Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


namespace:de_twee_grote_wetten_der_natuur

Verschillen

Dit geeft de verschillen weer tussen de geselecteerde revisie en de huidige revisie van de pagina.

Link naar deze vergelijking

Beide kanten vorige revisie Vorige revisie
namespace:de_twee_grote_wetten_der_natuur [18/04/20 18:07]
defiance
namespace:de_twee_grote_wetten_der_natuur [18/04/20 18:15] (huidige)
defiance
Regel 19: Regel 19:
 Zietdaar, wat Darwin al heeft opgemerkt en wat bevestigd wordt door de dagelijkse ervaringen die men opdoet. Zietdaar, wat Darwin al heeft opgemerkt en wat bevestigd wordt door de dagelijkse ervaringen die men opdoet.
  
-Reeds Malthus spreekt hierover en al gebruikt hij ook een ander woord, zijn strijd om het bestaan (struggle for existence) is toch precies hetzelfde als Darwin'​s strijd om het leven (struggle for life). Hij zegt: ‘een mens, die geboren wordt in een reeds bezette wereld, heeft niet het minste recht op enig voedsel, als zijn familie niet de middelen heeft om hem te voeden of als de maatschappij het werk van dien man niet behoeft: hij is inderdaad te veel op de aarde. Aan de grote maaltijd der natuur is geen couvert voor hem gedekt. De natuur gebiedt hem weg te gaan en zij talmt niet om dit bevel zelf ten uitvoer te brengen. Waar de natuur zich belast met het bestuur en bestraffing,​ daar zou het een verachtelijke eerzucht zijn, om haar de schepter ​uit de hand te nemen. De mens moet dus overgeleverd worden aan de kastijding, die de natuur hem oplegt door hem te straffen voor zijn armoede. Men moet hem leren, dat de wetten der natuur hem en zijn gezin veroordelen tot lijden en dat, als hij en zijn gezin bewaard worden voor de hongerdood, zij dit verschuldigd zijn aan een medelijdenden weldoener, die door ze te helpen ongehoorzaam is aan de wetten der natuur. De rechtvaardigheid en de eer leggen ons de plicht op, om het vermeende recht der armen op ondersteuning formeel te ontkennen’.+Reeds Malthus spreekt hierover en al gebruikt hij ook een ander woord, zijn strijd om het bestaan (struggle for existence) is toch precies hetzelfde als Darwin'​s strijd om het leven (struggle for life). Hij zegt: ‘een mens, die geboren wordt in een reeds bezette wereld, heeft niet het minste recht op enig voedsel, als zijn familie niet de middelen heeft om hem te voeden of als de maatschappij het werk van dien man niet behoeft: hij is inderdaad te veel op de aarde. Aan de grote maaltijd der natuur is geen couvert voor hem gedekt. De natuur gebiedt hem weg te gaan en zij talmt niet om dit bevel zelf ten uitvoer te brengen. Waar de natuur zich belast met het bestuur en bestraffing,​ daar zou het een verachtelijke eerzucht zijn, om haar de scepter ​uit de hand te nemen. De mens moet dus overgeleverd worden aan de kastijding, die de natuur hem oplegt door hem te straffen voor zijn armoede. Men moet hem leren, dat de wetten der natuur hem en zijn gezin veroordelen tot lijden en dat, als hij en zijn gezin bewaard worden voor de hongerdood, zij dit verschuldigd zijn aan een medelijdenden weldoener, die door ze te helpen ongehoorzaam is aan de wetten der natuur. De rechtvaardigheid en de eer leggen ons de plicht op, om het vermeende recht der armen op ondersteuning formeel te ontkennen’.
  
 Ontegenzeggelijk heeft Malthus veel invloed gehad op Darwin en omgekeerd hebben de leerlingen van Malthus er Darwin bijgehaald, om gewapend met de wet der natuurlijke teeltkeus te roepen: de armen, de onterfden hebben geen recht om aan te zitten aan de maaltijd des levens, geen recht dus op het leven. Ontegenzeggelijk heeft Malthus veel invloed gehad op Darwin en omgekeerd hebben de leerlingen van Malthus er Darwin bijgehaald, om gewapend met de wet der natuurlijke teeltkeus te roepen: de armen, de onterfden hebben geen recht om aan te zitten aan de maaltijd des levens, geen recht dus op het leven.
Regel 113: Regel 113:
 Zij hebben natuurlijk hun voorgangers gehad, zoals een Lamarck in Frankrijk en een Goethe in Duitsland, ja, door alle eeuwen kan men zeggen dat wij hier en daar stuiten op mannen, die wel is waar bij gebrek aan feiten geen voldoende bewijzen konden aanbrengen, maar die als het ware een voorgevoel hadden van de werkelijke gang van zaken. Zij hebben natuurlijk hun voorgangers gehad, zoals een Lamarck in Frankrijk en een Goethe in Duitsland, ja, door alle eeuwen kan men zeggen dat wij hier en daar stuiten op mannen, die wel is waar bij gebrek aan feiten geen voldoende bewijzen konden aanbrengen, maar die als het ware een voorgevoel hadden van de werkelijke gang van zaken.
  
-Zo is bijv. het leerdicht van Lucretius Carus, getiteld: De rerum natura (over de natuur der dingen) helemaal in die geest vervaardigd. Of wat is het anders, als hij zegt:+Zo is bijv. het leerdicht van Lucretius Carus, getiteld: ​//De rerum natura// (over de natuur der dingen) helemaal in die geest vervaardigd. Of wat is het anders, als hij zegt:
    
 Destijds moesten toch reeds verschillende soorten van wezens, Destijds moesten toch reeds verschillende soorten van wezens,
Regel 147: Regel 147:
 Kan, wat zij konde, niet meer; brengt, wat zij weleer niet gebracht heeft. Kan, wat zij konde, niet meer; brengt, wat zij weleer niet gebracht heeft.
  
-Aan een artikel uit De Gids van Augustus 1908 ontlenen wij het volgende omtrent ​prae-darwinisten. Zekere Monboddo wilde volgens een boek van Martinus Stuart de mens vernederen door de afschuwelijke ourang-outang zijn broeder te noemen. En de schrijver van dat artikel, dr. Kohlbrugge ontdekte, dat er op het einde der 18e en het begin der 19e eeuw een heftige strijd is gestreden tussen de eerste geleerden, onder wie genoemd worden Herder, Blumenbach, Camper, Lavater, Buffon, Forster Cuvier, die allen front maakten tegen den bovengenoemden lord Monboddo en hij ontdekte een boek van zekeren med. dokter Doornik, getiteld: Wijsgerig natuurkundig onderzoek aangaande de oorspronkelijke mens, uitgegeven in 1808, waarin het Darwinisme werd verdedigd en bepleit, meer dan een halve eeuw vóór Darwin.+Aan een artikel uit De Gids van Augustus 1908 ontlenen wij het volgende omtrent ​pre-darwinisten. Zekere Monboddo wilde volgens een boek van Martinus Stuart de mens vernederen door de afschuwelijke ourang-outang zijn broeder te noemen. En de schrijver van dat artikel, dr. Kohlbrugge ontdekte, dat er op het einde der 18e en het begin der 19e eeuw een heftige strijd is gestreden tussen de eerste geleerden, onder wie genoemd worden Herder, Blumenbach, Camper, Lavater, Buffon, Forster Cuvier, die allen front maakten tegen den bovengenoemden lord Monboddo en hij ontdekte een boek van zekeren med. dokter Doornik, getiteld: Wijsgerig natuurkundig onderzoek aangaande de oorspronkelijke mens, uitgegeven in 1808, waarin het Darwinisme werd verdedigd en bepleit, meer dan een halve eeuw vóór Darwin.
  
 Maar - en dit is de verdienste van Darwin - door diens onderzoekingen is hetgeen men vermoedde, eerst tot zekerheid geworden en vandaar dat zijn naam wel steeds zal verbonden blijven aan de gehele ontwikkelingsleer. Maar - en dit is de verdienste van Darwin - door diens onderzoekingen is hetgeen men vermoedde, eerst tot zekerheid geworden en vandaar dat zijn naam wel steeds zal verbonden blijven aan de gehele ontwikkelingsleer.
Regel 201: Regel 201:
 Met dat geweten is al wat rondgesold. Velen beschouwden het als een bijzonder door God in ons gelegd orgaan, maar hoe valt dit te verdedigen? Immers, hoe verschillend spreekt het bij onderscheidene volkeren op verschillende trappen van ontwikkeling. Dat zogenaamd geweten laat zich helemaal leiden door de gebruiken, die heersen in de wereld waarin men verkeert. De stem van het geweten zou men kunnen noemen het resultaat van de sociale toestand te midden waarvan men leeft. Het hele begrip van goed en kwaad ontwikkeld zich uit de behoefte van de maatschappij,​ uit de onderlinge betrekking tussen de individuen. Dit begrip is in verhouding tot de mate van sociale ontwikkeling in de dierenmaatschappijen evenzo ontwikkeld als in de mensenmaatschappijen. In het gezin ziet men het begrip van goed en kwaad in den beginne beperkt tot de gehoorzaamheid aan de ouders, en dus tot de vervulling der plichten, door deze aan hen opgelegd. Men ga een katten- of berenfamilie na, lette op de gebaren der jongen, hun opvoeding door de ouden en men vrage zich dan af, of men hier niet het beeld van een menselijk huisgezin voor zich heeft, met al die uitingen van het begrip van goed en kwaad, die men maar zou kunnen verlangen. Noem het vrij een katten- of berenmoraal,​ die den jongen wordt geleerd en ingeprent, het is toch een moraal en het jonge katje, dat niet luistert naar de roepstem zijner moeder, de tweejarige beer, die niet behoorlijk zorgt voor zijn broertjes en zusjes, krijgen evengoed knoren en oorvijgen, als de lieve mensenkinderen,​ als deze het grondbegrip der menselijke en christelijke moraal, de kinderlijke gehoorzaamheid,​ niet betrachten. Met dat geweten is al wat rondgesold. Velen beschouwden het als een bijzonder door God in ons gelegd orgaan, maar hoe valt dit te verdedigen? Immers, hoe verschillend spreekt het bij onderscheidene volkeren op verschillende trappen van ontwikkeling. Dat zogenaamd geweten laat zich helemaal leiden door de gebruiken, die heersen in de wereld waarin men verkeert. De stem van het geweten zou men kunnen noemen het resultaat van de sociale toestand te midden waarvan men leeft. Het hele begrip van goed en kwaad ontwikkeld zich uit de behoefte van de maatschappij,​ uit de onderlinge betrekking tussen de individuen. Dit begrip is in verhouding tot de mate van sociale ontwikkeling in de dierenmaatschappijen evenzo ontwikkeld als in de mensenmaatschappijen. In het gezin ziet men het begrip van goed en kwaad in den beginne beperkt tot de gehoorzaamheid aan de ouders, en dus tot de vervulling der plichten, door deze aan hen opgelegd. Men ga een katten- of berenfamilie na, lette op de gebaren der jongen, hun opvoeding door de ouden en men vrage zich dan af, of men hier niet het beeld van een menselijk huisgezin voor zich heeft, met al die uitingen van het begrip van goed en kwaad, die men maar zou kunnen verlangen. Noem het vrij een katten- of berenmoraal,​ die den jongen wordt geleerd en ingeprent, het is toch een moraal en het jonge katje, dat niet luistert naar de roepstem zijner moeder, de tweejarige beer, die niet behoorlijk zorgt voor zijn broertjes en zusjes, krijgen evengoed knoren en oorvijgen, als de lieve mensenkinderen,​ als deze het grondbegrip der menselijke en christelijke moraal, de kinderlijke gehoorzaamheid,​ niet betrachten.
  
-Brehm verschaft in zijn ‘Illustrirtes Thierleben’ ten opzichte der dierenmaatschappijen alleraardigste gegevens. Hij verhaalt dat het lid van een troep apen, dat de meeste ervaring bezit, aanvoerder of leidaap wordt. Deze waardigheid krijgt hij niet door het algemeen kiesrecht, maar na hardnekkige strijd met andere mededingers,​ zodat het recht van den sterkste de beslissing geeft. Het zijn de langste tanden en de sterkste armen die de doorslag geven. Wie zich niet onderwerpen wil, die wordt mores geleerd (een woord, afgeleid van mos, gebruik, wat tevens de stam is van het woord moraliteit, dus de leer van de mores of gebruiken). In zijn tanden zit dus zijn wijsheid. Nu is dit zeer verklaarbaar,​ daar de oudste apen steeds ook de sterkste zijn en aan hen moeten de jongere onervarene zich goed- of kwaadschiks onderwerpen. De leidaap verlangt en geniet onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Ridderlijke galanterie is hem niet eigen, stormenderhand verovert hij het loon der min. Het ius primae noctis (het recht van de eerste nacht) geldt nog heden. Hij wordt stamvader van een volk en zijn geslacht vermenigvuldigt zich. Geen enkel vrouwelijk lid der troep mag zich overgeven aan een onnozele minnarij met den een of anderen vlasbaard. Zijn ogen zijn scherp en zijn tucht is zeer streng, hij verstaat geen gekscheren in liefdezaken. Ook de apinnen, die zich, of liever hem, vergeten, krijgen zoveel muilperen en worden zodanig door hem gepluk haard, dat de lust tot verboden omgang met andere leden der troep haar zeker vergaat; nog erger gaat het met den apenjongeling,​ die de wetten des harems van den op zijn recht trotsen sultan overtreedt....+Brehm verschaft in zijn ‘Illustrirtes Thierleben’ ten opzichte der dierenmaatschappijen alleraardigste gegevens. Hij verhaalt dat het lid van een troep apen, dat de meeste ervaring bezit, aanvoerder of leidaap wordt. Deze waardigheid krijgt hij niet door het algemeen kiesrecht, maar na hardnekkige strijd met andere mededingers,​ zodat het recht van den sterkste de beslissing geeft. Het zijn de langste tanden en de sterkste armen die de doorslag geven. Wie zich niet onderwerpen wil, die wordt mores geleerd (een woord, afgeleid van mos, gebruik, wat tevens de stam is van het woord moraliteit, dus de leer van de mores of gebruiken). In zijn tanden zit dus zijn wijsheid. Nu is dit zeer verklaarbaar,​ daar de oudste apen steeds ook de sterkste zijn en aan hen moeten de jongere onervarene zich goed- of kwaadschiks onderwerpen. De leidaap verlangt en geniet onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Ridderlijke galanterie is hem niet eigen, stormenderhand verovert hij het loon der min. Het //ius primae noctis// (het recht van de eerste nacht) geldt nog heden. Hij wordt stamvader van een volk en zijn geslacht vermenigvuldigt zich. Geen enkel vrouwelijk lid der troep mag zich overgeven aan een onnozele minnarij met den een of anderen vlasbaard. Zijn ogen zijn scherp en zijn tucht is zeer streng, hij verstaat geen gekscheren in liefdezaken. Ook de apinnen, die zich, of liever hem, vergeten, krijgen zoveel muilperen en worden zodanig door hem gepluk haard, dat de lust tot verboden omgang met andere leden der troep haar zeker vergaat; nog erger gaat het met den apenjongeling,​ die de wetten des harems van den op zijn recht trotsen sultan overtreedt....
  
 Voor het overige oefent de leidaap zijn ambt met grote waardigheid uit. Reeds de achting, die hij geniet, geeft hem een zekere zelfstandigheid en vastheid in zijn handelingen die aan zijn ondergeschikten ontbreekt; hij wordt door deze op allerlei wijzen gevleid. Zo trachten de apinnen de hoogste gunst te ontvangen, die een aap kan betonen of ontvangen. Zij beijveren zich namelijk om zijn harige huid van lastige parasieten te zuiveren en hij laat zich die hulde welgevallen met al de waardigheid van een pacha, wien zijn geliefde slavin de voetzolen kittelt. Hij zorgt omgekeerd voor de zekerheid zijner ondergeschikten en is daardoor in groter onrust dan zij. Naar alle zijden wendt hij zijn blikken, geen wezen vertrouwt hij en zo ontdekt hij ook bijna altijd te rechter tijd elk dreigend gevaar. Voor het overige oefent de leidaap zijn ambt met grote waardigheid uit. Reeds de achting, die hij geniet, geeft hem een zekere zelfstandigheid en vastheid in zijn handelingen die aan zijn ondergeschikten ontbreekt; hij wordt door deze op allerlei wijzen gevleid. Zo trachten de apinnen de hoogste gunst te ontvangen, die een aap kan betonen of ontvangen. Zij beijveren zich namelijk om zijn harige huid van lastige parasieten te zuiveren en hij laat zich die hulde welgevallen met al de waardigheid van een pacha, wien zijn geliefde slavin de voetzolen kittelt. Hij zorgt omgekeerd voor de zekerheid zijner ondergeschikten en is daardoor in groter onrust dan zij. Naar alle zijden wendt hij zijn blikken, geen wezen vertrouwt hij en zo ontdekt hij ook bijna altijd te rechter tijd elk dreigend gevaar.
namespace/de_twee_grote_wetten_der_natuur.txt · Laatst gewijzigd: 18/04/20 18:15 door defiance