Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


namespace:naar_een_ecologische_maatschappij

Naar een ecologische maatschappij

Door Murray Bookchin

  • Oorspronkelijke titel: Towards an ecological society
  • Verschenen: 1974
  • Bron: Naar een ekologiese maatschappij, Ekologie en anarchisme, M. Bookchin, Anarchistiese Uitgeverij, Utrecht, 1977; Toward an ecological society, Roots, 1974
  • Vertaling: onbekend
  • Digitalisering en modernisering: Tommy Ryan

De onderstaande artikel dat verscheen in het magazine Roots in 1974. Later zou een veel groter boek volgen. Het 315 pagina's tellende, Toward an ecological society, dat in 1980 bij Black Rose Books verscheen.


Naar een ecologische maatschappij

De visie op het probleem van de afbraak van het milieu lijkt een merkwaardige draai te krijgen. Ondanks een geweldige steun van het publiek voor maatregelen op het gebied van het milieu - getuige de positieve instelling van het publiek met betrekking tot deze kwesties - vindt men het nodig ons te waarschuwen tegen “extremisten” die “radicale” eisen stellen om de afbraak van het milieu een halt toe te roepen. Een groot deel van deze reacties komt van de zijde van de industrie en van het Witte Huis, waar de president ons zelfvoldaan verzekert dat “Amerika een heel eind op weg is om vrede met de natuur te sluiten”. Deze retoriek komt verdacht bekend voor. Vermoedelijk beginnen we het “licht” te zien aan het eind van de milieutunnel. In ieder geval sporen reclamecampagnes van de olie- , auto- , houtverwerkende- en chemische industrie Amerikanen aan om “redelijker” te zijn met betrekking tot verbeteringen in het milieu, om op “verstandiger” wijze “winst” tegen “verlies” af te wegen, om de normen voor schonere lucht en water die door de “Environmental Protection Administration” zijn opgesteld, naar verhouding te verlagen, en om “geduld en begrip” te tonen voor de zogenaamde enorme technische problemen waarvoor de aardige industriële grootmachten in onze omgeving staan.

Het gaat niet om een uiteenzetting van de schandalige verdraaiingen die in dit soort propaganda zijn binnengeslopen. Veel van de lezers kennen de recente studie van een commissie van de Nationale Academie van Wetenschappen waarin de auto-industrie ervan wordt beschuldigd zich te concentreren op wat in de woorden van de New York Times heet: “de duurste en minst bevredigende manier van voldoen aan de door de staat in 1975 gestelde eisen met betrekking tot de aard en hoeveelheid uitlaatgassen.” Wat de vrome retoriek van het Witte Huis betreft, het schijnt dat de pogingen van de president “vrede” te sluiten met de natuur op een nog lager niveau staan dan zijn pogingen vrede in Indochina te brengen. Zoals de Times in een redactioneel artikel meent, is “deze verklaring volledig in strijd met de feiten… de lucht boven de steden van dit land wordt maar heel weinig schoner, zo ze al verbetert. Iedere grotere rivier van dit land is ernstig vervuild. Grote delen van de Atlantische Oceaan lopen het gevaar een dode zee te worden. Plastics, bestrijdingsmiddelen, chemicaliën en metalen leggen een ondraaglijke last op de biosfeer. Het land wordt geërodeerd, vernietigd, vergiftigd en verkracht.”

Liever dan de opvatting, dat vele eisen met betrekking tot het milieu te “radicaal” zijn, te onderschrijven, zou ik willen stellen dat ze niet radicaal genoeg zijn. We worden geconfronteerd met een maatschappij die niet alleen de planeet vervuilt op een nog niet eerder voorgekomen schaal, maar die eveneens zijn meest fundamentele processen op biologisch, geologisch en chemisch gebied afbreekt. Daarom stel ik, dat zij die zich met het milieu bezighouden, de strategische problemen van een nieuw en blijvend evenwicht met de natuur niet hebben onderkend. Is het voldoende hier een kerncentrale of daar een snelweg tegen te houden? Hebben we op de een of andere wijze het essentiële feit over het hoofd gezien, dat de afbraak van het milieu op een veel dieperliggende basis berust dan op de blunders en slechte bedoelingen van industrie en regering? Is het niet eerder zo dat eindeloos preken over de mogelijkheid van een milieucatastrofe - of dat nu het resultaat is van vervuiling, industriële expansie of bevolkingsgroei - ongewild een fundamentelere crisis in de menselijke omstandigheden versluierd, die niet louter technologisch is maar één die een sociale oorzaak heeft? In plaats van ons weer bezig te houden met de omvang van de milieucrisis of met de gemakkelijke aanklacht dat “vervuiling winstgevend is” en in plaats van te stellen dat een of ander abstract “wij” verantwoordelijk is voor een te grote kinderproductie of een bepaalde industrie voor het produceren van teveel waar, wil ik de vraag stellen of de milieucrisis niet zijn wortels heeft in juist die organisatie van de maatschappij, zoals we die vandaag kennen. Vereisen de veranderingen die nodig zijn om een nieuw evenwicht te scheppen tussen de natuurlijke en de sociale wereld niet een waarlijk revolutionaire reconstructie van de maatschappij, met de ecologie als richtlijn?

De nadruk valt hier op de woorden “met de ecologie als richtlijn”. Als we de problemen van een ecologische maatschappij willen aanpakken, dan komen we met het begrip “milieubeheer” niet erg ver. De term milieubeheer krijgt steeds meer de betekenis van een instrumentele visie waarin de natuur louter als een passieve woonplaats van plant en dier gezien wordt, een samenstel van externe Objecten en krachten dat meer dienstbaar gemaakt moet worden aan de mens, zonder rekening te houden met wat voor gebruik die er van maakt. “Milieubeheer” houdt zich in feite bezig met “natuurlijke hulpbronnen”, “stedelijke hulpbronnen” en zelfs “menselijke hulpbronnen.” Waarschijnlijk stelt de president niet veel voor als “milieubeheerder” voor zover de vrede die hij met de natuur wil sluiten bestaat uit het verwerven van de “vakkennis” voor het plunderen van de natuurlijke wereld met een minimale verstoring van de flora en fauna. “Milieubeheer” stelt niet de basis van de huidige samenleving ter discussie, namelijk de menselijke overheersing van de natuur. Het probeert eerder deze overheersing te vergemakkelijken door technieken te ontwikkelen om de gevaren, veroorzaakt door deze overheersing, te verminderen. De overheersing zelf wordt niet ter discussie gesteld.

De ecologie heeft naar mijn mening een ruimere opvatting over de natuur en over de verhouding van de mensheid met de natuurlijke wereld. Naar mijn opvatting ziet zij het evenwicht en de integriteit van de biosfeer als een doel op zich. De verscheidenheid van de natuur moet worden bevorderd omdat, naarmate er meer verscheidenheid bestaat in de samenstellende delen van het ecosysteem het ecosysteem stabieler wordt. Daarbij komt dat verscheidenheid op zich wenselijk is, dat zij een waarde is die gekoesterd moet worden als deel van een vergeestelijkt begrip van het levende universum. Ecologen hebben al aangetoond, dat hoe meer een ecosysteem vereenvoudigd wordt - zoals in de poolgebieden, in de woestijnstreken en in de monoculturen - des te kwetsbaarder het ecosysteem is en des te meer het neigt naar instabiliteit, des te gevoeliger het is voor ziektes, plagen en mogelijke catastrofes. De ecologie brengt verder het gezichtspunt naar voren dat de mensheid een bewust respect móet tonen voor de spontaniteit van de natuurlijke wereld. Een wereld die veel te complex en gevarieerd is om te worden gereduceerd tot simpele mechanistische begrippen. In tegenstelling tot bepaalde systeem-ecologen ben ik het eens met Charles Eltons gezichtspunt dat “de toekomst van de wereld beheerd moet worden, en (dat) dit beheer geen spelletje schaak mag zijn….(maar) meer het sturen van een boot”. De natuurlijke wereld moet de vrijheid van een spontane ontwikkeling gelaten worden, om zijn rijkdom aan mogelijkheden te ontvouwen en te verwerkelijken. Vanzelfsprekend moet deze vrijheid doordrongen zijn van menselijk bewustzijn, als de natuur die zelfbewust en zelfwerkzaam is geworden. Tenslotte erkent de ecologie geen hiërarchie op het niveau van het ecosysteem. Er bestaan geen “koningen der dieren” net zo min als “nederige mieren”. Deze begrippen

zijn de projecties van onze eigen sociale houdingen en verhoudingen op de natuurlijke wereld. Alles wat leeft als deel van de gevarieerdheid aan planten en dieren van een ecosysteem speelt een even belangrijke rol bij het handhaven van het evenwicht en de integriteit van het geheel.

Deze begrippen samengebracht in een geheel dat uitgedrukt zou kunnen worden als éénheid in verscheidenheid, als spontaniteit en aanvulling van het een door het ander, behelzen een oordeel dat we af kunnen leiden uit de ecologie. Zij vormen ook een volledig bewustzijn van onze relatie met de omgeving dat we langzaamaan hervinden uit een archaïsch verleden en dat we in een nieuwe sociale context plaatsen. De opvatting dat de mens bestemd is om de natuur te overheersen komt voort uit de overheersing van de mens over de mens, misschien uit nog vroeger tijden uit de overheersing van de vrouw door de man en de overheersing van de jongeren door de ouderen. De hiërarchische mentaliteit die de ervaring zelf - in al zijn vormen - hiërarchisch rangschikt, hangt samen met een wijze van waarnemen en begripsvorming waarin we door de hiërarchische maatschappij zijn opgevoed. Deze mentaliteit bestaat niet of nauwelijks in niet-hiërarchische gemeenschappen. De zogenaamde primitieve samenlevingen, die gebaseerd zijn op een eenvoudige verdeling van de arbeid op basis van sekse, en geen staatsstructuur of hiërarchische instellingen hebben, ervaren de werkelijkheid niet op onze manier, namelijk niet door een filter dat de verschijnselen ordent naar begripsschema's van 'superieur en inferieur' of 'boven en beneden’. Omdat de ongelijkheid afwezig is, hebben deze werkelijk organische gemeenschappen zelfs geen woord voor gelijkheid. Zoals Dorothy Lee opmerkt in haar voortreffelijke bespreking van de 'primitieve' geest: ”…bestaat de gelijkheid niet als een toe te passen principe, maar als een bijproduct van de democratische structuur van de cultuur in de aard van de dingen zelf. In zulke samenlevingen komen er geen pogingen voor het doel van gelijkheid te bereiken; in feite bestaat het begrip gelijkheid niet. Vaak is er geen taalmechanisme om vergelijkingen uit te drukken. Wat we wel vinden is een absoluut respect voor de mens, voor alle individuen onafhankelijk van leeftijd en sekse.”

De afwezigheid van dwingende en overheersende waarden in deze kuituren wordt misschien wel het beste geïllustreerd door de taal van de Wintu-indianen in Californië, een volk dat Lee persoonlijk bestudeerde. “Voor woorden die gewoonlijk een dwang uitdrukken in onze talen”, zo merkt zij op, “worden door de Wintu die woorden gebruikt, die naar een meewerkend gedrag verwijzen. Een opperhoofd ‘regeert’ zijn volk niet, hij ‘staat ze bij’ In elk geval is hij nooit meer dan hun adviseur en hij mist de macht, om zijn gezichtspunten met dwang kracht bij te zetten.” De Wintu's ”… zeggen nooit, en in feite kunnen ze dat ook niet zeggen, zoals wij dat doen, ik heb een ‘zuster’ of een ‘zoon’ of een ‘echtgenoot’”, merkt Lee op. “Leven met is de gewone manier waarop zij wat wij ‘bezit' noemen uitdrukken, en zij gebruiken deze term voor alles wat ze respecteren. Van een man wordt dan gezegd dat hij met pijl en boog leeft”.

“Leven met” houdt een diep gevoel van wederzijds respect in en een hoge waardering voor de vrijheid van het individu. Deze uitdrukking betekent ook een diepgaand gevoel van eenheid tussen het individu en de groep. Het gevoel van een eenheid in de groep, wordt op zijn beurt geprojecteerd op de relatie van de gemeenschap met de natuurlijke wereld. Psychologisch gezien moeten de mensen die in organische gemeenschappen leven, wel geloven dat zij een grotere invloed op de krachten in de natuur uitoefenen dan hun relatief eenvoudige techniek toelaat. Het is een illusie die samenhangt met hun rituelen en hun magische handelingen. Hoe zorgvuldig deze rituelen en handelingen ook in elkaar mogen zitten, het gevoel van afhankelijkheid van de natuurlijke wereld, dat wil zeggen van de onmiddellijke omgeving, verdwijnt nooit geheel. Ook al kan dit gevoel van afhankelijkheid een verwerpelijke angst of eerbied met zich meebrengen, dan nog is er een punt in de ontwikkeling van de organische samenleving, waar het een gevoel van wederzijdse afhankelijkheid en samenwerking oproept, dat de gevoelens van angst en ontzag te boven komt. Hier proberen de mensen niet zonder meer de machtige natuurkrachten gunstig te stemmen of te manipuleren. Hun ceremonieën dragen, zoals zij het zien, op een creatieve manier bij tot de vergroting van de veestapel, tot de seizoens- en weersveranderingen, en tot een grotere oogst. De organische gemeenschap leeft altijd al in nauw contact met de natuur maar door deze ceremonieën wordt de gemeenschap opgevat als deel van het natuurlijk evenwicht, om kort te gaan als een echte ecologische gemeenschap of eco-gemeenschap, die aangepast is aan zijn ecosysteem, met een actief bewustzijn in de natuurlijke omgeving opgenomen te zijn.

Dit blijkt uit de gegevens over zulke organische samenlevingen. Vele ceremonieën en rituelen hebben niet alleen een sociale functie, zoals de inwijdingsriten, maar ook ecologische functies. Bij de

Hopi-indianen functioneren de voornaamste landbouwceremonieën als evocatie van kosmische processen, de zonnewende en de groei van de gewassen. Hoewel het hun bekend is dat de zonnewende en de groei- stadia vast liggen, is de menselijke ceremonie een integraal deel van deze voorbeschikking. De ceremonieën van de Hopi geven aan de mens eerder een deelnemende dan een manipulerende rol. Dit in tegenstelling tot de strikt magische procedures. Mensen bevorderen het beloop van de kosmische orde. Hun ceremonieën zijn een deel van een complex web van het leven dat zich uitstrekt van het kiemen van de mais tot de zonnewende. “Ieder aspect van de natuur, planten, rotsen en dieren, kleuren, richtingen en getallen en verschillen in sekse, de doden en de levenden, allen werken samen in het handhaven van de universele samenhang”, merkt Lee op; “Uiteindelijk heeft de inspanning van ieder individu, menselijk of niet, haar plaats in dit reusachtig geheel. En ook hier telt elk aspect van een persoon mee, het gehele wezen van iedere Hopi beïnvloedt het natuurlijk evenwicht en naarmate ieder individu zijn innerlijke vermogen ontwikkelt, vergroot hij zijn deelname en op deze manier wordt het hele universum versterkt.”

Het is duidelijk dat deze harmonische visie op de natuur uit de harmonische relatie binnen de vroege menselijke gemeenschap volgt. Net zoals de middeleeuwse theologie de christelijke hemel een feodale opbouw gaf, zo hebben volken van alle eeuwen hun sociale structuur geprojecteerd op de natuurlijke wereld. Voor de Algonkians van de Noord-Amerikaanse bossen, leefde de bever in zijn eigen clans in beverwoningen, samenwerkend om het welzijn van de gemeenschap te bevorderen. De dieren hadden in hun ogen ook een magie en totems en zij werden bezield door de Manitou, wiens geest de hele kosmos voedde. Daarom moesten de dieren gunstig worden gestemd, omdat ze anders weleens konden weigeren de mensen huiden en vlees te verschaffen. De bereidheid tot samenwerking, die een voorwaarde vormde voor het overleven van de organische gemeenschap, behoorde helemaal tot deze beschouwingswijze van de schriftloze volken op de natuur en op het samenspel tussen de natuurlijke en sociale wereld.

Het openbreken van deze een eenheid vormende, organische gemeenschappen die gebaseerd waren op een arbeidsdeling naar sekse en op onderlinge verwant schap, de overgang naar een hiërarchische en tenslotte een klassenmaatschappij, brak geleidelijk de eenheid van de maatschappij met de natuurlijke wereld af. Deze afbraak uitte zich in de herordening van clans en stammen in gerontocratieën[1] waarin de ouderen de jongeren overheersen, in het ontstaan van de patriarchale familie, waarin de vrouw volledig ondergeschikt aan de man was, en nog later in de omvorming van de op sociale status gebaseerde hiërarchieën tot economische klassen gebaseerd op systematische materiële uitbuiting. Ze uitte zich in het ontstaan van de stad, gevolgd door de toenemende macht van de stad over het land en van nationale over familiebanden, en uiteindelijk in het verschijnen van de staat, een apparaat van beroepsmilitairen, bureaucraten en politici, dat een dwingende macht uitoefende over de nog bestaande overblijfselen van het communale leven. Al deze opdelingen en tegenstellingen die uiteindelijk de archaïsche wereld verbrokkelden en verpulverden, brachten een heroriëntering van het geheel van de menselijke ervaringen langs hiërarchische lijnen teweeg. Deze sociale ordening leidde er niet alleen toe dat de maatschappij innerlijk verdeeld raakte, maar maakte de overheerste klassen medeplichtig aan de overheersing van henzelf en maakte de vrouwen medeplichtig aan de eigen slavernij. In feite werd de psyche van het individu in zichzelf verdeeld door de suprematie van de geest over het lichaam en door de hiërarchische rationaliteit over de gevoelservaringen te vestigen. In die mate dat het menselijk subject het object werd van de sociale- , en uiteindelijk van de zelf-manipulatie volgens hiërarchische normen. Evenzo werd de natuur tot object gemaakt en gereduceerd tot een metafysisch geheel, in vele opzichten net zo’n constructie als het animistisch begrip uit de archaïsche samenleving, maar nu bestaande uit mechanistische begrippen.[2]

De erfenis van het verleden uit zich nu als verborgen problemen welke onze eigen tijd nooit heeft kunnen oplossen. Ik heb het niet alleen over de ketenen van de burgerlijke samenleving, maar ook over de ketenen gesmeed door duizenden jaren hiërarchische maatschappij die het gezin patriarchaal gebonden houden; die generaties aan de gerontocratie onderwerpen en de geest in verwrongen houdingen van zelfverloochening en zelfvernedering dwingen.

Zelfs nog voor het verschijnen van de bourgeois- samenleving, wordt in de Helleense beschouwingswijze de vrouw feitelijk als een roerend goed voorgesteld, en de Hebreeuwse zeden plaatsen in Abrahams handen de macht om Isaac te doden. Het reduceren van menselijke wezens tot Objecten, als slaven, vrouwen of kinderen, vindt zijn exacte parallel in Adams macht om de dieren namen te geven en ze te overheersen, om de wereld van datgene wat leeft in dienst van de mens te plaatsen. Zo is in de twee hoofdstromingen van de westerse beschaving, het Hellenisme en het Jodendom, de prometheïsche[3] macht van de man uitgedrukt in een ideologie van repressieve rationaliteit en hiërarchische zedelijkheid. De vrouw werd “de belichaming van de biologische functie, het beeld van de natuur”, merken Horkheimer en Adorno op, “wier onderwerping de aanspraak van de maatschappij op roem vormde. Duizenden jaren lang droomden mannen van het verwerven van een absolute heerschappij over de natuur, van het veranderen van de kosmos in een immens jachtterrein. Zover kwam het met het begrip mens in een door de man gedomineerde maatschappij. Het was het gewicht van de rede waarop de man zich het meest liet voorstaan. De vrouw was zwakker en kleiner. Tussen haar en de man bestond een verschil dat zij niet kon overbruggen, een door de natuur opgelegd verschil, het meest vernederende dat kan bestaan in een mannenmaatschappij. Daar waar de heerschappij over de natuur het enige doel is, is de biologische inferioriteit een opvallend brandmerk en is de zwakheid opgelegd door de natuur de belangrijkste stimulans tot agressie”. Het is niet toevallig dat Horkheimer en Adorno deze opmerkingen rangschikken onder “Mens en Dier”, want zij verschaffen een fundamenteel inzicht, niet alleen in de relatie van de man met de vrouw, maar ook in de relatie van de man in de hiërarchische maatschappij met de wereld van de natuur als geheel.

Het begrip rechtvaardigheid, losgekoppeld van het vrijheidsideaal, brengt al deze waarden samen in één principe van de gelijkwaardigheid, dat de inhoud van de archaïsche gelijkheid ontkent. In de organische samenleving hebben alle menselijke wezens recht op bestaansmiddelen, onafhankelijk van hun arbeidsopbrengst. Paul Radin noemt dit de “regel van het niet te reduceren minimum.” De archaïsche samenleving erkent hier de ongelijkheid; het feit dat de zwakken afhankelijk zijn van de sterken, de zieken van de gezonden, de jongeren en ouden van de volwassenen. Ware vrijheid is, in feite, een gelijkheid van ongelijken, die het recht op leven niet ontzegt aan diegenen wier vermogens niet of nauwelijks ontwikkeld zijn. Ironisch genoeg erkent de mensheid in deze materieel onontwikkelde economieën het recht van allen op de schaarse bestaansmiddelen met sterke nadruk. Waar er in de stam een geest van wederkerigheid heerst die verwanten voor elkaar verantwoordelijk houdt wordt dit recht edelmoediger toegepast dan in een materieel ontwikkelde economie, waarin steeds grotere overschotten ontstaan, wat een elkaar verdringen om privileges met zich meebrengt.

Maar deze ware vrijheid van een gelijkheid van ongelijken, ontaardt volgens zijn eigen maatstaven. Naarmate de materiële overschotten toenemen, scheppen deze juist die sociale klassen die uit het werk van de velen de privileges van de weinigen afleiden. De gift die eens de band symboliseerde tussen bloedverwanten, verandert langzaam in een ruilmiddel en uiteindelijk in een waar, die de kiem is van de moderne burgerlijke handel. Het recht doemt op uit de overblijfselen van de vrijheid, om de ruilhandel-relatie in goederen of zeden te bewaken, als het nauwkeurige principe van gelijkheid in alle dingen. Nu zijn de zwakken 'gelijk’ aan de sterken, de armen aan de rijken, de zieken aan de gezonden, in alle opzichten, behalve in hun armoede, zwakte of ziekte. In essentie vervangt het recht de norm van de vrijheid van een gelijkheid van ongelijken, door een ongelijkheid van gelijken. Zoals Horkheimer en Adorno opmerken, “Vroeger waren de fetisjen onderworpen aan de wet van de gelijkwaardigheid. Nu is de gelijkwaardigheid zelf een fetisj geworden. De blinddoek over de ogen van Justitia betekent niet alleen dat er geen rechtsverkrachting meer plaats moet vinden, maar ook dat het recht niet ontstaat in vrijheid.”

De bourgeois maatschappij voert de regel van de gelijkwaardigheid tot zijn uiterste logische en historische consequenties door. Alle mensen zijn gelijk als kopers en verkopers - allen zijn soevereine ego’s op de vrije markt. De gemeenschappelijke banden die de mensheid eens verenigden in groepen, clans en stammen, de broederschap van de stad en de beroepsgemeenschap van de gilden zijn volledig verbroken. De monadische mens vervangt de gemeenschapsmens, de ruilrelatie vervangt de verwantschaps- , broederlijke- of beroepsband van het verleden. Datgene wat de mensheid op de burgerlijke markt verenigt is de kompetitie, de universele strijd van ieder tegen allen. Geleidelijk opgeklommen tot het niveau van elkaar beconcurrerend kapitaal, van graaiende en vechtende burgerlijke ondernemingen, dicteert de markt de meedogenloze stelregel “groei of sterf”. Wie zijn kapitaal niet uitbreidt en zijn concurrent niet opslokt, wordt zelf opgeslokt. In dit samenstel van voortdurend verslechterende relaties, waar zelfs de persoonlijkheid gereduceerd wordt tot ruilobject, wordt de gemeenschap geregeerd door productie omwille van zichzelf. Gelijkwaardigheid laat zich gelden als ruilwaarde. Door middel van geld wordt ieder kunstwerk, ja zelfs ieder gewetensbezwaar gedegradeerd tot een voor ruil geschikte kwantiteit. Goud of het papieren symbool ervan maakt het mogelijk de kostbaarste kathedraal te ruilen voor zo en zoveel lucifers. De fabrikant van veters kan zijn waren omzetten in een schilderij van Rembrandt.

In dit kwantitatief domein van gelijkwaardigheden waar de gemeenschap geregeerd wordt door productie omwille van zichzelf, en waar groeien het enige tegengif tegen de dood is, wordt de natuurlijke wereld gereduceerd tot hulpbron, het domein van de moedwillige uitbuiting bij uitstek. Het kapitalisme bevestigt niet alleen het pre-kapitalistisch idee van overheersing van de natuur door de mens, het verandert de plundering van de natuur tot de levenswet van de gemeenschap. Spitsvondig redeneren met dit systeem over zijn waarden, pogingen doen het schrik aan te jagen met visioenen over de consequenties van de groei, vat zij op als een aanval op haar metabolisme. Men kan makkelijker een plant overtuigen te stoppen met de fotosynthese dan de burgerlijke economie zo ver krijgen dat zij afziet van kapitaalsaccumulatie. Daar heeft niemand oren naar. De accumulatie wordt niet bepaald door de goede of slechte bedoelingen van de individuele bourgeois maar door de warenverhouding zelf. Door datgene wat Marx zo terecht de celvormige eenheid van de burgerlijke economie noemde. Niet de perversiteit van de individuele bourgeois schept de productie omwille van zichzelf, maar juist de band met de markt waarover hij de leiding heeft en waar hij aan onderdoor gaat. Met een beroep op zijn menselijke belangen, in voorbijgaan aan zijn economische, ontken je het botte feit dat juist zijn autoriteit een functie van zijn materiële bestaan is. Hij kan zijn economisch belang alleen ontkennen door zijn éigen sociale realiteit te ontkennen, in feite door juist die autoriteit te ontkennen waaraan hij zijn menselijkheid opofferde, Het geloof te koesteren dat deze maatschappij haar levenswet teniet kan doen, als antwoord op ethische argumenten of een intellectuele poging tot overtuigen, vereist een grotesk zelfbedrog of nog erger, een bedrieglijke ideologie,

Toch moet het feit onder ogen worden gezien dat dit systeem omvergeworpen moet worden en vervangen door een maatschappij die het evenwicht zal herstellen tussen de maatschappij en de natuur. Een ecologische maatschappij die allereerst moet beginnen de blinddoek van Justitias ogen te verwijderen en de ongelijkheid van gelijken moet vervangen door een gelijkheid van ongelijken. We moeten inzien dat de poging de natuur te domineren voortkomt uit de overheersing van de ene mens door de andere; en dat de een harmonisatie van onze relatie met de natuurlijke wereld als voorwaarde de harmonisatie van de sociale wereld heeft. Afgezien van wat stoffige wetenschappelijke geschriften zal de natuurlijke ecologie geen betekenis voor ons hebben als we niet een sociale ecologie ontwikkelen die relevant is voor onze tijd.

De alternatieven die ons voor ogen staan, in deze maatschappij beheerst door productie omwille van zichzelf, zijn zonder meer duidelijk. Meer dan enige samenleving in het verleden heeft het moderne kapitalisme de ontwikkeling van de techniek tot een punt gebracht, waar we eindelijk de zware arbeid als basisvoorwaarde voor het leven voor de grote meerderheid van de mensen kunnen elimineren en de eeuwenoude vloek van de materiële schaarste en onzekerheid als basiskenmerk van de maatschappij kunnen afschaffen. We leven vandaag de dag op de drempel van een maatschappij van potentiële overvloed, waarin de gelijkheid van de ongelijken niet langer meer de fundamentele regel van een kleine groep hoeft te zijn, maar de universele voorwaarde voor de hele mensheid, voor het individu wiens sociale relaties bepaald worden door vrije keuze en persoonlijk voorkeur eerder dan door de archaïsche bloedband. De prometheïsche persoonlijkheid, de patriarchale familie, het privébezit, de repressieve rede, de territoriale stad en de staat hebben hun histories werk gedaan in het meedogenloos mobiliseren van de arbeid, in het ontwikkelen van de productiekrachten en in het transformeren van de wereld. Deze instellingen en begrippen zijn nu totaal irrationeel geworden. Het zogeheten 'noodzakelijk kwaad’, in de woorden van Bakoenin, is in een absoluut kwaad veranderd. De ecologische crisis van onze tijd laat zien dat de productiemiddelen die ontwikkeld zijn door de hiërarchische samenleving en in het bijzonder door het kapitalisme, te sterk zijn uitgegroeid om als middel van overheersing te laten bestaan.

Als aan de andere kant de huidige maatschappij nog langer doorgaat op deze weg, zullen de ecologische problemen waar we mee geconfronteerd worden nog groter zijn dan die welke we nu vervuiling noemen. Een maatschappij gebaseerd op productie omwille van zichzelf is op zich anti-ecologisch en de consequenties ervan zijn een verscheurde natuurlijke wereld, een wereld waarvan de organische complexiteit gedegradeerd is door de techniek tot het anorganische spul dat van het einde van de lopende band rolt. Naarmate de steden als een kankergezwel over het land groeien, naarmate complexe materialen veranderen in eenvoudige materialen, naarmate de verscheidenheid verdwijnt tussen de kaken van een synthetische omgeving, samengesteld uit glas, bakstenen, beton, metaal en machines, worden de complexe voedselketens waarvan we afhankelijk zijn steeds simpeler. Deze zijn noodzakelijk voor de gezondheid van onze grond, voor de integriteit van onze oceanen en atmosfeer en voor de fysiologische levensvatbaarheid van ons bestaan. Het systeem zal door zijn mateloos verslinden van de natuur letterlijk de hele biosfeer reduceren tot de fragiele eenvoud van de natuurlijke evenwichten van onze woestijnen en poolstreken. We zullen het proces van de organische evolutie omkeren, dat de flora en fauna gedifferentieerd heeft tot steeds complexere vormen en verhoudingen, en daardoor zullen we een eenvoudiger en minder stabiele wereld van leven scheppen. De uiteindelijke gevolgen van deze verschrikkelijke regressie zijn volledig voorspelbaar. De biosfeer zal zo fragiel worden dat deze uiteindelijk ineen zal storten, en de organische voorwaarde voor het menselijke leven zal verdwijnen. Dat dit voort zal vloeien uit een maatschappij gebaseerd op productie omwille van zichzelf, is, naar mijn idee, alleen maar een kwestie van tijd, hoewel het onmogelijk is te voorspellen wanneer dit zal gebeuren.

We moeten een ecologische maatschappij scheppen, niet alleen omdat zo'n maatschappij wenselijk is, maar omdat het een bittere noodzaak is. We moeten beginnen te leven om te kunnen overleven. Zo’n maatschappij brengt een fundamentele omkering van alle trends met zich mee, die de historische ontwikkeling van de kapitalistische techniek en de bourgeois-maatschappij kenmerken: de minutieuze specialisatie van machines en werk, de concentratie van hulpbronnen en mensen in gigantische industriële ondernemingen en stedelijke eenheden, de verstaatsing en bureaucratisering van het leven, de scheiding van de stad van het land, het tot object maken van de natuur, en van de menselijke wezens. Deze ingrijpende omkering betekent dat we moeten beginnen onze steden te decentraliseren en geheel nieuwe eco-gemeenschappen moeten vestigen die op kunstzinnige wijze zijn ingepast in de ecosystemen waarin ze zijn gelegen. Hier moet benadrukt worden dat decentralisatie niet een lukrake verstrooiing van de bevolking over het platteland in kleine geïsoleerde huishoudens of communes van de tegencultuur (hoe essentieel de laatste ook mogen zijn) betekent, maar eerder dat we de stedelijke traditie, in de Helleense betekenis van het woord, opnieuw op moeten vatten. Namelijk als een stad die begrijpelijk is en te beheren is door diegenen die erin wonen. Een nieuwe polis, als je wilt, die, naar Aristoteles beroemde uitspraak, door iedereen in een enkele blik begrepen kan worden.

Zo’n eco-gemeenschap zou de kloof tussen stad en het platteland overbruggen en in feite ook die tussen geest en lichaam door intellectueel en lichamelijk werk tot een eenheid te maken en industrie met landbouw te verenigen in een afwisseling en verscheidenheid van beroepstaken. Een eco-gemeenschap zou gesteund worden door een nieuw soort techniek - eco-techniek - samengesteld uit veelzijdige machines gericht op de productie van duurzame kwaliteitsgoederen en niet op die van wegwerpproducten en fraai uitgevoerde rotzooi. Dit is geen pleidooi voor het verlaten van de techniek en de terugkeer naar het voedsel verzamelen uit het paleolithicum. Integendeel, onze bestaande techniek is niet fijn genoeg ontwikkeld in vergelijking met de kleinschaliger, veelzijdiger eco-techniek die ontwikkeld zou kunnen worden en voor een groot deel al beschikbaar is in testmodellen of op de tekentafel. Zo’n eco-techniek zou gebruik maken van de onuitputtelijke energiebronnen van de natuur, de zon en wind, de getijden en waterstromen, de temperatuurverschillen van de aarde en de overvloed van waterstof om ons heen als brandstof, om de eco-gemeenschap te voorzien van niet-vervuilende materialen of van materialen die gemakkelijk gerecycled kunnen worden. Decentralisatie zou het mogelijk maken de enorme afvalproblemen te vermijden die door onze gigantische steden worden geschapen, afval dat alleen verbrand of in de zee gedumpt kan worden.

Ecoge-meenschappen en eco-techniek in een schaal passend bij de menselijke dimensie, zullen een nieuw tijdperk inluiden van onderlinge relaties. Een tijdperk van directe democratie door de vrije tijd te verschaffen die het de mensen mogelijk zal maken op Helleense wijze de zaken van de gemeenschap te beheren zonder de bemiddeling van een bureaucratie of van beroepspolitici. De kloven, eeuwen tevoren veroorzaakt door een hiërarchische maatschappij, zullen dan overbrugd en gesloten worden. De vijandige scheiding tussen seksen en leef tijdsgroepen, stad en platteland, bestuur en gemeenschap, geest en lichaam zullen worden verzoend en een harmonie vormen in een humanistische en ecologische synthese. Uit deze overgang zal een nieuwe relatie tussen de mensheid en de natuurlijke wereld tevoorschijn komen, waarin de gemeenschap opgevat zal worden als een ecosysteem gebaseerd op eenheid in verscheidenheid, spontaniteit en niet-hiërarchische relaties. We moeten opnieuw in onze eigen geest de herbezieling door de natuurlijke wereld proberen te bereiken. Zeker niet door een verwerpelijke terugkeer naar de mythen van het archaïsche tijdperk, maar door in het menselijk bewustzijn een zelfbewuste en door eigen activiteit gevormde natuurlijke wereld te zien. Dit bewustzijn probeert, gesteund door een niet onderdrukkende rationaliteit de diversiteit en complexiteit van het leven te bevorderen. Uit deze niet-prometeïsche oriëntatie zal een nieuw bewustzijn tevoorschijn komen, dat in Marx' woorden, de vermenselijking van de natuur en de vernatuurlijking van de mens zal voortbrengen.

Het stellen van milieubeheer tegenover ecologie, betekent niet dat we de strijd tegen het bouwen van kerncentrales of tegen het aanleggen van snelwegen moeten opgeven en in onze leunstoel de komst van een duizendjarig ecologisch. rijk moeten afwachten. Integendeel het veroverde terrein moet met vuur verdedigd worden, voortdurend en overal, om te redden wat we nog bezitten, zodat we de samenleving kunnen herbouwen in de minst vervuilde en minst beschadigde omgeving die voor ons te bereiken is. Maar de duidelijke alternatieven van ecotopia òf ecologische verwoesting moeten op de voorgrond worden geplaatst en er moet in ieder geviel een coherente theorie worden opgesteld als we tenminste geen alternatieven willen bieden die net zo betekenisloos zijn als de perspectieven van de huidige maatschappij barbaars. We kunnen de “derde wereld” bijvoorbeeld niet vertellen dat zij niet moeten industrialiseren als zij tegenover een schrijnend materieel tekort en armoede staan. Met een coherente theorie die tot de basis van het sociale probleem reikt, kunnen we echter de ontwikkelende naties die technische- en gemeenschapsmodellen bieden die we voor onze eigen maatschappij nodig hebben. Zonder een samenhangend theoretisch kader hebben we erg weinig te zeggen, afgezien van vermoeiende platvloersheden en af en toé een periode van strijd en vrome hoop, die het publiek met goede redenen kan negeren, behalve voor zover het zijn eigen beperkte alledaagse belangen betreft.

Tenslotte, de unieke vrijheid die ons zou kunnen wachten resulteert ironisch genoeg - of moet ik zeggen dialectisch - uit het feit dat onze keuzen jammerlijk beperkt zijn. Een eeuw geleden kon Marx met rede beargumenteren dat het alternatief voor het socialisme de barbarij is. Hoe afstotend de slechtste van deze alternatieven ook mag zijn, de gemeenschap kon tenminste nog verwachten er overheen te komen. Vandaag de dag is de situatie veel ernstiger. De ecologische crisis van onze tijd heeft de alternatieven van deze maatschappij in een stadium gebracht waarin het noodzakelijk is om te kiezen. Of we creëren een ecotopia, gebaseerd op ecologische principes, òf we gaan eenvoudig ten onder als soort. Naar mijn idee is dit geen apocalyptische bombast, het is een wetenschappelijk oordeel dat dagelijks bekrachtigd wordt door de levenswet van de huidige maatschappij.

Voetnoot

  • [1] Gerontocratie: een bestuursvorm waarbij alle autoriteit toekomt aan ouderen.
  • [2] In ”The ecology of freedom”, Knopf and Vintage, behandelt Bookchin de afbraak van de relaties in de archaïsche wereld.
  • [3] Prometheïsch; zoals Prometheus. Prometheus is een figuur uit de Griekse mythologie. Bij de oorspronkelijke toebedeling van gaven en vaardigheden door de Griekse goden was de mens er bekaaid afgekomen. Uit liefde voor de mensheid stal Prometheus het vuur bij de Olympische goden en schonk het aan de mensen. Hij leerde de mens er metaal mee te bewerken en leerde hun technische vaardigheden toe te eigenen.
namespace/naar_een_ecologische_maatschappij.txt · Laatst gewijzigd: 11/12/19 13:35 door defiance