Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


namespace:het_revolutionaire_antimilitarisme_in_nederland

Verschillen

Dit geeft de verschillen weer tussen de geselecteerde revisie en de huidige revisie van de pagina.

Link naar deze vergelijking

Beide kanten vorige revisie Vorige revisie
Volgende revisie
Vorige revisie
Volgende revisie Beide kanten volgende revisie
namespace:het_revolutionaire_antimilitarisme_in_nederland [26/04/17 00:40]
autonomia
namespace:het_revolutionaire_antimilitarisme_in_nederland [27/04/17 01:32]
autonomia [Slotbeschouwing]
Regel 17: Regel 17:
    
    
-Anarchisten en soldaten+==== Anarchisten en soldaten ​ ====
    
 De bestrijding van het militarisme is steeds een zeer belangrijk onderdeel geweest van de propaganda en de strijd van anarchistische arbeidersbeweging,​ vooral in Nederland. Voor een deel vond deze propaganda haar grond in een oprechte afschuw van de gruwelen en de misdadigheid van een oorlog. Maar de nadruk lag toch ergens anders. De anarchistische beweging was niet pacifistisch,​ maar revolutionnair en anti-kapitalistisch. Zij was voorstander van de directe actie der arbeiders, die door staking, sabotage, lijdelijk verzet en het bezetten van bedrijven hun lot moesten verbeteren. Deze acties moesten tenslotte uitmonden in de algemene werkstaking en in een sociale revolutie, die staat en kapitalisme ten val zouden brengen en de economische macht zouden leggen in handen van de arbeiders en hun organisaties. De anarchistische beweging ging er van uit, dat de strijd tussen arbeiders en bourgeoisie,​ tussen het revolutionnaire volk en de staat, zich niet geweldloos zou voltrekken. In iedere staking van enige betekenis zagen de arbeiders hun “broeders in de wapenrok” tegenover zich. De grote algemene werkstaking van April 1903 bijvoorbeeld gaf aanleiding tot een geweldig militair vertoon van de zijde der regering. Amsterdam alleen kreeg extra bezetting van 35.000 man. De anarchisten hebben van begin af aan ingezien, dat het militarisme het machtige wapen was van de staat en de bezittende klasse om de arbeiders en de arbeidersbeweging blijvend te onderdrukken. Zij gingen er van uit, dat de militaire macht in hoofdzaak werd gevormd door in uniform gestoken arbeiders. Zij maakten die arbeiders daarvan geen verwijt, maar schreven hun optreden als soldaten toe aan hun onwetendheid en hun gebrek aan klassebewust zijn. De anarchisten beschouwden het daarom als hun zeer voorname taak, de arbeiders en de soldaten het karakter, het doel en het wezen van het militarisme bewust te maken, meer nog wanneer het optrad bij arbeidsconflicten dan in de oorlog. Na de staking van 1903 schreef Domela Nieuwenhuis in een aan deze strijd gewijd brochure, dat er ook gewerkt moet worden onder de militairen. “Immers zij zijn het, die in tijd van nood gebruikt worden om de staking er onder te krijgen en de kapitalisten te beschermen in hun brandkastbelangen. Het mooiste zou zijn om ook een militaire werkstaking te krijgen en daarvoor moet natuurlijk evenzeer gewerkt worden. De soldaten zijn ook arbeiders, al steekt men ze tijdelijk in een soldatenpak,​ en als ze begrijpen toch ondanks hun kleeren bovenal arbeiders te moeten blijven, dan is er reeds veel gewonnen.” Om de soldaten dit begrip bij te brengen waren de oude anarchisten steeds op post en... niet zonder succes! In manifesten wekten zij bij iedere staking de soldaten op tot solidariteit met de strijdende arbeiders. Hun lectuur werd onder militairen dóór militairen verspreid, waarvoor deze herhaaldelijk straf opliepen. Militairen riepen in de bladen openlijk op tot solidariteit met de arbeiders. Herhaaldelijk werden militairen, met name “mariniers”,​ wegens anti-militaristische karaktereigenschappen uit de dienst ontslagen. Voor de lotelingen werden speciale vergaderingen belegd, soms zelfs vlak bij de lotingszaal “gedurende het koffieuurtje der lotingsbazen”. Anarchisten werden vervolgd wegens het verspreiden van opruiende manifesten onder militairen. Soldaten en mariniers uiten hun klachten in De Vrije Socialist van Domela Nieuwenhuis,​ zij raden hun lotgenoten aan bij conflicten niet op de arbeiders te schieten. Afdelingen van de Bond van Miliciens en Oud-Miliciens belegden vergaderingen met anarchisten als sprekers, om te protesteren tegen het oproepen der militairen onder de wapenen en in een resolutie werd door hen voorgesteld om, in navolging van de militairen in Italië, bij een werkstaking de soldij te storten in de stakingskas. Te Amsterdam nam het “mindere marine-personeel” een resolutie aan, waarin het verklaarde zich als arbeiderskinderen te beschouwen, waarmede zij bij een eventueel gewelddadig optreden rekening zouden houden. De bestrijding van het militarisme is steeds een zeer belangrijk onderdeel geweest van de propaganda en de strijd van anarchistische arbeidersbeweging,​ vooral in Nederland. Voor een deel vond deze propaganda haar grond in een oprechte afschuw van de gruwelen en de misdadigheid van een oorlog. Maar de nadruk lag toch ergens anders. De anarchistische beweging was niet pacifistisch,​ maar revolutionnair en anti-kapitalistisch. Zij was voorstander van de directe actie der arbeiders, die door staking, sabotage, lijdelijk verzet en het bezetten van bedrijven hun lot moesten verbeteren. Deze acties moesten tenslotte uitmonden in de algemene werkstaking en in een sociale revolutie, die staat en kapitalisme ten val zouden brengen en de economische macht zouden leggen in handen van de arbeiders en hun organisaties. De anarchistische beweging ging er van uit, dat de strijd tussen arbeiders en bourgeoisie,​ tussen het revolutionnaire volk en de staat, zich niet geweldloos zou voltrekken. In iedere staking van enige betekenis zagen de arbeiders hun “broeders in de wapenrok” tegenover zich. De grote algemene werkstaking van April 1903 bijvoorbeeld gaf aanleiding tot een geweldig militair vertoon van de zijde der regering. Amsterdam alleen kreeg extra bezetting van 35.000 man. De anarchisten hebben van begin af aan ingezien, dat het militarisme het machtige wapen was van de staat en de bezittende klasse om de arbeiders en de arbeidersbeweging blijvend te onderdrukken. Zij gingen er van uit, dat de militaire macht in hoofdzaak werd gevormd door in uniform gestoken arbeiders. Zij maakten die arbeiders daarvan geen verwijt, maar schreven hun optreden als soldaten toe aan hun onwetendheid en hun gebrek aan klassebewust zijn. De anarchisten beschouwden het daarom als hun zeer voorname taak, de arbeiders en de soldaten het karakter, het doel en het wezen van het militarisme bewust te maken, meer nog wanneer het optrad bij arbeidsconflicten dan in de oorlog. Na de staking van 1903 schreef Domela Nieuwenhuis in een aan deze strijd gewijd brochure, dat er ook gewerkt moet worden onder de militairen. “Immers zij zijn het, die in tijd van nood gebruikt worden om de staking er onder te krijgen en de kapitalisten te beschermen in hun brandkastbelangen. Het mooiste zou zijn om ook een militaire werkstaking te krijgen en daarvoor moet natuurlijk evenzeer gewerkt worden. De soldaten zijn ook arbeiders, al steekt men ze tijdelijk in een soldatenpak,​ en als ze begrijpen toch ondanks hun kleeren bovenal arbeiders te moeten blijven, dan is er reeds veel gewonnen.” Om de soldaten dit begrip bij te brengen waren de oude anarchisten steeds op post en... niet zonder succes! In manifesten wekten zij bij iedere staking de soldaten op tot solidariteit met de strijdende arbeiders. Hun lectuur werd onder militairen dóór militairen verspreid, waarvoor deze herhaaldelijk straf opliepen. Militairen riepen in de bladen openlijk op tot solidariteit met de arbeiders. Herhaaldelijk werden militairen, met name “mariniers”,​ wegens anti-militaristische karaktereigenschappen uit de dienst ontslagen. Voor de lotelingen werden speciale vergaderingen belegd, soms zelfs vlak bij de lotingszaal “gedurende het koffieuurtje der lotingsbazen”. Anarchisten werden vervolgd wegens het verspreiden van opruiende manifesten onder militairen. Soldaten en mariniers uiten hun klachten in De Vrije Socialist van Domela Nieuwenhuis,​ zij raden hun lotgenoten aan bij conflicten niet op de arbeiders te schieten. Afdelingen van de Bond van Miliciens en Oud-Miliciens belegden vergaderingen met anarchisten als sprekers, om te protesteren tegen het oproepen der militairen onder de wapenen en in een resolutie werd door hen voorgesteld om, in navolging van de militairen in Italië, bij een werkstaking de soldij te storten in de stakingskas. Te Amsterdam nam het “mindere marine-personeel” een resolutie aan, waarin het verklaarde zich als arbeiderskinderen te beschouwen, waarmede zij bij een eventueel gewelddadig optreden rekening zouden houden.
    
    
-De oprichting van de I.A.M.V.+==== De oprichting van de I.A.M.V. ​====
    
 In De Vrije Socialist van 26 November 1902 verscheen een oproep van de Franse anarchisten TAILHADE, LHERMITTE, JANVION en VALLIER om in Londen een internationaal anti-militaristisch congres te houden. Toen dit niet mogelijk bleek te zijn, droeg de Vrije-Socialistenconferentie op 31 Mei en 1 Juni 1903 te Arnhem aan de Vrije-Socialistenvereniging te Amsterdam op, de voorbereiding van het internationaal congres in handen te nemen. Deze vereniging benoemde M. DE BOER en F. Domela Nieuwenhuis tot secretarissen. Na een aantal oproepen, waarvan, naast revolutionnaire anarchisten,​ ook de christen-anarchist ds LOUIS A. BÄHLER en de letterkundige FREDERIK VAN EEDEN tot de ondertekenaars behoorden, kwam het congres op 26, 27 en 28 Juni 1904 te Amsterdam bijeen. In De Vrije Socialist van 26 November 1902 verscheen een oproep van de Franse anarchisten TAILHADE, LHERMITTE, JANVION en VALLIER om in Londen een internationaal anti-militaristisch congres te houden. Toen dit niet mogelijk bleek te zijn, droeg de Vrije-Socialistenconferentie op 31 Mei en 1 Juni 1903 te Arnhem aan de Vrije-Socialistenvereniging te Amsterdam op, de voorbereiding van het internationaal congres in handen te nemen. Deze vereniging benoemde M. DE BOER en F. Domela Nieuwenhuis tot secretarissen. Na een aantal oproepen, waarvan, naast revolutionnaire anarchisten,​ ook de christen-anarchist ds LOUIS A. BÄHLER en de letterkundige FREDERIK VAN EEDEN tot de ondertekenaars behoorden, kwam het congres op 26, 27 en 28 Juni 1904 te Amsterdam bijeen.
Regel 30: Regel 30:
    
    
-De I.A.M.V. in Nederland+==== De I.A.M.V. in Nederland ​====
    
 Geheel anders was het in Nederland. Ook hier waren niet alle anarchisten voorstander van een afzonderlijke anti-militaristische beweging. Maar een zeer bijzondere omstandigheid was, dat Domela Nieuwenhuis,​ die een overheersende,​ ja bijna magische invloed in de beweging had, zich als verklaard tegenstander verzette tegen iedere organisatie van de anarchisten. Slechts “vrije groepen” van voor de anarchistische propaganda samenwerkende kameraden konden in zijn oog genade vinden. In de grote plaatsen bestonden verscheidene van zulke groepen los naast elkaar zonder enig plaatselijk laat staan landelijk organisatorisch verband. Maar Domela Nieuwenhuis was geen tegenstander van een anti-militaristische organisatie,​ die toch in hoofdzaak uit anarchisten bestond. Vele anarchisten,​ die zich tot organisatorisch werken voelden aangetrokken,​ hebben hun krachten aan de anti-militaristische beweging gewijd. Geheel anders was het in Nederland. Ook hier waren niet alle anarchisten voorstander van een afzonderlijke anti-militaristische beweging. Maar een zeer bijzondere omstandigheid was, dat Domela Nieuwenhuis,​ die een overheersende,​ ja bijna magische invloed in de beweging had, zich als verklaard tegenstander verzette tegen iedere organisatie van de anarchisten. Slechts “vrije groepen” van voor de anarchistische propaganda samenwerkende kameraden konden in zijn oog genade vinden. In de grote plaatsen bestonden verscheidene van zulke groepen los naast elkaar zonder enig plaatselijk laat staan landelijk organisatorisch verband. Maar Domela Nieuwenhuis was geen tegenstander van een anti-militaristische organisatie,​ die toch in hoofdzaak uit anarchisten bestond. Vele anarchisten,​ die zich tot organisatorisch werken voelden aangetrokken,​ hebben hun krachten aan de anti-militaristische beweging gewijd.
Regel 36: Regel 36:
    
    
-De activiteit van de Nederlandse I.A.M.V.-sectie+==== De activiteit van de Nederlandse I.A.M.V.-sectie ​====
    
 Op 9 October 1904 werd de Nederlandse sectie van de I.A.M.V. die wij verder zonder meer “de I.A.M.V.” zullen noemen - op een congres te Zwolle gesticht met 375 leden in tien plaatselijke afdelingen. Enkele maanden later waren acht nieuwe afdelingen opgericht en was het aantal leden tot 700 gestegen. In 1906 waren er 28 af delingen met ongeveer 900 leden, welk aantal in 1908 tot 1000 was gestegen. Tegen het uitbreken van de eerste wereldoorlog was dit aantal in bedenkelijke mate gedaald, maar de op zichzelf zeer kleine organisatie ontwikkelde een bewonderenswaardige activiteit. Een deel van haar actie was gericht op het ondermijnen van leger en vloot met het doel deze onbruikbaar te maken voor de heersende klasse als instrument in de klassenstrijd. Als protest tegen de werving voor leger en marine werd in 20.000 ex. de brochure “De Nederlandsche regeering als zielkoopster” verspreid. In 1905 werd besloten jaarlijks een soldatenalmanak uit te geven, speciaal voor de militairen bestemd. Deze almanak is 17 jaar achtereen in een oplage van 5.000 tot 10.000 ex. verschenen. Als orgaan van de vereniging werd het maandblad “De Wapens Neder” overgenomen,​ dat reeds enige jaren op eigen initiatief door enkele geestverwanten was uitgegeven. Ook dit blad richtte zich telkens weer rechtstreeks tot de soldaten. In een van de nummers is een plaatje opgenomen, waarop arbeiders afscheid nemende recruten de hand drukken met de woorden: “Ziezoo, dat is dus afgesproken,​ ge zult nimmer op uw broeders schieten!” In 1909 werd besloten vier van de 12 maandelijkse nummers speciaal voor lotelingen en militairen, die met verlof naar huis komen, te bestemmen. In dat jaar werden niet minder dan 81.000 nummers van “De Wapens Neder” verspreid, d.w.z. 6.000 à 7.000 per maand door een organisatie van nog geen duizend leden. Een hoge vlucht nam het blad onder redactie van N. J. C. Schermerhorn (destijds predikant te Nieuwe Niedorp) gedurende de jaren 1910-1922. Deze onvermoeide en begaafde redenaar heeft op honderden plattelandsvergaderingen het woord gevoerd en won op iedere vergadering tientallen abonnees. Gedurende de 51 maanden van de eerste wereldoorlog bedroeg de gemiddelde oplage 18.000 ex. en de hoogste oplage 33.000 ex. per maand. In 1928, toen het aantal leden der I.A.M.V. slechts 600 bedroeg, werden maandelijks 9.500 ex. van “De Wapens Neder” aan de man gebracht en van het afzonderlijke belangrijk vergrote Kerstnummer zelfs 15.000 ex. of 25 ex. per lid. Op 9 October 1904 werd de Nederlandse sectie van de I.A.M.V. die wij verder zonder meer “de I.A.M.V.” zullen noemen - op een congres te Zwolle gesticht met 375 leden in tien plaatselijke afdelingen. Enkele maanden later waren acht nieuwe afdelingen opgericht en was het aantal leden tot 700 gestegen. In 1906 waren er 28 af delingen met ongeveer 900 leden, welk aantal in 1908 tot 1000 was gestegen. Tegen het uitbreken van de eerste wereldoorlog was dit aantal in bedenkelijke mate gedaald, maar de op zichzelf zeer kleine organisatie ontwikkelde een bewonderenswaardige activiteit. Een deel van haar actie was gericht op het ondermijnen van leger en vloot met het doel deze onbruikbaar te maken voor de heersende klasse als instrument in de klassenstrijd. Als protest tegen de werving voor leger en marine werd in 20.000 ex. de brochure “De Nederlandsche regeering als zielkoopster” verspreid. In 1905 werd besloten jaarlijks een soldatenalmanak uit te geven, speciaal voor de militairen bestemd. Deze almanak is 17 jaar achtereen in een oplage van 5.000 tot 10.000 ex. verschenen. Als orgaan van de vereniging werd het maandblad “De Wapens Neder” overgenomen,​ dat reeds enige jaren op eigen initiatief door enkele geestverwanten was uitgegeven. Ook dit blad richtte zich telkens weer rechtstreeks tot de soldaten. In een van de nummers is een plaatje opgenomen, waarop arbeiders afscheid nemende recruten de hand drukken met de woorden: “Ziezoo, dat is dus afgesproken,​ ge zult nimmer op uw broeders schieten!” In 1909 werd besloten vier van de 12 maandelijkse nummers speciaal voor lotelingen en militairen, die met verlof naar huis komen, te bestemmen. In dat jaar werden niet minder dan 81.000 nummers van “De Wapens Neder” verspreid, d.w.z. 6.000 à 7.000 per maand door een organisatie van nog geen duizend leden. Een hoge vlucht nam het blad onder redactie van N. J. C. Schermerhorn (destijds predikant te Nieuwe Niedorp) gedurende de jaren 1910-1922. Deze onvermoeide en begaafde redenaar heeft op honderden plattelandsvergaderingen het woord gevoerd en won op iedere vergadering tientallen abonnees. Gedurende de 51 maanden van de eerste wereldoorlog bedroeg de gemiddelde oplage 18.000 ex. en de hoogste oplage 33.000 ex. per maand. In 1928, toen het aantal leden der I.A.M.V. slechts 600 bedroeg, werden maandelijks 9.500 ex. van “De Wapens Neder” aan de man gebracht en van het afzonderlijke belangrijk vergrote Kerstnummer zelfs 15.000 ex. of 25 ex. per lid.
Regel 43: Regel 43:
    
    
-Gerechtelijke vervolgingen+==== Gerechtelijke vervolgingen ​====
    
 Tal van malen hebben de propagandisten van de I.A.M.V. aan gerechtelijke vervolgingen blootgestaan. In 1908 werden WURPEL en PIETERS vervolgd wegens het verspreiden van een manifest aan de lotelingen. Deze vervolging wekte een storm van protest, te meer daar gepoogd werd, I.A.M.V. tot een verboden vereniging te verklaren. Niet minder dan 23 organisaties werkten met de I.A.M.V. samen in een agitatiecomité,​ dat een grote protestmeeting in het Paleis voor Volksvlijt organiseerde en in tienduizenden exemplaren een geschrift van 16 pagina’s, “Tot aanval en verweer”, verspreidde. Blijkens dit geschrift waren de beide propagandisten op 4 Juni 1908 veroordeeld wegens hun lidmaatschap van de I.A.M.V., waardoor “dus genoemde vereeniging tot een verboden vereeniging verklaard” was. De vervolging zou zijn ingesteld op instigatie van de Pruisische regering naar aanleiding van het feit dat door Nederlandse anti-militaristen een poging was gedaan om een anti-militaristisch geschrift, namelijk “Soldaten-Brevier”,​ in Duitsland binnen te smokkelen. Dit geschrift was een klein boekje, gecamoufleerd in de Duitse nationale kleuren met het Pruisische wapen en het motto „Mit Gott für Konig und Vaterland”. Het Handelsblad dier dagen schreef, “dat we niet gediend zijn van Pruisischen peper in onze rechtspleging”. Ook De Telegraaf drong er op aan, dat hieromtrent het juiste licht zou worden verspreid. In hoger instantie werden Wurpel en Pieters vrijgesproken. Tal van malen hebben de propagandisten van de I.A.M.V. aan gerechtelijke vervolgingen blootgestaan. In 1908 werden WURPEL en PIETERS vervolgd wegens het verspreiden van een manifest aan de lotelingen. Deze vervolging wekte een storm van protest, te meer daar gepoogd werd, I.A.M.V. tot een verboden vereniging te verklaren. Niet minder dan 23 organisaties werkten met de I.A.M.V. samen in een agitatiecomité,​ dat een grote protestmeeting in het Paleis voor Volksvlijt organiseerde en in tienduizenden exemplaren een geschrift van 16 pagina’s, “Tot aanval en verweer”, verspreidde. Blijkens dit geschrift waren de beide propagandisten op 4 Juni 1908 veroordeeld wegens hun lidmaatschap van de I.A.M.V., waardoor “dus genoemde vereeniging tot een verboden vereeniging verklaard” was. De vervolging zou zijn ingesteld op instigatie van de Pruisische regering naar aanleiding van het feit dat door Nederlandse anti-militaristen een poging was gedaan om een anti-militaristisch geschrift, namelijk “Soldaten-Brevier”,​ in Duitsland binnen te smokkelen. Dit geschrift was een klein boekje, gecamoufleerd in de Duitse nationale kleuren met het Pruisische wapen en het motto „Mit Gott für Konig und Vaterland”. Het Handelsblad dier dagen schreef, “dat we niet gediend zijn van Pruisischen peper in onze rechtspleging”. Ook De Telegraaf drong er op aan, dat hieromtrent het juiste licht zou worden verspreid. In hoger instantie werden Wurpel en Pieters vrijgesproken.
Regel 50: Regel 50:
    
    
-De beginselen der I.A.M.V.+==== De beginselen der I.A.M.V. ​====
    
 Een eigenlijke beginselverklaring heeft de I.A.M.V. tot Kerstmis 1919 niet gehad. Wel heeft zij reeds in 1914 uitgegeven de brochure “Wat de Roode Internationale wil”, die als zodanig kan worden beschouwd. Haar standpunt komt duidelijk tot uitdrukking in de drie klare, klassiek geworden leuzen, die zij heeft aangeheven vanaf de eerste dag van haar bestaan: Een eigenlijke beginselverklaring heeft de I.A.M.V. tot Kerstmis 1919 niet gehad. Wel heeft zij reeds in 1914 uitgegeven de brochure “Wat de Roode Internationale wil”, die als zodanig kan worden beschouwd. Haar standpunt komt duidelijk tot uitdrukking in de drie klare, klassiek geworden leuzen, die zij heeft aangeheven vanaf de eerste dag van haar bestaan:
Regel 60: Regel 60:
    
    
-Indonesië los van Holland+==== Indonesië los van Holland ​====
    
 De leuze “Indië los van Holland”, later overgenomen door de communisten,​ is het eerst door de anti-militaristen aangeheven. Reeds in 1871 had Domela Nieuwenhuis als predikant te Harlingen een oproep gedaan tot een openbare vergadering als protest tegen de Frans-Duitse oorlog en tot stichting van een vredesbond. In een artikel van prof. BUIJS in de Gids van Augustus had deze zich tegenstander van een vredesbeweging verklaard. In een antwoord op dit artikel schreef Domela Nieuwenhuis,​ die toen nog geen socialist was, reeds: “En tenslotte moeten de koloniën onafhankelijk verklaard worden. Want het bezit van koloniën is een voortdurend oorlogsgevaar. Zij zijn onrechtmatig verworven en het gevolg daarvan is, dat het eene onrecht gestapeld wordt op het andere. Om den diefstal mogelijk te maken, moest men moorden. We hebben schatten verworven ten koste van het bloed en het zweet der inlanders, en we zijn niets dan roovers in een land, waar we niets te maken hebben.” De leuze “Indië los van Holland”, later overgenomen door de communisten,​ is het eerst door de anti-militaristen aangeheven. Reeds in 1871 had Domela Nieuwenhuis als predikant te Harlingen een oproep gedaan tot een openbare vergadering als protest tegen de Frans-Duitse oorlog en tot stichting van een vredesbond. In een artikel van prof. BUIJS in de Gids van Augustus had deze zich tegenstander van een vredesbeweging verklaard. In een antwoord op dit artikel schreef Domela Nieuwenhuis,​ die toen nog geen socialist was, reeds: “En tenslotte moeten de koloniën onafhankelijk verklaard worden. Want het bezit van koloniën is een voortdurend oorlogsgevaar. Zij zijn onrechtmatig verworven en het gevolg daarvan is, dat het eene onrecht gestapeld wordt op het andere. Om den diefstal mogelijk te maken, moest men moorden. We hebben schatten verworven ten koste van het bloed en het zweet der inlanders, en we zijn niets dan roovers in een land, waar we niets te maken hebben.”
Regel 66: Regel 66:
    
    
-De I.A.M.V. en het geweld+==== De I.A.M.V. en het geweld ​====
    
 Haar standpunt ten opzichte van het geweld heeft de I.A.M.V. duidelijk tot uitdrukking gebracht in de verklaring, dat zij streed voor “een maatschappij,​ waarin voor ruw geweld geen plaats meer is”. Ongetwijfeld is de I.A.M.V. mede geboren uit verzet tegen en afschuw van het brute geweld der staten, waarmede de uitbuiting en de onderdrukking der arbeidersklasse werden gehandhaafd en duizenden proletariërs in bloedige oorlogen werden afgeslacht. Zij beschouwde de terzijdestelling van het geweld als grondslag der maatschappij als haar voornaamste doel. Zij zag het geweld echter niet als een gevolg van de persoonlijke zonde van arbeider of kapitalist, maar als een uitvloeisel van de economische en politieke inrichting onzer samenleving. Het standpunt, dat het geweld - ook als verzet der onderdrukten - verworpen moet worden, omdat men “zijn vijanden moet liefhebben”,​ heeft de I.A.M.V. nooit aanvaard. In “Wat de Roode Internationale wil” wordt verklaard, dat de geweldloosheid door de vereniging niet als beginsel wordt aanvaard, maar dat dit niet wil zeggen, dat zij geen eerbied zou koesteren voor hem, die, omdat hij alle geweld uit den boze acht, weigert in militaire dienst te treden. Zij plaatste zich echter niet op tolstojaans standpunt en nam de mogelijkheid aan “dat in den strijd der klassen niet immer de geweldsdaad is te ontwijken, noch af te keuren”. Haar standpunt ten opzichte van het geweld heeft de I.A.M.V. duidelijk tot uitdrukking gebracht in de verklaring, dat zij streed voor “een maatschappij,​ waarin voor ruw geweld geen plaats meer is”. Ongetwijfeld is de I.A.M.V. mede geboren uit verzet tegen en afschuw van het brute geweld der staten, waarmede de uitbuiting en de onderdrukking der arbeidersklasse werden gehandhaafd en duizenden proletariërs in bloedige oorlogen werden afgeslacht. Zij beschouwde de terzijdestelling van het geweld als grondslag der maatschappij als haar voornaamste doel. Zij zag het geweld echter niet als een gevolg van de persoonlijke zonde van arbeider of kapitalist, maar als een uitvloeisel van de economische en politieke inrichting onzer samenleving. Het standpunt, dat het geweld - ook als verzet der onderdrukten - verworpen moet worden, omdat men “zijn vijanden moet liefhebben”,​ heeft de I.A.M.V. nooit aanvaard. In “Wat de Roode Internationale wil” wordt verklaard, dat de geweldloosheid door de vereniging niet als beginsel wordt aanvaard, maar dat dit niet wil zeggen, dat zij geen eerbied zou koesteren voor hem, die, omdat hij alle geweld uit den boze acht, weigert in militaire dienst te treden. Zij plaatste zich echter niet op tolstojaans standpunt en nam de mogelijkheid aan “dat in den strijd der klassen niet immer de geweldsdaad is te ontwijken, noch af te keuren”.
Regel 72: Regel 72:
    
    
-Geweldlozen worden lid van de I.A.M.V.+==== Geweldlozen worden lid van de I.A.M.V. ​====
    
 Van ingrijpende,​ ja van beslissende betekenis is voor de I.A.M.V. de invloed van de eerste wereldoorlog geweest. Wij kunnen deze invloed in een drietal punten samenvatten,​ die echter innerlijk nauw samenhangen. De aandacht van de I.A.M.V. werd meer dan ooit gericht op de bestrijding van de oorlog en geleidelijk werd de verbondenheid met de klassenstrijd der arbeiders verzwakt. De dienstweigering trad veel sterker dan vroeger op de voorgrond. In de eerste wereldoorlog werden ook jonge mannen ouder dan 19 jaar onder de wapenen geroepen en onder hen bleek het aantal dienstweigeraars verhoudingsgewijze veel groter te zijn. In September 1915 verscheen een door 178 personen ondertekend “dienstweigerings-manifest”. Op 12 en 22 October verschenen reeds een tweede en derde oplaag met resp. 326 en 529 handtekeningen,​ waaronder vele leden van de I.A.M.V. Het aantal na September 1915 gevangen genomen dienstweigeraars steeg van 108 in Juni 1917 tot 425 in Juni 1918. En tenslotte traden een aantal min of meer religieus getinte en geweldloze anti-militaristen tot de I.A.M.V. toe. Zij kwamen niet uit de revolutionnaire arbeidersbeweging,​ maar uit christen-anarchistische en christen-socialistische kringen voort. Zij vertegenwoordigden de richting, die op het internationale congres van 1904 uitdrukkelijk was geweerd. Terwijl het anti-militarisme van de oude I.A.M.V. een uitvloeisel was van de vrije-socialistische klassenstrijd,​ vond hun anti-militarisme zijn hoofdwortel in het christendom. Bij sommigen hunner nam de persoonlijke dienstweigering een allesoverheersende plaats in. Zij legden sterk de nadruk op het ethische en individuele. Het ging hun in de eerste plaats om een zuivere levenshouding voor de enkeling. De oude I.A.M.V. had daarentegen steeds het oog gericht op een onmiddellijk doorvoerbare tactiek voor de arbeidersbeweging;​ zij had wel klassesolidariteit van de arbeiders verlangd, maar geen individuele daden, die boven de zedelijke kracht van de gemiddelde mens uitgaan. Het accent der beweging kwam steeds meer te liggen op de individuele dienstweigering en het “verantwoordelijk produceren”. Het contact met de soldaten ging geheel verloren en dat met de arbeidersbeweging nam meer en meer af. Hierbij heeft in de latere jaren ongetwijfeld ook een rol gespeeld de achteruitgang van de vrije-socialistische arbeidersbeweging,​ waarbij de syndicalistische organisatie,​ het N.A.-S., goeddeels door de bolsjewiki werd veroverd. Van ingrijpende,​ ja van beslissende betekenis is voor de I.A.M.V. de invloed van de eerste wereldoorlog geweest. Wij kunnen deze invloed in een drietal punten samenvatten,​ die echter innerlijk nauw samenhangen. De aandacht van de I.A.M.V. werd meer dan ooit gericht op de bestrijding van de oorlog en geleidelijk werd de verbondenheid met de klassenstrijd der arbeiders verzwakt. De dienstweigering trad veel sterker dan vroeger op de voorgrond. In de eerste wereldoorlog werden ook jonge mannen ouder dan 19 jaar onder de wapenen geroepen en onder hen bleek het aantal dienstweigeraars verhoudingsgewijze veel groter te zijn. In September 1915 verscheen een door 178 personen ondertekend “dienstweigerings-manifest”. Op 12 en 22 October verschenen reeds een tweede en derde oplaag met resp. 326 en 529 handtekeningen,​ waaronder vele leden van de I.A.M.V. Het aantal na September 1915 gevangen genomen dienstweigeraars steeg van 108 in Juni 1917 tot 425 in Juni 1918. En tenslotte traden een aantal min of meer religieus getinte en geweldloze anti-militaristen tot de I.A.M.V. toe. Zij kwamen niet uit de revolutionnaire arbeidersbeweging,​ maar uit christen-anarchistische en christen-socialistische kringen voort. Zij vertegenwoordigden de richting, die op het internationale congres van 1904 uitdrukkelijk was geweerd. Terwijl het anti-militarisme van de oude I.A.M.V. een uitvloeisel was van de vrije-socialistische klassenstrijd,​ vond hun anti-militarisme zijn hoofdwortel in het christendom. Bij sommigen hunner nam de persoonlijke dienstweigering een allesoverheersende plaats in. Zij legden sterk de nadruk op het ethische en individuele. Het ging hun in de eerste plaats om een zuivere levenshouding voor de enkeling. De oude I.A.M.V. had daarentegen steeds het oog gericht op een onmiddellijk doorvoerbare tactiek voor de arbeidersbeweging;​ zij had wel klassesolidariteit van de arbeiders verlangd, maar geen individuele daden, die boven de zedelijke kracht van de gemiddelde mens uitgaan. Het accent der beweging kwam steeds meer te liggen op de individuele dienstweigering en het “verantwoordelijk produceren”. Het contact met de soldaten ging geheel verloren en dat met de arbeidersbeweging nam meer en meer af. Hierbij heeft in de latere jaren ongetwijfeld ook een rol gespeeld de achteruitgang van de vrije-socialistische arbeidersbeweging,​ waarbij de syndicalistische organisatie,​ het N.A.-S., goeddeels door de bolsjewiki werd veroverd.
Regel 79: Regel 79:
    
    
-Activiteit tijdens en na de Eerste Wereldoorlog+==== Activiteit tijdens en na de Eerste Wereldoorlog ​====
    
 Terwijl de I.A.M.V. tegen 1914 in aantal leden en afdelingen sterk was gedaald, breidde zij zich tijdens de eerste wereldoorlog belangrijk uit. Einde 1918 telde zij meer dan 80 afdelingen met 3200 leden. Maar na de oorlog daalde het ledental regelmatig, n.l. tot 1250 in 1922 en tot 630 (verdeeld over 36 afdelingen) in 1928. Niettemin bleef de I.A.M.V. zowel schriftelijk mondeling een krachtige propaganda voeren. Een vlugschrift “Aan de Moeders” werd in 40.000 ex. verspreid, alleen in 1921 werden 59.000 ex. van elf verschillende brochures omgezet. Een anti-militaristisch jaarboek werd in 6.000 ex. uitgegeven, een brochure aan de onderwijzers (“School en Oorlog”) eveneens in 6.000 ex. Bij stakingen, oorlogsdreiging en andere daartoe aanleiding gevende gebeurtenissen werden manifesten in grote oplagen onder de bevolking verspreid. In talrijke dorpen, waar de politieke partijen hoogstens eens in de vier jaar een vergadering organiseerden,​ belegde de I.A.M.V. enige openbare vergaderingen per jaar. Haar sprekerslijst telde in 1923 niet minder dan 41 namen. Terwijl de I.A.M.V. tegen 1914 in aantal leden en afdelingen sterk was gedaald, breidde zij zich tijdens de eerste wereldoorlog belangrijk uit. Einde 1918 telde zij meer dan 80 afdelingen met 3200 leden. Maar na de oorlog daalde het ledental regelmatig, n.l. tot 1250 in 1922 en tot 630 (verdeeld over 36 afdelingen) in 1928. Niettemin bleef de I.A.M.V. zowel schriftelijk mondeling een krachtige propaganda voeren. Een vlugschrift “Aan de Moeders” werd in 40.000 ex. verspreid, alleen in 1921 werden 59.000 ex. van elf verschillende brochures omgezet. Een anti-militaristisch jaarboek werd in 6.000 ex. uitgegeven, een brochure aan de onderwijzers (“School en Oorlog”) eveneens in 6.000 ex. Bij stakingen, oorlogsdreiging en andere daartoe aanleiding gevende gebeurtenissen werden manifesten in grote oplagen onder de bevolking verspreid. In talrijke dorpen, waar de politieke partijen hoogstens eens in de vier jaar een vergadering organiseerden,​ belegde de I.A.M.V. enige openbare vergaderingen per jaar. Haar sprekerslijst telde in 1923 niet minder dan 41 namen.
    
    
-De “Groenendaal-actie”+==== De “Groenendaal-actie” ​====
    
 Een hoogtepunt van activiteit vond plaats in het jaar 1921 naar aanleiding van het feit, dat de Haarlemse dienstweigeraar HERMAN GROENENDAAL na zijn arrestatie op 6 Juni alle voedsel weigerde als protest tegen zijn gevangenhouding en als een appèl aan het geweten der arbeidersklasse. Toen het Landelijk Comité (bestuur) van de I.A.M.V. hiervan eerst op Zondag 19 Juni kennis kreeg, stelde het onmiddellijk de gehele Nederlandse dagbladpers op de hoogte. Op 20 Juni bracht het een bezoek aan de directeur en de behandelende geneesheer van het militair hospitaal in Den Haag, waar Groenendaal juist die dag voor het eerst gewelddadig kunstmatig was gevoed. Het Landelijk Comité deed tevergeefs een beroep op de artsen, zich niet voor het militarisme te laten misbruiken en zond opnieuw een uitvoerig communiqué aan de pers. Van Woensdag 22 Juni af werden door leden van de Haagse afdeling der I.A.M.V. 50.000 strooibiljetten uitgereikt en liepen de geestverwanten,​ de werklozen onder hen ook overdag, met borden “Herman Groenendaal moet vrij.” Op onwettige wijze belemmerde de politie deze propaganda voor een op Zondag 26 Juni te houden openbare vergadering in de tuin van het Volksgebouw. Maar juist door haar optreden werkte zij er toe mede Den Haag in het teken van de Groenendaal-actie te stellen. Het werd een ware volksbeweging. De protestmeeting op 26 Juni slaagde schitterend. Uit angst voor zijn gewelddadige bevrijding hadden de autoriteiten Herman Groenendaal overgebracht van het militair hospitaal naar de bijzondere strafgevangenis te Scheveningen. Maar de duizenden betogers begaven zich na afloop van de meeting naar het huis van de minister van oorlog, de heer Por, waar zij door de politie werden uiteengeslagen. Nu bleek hoe diep de volkspropaganda der I.A.M.V. tot de harten van de arbeidersklasse was doorgedrongen. Iedere avond stroomde de tuin van het Volksgebouw vol, onverschillig of er al dan niet een vergadering was uitgeschreven. Overal in den lande werden druk bezochte protestvergaderingen gehouden en op Dinsdag 28 Juni legden te Amsterdam duizenden arbeiders spontaan het neer om “Groenendaal vrij te staken”. De grote massa der arbeiders volgde echter niet en gezien dit feit, besloten de syndicalistische organisaties,​ op Zondag 3 Juli, niet tot het afkondigen van de algemene werkstaking over te gaan. Daarmede was de actie verloren, al had de anti-militaristische agitatie een omvang aangenomen als nooit te voren. B. DE LIGT en ALBERT DE JONG werden wegens opruiing gearresteerd en resp. tot 27 en 29 dagen - de tijd van hun voorarrest - veroordeeld. Tal van kameraden werden vervolgd wegens verspreiden,​ lopen met borden, enz. Door de I.A.M.V. werd, tezamen met het syndicalistische N.A.-S., een blad „De Dienstweigeraar” in 50.000 ex. verspreid. Een hoogtepunt van activiteit vond plaats in het jaar 1921 naar aanleiding van het feit, dat de Haarlemse dienstweigeraar HERMAN GROENENDAAL na zijn arrestatie op 6 Juni alle voedsel weigerde als protest tegen zijn gevangenhouding en als een appèl aan het geweten der arbeidersklasse. Toen het Landelijk Comité (bestuur) van de I.A.M.V. hiervan eerst op Zondag 19 Juni kennis kreeg, stelde het onmiddellijk de gehele Nederlandse dagbladpers op de hoogte. Op 20 Juni bracht het een bezoek aan de directeur en de behandelende geneesheer van het militair hospitaal in Den Haag, waar Groenendaal juist die dag voor het eerst gewelddadig kunstmatig was gevoed. Het Landelijk Comité deed tevergeefs een beroep op de artsen, zich niet voor het militarisme te laten misbruiken en zond opnieuw een uitvoerig communiqué aan de pers. Van Woensdag 22 Juni af werden door leden van de Haagse afdeling der I.A.M.V. 50.000 strooibiljetten uitgereikt en liepen de geestverwanten,​ de werklozen onder hen ook overdag, met borden “Herman Groenendaal moet vrij.” Op onwettige wijze belemmerde de politie deze propaganda voor een op Zondag 26 Juni te houden openbare vergadering in de tuin van het Volksgebouw. Maar juist door haar optreden werkte zij er toe mede Den Haag in het teken van de Groenendaal-actie te stellen. Het werd een ware volksbeweging. De protestmeeting op 26 Juni slaagde schitterend. Uit angst voor zijn gewelddadige bevrijding hadden de autoriteiten Herman Groenendaal overgebracht van het militair hospitaal naar de bijzondere strafgevangenis te Scheveningen. Maar de duizenden betogers begaven zich na afloop van de meeting naar het huis van de minister van oorlog, de heer Por, waar zij door de politie werden uiteengeslagen. Nu bleek hoe diep de volkspropaganda der I.A.M.V. tot de harten van de arbeidersklasse was doorgedrongen. Iedere avond stroomde de tuin van het Volksgebouw vol, onverschillig of er al dan niet een vergadering was uitgeschreven. Overal in den lande werden druk bezochte protestvergaderingen gehouden en op Dinsdag 28 Juni legden te Amsterdam duizenden arbeiders spontaan het neer om “Groenendaal vrij te staken”. De grote massa der arbeiders volgde echter niet en gezien dit feit, besloten de syndicalistische organisaties,​ op Zondag 3 Juli, niet tot het afkondigen van de algemene werkstaking over te gaan. Daarmede was de actie verloren, al had de anti-militaristische agitatie een omvang aangenomen als nooit te voren. B. DE LIGT en ALBERT DE JONG werden wegens opruiing gearresteerd en resp. tot 27 en 29 dagen - de tijd van hun voorarrest - veroordeeld. Tal van kameraden werden vervolgd wegens verspreiden,​ lopen met borden, enz. Door de I.A.M.V. werd, tezamen met het syndicalistische N.A.-S., een blad „De Dienstweigeraar” in 50.000 ex. verspreid.
Regel 91: Regel 91:
    
    
-Het I.A.M.B. en de I.A.K.+==== Het I.A.M.B. en de I.A.K. ​====
    
 Een belangrijke activiteit heeft de I.A.M.V. nog op internationaal terrein vervuld. Reeds tijdens de wereldoorlog nam zij de stichting van een nieuwe internationale ter hand. Besloten werd een internationale centrale in het leven te roepen, waarbij zich ook andere dan uitsluitend anti-militaristische verenigingen zouden kunnen aansluiten. Daartoe werd op een prachtig geslaagd internationaal congres, van 26-31 Maart 1921 te Den Haag gehouden, het reeds genoemde Internationale Anti-Militaristische Bureau tegen oorlog en reactie gesticht. Op dit congres waren anti-militaristen,​ anarchisten en syndicalisten vertegenwoordigd uit Nederland, België, Frankrijk, Engeland, Duitsland, Zweden, Oostenrijk, Zwitserland en de Ver. Staten. Een 25-tal afgevaardigden waren wegens pas-moeilijkheden afwezig, een zestal afgevaardigden waren zonder pas gekomen, zodat de eigenlijke zittingen des nachts in het geheim moesten plaats vinden. Er werd een beginselverklaring aangenomen, waaraan het volgende is ontleend: Een belangrijke activiteit heeft de I.A.M.V. nog op internationaal terrein vervuld. Reeds tijdens de wereldoorlog nam zij de stichting van een nieuwe internationale ter hand. Besloten werd een internationale centrale in het leven te roepen, waarbij zich ook andere dan uitsluitend anti-militaristische verenigingen zouden kunnen aansluiten. Daartoe werd op een prachtig geslaagd internationaal congres, van 26-31 Maart 1921 te Den Haag gehouden, het reeds genoemde Internationale Anti-Militaristische Bureau tegen oorlog en reactie gesticht. Op dit congres waren anti-militaristen,​ anarchisten en syndicalisten vertegenwoordigd uit Nederland, België, Frankrijk, Engeland, Duitsland, Zweden, Oostenrijk, Zwitserland en de Ver. Staten. Een 25-tal afgevaardigden waren wegens pas-moeilijkheden afwezig, een zestal afgevaardigden waren zonder pas gekomen, zodat de eigenlijke zittingen des nachts in het geheim moesten plaats vinden. Er werd een beginselverklaring aangenomen, waaraan het volgende is ontleend:
Regel 103: Regel 103:
    
    
-De Spaanse Burgeroorlog en het geweld+==== De Spaanse Burgeroorlog en het geweld ​====
    
 De uiteenlopende opvattingen over het geweld hebben in I.A.M.V. en I.A.M.B. in 1936 tot een beslissend conflict geleid en wel in verband met de Spaanse Burgeroorlog. Bij het uitbreken van de Spaanse revoluties, als weerslag op de staatsgreep van FRANCO, stelden de Spaanse anarcho-syndicalisten geheel overeenkomstig het in 1904 door de I.A.M.V. ingenomen standpunt - geweld tegenover geweld. Zij namen het initiatief tot het verzet en organiseerden in samenwerking met alle andere anti-fascistische groeperingen der bevolking, aanvankelijk los van de regering en geheel op de grondslag van vrijwilligheid en spontaneïteit,​ revolutionnaire volkslegers. De “milicianos”,​ zoals de deelnemers werden genoemd, kozen hun eigen leiders en zij konden die ook afzetten. De “geweldaanvaarders” in I.A.M.V. en I.A.M.B. waren volledig solidair met het Spaanse volk, ook voor zover zij theoretisch aan boven-gewelddadige strijdmethodes de voorkeur hadden gegeven. Iedere actie der internationale arbeidersklasse om met de door het I.A.M.B. gepropageerde middelen het militarisme van Franco lam te leggen, bleef immers achterwege en naar hun oordeel had het Spaanse volk volkomen het recht zijn eigen strijdmiddelen te kieren, die overigens niet in strijd waren niet de beginselen van de oude I.A.M.V. Indien er sprake had kunnen zijn van het verschaffen van wapenen aan de milicianos, zouden zij daartegen persoonlijk geen bezwaar hebben gehad, al begrepen zij, dat dit niet de taak zou kunnen zijn van de beide organisaties,​ waarbij immers ook geweldlozen waren aangesloten. De geweldlozen in I.A.M.V. en I.A.M.B., en ook in de anarchistische beweging, namen van begin af aan een ander standpunt in. Hun houding was aanvankelijk aarzelend, maar in sommige gevallen critiseerden zij met name het anti-fascistische geweld en enkelen wilden zelfs iedere materiële steun aan het Spaanse volk onthouden, omdat het een gewelddadige strijd voerde. De uiteenlopende opvattingen over het geweld hebben in I.A.M.V. en I.A.M.B. in 1936 tot een beslissend conflict geleid en wel in verband met de Spaanse Burgeroorlog. Bij het uitbreken van de Spaanse revoluties, als weerslag op de staatsgreep van FRANCO, stelden de Spaanse anarcho-syndicalisten geheel overeenkomstig het in 1904 door de I.A.M.V. ingenomen standpunt - geweld tegenover geweld. Zij namen het initiatief tot het verzet en organiseerden in samenwerking met alle andere anti-fascistische groeperingen der bevolking, aanvankelijk los van de regering en geheel op de grondslag van vrijwilligheid en spontaneïteit,​ revolutionnaire volkslegers. De “milicianos”,​ zoals de deelnemers werden genoemd, kozen hun eigen leiders en zij konden die ook afzetten. De “geweldaanvaarders” in I.A.M.V. en I.A.M.B. waren volledig solidair met het Spaanse volk, ook voor zover zij theoretisch aan boven-gewelddadige strijdmethodes de voorkeur hadden gegeven. Iedere actie der internationale arbeidersklasse om met de door het I.A.M.B. gepropageerde middelen het militarisme van Franco lam te leggen, bleef immers achterwege en naar hun oordeel had het Spaanse volk volkomen het recht zijn eigen strijdmiddelen te kieren, die overigens niet in strijd waren niet de beginselen van de oude I.A.M.V. Indien er sprake had kunnen zijn van het verschaffen van wapenen aan de milicianos, zouden zij daartegen persoonlijk geen bezwaar hebben gehad, al begrepen zij, dat dit niet de taak zou kunnen zijn van de beide organisaties,​ waarbij immers ook geweldlozen waren aangesloten. De geweldlozen in I.A.M.V. en I.A.M.B., en ook in de anarchistische beweging, namen van begin af aan een ander standpunt in. Hun houding was aanvankelijk aarzelend, maar in sommige gevallen critiseerden zij met name het anti-fascistische geweld en enkelen wilden zelfs iedere materiële steun aan het Spaanse volk onthouden, omdat het een gewelddadige strijd voerde.
Regel 112: Regel 112:
    
    
-Slotbeschouwing+==== Slotbeschouwing ​====
    
 Men zou aan het slot van dit opstel de vraag kunnen opwerpen, in hoeverre de doeleinden van de I.A.M.V. zijn bereikt. Men zou dan kunnen zeggen, dat een van haar doelstellingen is verwezenlijkt – “Indië” is namelijk los van Holland -, maar dat van het “Geen man en geen cent” niets is terechtgekomen. De nationale bevrijding van Indonesië is echter niet het werk van de I.A.M.V. geweest, al heeft zij er in belangrijke mate toe bijgedragen. En dat er op het ogenblik meer geld voor oorlogsvoorbereiding wordt uitgegeven, dan ooit te voren, betekent anderzijds niet, dat het optreden van de I.A.M.V. zonder betekenis is geweest. Wij willen het vraagstuk even anders zien. Het te boven komen van de oorlog is langzamerhand een probleem geworden voor de mensheid en wordt dit steeds meer. In alle delen van de wereld openbaart zich het bewustzijn, dat oorlog en militarisme moeten worden overwonnen en de menselijke persoonlijkheid moet worden beveiligd. Van dat bewustzijn, van die geest is ook de I.A.M.V. een symptoom, een verschijningsvorm geweest, in een bepaalde volksbeweging,​ in een bepaald land. Tegenover de milliarden voor de legers heeft zij slechts enkele duizenden guldens kunnen bijeenbrengen voor haar schamele blaadjes en pamfletten. Tegenover twee wereldoorlogen,​ die de volkeren hebben gemilitariseerd,​ heeft zij slechts kunnen stellen de kracht van haar overtuiging. Niettemin heeft zij er in duizenden individuele gevallen toe bijgedragen de menselijke persoonlijkheid tegenover het militarisme te handhaven en te doen zegevieren. Dat gaat niet verloren. De I.A.M.V. is geen overwinnaar geworden. Dat worden pioniers gewoonlijk niet. Maar zoals het I.A.M.B.-lid,​ mevrouw dr HELENE STÖCKER eens heeft gezegd: Die zweitkommenden werden die Sieger sein. Men zou aan het slot van dit opstel de vraag kunnen opwerpen, in hoeverre de doeleinden van de I.A.M.V. zijn bereikt. Men zou dan kunnen zeggen, dat een van haar doelstellingen is verwezenlijkt – “Indië” is namelijk los van Holland -, maar dat van het “Geen man en geen cent” niets is terechtgekomen. De nationale bevrijding van Indonesië is echter niet het werk van de I.A.M.V. geweest, al heeft zij er in belangrijke mate toe bijgedragen. En dat er op het ogenblik meer geld voor oorlogsvoorbereiding wordt uitgegeven, dan ooit te voren, betekent anderzijds niet, dat het optreden van de I.A.M.V. zonder betekenis is geweest. Wij willen het vraagstuk even anders zien. Het te boven komen van de oorlog is langzamerhand een probleem geworden voor de mensheid en wordt dit steeds meer. In alle delen van de wereld openbaart zich het bewustzijn, dat oorlog en militarisme moeten worden overwonnen en de menselijke persoonlijkheid moet worden beveiligd. Van dat bewustzijn, van die geest is ook de I.A.M.V. een symptoom, een verschijningsvorm geweest, in een bepaalde volksbeweging,​ in een bepaald land. Tegenover de milliarden voor de legers heeft zij slechts enkele duizenden guldens kunnen bijeenbrengen voor haar schamele blaadjes en pamfletten. Tegenover twee wereldoorlogen,​ die de volkeren hebben gemilitariseerd,​ heeft zij slechts kunnen stellen de kracht van haar overtuiging. Niettemin heeft zij er in duizenden individuele gevallen toe bijgedragen de menselijke persoonlijkheid tegenover het militarisme te handhaven en te doen zegevieren. Dat gaat niet verloren. De I.A.M.V. is geen overwinnaar geworden. Dat worden pioniers gewoonlijk niet. Maar zoals het I.A.M.B.-lid,​ mevrouw dr HELENE STÖCKER eens heeft gezegd: Die zweitkommenden werden die Sieger sein.
 +
 +{{tag> antimilitarisme}}
namespace/het_revolutionaire_antimilitarisme_in_nederland.txt · Laatst gewijzigd: 16/10/19 10:14 (Externe bewerking)