Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


namespace:mijn_afscheid_van_de_kerk

Verschillen

Dit geeft de verschillen weer tussen de geselecteerde revisie en de huidige revisie van de pagina.

Link naar deze vergelijking

Beide kanten vorige revisie Vorige revisie
namespace:mijn_afscheid_van_de_kerk [21/04/20 17:23]
defiance
namespace:mijn_afscheid_van_de_kerk [21/04/20 17:37] (huidige)
defiance
Regel 20: Regel 20:
 ===== I. Uiteenzetting van beginselen ===== ===== I. Uiteenzetting van beginselen =====
  
-Mijn besluit, om de plaats die ik in de kerk bekleedde, vaarwel te zeggen, is u bekend. Sommigen heeft het misschien bevreemd, anderen verheugd, maar gij, die gewoon zijt te dezer plaatse te komen onder mijn gehoor, gij wenscht zeker wel te weten de redenen die mij tot dat besluit brachten. In zekeren zin hebt gij er recht op. Ik zal voldoen aan die begeerte en zal dientengevolge allereerst u voorlezen den brief door mij gericht aan den kerkeraad dezer gemeente, voor zooverre deze de redenen omvat, die ik daar ontvouwde. De brief luidt aldus: “steeds leefde ik in de illusie, dat de kerk vervuld kon worden met nieuw leven, dat zij wederom de maatschappij,​ de samenleving kon bezielen , maar meer en meer heb ik ingezien, dat de kerk als zoodanig niet in staat is die taak te aanvaarden, dat zij staat en steeds meer staan zal naast de maatschappij als een overblijfsel uit het verleden zonder kracht en heerlijkheid,​ alleen door sleur en gewoonte een kwijnem! bestaan voortslepende. Omdat ik dat bemerkt heb, is het onmogelijk langer te arbeiden aan die kerk, want niets is meer doodend voor alle geestdrift, werkt meer demoraliseerend dan te arbeiden aan een dood lichaam, dat door kunstmiddelen ietwat in het aanzijn verlengd, maar onmogelijk gezond en krachtig kan worden.+Mijn besluit, om de plaats die ik in de kerk bekleedde, vaarwel te zeggen, is u bekend. Sommigen heeft het misschien bevreemd, anderen verheugd, maar gij, die gewoon zijt te dezer plaatse te komen onder mijn gehoor, gij wenscht zeker wel te weten de redenen die mij tot dat besluit brachten. In zekeren zin hebt gij er recht op. Ik zal voldoen aan die begeerte en zal dientengevolge allereerst u voorlezen den brief door mij gericht aan den kerkeraad dezer gemeente, voor zooverre deze de redenen omvat, die ik daar ontvouwde. De brief luidt aldus: “steeds leefde ik in de illusie, dat de kerk vervuld kon worden met nieuw leven, dat zij wederom de maatschappij,​ de samenleving kon bezielen , maar meer en meer heb ik ingezien, dat de kerk als zoodanig niet in staat is die taak te aanvaarden, dat zij staat en steeds meer staan zal naast de maatschappij als een overblijfsel uit het verleden zonder kracht en heerlijkheid,​ alleen door sleur en gewoonte een kwijnen! bestaan voortslepende. Omdat ik dat bemerkt heb, is het onmogelijk langer te arbeiden aan die kerk, want niets is meer doodend voor alle geestdrift, werkt meer demoraliseerend dan te arbeiden aan een dood lichaam, dat door kunstmiddelen ietwat in het aanzijn verlengd, maar onmogelijk gezond en krachtig kan worden.
  
-Het bestaan der kerkgenootschappen staat hinderlijk in den weg aan het humanisme, wat maar mijn heilige overtuiging het hoogste is. Voor mij is niet het chrislenzijn, maar hel mensch-zijn de hoofdzaak. Voor een kerkgenootschap is het omgekeerde het geval. Daarom misschien bleef het idee van kerk verre van Jezus, bij wien het menschzijn ging boven de perken van geloof en nationaliteit,​ van stand en ras. Zoo is de kerk te eng, te bekrompen Zoo staat de kerk in beginsel tegenover de humaniteit. Naarmate nu de humaniteit door mij als het hoogste wordt geacht, +Het bestaan der kerkgenootschappen staat hinderlijk in den weg aan het humanisme, wat maar mijn heilige overtuiging het hoogste is. Voor mij is niet het christenzijn, maar het mensch-zijn de hoofdzaak. Voor een kerkgenootschap is het omgekeerde het geval. Daarom misschien bleef het idee van kerk verre van Jezus, bij wien het menschzijn ging boven de perken van geloof en nationaliteit,​ van stand en ras. Zoo is de kerk te eng, te bekrompenZoo staat de kerk in beginsel tegenover de humaniteit. Naarmate nu de humaniteit door mij als het hoogste wordt geacht, 
-verliest de kerk voor mij haar waarde en moet de dag door mij gezegend worden, waarop die kerk onder dankzegging voor de bewezen diensten ter' ​aarde wordt besteld. Altijd meende ik dat hare grenspalen uitgezet konden worden, maar steeds is het mij gebleken, ​dát zij dat niet kon toestaan, tenzij zij haar eigen karakter verloor, dus met andere woorden, haar eigen doodvonnis uitsprak.+verliest de kerk voor mij haar waarde en moet de dag door mij gezegend worden, waarop die kerk onder dankzegging voor de bewezen diensten ter aarde wordt besteld. Altijd meende ik dat hare grenspalen uitgezet konden worden, maar steeds is het mij gebleken, ​dat zij dat niet kon toestaan, tenzij zij haar eigen karakter verloor, dus met andere woorden, haar eigen doodvonnis uitsprak.
  
 ... Als dienaar der kerk en door haar bezoldigd mag ik het kerkgebouw niet beschouwen als de openbare spreekplaats,​ waar ik door mijn prediking ondermijn, wat juist het wezen der kerk uitmaakt. Met de eene hand afbreken wat men met de andere opbouwt, is een even verdrietig als onbegonnen werk. Welnu, te werken aan de bevordering van het humanisme en dat te doen als voorganger in een kerk, die staat in beginsel tegenover het humanisme, dat kan en mag ik niet doen, nu het mij helder is geworden. Mijn geweten verbiedt mij dus, langer aan het hoofd der gemeente te staan."​ ... Als dienaar der kerk en door haar bezoldigd mag ik het kerkgebouw niet beschouwen als de openbare spreekplaats,​ waar ik door mijn prediking ondermijn, wat juist het wezen der kerk uitmaakt. Met de eene hand afbreken wat men met de andere opbouwt, is een even verdrietig als onbegonnen werk. Welnu, te werken aan de bevordering van het humanisme en dat te doen als voorganger in een kerk, die staat in beginsel tegenover het humanisme, dat kan en mag ik niet doen, nu het mij helder is geworden. Mijn geweten verbiedt mij dus, langer aan het hoofd der gemeente te staan."​
  
-Ik weet zeer goed M.H.! dat die redenen niet door allen worden gedeeld. Ik weet hoe er gevonden worden die meenen: gij hebt een nuttigen werkkring, waarin gij uwe beginselen kunt verbreiden, gij hebt een openbare spreekplaats in de kerk, waar gij vrij en ongehinderd het woord kunt spreken gelijk de geest het u ingeeft, zonder dat anderen ​zulks kunnen beletten, waarom geeft ge dat op? Kunt ge niet nuttiger werken binnen de kerk voor uwe beginselen dan daarbuiten? Zeker, ware ik gebonden geweest door knellende reglementen,​ ik had reeds lang mijn plaats ​Opgegeven, maar we leven in de kerk eigenlijk in een toestand van regeeringloosheid,​ waarin ieder doet wat hij wil en waar hoogere kerkbesturen bij klachten wel altijd een uitweg vinden, om niet genoodzaakt te zijn den kettermeester te spelen. Gij zijt ook mijn getuigen, dat ik vrij en frank mijn meeningen heb verkondigd, aan ieder de vrijheid latende mij aan te klagen, waar hij meende dat ik de perken der wet overtrad. Zelfs is dit wel eens beproefd, maar de rekbaarheid en vaagheid der reglementen moesten de aanklagers doen verstommen. Toch zijn er grenzen, en een kerk met volkomen leervrijheid heft zichzelve op. Nu moet ieder voor zich weten, in hoeverre hij binnen de grenzen blijft. Niemand kan vooral daarin rechter zijn over eens anders geweten. Buitendien een van beiden moet geschieden: òf de kerk moet vooruitgaan en dus bezield worden met een nieuwen geest , maar dan werkt zij aan haar eigen vernietiging als kerk, om zich op te lossen in de maatschappij,​ òf wel zij moet het oude kerkbegrip handhaven, zij het dan ook in moderne vormen, maar dan komt zij meer en meer te staan tegenover en naast de maatschappij,​ die niets meer wil weten van bekrompen kerkendom, wat voor velen niets anders is dan kerkendomheid. Wat toch is een kerk? Of liever, want wij protestanten kunnen ​eigendijk ​niet meer spreken over de kerk, dat is goed op katholiek standpunt, ik bedoel, wat is een kerkgenootschap?​ Is het niet een vereeniging van menschen, die op een bepaalde wijze den weg der zaligheid zoeken te vinden? Ik ben Luthersch of Kalvinist, wil dus zeggen: ik tracht de zaligheid te verkrijgen langs den weg, die is aangegeven door Luther of Kalvijn. Maar dat bedoelt men er nu niet meer onder. Ik geef dat toe, maar waarom noemt men zich dan nog Luthensch of Kalvinist? Dat is een geschiedkundige onderscheiding uit het verleden. Mij is het wel, maar als het geen beteekenis meer heeft, dan is het uitgediend. Ik gebruik toch niet meer de munt die eenmaal gangbaar was, al gaf zij vroeger een onderscheiding in de geldsoorten,​ ik doe haar in een penning kabinet, waar zij gezien kan worden door alle liefhebbers van oude munten. Zoo ook hier. Als predikant der Luthersche Gemeente moet niets mij liever zijn, dan dat vele, kan het zijn, alle inwoners onzer stad zich aansluiten aan die gemeente; mijn hoogste wensch, mijn streven moet het wezen zoovelen mogelijk te vangen in de netten van het Lutherdom; over elke ziel, die door mijn toedoen wordt toegebracht aan de gemeente, moet de kerkeraad vreugde hebben meer dan over die anderen, die daarbuiten staan. Zoodra iemand mij zegt, dat hij Luthersch is, moet het mij goed doen aan mijn hart, dadelijk ontstaat er een gevoel van verwantschap,​ als waren wjj oude bekenden, broeders. Wordt er een kind geboren, ik moet trachten het door den doop bij voorbant ​in te lijven in die kerk, opdat het doopboek de namen aanwijst van velen; vordert het in leeftijd, ik moet trachten het bij mij in de leer te krijgen, opdat het van jongsaan kan ingeleid worden in den besten, eigentlijk eenigen weg ter zaligheid. Al geef ik toe, dat ook in andere kerkgenootschappen goede en brave menschen gevonden kunnen worden, ze zullen toch nog beter zijn als zij tot de Luthersche kerk behooren. Het is bekend dat de Augsburgsche geloofsbelijdenis niet uitmunt door een liefderijken en verdrangzamen geest tegenover andersdenkenden,​ zij verdoemt ze eenvoudig. Zalig kannen ​alleen de Lutherschen worden. Dit doet mij denken aan een oprecht Lutheraan onzer dagen, die eens gevraagd werd: maar zoudt ge dan inderdaad meenen dat alle gereformeerden verdoemd waren? en daarop antwoordde: Ja, zeker, mits dat zij eerst Luthersch worden. Ge ziet, hij had een Lutherschen hemel evenals de Gereformeerden een Gereformeerden hemel en de Doopsgezinden een Mennisten-hemel hebben, in heerlijkheid allen overtreffende.+Ik weet zeer goed M.H.! dat die redenen niet door allen worden gedeeld. Ik weet hoe er gevonden worden die meenen: gij hebt een nuttigen werkkring, waarin gij uwe beginselen kunt verbreiden, gij hebt een openbare spreekplaats in de kerk, waar gij vrij en ongehinderd het woord kunt spreken gelijk de geest het u ingeeft, zonder dat anderen ​in zulks kunnen beletten, waarom geeft ge dat op? Kunt ge niet nuttiger werken binnen de kerk voor uwe beginselen dan daarbuiten? Zeker, ware ik gebonden geweest door knellende reglementen,​ ik had reeds lang mijn plaats ​opgegeven, maar we leven in de kerk eigenlijk in een toestand van regeeringloosheid,​ waarin ieder doet wat hij wil en waar hoogere kerkbesturen bij klachten wel altijd een uitweg vinden, om niet genoodzaakt te zijn den kettermeester te spelen. Gij zijt ook mijn getuigen, dat ik vrij en frank mijn meeningen heb verkondigd, aan ieder de vrijheid latende mij aan te klagen, waar hij meende dat ik de perken der wet overtrad. Zelfs is dit wel eens beproefd, maar de rekbaarheid en vaagheid der reglementen moesten de aanklagers doen verstommen. Toch zijn er grenzen, en een kerk met volkomen leervrijheid heft zichzelve op. Nu moet ieder voor zich weten, in hoeverre hij binnen de grenzen blijft. Niemand kan vooral daarin rechter zijn over eens anders geweten. Buitendien een van beiden moet geschieden: òf de kerk moet vooruitgaan en dus bezield worden met een nieuwen geest, maar dan werkt zij aan haar eigen vernietiging als kerk, om zich op te lossen in de maatschappij,​ òf wel zij moet het oude kerkbegrip handhaven, zij het dan ook in moderne vormen, maar dan komt zij meer en meer te staan tegenover en naast de maatschappij,​ die niets meer wil weten van bekrompen kerkendom, wat voor velen niets anders is dan kerkendomheid. Wat toch is een kerk? Of liever, want wij protestanten kunnen ​eigentlijk ​niet meer spreken over de kerk, dat is goed op katholiek standpunt, ik bedoel, wat is een kerkgenootschap?​ Is het niet een vereeniging van menschen, die op een bepaalde wijze den weg der zaligheid zoeken te vinden? Ik ben Luthersch of Kalvinist, wil dus zeggen: ik tracht de zaligheid te verkrijgen langs den weg, die is aangegeven door Luther of Kalvijn. Maar dat bedoelt men er nu niet meer onder. Ik geef dat toe, maar waarom noemt men zich dan nog Luthensch of Kalvinist? Dat is een geschiedkundige onderscheiding uit het verleden. Mij is het wel, maar als het geen beteekenis meer heeft, dan is het uitgediend. Ik gebruik toch niet meer de munt die eenmaal gangbaar was, al gaf zij vroeger een onderscheiding in de geldsoorten,​ ik doe haar in een penning kabinet, waar zij gezien kan worden door alle liefhebbers van oude munten. Zoo ook hier. Als predikant der Luthersche Gemeente moet niets mij liever zijn, dan dat vele, kan het zijn, alle inwoners onzer stad zich aansluiten aan die gemeente; mijn hoogste wensch, mijn streven moet het wezen zoovelen mogelijk te vangen in de netten van het Lutherdom; over elke ziel, die door mijn toedoen wordt toegebracht aan de gemeente, moet de kerkeraad vreugde hebben meer dan over die anderen, die daarbuiten staan. Zoodra iemand mij zegt, dat hij Luthersch is, moet het mij goed doen aan mijn hart, dadelijk ontstaat er een gevoel van verwantschap,​ als waren wij oude bekenden, broeders. Wordt er een kind geboren, ik moet trachten het door den doop bij voorbaat ​in te lijven in die kerk, opdat het doopboek de namen aanwijst van velen; vordert het in leeftijd, ik moet trachten het bij mij in de leer te krijgen, opdat het van jongsaan kan ingeleid worden in den besten, eigentlijk eenigen weg ter zaligheid. Al geef ik toe, dat ook in andere kerkgenootschappen goede en brave menschen gevonden kunnen worden, ze zullen toch nog beter zijn als zij tot de Luthersche kerk behooren. Het is bekend dat de Augsburgsche geloofsbelijdenis niet uitmunt door een liefderijken en verdrangzamen geest tegenover andersdenkenden,​ zij verdoemt ze eenvoudig. Zalig kunnen ​alleen de Lutherschen worden. Dit doet mij denken aan een oprecht Lutheraan onzer dagen, die eens gevraagd werd: maar zoudt ge dan inderdaad meenen dat alle gereformeerden verdoemd waren? en daarop antwoordde: Ja, zeker, mits dat zij eerst Luthersch worden. Ge ziet, hij had een Lutherschen hemel evenals de Gereformeerden een Gereformeerden hemel en de Doopsgezinden een Mennisten-hemel hebben, in heerlijkheid allen overtreffende.
  
 De diakenen onzer gemeente mogen, als er zich een arme aanmeldt om ondersteuning,​ niet vragen: Zijt gij arm? Verdient gij ondersteuning?​ Neen hun eerste vraag moet zijn: zijl gij Luthersch? Toon mij uw attestatie. Wederom hetzelfde zij moeten den mensch afwijzen, want hooger dan mensch is het Luthersch zijn. Ziet, mijne vrienden! Van dat alles gevoel ik mij verre, zeer verre. Eerlijk gezegd gevoel ik niets meer voor een Lutheraan dan voor ieder ander mensch en dus het streven om de Luthersche kerk te maken tot een arke des behouds, waarin te midden van den grooten zondvloed alleen wonen die behouden blijven, dat streven is mij steeds vreemd geweest. Tot den mensch heb ik mij gewend, niet tot den Lutheraan. In Christus is geen jood of Griek, maar evenmin Lutheraan of Hervormde - Als sommigen dit hooren, zullen zij zeggen: gij maakt een karikatuur van een kerkgenootschap. Ik zeg u: geenszins. De meerderheid is wel is waar ontgroeid aan dit begrip en staat verbaasd als het hoort de verplichtingen die men als lid van een kerkgenootschap op zich heeft genomen, maar dat bewijst alleen dat zij zelven eigentlijk niet meer behooren in dat kerkgenootschap,​ ze zijn er aan ontwassen. Merkte men eenige last er van, velen zouden er reeds lang uit zijn, maar zij blijven erin juist omdat het niets beteekent, omdat het geen losten oplegt; toch zien ze er nooit naar om. laat de kerk maar eens een hoofdelijken omslag heffen — en zij heeft het recht daartoe, hoe immers kunnen de kosten goedgemaakt worden tot onderhoud van gebouwen en bezoldigen van predikanten indien er geen geld is? Geen geld, geen Zwitsers! - Dan zult gezien hoevelen het lidmaatschap opzeggen en er niets meer mede te doen nullen hebben. Neen het is geen karikatuur dat ik ontwierp. maar een kerkgenootschap,​ dat zich Luthersch noemt, stelt zich ten doel, of moet zulks althans doen, getrouw aan haar vereenigingsleuze het heil der wereld na te jagen door allen Lutherisch te maken. De diakenen onzer gemeente mogen, als er zich een arme aanmeldt om ondersteuning,​ niet vragen: Zijt gij arm? Verdient gij ondersteuning?​ Neen hun eerste vraag moet zijn: zijl gij Luthersch? Toon mij uw attestatie. Wederom hetzelfde zij moeten den mensch afwijzen, want hooger dan mensch is het Luthersch zijn. Ziet, mijne vrienden! Van dat alles gevoel ik mij verre, zeer verre. Eerlijk gezegd gevoel ik niets meer voor een Lutheraan dan voor ieder ander mensch en dus het streven om de Luthersche kerk te maken tot een arke des behouds, waarin te midden van den grooten zondvloed alleen wonen die behouden blijven, dat streven is mij steeds vreemd geweest. Tot den mensch heb ik mij gewend, niet tot den Lutheraan. In Christus is geen jood of Griek, maar evenmin Lutheraan of Hervormde - Als sommigen dit hooren, zullen zij zeggen: gij maakt een karikatuur van een kerkgenootschap. Ik zeg u: geenszins. De meerderheid is wel is waar ontgroeid aan dit begrip en staat verbaasd als het hoort de verplichtingen die men als lid van een kerkgenootschap op zich heeft genomen, maar dat bewijst alleen dat zij zelven eigentlijk niet meer behooren in dat kerkgenootschap,​ ze zijn er aan ontwassen. Merkte men eenige last er van, velen zouden er reeds lang uit zijn, maar zij blijven erin juist omdat het niets beteekent, omdat het geen losten oplegt; toch zien ze er nooit naar om. laat de kerk maar eens een hoofdelijken omslag heffen — en zij heeft het recht daartoe, hoe immers kunnen de kosten goedgemaakt worden tot onderhoud van gebouwen en bezoldigen van predikanten indien er geen geld is? Geen geld, geen Zwitsers! - Dan zult gezien hoevelen het lidmaatschap opzeggen en er niets meer mede te doen nullen hebben. Neen het is geen karikatuur dat ik ontwierp. maar een kerkgenootschap,​ dat zich Luthersch noemt, stelt zich ten doel, of moet zulks althans doen, getrouw aan haar vereenigingsleuze het heil der wereld na te jagen door allen Lutherisch te maken.
namespace/mijn_afscheid_van_de_kerk.txt · Laatst gewijzigd: 21/04/20 17:37 door defiance