Ontwerp voor een overeenkomst en voor het samengaan van revolutionaire socialisten en communistische anarchisten.
Een ernstig woord behoort te worden toegeroepen aan de revolutionaire communisten van alle landen!
Vergeleken met de dagen van de Internationale[1], heeft ontegenzeglijk de arbeidersbeweging in alle moderne landen een zeer grote uitbreiding verkregen.
Maar wel verre er vandaan, dat de beweging evenzeer zou hebben gewonnen in de diepte, won ze te veel in de breedte alleen.
Door de invloed in het bijzonder van de elementen uit de middenklasse voortgekomen; onder deze de invloed van de politiekers, zich vastklemmend aan hun zetel in de volksvertegenwoordiging; van de chefs van arbeiderscoöperaties, die met de spiegelruiten vóór de bakkerswinkels en vóór de confectiemagazijnen, aan welke hoofd ze werden geplaatst, tegelijkertijd hun eigen winkelglazenbelangen hebben gekregen; van vele redacteurs van arbeidersbladen, onder kleinburgerlijke levensomstandigheden gebracht, — dreigt nu de internationale arbeidersbeweging mettertijd haar revolutionair karakter te zullen inboeten en te worden van een partij, die de omkering van de grondslagen van de maatschappij beoogt tot, een parlementaire hervormingspartij zonder meer.
Het is niet meer de strijd voor de verwezenlijking van een nieuwe, communistisch georganiseerde gemeenschap, die zich met de dag meer doet gelden, maar het is een streven naar een betere regeling van de oude maatschappij, — hoe utopistisch dit ook wezen moge — een streven alzo, dat de erkenning van de grondslagen van de bourgeoismaatschappij in zich sluit.
De hierboven gekarakteriseerde elementen zijn het geweest, die hebben weten te bewerken, dat op de verschillende tot hiertoe gehouden internationale arbeiderscongressen — te Londen, Parijs, Brussel, Zürich zowel als op het laatstgehouden congres te Londen (1896) — geen enkele overeenkomst in communistische zin is getroffen. Onder hun invloed zijn op deze congressen enkel in bespreking gekomen maatregelen, die op de grondslag van de tegenwoordige maatschappij te verwezenlijken zijn — als de achturendag, de bescherming van vrouwelijke arbeiders, de viering van het Meifeest enz. — en werden er uitsluitend schikkingen getroffen van in 't algemeen geheel onschuldigen aard voor de huidige maatschappelijke orde en zeker in ’t minst niet van specifiek communistische strekking.
Met het stelsel van halfheid en dubbelhartigheid, waartoe de internationale arbeiderspartij is afgedaald, dient afdoende te worden gebroken door het optreden van alle kameraden, die waarlijk communisten zijn.
Meer dan ooit is het de plicht van alle communisten geworden, die het met het revolutionaire streven van de arbeidersbeweging van onzen tijd ernst is, om gezamenlijk front te maken tegenover het kleinburgerlijke, het hervormingsgezinde streven, dat zich in alle landen steeds scherper openbaart.
Dat allen zich verenigen, hoe zij overigens denken mogen over de toekomstige structuur van de communistische gemeenschap, die als communisten boven alles gaat de overgang van de stoffelijke bestaansmiddelen van het menselijk geslacht: van grond, levensmiddelen en arbeid instrumenten uit de macht van de privaat-eigenaren, in de handen van de gemeenschap.
Dit geschrift is bestemd, de algemene grondslagen aan te geven, op welke de revolutionaire socialisten en communistische anarchisten, die gevoeglijk tezamen als revolutionaire communisten kunnen worden aangeduid, zullen kunnen samengaan tegenover de verschillende bourgeoispartijen, hieronder begrepen de parlementaire, zich noemende socialisten.
Wat alle bourgeois-partijen, hoe verschillend ook overigens in streven en in tactiek, met elkaar gemeen hebben, dat is hun vasthouden aan het privaat-eigendom van de middelen van productie en consumptie als grondslag van de hedendaagse maatschappij.
Staande op dit standpunt van het privaat-eigendom, hebben zij tegenover zich alle socialisten — onder wie ook de communistische anarchisten — voor wie allemaal de socialisering van de productie- en consumptiemiddelen juist een door de natuur van de dingen gegeven noodzakelijkheid is, voortvloeiende uit de ontwikkeling van de maatschappij zelve, en een eerste en onafwijsbare voorwaarde voor de algehele opheffing van de klassenverschillen en van alle sociale ellende.
Juist met het oog op dit kenmerkende verschil tussen de bourgeois-partijen en de socialisten, kunnen de revolutionaire socialisten en communistische anarchisten niet meer de rechtervleugel van de internationale arbeidersbeweging — de parlementaire socialisten —als socialisten erkennen.
In theorie verklaren deze parlementaire socialisten, het is waar, dat zij socialisten gebleven zijn. Zij leggen er de nadruk op, dat zij zich slechts om die reden in het parlement willen begeven, gelijk de grote massa hun aanhangers erkent, ten einde de staatsmacht te veroveren en daardoor de economische revolutie in de maatschappij te bevorderen.
Op dit standpunt staat o.a. de gehele sociaaldemocratische partij in Midden-Europa, werkend onder invloed van de Duitse sociaaldemocratie.
Nu is dit standpunt in de eerste plaats onverenigbaar met de, door de sociaaldemocraten zelf, en in het bijzonder door de Duitse sociaaldemocratie, steeds vooropgestelde materialistische opvatting van de geschiedenis, volgens welke toch de politieke macht van de staat in de verschillende landen en in de verschillende tijdvakken van de geschiedenis enkel is de afspiegeling, de tot wet geformuleerde uitdrukking van materiële machtsverhoudingen; in de huidige kapitalistische maatschappij de codificatie en sanctionering van de economische heerschappij van de bourgeoisie.
De economische bouw van de maatschappij wordt volgens deze geschiedbeschouwing bepaald, door de wijze, waarop de volken voorzien in hun eerste levensbehoeften, in verband met de trap van ontwikkeling waarop ze staan.
De staatsmacht zo volgt hieruit, zou slechts kunnen worden veroverd na en als onafscheidelijk gevolg van de economische ontvoogding van het proletariaat als gevolg alzo van de macht, die de georganiseerde arbeiders in de werkelijke maatschappij, in de werkplaatsen en fabrieken, in de arbeidsvoorwaarden op het platteland uitoefenen.
Tegenwoordig, ontrouw geworden aan hun eigen opvatting van de geschiedenis van de volken, worden de parlementaire socialisten, die de praktische wetgevende arbeid in het parlement niet willen opgeven, voor de noodzakelijkheid gesteld, hun tactiek te verdedigen met ernaar heen te wijzen, dat — krachtens de algemene natuurwet van de wisselwerking van oorzaak en gevolg — de wetgeving toch ook terugwerkende kracht uitoefent op de economische structuur van de maatschappij. Zij zien zich gedwongen hun eigen partij te decreteren tot een partij, die slechts kan bestaan krachtens de omstandigheid, dat er een andere, in waarheid revolutionaire beweging aanwezig is, die met de ontwikkeling van de economische machtsverhoudingen binnen deze maatschappij gelijken tred houdt; ze verklaren ermede, dat hun partij slechts kan werken, voor zover door de invloed van anderen dermate de stoffelijke levensvoorwaarden van de mensen gewijzigd zijn, dat daarvan een verandering van de politieke verhoudingen een noodzakelijk gevolg is geworden. Eerst daarmee toch zijn zij, de parlementaire socialisten, in staat gesteld, om, door middel van de wetgeving, hier en daar in een achterlijk gebleven landstreek de arbeidersbevolking te steunen op de weg van de vooruitgang; misschien ook om met behulp van de wetten en de macht, die haar ten uitvoer leggen, de naar hun inzien al te ver gevorderde elementen te dwingen, de loop van de maatschappelijke ontwikkeling bij te houden, respectievelijk in het parlementair socialistische zog te blijven varen.
Hier houden echter de parlementaire socialisten op, revolutionaire elementen in de arbeidersbeweging te zijn. Zij zijn geworden tot een parlementaire hervormingspartij, welke streven zich aanpast aan eenmaal gegevene en vóór hen liggende economische verhoudingen en die slechts tracht zich in de kunst te bekwamen om de bakens te verzetten bij het verlopen van het getij. Niets belet dan ook meer deze lieden, te trachten, zo spoedig mogelijk een regeringspartij te vormen.[2]
Bovendien heeft de praktijk bewezen, dat een consequente doorvoering der, laten wij ze noemen “parlementair-socialistische” beginselen, inderdaad de aanhangers van deze leidt tot een streven, om binnen de kortst mogelijke tijd in de bourgeois-staat een ministeriële partij te worden, door zich steeds meer naar de bestaande sociale en politieke verhoudingen in hun land te plooien.
Die socialisten, welke in het parlement van welk land ter wereld ook zijn binnengetreden met de oprechte bedoeling, daar alleen te agiteren voor socialistische princiepen, hebben de ervaring opgedaan, dat zij op dit te goeder trouw ingenomen standpunt niet konden blijven staan.
De parlementen vergaderen om opbouwend werkzaam te zijn op de grondslag van de tegenwoordige kapitalistische maatschappij; ze vergaderen niet, om naar socialistische redevoeringen met agitatorische strekking te luisteren.
Daargelaten nu, dat de socialistische afgevaardigde, eenmaal binnengetreden in het burgerparlement met dat binnentreden zelf afgevaardigdebelangen krijgt, welke met de belangen van de kiezers, die hem afvaardigden niet in hun geheel kunnen samenvallen, daargelaten ook, dat de veranderde levensomstandigheden op hem noodzakelijkerwijze invloed moeten uitoefenen — zo kan toch ook de socialistische afgevaardigde niet blijvend het verloop van de parlementszittingen storen, door altijddurend te agiteren voor de socialistische beginselen. Hij wordt een sta-in-de-weg, die zich ten slotte gedwongen ziet, iets anders ter hand te nemen, dan jaar in jaar uit van .de weinige gelegenheid, die hij vindt, om als socialist agiterend werkzaam te zijn, gebruik te maken, en steeds weer te herhalen, wat hij reeds één of meer jaren tevoren gelijkerwijze heeft gezegd.
Hij ziet zich voor de keus gesteld, één van beide wegen uit te gaan: óf het parlement te verlaten, óf aan de praktische wetgevende arbeid mee te doen op grondslag van de kapitalistische eigendomsverhoudingen, zich in het laatste geval tevredenstellende met op dit nieuwe terrein de hoogste eisen te stellen, welke hij, met de constitutie van zijn land vóór ogen, zich stellen kan.
Maar de arbeiders — zijn kiezers — worden eenmaal in massa verzadigd van de onvruchtbare agitatie, door socialisten gaande gehouden in het parlement tegenover medeafgevaardigden, wier burgerlijke begrippen toch niet te wijzigen zijn, en die spotten met de meest gerechtvaardigde kritiek en de hoogste welsprekendheid van socialistische zijde, vast overtuigd, als ze zich voelen, dat de gewapende macht toch altijd in de handen van de bezittende klassen blijft.
Bij de steeds toenemende ellende[3], bij de klimmende ontevredenheid onder de arbeidende bevolking, zal de zelfbewuste proletariër met steeds klemmender aandrang de socialisten onder de parlementsafgevaardigden de vraag gaan voorleggen, of er haast lang genoeg geagiteerd zou wezen en of het niet beter ware voor de socialistische beoefenaars van de welsprekendheid in de volksvertegenwoordigingen, om mede te werken aan de organisatie van de arbeiders buiten het parlement, in de onmiddellijke strijd tegen het kapitalisme; of ze niet tevens de spiegelgevechten binnen de kamers van vertegenwoordiging, en de kleine hervormingen, die er het uitvloeisel van zijn, zouden willen overlaten aan de burgerpartijen.
Voor de bovengenoemde keuze gesteld, om óf het parlement te verlaten, óf aan de opbouwende parlementaire arbeid mee te doen, en ten slotte besloten, om maar binnen het parlement aan allen wetgevende arbeid, die hem onder de dorsvlegel gelegd wordt mee te dorsen — heeft de afgevaardigde, oorspronkelijk als socialist gekozen en zich nog socialist noemende, slechts nog een enkele schrede te doen, om een verbond aan te gaan met de meest vooruitstrevenden van de burgerpartijen, met de radicalen en de christelijke democraten.
Hij moet tot zulk een bondgenootschap komen, weer eveneens volgens een natuurlijke gang van zaken, doordat hij de door hem gesteunde hervormingen wenst verwezenlijkt te zien tegenover de eisen van de meest reactionaire elementen in de volksvertegenwoordigingen.
In de werkelijkheid zien wij dit bondgenootschap in de parlementen van de verschillende staten dan ook reeds tot stand gekomen en bestaat de zogenaamde socialistische fractie in de parlementen voor een belangrijk gedeelte — een gedeelte, zeker niet het minst geoefend in de welsprekendheid en vertrouwd met de parlementaire usanties — uit radicalen, uit kleinburgerlijke democraten, welke er slechts toe besloten hebben, om de overgang van het privaateigendom in algemeen eigendom als einddoel, te stellen tot een uithangbord boven hun parlementaire reparatiewinkel, teneinde in de verkiezingsdagen de stemmen te winnen van de grote massa van de socialistisch gezinde arbeiders.
Bij dezen stand van zaken moeten tegenover de verschillende burgerpartijen en de naar deze overhellende parlementaire socialisten —de revolutionaire socialisten en communistische anarchisten samengaan en een aaneengesloten macht vormen in de verschillende landen — overal, waar er met hun denkbeelden sympathiserende groepen bestaan.
Met de ontwikkelingsgeschiedenis dier beide revolutionaire stromingen voor ogen, kan dit ook voor mogelijk en voor in de toekomst waarschijnlijk worden geacht.
De revolutionaire socialisten zijn — althans in grote massa — van huis uit communisten. Voor hen staat op de voorgrond, dat uit de macht van de kapitalisten en grondeigenaars in de handen van de gemeenschap moeten overgaan de bestaansmiddelen van het menselijk geslacht, niet slechts alle, productie-, maar evenzeer alle consumptiemiddelen.
Het laatste, beschouwen zij als een noodzakelijk gevolg van het eerste. Wanneer de gemeenschap toch eenmaal in hare handen heeft de productiemiddelen, dan beheerst zij ook het produceerde zelf, en een verandering in de wijze van productie van de goederen, voor het onderhoud van het menselijk geslacht benodigd, heeft een daaraan beantwoordende verandering in de wijze van verdeling van de goederen tot onafscheidelijk gevolg.
Daarentegen waren de anarchisten — wederom wat de grote meerderheid van hen — van huis uit geen communisten, ze waren individualisten. Nog steeds houden ze vóór alles vast aan de persoonlijke vrijheid van de mens. Zij houden zich overtuigd, dat, indien het individu slechts de volledige vrijheid verlangt, hij zichzelf zal kunnen ontwikkelen overeenkomstig zijn natuurlijke aanleg en dat, indien hij door niemand in die ontwikkeling belemmerd wordt, het grootst mogelijke geluk daarvan de vrucht zal zijn, niet slechts voor het individu zelf, maar ook voor de gemeenschap van individuen, de gehele maatschappij.
Verklaarde tegenstanders van elke vorm van regering, van elk bindend gezag, zijn ze ook vandaag nog vijandig tegenover de heerschappij, uitgeoefend door de meerderheid van het volk tegenover de minderheid.
De meerderheid van de anarchisten hield aanvankelijk, en zeer velen van hen houden ook nu nog, dermate vast aan de persoonlijke vrijheid als hoogste beginsel voor de mens en voor de onmenselijke samenleving, dat zij ook binnen hun eigen groepen geen bestuur dulden, ten einde in eigen boezem geen streven tot heersen op te wekken en geen grondslag voor een nieuwe regering te leggen; dat ze veelal geen voorzitter willen verkiezen tot leiding van hun vergaderingen, noch besluiten nemen in hun groepen, of zelfs maar stemming toelaten over enig voorstel.
Betreffende het vraagstuk van algemeen of individueel eigendom van de productie en consumptiemiddelen hadden vele anarchisten aanvankelijk niet zo scherp partij gekozen, als ze dit hadden gedaan op politiek gebied en zelfs bestond er, en bestaat er nog, wat het beginsel van algemeen eigendom betreft, tussen de anarchisten onderling verschil van gevoelen. In het ontwikkelingsproces, dat de anarchisten doormaakten, zijn de grote meerderheid van hen communisten geworden en hebben zich afgescheiden van die anarchisten — overigens slechts weinigen in aantal — welke de persoonlijke vrijheid voor zichzelf zóver getrokken wensen te zien, dat ze zich, krachtens dit vrijheidsbeginsel, voorstanders verklaren van het individueel eigendom.
De communistische anarchisten — nu ook in de naam, die ze voeren, van deze individuele anarchisten onderscheiden — hebben steeds scherper gaan op de voorgrond stellen, dat de persoonlijke vrijheid van het individu tot onafscheidelijke voorwaarde heeft het gemeenschappelijk eigendom van alle levensbehoeften van de mensheid als grondslag van de maatschappij. Blijven privaatpersonen — aldus motiveren zij dit princiep — de eigenaars van de grond, van fabrieken en werkplaatsen, van machines en werktuigen, van de magazijnen en hun voorraad, van de woonhuizen, van de middelen van vervoer en verkeer enz., dan is het voortbestaan van de onderworpenheid van de knecht aan de meester — de grondslag van de hedendaagse loonslavernij — daarvan het onmiddellijke gevolg. De individuele vrijheid blijft daarmede voor de grote massa van de mensen een vrome wens.
Op dit punt ontmoeten elkander de beide revolutionaire stromingen in de hedendaagse arbeidersbeweging, de revolutionaire socialisten en de communistische anarchisten. En met deze ontmoeting is ook tevens de mogelijkheid voor samenwerking — niet voor samensmelting — geboren.
Een enkele partij kunnen ze voorzeker niet vormen en in ’t bijzonder de communistische anarchisten — w ars van elke partijvorming — zouden het niet wensen.
Ook zal er in zaken van tactiek bij het voeren van de economische strijd, op menig punt tussen de personen uit beide groepen, verschil van gevoelen blijven bestaan en zal de revolutionaire socialist de belangen van de gemeenschap, resp. van de groep, van de partij, de communistische anarchist daarentegen de vrijheid van het individu voorop blijven stellen.
In het algemeen echter zullen de revolutionaire socialisten en de communistische anarchisten in hoofdzaak verschillen in hun opvatting over de regeling van de toekomstige maatschappij.
Bij gemeenschappelijk eigendom van grond en arbeidsmiddelen, en als gevolg van dien ook van de producten zelf, zal de revolutionaire socialist voorstaan een regeling van de productie en consumptie van goederen, van het algehele sociale en politieke leven van de mensen, gebaseerd op de wil van de meerderheid, met waarborgen voor de grootst mogelijke vrijheid van beweging van de minderheid en van elk van haar leden. De communistische anarchist zal streven naar de verwezenlijking op sociaal en politiek gebied van het stelsel van 'vrije groepen', binnen welke het individu door niets of niemand is gebonden in zijne beweging en die elk lid te allen tijde kan verlaten naar willekeur, ten einde zich bij een andere groep aan te sluiten, of eigen vrije inzichten te volgen.
Het valt momenteel niet te beslissen, in hoeverre dit theoretische verschil in doel en in tactiek, in de praktijk des levens zal blijven bestaan en of niet de hoop gegrond is te noemen, dat, zodra het op handelen aankomt, in stede van louter theoretiseren, de revolutionaire socialisten en communistische anarchisten gelijk zullen handelen en in staat zullen zijn, aanstonds een vergelijk te treffen.
Vast staat slechts dit, dat wat betreft de toekomstige regeling van het sociale leven van de mensen op de grondslag van het gemeenschappelijk eigendom aan productie- en consumptiemiddelen de revolutionaire socialist voorstaat de democratie. Het woord democratie wordt hier genomen in de zin van een regeling van zaken, overeenkomstig met de wil van de meerderheid van het volk, niet echter in de betekenis, waarin vele sociaaldemocraten het woord gebruiken, van deelneming aan de praktisch wetgevende arbeid in de burgerparlementen.
De communistische anarchist toont, daar waar de toekomstige regeling van de maatschappij ter sprake komt, zich anarchist, tegenstander van elke regering, van elk gezag, ook van het gezag van de meerderheid.
Eensgezind, door dezelfde beginselen bezield, zijn aldus revolutionaire socialisten en communistische anarchisten, voor zover beiden zijn communisten. Als zodanig staan zij niet alleen tegenover de bourgeois-partijen, maar ook tegenover de parlementaire socialisten, zich dikwijls ook noemende 'sociaaldemocraten'.
Deze laatsten stellen de daadwerkelijke onteigening van de kapitalisten en grondeigenaars, die vooraf moet gaan aan de geboorte van een nieuwe, communistisch georganiseerde maatschappij, op de achtergrond voor hun theorie van de zogenaamde 'verovering van de staatsmacht', in de werkelijkheid voor liet aanbrengen van kleine hervormingen, te verwezenlijken binnen het raam van de burgerlijke maatschappij.
Voor de revolutionaire socialisten en communistische anarchisten vormen de verschillende burgerpartijen, met de parlementaire socialisten als overgangspartij, evenzovele conservatieve, ten dele reactionaire groepen. Ze beogen alle de instandhouding en verdediging van het privaateigendom als grondslag van de maatschappij, of helpen althans — wanneer ze dit, gelijk de parlementaire socialisten, in theorie niet beogen — in de werkelijkheid, door hun daden, toch aan de bestendiging ervan mede.
Tegen hen allen front te maken is niet slechts wenselijk, maar evenzeer voor de revolutionairen socialist als voor de communistische anarchist, een gebiedende noodzakelijkheid.
Samengaan is hier meer dan een wenselijkheid, het is plicht geworden in het belang van de verdediging van het gemeenschappelijk beginsel, het communisme.
Met dit samengaan mag zeker niet gepaard gaan enige inbreuk op de bijzondere beginselen van de personen uit een van de beide groepen en het kan dan ook in het minst het doel niet zijn van dit geschrift, een vergelijk, een compromis te bepleiten, dat slechts met het inboeten van een deel onzer overtuiging kan aanvaard worden.
Dit geschrift beoogt slechts te onderzoeken, in hoeverre revolutionaire socialisten en communistische anarchisten, met volkomen eerbiediging van elkanders princiepen, zich kunnen verstaan omtrent de tactiek, die in de strijd voor de economische emancipatie van het proletariaat te volgen valt.
De overgang van de productie en consumptiemiddelen uit de macht van kapitalisten en grondeigenaars in de handen van de gemeenschap, onderstelt de algehele onteigening van de bezitters, het terzijdestellen van de privaatondernemers en de regeling van voortbrenging en distributie van de goederen door de georganiseerde arbeiders.
Deze omkeer in de grondslagen van de maatschappij kan zich slechts voltrekken in de levenswijze van de mensen zelf, alzo binnen de fabrieken en werkplaatsen, op veld en akker, in de woonhuizen.
Tiet valt evenmin te verwachten, dat de overgang van het individueel eigendom in algemeen eigendom zal kunnen plaats grijpen bij afkondiging door de wet, als te geloven, dat de mensen door de voorschriften van een wet de lijkverbranding zullen invoeren, of wel zullen ophouden paarsgewijze te leven, wanneer de huwelijkswetten woorden afgeschaft.
Het individueel eigendom zou eerst bij de wet voor afgeschaft kunnen worden verklaard in zulke vormen, waarin het in de werkelijkheid reeds afgeschaft is, in vormen alzo, waarin het door niemand meer behoeft geëerbiedigd te worden, of waarin het zelfs grotendeels reeds uit de heugenis van de mensen is uitgewist.
De tijdperken van de wereldgeschiedenis, waarin menselijke instellingen, zó diep vastgegroeid en zó geheel samengeweven met de menselijke natuur als het eigendom het is in zijne verschillende vormen, worden losgerukt en vernietigd, zijn de tijdperken van de grote revoluties, de geboorte van nieuwe maatschappijen.
Tot de tijd van revolutie, die vóór ons ligt is het ons slechts gegeven, het wordingsproces van de nieuwe maatschappij in de hand te werken en de weeën van onze oude samenleving te verlichten, door de macht van de revolutionaire communistische beweging te versterken en daarentegen de macht van de bezittende klassen en haar regeringen te verlammen en te ondermijnen.
De toestand in enkele steden van de nieuwe wereld, waar de georganiseerde werklieden in sommige bedrijven als de bouwvakken, de ondernemers telkens jaarlijkse contracten voorleggen, bepalende loon en arbeidsduur en alle verdere voorwaarden, onder welke de ondernemers de arbeid van “union-mannen”[4] kunnen verlangen, wijst ons aan, in welken zin de macht van de georganiseerde arbeiders langzamerhand aangroeit. Een dergelijke toestand is als het ware een overgangsfase tot de algehele terzijdestelling van de patroons en de uitvoering van alle productieve arbeid door de respectieve arbeidersorganisaties.
Deze algehele terzijdestelling van de ondernemers en de onteigening van de bezitters kan zich eerst voltrekken, wanneer de volken staan geplaatst voor de keuze van deze terzijdestelling, deze onteigening enerzijds en de internationale burgeroorlog aan de anderen kant.
Het ligt in de natuur van de massa van de mensen, dat ze rustig blijven, ook al worden de belangen geschonden, de rechten en de vrijheden verkracht van anderen, zolang zij zelf daaronder slechts niets te lijden hebben.
Het individueel eigendom en de daarop steunende heerschappij van de bezittende klassen zal eerst als grondslag van het sociale en politieke leven van de mensen kunnen overwonnen worden, wanneer de bevoorrechte toestand waarin de bezitters verkeren en de klassenstrijd, die er het gevolg van is, een al te drukkende last en een al te ernstig gevaar zijn geworden voor de gehele bevolking onzer moderne landen.
Stelt het georganiseerde proletariaat bij de reuzenwerkstakingen, gelijk eerst Australië en de Verenigde Staten en na dezen ook West-Europa, en in het bijzonder Engeland, ze leerden kennen, de kapitalisten voor de meest gematigde eisen — gematigd met het oog op de dividenden van de ondernemers — de grote massa van de bevolking van een landstreek zal er zich niet om verroeren, ook al brengen desniettemin de groot-kapitalisten er een deel van de arbeidersbevolking door tot de diepste ellende. Hoogstens zal het niet direct bij een werkstaking geïnteresseerde gedeelte van de burgers een protestmeeting houden, of door middel van de pers zijn afkeuring en zijn verontwaardiging uiten, wanneer de resultaten van een enquête onder de hongerende stakende bevolking van een industriestreek bekend worden gemaakt.
Richten omgekeerd de georganiseerde proletariërs één enkelen, twee, tien fabrikanten ten gronde — de meerderheid van de bevolking, de publieke opinie, blijft er even onverschillig en ongevoelig voor.
Maar zodra de georganiseerde werkstakers de hand slaan aan fabrieken en machines, om deze te vernietigen ten nadele van de kapitalisten[5], dan komt er beroering in de massa, want de beweging raakt alsdan het algemene belang en mèt de bedreigde eigenaars van de vernielde machines, gevoelt de gehele bevolking van een streek, al is ze ook niet onmiddellijk bij de verwoesting geïnteresseerd, zich mede bedreigd, daar een dergelijke maatregel toch zou kunnen prikkelen tot algemene navolging.
Is het georganiseerde-, industriële- commercieel- en landbouwproletariaat machtig genoeg om, niet slechts lokaal, maar ook nationaal en internationaal, steeds hoger eisen te stellen aan de grondeigenaars en kapitalisten; kunnen ze deze laatsten stellen voor de noodzakelijkheid over te gaan tot het sluiten van hun werkplaatsen, fabrieken, mijnen, van hun vervoers- en verkeersmiddelen, welke alle hebben opgehouden langer winstgevend voor hen te zijn, dan zal de gehele bevolking in de betreffende landstreken, die aldus zich gesteld ziet voor de keuze tussen deze sluiting ofwel de overgang van de productie- en communicatiemiddelen uit de handen van de particuliere eigenaars in die van de onmiddellijke producenten, zich, door hetzelfde eigenbelang gedreven, voor de onteigening van de privaatbezitters verklaren. Het moet het streven zijn van het georganiseerde proletariaat in de verschillende takken van voortbrenging en in alle moderne landen, de eisen zo hoog op te voeren, dat bij de overgang van de levensbehoeften van het menselijk geslacht in de handen van de gemeenschap de gehele bevolking als het ware gelijktijdig en gelijker mate belang krijgt.
Bij de steeds toenemende verwarring en onzekerheid op elk gebied van de voortbrenging, de beurszwendelarij, de speculaties in industrie, handel en verkeer, gevoegd bij de toenemende verarming van de onmiddellijke producenten, de arbeiders, wordt toch dit de eerste schrede tot de inbezitneming van grond en arbeidsmiddelen door de gemeenschap.
De aantasting van de eigendomsrechten van de grondeigenaars en kapitalisten voltrekt zich alzo niet in de parlementen, n de ministeries, of op de raadhuizen, maar binnen de maatschappij zelve, die zich in socialistische richting ontwikkelt, dat wil zeggen, ze voltrekt zich in het werkelijke leven van de mensen.
De klassenstrijd, een noodzakelijkheid geworden met het ontstaan zelf van het proletariaat als klasse tegenover de dit proletariaat uitbuitende klassen van de grondeigenaars en kapitalisten — is allereerst en moet noodwendig zijn een economische strijd.
De economische emancipatie van de arbeidende klasse moet mitsdien zijn en blijven het grote doel, waaraan gelijk het nog in de statuten van de 'Internationale' heette, elke politieke beweging als een middel behoort ondergeschikt te zijn.“
Evenals de bourgeoisie zich bevrijdde in de economische revolutie van het midden van de achttiende eeuw, toen er een algehele omwenteling zich voltrok in de productie door de ontwikkeling van de techniek; evenals zij — de bourgeoisie — zich had te emanciperen buiten de regeringsbesturen, buiten de ministeries en de raadhuizen, in hare fabrieken, werkplaatsen, bureaus — zo zal ook de emancipatie van de arbeiders zich gelijkerwijze voltrekken in de economische strijd.
Toen op het einde van de achttiende eeuw de bourgeoisie in Noord-Amerika en in geheel West-Europa reeds feitelijk de toestand beheerste in de betreffende werelddelen, was de politieke revolutie, de bevrijdingsoorlog van de Noord-Amerikaanse staten tegen Engeland en de grote Franse revolutie van 1789, niet anders dan een noodzakelijk gevolg op politiek gebied van de verandering in de economische machtsverhoudingen; beiden waren een onafscheidelijk gevolg van de verplaatsing van het economische zwaartepunt van de maatschappij in onze moderne staten.
De revolutionaire communisten, voor wie dus de 'revolutionaire actie' duidelijk en onweersprekelijk tevens economische actie is, hebben in de klassenstrijd, die vandaag de dag gestreden wordt, in woord en daad hun invloed te stellen tegenover die van de zich noemende 'parlementaire socialisten' of 'sociaaldemocraten', overal waar dezen de economische strijd verwaarlozen en als onvruchtbaar en gevaarlijk voorstellen en tegen het streven van hun partij om een regeringspartij te vormen door overwinningen bij de stembus.
De revolutionaire communisten zijn tevens anti-parlementaristen.
De tijden zijn voorbij, dat het parlement in zijn optreden revolutionair moest werken.
In de dagen van de grote Franse Revolutie, toen het burgerparlement zich in Frankrijk ging vormen tot de aangewezen regeermachine van de opkomende bourgeoisie, was het parlement in zijn uitingen revolutionair, ook in die zin, dat het herhaaldelijk gewelddadig de oude staatsinstellingen, de relikwieën van de absolute monarchie aantastte.
Het toneel in het Franse Convent[6], toen de afgevaardigden één voor één de tribune beklommen om hun stem uit te brengen vóór of tegen de dood van Louis Capet, was een aangrijpend parlementstoneel.
Op dat ogenblik vielen parlementaire en revolutionaire actie samen.
Maar die tijden zijn achter de rug. Het parlement is niet meer een revolutionaire macht, de operatiemachine van de zich emanciperende derde stand.
Het is geworden een onderdeel van de onderdrukkingsmachinerie van een overheersende klasse, wier heerschappij ten ondergang neigt en die vóór alles in de brutale verkrachting van haar eigen wetten, haar geestelijk verval bewijst en haar onmacht om langer als leidende klasse in de maatschappij te functioneren.
Het hedendaagse parlement draagt reeds het karakter van een museum van oude instellingen en gebruiken, het orgaan van een tot vernietiging gedoemde klasseoverheersing, dat verdwijnen moet mèt de ondergang van de bourgeoisie zelf als heersende klasse.
Zoveel kan men als vaststaande beschouwden omtrent de communistische samenleving, gelijk ze uit de kapitalistische maatschappij onzer dagen zich gaat ontwikkelen, dat met haar het tegenwoordige parlementaire regeringsstelsel onverenigbaar is.
De onderdrukkingsmachinerie, waardoor momenteel de arbeidersklasse nog in de onderworpenheid gehouden wordt, is niet derwijze georganiseerd, dat ze tegelijkertijd wezen kan het werktuig, waardoor het kampende proletariaat zich bevrijdt.
Reeds de samenstelling, de bevoegdheid van het parlement, als vertegenwoordiger van de wetgevende macht, en de toestand, waarin het als zodanig verkeert ten opzichte van de andere regeringsmachten zou voldoende zijn om aan te tonen, hoe het 't zuiverste utopisme zou wezen hunnerzijds, wilden de proletariërs trachten, de meerderheid in het burgerparlement te verkrijgen, om met behulp van de aldus 'veroverde' staatsmacht een communistische organisatie van de maatschappij door te voeren.
Naast het parlement als vertegenwoordiger van de wetgevende macht — zelfs indien wij als zodanig enkel het oog houden op de lichamen, die in de nauwere zin van het woord onder de volksvertegenwoordiging worden verstaan en indien wij buiten beschouwing laten de 'Senaat', het 'Lagerhuis', het 'Heerenhuis', en hoe verder deze compensatielichamen heten mogen, die te beschouwen zijn als de dubbel afgekookte vertegenwoordiging van de belangen van de bezittende klasse — vinden wij in eiken modernen staat een uitvoerende en een rechterlijke macht, waarop de vertegenwoordigers des volks geen onmiddellijke invloed kunnen uitoefenen.
Door de uitvoerende en de rechterlijke macht beschikken de regeringen in alle landen over soldaten en politie, over kanonnen, geweren en gevangenissen; middelen, die ten slotte alle macht en daarmede alle recht doen zetelen, niet aan de kant van de volksvertegenwoordiging, maar aan de kant van de hoge regering.
Afgezien echter van dit alles, beantwoordt nog het burgerparlement — in geheel zijn samenstelling, in de voorwaarden, onder welke de afgevaardigden zitting nemen (niet-verantwoordelijkheid aan hun kiezers), in de duur van de zittingsperiode, in de wijze van werken van de parlementen, aan alle eisen, die redelijkerwijze kunnen gesteld worden aan een lichaam, dat te allen tijde behoort omgekocht te kunnen worden door de kapitaalvorsten en door de vertegenwoordigers van de hoogste regeringsmacht.
Ware het mogelijk voor het proletariaat in onze moderne staten, de helft plus één van de zetels in de zogenaamde volksvertegenwoordiging te doen bezetten door revolutionairen en tevens deze revolutionairen revolutionair te houden, dan zou daarmede slechts het bewijs geleverd zijn, dat de tegenwoordige parlementen hebben opgehouden, een volmaakte afspiegeling te zijn van een door de bezittende klasse beheerste maatschappij, en dat ze in hun samenstelling verandering zouden behoren te ondergaan, om wederom aan de noodzakelijke vereisten van kleinburgerlijkheid en omkoopbaarheid te kunnen beantwoorden.[7]
Dan eerst, wanneer het van de bourgeoisie afdoende mocht gebleken zijn, dat zonder gewelddadige middelen de eventueel noodzakelijke verandering in de samenstelling van de parlementen niet is door te voeren, pas dan zou het voor de betreffende regeringen nodig geworden zijn, om met de bajonet de volksvergaderingen uiteen te jagen en de onwillige afgevaardigden te doen arresteren.[8]
Het is een eigenaardig bewijs van het overwicht van de economische macht in de maatschappij en van de ondergeschiktheid van de politieke macht, zowel als een zonderlinge speling van het lot, dat de parlementaire socialisten, welke vandaag de staatsmacht willen veroveren, telkens en telkens voor de noodzakelijkheid worden gesteld, een beroep te doen op de economische macht van de arbeiders, op de organisatie van het proletariaat buiten het parlement om.
In België en Oostenrijk is er voor de doorvoering van het algemeen kiesrecht zelfs op zeer lichtvaardige wijze gedreigd met een algemene werkstaking van de georganiseerde arbeiders, ook door personen, die gewoon waren, de werkstaking te verachten als wapen in de klassenstrijd, ervoor waarschuwende als voor een 'tweesnijdend zwaard', dat zo gemakkelijk degene wondt, die het hanteert.
Als de werkstaking voor hun parlementaire doeleinden moet worden gebruikt, wordt zij plotseling verheven tot het enige middel, waarop een beroep kan worden gedaan, wil men niet onmiddellijk de burgeroorlog decreteren.
Onmachtig, om enig wapen uit eigen tuighuis aan te brengen, om hun kiesrechthervormingen af te dwingen, zagen de parlementaire staatsmachtveroveraars zich bij voortduring gedwongen, bij de economische organisatie van de arbeiders aan te kloppen en daarmede de superioriteit, de onder de huidige omstandigheden enkel deugdelijkheid van de economische actie te erkennen.
Om al deze redenen zijn w ij niet te scherp in de uitdrukkingen, die wij kiezen, wanneer wij de poging om de staatsmacht te veroveren, door naar de meerderheid van de zetels in het burgerparlement te dingen, karakteriseren als een utopie en een misleiding des volks.
Het burgerparlement blijft de eigenaardige wetsmachinerie van de op het privaateigendom berustende burgerlijke maatschappij, slechts in deze maatschappij en voor de daarin heersende burgerklasse bruikbaar. Aan zijn arbeid kan de revolutionair, die juist de ondergang van de burgerlijke maatschappij beoogt, geen praktisch deelnemen.
Een communist, werkend aan de ondermijning van de kapitalistische maatschappij, aan de organisatie van de machten, die de heerschappij van de bezittende klassen zullen vernietigen, kan niet tevens zijn krachten wijden aan de instandhouding van de hedendaagse toestanden en hun verbetering en bevestiging op de grondslag van het privaateigendom ; hij kan niet zijn steun verlenen aan hervormingen, voor zover deze tot stand zouden komen door bemiddeling onzer hedendaagse klasseregering en voor zover ze die klasseregering zouden bevestigen en versterken in hare macht.
Voor hem staat het ten eerste vast, dat de ontwikkeling van de maatschappij ten slotte de meest welgemeende de verst strekkende hervormingen van dezen aard illusoir maakt en alle pogingen, om door de doorvoering van kleine hervormingen de hedendaagse maatschappelijke orde te redden, moet hij als utopisme, als een zaak van de onmogelijkheid, verwerpen.
Bovendien echter is hij als communist al in beginsel genoodzaakt, om alle verbeteringen, die op de grondslag van de oude maatschappij tijdelijk mogelijk zijn, of voor mogelijk gehouden worden, hetzij in het belang van de arbeidersklasse in het algemeen, hetzij in dat van een deel van het proletariaat en tot nadeel mogelijk van een ander gedeelte — over te laten aan de meest vooruitstrevenden onder de burgerpartijen, aan de kleinburgerlijke democraten.
Wie het oude wil ondermijnen, verbrokkelen en slopen, en tevens meent te kunnen medewerken — arbeidend met troffel en breekijzer tegelijkertijd — aan de restauratie en de instandhouding van wat hij ten ondergang ziet gedoemd; wie arbeiden wil voor de kapitalistische productie- en toe-eigeningswijze, voor de bestaande rechtsorde, en tevens voor de vernietiging van deze; — hij is in het beste geval een beginneling, een mens, die nog niet helder tot het bewustzijn is gekomen van wat de communistische princiepen in zich bevatten.
Hij kan echter ook een beunhaas, een broodjager zijn, voor wie de eigen afgevaardigdebelangen hoger gelden dan de belangen van de algemene mensheid.
Ook nu nog vindt men onder de socialisten — zelfs onder revolutionaire socialisten en communistische anarchisten — zeer vele personen, die zich van deze tweeslachtigheid van karakter nog niet voldoende hebben geëmancipeerd.
Hun grote voorganger vinden deze Communisten van dubbelslachtig karakter in de Duitse schrijver Karl Marx en in zijn werk: Das Kapital, geschreven in een tijd toen de hervormingen door een fabriekswetgeving in te voeren, nog enkele tientallen jaren nuttig en nodig konden wezen te midden van de oude maatschappij — nuttig, om duizenden arbeiders te vrijwaren voor algehele ondergang door het kapitalistische uitbuitingssysteem, dat in de jaren 1860-1870 nog niet internationaal kon worden overwonnen.[9][10]
Nog slechts kort ligt de tijd achter ons, dat geen enkele goed georganiseerde proletariërsbeweging in Europa, Noord-Amerika en Australië, zich van deze tweeslachtigheid geheel had losgemaakt.
Oók zijn wij nu slechts in het begin van de vorming van een streng revolutionaire, communistische beweging.
De sociaaldemocratische partijen in Midden-Europa, staande onder invloed van de Duitse sociaaldemocratie, dragen nog op dit tijdstip geheel dit tweeslachtig karakter en weifelen tussen het aanbrengen van kleine verbeteringen op de grondslag van de oude kapitalistische maatschappij en het arbeiden aan de ondermijning dier maatschappij bij de voorbereiding van een beter georganiseerde, communistische gemeenschap. Zij verzuimen, zich voldoende rekenschap te geven van het feit, dat de onmogelijkheid om op de grondslag van het privaateigendom duurzaam het lot van de loonarbeiders te verbeteren, juist het uitgangspunt is van hun eigene theorie.
Voor de bewuste denker op sociologisch gebied is deze voorbijgaande fase van tweeslachtigheid in karakter en van onvolkomen zelfbewustzijn bij personen en partijen een geheel natuurlijk verschijnsel, een uitvloeisel van de traagheid van ontwikkeling, die het opkomen van overgangsvormen, ook in het maatschappelijk leven van de mensen, ten gevolge heeft.
De bewuste communist verwondert zich evenmin over dit verschijnsel in het algemeen, als over het feit in het bijzonder, dat die tweeslachtigheid onder de socialistische arbeidersbevolking van Midden-Europa zoveel groter is, dan in de meer democratische staten van West-Europa en van de Nieuwe Wereld.
Midden-Europa, en zelfs ten dele Rusland, heeft — in het bijzonder in de laatste halve eeuw — hetzelfde ontwikkelingsproces doorgemaakt in industrie, handel en verkeer als de West-Europese Staten, Noord-Amerika en Australië. Op de wereldmarkt verschijnen deze staten als concurrenten naast Engeland, de Ver. Staten, Australië en Frankrijk.
Maar zelfs de meest ontwikkelde van de Midden-Europese Staten, Duitsland, blijft in politieke ontwikkeling bij de westelijke, meer democratische landen ten achter en staat nog met de een voet in het tijdvak van de jonker- en papenheerschappij.
Dat bewerkt in Midden-Europa en ook hier en daar in Oost-Europa, een tegenstelling tussen de economische ontwikkeling en de politieke gesteldheid van de verschillende landen en werkt onder de onderdrukte klasse, het proletariaat, het streven in de hand in de eerste plaats naar de verkrijging van politieke rechten, het streven, gelijk het hyperbolisch wordt uitgedrukt, naar de “verovering van de staatsmacht”.
Uit deze oorzaken is het verklaarbaar, dat de parlementaire sociaaldemocratie in de Midden-Europese landen, hare hoofdmacht heeft.
De bovengenoemde tegenstrijdigheid van karakter openbaart zich in de programma’s van de socialistische arbeiderspartijen in verschillende landen.
De programma’s van het merendeel van de socialistische partijen van de wereld bestonden tot voor weinige jaren en bestaan in vele landen nog uit twee helften, waarvan de eerste bevat de omschrijving van de ontwikkeling van de kapitalistische maatschappij, van de onvermijdelijke ondergang dezer maatschappij en van haren noodzakelijke overgang in een communistische gemeenschap.
Het tweede gedeelte bevat verschillende eisen, aan de tegenwoordige maatschappij gesteld: verbeteringen, die verlangd worden in de verhouding tussen ondernemer en loonarbeider (arbeidswetgeving, die landbouw, handel, industrie zal stellen onder toezicht van de bourgeoisregeringen), niet zelden ook maatregelen tot bescherming van de kleine boer en van zijn particulier grondeigendom, welke laatste maatregelen ook wel in een afzonderlijk landbouwprogram worden opgenomen — en ten slotte kleine hervormingen op staatkundig gebied (afschaffing van Senaat, Hoogerhuis, Eerste Kamer, de verkrijging van algemeen gelijk kies- en stemrecht enz.).
Slechts enkelen dezer eisen zijn ook voor de organisatie van een toekomstige communistische maatschappij van belang. Zó de gelijkstelling van man en vrouw, kosteloos onderwijs, enz.
Er komt echter een tijdstip — en in de moderne landen met de meest ontwikkelde arbeidersbevolking is het al aangebroken — dat het ijveren voor verschillende punten, opgenomen in de tweede helft dezer sociaaldemocratische programma's, onverenigbaar en strijdig wordt met het ijveren voor de verwezenlijking van de communistische princiepen.
Het ogenblik is gekomen, dat wij, zowel in de meest ontwikkelde landen van West-Europa als in Amerika en Australië, onze verparlementariseerde ook-communisten, onze hervormende revolutionairen moeten toeroepen:
Kiest partij, kameraden!
Gij kunt geen twee heren dienen. Gij kunt niet dienen èn de oude maatschappij èn de nieuwe!
Zien zodoende de revolutionaire communisten in het tobben van vele sociaaldemocraten, om te worden tot een regeringspartij een utopie, een verlangen naar een macht, die niet anders kan worden dan een schijnmacht — ze zien er tevens in een frontwending in de arbeidersbeweging, een onmiskenbaar streven, om op de voorgrond te plaatsen en tot doel van de emancipatiestrijd van het proletariaat te maken, de invoering van hervormingen, die in vroeger jaren in de socialistische arbeidersbeweging algemeen golden, enkel middelen ter agitatie en organisatie te zijn.
Ze zien deze naar de staatsmacht hunkerende socialisten, ondanks de lieden hun naam als socialist trachten te behouden, ten einde niet hun krediet te verliezen bij het socialistisch gezinde proletariaat, zich al meer en meer ontpoppen als kleinburgerlijke sociaal-politici, als regeringssocialisten.
Met het verlangen naar de verovering van de staatsmacht binnen de burgerlijke maatschappij gaat steeds duidelijker gepaard een streven, om aan de wetgeving in de huidige bourgeoisstaat — bij wie bescherming wordt gezocht tegen de exploitatiezucht van de privaatkapitalisten — voortdurend meer macht te geven over de voorwaarden van de arbeid van de werklieden; een streven, om de regeringsambtenaren te halen als opzichters binnen onze fabrieken en werkplaatsen en hen toezicht te doen Uitoefenen op de arbeid in landbouw, handel en industrie. Niet aan de producenten zelf, maar aan de vertegenwoordigers van de producenten trachten deze socialisten al meer de regeling van de arbeid in handen te geven, daarbij zorgdragende, zich zelf als de meest geschikte vertegenwoordigers van de klasse van producenten aan te wijzen.
Zo ontwikkelen zich de parlementaire socialisten tot etatisten. Ze vereenzelvigen de bourgeoisstaat met de gemeenschap en spelen steeds vrijer en meer onbewimpeld als socialisme uit de monopolisering door de staat van de een tak van handel en industrie na de anderen (straks waarschijnlijk gevolgd door de monopolisering van de landbouw); ze doen dit overal, waar deze monopolisering maar voorgesteld kan worden als te geschieden ter bescherming van de arbeidersklasse.
Voor deze socialisten blijkt ten slotte het gehele verschil tussen staatssocialisme en communisme te bestaan in de vraag, of de monopolisering van de voortbrengingsmiddelen wordt voorgesteld in het burgerparlement door de regering, dan wel door socialistische afgevaardigden.
De meest consequente onder die zich noemende sociaaldemocraten of parlementaire socialisten verwaarlozen, gelijk in Duitsland openlijk geschiedt, de vakbeweging; ze haten de werkstakingen, het “tweesnijdend zwaard”. Juist de economische strijd, die het georganiseerd proletariaat in staat moet stellen, om al strijdende te leren, ook tegen alle wetgeving in zijn revolutionaire bedoelingen te verwezenlijken; de strijd in de fabrieken en werkplaatsen, in de bureaus; de strijd tegen de staat door de weigering van belastingbetaling; die tegen de grondeigenaars door samenspanning bij de verpachtingen van landerijen — deze strijd, die ze alleen willen dulden, als hij tot parlementaire doeleinden dienstig kan zijn, zij werken hem tegen met een eeuwigdurende verwijzing naar de wetgeving, die alles wel ten beste zal regelen, de almachtige, heilige wetgeving, per quam omnia facta sunt.[11]
Tegen dit streven van de zich noemende sociaaldemocraten of parlementaire socialisten en de noodlottige gevolgen, die uit hun streven met natuurlijke noodzaak voortvloeien, behoren de arbeiders aller landen gewaarschuwd te worden.
Dit te doen is de taak van de revolutionaire socialisten en communistische anarchisten!
Als revolutionaire communisten toch zijn wij vooral daarom anti-parlementaristen, wijl wij zijn anti-etatisten.
De revolutionaire communisten wensen niet alleen de staat geen meerdere macht in handen te geven, maar ze willen hem ook de macht, welke hij hoeft, steeds meer ontrukken.
Reeds in deze kapitalistische maatschappij oefent de staat — d.w.z. oefent de regering in de verschillende lichamen, waarin zij optreedt — een noodlottige macht uit in het leven van de burgers, doordien zij beslist over het wel en wee van duizenden en duizenden ambtenaren, van werklieden in rijks- en gemeentedienst in elk land.
De regering is niet de dienaresse van de gemeenschap, uitvoerende de wil van deze, het is de meesteresse, die hare eigene bevelen uitvaardigt, die het leven van de burgers reglementeert en die de burgers tiranniseert.
Nu al doet de regering niet alleen dienst als tussenpersoon tussen verschillende groepen van burgers, vertegenwoordigende op die wijze in de gemeenschap zulke functies, gelijk ze in elke maatschappij noodzakelijkerwijze voorkomen (de bourgeoisregering verloochende hierbij nimmer haar klassekarakter en vond ook hier gelegenheid, om klassengenoten te begunstigen), maar tevens oefent de regering zulke controle uit, als alleen in de tegenwoordige bourgeoisstaat noodzakelijk is, een controle welke voortspruit uit de strijd van belangen tussen de producenten en de monopolisten van de voortbrengings- en verbruiksartikelen.
Zelfs indien de regeringen zich geneigd tonen, om door middel van de wetgeving, dringende sociale verbeteringen door te voeren, dan behoren toch nog de georganiseerde arbeiders op de hoede te zijn.
Indien toch de bourgeoisregeringen tot de doorvoering van zulke kleine hervormingen overgaan, teneinde de uitwerking van het kapitalistisch exploitatiesysteem te verzachten en hier en daar de slachtoffers van het kapitalisme voor algehele ondergang te vrijwaren, dan nog kunnen en willen ze dit alleen doen onder voorbehoud, dat deze kleine, noodzakelijke verbeteringen tot stand komen onder haar toezicht.
Dan zal de arbeiderswetgeving, tot bescherming van de werklieden doorgevoerd, de regeringsambtenaren, de functionarissen van de heersende klassen tot nieuwe macht brengen en hare arbeidsinspecteurs zullen toezicht komen uitoefenen over de arbeid in landbouw, handel en industrie.
De eetlust komt al etende; het uitoefenen van een steeds groter invloed over de voorwaarden van de arbeid kan onzen modernen regeringen niet onwelgevallig zijn en haar ideaal moet het wezen, om in naam van de maatschappelijke orde de levensomstandigheden aller burgers direct te kunnen beheersen en ten slotte productie en distributie van de goederen geheel te brengen onder staatscontrole.
Het zou aan de hoofdaandeelhouders in verschillende Amerikaanse spoorwegen, aan vele mijneigenaars en katoenfabrikanten in Engeland, aan zovele groot-industriëlen en handelaars, die voortdurend in conflict leven met hun georganiseerde loonarbeiders en die in de concurrentiestrijd hun onvermijdelijke ondergang voor ogen zien, zeker hoogst aangenaam zijn, wanneer ze hun gestolen rijkdommen konden stellen onder de bescherming van de staat; wanneer ze in plaats van onteigend, konden uitgekocht worden, om dan — hetzij zijzelf of hun creaturen — als praktische leiders van hun voormalige privaatondernemingen tegen hoge staatsbezoldiging en vooruitzicht op pensioen, hun bevoorrechte positie te kunnen blijven handhaven.
Van kapitalisten toch zouden zij dus zijn geworden tot overheidspersonen; van gehate uitbuiters van de arbeidskracht van hun medemensen tot geachte regeringscommissarissen, tegen wie als leiders van de productie in de staatswerkplaatsen elke weerstand onmogelijk zou zijn geworden; lieden, die van de ondergeschiktheid van hun onderdanen beter zouden verzekerd zijn onder het nieuwe stelsel van staatsexploitatie, dan ze het ooit waren onder het oude systeem van privaatexploitatie, door hen als kapitalisten gedreven.
Men kan zich dit verwerpelijke stelsel van staatssocialisme ontwikkeld denken tot een punt, waarbij zelfs de hedendaagse maatschappij voor een groot aantal arbeiders in industrie, landbouw en handel een palladium van de vrijheid zou moeten heten. Voor de ernst van dit dreigende gevaar hebben wij er geen rekening mede te houden — gelijk dwaselijk ondersteld werd in de resolutie over het staatssocialisme, aangenomen op de partijdag van de Duitse sociaaldemocratie te Berlijn (1892) — of onze moderne regeringen zouden willen overgaan tot de monopolisering van enige tak van handel, landbouw of industrie tot fiscale doeleinden, dan wel tot enig ander doel.
Monopolisering door de staat blijft monopolisering door de staat, onverschillig of ze plaats heeft in het belang van de fiscus, dan wel zogenaamd tot bescherming van de arbeidende klasse; evenals vergiftiging door chloroform blijft vergiftiging door chloroform, onverschillig of ze geschiedt door de verwanten van een stervende met het oog op de te erven nalatenschap, dan wel met het welgemeende doel, om de zieke een rustige nacht te bezorgen.
Evenmin kan men op de wijze, als door de genoemde resolutie van het Berlijnse congres is geschied, van het gevaar, dat staatsinmenging aanbiedt, zich afmaken door de bewering, dat immers het staatssocialisme van onze moderne regeringen is een systeem van halfheden, hetwelk zijn ontstaan dankt “aan vrees voor de sociaaldemocratie”, dat het bestaat in kleine concessies en allerlei palliatiefmiddelen, maatregelen, die gelden kunnen als kleine afbetalingen aan het proletariaat.
Wat beslissend is, dat is deze vraag: of de arbeiders door steun te zoeken bij de regeringen, die zulke hervormingen doorvoeren, in plaats van bij eigen organisatie, niet zelf bezig zijn, het staatssocialisme binnen te halen.
Een systeem van halfheden toch zou in dat geval minder gevaarlijk zijn, dan een systeem van heelheden.
Het proletariaat wachtte er zich voor, om door een arbeidswetgeving, steeds meer omvattend en dieper ingrijpend, zich te binden aan de regeringsbeambten, aan de magistraten, zij het ook aan eigen afgevaardigden. Het heeft te eisen de controle van de georganiseerde arbeiders over eigen arbeid, het heeft zich te ontwikkelen in de richting van de autonomie en voor te bereiden een wijze van productie en distributie van de goederen onder de leiding van de onmiddellijke producenten, de arbeiders zelf.
Bezitten de producenten niet de nodige geschiktheid, om de voortbrenging en verdeling van de goederen met hun organisaties te beheersen, dan zullen de tegenwoordige regerende klassen — geholpen door de meest ontwikkelde elementen uit de arbeidersbeweging, wellicht door de vertegenwoordigers van de arbeiders zelf in de parlementen — ook in de toekomst hare bevoorrechte stelling behouden en zal de onderworpenheid, de slavernij, waarin het proletariaat terneder ligt, alleen wijziging ondergaan in naam of in vorm.
In ernstige tijden, in perioden van overgang van de een productie- en toe-eigeningswijze in de andere, is de gewoonte of ongewoonte van de arbeiders om eigen zaken te behartigen, het steunen op eigen kracht, dan wel op de intelligentie en de waakzaamheid van de regeringsambtenaren, resp. van eigen vertegenwoordigers, van beslissende invloed op de toekomstige structuur van de maatschappij.
Het is een van de economische factoren, die over het sociale en politieke leven van de volken, in laatste instantie beslissen.
De reglementering van de loonarbeid door de moderne regeringen behoudt haar staatssocialistisch karakter ook dan, wanneer zij door de werklieden zelf wordt gevraagd en tot stand komt onder de invloed van zich noemende socialisten en onder de auspiciën van het algemeen kiesrecht.
Dat hebben de revolutionaire communisten de arbeiders voor ogen te houden.
Aan de andere zijde gevoelen de revolutionaire socialisten en communistische anarchisten zich in gelijke mate verplicht front te maken tegen het streven van de individueels anarchisten, overal waar dit zich openbaart, als vijandig aan elke organisatie en waar hun streven in de klassenstrijd van het onderdrukte proletariaat tegen zijn over heersers, verlammend werkt op het weerstandsvermogen en de strijdvaardigheid van de verenigde arbeiders.
Tegenover de voorstelling verder van de etatisten, dat het graan-, tabaks-, zout- enz. monopolie een socialistische kern in zich bevat[12]; —
Dat telegraaf, telefoon, gas- en waterleidingen, trambaan, spoorwegen, verzekeringswezen enz. socialistische instellingen zouden zijn, zodra ze zich slechts niet bevinden in handen van privaatondernemers of van maatschappijen van aandeelhouders, maar in die van rijk of gemeente, d.w.z. van de hedendaagse klassenstaat; —
Tegenover de mening, een tiental jaren geleden nog algemeen van parlementair-socialistische zijde verkondigd, dat het postwezen in onze moderne staten een beeld geeft van de regeling van een communistische samenleving; —
Tegen deze uitingen van het democratische staatssocialisme, dat zich zo graag als zuiver communisme wil uitspelen, kunnen de revolutionaire communisten niet achterwege blijven, de primaire eisen van het libertaire socialisme op te stellen.
De revolutionaire communisten zijn overtuigd, dat de wijze waarop in elke maatschappij de productie en distributie van de goederen zich voltrekt, direct samenhangt met het eigendom zelf over de productieve machten en dat ze zich wijzigt met een verandering in de eigendomsverhoudingen. Zij weten, dat ook het sociale, politieke en zedelijke leven van de mensen in de communistische gemeenschap zich niet kan laten klemzetten binnen het stelsel, momenteel door enig denker ontworpen, maar dat het zich richt naar het ontwikkelingsproces, dat de bevolking zelf onze moderne staten in de klassenstrijd doorleeft.
Niettemin achten zij toch het ontwerpen van een schets van de vrije communistische samenleving een noodzakelijkheid, voor zover deze in algemene trekken heden ten dage te geven is. Zij achten zich daartoe verplicht, èn ter overtuiging van hun medeburgers, èn tot het uit de weg ruimen van veel misverstand en misleiding des volks.
Zien wij goed onder ogen, waarin de monopolisering van inrichtingen van industrie, handel, verkeer enz. in handen van de huidige bourgeoisstaat (van rijk, provincie, gemeente) verschilt van de socialisering van de productie- en consumptiemiddelen, gelijk ze door de communisten wordt opgevat.
Wanneer de bourgeoisregering, in de plaats van privaatondernemers, optreedt als werkgever in enige tak van industrie, landbouw, handel, verkeer, dan heeft de staat hiermede slechts zijn macht over de levensvoorwaarden van een deel van zijn burgers versterkt.
De arbeiders zelf, in staatsdienst werkzaam, zijn echter daarbij gebleven in dezelfde toestand van afhankelijkheid van voorheen. Zij waren loonslaven in dienst van de privaatondernemers; zij worden loonslaven in staatsdienst.
Het postwezen, het lucifers- en tabaksmonopolie, het toezicht op de spoorwegen, gelijk wij het in verschillende onzer moderne landen in handen van de staat vinden, zijn evenmin communistische instellingen, als de klassenstaat onzer dagen een vrije communistische organisatie is.
Niet, omdat de postbeambten, de arbeiders en arbeidsters in de lucifers- en tabaksfabrieken, de spoorwegbeambten in de betreffende landen veelal nog slechter bezoldigd worden dan de arbeiders in dienst van privaat-ondernemers! Ware dit het kenmerkende onderscheid, dan zou een behoorlijke loonsverhoging kunnen volstaan, om aan deze inrichtingen een communistisch karakter te geven.
Niet ook, omdat post-, lucifers- en tabaksmonopolie, staatsspoorwegen enz. jaar op jaar in de betreffende landen grote winsten afwerpen, die door de regeringen onzer moderne militair- en politiestaten worden aangewend, om de klassenheerschappij van de bezitters te handhaven. Dit laatste toch betreft slechts de wijze, waarop de winsten, door de staat als ondernemer gemaakt, worden besteed; het betreft niet het karakter van de staatsexploitatie zelve.
Wat de post, het lucifers- en tabaksmonopolie en de staatsspoorwegen tot staatssocialistische instellingen stempelt, dat is het hiërarchische karakter, dat de organisatie van het werk draagt, wanneer deze in staatsdienst of onder staatscontrole plaats heeft.
Wat beslissend is bij deze instellingen, evenals bij de exploitatie van gasfabrieken, waterleidingen, enz. van gemeentewegen, dat is deze allesbeheersende vraag:
Wie zal de voorwaarden van de arbeid beheersen?
Zullen de regeringen van rijk, provincie of gemeente in al deze soort inrichtingen: respectievelijk bij het vervoer van brieven, reizigers en handelswaren, bij de levering van drinkwater, bij de fabricatie en handel van lucifers, enz. benoemen de ambtenaren (directeurs en ingenieurs) in de betreffende inrichtingen, en zullen de werklieden aan deze inrichting niet anders zijn dan werktuigen in handen van hun superieuren, op wier aanstelling en afzetting zij geen invloed uitoefenen?
Of zullen de arbeidersorganisaties in al deze inrichtingen zelf de arbeid beheersen? Zullen zij in overeenstemming met het algemeen belang, met de wil van hun medeburgers in wier behoeften zij voorzien, regelen de arbeidstijd en alle voorwaarden onder welke de arbeid plaats heeft? Zullen zij in hun respectieve fabrieken en werkplaatsen hun eigen opzichters, ingenieurs en directeurs aanstellen, wiens aanwijzingen zij daarbij vrijwillig volgen en die niet langer gehoorzaamheid vinden, maar door anderen vervangen worden, wanneer zij, als gekozenen ter regeling van het werk, niet bruikbaar blijken te zijn?
Wat de revolutionaire communisten als basiseisen van het libertaire socialisme trachten door te voeren, dat is geen arbeidsregeling, die bestaat in een normalen arbeidsdag met minimumloon, in verzekering tegen ongelukken en invaliditeit en dergelijke hervormingen meer, één en ander te regelen door de wet, en zich voltrekkend onder het toezicht van regeringsambtenaren.
Het is in tegenstelling met deze aan het gildenstelsel van de middeleeuwen herinnerde arbeidsregeling, een andere, onmiddellijk uitgaande van de georganiseerde arbeiders zelf en niet van de regeringscolleges, die door de revolutionaire communisten wordt beoogd.
De arbeid behoort te worden geregeld en ten uitvoer gebracht in alle takken van bedrijf door de respectieve arbeidersorganisaties in de verschillende gemeenten of gewesten. Deze hebben die regeling te volvoeren, evenals de tegenwoordige privaatondernemers, in overeenstemming met de wensen van de consumenten, van de leden van de gemeenschap, in wier behoeften zij voorzien; dat wil zeggen zij hebben te werken onder controle van de publieke opinie.
De communisten gevoelen, dat ook bij het meest consequent doorgevoerde stelsel van zelfbestuur van de arbeiders binnen de kring van hun eigene fabrieken en werkplaatsen de verbruikers van het gas of het drinkwater, evenzeer een woord hebben mee te spreken over de deugdelijkheid dezer verbruiksartikelen, als de arbeiders in de gasfabriek en aan de waterleidingen zelf; dat de gezamenlijke burgers als zijnde de verzenders van de brieven, de reizigers, de personen, die zelf onderwijs ontvangen of in het onderwijs van anderen (hun kinderen en pupillen) belang stellen, evenzeer invloed moeten kunnen uitoefenen op de regeling van post- en spoorwegwezen, van het onderwijs, als de arbeiders, die in de betreffende behoeften van de gemeenschap voorzien.
Geschillen, gelijk ze in elke tak van bedrijf kunnen voorkomen tussen de consumenten, de gemeenschap, enerzijds en de verenigde producenten in het betreffende bedrijf aan de andere kant, kunnen door de combinatie van alle arbeidersorganisaties in de gemeente, resp. in het gewest, of het land, worden uit de weg geruimd.
Wat de revolutionaire communisten beogen, dat is een Samenleving, waarin op het platteland de boeren en de boerenarbeiders — dan allen zonder meer geworden tot landbouwers — in volksvergadering zullen beraadslagen, hoe zij het gemeenschappelijk eigendom, de gronden van de gemeente, zullen bebouwen, om de hoogste productiviteit te verkrijgen van hun arbeid en om de gemeentelijke voorraadschuren, of de gewestelijke magazijnen van levensmiddelen te voorzien en het contingent voort te brengen, dat de gemeente in het naturaal-huishouden van de gemeenschap tot dekking van de algemene behoeften heeft bij te dragen.
Wat de communistische maatschappij van de kapitalistische onderscheidt, dat is, als de noodzakelijke consequentie van de overgang van de kapitalistische productie in een communistische, tevens de algehele opheffing van de warenproductie en van het moderne, handelsstelsel, en de vervanging van dezen door een productie vanwege de gemeenschap en tot eigen gebruik van deze.
De communistische maatschappij heeft gebroken met de productie van handelswaren. De georganiseerde producenten brengen niet meer waren voort, bestemd voor de verkoop aan de afzonderlijke leden of groepen van leden van de maatschappij; zij produceren gebruikswaarden, die al naar gelang de bijzondere behoeften van de afzonderlijke leden van de maatschappij of de behoeften van de gemeenschap, rechtstreeks in de handen van de consumenten overgaan, zonder eerst de salto mortale in geld te maken.
Op politiek gebied staat het libertaire socialisme voor: het zelfbestuur door het volk, op federalistische grondslag.
Binnen de communistische maatschappij wordt reeds uit de aard van de zaak, het zwaartepunt van het maatschappelijke leven naar de regeling van productie en consumptie overgebracht. Het ligt niet langer in de handhaving van de klasse- en nationaliteitsverschillen, de levenskwestie van de oude kapitalistische maatschappij. De communistische maatschappij heeft vanzelf terzijde gesteld het parlement, de machine voor de politieke klasseheerschappij van de bezitters.
De congressen van vertegenwoordigers van de lokale, gewestelijke, of landelijke organisaties van de producenten, de internationale congressen van de vertegenwoordigers van de verschillende nationaliteiten, beraadslagen over de regeling van de arbeid, resp. over de mogelijkheid om lokale, nationale of internationale geschillen uit de weg te ruimen.
De vertegenwoordigers van de resp. organisaties op deze congressen zullen daarbij niet langer gelijk de afgevaardigden in de bourgeoisparlementen, naar welgevallen kunnen discuteren en besluiten over welke zaken ze zelf verkiezen, om vervolgens eigen voorschriften, als bindende wetten, op te leggen aan degenen, die zij vertegenwoordigen. Ze zullen zijn gezondenen, overbrengende de mening, de belangen, de wil van de organisaties, als wier vertegenwoordigers zij optreden.
Op federalistisch standpunt staande, bestrijden de voorstanders van het libertaire socialisme daarbij tevens de heerschappij van de nationale en internationale congressen over de lokale arbeidersorganisaties, over de verenigingen van producenten in de afzonderlijke fabrieken en werkplaatsen.
De nationale en internationale congressen zijn in een communistische samenleving vrije, spontane groeperingen van organisaties, die bijeenkomen om van mening te wisselen, om te beraadslagen. De organisaties zelf behoren echter binnen eigen kring zolang autonoom te zijn en volkomen vrij in hare bewegingen, als ze niet op de vrijheid van andere organisaties inbreuk maken.
Dezelfde vrijheid moeten binnen de verschillende groepen van producenten in de fabrieken en werkplaatsen en in de landbouw, de leden hebben als individuen.
De hoogst mogelijke vrijheid van beweging zal ten slotte binnen elke organisatie moeten zijn gewaarborgd aan de minderheid, die zich met de inzichten van de meerderheid niet kan verenigen. De minderheid moet het onbeperkte en onvervreemdbare recht hebben, zich naar welgevallen uit een organisatie terug te trekken, resp. een nieuwe organisatie te gronden. De minderheid behoudt dit recht, zolang ze niet op de vrijheid van beweging van de meerderheid, of op die van andere organisaties inbreuk maakt, zolang ze niet het algemene belang schendt.
Wat de revolutionaire communisten sterk maakt in de strijd, wat hen de vrees doet storten in de harten van de overheersers, wat hen de sympathie doet winnen van de onderdrukten, de liefde van de armen, dat is slechts een onverzettelijk vasthouden aan hun revolutionair beginsel: de omkering vóór alles van de grondslagen van de oude kapitalistische maatschappij.
Van het ogenblik af, dat zij van omverwerpers worden tot parlementaire hervormers, verliezen zij niet slechts het vertrouwen van de zelfbewuste proletariërs, maar ook het ontzag, de vrees, die ze inboezemen aan de heersende klassen.
De revolutionaire communisten vragen niet naar het onmiddellijke succes, dat hun propaganda in woord en daad heeft te midden van de aan loonslavernij gewende en in een misdadige omgeving gecorrumpeerde bevolking. Niet de onmiddellijk verkregen resultaten achten zij beslissend voor de deugdzaamheid van hun arbeid, maar enkel de richting, die ze geven aan de ontwikkeling van het menselijk geslacht.
De communisten, die niet hun onmiddellijk, stoffelijk eigenbelang voor ogen houden bij hun werken, die niet verlangen materiële beloning in de vorm van een directeurs- of administrateursbetrekking in een coöperatieve winkelzaak, of in de vorm van bekendheid als kamerafgevaardigde zullen — telkens als zij weifelen, welke stelling zij hebben in te nemen in de klassenstrijd tegenover andere groepen en partijen, welke houding tegenover nieuwe zich vormende bewegingen op maatschappelijk gebied — zichzelf gestreng deze vragen moeten stellen:
Kunnen wij door ons optreden bevorderen de overgang aller levens ver eisten van de mensheid uit de handen van privaateigenaars in die van de gemeenschap, basis als dit blijft van elke verbetering in de levenstoestand van de mensen en van alle vrijheid?
Of kunnen wij, zoal niet direct het communisme bevorderend, wakker schudden de lome geest van de meest achterlijke elementen in de arbeidersklasse; kunnen wij opwekken onder de proletariërs het revolutionair gevoel van verzet tegen de onderdrukking van de heersende klassen; kunnen wij bij de grote massa van de mensen de eerbied voor het eigendomsrecht van de privaateigenaars afstompen, aanwakkeren het gevoel van zelfstandigheid en mensenwaarde onder de arbeidende bevolking; kunnen wij onze medeburgers voorbereiden tot een hoger communistisch leven?
Slechts door deze beginselen bezield, vast besloten, om links noch rechts af te wijken van hun weg, is het de revolutionairen communisten mogelijk, hun houding vast te stellen in de moeilijkste tijdperken van de emancipatiestrijd van de arbeidende klassen, hun stelling te bepalen tegenover de verschillende partijen en groepen, die op de internationale kampplaats reeds met elkander in het treffen zijn, of die nog in de toekomst op het kampveld zullen verschijnen.
Tegenover de kleine boeren, die nog — al of niet met schulden bezwaard — in het privaatbezit van hun stukje grond en hun arbeidsinstrumenten zich bevinden, verhouden zich de revolutionaire socialisten en communistische anarchisten als tegenover vertegenwoordigers van een ten ondergang gedoemde en gedeeltelijk reeds overwonnen productiewijze, die in meer of minder taaie vormen en in het een land krachtiger dan in het andere, is blijven voortleven.
De kleine landeigenaars zijn met hun aangeboren conservatieve neigingen een hindernis voor de overgang van grond en arbeidsmiddelen in gemeenschappelijk eigendom.
Als revolutionaire communisten hebben wij er niet slechts geen belang bij, dat hun onhoudbaar bestaan word gerekt, maar zijn wij direct geïnteresseerd bij hun onmiddellijke ondergang als kleine grondeigenaren.
Terwijl wij dus als communisten staan tegenover de adellijke landeigenaren — vertegenwoordigers van het feodale grondbezit — en tegenover de grote- en middelboeren, kunnen wij met de kleine, eigenerfde boeren en pachters slechts samengaan, voor zover dezen inzien, dat hun bestaan slechts duurzaam verzekerd kan worden door de overgang van grond en arbeidsmiddelen in het eigendom van de gemeenschap, dat wil zeggen bij de algehele vernietiging ook van hun klein en voor een groot deel slechts in schijn bestaande grondeigendom.
In zoverre zij er echter naar trachten, door beschermende wetten teruggebracht te worden in hun vroegere positie van zelfwerkzame, welvarende tussenklasse, in de positie van gezeten kleinen boerenstand, zijn zij voor ons reactionair en vinden zij ons tegenover zich.
Onze taak is het, de overgang van de productiemiddelen te bevorderen — hier van de grond — in het gemeenschappelijk bezit van alle producenten; niet echter om de schuldenlast van de pachter, of de belastingdruk van de kleine, zelf werkende boer te verlichten.
De revolutionaire socialisten en communistische anarchisten zijn principieel tegenstanders van maatregelen ter bescherming van de kleine boeren en pachters, gelijk ze op het congres van Marseille (1892) door de “Parti Ouvrier”[13] in Frankrijk werden aangenomen en gelijk ze later werden uitgewerkt door het congres van Nantes (1894) diezelfde groep van socialisten.
Bedoeld zijn eisen als de volgende:
Landbouw-pensioenfonds voor invaliden en grijsaards, gevormd door een speciale belasting op de inkomsten van het grootgrondbezit;
Aankoop door de gemeente, met ondersteuning door de staat, van landbouwmachines, of huur van deze machines, die kosteloos ter beschikking van de kleine landbouwers worden gesteld;
• Oprichting van verenigingen van landarbeiders voor de aankoop van meststoffen, drainering, zaaizaad, planten enz. en voor de verkoop van de producten;
• Opheffing van de overgangsrechten voor eigendommen beneden 5000 franc;
• Vermindering van pacht- en huurcontracten door commissies van arbitrage zoals in Ierland en schadeloosstelling aan de pachters en huurboeren bij hun vertrek voor de meerdere waarde aan het eigendom gegeven.
• Herziening van het kadaster en in afwachting van de algemene uitvoering van dezen maatregel, een herziening van de grondstukken door de gemeenten.
Zulke maatregelen zijn in het gunstigste geval kleine verbeteringen, te verwezenlijken op de grondslag van de burgerlijke maatschappij, dienende tot schraging dier maatschappij, en welke als zodanig tehuis behoren, niet op het programma van communisten, maar op dat van kleinburgerlijke radicalen.
Voor een deel echter — gelijk de eis van kadasterherziening en van opheffing van de overgangsrechten voor kleine eigendommen — zijn zulke maatregelen conservatief en zelfs reactionair.
Ze beogen dan de handhaving, de betere codificatie van het kleine grondeigendom, waar dit wordt bedreigd in zijn voortbestaan door de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze.
In het algemeen genomen zijn dergelijke maatregelen ter bescherming van de kleine boeren en pachters in hun toestand van kleine grondeigenaars of schijneigenaars, maatregelen, welke de kapitalistische orde van de maatschappij tot grondslag hebben en ze bevestigen, of welke althans tot bestemming hebben, ze te bevestigen.
Als zodanig zijn zulke maatregelen niet alleen reactionair in hun werking maar — wijl ’t rad van de maatschappelijke ontwikkeling ook door zich noemende socialisten niet kan worden teruggedraaid — dragen ze bovendien een utopistisch karakter.
De motivering van dergelijke verbeteringen, gelijk ze is gegeven door de zich noemende socialisten van de “Parti Ouvrier” op het congres te Nantes — 1894 —is deze, dat, zo al op industrieel gebied de productiemiddelen reeds zulk een trap van centralisatie onder het kapitalisme hebben bereikt, dat ze slechts onder de collectieve of sociale vorm aan de producenten kunnen worden teruggegeven, dit nu (de Parti Ouvrier sprak in het bijzonder over Frankrijk) nog niet het geval is op landbouwgebied.
De revolutionaire communisten achten een dergelijke motivering voor gelijkstaande met de verklaring, dat aangezien men de hoop heeft opgegeven, om binnen afzienbare tijd het communistisch princiep van gemeenschappelijk grondeigendom algemeen door te voeren, men voorlopig zal beginnen met de bevordering van aan de communistische beginselen vijandige maatregelen.
Voor de revolutionaire communisten is zulk een motivering een verloochening van eenmaal aangenomen beginselen.[14]
Wij, revolutionaire communisten, betreuren het, dat in het bijzonder het streven om stemmen te winnen, ook ten platten lande, voor socialistische parlementsafgevaardigden, deze verloochening van de communistische beginselen heeft in de hand gewerkt en doet voortwoekeren in verschillende moderne landen met een sterke organisatie van het proletariaat: Frankrijk, Duitsland (in ’t bijzonder Zuid- Duitsland), België, Denemarken, enz. Het is wederom het gevaar, hetwelk het streven naar een schijnmacht met zich brengt, het grote gevaar, dat blijft dreigen voor het Internationale socialisme.
Deze verloochening van de communistische princiepen moet openlijk worden gesignaleerd; de kleinburgerlijke fraseologen, die zich als socialisten uitspelen en ons vervelen met hunne “verovering van de staatsmacht” in het burgerparlement, behoren ertoe gebracht te worden, althans hun naam als communisten op te geven.
Hier behoort een duidelijke grens te worden getrokken tussen deze verparlementariseerde, peuterende hervormers aan de een en de revolutionaire communisten aan de andere kant.
Deze laatsten kunnen slechts voorstanders zijn van:
Onteigening, zonder schadeloosstelling, van alle grondeigenaars.
Socialisering van allen grondeigendom en bebouwing van de gronden van gemeentewege het algemeen belang, op de wijze, gelijk in algemene volksvergadering in elke gemeente zal worden beslist.
Zolang deze beginselen niet geheel kunnen worden doorgevoerd, kunnen de revolutionaire communisten slechts zulke maatregelen steunen, welke behoud en vermeerdering van grondeigendom in handen van de gemeenten ten gevolge moeten hebben.
Als pogingen van verzet en uitingen van een ontwaakt revolutionair gevoel, steunen zij verder pachters en kleine boeren (met verwijzing echter naar de beginselen van de communisten) bij de weigering om tienden en andere grondlasten te betalen aan rijk, provincie, gemeente, of aan particuliere grondeigenaars en geldvorsten; helpen zij mede aan het doen mislukken van de verpachting van tienden; propageren zij ten platten lande voor de aaneensluiting en het gemeenschappelijk handelen van de landbouwers bij de verpachtingen van landerijen en boerenhoeven, bij de aankoop van meststoffen, enz., ten einde de koop- en pachtprijzen te doen dalen en de landbouwers- bevolking praktisch voor te bereiden (als enige duurzame oplossing van de sociale misstanden ten platten lande) voor de algehele afschaffing van pacht en hypotheek door overgang van de grond in het gemeenschappelijk bezit van de onmiddellijke producenten.
Ten opzichte van de kleine bourgeoisie nemen de revolutionaire socialisten en communistische anarchisten geheel dezelfde stelling in, als ten opzichte van de kleine eigenerfde boeren en pachters.
Voor zover deze kleine bourgeoisie — kleine handelaars, kleine fabrikanten, ambtenaars, geneesheren, zelfstandige handwerkslieden en de meest begunstigden onder de fabrieksarbeiders — verlangen, hetzij vermindering van belastingdruk, of vermeerdering van salaris, van vakantie, een normalen bij de wet geregelde arbeidsdag met minimumloon; voor zover zij in het algemeen verlangen maatregelen, op de grondslag van de kapitalistische maatschappij te verwezenlijken en door de hedendaagse bourgeoiswetgeving in te voeren, behoren deze lieden zich te wenden tot de vooruitstrevende burgerpartijen: de burgerlijke radicalen en christelijke democraten en tot de naar hen overhellende groep van de parlementaire socialisten.
Slechts voor zover de kleine bourgeoisie, haar geleidelijke, en steeds sneller zich voltrekkende verarming en hare toenemende knechtschap onder het grootkapitaal moede, en met haar onvermijdelijke ondergang en haar neerstorting in het proletariaat voor ogen — met ons wil medewerken aan de overgang van de voortbrengingsmiddelen in het gemeenschappelijk eigendom van de producenten, slechts voor zover kunnen deze elementen van de kleine bourgeoisie aan de moderne arbeidersbeweging ten goede komen.
De revolutionaire communisten steunen tevens de kleine bourgeoisie, evenals de kleine eigenerfde boeren en pachters, overal tegen het grootkapitaal en tegen de bourgeois-regeringen, waar het geldt, het ontwaakte gevoel van zelfstandigheid te versterken en aan te kweken het revolutionaire verzet van de onderdrukten tegen hunne meesters, of het solidariteitsgevoel tussen de verdrukten onderling. Zo onder meer zullen de revolutionaire communisten de weigering om belasting te betalen steunen; het verhinderen van publieke verkoop wegens schuld, bijaldien de billijkheid vordert, dat de schuldenaar gesteund wordt; de anti-huurbeweging tegen de meedogenloze huiseigenaren — overal waar dergelijke bewegingen in de boezem van de massa geboren worden en, behalve onder het proletariaat, ook in de kringen van de kleine bourgeoisie weerklank mochten vinden.
In de vakverenigingen en de verenigingen van de arbeiders van de grote ateliers en fabrieken, in welke laatst en beoefenaars van verschillende vakken met elkander werkzaam zijn, zien de revolutionaire communisten de cellen van de maatschappij van de toekomst; de aangewezen organisaties die — successievelijk veranderd van karakter en van strijdmachten geworden tot productieve organisaties — in de communistische samenleving de plaats zullen innemen van de kapitalistische ondernemers in de huidige maatschappij.
Bij de geestelijke vooruitgang van het menselijke geslacht, bij de beoefening van de verschillende wetenschappen door een voortdurend groter gedeelte van het volk, zal vallen de Chinese muur, waardoor tot hiertoe het uitoefenen van beroepen, tot welke beoefening universitaire opleiding noodzakelijk is, een privilegie bleef van de bezittende klassen. Daarmede valt tevens de verachting, die tegen bepaalde categorieën van ruwen, zogenaamde ongekwalificeerde arbeid voortleeft.
Op de grondslag van het gemeenschappelijk eigendom aan alle voortbrengings- en consumptiemiddelen is de tegenwoordige tegenstelling van geestelijk en lichamelijk werk een onmogelijkheid geworden.
Tegelijk worden reeds binnen de kapitalistische maatschappij de grenzen genivelleerd tussen vele van de nu bestaande vakken, als gevolg van de verplaatsing van het zwaartepunt van de productie van de technisch bekwamen vakman naar de arbeider, bedienaar van de machine, van het speciale vak naar de algemene werkplaats.
De vakverenigingen, gelijk wij ze in onze tijden kennen onder de georganiseerde arbeiders, zullen alzo bij de verdere ontwikkeling van de sociale verhoudingen geheel worden gewijzigd van karakter.
Zij zullen gewijzigd worden niet alleen, wat betreft de innerlijke samenstelling van haar organisatie, maar ook in de bestemming, waaraan ze in een communistische maatschappij hebben te beantwoorden.
Van strijdlichamen, welke deugdelijkheid van organisatie bestemd is, een tegenwicht te vormen tegen de economisch bevoorrechte stelling, die de afzonderlijke ondernemers en hun bonden — kartels en trusts — innemen, zullen ze in de communistische maatschappij worden de leidende groepen voor de productie en distributie van de goederen.
De producenten zijn in een communistische samenleving niet slechts de eigenaars van grond en arbeidsmiddelen, maar ze beheersen tevens de voorwaarden, onder welke de arbeid plaats grijpt.
De revolutionaire socialisten en communistische anarchisten houden in de arbeidersorganisaties van heden het dubbele karakter dat deze dragen — het een beslissend voor het heden, het andere voor de toekomst — voortdurend voor ogen.
Dienovereenkomstig ondersteunen zij de georganiseerde werklieden overal, waar ze door hun optreden de macht van de arbeidersorganisaties tegenover de ondernemers kunnen versterken, of waar ze de macht dezer laatsten kunnen verzwakken.
Werkstakingen, boycots, loonbewegingen, daar waar deze met het nodige overleg en na de dringend noodzakelijke voorbereiding, van de kant van de georganiseerde arbeiders worden begonnen, zullen door de revolutionaire communisten met volle overtuiging worden gesteund. Zij achten zich toch de aangewezen personen, om, waar ze zich bij deze bewegingen aansluiten, de leidende en voortstuwende kracht, het revolutionaire element erin te vertegenwoordigen.
De revolutionaire communisten wekken door deze bewegingen de geest op van verzet tegen de onderdrukking, de sluimerende geest van revolutie, die leeft onder duizenden en miljoenen van zich nog niet-bewuste, in de verdrukking verstompte proletariërs. Zij trachten daardoor vloeibaar te maken die grote, latente kracht, die nog in de schoot van de arbeidersmassa geborgen is en welke mede aan de organisatie van een hoger en beter geordende maatschappij dienstbaar moet worden gemaakt.
Tevens achten de revolutionaire socialisten en communistische anarchisten in de bestaande, strijdende arbeidersorganisaties het tot hunne taak een tegenwicht te vormen tegen de parlementair-statelijke stroming.
Daar, waar onder de invloed van radicalen, van christelijke demokreten en van zich noemende sociaaldemocraten, of parlementaire socialisten, de arbeidersverenigingen neiging tonen, om te ijveren voor bescherming van de arbeid van de kant van de bourgeoisregeringen, — daar zijn de revolutionaire communisten de aangewezen personen, om tegenover de uitbreiding van de wettelijke bescherming de macht van de arbeidersorganisaties te stellen.
De revolutionaire communisten leggen er voortdurend de nadruk op, dat bij elke verbetering — voor zover deze tijdelijk en slechts voor sommige lagen van het proletariaat mogelijk is op de grondslag van de kapitalistische productiewijze — door de verenigde werklieden niet kan worden vertrouwd op de steun van de wet, maar alleen op eigen organisatie. Zij stellen tevens van hun kant als eis, dat de vaststelling van loon en arbeidsduur ook binnen de huidige maatschappij steeds meer aan de zorg van de arbeidersverenigingen zelf moet worden opgedragen.
Door de revolutionaire communisten wordt insgelijks op de voorgrond gesteld, dat ook het toezicht op de arbeid, de bescherming van de fysieke en geestelijke krachten van de arbeider tegen de winst- en uitbuitingszucht van de ondernemers is de taak van de georganiseerde werklieden en niet de taak van de wetgeving; dat de onder het kapitalistische productieproces met het toezicht op de arbeid te belasten colleges of personen — arbeidsraden, fabrieks- en landbouwinspecteurs — door de verenigde arbeiders zelf op hun post geroepen en afgezet behoren te worden, ook al zijn ze van staatswege betaald.
Terwijl de revolutionaire communisten zorg dragen, zich niet te vervreemden van de grote massa van de arbeiders, maar mede te strijden voor de opheffing van hun onmiddellijke grieven in de afzonderlijke werkplaatsen en in de verschillende takken van bedrijf, zich steeds op de voorgrond stellende, waar het geldt, offers te brengen aan de solidariteit van de onderdrukten — beijveren zij zich tevens, om de gezichtskring van de nog niet zelfbewuste proletariërs uit te breiden en hun gevoel op te wekken voor de grootse taak, welke de arbeidersklasse wacht.
De grote massa van de werklieden zijn in hun oordeel te veel bevangen binnen de muren van de eigen werkplaats, binnen de grenzen van ’t eigen bedrijf. Ze vegeteert, slechts zorgend voor de dag van morgen, minder gedreven door princiepen — welke ook — dan door onmiddellijk voor de hand liggende belangen.
Aan de revolutionaire socialisten en communistische anarchisten de taak, de grote levenskwestie van de volken, liet communisme, binnen de arbeidersorganisaties te brengen, de werkers in alle takken van industrie, landbouw, handel en verkeer te overtuigen, dat de sociale strijd noodzakelijkerwijze zal moeten worden een strijd tot algehele afschaffing, niet tot betere regeling van de loonslavernij, een krijg voor de onteigening van de kapitalisten en landeigenaars.
Aan de revolutionaire socialisten en communistische anarchisten tevens de taak, om binnen de organisaties te bestrijden de autoriteit van de bestuurslichamen, om het gevoel van afhankelijkheid van de arbeiders van meer ontwikkelde “leiders” te doen plaats maken voor het bewustzijn van zelfstandigheid tegenover zaakgelastigden, die voor elke bijzondere zending de opdracht van de gehele organisatie ten uitvoer hebben te leggen.
De revolutionaire communisten hebben ervoor te ijveren, dat de besturen van de oude arbeidersorganisaties, naar bourgeoismodel ontworpen, hun karakter van zelfstandige bestuurscorporaties verliezen, en niet langer zich als afzonderlijke lichamen kunnen ontwikkelen overeenkomstig eigen belangen, in strijd met de belangen van de organisaties, welke ze dienen.
Slechts op deze wijze is het mogelijk, dat de onmiddellijke producenten worden voorbereid op de leiding van de gehele voortbrenging en verdeling van de goederen, met algehele terzijdestelling van de kapitalistische ondernemers.
Wel verre alzo van zich terug te trekken uit de vakverenigingen en uit de verenigingen van arbeiders in de grote fabrieken en ateliers, vinden hier, op economisch terrein en buiten de sfeer van parlement en raadhuis, de revolutionaire socialisten en communistische anarchisten een aangewezen arbeidsveld.
Daarentegen hebben de revolutionaire socialisten en communistische anarchisten geen taak als zodanig te vervullen binnen de coöperatieve ondernemingen, zowel coöperatieve fabrieken, als consumptieverenigingen van de arbeiders.
Door de socialistische economen worden de coöperatieve fabrieken van de arbeiders veelal beschouwd als “overgangsvormen” van de kapitalistische productiewijze in de geassocieerde; als een terrein, binnen hetwelk de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid is opgeheven, voor zover de geassocieerde arbeiders als hun eigen kapitalist fungeren en zelf hun arbeid op de warenmarkt brengen.
In de werkelijkheid staat het met dezen “overgangsvorm” gesteld, als met bepaalde variëteiten in de dieren- en plantenwereld, die als bastaardvormen een tijdlang blijven voortleven en meer bestemd schijnen, om de slechte, dan wel om de goede eigenschappen van haar ouders voort te planten.
Binnen de coöperatieve fabriek, zowel als binnen de coöperatieve consumptievereniging blijft het loonsysteem heersen; anderzijds echter wordt de strijd tegen het loonsysteem er verlamd en onmogelijk gemaakt, daar hij zich openbaart als een strijd tegen eigen organisatie.
De meest op de voorgrond tredende leiders van de coöperatieve ondernemingen, onder kleinburgerlijke levensverhoudingen geplaatst, feitelijk geworden tot directeuren, administrateuren enz., van een kapitalistisch gedreven onderneming, gaan een gevaar vormen voor de arbeidersbeweging in hunne omgeving. Ze verliezen niet slechts onder de gewijzigde levensvoorwaarden hunne revolutionaire aspiraties, maar krijgen belangen, met de ontwikkeling van de arbeidersbeweging in het algemeen in strijd, zonder dat zij zich erdoor gedrongen gevoelen, met de arbeidersbeweging te breken.
Als maatschappelijk stelsel leidt de coöperatie binnen het strijdende proletariaat tot corruptie, tot nepotisme, tot het vormen van een hiërarchisch bestuurde associatie, staande onder de almachtige heerschappij van enige personen van krachtig ontwikkelde individualiteit.
Voor de emancipatiestrijd van het proletariaat tegen de heersende klassen is de coöperatieve onderneming van geen belang. Voor de omkering van de grondslagen van de kapitalistische maatschappij kan het onverschillig heten of de concurrentiestrijd tussen privaatondernemers dan wel tussen arbeidersassociaties wordt voortgezet.
De opmerkzaamheid van de revolutionaire communisten is in hoge mate gevestigd op het vraagstuk van de werkloosheid.
Zij zijn overtuigd, dat het blijvend voorhanden zijn van een massa van overtollige loonarbeiders voor wie tijdelijk geen arbeid is te vinden, een voorwaarde is voor het bestaan zelf van het kapitalisme in zijne tegenwoordige verschijningsvormen en dat de toeneming van de industriële reserveleger evenzeer onvermijdelijk voortvloeit uit de ontwikkeling van de kapitalistische productie- en toe-eigeningswijze.
Zij houden van de bourgeoisie vóór ogen, dat het voor haar in de toekomst steeds meer onmogelijk wordt, de slachtoffers te onderhouden, door hare heerschappij gemaakt en dat zij als heersende klasse ten gronde zal gaan onder de storm van de diepst geknechten van het proletariaat, van de overtolligen, de invaliden en verminkten van de kapitalistische productiewijze.
Aan de andere zijde gevoelen de revolutionaire communisten het diep, van welk gewicht het is voor de geschiedenis van de volken, voor de fysieke, geestelijke en zedelijke ontwikkeling van het toekomstige mensengeslacht, dat tegengewerkt wordt de algehele vervuiling en demoralisatie van de grote massa werklozen, van de overtollige, ten dele voor de arbeid geheel ongeschikte proletariërs en van hun gezinnen.
Terwijl de revolutionaire communisten weigeren, hun arbeid, hun vrijheid en hun leven op te offeren voor de doorvoering dier kleine hervormingen, die de middenklassen in haren vroegere bevoorrechten toestand moeten terugbrengen, gevoelen zij daarentegen levendig, dat zij in het belang van de mensheid de partij hebben op te vatten van diegenen, die, geheel ondergegaan in de strijd om het bestaan, niet meer zichzelf kunnen redden, van hen, die vragen — het eerste levensonderhoud: onderdak, kleding en een stuk brood.
Naarmate onder de massa van de overtollige proletariërs wast de ontevredenheid, het verzet tegen de onderdrukking, waarvan zij het slachtoffer zijn, naarmate hunne eisen, aan het leven gesteld, hoger door hen worden opgevoerd en met krachtiger drang van woorden en van daden onder de ogen van de bezitters worden gebracht — naar die mate wordt de toestand van de bourgeoisie als heersende klasse meer onhoudbaar en wordt hare klasseheerschappij verkort.
In het teken van de werkloosheid zal de kapitalistische maatschappij ten onder gaan en een hoog weerstandsvermogen van haar slachtoffers zal haren val verhaasten.
De revolutionaire communisten, doordrongen van deze denkbeelden, steunen elke beweging van werklozen onder het industriële-, commerciële- of landbouwproletariaat.
De werklozen moeten uit hunne holen, hunne kelder- en vlieringwoningen de openbare straat op, om de heersende klassen de gevolgen van het kapitalistische stelsel van huishouding in levenden lijve onder de ogen te brengen.
De werklozen moeten onderhouden worden met hunne gezinnen. Volgens de overtuiging tevens van de revolutionaire communisten moeten zij onderhouden worden door de gemeenschap, binnen welke ze zijn neergeworpen in hun treurige toestand.
Dienvolgens bepleiten de revolutionaire communisten, daar, waar het vraagstuk van de werkverschaffing aan werklozen aan de orde wordt gesteld, niet slechts het beginsel van het onderhoud van dezen door de gemeente, maar trachten zij tevens aan de producten van de arbeid van de werklozen een communistische bestemming, aan de arbeid zelf een communistisch karakter te geven.
Zij wijzen voor te verrichten, productieve arbeid op het verbeteren van de gezondheidstoestand van de bevolking, de verbetering van de verkeerswegen, van de riolen en afwateringskanalen van de gemeenten ; op de afbraak van onbewoonbare woonhuizen en het bouwen van nieuwe gezonde, fraaie volkswoningen; op het inpolderen van landerijen en het in cultuur brengen van woeste gronden ten behoeve van de gemeenten; zij bepleiten die arbeid, als te voltrekken op plangenootschappelijke wijze door en onder de leiding van de werklozen zelf en tegen een loon, dat met het gemiddelde loon van de overige arbeiders gelijk staat — de kosten te dragen door de gemeenten.
Zij stellen verder als eis op: voeding en kleding, zowel als kosteloos onderwijs, insgelijks ten laste van de gemeenten, voor alle kinderen, die onderstand verlangen en in elk seizoen, waarin deze onderstand verlangd wordt, alzo niet slechts in het koude jaargetijde.
De revolutionaire-communisten stellen er zich niet mee tevreden, een voortstuwend element te wezen in elke werklozenbeweging; zij brengen tegens de zaak van de werklozen in de vakverenigingen.
Zij overtuigen de georganiseerde arbeiders in alle vakken en werkplaatsen, hoe dezen met hunne organisaties de aangewezen lichamen zijn, om de ruggensteun van de werklozenbeweging te vormen en om door het verstrekken van statistische gegevens omtrent de werkloosheid in hun bedrijf in verschillende tijden van het jaar, zowel als door financiële en morele steun, aan de beweging van de werklozen kracht bij te zetten.
De werklozen van heden zijn voor de georganiseerde arbeiders de onderkruipers van morgen. Wanneer de vakverenigingen zich niet bemoeien met de toestand van de werklozen, dan zullen de werklozen zich bemoeien met de vakverenigingen en zullen ze zelfs een geringe, of lijdelijke verbetering in de toestand van de georganiseerde arbeiders ten slotte in elke tak van bedrijf tot een onmogelijkheid maken en de onderworpenheid van het proletariaat aan zijn onderdrukkers vergroten.
Slechts wederkerig elkander steunende, kunnen werklozen en georganiseerde arbeiders in de verschillende takken van bedrijf, bewerken, dat zij in het tijdperk van overgang van de kapitalistische maatschappij in een communistische gemeenschap, niet geheel fysiek, geestelijk en zedelijk ten gronde gaan.
Den godsdienst in zijn verschillende verschijningsvormen beschouwen de revolutionaire communisten als een natuurproduct, een voortbrengsel van de verbeeldingskracht van de volken, dat zich onder invloed van het klimaat, de bodem en al de sociale verhoudingen, onder welke de mensen verkeerden, ontwikkelde tot zijn hedendaagse vormen. De verschillende godsdiensten beantwoorden, zo menen zij, aan de geestelijke en zedelijke behoeften van de massa’s, die haar belijden.
De uitroeiing van zovele godsdienstige dwaalbegrippen en zoveel bijgeloof, verwachten de revolutionaire communisten slechts van de verbetering van de sociale levensverhoudingen; van een hogere, geestelijke en zedelijke ontwikkeling van de massa's; niet echter van gewelddadige bestrijding of van sociale en politieke onderdrukkingsmaatregelen, welke zij overigens reeds als verdedigers van de vrijheid verafschuwen.
Niettemin staan de revolutionaire communisten op direct vijandige voet tegenover de kerkgenootschappen.
De kerkgenootschappen zijn ten opzichte van de godsdienst, wat de staat is met betrekking tot de maatschappij; zij vertegenwoordigen op godsdienstig gebied het conservatieve element, aan eiken vooruitgang vijandig.
De kerkgenootschappen worden niet beheerst door de godsdiensten, maar de godsdiensten worden beheerst door de kerkgenootschappen.
Evenals de staat in plaats van de dienaar van de gemeenschap te zijn, zich als zelfstandig lichaam ontwikkelend, de beheerser van de gemeenschap werd, aan wiens heerschappij, de belangen van de gehele maatschappij werden ondergeschikt gemaakt, zo heeft ook de kerk — en dit geldt voor alle gevestigde kerkgenootschappen — zich als zelfstandige corporatie ontwikkeld in een richting, vijandig aan de oorspronkelijke geest van een godsdienst als bijv. de christelijke is.
De kerkgenootschappen werken niet in de eerste plaats voor de naleving van de beginselen, in de godsdienst vervat, maar voor de behartiging van de klassebelangen, van het stoffelijk welzijn van de personen, uit wie hun clerus wordt gerekruteerd.
Een belijder van de christen godsdienst zou als christen tevens kunnen wezen revolutionair communist.
Als christen zou hij voorstander kunnen zijn — zich grondende op het beginsel van de christelijke liefde — van het gemeenschappelijk eigendom aan alle bestaansmiddelen, nodig voor het onderhoud van het menselijk geslacht. Zich grondende op het beginsel, dat men God meer gehoorzaam moet wezen dan de mensen, zou hij zich geroepen kunnen achten, zich te verzetten tegen de boven hem gestelde overheden onzer dagen.
Als christen zou hij kunnen weigeren de wapens te voeren tot moord op zijne medemensen; kan hij weigeren belastingen op te brengen, dienende tot onderhoud van een veile bureaucratie en tot steeds moorddadiger wapening van de volken; weigeren de eed, de deelneming aan de rechtspraak en aan de politieke diensten, aan al wat aan de instandhouding van de hedendaagse slecht geordende maatschappij bevorderlijk is.[15]
Maar de kerkgenootschappen kunnen zich nimmer plaatsen op dit standpunt. De voorschriften van hun godsdienst komen voor hen eerst op de tweede plaats. In de eerste plaats echter hebben zij te verdedigen hunne eigendommen. Zij hebben daartoe de steun nodig van de hedendaagse klassestaat, die ze niet kunnen bestrijden en van diens militaire en rechterlijke macht, van zijn politiehulp, — evenals omgekeerd de bourgeoisregering tot handhaving van de maatschappelijke orde nodig heeft en de geestelijke steun van de kerk.
Van haar klassestandpunt gezien, heeft de kerk in het algemeen en heeft elk gevestigd kerkgenootschap in het bijzonder er tegenover de gelovigen de nadruk op te leggen, dat de mens aan de hem gestelde machten (lees hier: aan de bourgeoisie en aan hare regering) onderdanig behoort te zijn. Elk verzet, gewelddadig of lijdelijk, tegen de bourgeoisoverheid moet de kerk als ongeoorloofd verklaren.
De in zovele landen in socialistische kringen ingeburgerde leuze: Godsdienst is privaatzaak, is onvoldoende om de stelling te karakteriseren, die de revolutionaire communist inneemt ten opzichte van de belijders van de verschillende erediensten.
Tot aanvulling behoort aan deze leuze te worden toegevoegd:
De bestrijding van de hedendaagse kerkgenootschappen, opgegroeid op de bodem van de kapitalistische maatschappij en in hun ontwikkeling beheerst door de moderne eigendomsverhoudingen en klassenverschillen, is een plicht voor de revolutionairen communist.
Bij de steeds duidelijker in het licht tredende lafheid van de kleinburgerlijke vrijdenkers, die door hun klassebelangen steeds meer zich geneigd tonen, om zo niet een duurzame vrede te sluiten met de kerk, dan toch een tijdelijke wapenstilstand met haar aan te gaan; bij de halfslachtigheid tevens van de zich noemende sociaaldemocraten of parlementaire socialisten, die herhaaldelijk blijk geven, ter wille van de stemmen van de landbevolking en van de kleine bourgeoisie in de steden, hun ware denkbeelden over kerk en religie verborgen te willen houden, is het meer dan ooit de taak van de revolutionaire communisten geworden, het eigenaardige standpunt van het strijdende proletariaat tegenover de kerkgenootschappen te blijven op de voorgrond stellen.
De revolutionaire communisten zijn kosmopolieten. Gelijk de exploitatie van het proletariaat door de heersende klassen niet aan enige staatkundige grens, aan taal of volksras is gebonden, zo is het ook niet de macht, die de klassenheerschappij bestrijdt. De arbeidersbeweging is internationaal, zoals het kapitalistische productie- en handelsstelsel internationaal is.
Voor het proletariaat bestaat er geen vaderland, binnen welks grenzen zijn belangen met de instandhouding van de bestaande sociale en staatkundige verhoudingen des lands zouden samenvallen. De proletariër blijft proletariër, loonslaaf, onder alle sociale en politieke veranderingen, die het land waar deze woont op de grondslag van de kapitalistische eigendomsverhoudingen kan ondergaan.
Zij het ook, dat hij met bijzondere voorliefde terugdenkt aan de plek op aarde, waar hij leefde en reeds ontbeerde als kind dan toch blijft de zelfbewuste proletariër overtuigd, dat hij vijandig staat, ook tegenover de grondeigenaars en kapitalisten in zijn geboortestreek, als zijnde het hunne klassen, door wier heerschappij hij zich van de eerste bestaansmiddelen: grond, levensmiddelen en arbeidsinstrumenten onteigend zag.
Omgekeerd gevoelt de zelfbewuste proletariër, dat hij naast zich heeft staan in zijn strijd tegen het kapitalisme, zijn medeproletariërs in alle andere landen; zuchtend als hij onder dezelfde klassenheerschappij.
In het militarisme ziet de revolutionaire communist slechts een deel van de onderdrukkingsmachinerie, waardoor de bourgeoisie hare klasseoverheersing uitoefent over het proletariaat en tegelijkertijd hare commerciële en industriële belangen verdedigt, zowel tegenover de bourgeoisie in andere delen van de aarde, als tegenover de meer achterlijke volksstammen in de koloniën.
De geschiedenis van de laatste tientallen jaren heeft de revolutionaire communist geleerd, dat de regerende klassen daar, waar het geldt, het proletariaat internationaal in onderdrukking te houden, steeds klaar staan om veten tussen de bourgeoisregeringen naar de achtergrond te schuiven. De Commune van Parijs bewees, dat de Thiers, de MacMahons en Gallifets[16] voor het uitmoorden van Frankrijks hoofdstad konden rekenen op de hulp van Bismarck en de Duitse troepen.
De communist kan slechts voorstander zijn van de algemene volkswapening, die reeds op zichzelf onverenigbaar is met de klassenheerschappij, in al onze moderne staten bestaande; voorstander van weerplicht, die zich beperkt tot het recht van de volken, zowel om zich te verdedigen tegen de overweldiging door vreemde legers, als in het eigen land tegen de onderdrukking door een overheersende klasse.
De moderne handels- en industrieoorlogen, zowel die tussen de verschillende moderne staten tot handhaving van een zogenaamd evenwicht onder de verschillende mogendheden, als de veroveringstochten van de koloniale mogendheden in Azië, Afrika, Zuid-Amerika en Australië, hebben voor het proletariaat, dat onder de klassenheerschappij gebogen gaat, een geheel andere betekenis dan voor de heersende klassen zelf.
Een oorlog tussen de moderne staten van Europa, Amerika, Australië, die de arbeidersbeweging aldaar voor ettelijke tientallen jaren zou lamslaan, kan door een krachtig georganiseerd proletariaat in de betreffende landen slechts beantwoord worden met een algemene werkstaking, overal waar de werklieden op de oorlog invloed kunnen uitoefenen, of met de sociale revolutie.
De algemene werkstaking in de takken van bedrijf, welke onmiddellijk met het vervoer van de troepen en met de proviandering van de legers in verband staan; van de arbeiders, werkzaam in de mijnen en aan de middelen van vervoer en verkeer, aan post en telegrafie, in de handel, voor zover deze betreft de leverantie van paarden voor de te veld trekkende legers — ze is in staat, elke oorlog tussen twee moderne staten tot een onmogelijkheid te maken en een verwarring te veroorzaken, welke voor de val van de betrokken regeringen beslissend zouden wezen.
Maar de algemene werkstaking onder zulke omstandigheden, dat is de revolutie — zij het nog niet de revolutie in wapenen, dan toch reeds aanstonds de revolutie door lijdelijk verzet.
Zij onderstelt niet slechts een krachtige organisatie van de arbeiders in die takken van bedrijf, welke onmiddellijk in de werkstaking worden getrokken, maar ook een algemene ontevredenheid met de gang van zaken onder de grote massa van de bevolking, een publieke opinie, welke niet door de invloed van de regering, van de bourgeoispers, van de kerk, tot oorlogszucht is gedreven.
Zij is slechts mogelijk op een tijdstip, dat het corruptieproces binnen de kapitalistische maatschappij een voldoende hoogte heeft bereikt, om de ondergang van de bestaande maatschappelijke orde en haren overgang in een communistische tot een noodzakelijkheid te maken.
Eerst dan zou bij een poging van de regeringen, om in het bloed van een volkerenkrijg de internationale arbeidersbeweging te verdrinken, revolutie tegenover revolutie kunnen worden gezet. Eerst dan zou ook het particulier initiatief aanvullen, wat de algemene organisatie te kort komt; zou elk revolutionair persoonlijk tot de vermeerdering van de algemene verwarring en tot de verijdeling van de oorlog kunnen bijdragen.
Niet slechts buiten, maar ook binnen het leger, kan de revolutionaire communist, die vast besloten is, nimmer de wapens te richten op medeproletariërs, maar slechts op de vertegenwoordigers van de bourgeoisregeringen, in tijden van oorlogsgevaar optreden.
In verband met het grote gewicht, hetwelk in oorlogstijden gelegen is niet slechts in de geestelijke ontwikkeling van de volksmassa’s in het algemeen, maar ook van het dienstplichtige deel van de mannelijke bevolking in het bijzonder onderhouden de revolutionaire communisten een ijverige propaganda voor de beginselen van het communisme, van mensenliefde en broederschap tussen de volken, zowel onder de lotelingen, die gereedstaan de kazernes te betreden, als onder de militairen in actieve dienst en onder de reservisten.
Door geschriften, die de betekenis van het militarisme in onze bourgeoisstaten duidelijk maken en de toestand van de militairen in leger en vloot bespreken, brengen de revolutionaire communisten het zout van de nieuwe ideeën onder de proletariërszonen, die tot uit de meest afgelegen streken in onze moderne staten worden afgetrokken van ploeg en werkbank, teneinde hun tol te betalen aan het militarisme en de ledig geworden plaatsen te helpen aanvullen in de grote machinerie ter onderdrukking van de volken.
Streng hun beginsel als communisten voor ogen houdende, valt het aan de revolutionaire socialisten en communistische anarchisten licht, ook om scherp en afdoende hun houding vast te stellen ten opzichte van de bewegingen, die te midden van het proletariaat zelf opkomen, zich ontwikkelen, misschien straks verdwijnen.
Er valt hierop te merken, dat de revolutionaire communist tegen generlei verbetering gekant is in de materiële toestand, zij het ook slechts van een zekere laag van het proletariaat.
Hij ziet in het materiële, zedelijke en geestelijke verval van de arbeidende klassen geen verhoging voor de kans van welslagen van de sociale revolutie, geen verhaasting van de ondergang van de huidige klassenheerschappij.
Omgekeerd acht hij het een noodzakelijkheid voor de arbeiders in alle takken van bedrijf, te trachten door een geregelde strijd, om ogenblikkelijke verbetering van hun materiële toestand, staande te blijven in de overgangsfase van de kapitalistische productie- en toe-eigeningswijze in een communistische.
De revolutionaire communist staat alzo niet vijandig tegenover bijv. de eis van vermindering van de arbeidstijd tot op hoogstens 8 uur daags, noch tegenover enige anderen eis, strekkende tot verlichting van de arbeid, of tot verhoging van de arbeidslonen, tot beteugeling van de winstzucht en de beknotting van de macht van de privaatondernemers en tot verbetering van de levensomstandigheden van de arbeiders.
Bij al deze verbeteringen echter stelt de revolutionaire communist op de voorgrond, dat ze slechts voor de arbeidersklasse besliste waarde hebben, indien ze worden doorgevoerd door de georganiseerde arbeiders zelf; dat deze hervormingen ertoe behoren te leiden, niet om de invloed van de regering, maar om die van de georganiseerde werklieden te versterken op de voorwaarden, waaronder de arbeid zich voltrekt en om die invloed van de arbeidersorganisaties uit te breiden over alle takken van landbouw en industrie, van handel en verkeer.
Wanneer in Europa, als in Amerika, onder de drang van de revolutionaire communisten, bij de viering van het 1 Meifeest steeds meer de eis tot doorvoering van de achturendag op de achtergrond is geraakt; wanneer het 1 Meifeest langzamerhand het karakter is gaan aannemen van een verbroederingsfeest van de volken, van een demonstratie ter verwezenlijking van het communisme, dan valt hieruit niet af te leiden, dat de revolutionaire communisten aan verkorting van de werkdag, aan beteugeling van de exploitatie van de kapitalisten geen waarde zouden hechten voor de arbeidersklasse.
Wat de I-Meidag als feestdag van de arbeid reeds aanstonds in alle landen de sympathie van het klassebewuste proletariaat verzekerde, dat was niet juist de eis door het internationale congres van Parijs opgesteld en door latere congressen bekrachtigd: de agitatie voor de achturige arbeidsdag; nog minder was het een verlangen naar internationale bescherming van de arbeid van de zijde van de bourgeoisregeringen.
Maar het was het bewustzijn, dat door een internationale demonstratie, op de 1-Meidag te houden, het proletariaat aller landen getuigenis zou afleggen, verenigd te zijn en zich in staat te voelen tot een gemeenschappelijke actie.
Dat in de meest verschillende landen van de aarde, elk met hun bijzondere economische en politieke ontwikkeling, hun eigenaardige zeden en gewoonten, de arbeiders het waagden te verklaren: Deze dag van het jaar, de eerste dag van de Meimaand, zal onze feestdag zijn — dat was voor de geschiedenis de hoofdbetekenis van het besluit, door het internationale congres van Parijs genomen. Tegenover de heersende klassen was door dit feit de klassenstrijd van het proletariaat tegen zijne heersers tot een internationale gestempeld.
De betekenis van de Mei-demonstraties werd daardoor reeds aanstonds van de opgestelde eis overgebracht naar de demonstratie zelve en naar de dag, waarop ze plaats vond.
Voor de revolutionairen communist werd de 1 Meidag een waarlijk revolutionaire feestdag, een ingrijpen van de georganiseerde arbeiders in de voorwaarden van de arbeid, zelfs onder de heerschappij van het kapitalistische exploitatiestelsel.
Het is daaruit te verklaren, dat de revolutionaire communisten niet slechts naast de demonstratie voor de achturendag reeds aanstonds een nieuwen eis hebben gesteld, een demonstratie voor de verwezenlijking van het communisme zelf en voor de verbroedering van de volken, die er een noodzakelijke voorwaarde toe is, maar dat zij tevens met alle macht zich hebben gekeerd tegen het verleggen van de 1 Mei-demonstraties op een anderen dag van het jaar.
Een zon- of feestdag omstreeks de eersten Mei heeft voor de revolutionaire communisten als arbeidersfeestdag geen betekenis. Het verkiezen van zulk een dag is de erkenning van de verdeling van het jaar in arbeidsdagen en feestdagen, gelijk zij onder de heerschappij van de bourgeoisie de arbeider wordt voorgelegd.
Maar de 1 Mei-dag is een revolutionaire feestdag, een dag, door het georganiseerde proletariaat zelf als feestdag aangewezen, getuigende van ontwaakt zelfbewustzijn en van reeds verkregen macht.
Gold de 1 Mei-demonstratie enkel de eis, aan de kapitalisten gesteld, de arbeidsdag van hun loonslaven tot acht uur te beperken, dan ware een betoging, tot dit doel gehouden op welke anderen dag van de Meimaand ook, of gehouden op een willekeurige dag in welke maand van het jaar, daartoe van gelijke betekenis.
Zodra echter al deze betogingen op één enkelen, bepaalden dag geen feestdag weerden verlegd, was daarmede de uitgekozen dag tot een internationale feestdag van de arbeid verklaard. Hij verkreeg met het revolutionaire karakter, dat die keuze hem verleende een hogere wijding, een diepere betekenis, waaraan slechts een zuiver revolutionaire en streng communistische eis voortaan als passende leuze kon beantwoorden.
De revolutionaire communist vat al datgene onder revolutionaire actie samen, wat in staat is, de kapitalistische vormen van eigendom aan te tasten en op te lossen, op welke als op de grondslag, de gehele politieke en juridische bouw onzer moderne maatschappij rust; al datgene, wat anderzijds bevordert de ontwikkeling van een nieuwe, op gemeenschappelijk eigendom van de bestaansmiddelen gegrondveste maatschappij.
De overgang van de hedendaagse kapitalistische maatschappij in een communistische moet ten slotte door de mensen zelf — hier in ’t bijzonder door de arbeidersklasse — worden voltrokken en onderstelt de internationale zegepraal van het proletariaat en de ondergang van de heerschappij van de heersende klassen en van hare regeringen.
De revolutionaire actie van de arbeiders openbaart zich dientengevolge in de klassenstrijd. Door de organisatie en het optreden van de werklieden kunnen evenzeer de oude eigendomsvormen worden aangetast, kan alzo evenzeer revolutionair worden ingewerkt op de kapitalistische maatschappij, als dit geschiedt door de ont wikkeling van grootindustrie, groothandel, groot-landbouw, door de aanleg en de verbetering van verkeerswegen — spoorwegen, stoomvaartlijnen, telefoon en telegraaf — door de kartels en trusts tussen de verschillende privaatondernemers en maatschappijen van aandeelhouders, door de ontwikkeling van het banken kredietwezen.
Bij de ontplooiing van de stoffelijke voortbrengingskrachten in de maatschappij, moge zich met ijzeren noodzakelijkheid en krachtens zijn natuur zelve, het kapitalistische stelsel van voortbrenging en distributie ontwikkelen in een stelsel van associatie, maar van de onmiddellijke voortbrengers, de arbeiders, zal het toch afhangen, of in de toekomst de maatschappij van de geassocieerden arbeid een staatssocialistisch, dan wel een vrij-communistisch karakter zal dragen.
Van de organisatie, de intelligentie, de energie en doelbewustheid van het proletariaat zal het afhankelijk zijn, of de georganiseerde arbeiders zelf, dan wel of hunne vertegenwoordigers, hunne regeringen, de voortbrenging en de verdeling van de goederen en alle voorwaarden van de arbeid zullen beheersen.
Alzo is het kenmerk van de revolutionaire actie van de proletariërs daarin gelegen, dat zij de invloed van de heersende klassen en harer regeringen op de productie en verdeling van de goederen, op de voorwaarden van de arbeid van de producenten en daardoor op het gehele politieke, geestelijke en zedelijke leven van de volken ondermijnt en vernietigt en dat zij anderzijds doet wassen de macht, d.w.z. de organisatie van het proletariaat en zijn invloed op de stoffelijke en geestelijke levensverhoudingen van de volken.
“Revolutionerend” werkt het optreden van de arbeiders binnen de kapitalistische maatschappij overal en voor zover, als het ertoe leidt, om in de klassenstrijd de stelling van de heersende klassen te verzwakken, of anderzijds die van het proletariaat als klasse te versterken. De revolutionaire actie omvat dientengevolge al datgene, wat in staat is, de arbeiders als klasse meer weerbaar te maken in de strijd; al datgene, wat de materiële, geestelijke en zedelijke ontwikkeling van het proletariaat bevordert; al datgene tevens, wat een propaganda- en agitatiemiddel kan zijn, om nieuwe strijders onder de banier van het libertaire communisme te brengen.
Waarin in details, deze actie zich openbaart is in dit geschrift reeds ontwikkeld bij de vaststelling van de tactiek van de revolutionaire communisten, in het bijzonder wat betreft hun houding ten opzichte van de georganiseerde arbeiders, van de kleine boeren en van de kleine bourgeoisie.
In het groot en in het algemeen genomen, moet aan deze revolutionaire actie, zal ze de overgang van de kapitalistische maatschappij in een vrije communistische gemeenschap kunnen bewerken, ten grondslag liggen een sterke organisatie niet een hoogontwikkeld zelfstandigheidsgevoel, niet slechts onder enkele leden van een communistische groep, maar onder de arbeidende klasse in het algemeen; ze zal zich moeten openbaren in een massabeweging.
Waar het om gaat in de sociale revolutie—een revolutie van de grote meerderheid van de bevolking onzer moderne landen tegenover de minderheid — dat is niet, het in bezit nemen zonder meer van fabrieken, werkplaatsen en magazijnen, van vervoer- en verkeersmiddelen, niet het betrekken van de woonhuizen, het verklaren van alle gronden tot communaal eigendom alleen.
Dit alles is slechts het eerste beslissende treffen in de klassenstrijd tussen hot proletariaat en zijne onderdrukkers. Het betreft alles slechts de eerste fase in het overgangstijdperk van de oude voortbrengings- en verbruikswijze ineen nieuwe en hoger ontwikkelde; de gewelddadige schokken, waarmede deze overgang gepaard zal gaan, het zijn de eerste weeën bij de geboorte van de nieuw zich vormende maatschappij.
Waar het echter om gaat, en wat beslissend is, dat is de onmiddellijke doorzetting van de voortbrenging, onder de leiding van de voortbrengers zelf.
Tegen een daadwerkelijke onteigening van de grondeigenaars en kapitalisten, de uitbuiters van de arbeid van de loonwerkers, kan van de kant van de minderheid, door de bezittende klassen gevormd, geen ernstig sprake zijn in een tijd van algemene druk, van verwarring, van ontevredenheid onder de grote massa van de bevolking.
Aan elk revolutie-tijdperk in de geschiedenis gaat vooraf een periode van crisis; de toe-eigening van de voortbrengings- en verbruiksmiddelen door de gemeenschap kan zich slechts voltrekken na een tijdperk van algemene en internationale crisis in alle takken van bedrijf, na een onmiddellijk voorafgaande periode van sluiting van fabrieken en werkplaatsen, het springen van geldbanken en handelsondernemingen, kredietzwendel in het groot enerzijds, — van werkloosheid, honger en ellende aan de andere kant.
In een bepaalde fase van het ontbindingsproces van de kapitalistische maatschappij wordt alzo de onteigening van de grondeigenaars en kapitalisten door de volksmassa een noodzakelijkheid.
Maar reeds vanaf het eerste ogenblik, dal een revolutionaire beweging zich ten gunste van het proletariaat keert en gedurende de gehele loop van dat revolutionaire proces van de oude maatschappij, hetwelk niet anders dan een internationaal kan zijn, is er behoefte voor de massa’s aan levensonderhoud, in de eerste plaats aan voedsel en kleding.
In deze beslissende fase van de revolutie hebben de arbeidersorganisaties in de verschillende takken van bedrijf onmiddellijk de leiding van de voortbrenging en distributie van de goederen over te nemen van de privaatondernemers. Haar hoofdbestemming is dan niet langer, strijdlichamen te vormen tegen de bourgeoisie, die dan voldoende bewezen zal hebben, niet meer de leidende klasse in de maatschappij te kunnen zijn, maar het is de nog gewichtiger taak, op te treden als productieve associaties.
Hoe de voortbrenging en distributie binnen de communistische maatschappij, gelijk ze uit de kapitalistische geboren wordt, zich zal regelen in de verschillende landen en in de bijzondere takken van bedrijf; welk stelsel van verdeling van de goederen hier of daar de overhand zal behouden, het is nu niet in details vast te stellen.
Dit alles hangt niet af van de vernuftige stellingen en invallen, door enige geleerde (hetzij bourgeoiseconoom of denker van socialistische richting) in de studeerkamer opgesteld, maar van de ondervinding, die de individuen in ’t bijzonder, zowel als vooral de arbeidersorganisaties in het algemeen, bij de regeling van de arbeid zullen opdoen en van de rechtsbegrippen, die bij de nieuwe, economische verhoudingen onder de massa’s heersende zullen zij in verschillende gewesten.
Wijsgerige beschouwingen over de menselijke natuur, abstracte bespiegelingen over een «rechtvaardige verdeling van de goederen, wanneer ze zich niet aanpassen aan de werkelijkheid, zich niet gronden op de economische bouw van de maatschappij, hebben geen waarde, daar waar het voor de individuen persoonlijk, zowel als voor de maatschappij in het groot, de eerste vraag deze is, te blijven voortbestaan.
In de arbeidersorganisaties, gelijk wij ze momenteel kennen in de verschillende takken van bedrijf, blijven de revolutionaire communisten de nadruk leggen op de zware taak, die deze organisaties in de vóór ons liggende periode van revolutie te vervullen zullen hebben.
De revolutionaire communisten hechten daarbij een bijzonder gewicht aan de strijd tegen de ondernemers binnen de kapitalistische maatschappij, aan de werkstakingen onzer dagen, welke de werklieden gewend maken aan zelfstandig handelen en geschikt doen worden tot gemeenschappelijke actie.
De werkstakingen zijn voor de georganiseerde arbeiders tegelijk de troepenmanoeuvres en de voorpostengevechten in de socialen krijg.
Zelfs indien een werkstaking is begonnen tot oplossing van betrekkelijk kleine grieven: hetzij voor verbeteringen in de voorwaarden van de arbeid — loon en arbeidstijd — welke slechts een lokale en misschien voorbijgaande betekenis hebben; hetzij om de trots te knakken van een ondernemer, of de waardigheid hoog te houden van een beledigde of bedrogen arbeidersorganisatie; — steeds hebben de werkstakingen een grote morele invloed, een hoge opvoedkundige waarde voor de betrokken arbeiders in het bijzonder en voor de arbeidersbeweging in het algemeen.
Elke werkstaking is reeds op zich zelve beschouwd een daad van verzet; een bewijs, dat de slaaf van de arbeid, zo hij zich nog niet kan bevrijden van de ketens, die hem drukken, althans aan die ketens rukt en rammelt.
Gelukt of mislukt, strekt ze in elk geval tot oefening en les aan de arbeidersklasse, die toch slechts in en door de klassenstrijd hare emancipatie kan bewerken. Aan de anderen kant werken de verbeteringen, die er het uitvloeisel van zijn — hetzij ze tijdelijk of duurzaam mogen wezen — mede tot de concentratie van het grootkapitaal en tot de ondergang van de kleine ondernemers. Als zodanig verhaast de werkstaking het ontwikkelingsproces van de maatschappij.
Uitgebreid over een gehele streek, over heel een land, is zij een feit, dat tot het zelfstandig maken, de geestelijke en zedelijke ontvoogding van het proletariaat in de betrokken landstreek meer bijdraagt, dan jaren van redevoeringen.
Internationaal doorgevoerd — gegroeid uit de omstandigheden zelf, niet echter geprovoceerd — betekent zij, dat de bourgeoisie, als leidende klasse van de maatschappij, heeft afgedaan en dat het uur geslagen is, waarop de onmiddellijke producenten de voortbrenging en verdeling van de goederen in handen kunnen nemen.
Als economische actie, plaats grijpend in de maatschappij zelve, in de fabrieken en werkplaatsen, op de akker, in de mijnen, staat de werkstaking naast en tegenover de parlementaire actie, vooropgesteld door de bourgeoispartijen en door de democraten, die zich socialisten noemen.
Naarmate de klassenstrijd een ernstiger karakter aanneemt; naarmate met de werkloosheid, de verarming, de knechtschap en de onderdrukking tevens wast onder de arbeidersklasse enerzijds het verzet tegen de onderdrukking, tegen de exploitatie van de heersende klassen, en aan de anderen kant het gevoel van onmacht, om door wetgevende arbeid op de basis van de kapitalistische voortbrengingswijze, de klasseoverheersing ter zijde te stellen — naar die mate zal deze economische actie, steeds krachtiger, intensiever, binnen groter kring zich openbarend, de parlementaire hervormingsarbeid op de achtergrond dringen.
Aangezien de emancipatiestrijd van het proletariaat onderstelt de algehele revolutionering van de productie- en toe-eigeningswijze, kan hij slechts internationaal, door het georganiseerd optreden van de arbeiders in massa worden voltrokken en heeft de individuele actie in deze strijd slechts in zoverre waarde, als zij het georganiseerd optreden van het proletariaat kan in de hand werken.
Blijft de individuele actie betreffen de strijd tegen het eigendom als maatschappelijke instelling, of tegen de regering in het algemeen, wordt zij niet geïnspireerd door eigenbelang, gelijk de diefstal dit gemeenlijk wordt, of door persoonlijke wraak tegen een overheidspersoon; maar wordt ze beheerst door de gevoelens in de mens van verzet tegen de tirannie en liefde voor de onderdrukten, is aldus de individuele actie in staat, om propagerend te werken onder de volksmassa’s en om begeestering te brengen onder de moedigste en meest doortastende van ons mensengeslacht, om de algemene bewondering af te dwingen; — dan is de individuele actie nuttig en hare uitwerking is gelijk aan die van de persoonlijke heldendaden in de geschiedenis van vroegere eeuwen en onder vorige mensengeslachten, toen de massabeweging zich minder kon uiten, dan de persoonlijke hoedanigheden van de individuen.
Het valt momenteel niet te beslissen, in hoeverre de individuele actie in een bepaalde fase van de revolutie meer dan nu zich zal uiten, hetzij bij het aantasten van bepaalde regeringspersonen, als handhavers van het eigendom van hun klasse, hetzij te midden van de massabeweging zelve, bij een werkstaking enz. Of eenmaal de individuele propaganda van de daad in de vorm van fysiek geweld onvermijdelijk zal worden en een grote, algemene betekenis zal verlangen, dat hangt geheel af van de ontwikkeling van de toestanden zelf, meer nog van de houding van de heersende klassen, dan van de trap van ontwikkeling, waarop de arbeidersorganisatie staat.
De onteigening van de heersende klassen, de daadwerkelijke inbezitneming van de grond en de machines, van fabrieken, werkplaatsen en magazijnen, van de middelen van vervoer en verkeer, van de woonhuizen — ze is op zichzelf reeds een daad van geweld. Is de revolutie in deze fase van de daadwerkelijke inbezitneming getreden, dan wordt zij vanzelf een gewelddadige revolutie. Een dwaasheid zou het zijn indien wij, revolutionaire communisten, onze overtuiging en onze bedoelingen dienaangaande wilden verbergen.
Hoe zich echter deze daadwerkelijke onteigening van de niet- producenten, van de grondbezitters en kapitalisten, zal voltrekken, dit wordt door de drang van de noodzakelijkheid bepaald.
Bij de tegenwoordige ontwikkeling van het militarisme in de grote militairstaten van de wereld: de voortdurende verbetering van de vuurwapens van de soldaten — geweren en kanonnen — gedurende de laatste halve eeuw; de grotere bedrevenheid bij de troepenaanvoerders en de militairen in het algemeen, in het vuurgevecht tegen een verspreiden en verschansten vijand;
bij de geheel onvoldoende bewapening anderzijds van de volksmassa’s; de omstandigheid, dat —zo niet het dragen van wapenen zelf reeds verboden is, de wapenoefeningen toch nagenoeg geheel tot het leger zijn bepaald;
bij de aanleg ten slotte van de nieuwe straten en de bouw van de volkswijken in onze grote steden, de centra van de industrie, vanwaar de eerste stoot van een gewelddadige revolutionaire beweging zal moeten uitgaan;
bij dit alles is het straatgevecht op de barricade — nog in het midden dezer eeuw een hoofdfactor in elke revolutionaire beweging van de arbeiders — een onmogelijkheid geworden.
het is verouderd, gelijk de bewapening zelve van de volksmassa’s in het midden dezer eeuw’ verouderd is.
Voor de zoveelste maal zij dit hier herhaald. Want dit moge worden beschouwd als overbodig voor de overtuigde communisten, die zich van de verandering van de strijdwijze voor het moderne proletariaat volkomen bewust zijn, die herhaling blijft toch noodzakelijk voor de vele niet-nadenkenden onder de massa’s, te midden van welke de oude, revolutionaire tradities van vóór enkele tientallen jaren, zolang nog zijn blijven voortleven.
De revolutionaire communisten leggen zich niet neer bij de verwachting, dat hun ernstig voortgezette propaganda ook onder de lotelingen, de miliciens en de reservisten bij leger en marine, het revolutionaire element in deze lichamen van zelf zal doen aangroeien, en dat wij slechts rustig de uitwerking dier propaganda zouden hebben af te wachten.
Het is voor hen niet voldoende te weten, dat het vertrouwen van de heersende klassen in dit krachtigste bolwerk van haar heerschappij door de ontwikkeling van de klassentegenstellingen zelf wordt geschokt.
De maatschappelijke ontwikkeling kan niet wachten op de uitwerking van de propaganda te midden van de gekazerneerde troepen, staande onder strenge discipline. En het zou een daad van krankzinnigheid en een misdaad tevens wezens, om de drommen van de ongewapende arbeiders in het straatgevecht aan te voeren tegen de militaire macht onzer dagen, tegen legerafdelingen, die in elk van onze militaire staten bij machte zouden wezen, om de gehele bevolking des lands uit te roeien. Een krankzinnigheid en een misdaad, wanneer men daarbij als enige hoop zou hebben te bouwen op de mogelijkheid van oproer onder de goed gevoede en aan strenge tucht gewende troepen zelf.
Wij kunnen de domheid, om op een oproer in het leger te wachten, slechts vergelijken met die andere: te verwachten, dat met behulp van het kiesbiljet niet slechts de meerderheid in de parlementen zal worden omgewerkt, maar dat ook alle hoge betrekkingen en posten van vertrouwen met behulp daarvan, door socialisten kunnen worden bezet; met het naïeve geloof, dat langs parlementairen weg ten slotte ook de leiding over het leger in handen zou kunnen komen van zogenoemde volksmannen, terwijl de tegenwoordige regeerders zich allengs in alle gemoedelijkheid met een glimlach van welwillendheid om de lippen zouden terugtrekken.
De vertelling, dat vreedzaam, langs de weg door het stembiljet gebaand, de aanvoering van de legermassa’s van zelf zal worden overgedragen aan de gekozenen des volks, behoort te worden verwezen naar de plaats, waar zulke vertellingen tehuis behoren, naar de kinderkamer.
“Indien de regeringen zich gewapenderhand tegen de wil des volks verzetten”, zo zeggen ons sommigen onzer parlementaire socialisten, dan hebben wij het ogenblik af te wachten, dat alzo de bezittende klassen zelf de revolutie beginnen. Maar nog eenmaal, het zou dwaasheid zijn en een misdaad, om op deze wijze de kapitalistische regeringen het geschikte ogenblik voor een revolutie, zowel als de manier waarop die revolutie gestreden zal worden, zelf te laten kiezen.
Kan er dus niet op een oproer te midden van de legers met vastheid worden vertrouwd, dan staat het vast (gegeven zijnde het militarisme in onze moderne staten en de onwil van de bezitters, om van hunne eigendomsrechten en hunne klassenprivileges afstand te doen gegeven anderzijds de zucht, levende zowel in gehele volken als in individuen, om te waken tegen algehele materiële, geestelijken en zedelijke ondergang) dat de arbeidersbeweging in de toekomst één van deze twee wegen wordt opgedrongen:
Indien de bereiding van springstoffen binnen de periode, waarin de strijd tegen de bourgeoisie zich allengs moet voltrokken hebben, dermate wordt vereenvoudigd, dat een dezer stoffen met recht een proletariërswapen kan worden, te bereiden en aan te wenden zonder al te groot levensgevaar voor de gebruiker, en waarborgend de nodige zekerheid van treffen, dan zal deze nieuwe bewapening van de arbeiders een rol kunnen vervullen voor de emancipatie van het proletariaat, zoals die in West-Europa het buskruit vervulde voor de bevrijding van de bevolking van de middeleeuwse steden. De bewapening onzer legers met geweren en kanonnen, de gehele kazernering en oefening van de troepen waardoor het moderne militarisme een wapen kan zijn in de hand van de heersende klassen, verouderen dan evenzeer, als de zwaarden en harnassen van de middeleeuwse edellieden en hunne door wallen en grachten omgeven riddersloten verouderd zijn.
Neemt daarentegen de vereenvoudiging van de bereiding en de gemakkelijkheid van het gebruik van de huidige bekende, of nieuw te vinden explosieve stoffen niet dermate toe, als hier werd verondersteld; of wordt een nieuwe bewapening, die het proletariaat in staat zou stellen in een gewelddadige strijd de bourgeoisie te weerstaan, gevonden in een te laat tijdvak van de geschiedenis, om nog een rol van betekenis te kunnen vervullen in de revolutie van het proletariaat — dan zullen de volksmassa’s door nood op de weg van de guerrillaoorlog gedwongen worden.
Dan zal wederom in de geschiedenis van de volken een periode worden geopend, gelijk ons de middeleeuwen deden aanschouwen in Europa, onder het tijdvak van de Jacquerie[17] in Frankrijk en van de veemgerichten en het “vuistrecht” in Duitsland. Dan volgt een worsteling gelijk ze in onze eeuw zich afspeelt in de strijd van de minder ontwikkelde en slecht gewapende volksrassen van de koloniën tegen de meer ontwikkelde, goed gedisciplineerde en in de oorlog geoefende soldaten van onze moderne handelden koloniaalstaten.
De geschiedenis leert, dat een onderdrukt volk, in aantal machtiger, maar in bewapening en bedrevenheid in de oorlog zwakker dan zijne onderdrukkers, onvermijdelijk in de strijd voor zijn bevrijding of het behoud van zijn onafhankelijkheid wordt gedreven tot een strijd in het geheim en in het duister, aanvullende daarbij door behendigheid en list, wat het in macht van wapenen te kort mocht komen.
Gevloekt zij de bourgeoisie, wanneer zóó de bevrijding van het proletariaat zich zou moeten voltrekken!
Moet toch onder zulke weeën de communistische gemeenschap tevoorschijn treden uit de oude, kapitalistische maatschappij, dat dan de volken — dat de heersende klassen bovenal — weten, wat er te wachten staat.
Dan zal het tijdvak van de werkstakingen, momenteel nog betrekkelijk kalm, zich vervormen tot een periode van internationalen burgeroorlog.
Dan gaan de moderne volken tegemoet een eeuw van onafgebroken worsteling, door geen geregeld leger te dempen; een kamp, waarin de arbeidersorganisaties, herhaaldelijk geslagen en door de honger gedwongen, weder aan de arbeid te gaan, echter na elke vruchteloze werkstaking steeds weer zullen terugkomen, om hun meesters de heerschappij te betwisten in fabrieken en werkplaatsen, op veld en akker.
Dan zien wij die duizenden afzonderlijke gevechten, in alle landen gestreden, in de toekomst samensmelten tot een algemene strijd over de gehele linie — een strijd van de volksmassa's, inmiddels internationaal verenigd, in de lokalen en gewestelijke strijd gestaald en onoverwinbaar in hun bergen verzettend geloof aan een betere toekomst tegen de door de belangenstrijd verdeelde klassen van overweldigers, die wanhopig en onmachtig daar zouden staan, sedert de proletariërs zich niet meer laten verlokken tot straatgevechten op de barricades.
Ook in zulk een vóór ons liggende periode van worsteling kunnen nog de daden van persoonlijke moed en toewijding, die daarbij op de voorgrond komen, slechts de uitdrukking zijn van een voorbijgaande strijdwijze en blijft de individuele actie betreffen de tijdelijke tactiek in de klassenstrijd, niet de machtige arbeid van de regeling van de productie en verdeling van de goederen, die nog steeds de georganiseerden producenten blijft wachten.
Deze laatste blijft de roeping, die de arbeidersklasse heeft te vervullen in de communistische gemeenschap en daarop blijft steeds van de kant van de revolutionaire communisten de aandacht gevestigd.
In de klassenstrijd zullen de organisaties van de revolutionaire communisten vormen vrijkorpsen, die de ziel kunnen zijn van de internationale arbeidersbeweging.
Zij zullen de voortstuwende kracht blijven, het zout van de beweging en kunnen dat zijn, zolang zij zich geroepen achten, overal te verschijnen, waar de klassenstrijd het hevigst wordt gevoerd, overal, waar van de kant van de strijders de hoogste moed, de grootste zelfopoffering wordt vereist.
De revolutionaire communisten zijn bereid, op internationale congressen gedachtewisseling te voeren met alle arbeidersorganisaties van de wereld zonder onderscheid.
Zij wensen dat het helderste licht opga over de verhoudingen in de internationale arbeidersbeweging en over de tactiek in de klassenstrijd.
Maar zij behouden hun vrijheid van handelen voor en wensen zich niet door bindende besluiten te onderwerpen aan een gecentraliseerde macht, onverschillig of deze wordt bestuurd van uit Berlijn of Londen, Parijs of New York.
Van hun kant zullen de revolutionaire communisten de vrijheid van anderen weten te eerbiedigen. En hoezeer zelf anti-parlementair, zullen zij toch in eigen groepen geen van de hen de dwang willen opleggen, zich te onthouden van de verkiezingen voor enig lichaam van vertegenwoordiging, noch in enig ander opzicht hun vrijheid van denken en handelen willen onderdrukken.
Maar zij wensen omgekeerd ook eigen meningen vrij te kunnen uiten. En hun eigen innige overtuiging, dat de emancipatiestrijd van de arbeiders in de maatschappij zelf zal moeten woorden uitgevochten, deze overtuiging verlangen zij niet te onderdrukken ter wille van de afgevaardigdenbelangen van socialistische of burgerlijk radicale parlementsleden.
Dat de georganiseerde arbeiders aller landen spoedig overtuigd mogen wezen van de waarheid, welke ontwikkeling dit geschrift beoogt — dat ze hun brood en hun vrijheid niet hebben te winnen bij de wetgevende arbeid in het bourgeoisparlement of op het raadhuis; maar de revolutionairen strijd in werkelijkheid in de economische strijd ligt,, gevoerd in de fabriek, in de werkplaats, op het bureau en op de akker!