niet alleen, maar dat datgene, wat voor hem de grootste en meest wrede onrechtvaardigheid was, voor anderen de gewoonste zaak van de wereld scheen te zijn. Zelfs zijn vader beschouwde het niet als zijn plicht om hem te helpen. Iwan Iljitsj voelde zich door iedereen in de steek gelaten en zag dat zij zijn positie, met een salaris van 3.500 roebel, als volkomen normaal en zelfs als een geluk beschouwden. Alleen hijzelf, zich bewust van het hem aangedane onrecht, met een voortdurend zanikende echtgenote, en met schulden die hij was aangegaan omdat hij boven zijn inkomen leefde, wist dat zijn toestand allesbehalve normaal was. Om geld te besparen nam hij die zomer verlof en ging met zijn echtgenote, bij haar broer op het platteland, zijn tijd doorbrengen. Daar, zonder zijn werk, voelde hij voor het eerst in zijn leven verveling, en niet alleen verveling maar een ondraaglijke zwaarmoedigheid, en hij kwam tot de conclusie dat hij zo onmogelijk verder kon leven, en dat hij drieste maatregelen moest treffen.

Nadat hij een slapeloze nacht had doorgebracht, waarin hij op de veranda op en neer had gelopen, besloot hij naar Petersburg te gaan en zijn best te doen om de mensen die hem niet naar waarde hadden geschat te straffen en om een overplaatsing naar een ander ministerie te bewerkstelligen.

De volgende dag vertrok hij, ondanks veel protest van zijn echtgenoten en haar broer, naar Petersburg met maar één doel voor ogen, namelijk een post met een salaris van vijfduizend roebel per jaar. Hij was niet langer uit op een bepaald departement, noch op een bepaald soort werk. Het enige wat hij nu wilde was een benoeming op een andere post met een salaris van vijfduizend roebel, of het nu bij de rijksadministratie, op een bank, bij de spoorwegen, in een van de Keizerin Maria stichtingen of zelfs bij de douane was – als het maar een salaris van vijfduizend roebel opleverde en bij een ander ministerie was, dan dat waar ze hem niet naar waarde hadden geschat.

En deze zoektocht van Iwan Iljitsj werd met een opmerkelijk en onverwacht succes bekroond. In Koersk stapte een kennis van hem, F. I. Iljin, in de eersteklas coupé, ging naast Iwan Iljitsj zitten, en vertelde hem over een telegram dat hij net van de gouverneur van Koersk had ontvangen, waarin stond dat er een verandering op het ministerie zou plaatsvinden: Peter Iwanowitsj zou door Iwan Semonovitsj worden opgevolgd.

De voorgestelde verandering had, afgezien van de betekenis die het voor Rusland had, een bijzondere betekenis voor Iwan Iljitsj, want door een nieuwe man, Peter Petrovitsj, naar voren te schuiven en dus ook zijn vriend Zachar Iwanowitsj, was het uitermate gunstig voor Iwan Iljitsj, aangezien Zachar Iwanowitsj een vriend en collega van hem was.

In Moskou werd dit nieuws bevestigd, en in Sint Petersburg aangekomen, zocht Iwan Iljitsj Zachar Iwanowitsj op en kreeg de duidelijke belofte van een benoeming aan zijn vroegere departement van justitie. Een week later stuurde hij zijn vrouw een telegram: “Zachar op plaats van Miller. Krijg benoeming op voordracht.”

Dankzij deze personeelswisseling had Iwan Iljitsj onverwacht een benoeming aan zijn vroegere ministerie gekregen, waardoor hij twee rangen boven zijn voormalige collega’s uitsteeg, naast een salaris van vijfduizend roebel en drieduizendvijfhonderd roebel voor uitgaven die met zijn verhuizing samenhingen. Zijn hele stemming ten opzichte van zijn vroegere vijanden en het hele departement verdween, en Iwan Iljitsj was volmaakt gelukkig.

Hij keerde opgewekter en meer tevreden, dan hij in tijden was geweest, naar het platteland terug. Praskowja Fjodorowna monterde ook op en er werd een onderlinge wapenstilstand getekend. Iwan Iljitsj vertelde hoe hij door iedereen in Petersburg feestelijk was onthaald, hoe al zijn vijanden zich schaamden en nu voor hem kropen, hoe jaloers ze op zijn benoeming waren en hoezeer iedereen in Petersburg op hem gesteld was. Praskowja Fjodorowna hoorde dat allemaal aan en scheen het te geloven. Ze sprak hem nergens in tegen, maar maakte alleen maar plannen voor hun leven in de stad, waar ze naar toe zouden gaan. Iwan Iljitsj zag verheugd dat haar plannen zijn plannen waren, dat hij en zijn echtgenote het met elkaar eens waren, en dat zijn leven, na wat geharrewar, zijn rechtmatige en oorspronkelijke karakter van luchthartigheid en welvoeglijkheid zou herwinnen.

Iwan Iljitsj was maar voor even teruggekomen, want hij moest zijn nieuwe baan op 10 september aanvaarden. Bovendien had hij tijd nodig om zich op zijn nieuwe plek in te richten, om zijn hele hebben en houden uit de provincie over te brengen, en een heleboel extra dingen te kopen en te bestellen: kortom, om de hele boel zo in te richten als hij voor zichzelf had besloten, en wat vrijwel precies hetzelfde was wat ook Praskowja Fjodorowna in haar hoofd had.

Nu alles zo voorspoedig was verlopen en hij en zijn echtgenote hetzelfde doel voor ogen hadden en elkaar bovendien zo weinig zagen, konden zij het beter met elkaar vinden, dan ze sinds de eerste jaren van hun huwelijk hadden gedaan. Iwan Iljitsj had bedacht om meteen zijn gezin mee te nemen, maar op aandrang van de broer van zijn echtgenote en haar schoonzuster, die zich opeens bijzonder hartelijk en vriendelijk ten opzichte van hem en zijn gezin gedroegen, vertrok hij alleen.

Zo vertrok hij dus, en de opgewekte stemming, veroorzaakt door zijn welslagen en de eensgezindheid tussen zijn echtgenote en zichzelf, verliet hem niet meer. Hij vond een verrukkelijk huis, precies het huis waar zowel zijn echtgenote als hijzelf van hadden gedroomd.

Ruime, voorname ontvangkamers in oude stijl, een geriefelijke en waardige studeerkamer, kamers voor zijn vrouw en dochter, een studeerkamer voor zijn zoon – het leek alsof het speciaal voor hen was gebouwd. Iwan Iljitsj hield zelf toezicht op de inrichting, koos het behang uit, vulde het meubilair aan (bij voorkeur antiek, dat hij bijzonder comme il faut vond), en zag toe op de stoffering. Het schoot allemaal steeds verder op en benaderde het ideaal dat hij zichzelf had gesteld: zelfs als dingen pas half af waren, overtroffen ze zijn verwachtingen. Hij zag wat voor verfijnd en smaakvol karakter, zonder alledaagsheid, het allemaal zou hebben als het klaar zou zijn. Tijdens het inslapen stelde hij zich voor hoe de ontvangstkamer er uit zou komen te zien. Als hij naar de nog niet voltooide huiskamer keek kon hij de open haard al zien, het vuurscherm, en wat al niet, de kleine stoeltjes hier en daar, de borden en schotels aan de muur, en de bronzen beelden, kortom, zoals het eruit zou zien als alles op zijn plaats stond. Hij verheugde zich al bij de gedachte hoe zijn echtgenote en dochter, die wat dat betreft dezelfde smaak hadden, ervan onder de indruk zouden zijn. Zoveel verwachtten ze vast niet. Hij was vooral geslaagd in het vinden en goedkoop aanschaffen van antiek, dat aan het geheel een bijzonder aristocratisch karakter gaf. Maar in zijn brieven maakte hij het opzettelijk allemaal minder, om hen te kunnen verrassen. Dit nam hem allemaal zo in beslag, dat hij voor zijn nieuwe werkzaamheden – hoewel hij van zijn ambtelijke werk hield – minder belangstelling had dan hij had verwacht. Soms had hij tijdens de zittingen van de rechtbank zelfs momenten van afwezigheid en bedacht dan of hij rechte of gebogen kroonlijsten voor zijn gordijnen wilde. Hij was overal zo mee bezig, dat hij vaak dingen zelf deed, verzette de meubels of hing de gordijnen weer op. Op een keer, toen hij op de ladder klom om de stoffeerder, die niet begreep hoe hij wilde dat de sierdoeken werden gedrapeerd, maakte hij een verkeerde stap en gleed uit, maar aangezien hij een sterke en handige man was, kon hij zich vastgrijpen en stootte alleen zijn zij tegen de vensterknop. De gekneusde plek was pijnlijk, maar de pijn verdween al snel, en hij voelde zich toen juist bijzonder opgewekt en gezond. Hij schreef: “Ik voel me vijftien jaar jonger.”

Hij dacht dat hij tegen september alles klaar zou hebben, maar het liep uit tot midden oktober. Maar het resultaat was alleraardigst, niet alleen in zijn eigen ogen, maar voor iedereen die het zag.

In werkelijkheid was het precies wat men gewoonlijk in huizen van mensen uit de middenklasse ziet, die rijk willen lijken, en er daarom alleen maar in slagen anderen op henzelf te laten lijken: je ziet er damasten kleden, donker hout, planten, tapijten en saaie en gepolijste bronzen beelden – allemaal dingen die mensen van een bepaalde stand bezitten om op andere mensen van diezelfde stand te lijken. Zijn huis leek zo op de andere, dat het nooit zou zijn opgevallen, maar voor hem leek het allemaal buitgewoon. Hij was heel gelukkig toen hij zijn gezin van het station afhaalde en hen naar het pas ingerichte en geheel verlichte huis bracht, waar een bediende in rokkostuum de deur naar de met planten versierde hal opende, en toen ze verder de huiskamer en studeerkamer inliepen en kreten van verrukking slaagden. Hij leidde hen overal rond, dronk gretig hun lof in, en straalde van genoegen. Die avond, bij de thee, toen Praskowja Fjodorowna hem onder andere naar zijn val vroeg, lachte hij, en liet hen zien hoe hij had gevlogen en de stoffeerder de stuipen op het lijf had gejaagd. “Gelukkig ben ik een beetje een atleet. Voor iemand anders zou het misschien zijn dood zijn geweest, maar ik heb me alleen maar gestoten; het doet pijn als je eraan komt, maar het gaat al weer over – het is alleen gekneusd.”

Zo begon het leven in hun nieuwe woning – waarin zij, zoals altijd, toen zij alles op orde hadden, vonden dat ze net één kamer tekort kwamen – met het gestegen inkomen, dat zoals altijd net een beetje (ongeveer vijfhonderd roebel) te weinig was, maar het was allemaal heel prettig.

In het begin liep het allemaal bijzonder goed, voordat alles definitief op orde was en er nog iets gedaan moest worden: het ene gekocht, het andere besteld, weer iets anders verplaatst en nog iets anders erbij. Ofschoon er af en toe een woordenwisseling tussen man en vrouw was, waren ze beiden zo tevreden en hadden zoveel te doen, dat alles zonder ernstige ruzies voorbijging. Toen er niets meer te regelen viel, werd het nogal saai en het leek alsof er iets ontbrak, maar toen kregen ze kennissen, namen nieuwe gewoonten aan, en het leven werd voller.

Iwan Iljitsj bracht zijn ochtenden op de rechtbank door en kwam tussen de middag thuis eten, en aanvankelijk was hij over het algemeen goedgehumeurd, hoewel hij af en toe juist door zijn huis prikkelbaar werd. (Elke vlek op het tafelkleed of de stoelbekleding, en elk gebroken koordje van het vensterscherm, ergerde hem. Hij had zich zoveel moeite getroost om het allemaal zo in te richten, dat elke verstoring ervan hem kwelde) Maar over het geheel genomen verliep zijn leven, zoals hij geloofde dat het moest verlopen: rustig, aangenaam en fatsoenlijk.

Hij stond om negen uur op, dronk zijn koffie, las de krant, trok vervolgens zijn klein tenue aan en ging naar de rechtbank. Daar lag het gareel, waarin hij moest werken, al klaar en gedwee legde hij zich erbij neer: mensen met verzoeken, onderzoeken bij het hooggerechtshof, het hooggerechtshof zelf, en de openbare en bestuurszittingen. In dat alles was het zaak al het frisse en levendige uit te schakelen, dat altijd de normale gang van ambtelijke zaken verstoort, en uitsluitend ambtelijke betrekkingen met mensen toe te staan, en dan alleen op ambtelijke gronden. Stel bijvoorbeeld dat er iemand komt, die wat informatie wil hebben. Iwan Iljitsj zou, omdat die zaak niet op zijn terrein ligt, niets met hem van doen willen hebben: maar als die persoon van hem op zijn eigen ambtelijk terrein iets zou willen, iets dat op een officieel gestempeld vel papier gezet zou kunnen worden, zou hij alles doen, ongetwijfeld alles wat hij binnen de grenzen van dergelijke betrekkingen zou kunnen, en daarmee zou hij de schijn van een vriendelijke betrekking kunnen ophouden, dat wil zeggen, dat hij de hoffelijkheden van het leven zou hooghouden. Zo gauw als de ambtelijke relatie eindigde, hield al het andere ook op. Iwan Iljitsj had een buitengewoon vermogen zijn echte leven van de ambtelijke kant van de zaken te scheiden en die twee niet door elkaar te laten lopen, en door zijn lange ervaring en zijn natuurlijke aanleg had hij dat tot zo’n hoogtepunt opgevoerd, dat hij, op een virtuoze wijze, zichzelf zelfs toestond het menselijke en ambtelijke met elkaar te vermengen. Hij stond zich dat zelf toe, juist omdat hij voelde dat hij op elk moment er weer voor kon kiezen de louter ambtelijke houding weer te hervatten en hij de menselijke betrekking weer kon laten vallen. En hij deed het allemaal even soepel, aangenaam, voorkomend en zelfs artistiek.

Tussen de zittingen in rookte hij, dronk zijn kopje thee, babbelde wat over politiek, wat over algemene onderwerpen, een beetje over kaarten, maar bovenal over benoemingen. Vermoeid, maar met het gevoel van een virtuoos – dat van een van de eerste violisten, die in het orkest zijn partij zorgvuldig had gespeeld – zou hij dan weer naar huis terugkeren en merken dat zijn echtgenote en dochter ergens op visite waren, of zelf bezoek hadden, en dat zijn zoon naar school was geweest, met zijn huisonderwijzer zijn huiswerk had gemaakt en vast bezig was iets te leren wat op hogescholen werd onderwezen.

Alles was zoals het moest zijn. Na het eten las Iwan Iljitsj soms, als er geen bezoek was, een boek dat in die tijd veel besproken werd en ‘s avonds zette hij zich aan het werk, dat wil zeggen, las zijn ambtelijke stukken, vergeleek de getuigenverklaringen, en noteerde er de desbetreffende paragrafen van het wetboek bij. Dat was saai noch prettig. Het was saai als hij whist had kunnen spelen, maar als hij toch niet kon spelen was het in iedere geval beter dan bij zijn echtgenote zitten.

Het belangrijkste vermaak van Iwan Iljitsj was het geven van eenvoudige etentjes, waar hij mannen en vrouwen uit betere kringen voor uitnodigde, en zoals zijn huiskamer op alle andere huiskamers leek, leken zijn gezellige etentje op alle andere etentjes.

Ze gaven zelfs een keer een bal. Iwan Iljitsj genoot ervan en alles verliep goed, behalve dat het op een hevige ruzie met zijn echtgenote over de taarten en het gebak uitliep. Praskowja Fjodorowna had haar eigen plannen gemaakt, maar Iwan Iljitsj stond erop om alles van een dure banketbakker te betrekken en bestelde teveel gebakjes, en de ruzie ontstond omdat er een aantal gebakjes overbleef en de rekening van de banketbakker vijfenveertig roebel bedroeg. Het was een hevige en onaangename ruzie. Praskowja Fjodorowna noemde hem “een dwaas en een idioot,” en hij greep naar zijn hoofd en maakte boos toespelingen op een echtscheiding.

Maar het bal zelf was plezierig geweest. De beste mensen waren aanwezig en Iwan Iljitsj had met Prinses Trufonowa gedanst, een zuster van de bekende oprichter van de stichting “Draag elkanders lasten”. De genoegens die met zijn werk hadden te maken, waren genoegens die uit zijn eerzucht voortkwamen; zijn sociale genoegens kwamen uit ijdelheid voort; maar het grootste genot van Iwan Iljitsj was het spelen van whist. Hij erkende dat, wat er ook voor onaangenaams in zijn leven gebeurde, het genoegen, dat al het andere in de schaduw zette, was om met een aantal goede spelers - geen luidruchtige heren - een partij whist te spelen, en vanzelfsprekend met zijn vieren (met vijf spelers was het vervelend om te moeten wisselen, hoewel men deed alsof men het niet erg vond), en een slim en ernstig spel te spelen (als de kaarten het toelieten) en daarna het avondmaal te gebruiken en een glas wijn te drinken. Na een partij whist, en met name als hij wat had gewonnen (veel winnen was onaangenaam) ging Iwan Iljitsj in een uitstekend humeur naar bed. Zo leefden ze. Ze vormden een uitgelezen kennissenkring en werden door belangrijke mensen en jongelui bezocht. Ten overstaan van hun kennissen waren man, vrouw en dochter het volmaakt met elkaar eens, en stilzwijgend en eensgezind werden sjofele vrienden en verwanten, die met veel blijk van genegenheid de salon instroomden, op afstand gehouden en verstoten. Al gauw drongen die sjofele vrienden zich niet meer op en bleven in de kliek van de Golowins alleen mensen uit de hoogste kringen over.

Jongemannen maakt Lisa het hof, en Petristjsjew en Dimitri Iwanowitsj, een rechter van instructie, de zoon en enige erfgenaam van Petristjsjew, begonnen zich zo voorkomend ten opzichte van haar te gedragen, dat Iwan Iljitsj er al met Praskowja Fjodorowna over had gesproken, en zij hadden overwogen of zij niet een feestje of een eigen toneelvoorstelling voor hen zouden regelen. Zo leefden ze en alles liep onveranderd voorspoedig, het leven verliep aangenaam.

IV

Ze waren allemaal gezond. Men kon het niet ongezond noemen als Iwan Iljitsj af en toe vertelde dat hij een vreemde smaak in zijn mond en een vervelend gevoel in zijn linkerzij had.

Maar dat vervelende gevoel nam toe en ontwikkelde zich, hoewel niet echt pijnlijk, tot een drukkend gevoel in zijn zij, en ging gepaard met een slecht humeur. En zijn prikkelbaarheid werd erger en erger en begon het aangename, rustige en keurige leven, dat zij binnen de familie Golowin leidden, te bederven. Ruzies tussen man en vrouw kwamen steeds vaker voor en al gauw verdween de rust en de bekoring en zelfs het fatsoen bleef maar nauwelijks gehandhaafd. Er werden weer vaak scènes gemaakt en er bleven nog maar weinig eilandjes over, waarop man en vrouw elkaar zonder uitbarsting tegen konden komen. Praskowja Fjodorowna kon nu met recht zeggen dat haar man een moeilijk karakter had. Met de haar eigen overdrijving, zei ze dat hij altijd al een vreselijk karakter had gehad, en dat ze alle geduld nodig had gehad om het daar twintig jaar lang mee uit te houden. Het was juist, dat de ruzies nu door hem begonnen. Zijn driftbuien kwamen altijd net voor het eten, vaak net als hij met zijn soep begon.

Soms zag hij dat er een stukje van een schaal of bord af was, dat het eten niet deugde, dat zijn zoon zijn elleboog op tafel had, of dat het haar van zijn dochter niet was opgemaakt zoals hij wilde, en van alles gaf hij Praskowja Fjodorowna de schuld. In het begin ging ze ertegen in en zei ze onaangename dingen tegen hem, maar een of twee keer werd hij aan het begin van het eten zo razend, dat ze begreep dat het door een of andere lichamelijke ontregeling, door het nuttigen van voedsel, teweeg werd gebracht, en dus hield ze zichzelf in en gaf geen antwoord meer, maar haastte zich alleen maar om zo snel mogelijk klaar te zijn met het eten. Ze beschouwde deze zelfbeheersing als zeer lovenswaard. Toen ze eenmaal tot de conclusie was gekomen, dat haar echtgenoot een vreselijk karakter had en dat hij haar leven ellendig had gemaakt, begon ze medelijden met zichzelf te krijgen, en hoe zieliger ze zichzelf vond, hoe meer ze haar echtgenoot haatte. Ze begon hem dood te wensen; en toch wilde ze niet dat hij dood zou gaan, omdat zijn salaris dan op zou houden. En dat maakte haar jegens hem nog bitterder. Ze vond zichzelf vreselijk ongelukkig, met name omdat zelfs zijn dood haar niet zou kunnen redden, en hoewel ze haar ergernis verborgen hield, deed die verborgen ergernis zijn prikkelbaarheid alleen maar toenemen.

Na een scène, waarin Iwan Iljitsj bijzonder onredelijk was en waarna hij als verklaring had gegeven, dat hij inderdaad prikkelbaar was, maar dat dat kwam omdat hij zich niet lekker voelde, zei ze, dat als hij ziek was, dat daar dan naar gekeken moest worden en ze stond erop dat hij naar een beroemde arts zou gaan. Hij ging. Alles gebeurde zoals hij had verwacht en zoals het altijd gaat. Eerst het gebruikelijke wachten en de gewichtigdoenerij, die de dokter over zich had, en die hij zo goed kende (die leek namelijk op zijn eigen houding op de rechtbank), het bekloppen en luisteren, en de vragen die om antwoorden, die vanzelfsprekend en duidelijk overbodig waren, vroegen en de veelbetekenende blik die te kennen gaf dat “als u zich alleen maar aan ons overgeeft, dan zullen wij alles regelen – wij weten precies hoe het moet, altijd voor iedereen op dezelfde manier.” Het ging allemaal precies hetzelfde als bij de rechtbank. De dokter gedroeg zich tegenover hem op dezelfde manier waarop hij zich tegenover een beklaagde gedroeg.

De dokter zei dat zus en zo erop wees dat het zus en zo binnenin de patiënt was, maar als het onderzoek van zus en zo dat niet bevestigde, hij dan dit en dat moest veronderstellen. Als hij dit en dat veronderstelde, dan….enzovoort. Voor Iwan Iljitsj was maar één vraag belangrijk: was het ernstig of niet? Maar de dokter negeerde die ongepaste vraag. Vanuit zijn standpunt ging het daar niet om, want de echte vraag was of het ging om een wandelende nier, een chronische slijmvliesontsteking of een blindedarmontsteking.

Volgens Iwan Iljitsj loste de dokter het probleem niet briljant op ten gunste van de blinde darm, en hij hield het voorbehoud dat, als het onderzoek van de urine nieuwe aanwijzingen zou geven, de zaak opnieuw zou worden bekeken. Dat was allemaal precies hetzelfde, wat Iwan Iljitsj zelf duizend keer even briljant had gedaan bij mensen die terecht stonden. Even briljant vatte de dokter het samen, terwijl hij triomfantelijk en zelfs guitig de beklaagde over zijn bril aankeek. Uit de samenvatting van de dokter maakte Iwan Iljitsj op, dat het er niet goed uitzag, maar dat dat voor de dokter, en misschien voor ieder ander, niets uitmaakte, en dat het er voor hem niet goed uitzag.

En die conclusie trof hem pijnlijk, wekte in hem een groot zelfmedelijden op en verbittering over de onverschilligheid van de dokter, in zo’n belangrijke zaak.

Hij zei er niets over, maar stond op, legde het geld voor de dokter op tafel, en merkte zuchtend op: “Wij zieken, stellen waarschijnlijk vaak ongepaste vragen. Maar zeg me gewoon of deze ziekte gevaarlijk is of niet….”

De dokter keek hem over zijn bril heen streng met één oog aan, alsof hij wilde zeggen: “Gevangene, als u zich niet aan de aan u gestelde vragen houdt, zal ik genoodzaakt zijn u uit de rechtbank te laten verwijderen.” “Ik heb u al verteld wat ik nodig en wenselijk acht. Het onderzoek kan ons wellicht meer vertellen.” En de dokter boog.

Iwan Iljitsj ging langzaam naar buiten, nam troosteloos plaats in zijn slee, en reed naar huis. De hele weg naar huis overdacht hij wat de dokter had gezegd, en probeerde die ingewikkelde en duistere wetenschappelijke termen in duidelijke taal te vertalen en er een antwoord in te vinden op de vraag: “Sta ik er slecht voor? Sta ik er erg slecht voor? Of is er vooralsnog niet veel aan de hand?” En het scheen hem toe dat wat de dokter had gezegd, er op neerkwam, dat het er heel beroerd uitzag.

Alles op straat leek somber. De koetsier, de huizen, de voorbijgangers en de winkels waren naargeestig. Zijn pijn, die doffe, knagende pijn, die geen moment ophield, leek door de onduidelijke opmerkingen van de dokter een nieuwe en ernstigere betekenis te hebben gekregen. Iwan Iljitsj keek er nu met een nieuw en benauwend gevoel naar.

Hij kwam thuis en begon zijn vrouw over het bezoek te vertellen. Ze luisterde, maar midden in het verhaal kwam zijn dochter binnen, met een hoed op, klaar om met haar moeder uit te gaan. Ze ging met tegenzin zitten om naar dit vervelende verhaal te luisteren, maar ze hield het niet lang uit, en ook haar moeder liet hem niet uitpraten.

“Nou, ik ben er heel blij om,” zei ze. Denk er nu aan om je medicijnen op tijd in te nemen. Geef me het recept maar, dan zal ik Gerasim naar de apotheek sturen.” En ze ging zich verder klaarmaken om uit te gaan. Toen ze nog in de kamer was had Iwan Iljitsj nauwelijks tijd genomen om adem te halen, maar toen ze was vertrokken zuchtte hij diep.

“Nou,” dacht hij, “misschien is het helemaal niet zo beroerd.”

Hij begon zijn medicijnen te slikken en volgde de voorschriften van de dokter op, die na het urineonderzoek waren veranderd. Maar toen bleek dat er een tegenstrijdigheid was tussen de aanwijzingen, die uit het onderzoek van de urine waren getrokken, en de klachten die hij had. Het bleek dat wat er gebeurde afweek van wat de dokter hem had verteld en dat hij dus iets had vergeten, zich had vergist of iets voor hem verborgen hield.

Dat kon hem echter niet verweten worden en Iwan Iljitsj bleef zijn voorschriften onvoorwaardelijk opvolgen en aanvankelijk gaf hem dat een zekere bemoediging.

Sinds zijn bezoek aan de dokter, was de voornaamste bezigheid van Iwan Iljitsj het opvolgen van de voorschriften van de dokter betreffende de hygiëne en het innemen van de medicijnen, en het letten op zijn pijn en zijn uitscheidingsproducten. Zijn voornaamste belangstelling richtte zich op de menselijke voeding en gezondheid. Als ze het in zijn aanwezigheid over ziekten, overledenen, of genezingen hadden, met name als de ziekte op de zijne leek, luisterde hij met een opwinding, die hij probeerde te verbergen, stelde vragen, en betrok wat hij hoorde op zijn eigen geval.

De pijn werd niet minder, maar Iwan Iljitsj deed pogingen om zichzelf te dwingen te denken dat het beter met hem ging. En hij kon dat, zolang hem niets opwond. Maar zo gauw hij iets onaangenaams met zijn echtgenote had, een tegenslag op zijn werk ondervond, of slechte kaarten met whisten kreeg, werd hij zich meteen weer van zijn ziekte bewust. Vroeger had hij goed tegen zo’n tegenslagen gekund, in de hoop dat hij wat er mis was gegaan meteen weer zou kunnen rechtzetten, dat hij het weer te boven zou komen en zou slagen, of een groot slem zou behalen. Maar nu bracht elke tegenslag hem van slag en maakte hem wanhopig. Dan zei hij tegen zichzelf: “Zie je wel, net nu ik beter begin te worden en het medicijn gaat werken, overkomt me zo’n vervloekt ongeluk of zoiets vervelends….“ En dan werd hij razend op de tegenvaller of op de mensen die de narigheid hadden veroorzaakt en die hem wilden afmaken, want hij voelde dat juist die razernij hem de dood injoeg, maar hij kon die niet bedwingen. Men zou denken dat het hem duidelijk was dat zijn verbittering over de omstandigheden en de mensen zijn ziekte verergerde, en dat hij daarom op onaangename gebeurtenissen geen acht zou slaan. Maar hij trok juist de tegenovergestelde conclusie: hij zei dat hij rust nodig had, hield alles wat die rust zou kunnen verstoren in de gaten en werd boos bij de geringste verstoring ervan. Zijn toestand verslechterde door het feit dat hij medische boeken las en dokters raadpleegde. De verergering van zijn ziekte verliep zo geleidelijk, dat hij zichzelf voor de gek kon houden door de ene dag met de andere te vergelijken – zo gering was het verschil. Maar als hij de dokters raadpleegde leek het hem alsof hij achteruitging, en zelfs heel snel. En desondanks ging hij steeds maar door met het raadplegen van dokters.

Die maand ging hij bij weer een andere beroemdheid op bezoek, die hem vrijwel hetzelfde als de eerste vertelde, maar zijn vragen op een wat andere manier formuleerde, en het onderhoud met deze beroemdheid vergrootte alleen de twijfels en angsten van Iwan Iljitsj. Een vriend van een van zijn vrienden, een hele goede dokter, stelde voor zijn ziekte een heel andere diagnose dan de anderen, en hoewel hij genezing voorspelde, brachten zijn vragen en vermoedens Iwan Iljitsj nog meer van slag en vergrootte hij zijn twijfels. Een homeopaat stelde weer een andere diagnose en schreef een medicijn voor dat Iwan Iljitsj een week lang stiekem innam.

Maar na een week, zonder dat hij enige verbetering voelde en hij zijn vertrouwen zowel in de behandeling van de vorige als die van deze had verloren, werd hij nog moedelozer. Op zekere dag had een vrouwelijke kennis het over een wonderen verrichtende icoon. Iwan Iljitsj betrapte zich erop dat hij aandachtig luisterde en dat hij begon te geloven dat het echt was gebeurd. Dit voorval verontruste hem. “Ben ik dan geestelijk dermate zwak geworden?” vroeg hij zichzelf af. “Onzin! Het is allemaal flauwekul. Ik moet niet toegeven aan zenuwen en angsten, ik heb nu eenmaal een dokter gekozen en dan moet ik me strikt aan zijn behandeling houden. Dat zal ik doen. Het staat nu allemaal vast. Ik zal er niet meer over nadenken, maar zal tot de zomer de behandeling strikt opvolgen, en dan zullen we wel zien. Vanaf nu moet het maar uit zijn met dat getwijfel!” Dat was gemakkelijk gezegd, maar onmogelijk uitvoerbaar. De pijn in zijn zij maakte hem neerslachtig, leek erger te worden en was er nu bijna altijd, terwijl de smaak in zijn mond vreemder en vreemder werd. Hij vond dat zijn adem walgelijk rook en hij merkte dat zijn eetlust en kracht afnamen. Zelfbedrog was er niet meer bij: iets verschrikkelijks, nieuws, en belangrijkers dan wat dan ook in zijn leven tot dan toe, voltrok zich binnen in hem en alleen hij was zich daarvan bewust. Zijn omgeving begreep het niet of wilde het niet begrijpen, maar dacht dat alles in de wereld gewoon doorging. Dat kwelde Iwan Iljitsj meer dan wat dan ook. Hij zag dat zijn huisgenoten, met name zijn echtgenote en dochter, die in een volmaakte roes van uitgaan verkeerden, er niets van begrepen en zich ergerden aan het feit dat hij zo somber en veeleisend was, alsof ze hem dat kwalijk namen. Hoewel ze het probeerden te verbergen, zag hij dat hij een blok aan hun been was en dat zijn echtgenote tegenover zijn ziekte duidelijk een houding had aangenomen waar ze, wat hij ook zei of deed, op geen enkele manier van afweek.

Haar houding was als volgt: “Weet je.” placht zij tegen haar vrienden te zeggen, “Iwan Iljitsj kan zich niet zoals andere mensen aan de voorgeschreven behandeling houden. De ene dag neemt hij zijn druppels, houdt hij zich strikt aan het dieet en gaat hij op tijd naar bed, maar de volgende dag vergeet hij, tenzij ik erop let, opeens zijn medicijnen, eet steur – wat verboden is – en blijft tot één uur ‘s nachts kaart zitten spelen.” “Kom nou, wanneer dan?” vroeg Iwan Iljitsj dan geërgerd.

“Dat was maar één keer bij Peter Iwanowitsj.”

“En gisteren dan bij Sjebek?”

“Nou, als ik niet was opgebleven, zou de pijn me toch wakker hebben gehouden.”

“Dat kan wel waar zijn, maar zo wordt je nooit beter, maar maak je ons alleen maar doodongelukkig.” De houding van Praskowja Fjodorowna tegenover de ziekte van Iwan Iljitsj, zoals ze die zowel bij anderen als bij hem toonde, drukte uit dat het zijn eigen schuld was en dat het weer een pesterij was die hij haar aandeed. Iwan Iljitsj voelde wel dat ze het niet zo bedoelde – maar dat maakte het niet eenvoudiger voor hem. Ook op de rechtbank merkte Iwan Iljitsj eenzelfde merkwaardige houding tegenover hem op, of hij dacht dat hij het opmerkte. Het leek hem, dat mensen soms vragend naar hem keken, als naar iemand wiens plek spoedig vrij zou komen. Dan begonnen zijn vrienden opeens weer vriendelijk gekheid met hem te maken over zijn neerslachtigheid, alsof dat verschrikkelijke, afschuwelijke, en ongehoorde dat binnen in hem plaatsvond, dat onophoudelijk aan hem knaagde en hem onweerstaanbaar meetrok, een heel geschikt onderwerp voor grapjes was. Vooral die geestige Schwartz met zijn levendigheid en savoir vivre, wat hem aan zichzelf tien jaar geleden herinnerde, ergerde hem.

Vrienden kwamen voor een partijtje en speelden whist met hem.

Ze bogen de nieuwe kaarten om ze soepel te maken, deelden, hij schikte de ruiten in zijn hand en zag dat hij er zeven had. Zijn medespeler zei “Geen troef” en steunde hem met twee kaarten ruiten. Wat kon hij nog meer wensen? Eigenlijk zou het vrolijk en levendig moeten zijn. Ze zouden groot slem halen. Maar opeens voelde Iwan Iljitsj die knagende pijn, proefde die smaak in zijn mond, en het leek belachelijk dat hij onder dergelijke omstandigheden blij zou zijn om groot slem te maken.

Hij keek naar zijn medespeler Michail Michajlowitsj, die met zijn stevige hand op de tafel tikte en in plaats van de slagen op te pakken, de kaarten netjes en overdreven naar Iwan Iljitsj toeschoof, zodat hij het genoegen had ze bijeen te kunnen rapen, zonder moeite hoeven te doen om zijn hand uit te strekken om ze te pakken. “Zou hij denken dat ik te zwak ben om mijn arm uit te strekken?” dacht Iwan Iljitsj, en terwijl hij vergat wat hij aan het doen was, overtroefde hij zijn partner, waardoor hij het groot slem met drie slagen miste. Maar wat het meest afschuwelijke van alles was, was dat hij zag hoe ontdaan Michail Michajlowitsj daarover was en dat het hem zelf koud liet. Ze zagen allemaal dat hij pijn had en zeiden: “We kunnen ophouden als je moe bent. Ga even liggen.” Liggen? Nee, hij was helemaal niet moe, en hij maakte de robber af. Iedereen was somber en zweeg.

Iwan Iljitsj voelde dat hij hen met zijn neerslachtigheid had aangestoken, maar kon die niet verdrijven. Ze gingen eten en daarna naar huis, en lieten Iwan Iljitsj achter, die besefte dat zijn leven was vergiftigd, dat hij het leven van anderen aan het vergiftigen was, en dat dit vergif niet zwakker werd, maar steeds dieper in zijn hele bestaan doordrong. Met dat besef en behalve de angst ook nog de lichamelijke pijn, moest hij naar bed, om vaak het grootste deel van de nacht wakker te liggen. De volgende morgen moest hij dan weer op, zich aankleden, naar de rechtbank gaan en praten en schrijven; of als hij niet naar buiten ging moest hij die vierentwintig uur per dag, waarvan ieder uur een kwelling was, thuis doorbrengen.

Zo moest hij dus helemaal alleen zijn leven aan de rand van de afgrond doorbrengen, zonder iemand die hem begreep of medelijden met hem had.

V

Zo ging er een maand voorbij en nog een maand. Net voor nieuwjaar kwam zijn zwager naar de stad en bleef bij hen logeren.

Iwan Iljitsj was naar de rechtbank en Praskowja Fjodorowna was gaan winkelen. Toen Iwan Iljitsj thuiskwam en zijn studeerkamer binnenging vond hij daar zijn zwager – een gezonde en opzichtige man – die zelf zijn valies aan het uitpakken was. Hij hief zijn hoofd op toen hij de voetstappen van Iwan Iljitsj hoorde en keek hem een ogenblik zwijgend aan. Dat staren zei Iwan Iljitsj genoeg. Zijn zwager opende zijn mond om een kreet van verrassing te slaken maar hield zich in, en dat bevestigde alles.

“Ik ben veranderd, hè?”

“Ja, je bent veranderd.”

En daarna, hoe hij ook zijn best deed om het gesprek met zijn zwager weer op zijn uiterlijk terug te brengen, had de laatste het er niet meer over. Praskowja Fjodorowna kwam thuis en ging samen met haar broer weer weg. Iwan Iljitsj deed de deur op slot en ging zichzelf in de spiegel bekijken, eerst van voren en daarna van opzij. Hij pakte een foto van zichzelf samen met zijn echtgenote en vergeleek het met wat hij in de spiegel zag. De verandering was enorm. Vervolgens ontblootte hij zijn arm tot de elleboog, keek ernaar, trok zijn mouw weeg omlaag, ging op de rustbank zitten, en werd mateloos somber.

“Nee, nee, dit kan niet!” sprak hij tot zichzelf, en sprong op, liep naar de tafel, pakte wat dossiers op en begon ze te lezen, maar kon het niet. Hij maakte de deur weer open en liep naar de salon. De deur naar de huiskamer was op slot. Op zijn tenen liep hij er naar toe en luisterde.

“Nee, je overdrijft!” zei Praskowja Fjodorowna net.

“Overdrijven! Zie je het dan niet? Hoe zo, hij is ten dode opgeschreven! Kijk maar naar zijn ogen – daar zit geen leven meer in. Maar wat mankeert hij eigenlijk?”

“Niemand weet het. Nikolajewitsj [dat was een ander dokter] heeft iets gezegd, maar ik weet niet wat. En Lesjketitskij [dat was een beroemde specialist] zei helemaal het tegenovergestelde…..”

Iwan Iljitsj liep weg, ging naar zijn kamer, ging liggen en begon te piekeren; “De nier, een wandelende nier.” Hij dacht opnieuw aan alles wat de dokters hem hadden verteld, over hoe die nier losraakte en ging wandelen. En hij probeerde zich voor te stellen hoe hij die nier kon pakken en tegenhouden en hem weer kon vastmaken. Het leek hem dat daar maar weinig voor nodig was. “Nee, ik ga weer naar Peter Iwanowitsj.” [Dat was de vriend, die een vriend had die dokter was.] Hij belde, bestelde een rijtuig, en maakte zich klaar om te vertrekken. “Waar ga je heen, Jean?” vroeg zijn echtgenote met een bijzonder trieste en buitengewoon vriendelijke blik. Die buitengewone blik ergerde hem. Hij keek haar nors aan.

“Ik moet naar Peter Iwanowitsj.”

Hij reed naar Peter Iwanowitsj, en samen gingen ze naar zijn vriend die dokter was. Hij was thuis en Iwan Iljitsj had een lang gesprek met hem.

Toen hij de anatomische en fysiologische bijzonderheden van wat er, volgens de dokter, binnen in hem aan de hand was overzag, begreep hij het helemaal.

Er zat iets, iets heel kleins, in de blindedarm.

Het zou allemaal weer goed komen. Alleen maar de energie van het ene orgaan stimuleren en de werking van een ander remmen, en dan zou er een resorptie plaats vinden en zou alles weer goed komen. Hij kwam vrij laat voor het eten weer thuis, hij at, en praatte opgewekt, maar kon zichzelf er een hele tijd niet toe zetten om naar zijn eigen kamer terug te gaan om te werken, maar het besef dat hij iets verdrongen had – iets belangrijks en persoonlijks dat weer zou opduiken als hij met zijn werk klaar was – liet hem niet los. Toen hij met zijn werk klaar was, herinnerde hij zich weer dat dat heel persoonlijke de gedachte aan zijn blindedarm was.

Maar hij gaf zich er niet aan over, en liep naar de huiskamer om thee te drinken. Er waren gasten, ook de onderzoeksrechter die een goede partij voor zijn dochter was, en ze zaten te praten, speelde op de piano, en zongen. Iwan Iljitsj bracht, zoals Praskowja Fjodorowna opmerkte, die avond vrolijker dan normaal door, maar hij vergat geen moment dat hij die belangrijke zaak van zijn blindedarm voor zich uit had geschoven. Om elf uur wenste hij hen een goedenacht en ging naar zijn slaapkamer. Sinds zijn ziekte had hij in een kleine kamer, naast zijn studeerkamer geslapen. Hij kleedde zich uit en pakte een roman van Zola, maar in plaats van dat hij ging lezen, begon hij na te denken, en in zijn verbeelding vond die gewenste genezing van zijn blindedarm plaats. Er voltrok zich een resorptie en een reiniging en een herstel van de normale werking. “Ja, dat is het!” zei hij tegen zichzelf. “Je hoeft alleen maar de natuur te helpen, dat is alles.” Hij dacht aan zijn medicijn, stond op, nam het in, en ging weer op zijn rug liggen in afwachting van de weldadige werking van het medicijn en hoe het de pijn verminderde. “Ik hoef het alleen maar regelmatig in te nemen en moet alle schadelijke invloeden vermijden. Ik voel me al beter, veel beter.” Hij begon zijn zij te betasten: het aanraken was niet pijnlijk. “Zie je wel, ik voel het echt niet. Het is al veel beter.” Hij deed het licht uit en ging op zijn zij liggen…”De blindedarm is aan het genezen, er lost iets op.” Opeens voelde hij de oude, bekende, doffe en knagende pijn, hardnekkig en hevig. Daar was ook die bekende walgelijke smaak in zijn mond. Zijn hart kromp ineen en hij voelde zich duizelig. “Mijn God! Mijn God!” mompelde hij. “Alweer, alweer! Houdt het dan nooit op?” En opeens zag hij de zaak in een heel ander licht. “Blindedarm! Nier!” zei hij tegen zichzelf. “Het gaat niet om de blindedarm of de nier, maar om leven en…dood! Ja, het leven was er en nu verdwijnt het, verdwijnt en ik kan het niet stoppen. Ja. Waarom zou ik mezelf voor de gek houden? Het is toch voor iedereen behalve voor mijzelf duidelijk dat ik dood ben aan het gaan, en dat het slechts een kwestie van weken is, dagen…het kan elk moment gebeuren. Eerst was het licht, maar nu is het donker. Nu ben ik nog hier, straks ben ik daar! Waar?” Hij huiverde, zijn adem stokte, en hij voelde alleen nog maar het bonzen van zijn hart.

“Als ik er niet meer ben, wat zal er dan wel zijn? Er zal niets meer zijn.

Waar zal ik dan zijn, als ik er niet meer ben? Is dat nou doodgaan? Nee, ik wil het niet!” Hij sprong overeind en probeerde de kaars aan te steken, viel er met trillende handen voor neer, liet de kaars en de kandelaar op de grond vallen, en viel terug op zijn kussen.

“Wat heeft het voor zin? Het maakt allemaal niets uit,” zei hij tegen zichzelf, terwijl hij met wijdopen ogen de duisternis in staarde. “Dood. Ja, dood. En niemand weet het of wil het weten, en zij hebben geen medelijden met me. Ze zitten nu te spelen.” (Hij hoorde door deur heen het verre geluid van gezang en van de begeleiding.) “Het kan hen allemaal niets schelen, maar zij zullen ook doodgaan! Dwazen! Ik eerst, en zij later, maar bij hen zal het net zo gaan. En nu zijn ze vrolijk…de mispunten!”

Hij stikte van woede, stond doodsangsten uit en voelde zich ondragelijk ellendig.

“Het kan toch niet dat iedereen is gedoemd om deze gruwelijke verschrikking door te maken!” Hij stond op. “Er klopt iets niet. Ik moet rustig worden – ik moet alles vanaf het begin nog een keer overdenken.” En opnieuw begon hij na te denken. “Ja, het begin van mijn ziekte: ik stootte mijn zij, maar het ging die dag verder heel goed en de volgende ook. Het deed een beetje pijn, daarna wat meer. Ik bezocht de dokters, toen werd ik moedeloos en bang, meer dokters, en ik gleed steeds dichter naar de afgrond. Mijn kracht nam af en ik gleed er dichter en dichter naar toe, en nu ben ik uitgeteerd en is er geen licht meer in mijn ogen. Ik denk aan de blindedarm – maar dit is de dood! Ik denk aan het genezen van de blindedarm, en de hele tijd ligt de dood op de loer! Kan het echt de dood zijn! Opnieuw werd hij door ontzetting bevangen en hij snakte naar adem. Hij boog omlaag en begon de lucifers te zoeken, waarbij hij met zijn elleboog tegen het kastje naast het bed duwde.

Zo deed hij dat en het deed hem pijn, hij werd er razend om, duwde er nog harder tegen en duwde het om. Buiten adem en wanhopig viel hij terug op zijn rug, en verwachtte dat de dood meteen zou intreden. Intussen stapten de bezoekers op. Praskowja Fjodorowna deed hen uitgeleide. Ze hoorde iets vallen en kwam binnen.

“Wat is er gebeurd?”

“Niets. Ik heb het per ongeluk omgestoten.”

Ze liep naar buiten en kwam met een kaars terug. Hij lag daar hevig hijgend, als iemand die de duizend meter heeft gelopen, en keek haar met grote ogen en een starre blik aan.

“Wat is er, Jean?” “Nie….ts. Ik heb het omgestoten.” (“Wat moet ik zeggen? Ze begrijpt het toch niet,” dacht hij.)

Ze begreep hem inderdaad niet. Ze zette het nachtkastje weer overeind, stak zijn kaars aan, en rende weg om nog een gast uit te zwaaien. Toen ze terugkwam lag hij nog op zijn rug, en keek naar boven.

“Wat is er? Voel je je beroerder?”

“Ja.”

Ze schudde haar hoofd en ging zitten.

“Weet je, Jean, ik denk dat we moeten vragen of Lesjketitskij komt en hier naar je wil kijken.” Dat wil zeggen, een beroemde dokter laten komen, zonder op de kosten te letten. Hij glimlachte kwaadaardig en zei:

“Nee.” Zij bleef nog even, boog zich naar hem toe en kuste zijn voorhoofd.

Terwijl ze hem kuste, haatte hij haar uit de grond van zijn hart en hij moest moeite doen om haar niet weg te duwen.

“Welterusten. God geve je dat je slaapt.”

“Ja.”

VI

Iwan Iljitsj begreep dat hij dood aan het gaan was, en hij verkeerde in een voortdurende wanhoop. Diep in zijn hart wist hij dat hij stervende was, maar het was niet alleen dat hij niet aan de gedachte was gewend, maar hij dacht er gewoon niet aan en kon het niet vatten.

Het syllogisme dat hij uit de logica van Kiesewetter had geleerd: “Gaius is een mens, mensen zijn sterfelijk, dus Gaius is sterfelijk,” had hem altijd juist geleken als het over Gaius ging, maar zeker niet als het hem zelf betrof. Dat Gaius – een abstracte mens – sterfelijk was, was volstrekt juist, maar hij was Gaius niet, hij was geen abstracte mens, maar een schepsel dat volstrekt, volstrekt apart van alle andere stond. Hij was die kleine Wanja geweest, met een mamma en een papa, met Mitja en Wolodja, met zijn speelgoed, een koetsier en een kindermeisje, later met Katinka en met alle vreugden, verdriet en genoegens van de kindertijd, de jongensjaren en de jeugd. Wat wist Gaius van de geur van die gestreepte leren bal, waar Wanja zo dol op was geweest? Had Gaius de hand van zijn moeder op zo’n manier gekust, en had het zijden van haar jurk net zo voor Gaius geruist? Was hij net zo in opstand gekomen op school als het gebak niet goed was? Was Gaius net zo verliefd geweest? Kon Gaius net zo een zitting leiden als hij?” Gaius was echt sterfelijk, en het was juist dat hij dood zou gaan; maar voor mij, kleine Wanja, Iwan Iljitsj, met al mijn gedachten en gevoelens, is het heel wat anders. Het kan niet waar zijn dat ik dood moet gaan. Dat zou te gruwelijk zijn.” Zo voelde hij het.

“Als ik net zo als Gaius dood zou moeten gaan, zou ik geweten hebben dat het zo was. Dan zou een innerlijke stem me dat hebben verteld, maar er was in mij, niets wat daar op leek en ik en al mijn vrienden voelden, dat ons geval heel anders was dan dat van Gaius, en nu is het er toch!” zei hij tegen zichzelf. “Het kan niet waar zijn. Het is onmogelijk! Maar hier is het toch. Hoe kan dat? Hoe kan iemand dat nou begrijpen?

Hij kon het niet begrijpen, en probeerde zijn onware, onjuiste en ziekelijke gedachten te verdrijven en ze te vervangen door juiste en gezonde gedachten. Maar die gedachte, en niet die gedachte alleen, maar de werkelijkheid zelf, leek zich onontkoombaar aan hem op te dringen. En om die gedachte te verjagen riep hij telkens weer andere gedachten op, in de hoop er enige troost in te vinden. Hij probeerde terug te grijpen naar vroegere gedachtestromen, die ooit de gedachte aan de dood voor hem hadden afgeschermd. Maar het is raar om te zeggen, dat alles wat voorheen zijn besef van de dood afgesloten, verborgen en vernietigd had, die uitwerking niet langer had. Iwan Iljitsj bracht nu zijn meeste tijd door met het pogen die oude gedachtestroom weer te herstellen. Hij placht tegen zichzelf te zeggen: “Ik zal mijn werk weer oppakken – per slot van rekening was dat mijn leven.” Hij zou alle twijfels uitbannen en weer naar de rechtbank gaan, het gesprek met zijn collega’s weer hervatten, en gaan zitten zoals hij gewend was. Hij zou weer een bedachtzame blik over de menigte laten gaan en met zijn beide vermagerde armen op de armleuningen van zijn eikenhouten stoel leunen; en zoals gewoonlijk zou hij voorovergebogen naar een collega en zijn papieren naar zich toeschuivend, fluisterend gegevens met hem uitwisselen, en met een plotselinge oogopslag zou hij rechtop bepaalde woorden uitspreken en de zitting openen. Maar de pijn in zijn zij zou, zonder rekening te houden met het stadium dat de zitting zou hebben bereikt, zijn eigen knagende werk weer beginnen. Iwan Iljitsj zou zijn aandacht erop richten en zou vruchteloos proberen de gedachte eraan te verdrijven. De pijn zou komen, zou voor hem komen staan en zou hem aankijken en hij zou verstijven en het licht in zijn ogen zou doven, en hij zou zich opnieuw gaan afvragen of alleen Het waar was. En zijn collega’s en ondergeschikten zouden met verbazing en droefheid toekijken hoe hij, de briljante en scherpzinnige rechter in verwarring raakte en fouten maakte. Hij zou het van zich afschudden, zou zich proberen te vermannen, er hoe dan ook in slagen de zitting tot een goed einde te brengen, en hij zou naar huis terugkeren met het droevige besef dat zijn juridische arbeid niet, zoals voorheen voor hem konden verbergen, wat hij wilde dat het verborg, en dat het hem niet van Het kon verlossen. En het ergste van alles was dat Het de aandacht naar zichzelf toe trok, niet om hem iets te laten doen, maar alleen om hem naar Het te laten kijken, zodat hij Het recht in de ogen zou kijken: kijk ernaar, zonder iets te doen, en lijdt onuitsprekelijk.

En om zich zulke toestanden te besparen zocht Iwan Iljitsj naar nieuwe troost – nieuwe schermen – en hij vond nieuwe schermen, die hem een tijd lang leken te behoeden, maar dan vielen ze opeens in stukken of liever, ze werden doorzichtig, alsof Het ze doorboorden en er was niets dat Het kon verhullen. Deze laatste dagen placht hij naar de door hem zelf ingerichte salon te gaan – die salon waarin hij was gevallen en waarvoor hij (hoe wrang en belachelijk) zijn leven had opgeofferd – want hij wist dat zijn ziekte door die kneuzing was ontstaan.

Hij ging dan naar binnen en zag dat iets de gepolijste tafel had bekrast. Hij zou dan naar de oorzaak van die kras zoeken en vinden dat het de verbogen koperen versiering van een album was. Hij zou het kostbare album, dat hij met liefde had samengesteld, oppakken en zou zich geërgerd voelen over de slordigheid van zijn dochter en haar vrienden – want hier en daar zat een scheur en een paar foto’s zaten ondersteboven. Hij zou het zorgvuldig in orde brengen en de versiering weer rechtbuigen. Dan zou de gedachte in hem opkomen om al die dingen in een andere hoek van de kamer, bij de planten, neer te zetten. Hij zou de bediende roepen, maar zijn dochter of zijn echtgenote zou hem helpen. Ze zouden het niet met elkaar eens zijn en zijn echtgenote zou hem tegenspreken, en hij zou ruzie maken en boos worden. Maar dat was goed, want dan zou hij niet aan het denken. Het was onzichtbaar.

Maar als hij dan zelf iets zou verplaatsen, zou zijn echtgenote zeggen: “Laat de bedienden dat nou doen. Je zult jezelf weer pijn doen.” En dan zou Het door het scherm heen flitsen en hij zou Het zien.

Het was maar een flits, en hij hoopte dat het zou verdwijnen, maar onwillekeurig zou hij aandacht aan zijn zij besteden. “Het zit er als tevoren, en knaagt precies hetzelfde!” En hij kon het niet langer vergeten, maar kon het stiekem vanachter de bloemen naar hem zien kijken.

“Waar dient dit allemaal toe?”

“Het is echt zo! Ik heb mijn leven verloren door dat gordijn, alsof het bij de bestorming van een vesting was. Is dat mogelijk? Wat vreselijk en wat stom. Het kan niet waar zijn! Het kan niet, maar het is zo.” Hij zou dan weer naar zijn studeervertrek gaan, zich neerleggen en weer alleen met het zijn: oog in oog met het. Hij kon niets meer doen zonder het, behalve ernaar kijken en huiveren.

VII

Het is onmogelijk te zeggen hoe het gebeurde, omdat het ongemerkt stapje voor stapje kwam, maar in de derde maand van de ziekte van Iwan Iljitsj, merkten zijn echtgenote, zijn dochter, zijn zoon, zijn kennissen, de dokters, de bedienden, en vooral hijzelf, dat het enige waar andere personen belang in stelden was of hij spoedig zijn functie zou neerleggen, en of hij uiteindelijk de levenden zou verlossen van het ongemak vanwege zijn aanwezigheid en wanneer hijzelf uit zijn lijden verlost zou worden.

Hij sliep steeds minder. Ze gaven hem opium en morfine-injecties, maar dat gaf hem geen verlichting. De doffe zwaarmoedigheid, die hij dan in een slaapdronken toestand ondervond, gaf hem aanvankelijk enige verlichting, maar alleen als iets nieuws, maar later werd dat net zo kwellend als de pijn zelf, of zelfs nog erger. Er werd speciaal eten voor hem klaargemaakt, volgens voorschrift van de dokters, maar al dat eten werd voor hem steeds onsmakelijker en walgelijker.

Voor zijn stoelgang moesten ook speciale voorzieningen worden getroffen, en het was elke keer een kwelling voor hem – een kwelling door de viezigheid, de onbetamelijkheid, en de geur, en door het besef dat er iemand anders voor nodig was.

Maar juist door deze onaangename bedoening, vond Iwan Iljitsj troost. Gerasim, de jonge hulp van de hoofdbediende, kwam altijd binnen om dingen weg te ruimen. Gerasim was een heldere, frisse boerenjongen, stevig geworden door het stadse voedsel en altijd opgewekt en stralend. In het begin was Iwan Iljitsj verrast als hij hem zag, in zijn schone Russische boerenkleding, bezig met die weerzinwekkende taak. Op een keer toen hij van de po opstond en te zwak was om zijn broek op te hijsen, plofte hij in een zachte leunstoel neer en keek met afgrijzen naar zijn blote, krachteloze dijen, waar de spieren zo scherp afgetekend op lagen. Gerasim kwam met lichte tred binnen, terwijl zijn zware laarzen een aangename geur van teer en frisse winterlucht verspreidden, met een schone Hessisch voorschoot aan en de mouwen van zijn bedrukte hes opgerold over zijn sterke blote jonge armen. Hij keek, uit respect voor zijn gevoelens, niet naar zijn zieke meester, hield de levensvreugde die van zijn gezicht afstraalde in, en liep naar de po.

“Gerasim!” zei Iwan Iljitsj met een zwakke stem.

“Gerasim schrok, duidelijk bang dat hij iets verkeerd had gedaan, en draaide met een snelle beweging zijn frisse, aardige, eenvoudige gezicht, dat net de eerste tekenen van baardgroei vertoonde, naar de zieke toe. “Ja, meneer?”

“Dat moet wel heel onaangenaam voor je zijn. Je moet het me vergeven. Ik kan niet anders.”

“O, waarom, meneer,” en de ogen van Gerasim straalden en hij liet zijn glinsterende witte tanden zien, “het is maar een kleine moeite. U bent ziek, meneer.”

En zijn vaardige en sterke handen verrichtten hun normale taak en met lichte tred verliet hij de kamer. Vijf minuten later kwam hij even lichtvoetig weer terug.

Iwan Iljitsj zat nog steeds in dezelfde houding in de leunstoel.

“Gerasim,” zei hij, toen de laatste de omgespoelde po weer had neergezet. “Kom alsjeblieft hier en help me.” Gerasim liep naar hem toe. “Til me op. Het is moeilijk voor me om overeind te komen en ik heb Dimitri weggestuurd.”

Gerasim liep op hem toe, greep zijn meester stevig maar voorzichtig met zijn sterke armen vast, op dezelfde manier als hij liep – tilde hem op, ondersteunde hem met één hand, trok met de andere zijn broek omhoog en wilde hem weer neerzetten, maar Iwan Iljitsj vroeg of hij hem op de sofa wilde leggen. Gerasim leidde hem, zonder enige inspanning en zonder duidelijke druk – hij tilde hem bijna op – naar de sofa en liet hem erop plaats nemen.

“Dank je wel. Wat doe je dat allemaal gemakkelijk en goed!”

Gerasim glimlachte opnieuw en draaide zich om, om de kamer te verlaten. Maar Iwan Iljitsj vond zo’n troost in zijn aanwezigheid, dat hij hem niet wilde laten gaan.

“Nog één ding, schuif alsjeblieft die stoel eens bij. Nee, die andere, onder mijn voeten. Het is prettiger voor me als mijn benen omhoog liggen.”

Gerasim bracht de stoel, zette hem voorzichtig neer, en legde de benen van Iwan Iljitsj erop neer. Het leek dat Iwan Iljitsj zich beter voelde toen Gerasim zijn benen optilde.

“Het is beter als mijn benen nog wat hoger liggen,” zei hij. “Leg dat kussen er maar onder.” Gerasim deed het. Hij tilde de benen weer op en legde ze op het kussen, en weer voelde Iwan Iljitsj zich beter toen Gerasim zijn benen vasthield. Toen hij ze neerlegde, verbeeldde Iwan Iljitsj zich dat hij zich weer slechter voelde. “Gerasim,” zei hij, “Ben je nu druk?”

“Helemaal niet, meneer,” zei Gerasim, die van het stadsvolk had geleerd hoe hij netjes moest praten. “Wat moet je dan nog doen?”

“Wat ik nog moet doen? Ik heb alles al gedaan behalve de houtblokken hakken voor morgen.”

“Houdt mijn benen dan een beetje hoger, als je kunt.”

“Natuurlijk kan ik dat. Waarom niet?” en Gerasim tilde de benen van zijn meester wat hoger en Iwan Iljitsj dacht dat hij in die houding helemaal geen pijn meer voelde.

“En hoe moet dat nou met die houtblokken?”

“Maakt u zich daar geen zorgen over, meneer. Ik heb tijd genoeg.”

Iwan Iljitsj zei tegen Gerasim dat hij moest gaan zitten en zijn benen omhoog moest houden en begon tegen hem te praten. En hoe vreemd het ook was, het leek hem alsof hij zich beter voelde zolang Gerasim zijn benen omhoog hield. Daarna riep Iwan Iljitsj af en toe Gerasim bij zich om zijn benen op zijn schouders te mogen leggen en hij hield ervan om dan wat met hem te praten.

Gerasim deed het allemaal even gemakkelijk, graag, eenvoudig, en met een opgewektheid die Iwan Iljitsj ontroerde. Gezondheid, kracht en levensvreugde bij andere mensen ondervond hij als beledigend, maar de kracht en levensvreugde van Gerasim vernederden hem niet, maar kalmeerden hem.

Wat Iwan Iljitsj het meest kwelde was het bedrog, de leugen, die zij om een of andere reden allemaal aanvaardden, dat hij niet stervende maar gewoon ziek was, en dat hij zich alleen maar rustig hoefde te houden en de behandeling moest ondergaan en dan zou er iets goeds uit voortkomen. Hij wist echter dat al dat doen, dat zij wilden, niets zou opleveren, alleen maar een nog meer kwellend lijden en de dood. Dat bedrog martelde hem – dat niet willen toegeven wat zij allemaal wisten en wat hij wist, dat tegen hem willen liegen over zijn vreselijke toestand, en hem aan die leugen willen en dwingen deel te laten nemen. Die leugens - leugens die op de vooravond van zijn dood voor hem opgevoerd werden en die bestemd waren om deze ontzagwekkende en plechtige daad terug te brengen naar het niveau van hun bezoekjes, hun gordijnen en hun steur bij het diner – waren een gruwelijke foltering voor Iwan Iljitsj. En vreemd genoeg had het vaak, als zij bij hem met hun kluchten bezig bleven, maar een haarbreed gescheeld of hij had tegen ze geroepen: “Hou op met liegen! Jullie weten en ik weet dat ik dood ga. Hou er dan op zijn minst mee op met erover te liegen!” Maar hij had nooit het lef gehad om dat te doen. Het vreselijke en afschrikwekkende gebeuren van zijn doodgaan was, dat kon hij zien, door zijn omgeving tot het niveau van een toevallig, onaangenaam en onwelvoeglijk voorval teruggebracht (alsof iemand, die een onaangename lucht verspreidt, een salon binnenkomt) en dat werd juist uit dat fatsoen, dat hij zijn leven lang had hooggehouden, allemaal gedaan.

Hij zag dat niemand met hem had te doen, omdat niemand zijn toestand zelfs maar wilde begrijpen. Alleen Gerasim merkte dat en voelde met hem mee.

En dus voelde Iwan Iljitsj zich alleen bij hem op zijn gemak. Hij vond het prettig als Gerasim zijn benen vasthield (soms de hele nacht) en weigerde naar bed te gaan, en zei: “Maakt u zich geen zorgen, Iwan Iljitsj. Ik kan straks nog genoeg slapen,” of als hij opeens vertrouwelijk werd, riep hij uit: “Als je niet ziek zou zijn, was er wel wat anders, maar omdat het nu eenmaal zo is, waarom zou ik dan niet een beetje mijn best doen?” Alleen Gerasim loog niet; uit alles bleek dat alleen hij begreep wat er aan de hand was en dat hij het niet nodig vond het te verbloemen, maar gewoon met zijn uitgeteerde en verzwakte meester te doen had. Op een keer toen Iwan Iljitsj hem wegstuurde, zei hij zelfs onomwonden: “We moeten allemaal doodgaan, dus waarom zou ik niet een beetje mijn best doen?” waarmee hij wilde zeggen dat hij zijn werk niet bezwaarlijk vond, omdat hij het voor een stervende man deed en hoopte dat als zijn tijd zou komen iemand dat voor hem zou doen. Afgezien van dat liegen, of juist door het liegen, was wat Iwan Iljitsj het meest kwelde, het feit dat niemand medelijden met hem had, zoals hij zou willen dat ze medelijden met hem hadden.

Op bepaalde ogenblikken, als zijn lijden lang doorgegaan was, was het liefste wat hij wilde (hoewel hij zich zou schamen om het toe te geven) dat iemand medelijden met hem zou hebben zoals men medelijden met een ziek kind heeft. Hij verlangde ernaar vertroeteld en getroost te worden. Hij wist dat hij een belangrijk ambtenaar was, dat hij een grijzende baard had, en dat wat hij graag zou willen daarom onmogelijk was, maar toch verlangde hij ernaar. En in de houding van Gerasim ten opzichte van hem, zat iets dat leek op wat hij wilde, en dus troostte die houding hem. Iwan Iljitsj wilde huilen, wilde vertroeteld worden en wilde dat er om hem gehuild zou worden, en toen kwam zijn collega Sjebek op bezoek, en in plaats van dat hij huilde en werd vertroeteld, nam Iwan Iljitsj een ernstige, strenge en diepzinnige houding aan, gaf uit macht der gewoonte zijn mening over een besluit van het hof van cassatie en hield koppig vast aan die mening. Deze onoprechtheid rondom en in hem zelf vergiftigde zijn laatste dagen meer dan wat dan ook.

VIII

Het was ochtend. Hij wist dat het ochtend was omdat Gerasim weg was gegaan en Peter, de bediende, die was gekomen om de kaarsen te doven, schoof een van de gordijnen open, en begon rustig op te ruimen. Of het nu ochtend of avond, vrijdag of zondag was, het maakte geen verschil, het was allemaal precies hetzelfde: de knagende, onverminderde, folterende pijn, die geen moment ophield, het besef dat het leven onverbiddelijk ten einde liep, maar nog niet was uitgedoofd, de nadering van die altijd gevreesde en gehate Dood, wat de enige werkelijkheid was, en altijd dezelfde leugen. Wat betekenen in zo’n geval nog dagen, weken en uren? “Wilt u een kopje thee, meneer?”

“Hij wil dat het allemaal gewoon doorgaat, en hij denkt dat de hoge heren ‘s morgens thee drinken,” dacht Iwan Iljitsj, en zei alleen maar “Nee.”

“Wilt u niet liever op de sofa liggen, meneer?”

“Hij wil de kamer opruimen en ik zit in de weg. Ik ben een verontreiniging en verstoring,” dacht hij en zei alleen maar: “Nee, laat me alleen.”

De bediende bleef druk in de weer. Iwan Iljitsj strekte zijn hand uit. Peter kwam en wilde hem helpen.

“Wat is er, meneer?”

“Mijn horloge.”

Peter pakte het horloge dat vlakbij lag en gaf het aan zijn meester.

“Half negen. Zijn ze al op?”

“Nee meneer, alleen Wladimir Iwanowitsj” (de zoon) “die is al naar school. Praskowja Fjodorowna heeft me verzocht haar te wekken, als u om haar zou vragen. Zal ik dat doen?”

“Nee, het hoeft niet.” “Misschien kan ik beter een kopje thee nemen,” dacht hij, en voegde er luid aan toe: “Ja, breng maar wat thee.”

Peter liep naar de deur, maar Iwan Iljitsj was bang om alleen gelaten te worden. “Hoe kan ik hem hier houden? O ja, mijn medicijn.” “Peter, geef me mijn medicijn.” “Waarom niet? Misschien doet het toch nog iets.” Hij nam een lepel vol en slikte het in. “Nee, het helpt toch niet. Het is allemaal flauwekul, allemaal bedrog,” besloot hij zodra hij de bekende, walgelijke, en hopeloze smaak proefde. “Nee, ik kan er niet langer in geloven. Maar de pijn, waarom die pijn? Als die maar voor even op zou houden!” En hij kermde. Peter draaide zich naar hem toe. “Het is goed. Ga maar en haal wat thee voor me.”

Peter liep de kamer uit. Alleen gelaten kermde Iwan Iljitsj niet zozeer van de pijn, hoe vreselijk die ook was, maar van angst.

Eeuwig en altijd hetzelfde, altijd die eindeloze dagen en nachten.

Kwam het maar wat sneller! Maar wat moet er dan sneller komen?

Dood, duisternis?…Nee, nee! alles liever dan dood!

Toen Peter met de thee op een blad terugkwam, staarde Iwan Iljitsj hem even verbijsterd aan, niet begrijpend wie en wat hij was.

Peter raakte in verwarring bij die blik en zijn verwarring bracht Iwan Iljitsj weer tot zichzelf.

“O, thee! Goed, zet maar neer. Help me alleen even met wassen en doe me een schoon hemd aan.”

En Iwan Iljitsj begon zich te wassen. Met rustpauzes waste hij zijn handen en toen zijn gezicht, poetste zijn tanden, kamde zijn haren en keek in de spiegel. Hij was verbijsterd door wat hij zag, met name door de futloze manier waarop zijn haar aan zijn bleke voorhoofd plakte.

Toen zijn hemd werd verschoond wist hij dat hij nog meer zou schrikken bij het zien van zijn lijf, dus vermeed hij er naar te kijken. Eindelijk was hij klaar. Hij trok zijn kamerjas aan, wikkelde zich in een reisdeken, en ging in de leunstoel zitten om zijn thee te drinken. Even voelde hij zich opgefrist, maar zodra hij de thee begon te drinken proefde hij weer diezelfde smaak, en de pijn kwam ook weer terug. Hij dronk het kopje met moeite leeg, ging met gestrekte benen liggen en stuurde Peter weg.

Altijd weer hetzelfde. Het ene moment gloeit een sprankje hoop op, dan woedt er weer een zee van wanhoop, en altijd pijn; altijd pijn, altijd wanhoop, en altijd hetzelfde. Als hij alleen was, had hij een vreselijke en kwellende neiging om iemand te roepen, maar hij wist van tevoren dat de aanwezigheid van anderen het alleen maar erger zou maken. “Nog maar wat morfine – om niet meer na te hoeven denken. Ik zal hem, de dokter, vertellen dat hij iets anders moet bedenken. Het is onmogelijk, onmogelijk om zo door te gaan.”

Uur na uur ging zo voorbij. Maar dan wordt er aan de voordeur gebeld. Misschien is het de dokter? Hij is het. Hij komt binnen, fris, hartelijk, dik, en opgewekt, met die uitdrukking op zijn gezicht die lijkt te zeggen: “Wat nou, u bent kennelijk ergens over in paniek, maar we zullen het meteen allemaal voor u regelen!” De dokter weet wel dat deze uitdrukking hier niet op zijn plaats is, maar hij heeft die voor eens en altijd aangeleerd en kan die niet meer afzetten – net als iemand die ‘s morgens een rokkostuum heeft aangetrokken om een ronde visites af te leggen.

De dokter wrijft stevig en geruststellend in zijn handen.

“Brr! Wat is het koud! Er is zo’n felle vorst; mag ik me even warmen?” zegt hij, alsof het alleen en kwestie van wachten is tot hij is opgewarmd, en dat hij dan alles in orde zal kunnen brengen.

“Nou dan, hoe is het met u?”

Iwan Iljitsj voelt dat de dokter eigenlijk zou willen zeggen: “Hoe staan onze zaken?” maar zelfs hij begrijpt dat dat niet kan, en in plaats daarvan zegt hij: “Wat voor nacht hebt u gehad?” Iwan Iljitsj kijkt hem aan alsof hij wil zeggen: “Schaamt u zich dan echt nooit als u liegt?” Maar de dokter wil die vraag niet begrijpen en Iwan Iljitsj zegt: “Even beroerd als altijd. De pijn is nooit weg en nooit minder. Als er maar iets…..” “Ja, zo zijn jullie zieken altijd…Hè, ik denk dat ik nu warm genoeg ben. Zelfs Praskowja Fjodorowna, die zo precies is, zou niets op mijn temperatuur kunnen aanmerken. Kijk, nu kan ik goedemorgen zeggen,” en de dokter drukt zijn patiënt de hand.

Dan werpt hij de speelsheid van zich af, en begint met zijn meest ernstige gezicht de patiënt te onderzoeken, voelt zijn pols en neemt zijn temperatuur op, en dan begint het kloppen en luisteren.

Iwan Iljitsj weet heel goed en zeker dat het allemaal onzin en puur bedrog is, maar als de dokter zich, op zijn knieën, over hem heen buigt, zijn oor eerst hoger en dan lager op hem plaatst, en boven hem, met een veelbetekenende blik, een aantal gymnastische toeren uithaalt, geeft Iwan Iljitsj zich aan alles over, zoals hij zich over placht te geven aan de redevoeringen van de advocaten, hoewel hij heel goed wist dat ze allemaal logen en waarom ze logen.

De dokter is, geknield op de sofa, hem nog steeds aan het bekloppen als de zijden japon van Praskowja Fjodorowna bij de deur ruist en hoorbaar geeft ze Peter een uitbrander omdat hij haar niet heeft laten weten dat de dokter is aangekomen.

Iwan Iljitsj kijkt naar haar, neemt aandachtig haar op, en verzet zich tegen haar blankheid, haar molligheid, het schone van haar handen en haar nek, de glans van haar haren en de fonkeling in haar levendige ogen. Hij haat haar tot in de grond van zijn hart. En de golf van haat voor haar die hem overspoelt, zorgt ervoor dat hij onder haar aanraking lijdt.

Haar houding tegenover hem en zijn ziekte is nog steeds dezelfde.

Net zoals de dokter een bepaalde houding jegens zijn patiënt had aangenomen, waar hij niet vanaf kon, had zij een houding jegens hem aangenomen – dat hij iets niet deed wat hij wel zou moeten doen en dat het zijn eigen schuld was, en dat ze hem dat liefdevol moest verwijten – en nu kon ze die houding niet meer veranderen.

“Weet u, hij luistert niet naar me en neemt zijn medicijn niet op tijd in. En bovendien ligt hij in een houding die ongetwijfeld slecht voor hem is – met zijn benen omhoog.”

Ze beschreef hoe hij Gerasim zijn benen omhoog liet houden.

De dokter glimlachte met een smalende minzaamheid waarmee hij wilde zeggen: “Wat nu? Die zieke mensen hebben van die rare hersenschimmen, maar dat moeten we hen niet kwalijk nemen.”

Toen de dokter met zijn onderzoek klaar was, keek hij op zijn horloge en toen vertelde Praskowja Fjodorowna aan Iwan Iljitsj dat alles natuurlijk volgens zijn wens zou gaan, maar dat zij voor vandaag een beroemde specialist had uitgenodigd die hem zou onderzoeken en overleg met Michael Danilowitsj (hun huisarts) zou hebben.

“Maak alsjeblieft geen bezwaar. Ik doe dat voor mijzelf,” zei ze ironisch, waarmee ze het liet lijken alsof ze het allemaal voor hem deed en dat ze dat alleen maar zei om hem niet het recht te laten om te weigeren. Hij zweeg, en fronste zijn voorhoofd. Hij voelde dat hij zo ingesponnen en verwikkeld was in een kluwen van leugens, dat er nauwelijks iets viel te ontrafelen. Alles wat ze voor hem deed was helemaal voor haarzelf, en ze vertelde hem dat wat ze voor zichzelf deed, dat ze dat inderdaad voor zichzelf deed, alsof dat zo onwaarschijnlijk was, dat hij daaruit wel het tegenovergestelde moest concluderen.

Om half twaalf arriveerde de beroemde specialist. En weer begon het kloppen en het veelbetekende overleg in zijn aanwezigheid en in een andere kamer, over de nieren en de blindedarm, en de vragen en antwoorden, met diezelfde schijn van gewichtigheid, zodat opnieuw, in plaats van de echte vraag over leven en dood, die hij nu alleen voor ogen had, de vraag oprees over de nier en de blindedarm, die zich niet gedroegen zoals ze zich moesten gedragen en die nu door Michael Danilovitsj en de specialist vastgemaakt zouden worden en gedwongen zouden worden zich te beteren.

De beroemde specialist nam met een ernstige maar niet hopeloze blik afscheid van hem, en als antwoord op de bescheiden vraag die Iwan Iljitsj hem, met van angst en hoop glinsterende ogen, had gesteld, namelijk of er een kans op herstel bestond, zei hij dat hij er niet voor kon instaan, maar dat het mogelijk was. De hoopvolle blik waarmee Iwan Iljitsj de dokter zag vertrekken was zo deerniswekkend dat Praskowja Fjodorowna, die dat zag, zelfs huilde toen ze de kamer uitging om de dokter zijn honorarium te overhandigen.

Het sprankje hoop dat door de bemoediging van de dokter was ontvlamd, duurde niet lang. Het waren nog steeds dezelfde kamer, dezelfde schilderijen, gordijnen, behang, medicijnflesjes, en hetzelfde schrijnende en lijdende lichaam, en Iwan Iljitsj begon te huilen. Ze gaven hem een injectie en hij zonk weg in vergetelheid. Het schemerde toen hij weer bij kwam. Ze brachten hem zijn eten en hij slurpte moeizaam wat bouillon naar binnen, en toen was alles weer hetzelfde en de nacht viel in.

Om zeven uur, na het eten, kwam Praskowja Fjodorowna in haar avondtoilet de kamer binnen, met haar volle boezem, die door haar korset omhoog werd geduwd, en met poeder op haar gezicht. Ze had hem er ‘s morgens aan herinnerd, dat ze naar de schouwburg gingen. Sarah Bernhardt bezocht de stad en zij hadden een logeplaats, die ze op zijn aandringen hadden genomen. Hij had het helemaal vergeten en nu krenkte haar avondtoilet hem, maar hij verborg zijn ergernis want hij herinnerde zich dat hij er zelf op had aangedrongen dat ze die logeplaats moesten bemachtigen en dat ze naar de schouwburg moesten gaan omdat dat voor de kinderen een leerzaam en esthetisch vermaak zou zijn.

Praskowja Fjodorowna kwam binnen, zelfverzekerd, maar toch met een ietwat schuldige houding. Ze ging zitten en vroeg hem hoe het met hem ging, maar zoals hij begreep, alleen maar om iets te vragen en niet om het antwoord, omdat ze toch wist dat er niets te antwoorden viel – en toen ging ze verder met wat ze eigenlijk wilde zeggen: dat ze helemaal niet had willen gaan, maar dat de plaats nu eenmaal was besproken en dat Helen en haar dochter ook gingen, net als Petrisjtsjew (de onderzoeksrechter, de verloofde van hun dochter) en dat er geen sprake van was dat ze hen alleen liet gaan; maar dat ze veel liever een tijdje bij hem had willen zitten; en dat hij echt de voorschriften van de dokter op moest volgen, als zij weg was.

“O, en Fjodor Petrowitsj” (de verloofde) “zou graag even willen komen. Kan het? En Lisa?”

“Goed.”

Hun dochter kwam binnen, in vol ornaat, haar jonge lijf nogal ontbloot (met veel vertoon van dat lijf, dat in zijn eigen geval juist zoveel lijden veroorzaakte) krachtig, gezond, duidelijk verliefd, en met een afkeer van ziekte, lijden en dood, omdat dat haar geluk verstoorde.

Fjodor Petrovitsj kwam ook binnen, in rok, zijn haar gekruld a la Capoul, met een strakke, stijve boord rond zijn gespierde nek, een enorm wit front en een strakke zwarte pantalon over zijn sterke heupen. Hij had één witte handschoen aan, en droeg zijn klak in zijn hand. Achter hem glipte ongemerkt de schooljongen binnen, in een nieuw uniform, een zielig jongetje met handschoenen aan. Onder zijn ogen lagen vreselijk donkere schaduwen, waar Iwan Iljitsj heel goed van wist wat het betekende.

Hij had zijn zoon altijd zielig gevonden, en nu was het vreselijk om bij hem een bangelijke blik van medelijden te zien. Het leek Iwan Iljitsj dat Wasja, naast Gerasim, de enige was die hem begreep en medelijden met hem had.

Ze gingen allemaal zitten en vroegen weer hoe het met hem was. Er volgde een stilte, Lisa vroeg haar moeder iets over de toneelkijker, en er volgde wat gekibbel tussen moeder en dochter over wie hem had gepakt en waar hij was neergelegd. Dat gaf wat onbehagen.

Fjodor Petrovitsj vroeg Iwan Iljitsj of hij Sarah Bernhardt ooit had gezien. Iwan Iljitsj begreep de vraag eerst niet, maar antwoordde toen: “Nee, heb jij haar wel eens gezien?”

“Ja, in Adrienne Lecouvreur.”

Praskowja Fjodorowna noemde een aantal rollen op, waarin Sarah Bernhardt bijzonder goed was. Haar dochter was het daar niet mee eens.

Er ontspon zich een gesprek over het smaakvolle en realistische van haar acteren, van dat soort van gesprekken, die steeds worden herhaald en steeds hetzelfde zijn.

Midden in het gesprek wierp Fjodor Petrovitsj een blik op Iwan Iljitsj en zweeg. De anderen keken hem ook aan en zwegen. Iwan Iljitsj staarde met glinsterende ogen strak voor zich uit, en was kennelijk verontwaardigd. Daar moest iets aan gedaan worden, maar dat was niet mogelijk. Het zwijgen moest doorbroken worden, maar even durfde niemand dat, en ze werden allemaal bang dat het afgesproken bedrog doorzichtig zou worden en dat voor iedereen de waarheid duidelijk zou worden. Lisa was de eerste die moed verzamelde en het stilzwijgen doorbrak, maar in haar poging te verbergen wat iedereen voelde, verraadde ze het.

“Goed, als we gaan, dan moeten we nu gaan,” zei ze, terwijl ze op haar horloge keek, dat ze van haar vader had gekregen, met een flauwe en veelbetekenende glimlach naar Fjodor Petrovitsj, die op iets wees dat alleen zij wisten. En ruisend met haar jurk stond ze op.

Ze stonden allemaal op, zeiden welterusten en vertrokken.

Toen ze weg waren leek het Iwan Iljitsj, dat hij zich beter voelde; samen met hen was de leugen verdwenen. Maar de pijn bleef – diezelfde pijn en diezelfde angst die alles eentonig hetzelfde maakten, niet moeilijker en niet gemakkelijker. Alles was erger.

En weer volgde minuut op minuut en uur op uur.

Alles bleef hetzelfde, zonder ophouden. En het onherroepelijke einde van dit alles werd steeds verschrikkelijker.

“Ja, stuur Gerasim,” antwoordde hij op een vraag van Peter.

IX

Zijn echtgenote kwam laat in de avond weer thuis. Ze kwam op haar tenen binnen, maar hij hoorde haar, opende zijn ogen, en deed ze weer snel dicht.

Ze wilde Gerasim wegsturen en zelf bij hem zitten, maar hij opende zijn ogen en zei: “Nee, ga weg.”

“Heb je veel pijn?”

“Steeds hetzelfde.”

“Neem wat opium.”

Hij stemde toe en nam wat. Ze ging weg.

Tot een uur of drie in de morgen verkeerde hij in een toestand van verdoofde ellende. Het leek hem alsof hij samen met zijn pijn in een smalle, diepe zwarte zak werden gestopt, maar hoewel ze er steeds verder in werden geduwd, konden ze niet tot op de bodem komen. En dat, op zichzelf al vreselijk genoeg, ging met hevige pijnen gepaard. Hij was bang, maar wilde toch door de zak heen, hij worstelde maar werkte toch mee. En opeens brak hij er doorheen, viel, en kwam weer bij. Gerasim zat aan het voeteneinde van het bed rustig en geduldig te dutten, terwijl hij zelf met zijn uitgemergelde benen op de schouders van Gerasim lag; dezelfde verduisterde kaars stond er nog en dezelfde pijn duurde voort.

“Ga`maar weg, Gerasim,” fluisterde hij.

“Het is in orde, meneer. Ik blijf nog even.”

“Nee. Ga weg.”

Hij haalde zijn benen van de schouders van Gerasim, draaide zich zijdelings op zijn arm, en had medelijden met zichzelf. Hij wachtte alleen tot Gerasim in de andere kamer was, hield zich niet langer in en huilde als een kind. Hij huilde over zijn hulpeloosheid, zijn vreselijke eenzaamheid, de wreedheid van de mens, de wreedheid van God en de afwezigheid van God.

“Waarom hebt Gij dit alles gedaan? Waarom hebt Gij mij tot hier gebracht? Waarom, waarom kwelt Gij mij zo gruwelijk?”

Hij verwachtte geen antwoord en huilde toch omdat er geen antwoord was en kon zijn. De pijn werd erger, maar hij bewoog zich niet en riep niet. Hij zei tegen zichzelf: “Toe maar! Sla me maar! Maar waarom? Wat heb ik U misdaan? Waarom?”

Toen werd hij rustig en hield niet alleen op met huilen, maar hield zelfs zijn adem in en werd een en al aandacht. Het was alsof hij niet naar een hoorbare stem luisterde, maar naar de stem van zijn hart, naar de gedachtestroom die binnen in hem opwelde.

“Wat wil je?” was de eerste duidelijke, in woorden uit te drukken, gedachte die hij hoorde. “Wat wil je? Wat wil je?” herhaalde hij bij zichzelf.

“Wat ik wil? Leven en niet lijden,” antwoordde hij.

En opnieuw luisterde hij met zo’n geconcentreerde aandacht, dat zelfs zijn pijn hem niet af kon leiden. “Leven? Hoe?” vroeg zijn innerlijke stem.

“Hoezo? Leven zoals ik gewend was – goed en prettig.”

“Zoals je vroeger leefde, goed en prettig?” herhaalde de stem.

En in zijn verbeelding begon hij de beste ogenblikken van zijn prettige leven terug te roepen. Naar vreemd genoeg leek geen enkele van die beste ogenblikken van zijn prettige leven op wat ze toen hadden geleken – geen enkele, behalve de eerste jeugdherinneringen. Toen, in zijn kindertijd, was er iets echt prettigs geweest, waarmee hij als het zou terugkeren, mogelijk zou kunnen leven. Maar het kind, dat dat geluk had ondervonden bestond niet meer, het was als de herinnering van iemand anders.

Zodra de tijd begon die de huidige Iwan Iljitsj had voortgebracht, smolt alles, wat toen vreugde had geleken, voor zijn ogen weg en veranderde in iets onbeduidends en vaak akeligs.

En hoe verder hij van zijn kindertijd afraakte, en hoe dichter hij bij het heden kwam, hoe waardelozer en twijfelachtiger de vreugden werden.

Het begon met de rechtenacademie. Daar was nog een beetje goeds te vinden – daar heerste vrolijkheid, vriendschap en hoop. Maar in de hoogste klassen waren al minder van zulke goede momenten geweest. Vervolgens, gedurende de eerste jaren van zijn ambtelijke loopbaan, deden zich opnieuw een aantal prettige momenten voor: dat waren de herinneringen aan zijn liefdes. Daarna liep het allemaal door elkaar en was er nog minder goeds; weer later was er nog minder goeds, en hoe verder hij ging hoe minder er was. Zijn huwelijk, een louter toeval, en vervolgens de ontgoocheling die erop volgde, de nare adem van zijn echtgenote, de zinnelijkheid en huichelarij: vervolgens dat doodsaaie ambtenaarsleven en die vooroordelen over geld, een jaar lang, en twee, en tien, en altijd maar hetzelfde. En hoe langer het duurde hoe dodelijker het werd. “Het is alsof ik bergafwaarts ging, terwijl ik dacht dat ik bergopwaarts ging.” En zo ging het echt. Men vond dat ik omhoog steeg, maar in dezelfde mate ebde het leven van mij weg. En nu is het allemaal voorbij en is er nog alleen maar de dood.

“Wat wil dat dan zeggen? Waarom? Het kan niet waar zijn dat het leven zo zinloos en afschuwelijk is, waarom moet ik doodgaan en dan nog in zo’n folterende pijn? Er klopt iets niet!

“Misschien heb ik niet geleefd zoals ik had moeten leven,” het kwam opeens in hem op. “Maar hoe kan dat, als ik alles heb gedaan zoals het behoorde?“ antwoordde hij, en meteen verjoeg hij, de enige oplossing van het raadsel van leven en dood, als iets volslagen onmogelijks uit zijn hoofd.

“Dus wat wil je nou? Leven? Hoe leven? Leven zoals je bij de rechtbank leefde, wanneer de zaalwachter riep ‘De rechter komt eraan!’? “De rechter komt eraan, de rechter!” herhaalde hij bij zichzelf.

“Hier is hij dan, de rechter. Maar ik ben onschuldig!” riep hij woedend uit. “Wat betekent dit?” En hij hield op met huilen, maar draaide zijn gezicht naar de muur en ging verder met het piekeren over diezelfde vraag: Waarom, en met welk doel, al die gruwel? Maar hoe hij ook piekerde, hij vond geen antwoord. En elke keer als de gedachte in hem opkwam - wat vaak gebeurde - dat het allemaal kwam omdat hij niet had geleefd zoals hij had moeten leven, haalde hij zich meteen de juistheid van zijn hele leven voor de geest en verjoeg hij die zo rare gedachte.

X

Er gingen nog twee weken voorbij. Iwan Iljitsj kwam niet meer van de sofa af. Hij wilde niet in bed liggen maar lag op de sofa, en keek vrijwel de hele tijd naar de muur. Hij leed nog steeds onder dezelfde onophoudelijke folterende pijnen en piekerde in zijn eenzaamheid altijd over dezelfde onoplosbare vraag: “Wat is dit? Is dit nou de dood?” En de innerlijke stem antwoordde: “Ja, het is de dood.”

“Waarom dit lijden?” En de stem antwoordde, “Er is geen reden – het is er gewoon.” Er was niets anders. Vanaf het eerste begin van zijn ziekte, sinds hij voor het eerst naar de dokter was gegaan, was het leven van Iwan Iljitsj verdeeld in twee tegenovergestelde en elkaar afwisselende gemoedstoestanden: de ene keer was er wanhoop en de verwachting van die onbegrijpelijke en vreselijke dood, en dan weer hoop en een doelbewuste en belangstellende aandacht voor het functioneren van zijn organen. De ene keer lette hij alleen maar op een nier of een darm, die tijdelijk dienst weigerde, en dan weer alleen maar die onbegrijpelijke en angstaanjagende dood, waar hij onmogelijk aan kon ontsnappen.

Deze twee gemoedstoestanden hadden elkaar vanaf het eerste begin van zijn ziekte afgewisseld, maar hoe verder de ziekte voortschreed, en hoe twijfelachtiger en fantastischer zijn beeld van de nier, hoe werkelijker het besef van de dreigende dood werd. Hij hoefde zich maar voor de geest te halen, wat hij drie maanden geleden was geweest en wat hij nu was, en hoe geleidelijk hij bergafwaarts was gegaan, om elke mogelijke hoop te vergruizelen.

Aan het eind, tijdens de eenzaamheid waar hij zich in bevond en waarin hij naar de achterkant van de sofa lag te kijken, een eenzaamheid temidden van een stad vol mensen en omringd door talrijke kennissen en verwanten, die toch nergens volmaakter had kunnen zijn – noch op de bodem van de zee, noch onder de aarde – tijdens die vreselijke eenzaamheid had Iwan Iljitsj slechts in de herinneringen aan het verleden geleefd. Beelden uit zijn verleden doemden een voor een aan hem op. Ze begonnen altijd met wat het kortst geleden was en dan gingen ze terug naar het verste verleden – naar zijn kindertijd – en daar bleven ze hangen.

Als hij aan de gedroogde pruimen dacht, die hem die dag waren voorgezet, gingen zijn gedachten terug naar de groene gerimpelde Franse pruimen uit zijn kindertijd, naar hun aparte smaak en hoe het water hem in de mond liep, als hij op de pitten zoog, en tegelijk met de herinnering aan die smaak, kwam een hele reeks herinneringen uit die tijd boven: zijn kindermeisje, zijn broer, en hun speelgoed. “Nee, daar moet ik niet aan denken…dat is te pijnlijk,” zei Iwan Iljitsj tegen zichzelf en bracht zichzelf naar het heden terug – naar de knoop aan de achterkant van de sofa en de kreukels in het marokijnleer. “Marokijnleer is duur, maar het gaat niet lang mee: ze hadden er ruzie over gehad. Het was een ander soort ruzie en een ander soort marokijnleer in die tijd toen wij vaders portefeuille kapotscheurden en werden gestraft, en mamma ons wat gebakjes bracht…” En opnieuw bleef hij lang bij zijn kinderjaren stilstaan, en opnieuw was het pijnlijk en hij probeerde het te verdrijven en zijn gedachten op iets anders te richten.

Toen kwamen, samen met die reeks herinneringen, nieuwe reeksen van herinneringen aan hem voorbij – over hoe zijn ziekte voortgeschreden en erger geworden was. Ook daarbij was het dat, hoe verder hij terugkeek, hoe meer leven er was geweest. Er was meer goeds in het leven geweest en meer van het leven zelf. Die twee smolten samen. “Net zoals de pijn erger en erger werd, werd mijn leven erger en erger,” dacht hij. “Daar achter, aan het begin van het leven, is één lichte plek en daarna wordt alles steeds zwarter en gaat het steeds sneller en sneller – in omgekeerde verhouding met het kwadraat van de afstand tot de dood,” dacht Iwan Iljitsj. En in zijn gedachten dook het voorbeeld op van een steen, die met een steeds grotere snelheid naar beneden valt . Het leven, een reeks van toenemende kwellingen, vliegt steeds maar verder en verder naar zijn einde – de meest vreselijke kwelling.

“Ik vlieg….” Hij huiverde, verlegde zich, en probeerde zich te verzetten, maar wist al dat verzet uitgesloten was, en opnieuw staarde hij, met ogen die moe van het kijken waren, maar die niet op konden houden met kijken, naar wat zich vóór hem bevond, naar de achterkant van de sofa en wachtte – wachtte op die vreselijke val, de klap en de vernietiging.

“Verzet is uitgesloten!” zei hij tegen zichzelf. “Kon ik maar begrijpen, waarom het allemaal zo is! Maar ook dat is uitgesloten. Het zou verklaarbaar zijn als er gezegd zou kunnen worden, dat ik niet zo heb geleefd als ik had moeten leven. Maar dat valt onmogelijk te zeggen,” en hij bedacht weer hoe wetgetrouw, juist en fatsoenlijk hij had geleefd. “Dat is hoe dan ook onacceptabel,” dacht hij, met een ironisch lachje op zijn lippen, alsof iemand dat lachje kon zien en er op het verkeerde been door gezet zou worden. “Er is geen verklaring! Kwelling, dood…Waarom?

XI

Zo gingen er twee weken voorbij en in die twee weken gebeurde er iets waar Iwan Iljitsj en zijn echtgenote naar uit hadden gekeken. Petrisjtjew deed een officieel aanzoek. Het gebeurde op een avond. De volgende dag kwam Praskowja Fjodorowna de kamer van haar echtgenoot binnen, terwijl ze bedacht hoe ze hem dat het best kon vertellen, maar juist die nacht was zijn toestand opnieuw verergerd. Ze trof hem wel op de sofa aan, maar in een andere houding. Hij lag op zijn rug, kreunde en staarde met een starre blik recht voor zich uit. Ze begon met hem aan zijn medicijnen te herinneren, maar hij draaide zijn ogen met zo’n blik naar haar toe, dat ze haar zin niet afmaakte; zo’n grote vijandigheid, voor haar in het bijzonder, drukte die blik uit. “Laat me in godsnaam rustig doodgaan!” zei hij.

Ze wilde weggaan, maar net op dat moment kwam haar dochter binnen en liep naar haar vader toe, om hem goedemorgen te wensen. Hij keek haar aan zoals hij naar zijn echtgenote had gekeken, en als antwoord op haar vraag naar zijn gezondheid zei hij droog, dat hij hen allemaal spoedig van zichzelf zou verlossen. Ze zwegen beiden, gingen even bij hem zitten en liepen weg.

“Alsof het onze schuld is,” zei Lisa tegen haar moeder. “Het is alsof hij het ons verwijt! Ik heb medelijden met papa, maar waarom moet hij ons kwellen?”

De dokter arriveerde op zijn gewone tijd. Iwan Iljitsj antwoordde “Ja” en “Nee,” wendde geen moment zijn boze blik van hem af en zei ten slotte: “U weet dat u niets voor mij kunt doen, dus laat me alleen.”

“Wij kunnen uw lijden verzachten.”

“Zelfs dat kunt u niet. Het zij zo.”

De dokter liep naar de huiskamer, vertelde Praskowja Fjodorowna dat de toestand heel ernstig was en dat opium het enige redmiddel was dat nog restte, om het ongetwijfeld vreselijke lijden van haar echtgenoot te verzachten.

Het was waar dat, zoals de dokter zei, het lichamelijke lijden van Iwan Iljitsj verschrikkelijk was, maar erger dan het lichamelijke lijden was zijn geestelijk lijden, dat zijn belangrijkste kwelling was. Zijn geestelijk lijden was te wijten aan het feit dat hij die nacht, toen hij naar het slaperige, opgewekte gezicht van Gerasim, met die uitstekende jukbeenderen keek, die vraag opeens in hem opkwam: “Als mijn hele leven een vergissing is geweest, wat dan?”

Het kwam in hem op dat wat hem voorheen volmaakt onmogelijk had geleken, namelijk dat hij zijn leven niet had doorgebracht zoals hij had moeten doen, uiteindelijk best waar zou kunnen zijn. Het kwam ook in hem op dat zijn nauwelijks waarneembare pogingen om in opstand te komen tegen wat door de meest hooggeplaatsten als goed werd beschouwd, die vrijwel onmerkbare neigingen die hij onmiddellijk had onderdrukt, misschien wel het enige echte was geweest, en al het andere onecht. En zijn ambtelijke werk, de hele manier waarop hij zijn leven en zijn gezin had ingericht, en al zijn maatschappelijke en ambtelijke belangen, zouden wel eens allemaal onjuist kunnen zijn geweest.

Hij probeerde dat alles voor zichzelf te verdedigen en opeens voelde hij de zwakheid van wat hij verdedigde. Er viel niets te verdedigen.

“Maar als dat waar is,” zei hij tegen zichzelf, “en ik dit leven ga verlaten in het besef dat ik, alles wat me was gegeven, heb verloren en dat het onmogelijk is het weer goed te maken – wat dan?” Hij ging op zijn rug liggen en begon op een heel andere manier zijn leven aan zich voorbij te laten gaan. Toen hij ‘s morgens eerst zijn bediende, toen zijn echtgenote, vervolgens zijn dochter en ten slotte de dokter zag, bevestigde elk woord en elke beweging van hen voor hem de gruwelijke waarheid, die hem ’s nachts was geopenbaard. In hen zag hij zichzelf terug – alles waar hij voor had geleefd – en hij zag duidelijk dat het allemaal niet echt was, maar een vreselijk en reusachtig bedrog, dat zowel leven als dood voor hem verborgen had gehouden. Dat besef verergerde zijn lijden tienvoudig. Hij kreunde, slingerde heen en weer, en rukte aan zijn kleren die hem smoorden en deden stikken.

En daarom haatte hij hen.

Ze gaven hem een grote dosis opium en hij verloor het bewustzijn, maar tegen de middag begon zijn pijn weer. Hij joeg iedereen weg en wierp zich van de ene op de andere zij. Zijn echtgenote kwam bij hem en zei: “Jean, lieveling, doe het voor mij. Het kan geen kwaad en helpt vaak goed. Gezonde mensen doen het ook vaak.” Hij deed zijn ogen wijd open.

“Wat? De communie? Waarom? Dat hoeft niet! Maar….”

Ze begon te huilen.

“Ja, doe het maar, liefste. Ik laat onze priester wel halen. Het is zo’n aardige man.” “Goed, mij best,” mompelde hij.

Toen kwam de priester en nam hem de biecht af, en de houding van Iwan Iljitsj werd zachter, het leek alsof hij een verlichting van zijn twijfels en dus van zijn lijden voelde, en voor een ogenblik dook er een straaltje hoop op. Hij begon weer aan zijn blindedarm te denken en aan de mogelijkheid om die te genezen. Hij ontving het sacrament met tranen in zijn ogen.

Toen ze hem daarna weer neerlegden voelde hij zich even rustig, en de hoop dat hij zou blijven leven ontwaakte weer in hem. Hij begon aan de operatie te denken, die men hem had voorgesteld. “Leven! Ik wil leven!” zei hij tegen zichzelf.

Zijn echtgenote kwam binnen om hem na zijn communie geluk te wensen, en toen ze de gebruikelijke woorden had gezegd voegde ze daar aan toe: “Je voelt je beter, hè?”

Zonder haar aan te kijken zei hij: “Ja.”

Haar kleding, haar figuur, haar gezichtsuitdrukking, en de toon van haar stem, zeiden allemaal hetzelfde: ”Dit klopt niet, het is niet zoals het zou moeten zijn. Alles waar je voor hebt geleefd en nog leeft is leugen en bedrog, dat leven en dood voor je verborgen houdt.” En zodra hij die gedachte toeliet, laaide zijn haat en zijn folterende lichamelijke pijn weer op, en samen met die pijn een besef van het onvermijdelijke, naderende einde. En daar kwam een nieuwe gewaarwording bij, een van een knersende stekende pijn en een gevoel alsof hij stikte.

Zijn gelaatsuitdrukking toen hij dat “Ja” uitsprak, was gruwelijk. Nadat hij dat had gezegd, keek hij haar recht in de ogen, draaide zijn hoofd, met een voor zijn zwakke toestand buitengewone snelheid, om en schreeuwde: “Ga weg! Ga weg en laat me alleen!”

XII

Vanaf dat ogenblik begon het schreeuwen, dat drie dagen lang duurde, en dat zo vreselijk was, dat men hem door twee dichte deuren heen, niet zonder afgrijzen kon horen. Op het moment dat hij zijn echtgenote antwoordde, besefte hij dat hij verloren was, dat er geen terugkeer mogelijk was, dat het einde was gekomen, het echte einde en dat zijn twijfels nog steeds niet waren opgeheven en dat het twijfels zouden blijven.

“O! O! O!” schreeuwde hij in verschillende toonaarden. Hij was begonnen met het uitschreeuwen van “Ik wil niet!” en ging verder met het schreeuwen van de letter “O”.

Drie dagen lang, waarin voor hem geen tijd bestond, worstelde hij in die zwarte zak, waar hij door een onzichtbare en onweerstaanbare kracht in was geduwd. Hij worstelde zoals een ter dood veroordeelde, die weet dat hij reddeloos verloren is, in de handen van de beul worstelt. En elk moment voelde hij dat hij, ondanks al zijn krachtsinspanningen, steeds dichter naar datgene toegetrokken werd, wat hem zo’n angst inboezemde. Hij voelde dat zijn doodsangst werd veroorzaakt doordat hij dat zwarte gat in werd geduwd en nog meer omdat het hem niet lukte er doorheen te kruipen. Hij werd tegengehouden door zijn overtuiging dat zijn leven een goed leven was geweest. Dat goedpraten van zijn leven hield hem vast en verhinderde dat hij vooruit kwam, en leverde hem de allergrootste marteling op.

Opeens leek het alsof hij door een kracht in zijn borst en zij werd geraakt, waardoor hij nog moeilijker kon ademhalen, hij viel door het gat heen en zag ginds op de bodem een licht. Wat hem was overkomen, leek op de gewaarwording die je in een treinwagon kunt hebben, als je denkt dat je achteruit gaat, terwijl je in werkelijkheid vooruit gaat en je opeens bewust wordt welke richting je echt uit rijdt.

“Ja, het was niet goed,” zei hij tegen zichzelf, “maar dat maakt niet uit. Het kan nog steeds gedaan worden. Maar wat is dat ‘goed’ eigenlijk? vroeg hij zich af en opeens werd hij rustig.

Dit speelde zich af op het eind van de derde dag, twee uur vóór zijn dood. Net op dat moment was de schooljongen zachtjes binnengeslopen en naar het bed toe gegaan. De stervende man schreeuwde nog steeds wanhopig en zwaaide met zijn armen. Zijn hand viel op het hoofd van de jongen, en de jongen pakte de hand vast, drukte hem tegen zijn lippen en begon te huilen. Juist op dat moment viel Iwan Iljitsj door het gat, zag het licht, en werd hem geopenbaard dat, hoewel zijn leven niet was geweest, wat het had moeten zijn, het nog steeds goedgemaakt kon worden.

Hij vroeg zich af “Wat is dat ‘goed’ dan?” werd stil, en luisterde. Toen voelde hij dat iemand zijn hand kuste. Hij opende zijn ogen, keek zijn zoon aan, en voelde medelijden met hem. Zijn echtgenote kwam naar hem toe en hij wierp een vluchtige blik op haar. Ze staarde hem aan, met open mond, onopgedroogde tranen op haar neus en wangen en met een wanhopige blik op haar gezicht. Ook met haar voelde hij medelijden. “Ja, ik maak hen ongelukkig,” dacht hij.

“Ze hebben met mij te doen, maar voor hen is het beter als ik doodga.” Hij wilde dat zeggen, maar had niet de kracht om het uit te spreken. “Overigens, waarom zou ik wat zeggen? Ik moet wat doen,” dacht hij. Met een blik op zijn echtgenote wees hij naar zijn zoon en zei: “Breng hem weg…het spijt me voor hem…en voor jou ook….” Hij wilde eraan toevoegen, “Vergeef me,” maar het lukte hem niet meer en hij gebaarde met zijn hand, wetend dat Hij die alles begreep, hem zou begrijpen.

En opeens werd hem duidelijk dat wat hem had benauwd en hem niet wilde verlaten, tegelijkertijd aan twee kanten, aan tien kanten en toen aan alle kanten, wegdruppelde. Hij had met hen te doen, maar hij moest iets doen zonder hen te kwetsen: hij moest hen verlossen en zichzelf van dit lijden bevrijden. “Wat goed en wat eenvoudig!” dacht hij. “En de pijn?” vroeg hij zich af. “Wat is ermee gebeurd? Waar ben je, pijn?” Hij lette er op.

“Ja, daar is het. Goed, nou en? Laat maar.”

“En de dood… waar is die?”

Hij zocht naar zijn gewone, vroegere angst voor de dood en vond die niet meer terug. “Waar is hij dan? Wat voor dood? Er was geen angst, omdat er geen dood was.

In plaats van dood was er licht.

“Dus dat is het!” riep hij plotseling hardop uit. “Wat een vreugde!”

Voor hem gebeurde dat allemaal in een enkel ogenblik, en de betekenis van dat ogenblik veranderde niet. Voor de aanwezigen duurde zijn doodsstrijd nog twee uur door. Er reutelde wat in zijn keel, zijn uitgemergelde lijf maakte trekkingen, en toen nam het hijgen en reutelen langzaam af.

“Het is afgelopen!” zei iemand vlakbij hem.

Hij hoorde die woorden nog en herhaalde ze in zijn ziel.

“De dood is voorbij,” zei hij tegen zichzelf. “Hij is er niet meer!”

Hij haalde nog één keer adem, hield midden in een zucht op, strekt zich uit en stierf.

* * *