Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen

namespace:socialisme_en_dienstweigering

Verschillen

Dit geeft de verschillen weer tussen de geselecteerde revisie en de huidige revisie van de pagina.

Link naar deze vergelijking

Beide kanten vorige revisie Vorige revisie
namespace:socialisme_en_dienstweigering [29/06/17 22:16]
defiance
namespace:socialisme_en_dienstweigering [29/06/17 22:23] (huidige)
defiance
Regel 17: Regel 17:
  
 Die daad openbare meteen den morrenden volken, waarom zij het gruwelijke lot verdienen, dat ze aan zichzelf en elkander vol¬trekken:​ omdat zij den moed missen, zich tegen een stelsel te keeren, dat tot beginsel het blinde natuurtoeval,​ de drift der zelf¬handhaving,​ en de strijdwijze der wilde dieren heeft (voorzoover die niet door die der dieren zelfs wordt veroordeeld!). Die daad openbare meteen den morrenden volken, waarom zij het gruwelijke lot verdienen, dat ze aan zichzelf en elkander vol¬trekken:​ omdat zij den moed missen, zich tegen een stelsel te keeren, dat tot beginsel het blinde natuurtoeval,​ de drift der zelf¬handhaving,​ en de strijdwijze der wilde dieren heeft (voorzoover die niet door die der dieren zelfs wordt veroordeeld!).
-Wij achten dienstweigering op dit oogenblik objectief de juiste, politiek-oeconomisch de meest belangrijke daad. En dat niet alleen dienstweigering in het leger, maar ook die op de munitie-fabrieken;​ kortom, overal, op fabrieken en in werkplaatsen,​ waar slechts die nationale zaak, wier ongemaskerd wezen het internationale im-perialisme is, wordt gediend. Liever sterven, dan daaraan mede doen! Ruskin’s groote gedachte wordt weer wakker, dat de arbeider goed werk moet verrichten, hetzij hij leeft of sterft. „Het kan zijn, dat gij zult moeten sterven ; welnu, er zijn dikwijls menschen voor hun vaderland gestorven, terwijl zij toch geen goed deden; weest bereid ervoor te sterven met de zekerheid het goed te hebben gedaan. Geeft acht op uw eigen werk met geheel uw hart en ziel, maar ziet allereerst toe, dat het goed werk is. Dat het koren is en wel¬riekende lathyrus, wat ge voortbrengt,​ geen buskruit of rattenkruid. En wees hiervan in letterlijken zin zeker: — gij moet eenvoudig liever sterven, dan eenig verdelgingsmechanisme of -mengsel te fabriceeren. Gij moet letterlijk bezig zijn met den grond te be¬bouwen, of nuttige dingen te maken, en ze te brengen, waar ze noodig zijn... Er is heden ten dage geen materieele misdaad zoo buiten de grenzen van vergiffenis,​ zoo zonder wedergade in haar ongewroken schuld als het maken van oorlogswerktuigen en het uitvinden van schadelijke stoffen. Twee volken mogen dol worden en vechten als wilde dieren — God zij hun genadig; — maar gij, die hun de voorsnijmessen van de tafel toereikt, om voor u zelf een gevallen stuivertje te mogen oprapen, welke genade is er voor ù?” 1In 1873 schrijft Ruskin: „De allereerste en absolute vraag van alle economie is: — Wat maakt gij? Maakt gij Hemelsche of Helsche goederen? — buskruit of koren? Het is niet de vraag of gij werk hebt of niet. De vraag is wèlk werk.” Zooals een man liever heeft dat zijn dochter sterft, dan dat ze zich vergooit, om in opschik en weelde rijkelijk te kunnen leven, zoo moet hijzelf liever sterven, dan soldaat worden, of gaan werken in een munitiefabriek e.d. Eerst als men al, wat met militairisme en imperialisme wezenlijk samenhangt, recht ingaat tegen de maatschappelijke ontwikkeling,​ en mensch en menschheid ontadelt, beleeft als een vloek, een smet, een plaag, een noodlot, waar wij ons door innerlijke kracht uit moeten losbreken, — eerst dan is de mogelijkheid van een nieuwe wereld geboren.+Wij achten dienstweigering op dit oogenblik objectief de juiste, politiek-oeconomisch de meest belangrijke daad. En dat niet alleen dienstweigering in het leger, maar ook die op de munitie-fabrieken;​ kortom, overal, op fabrieken en in werkplaatsen,​ waar slechts die nationale zaak, wier ongemaskerd wezen het internationale im-perialisme is, wordt gediend. Liever sterven, dan daaraan mede doen! Ruskin’s groote gedachte wordt weer wakker, dat de arbeider goed werk moet verrichten, hetzij hij leeft of sterft. „Het kan zijn, dat gij zult moeten sterven ; welnu, er zijn dikwijls menschen voor hun vaderland gestorven, terwijl zij toch geen goed deden; weest bereid ervoor te sterven met de zekerheid het goed te hebben gedaan. Geeft acht op uw eigen werk met geheel uw hart en ziel, maar ziet allereerst toe, dat het goed werk is. Dat het koren is en wel¬riekende lathyrus, wat ge voortbrengt,​ geen buskruit of rattenkruid. En wees hiervan in letterlijken zin zeker: — gij moet eenvoudig liever sterven, dan eenig verdelgingsmechanisme of -mengsel te fabriceeren. Gij moet letterlijk bezig zijn met den grond te be¬bouwen, of nuttige dingen te maken, en ze te brengen, waar ze noodig zijn... Er is heden ten dage geen materieele misdaad zoo buiten de grenzen van vergiffenis,​ zoo zonder wedergade in haar ongewroken schuld als het maken van oorlogswerktuigen en het uitvinden van schadelijke stoffen. Twee volken mogen dol worden en vechten als wilde dieren — God zij hun genadig; — maar gij, die hun de voorsnijmessen van de tafel toereikt, om voor u zelf een gevallen stuivertje te mogen oprapen, welke genade is er voor ù?​” ​[1In 1873 schrijft Ruskin: „De allereerste en absolute vraag van alle economie is: — Wat maakt gij? Maakt gij Hemelsche of Helsche goederen? — buskruit of koren? Het is niet de vraag of gij werk hebt of niet. De vraag is wèlk werk.” Zooals een man liever heeft dat zijn dochter sterft, dan dat ze zich vergooit, om in opschik en weelde rijkelijk te kunnen leven, zoo moet hijzelf liever sterven, dan soldaat worden, of gaan werken in een munitiefabriek e.d. Eerst als men al, wat met militairisme en imperialisme wezenlijk samenhangt, recht ingaat tegen de maatschappelijke ontwikkeling,​ en mensch en menschheid ontadelt, beleeft als een vloek, een smet, een plaag, een noodlot, waar wij ons door innerlijke kracht uit moeten losbreken, — eerst dan is de mogelijkheid van een nieuwe wereld geboren.
  
-Wij hebben meermalen opgemerkt; dat er is het kapitalisme als lot en als daad. Wij worden in het kapitalisme geboren, wij ademen erin. Gegeven is dat groote systeem, dat de menschheid te machtig is; onze jas, onze schoenen, ons brood, onze pen, al onze natuurlijke en geestelijke levensvoorwaarden spreken daarvan. Dat komt, omdat de mensch op zichzelf een armzalig, machteloos wezen is. Zonder menschheid, zonder de geschiedenis der op elkaar volgende geslachten, zonder traditie, overlevering van heel het natuurlijke en geestelijke leven van eeuw tot eeuw, is hij niets.2De mensch is een historisch wezen, en waar hij ook wordt ge¬boren, heeft het groote menschheidsleven een bepaalde ontwikke¬ling bereikt, ten goede zoowel als ten kwade, waar hij onmiddellijk ingeboren wordt. Fichte spreekt hier van het rijk der „gegeven vrijheid”,​ het rijk van de geestelijke of zedelijke „natuur”. Gelijk Gogarten het vertolkt: „De menschen worden heden niet meer zoo geboren als voor duizend of nog meerjaren. Wanneer zij heden, na zoo langen arbeid der voorafgaande geslachten het leven bekomen, zoo is in hen een deel van de vrijheid, die de vroegeren lang¬zaam zich moesten veroveren, reeds verwerkelijkt.” 3Ook heeft Dr. Kuyper dit uitnemend vertolkt in zijn bekende rede van 1891, waar hij erop wijst, dat de „natuur” in den loop der eeuwen door de menschelijke „kunst” moet omgewerkt worden, dat ze moet worden veredeld en vervolmaakt door de kracht des geestes. Wel is er dwaling en velerlei zonde, maar toch is er in groote lijnen een ontwikkeling aan te wijzen. Wij, menschenkinderen,​ worden alom geboren in een rijk van „gegeven vrij¬heid”,​ dat opkomt uit een wereld van gebondenheid. Op ons rusten al de zonden en dwalingen van het voorgeslacht. In ons léven ze. Maar tevens leeft in ons iets van dat andere, dat geestelijke,​ dat vrije. Een vonkje sluimert ten minste in allen. Het is nu onze taak — niet om ons buiten het groote wereldleven maar hier- en daarmee bezig te houden, ’t zij dan met schoonheid of waarheid, ’t zij met godsdienst of wetenschap — in het volle menschheidsleven onze heilige roeping tot vrijheid, die tevens de roeping der menschheid is, te vervullen. Kunnen wij uit de kapita¬listische,​ imperialistische omstandigheden van ons leven al niet uit, wij kunnen die van binnenuit omscheppen; wij kunnen het wereldleven opvoeren in de richting der geestelijke vrijheid, voorzoo- ver wij-zelf, innerlijk bevrijd, die vrijheid maatschappelijk betoonen. Het kapitalisme,​ het imperialisme is niet anders dan een politiek- oeconomisch wereldleven,​ dat is, zooals het is, dus: zijn moét, zooals het is, omdat de mènschheid is, zooals ze is; want het is niet anders dan de verhouding der menschen onderling in ver¬band met het natuurlijk leven. — Denk aan een enkeling: Gij komt ook zoo maar niet van uw verleden af. Gij hebt b.v. iets verkeerds gedaan in uw leven. Dat heeft onvermijdelijke conse¬quenties gehad, die gij niet alle meer kunt wegwerken. Nu wilt gij anders. Nu wilt gij beter. Maar de gevolgen van uw daden blijven. Nu aanvaardt gij de gegeven werkelijkheid,​ voorzoover gij wel moet, als lot; ten opzichte waarvan gij u handelend open¬baart in nieuwe daden op grond van uw vernieuwde gezindheid. En zoo komt uit het kwade ten slotte ’t goede voort. — In den mensch aanvaarde de menschheid, in de menschheid aanvaarde de mensch het kapitalistisch systeem als lot, voorzoover dat wel moet. Maar nooit verder, dan zóo, dat men dit kapitalisme tegelijk in socialistischen zin kan omzetten. Anders houdt men de levensontwikkeling der menschheid öf op hetzelfde niveau, òf trekt die neer in het noodlot der dierlijke driften. Liever offere men zich in de richting der vrijheid, dan dat men veilig-en-wel,​ op het verleden parasiteerend,​ het geestesleven tot een last, tot een neerdrukkende macht wordt.+Wij hebben meermalen opgemerkt; dat er is het kapitalisme als lot en als daad. Wij worden in het kapitalisme geboren, wij ademen erin. Gegeven is dat groote systeem, dat de menschheid te machtig is; onze jas, onze schoenen, ons brood, onze pen, al onze natuurlijke en geestelijke levensvoorwaarden spreken daarvan. Dat komt, omdat de mensch op zichzelf een armzalig, machteloos wezen is. Zonder menschheid, zonder de geschiedenis der op elkaar volgende geslachten, zonder traditie, overlevering van heel het natuurlijke en geestelijke leven van eeuw tot eeuw, is hij niets.[2De mensch is een historisch wezen, en waar hij ook wordt ge¬boren, heeft het groote menschheidsleven een bepaalde ontwikke¬ling bereikt, ten goede zoowel als ten kwade, waar hij onmiddellijk ingeboren wordt. Fichte spreekt hier van het rijk der „gegeven vrijheid”,​ het rijk van de geestelijke of zedelijke „natuur”. Gelijk Gogarten het vertolkt: „De menschen worden heden niet meer zoo geboren als voor duizend of nog meerjaren. Wanneer zij heden, na zoo langen arbeid der voorafgaande geslachten het leven bekomen, zoo is in hen een deel van de vrijheid, die de vroegeren lang¬zaam zich moesten veroveren, reeds verwerkelijkt.” ​[3Ook heeft Dr. Kuyper dit uitnemend vertolkt in zijn bekende rede van 1891, waar hij erop wijst, dat de „natuur” in den loop der eeuwen door de menschelijke „kunst” moet omgewerkt worden, dat ze moet worden veredeld en vervolmaakt door de kracht des geestes. Wel is er dwaling en velerlei zonde, maar toch is er in groote lijnen een ontwikkeling aan te wijzen. Wij, menschenkinderen,​ worden alom geboren in een rijk van „gegeven vrij¬heid”,​ dat opkomt uit een wereld van gebondenheid. Op ons rusten al de zonden en dwalingen van het voorgeslacht. In ons léven ze. Maar tevens leeft in ons iets van dat andere, dat geestelijke,​ dat vrije. Een vonkje sluimert ten minste in allen. Het is nu onze taak — niet om ons buiten het groote wereldleven maar hier- en daarmee bezig te houden, ’t zij dan met schoonheid of waarheid, ’t zij met godsdienst of wetenschap — in het volle menschheidsleven onze heilige roeping tot vrijheid, die tevens de roeping der menschheid is, te vervullen. Kunnen wij uit de kapita¬listische,​ imperialistische omstandigheden van ons leven al niet uit, wij kunnen die van binnenuit omscheppen; wij kunnen het wereldleven opvoeren in de richting der geestelijke vrijheid, voorzoo- ver wij-zelf, innerlijk bevrijd, die vrijheid maatschappelijk betoonen. Het kapitalisme,​ het imperialisme is niet anders dan een politiek- oeconomisch wereldleven,​ dat is, zooals het is, dus: zijn moét, zooals het is, omdat de mènschheid is, zooals ze is; want het is niet anders dan de verhouding der menschen onderling in ver¬band met het natuurlijk leven. — Denk aan een enkeling: Gij komt ook zoo maar niet van uw verleden af. Gij hebt b.v. iets verkeerds gedaan in uw leven. Dat heeft onvermijdelijke conse¬quenties gehad, die gij niet alle meer kunt wegwerken. Nu wilt gij anders. Nu wilt gij beter. Maar de gevolgen van uw daden blijven. Nu aanvaardt gij de gegeven werkelijkheid,​ voorzoover gij wel moet, als lot; ten opzichte waarvan gij u handelend open¬baart in nieuwe daden op grond van uw vernieuwde gezindheid. En zoo komt uit het kwade ten slotte ’t goede voort. — In den mensch aanvaarde de menschheid, in de menschheid aanvaarde de mensch het kapitalistisch systeem als lot, voorzoover dat wel moet. Maar nooit verder, dan zóo, dat men dit kapitalisme tegelijk in socialistischen zin kan omzetten. Anders houdt men de levensontwikkeling der menschheid öf op hetzelfde niveau, òf trekt die neer in het noodlot der dierlijke driften. Liever offere men zich in de richting der vrijheid, dan dat men veilig-en-wel,​ op het verleden parasiteerend,​ het geestesleven tot een last, tot een neerdrukkende macht wordt.
  
 Dat wisten Hegel en Marx, dat de wereldgeschiedenis wordt opgevoerd tot vrijheid door en ondanks de menschenkinderen. Dat verstonden van ouds de christenen, voorzoover zij zich niet terugtrokken achter kloostermuren,​ maar uittogen ter wereldheili- ging. En wanneer dan ook voor onzen geest „duizend jaren één dag” worden, dan zien wij, hoe door en ondanks de wereld¬geschiedenis steeds wonderlijker schatten van wijsheid en schoonheid en goedheid voortbreken in den tijd; hoe een innerlijke Macht, van binnen uit, het menschheidsleven schept en herschept. Men vergelijke eens den geest van het Richterenboek met dien van Jeremia; van Boeddha met dien van Christus. Er is op allerlei gebied objectief vooruitgang:​ techniek, wetenschap, kunst, zedelijk¬heid,​ godsdienst, zij hebben allen hun geschiedenis. En die geschiedenissen hangen weer onderling samen in de éene cul¬tuurgeschiedenis,​ die ontstaat uit het groote levensoffer van millioenen. Zoo is de menschheid opgegroeid, en telkens weer innerlijk omgeschapen tot hooger leven, dat door omstandigheden werd gewekt; zoo is het leven der (private) persoonlijkheid in de laatste negentien eeuwen meer en meer vergeestelijkt (d.w.z. was er objectief gelegenheid voor menschen, om zich als persoon¬lijkheid te vergeestelijken en te doen vergeestelijken als nimmer te voren). De vrijheid des menschen werd in het moderne individualisme ten slotte formeel openbaar. Doch deze vrijheid was eene abstractie: stond buiten het gemeenschapsleven,​ gelijk dit vooral in politiek en oeconomie aan den dag trad. Ja, ’t was ermee in strijd. Want het leven der maatschappij — Engels en Tolstoi hebben het opgemerkt — verkeert nog in het stadium der dierlijkheid. De individueele ethiek vloekte al meer onmis¬kenbaar met de sociale ethiek. Deze laatste was eigenlijk geen ethiek. Uit den instinctieven zelfhandhavingsdrang van individu, geslacht, stam enz. kwam voort de steeds meer bewuste, wel- overlegde zelfdoorzettingsdwang van staten en volken, ’t Beneden- bewuste en ’t welbewuste speelden door elkander heen. Het geestelijke lag nog, in het natuurlijke verwikkeld, verborgen, en roerde het zich, dan roerde het natuurdriftige machtig mede. Terwijl de mensch als enkeling ernaar streefde (streven kon) voor zich zelf en in zijn particuliere betrekkingen zijn leven om te scheppen tot een kosmos, een welgeordend en schoon, harmonisch levensgeheel,​ werd diezelfde mensch als gemeenschapswezen door chaotische machten redeloos beheerscht, en gelukte het hem niet, zich duidelijk te maken, hoe instinct, zelfzucht, opofferings¬gezindheid,​ liefde, hoe driften en deugden door elkander speelden. Het onbewuste was hier nog volkomen meester van 't bewuste; terwijl binnen den kring van het particuliere leven de redelijk¬zedelijke vrijheid zich reeds betoonde in geestelijken strijd en zegepraal. Eerst moest echter juist die menschelijke persoonlijkheid worden gewekt, eerst moest de menschheid zich van hare geest¬kracht,​ haar innerlijk, omscheppend vermogen in de enkelingen bewust worden, voor en aleer die enkelingen naar een harmonie van vrije persoonlijkheden,​ die samen de natuur met geestelijke doeleinden welbewust beheerschen,​ konden gaan streven. Dat wisten Hegel en Marx, dat de wereldgeschiedenis wordt opgevoerd tot vrijheid door en ondanks de menschenkinderen. Dat verstonden van ouds de christenen, voorzoover zij zich niet terugtrokken achter kloostermuren,​ maar uittogen ter wereldheili- ging. En wanneer dan ook voor onzen geest „duizend jaren één dag” worden, dan zien wij, hoe door en ondanks de wereld¬geschiedenis steeds wonderlijker schatten van wijsheid en schoonheid en goedheid voortbreken in den tijd; hoe een innerlijke Macht, van binnen uit, het menschheidsleven schept en herschept. Men vergelijke eens den geest van het Richterenboek met dien van Jeremia; van Boeddha met dien van Christus. Er is op allerlei gebied objectief vooruitgang:​ techniek, wetenschap, kunst, zedelijk¬heid,​ godsdienst, zij hebben allen hun geschiedenis. En die geschiedenissen hangen weer onderling samen in de éene cul¬tuurgeschiedenis,​ die ontstaat uit het groote levensoffer van millioenen. Zoo is de menschheid opgegroeid, en telkens weer innerlijk omgeschapen tot hooger leven, dat door omstandigheden werd gewekt; zoo is het leven der (private) persoonlijkheid in de laatste negentien eeuwen meer en meer vergeestelijkt (d.w.z. was er objectief gelegenheid voor menschen, om zich als persoon¬lijkheid te vergeestelijken en te doen vergeestelijken als nimmer te voren). De vrijheid des menschen werd in het moderne individualisme ten slotte formeel openbaar. Doch deze vrijheid was eene abstractie: stond buiten het gemeenschapsleven,​ gelijk dit vooral in politiek en oeconomie aan den dag trad. Ja, ’t was ermee in strijd. Want het leven der maatschappij — Engels en Tolstoi hebben het opgemerkt — verkeert nog in het stadium der dierlijkheid. De individueele ethiek vloekte al meer onmis¬kenbaar met de sociale ethiek. Deze laatste was eigenlijk geen ethiek. Uit den instinctieven zelfhandhavingsdrang van individu, geslacht, stam enz. kwam voort de steeds meer bewuste, wel- overlegde zelfdoorzettingsdwang van staten en volken, ’t Beneden- bewuste en ’t welbewuste speelden door elkander heen. Het geestelijke lag nog, in het natuurlijke verwikkeld, verborgen, en roerde het zich, dan roerde het natuurdriftige machtig mede. Terwijl de mensch als enkeling ernaar streefde (streven kon) voor zich zelf en in zijn particuliere betrekkingen zijn leven om te scheppen tot een kosmos, een welgeordend en schoon, harmonisch levensgeheel,​ werd diezelfde mensch als gemeenschapswezen door chaotische machten redeloos beheerscht, en gelukte het hem niet, zich duidelijk te maken, hoe instinct, zelfzucht, opofferings¬gezindheid,​ liefde, hoe driften en deugden door elkander speelden. Het onbewuste was hier nog volkomen meester van 't bewuste; terwijl binnen den kring van het particuliere leven de redelijk¬zedelijke vrijheid zich reeds betoonde in geestelijken strijd en zegepraal. Eerst moest echter juist die menschelijke persoonlijkheid worden gewekt, eerst moest de menschheid zich van hare geest¬kracht,​ haar innerlijk, omscheppend vermogen in de enkelingen bewust worden, voor en aleer die enkelingen naar een harmonie van vrije persoonlijkheden,​ die samen de natuur met geestelijke doeleinden welbewust beheerschen,​ konden gaan streven.
Regel 45: Regel 45:
   * [3] Vgl. De Samenwerking,​ 2e Jaargang, blz. 425.   * [3] Vgl. De Samenwerking,​ 2e Jaargang, blz. 425.
  
- +{{tag>​antimilitarisme militarisme geweld religie "​christen-anarchisme"​}}
- +
-  +
- +
- +
namespace/socialisme_en_dienstweigering.txt · Laatst gewijzigd: 29/06/17 22:23 door defiance