Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


namespace:wederzijdse_hulp_een_factor_in_de_evolutie

Verschillen

Dit geeft de verschillen weer tussen de geselecteerde revisie en de huidige revisie van de pagina.

Link naar deze vergelijking

Beide kanten vorige revisie Vorige revisie
namespace:wederzijdse_hulp_een_factor_in_de_evolutie [12/04/21 14:59]
defiance
namespace:wederzijdse_hulp_een_factor_in_de_evolutie [12/04/21 15:03] (huidige)
defiance
Regel 44: Regel 44:
 In deze periode kwam hij tot het fundamentele inzicht dat bij werkelijk belangrijke aangelegenheden hiërarchie en discipline niet effectief zijn en dat het onverstandig is om aan een klein aantal leiders de bestuursmacht over te dragen. Hij raakte overtuigd van het belang en de rol van het gewone volk bij de totstandkoming van belangrijke historische gebeurtenissen en van de voordelen van semi-communistisch georganiseerde dorpsgemeenschappen. In Siberië kwam geleidelijk zijn anarchistische filosofie tot ontwikkeling waarin de nadruk ligt op autonomie van het individu en een maatschappij wordt nagestreefd zonder gecentraliseerde en hiërarchische staat.[4] In deze periode kwam hij tot het fundamentele inzicht dat bij werkelijk belangrijke aangelegenheden hiërarchie en discipline niet effectief zijn en dat het onverstandig is om aan een klein aantal leiders de bestuursmacht over te dragen. Hij raakte overtuigd van het belang en de rol van het gewone volk bij de totstandkoming van belangrijke historische gebeurtenissen en van de voordelen van semi-communistisch georganiseerde dorpsgemeenschappen. In Siberië kwam geleidelijk zijn anarchistische filosofie tot ontwikkeling waarin de nadruk ligt op autonomie van het individu en een maatschappij wordt nagestreefd zonder gecentraliseerde en hiërarchische staat.[4]
  
-Van 1867 tot 1872 studeerde Kropotkin geologie, geografie, wiskunde en biologie in St. Petersburg. Hij verwierf aanzien met publicaties over de geologische ontwikkeling van Azië en werd uitgenodigd om secretaris te worden van het Russisch Geografisch Genootschap. Kropotkin gaf echter de voorkeur aan het ontwikkelen van politieke activiteiten. In 1872 maakte hij zijn eerste reis naar West-Europa en kwam in contact met de Internationale Arbeidersassociatie. Cruciaal was zijn ontmoeting met leden van de zogenaamde ​Jurafederatie. Deze federatie zou een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van het socia­lisme door er een niet-regeringsgebonden,​ ‘anarchistische’ tendens aan toe te voegen.[5]+Van 1867 tot 1872 studeerde Kropotkin geologie, geografie, wiskunde en biologie in St. Petersburg. Hij verwierf aanzien met publicaties over de geologische ontwikkeling van Azië en werd uitgenodigd om secretaris te worden van het Russisch Geografisch Genootschap. Kropotkin gaf echter de voorkeur aan het ontwikkelen van politieke activiteiten. In 1872 maakte hij zijn eerste reis naar West-Europa en kwam in contact met de Internationale Arbeidersassociatie. Cruciaal was zijn ontmoeting met leden van de zogenaamde ​Jura-federatie. Deze federatie zou een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van het socia­lisme door er een niet-regeringsgebonden,​ ‘anarchistische’ tendens aan toe te voegen.[5]
  
 Na dit verblijf in Zwitserland keerde Kropotkin terug naar Rusland waar hij zich aansloot bij de radicale Tsjaikovsky-groepering,​ een geheime groep van jonge intellectuelen die zich bezighield met revolutionaire activiteiten. Het duurde echter niet lang of Kropotkin werd opgepakt en ervan beschuldigd tot een geheim genootschap te behoren en samen te zweren tegen de Tsaar (in 1874). Hij werd opgesloten in de beruchte Peter-Paulsvesting in St. Petersburg. Na twee jaar eenzame opsluiting belandde hij in een militair hospitaal, waaruit hij met behulp van vrienden op spectaculaire wijze wist te ontsnappen. Hierna verbleef Kropotkin enkele jaren in Zwitserland,​ tot hij in 1881 op verzoek van de Russische regering het land werd uitgezet. Hij verhuisde naar Frankrijk waar hij het tijdschrift //Le Révolté// oprichtte en een begin maakte met het schrijven van anarchistische pamfletten en artikelen. In 1883 werd hij wederom gearresteerd en zat drie jaar lang gevangen in de gevangenis van Clairvaux. Na zijn vrijlating en uitzetting uit Frankrijk vertrok hij in 1886 met zijn vrouw en dochter naar Engeland, waar hij ruim dertig jaar verbleef.[6] Na dit verblijf in Zwitserland keerde Kropotkin terug naar Rusland waar hij zich aansloot bij de radicale Tsjaikovsky-groepering,​ een geheime groep van jonge intellectuelen die zich bezighield met revolutionaire activiteiten. Het duurde echter niet lang of Kropotkin werd opgepakt en ervan beschuldigd tot een geheim genootschap te behoren en samen te zweren tegen de Tsaar (in 1874). Hij werd opgesloten in de beruchte Peter-Paulsvesting in St. Petersburg. Na twee jaar eenzame opsluiting belandde hij in een militair hospitaal, waaruit hij met behulp van vrienden op spectaculaire wijze wist te ontsnappen. Hierna verbleef Kropotkin enkele jaren in Zwitserland,​ tot hij in 1881 op verzoek van de Russische regering het land werd uitgezet. Hij verhuisde naar Frankrijk waar hij het tijdschrift //Le Révolté// oprichtte en een begin maakte met het schrijven van anarchistische pamfletten en artikelen. In 1883 werd hij wederom gearresteerd en zat drie jaar lang gevangen in de gevangenis van Clairvaux. Na zijn vrijlating en uitzetting uit Frankrijk vertrok hij in 1886 met zijn vrouw en dochter naar Engeland, waar hij ruim dertig jaar verbleef.[6]
Regel 65: Regel 65:
  
 Dit verklaart ook direct waarom Kropotkin in zijn Wederzijdse hulp zoveel aandacht besteed aan de evolutietheorie en het belang van praktijken van wederzijdse hulp in de samenleving. Wanneer men ervan uitgaat dat de mens telkens naar meer macht streeft en dat onderlinge strijd en oorlog de essentie vormen van de menselijke natuur, dan is het verdedigbaar te stellen dat een autoritaire en machtige staat noodzakelijk is, die de vrede en veiligheid moet verzorgen, zoals in de politieke filosofie van de Engelse denker Thomas Hobbes (1588-1679).[11] Wie daarentegen aannemelijk weet te maken dat solidariteit,​ onbaatzuchtigheid en wederzijdse hulp in de geschiedenis de voornaamste factoren zijn, kan volhouden dat de mens ook zonder een machtige staat op vreedzame wijze kan samenleven, zoals in de politieke theorie van het anarchisme wordt beredeneerd.[12] Dit verklaart ook direct waarom Kropotkin in zijn Wederzijdse hulp zoveel aandacht besteed aan de evolutietheorie en het belang van praktijken van wederzijdse hulp in de samenleving. Wanneer men ervan uitgaat dat de mens telkens naar meer macht streeft en dat onderlinge strijd en oorlog de essentie vormen van de menselijke natuur, dan is het verdedigbaar te stellen dat een autoritaire en machtige staat noodzakelijk is, die de vrede en veiligheid moet verzorgen, zoals in de politieke filosofie van de Engelse denker Thomas Hobbes (1588-1679).[11] Wie daarentegen aannemelijk weet te maken dat solidariteit,​ onbaatzuchtigheid en wederzijdse hulp in de geschiedenis de voornaamste factoren zijn, kan volhouden dat de mens ook zonder een machtige staat op vreedzame wijze kan samenleven, zoals in de politieke theorie van het anarchisme wordt beredeneerd.[12]
 +
 Kropotkin wil aantonen dat er een reëel alternatief is voor het moderne staatsapparaat. De staat is naar zijn inzicht slechts een van de vele mogelijke vormen van maatschappelijke organisatie en een met een heel tijdelijk karakter. De onderdrukkende kapitalistische staat verkeert volgens hem in een proces van ontbinding en zal op den duur geleidelijk plaatsmaken voor een libertair netwerk van vrijwillig aangegane samenwerkingsverbanden in de lijn van het wederzijdse hulpprincipe. Kropotkin wil aantonen dat er een reëel alternatief is voor het moderne staatsapparaat. De staat is naar zijn inzicht slechts een van de vele mogelijke vormen van maatschappelijke organisatie en een met een heel tijdelijk karakter. De onderdrukkende kapitalistische staat verkeert volgens hem in een proces van ontbinding en zal op den duur geleidelijk plaatsmaken voor een libertair netwerk van vrijwillig aangegane samenwerkingsverbanden in de lijn van het wederzijdse hulpprincipe.
  
Regel 79: Regel 80:
 Een ander punt van kritiek tegen Kropotkins ideale anarchistische samenleving is de laatste jaren verwoord door de ‘rationele keuze-keuzetheoretici’. Zo besteedt de Amerikaanse denker Mancur Olson in zijn The logic of collective action aandacht aan het sociale verschijnsel dat onder bepaalde omstandigheden personen en groepen zich kunnen gaan gedragen als zogenaamde ‘free-riders’.[14] Dit is het fenomeen dat egoïstische,​ rationeel calculerende individuen en groepen zullen proberen te profiteren van bepaalde collectieve goederen, maar er niet voor willen betalen. Volgens diverse rationele keuze-denkers kan alleen een bovenindividuele instantie – een staat – ervoor zorgen dat parasitair gedrag wordt doorbroken en wordt ‘afdwongen’ dat iedereen zijn aandeel levert. Zij stellen dat ook al heeft men vertrouwen in Kropotkins analyse dat solidariteit,​ onbaatzuchtigheid en wederzijdse hulp in de geschiedenis de voornaamste factoren zijn, er uiteindelijk toch een kans blijft bestaan dat niet alle individuen en groepen in een anarchistische maatschappij even solidair en altruïstisch zullen handelen. Een ander punt van kritiek tegen Kropotkins ideale anarchistische samenleving is de laatste jaren verwoord door de ‘rationele keuze-keuzetheoretici’. Zo besteedt de Amerikaanse denker Mancur Olson in zijn The logic of collective action aandacht aan het sociale verschijnsel dat onder bepaalde omstandigheden personen en groepen zich kunnen gaan gedragen als zogenaamde ‘free-riders’.[14] Dit is het fenomeen dat egoïstische,​ rationeel calculerende individuen en groepen zullen proberen te profiteren van bepaalde collectieve goederen, maar er niet voor willen betalen. Volgens diverse rationele keuze-denkers kan alleen een bovenindividuele instantie – een staat – ervoor zorgen dat parasitair gedrag wordt doorbroken en wordt ‘afdwongen’ dat iedereen zijn aandeel levert. Zij stellen dat ook al heeft men vertrouwen in Kropotkins analyse dat solidariteit,​ onbaatzuchtigheid en wederzijdse hulp in de geschiedenis de voornaamste factoren zijn, er uiteindelijk toch een kans blijft bestaan dat niet alle individuen en groepen in een anarchistische maatschappij even solidair en altruïstisch zullen handelen.
  
-Verder vertoont Kropotkin een opvallend groot vertrouwen in sociale controle als vervanging van hiërarchie,​ macht en regelgeving. Oorspronkelijk hebben de mensen volgens hem geleefd in kleine gemeenschappen waar traditie overheersend was. Deze hechte gemeenschappen bezaten een code van gebruiken, zeden en regels, ongeschreven en niet afdwingbaar door autoriteiten,​ die van jongs af aan werd aangeleerd en zonder morren werd geaccepteerd. De toekomstige anarchistisch-socialistische maatschappij zou moeten afzien van centrale wet- en regelgeving en zou net als de vroegere gemeenschappen moeten worden geregeerd door sociale en morele gewoonten.+Verder vertoont Kropotkin een opvallend groot vertrouwen in sociale controle als vervanging van hiërarchie,​ macht en regelgeving. Oorspronkelijk hebben de mensen volgens hem geleefd in kleine gemeenschappen waar traditie overheersend was. Deze hechte gemeenschappen bezaten een code van gebruiken, zeden en regels, ongeschreven en niet afdwingbaar door autoriteiten,​ die van jongs af aan werd aangeleerd en zonder morren werd geaccepteerd. De toekomstige anarchistisch-socialistische maatschappij zou moeten afzien van centrale wet- en regelgeving en zou net als de vroegere gemeenschappen moeten worden geregeerd door sociale en morele gewoonten. ​ 
 Kritische onderzoekers van het anarchisme wijzen er echter op dat de morele code van een kleinschalige gemeenschap heel goed conformisme kan afdwingen: men moet zich aanpassen aan de gemeenschap. Een openbare mening of publieke opinie kan volgens hen evengoed dwangmatig zijn als een centraal gezag. Zij stellen dat juist in hechte, solidaire en kleinschalige ­gemeenschappen het probleem van individuele onvrijheid door de sociale controle en ­overheersing van de groep zich in verhevigde mate kan voordoen. De sociale controle en het gewicht van de traditie zouden dan wel eens kunnen uitwerken in de richting van een ongewenste conformiteit en uniformiteit.[15] Kritische onderzoekers van het anarchisme wijzen er echter op dat de morele code van een kleinschalige gemeenschap heel goed conformisme kan afdwingen: men moet zich aanpassen aan de gemeenschap. Een openbare mening of publieke opinie kan volgens hen evengoed dwangmatig zijn als een centraal gezag. Zij stellen dat juist in hechte, solidaire en kleinschalige ­gemeenschappen het probleem van individuele onvrijheid door de sociale controle en ­overheersing van de groep zich in verhevigde mate kan voordoen. De sociale controle en het gewicht van de traditie zouden dan wel eens kunnen uitwerken in de richting van een ongewenste conformiteit en uniformiteit.[15]
  
Regel 95: Regel 97:
  
 Ondanks enkele kritische kanttekeningen die bij zijn denkbeelden geplaatst kunnen worden, blijven de ideeën van Kropotkin in deze post-moderne tijd aandacht verdienen. De voornaamste bijdrage van Kropotkin is wel dat hij de rol van onbaatzuchtigheid,​ wederzijdse hulp en onderlinge solidariteit in de evolutie heeft verhelderd en het sociaal-darwinisme van een leerzame en zinnige kritiek heeft voorzien. Zijn geschriften bevatten nog altijd scherpzinnige analyses van de moderne industriële maatschappij en kunnen alternatieve ideeën aanreiken over onderwerpen als de aard van de mens, sociale rechtvaardigheid,​ kwaliteit van arbeid, integrale en universele scholing van de burger, de waarde van de natuur, en duurzame ecologische ontwikkeling. Ondanks enkele kritische kanttekeningen die bij zijn denkbeelden geplaatst kunnen worden, blijven de ideeën van Kropotkin in deze post-moderne tijd aandacht verdienen. De voornaamste bijdrage van Kropotkin is wel dat hij de rol van onbaatzuchtigheid,​ wederzijdse hulp en onderlinge solidariteit in de evolutie heeft verhelderd en het sociaal-darwinisme van een leerzame en zinnige kritiek heeft voorzien. Zijn geschriften bevatten nog altijd scherpzinnige analyses van de moderne industriële maatschappij en kunnen alternatieve ideeën aanreiken over onderwerpen als de aard van de mens, sociale rechtvaardigheid,​ kwaliteit van arbeid, integrale en universele scholing van de burger, de waarde van de natuur, en duurzame ecologische ontwikkeling.
 +
 Al met al kan Kropotkins Wederzijdse hulp, een factor in de evolutie na ruim honderd jaar waarin de wereld ingrijpend is veranderd ons niet precies aangeven hoe wij tegenwoordig te werk moeten gaan. Maar wel kan het boek nog altijd op verrassende wijze inzicht verschaffen in een aantal normatief bepaalde, maar zorgvuldig beargumenteerde en verhelderende basisideeën,​ en ijk- of weegpunten die een mogelijke en plausibele richting aangeven voor een principieel meer solidaire, rechtvaardige en vrijheidsgerichte inrichting van de maatschappij.[18] Al met al kan Kropotkins Wederzijdse hulp, een factor in de evolutie na ruim honderd jaar waarin de wereld ingrijpend is veranderd ons niet precies aangeven hoe wij tegenwoordig te werk moeten gaan. Maar wel kan het boek nog altijd op verrassende wijze inzicht verschaffen in een aantal normatief bepaalde, maar zorgvuldig beargumenteerde en verhelderende basisideeën,​ en ijk- of weegpunten die een mogelijke en plausibele richting aangeven voor een principieel meer solidaire, rechtvaardige en vrijheidsgerichte inrichting van de maatschappij.[18]
  
Regel 117: Regel 120:
 Het belang van den factor wederzijdse hulp – “indien zijn algemeenheid slechts bewezen kon worden” – is aan het natuurkundig genie van Goethe niet ontgaan. Toen Eckermann (in 1827) eens aan Goethe vertelde dat twee van hem weggevlogen jongen van een winterkoninkje,​ den volgenden dag door hem aangetroffen werden in een nest van roodborstjes (Rotkehlchen),​ die ze voerden, tezamen met hunne eigen jongen, maakte Goethe zich daarover warm. Hij zag in dat feit eene bevestiging van zijne pantheïstische denkbeelden en hij zei: “Moest het waar zijn dat dit voeden van eenen vreemde door de geheele Natuur heen loopt, als iets dat het kenmerk draagt eener algemeene wet, dan zou menig raadsel opgelost zijn.” Den volgenden dag kwam hij op het onderwerp terug en met aandrang verzocht hij Eckermann (die, zooals bekend, een dierkundige was) eene bijzondere studie te maken van dit onderwerp, en hij voegde erbij, dat hij ongetwijfeld “onschatbare resultaten zou verkrijgen” (Gespräche,​ uitgaaf van 1848, dl. iii. blz. 219, 221). Ongelukkig werd die studie nooit ondernomen, ofschoon het mogelijk is dat Brehm, die in zijne boeken zoovele rijke bouwstoffen over wederzijdse hulp in het dierenrijk heeft opgehoopt, op dit denkbeeld werd gebracht door Goethe’s opmerking. Het belang van den factor wederzijdse hulp – “indien zijn algemeenheid slechts bewezen kon worden” – is aan het natuurkundig genie van Goethe niet ontgaan. Toen Eckermann (in 1827) eens aan Goethe vertelde dat twee van hem weggevlogen jongen van een winterkoninkje,​ den volgenden dag door hem aangetroffen werden in een nest van roodborstjes (Rotkehlchen),​ die ze voerden, tezamen met hunne eigen jongen, maakte Goethe zich daarover warm. Hij zag in dat feit eene bevestiging van zijne pantheïstische denkbeelden en hij zei: “Moest het waar zijn dat dit voeden van eenen vreemde door de geheele Natuur heen loopt, als iets dat het kenmerk draagt eener algemeene wet, dan zou menig raadsel opgelost zijn.” Den volgenden dag kwam hij op het onderwerp terug en met aandrang verzocht hij Eckermann (die, zooals bekend, een dierkundige was) eene bijzondere studie te maken van dit onderwerp, en hij voegde erbij, dat hij ongetwijfeld “onschatbare resultaten zou verkrijgen” (Gespräche,​ uitgaaf van 1848, dl. iii. blz. 219, 221). Ongelukkig werd die studie nooit ondernomen, ofschoon het mogelijk is dat Brehm, die in zijne boeken zoovele rijke bouwstoffen over wederzijdse hulp in het dierenrijk heeft opgehoopt, op dit denkbeeld werd gebracht door Goethe’s opmerking.
  
-Verscheidene belangrijke werken over de verstandelijke vermogens en het geestesleven der dieren verschenen in de jaren 1872-1886 (zij worden in Hoofdstuk i van dit boek, in eene noot vermeld) en drie daarvan handelen voornamelijk over het onderwerp dat wij hier bespreken; nl. Les Sociétés animales, door Espinas (Parijs, 1877); La Lutte pour l’existence et l’association pour la lutte, eene lezing door J.L. de Lanessan (April 1881); en Louis Büchner’s boek Liebe und Liebesleben in der Thierwelt, waarvan de eerste uitgaaf verscheen in 1882 of 1883, en eene tweede, aanzienlijk uitgebreid, in 1885. Doch, hoe voortreffelijk deze werken ook zijn, toch is er plaats te over voor een werk waarin wederzijdse ​hulp beschouwd wordt, niet alleen als een argument ten gunste van het vóórmenschelijk bestaan van zedelijke instincten, maar tevens als eene wet der Natuur en een factor in de evolutie. Espinas wijdde vooral zijn aandacht aan zulke dierengenootschappen (mieren, bijen) die eene physiologische verdeeling van den arbeid tot grondslag hebben; in zijn werk worden in alle mogelijke richtingen bewonderenswaardige denkbeelden aangebracht,​ maar het werd geschreven in een tijd toen de ontwikkeling der menschelijke maatschappijen nog niet behandeld kon worden met de zaakkennis die wij thans bezitten. De Lanessan’s voorlezing is veeleer een schitterend uiteengezet algemeen plan van een werk, waarin de studie van wederzijdse hulp behandeld zou worden, beginnende met de rotsen in de zee, en daarna overgaande naar het plantenrijk,​ de dieren en de menschen. Wat Büchner’s werk betreft, met zijne grondgedachte kon ik niet instemmen, hoe suggestief en rijk aan feiten het boek ook zij. Het begint met een hymne aan de liefde, en schier al zijne voorbeelden hebben ten doel het bestaan van liefde en sympathie bij de dieren te bewijzen. Door de gezelligheid der dieren terug te brengen tot liefde en sympathie, wordt hare belangrijkheid en hare algemeenheid echter verminderd, juist zooals de beteekenis van het zedelijk gevoel, over ‘t geheel, verkleind wordt als men aan de menschelijke ethica liefde en persoonlijke sympathie tot grondslag geeft. Het is niet liefde voor mijn nabuur – dien ik vaak in ‘t geheel niet ken – die mij aanspoort plotseling een emmer water te nemen en naar zijn huis te loopen dat in brand staat: de drijfveer mijner handeling is een onbestemd gevoel of instinct van menschelijke solidariteit en gezelligheid. Bij de dieren is het eender. Het is niet door liefde, het is niet eens door sympathie (in den werkelijken zin van dit woord) dat eene kudde herkauwers of paarden ertoe gebracht wordt zich in een kring te vereenigen om een aanval van wolven af te weren; niet liefde vereenigt de wolven in troepen om te jagen, niet liefde brengt de jonge katten en lammeren tot spelen; het is niet liefde die jonge vogels van een dozijn verschillende soorten bijeenbrengt in den herfst om hunne dagen samen door te brengen. Het is noch liefde, noch persoonlijke sympathie die vele duizenden damherten, verspreid over een gebied zoo uitgestrekt als Frankrijk, vereenigt in tallooze afzonderlijke groepen, om gezamenlijk naar een gegeven plaats te trekken ten einde aldaar alle over eene rivier te zwemmen. Hier is een veel ruimer gevoel in het spel, nl. een instinct dat zich in den loop eener uiterst langdurige evolutie bij menschen en dieren langzaam ontwikkeld heeft en ze beiden heeft bekend gemaakt met de kracht van de wederzijds hulp en met de vreugde van het gezellig leven.+Verscheidene belangrijke werken over de verstandelijke vermogens en het geestesleven der dieren verschenen in de jaren 1872-1886 (zij worden in Hoofdstuk i van dit boek, in eene noot vermeld) en drie daarvan handelen voornamelijk over het onderwerp dat wij hier bespreken; nl. Les Sociétés animales, door Espinas (Parijs, 1877); La Lutte pour l’existence et l’association pour la lutte, eene lezing door J.L. de Lanessan (April 1881); en Louis Büchner’s boek Liebe und Liebesleben in der Thierwelt, waarvan de eerste uitgaaf verscheen in 1882 of 1883, en eene tweede, aanzienlijk uitgebreid, in 1885. Doch, hoe voortreffelijk deze werken ook zijn, toch is er plaats te over voor een werk waar hulp beschouwd wordt, niet alleen als een argument ten gunste van het vóórmenschelijk bestaan van zedelijke instincten, maar tevens als eene wet der Natuur en een factor in de evolutie. Espinas wijdde vooral zijn aandacht aan zulke dierengenootschappen (mieren, bijen) die eene physiologische verdeeling van den arbeid tot grondslag hebben; in zijn werk worden in alle mogelijke richtingen bewonderenswaardige denkbeelden aangebracht,​ maar het werd geschreven in een tijd toen de ontwikkeling der menschelijke maatschappijen nog niet behandeld kon worden met de zaakkennis die wij thans bezitten. De Lanessan’s voorlezing is veeleer een schitterend uiteengezet algemeen plan van een werk, waarin de studie van wederzijdse hulp behandeld zou worden, beginnende met de rotsen in de zee, en daarna overgaande naar het plantenrijk,​ de dieren en de menschen. Wat Büchner’s werk betreft, met zijne grondgedachte kon ik niet instemmen, hoe suggestief en rijk aan feiten het boek ook zij. Het begint met een hymne aan de liefde, en schier al zijne voorbeelden hebben ten doel het bestaan van liefde en sympathie bij de dieren te bewijzen. Door de gezelligheid der dieren terug te brengen tot liefde en sympathie, wordt hare belangrijkheid en hare algemeenheid echter verminderd, juist zooals de beteekenis van het zedelijk gevoel, over ‘t geheel, verkleind wordt als men aan de menschelijke ethica liefde en persoonlijke sympathie tot grondslag geeft. Het is niet liefde voor mijn nabuur – dien ik vaak in ‘t geheel niet ken – die mij aanspoort plotseling een emmer water te nemen en naar zijn huis te loopen dat in brand staat: de drijfveer mijner handeling is een onbestemd gevoel of instinct van menschelijke solidariteit en gezelligheid. Bij de dieren is het eender. Het is niet door liefde, het is niet eens door sympathie (in den werkelijken zin van dit woord) dat eene kudde herkauwers of paarden ertoe gebracht wordt zich in een kring te vereenigen om een aanval van wolven af te weren; niet liefde vereenigt de wolven in troepen om te jagen, niet liefde brengt de jonge katten en lammeren tot spelen; het is niet liefde die jonge vogels van een dozijn verschillende soorten bijeenbrengt in den herfst om hunne dagen samen door te brengen. Het is noch liefde, noch persoonlijke sympathie die vele duizenden damherten, verspreid over een gebied zoo uitgestrekt als Frankrijk, vereenigt in tallooze afzonderlijke groepen, om gezamenlijk naar een gegeven plaats te trekken ten einde aldaar alle over eene rivier te zwemmen. Hier is een veel ruimer gevoel in het spel, nl. een instinct dat zich in den loop eener uiterst langdurige evolutie bij menschen en dieren langzaam ontwikkeld heeft en ze beiden heeft bekend gemaakt met de kracht van de wederzijds hulp en met de vreugde van het gezellig leven.
  
 De belangrijkheid van dit onderscheid zal gemakkelijk begrepen worden door een ieder die de psychologie der dieren bestudeert en beter nog door de geleerden die zich met de menschelijke ethica bezighouden. Liefde, sympathie en zelfopoffering hebben ongetwijfeld een ontzaglijk aandeel gehad aan de vooruitgaande ontwikkeling onzer zedelijke gevoelens. Maar het is niet op de liefde, noch zelfs op de sympathie dat het maatschappelijk leven der menschheid berust. Het bewustzijn der menschelijke solidariteit,​ al zij dit ook nog slechts een instinct, is daarvan de grondslag. Het is een onbewuste erkenning van de kracht die voor ieder mensch gelegen is in het beoefenen van ­wederzijdse hulp; van de nauwe afhankelijkheid van een ieder’s geluk van het geluk van allen; van het gevoel van rechtvaardigheid of billijkheid,​ waardoor ieder individu gebracht wordt tot het begrip dat ieder ander individu gelijke rechten heeft als hij zelf. Het is op dezen breeden noodzakelijken grondslag dat de hoogere zedelijke gevoelens tot ontwikkeling komen. Maar dit onderwerp ligt buiten het bestek van dit werk en ik wil hier enkel verwijzen naar eene lezing Rechtvaardigheid en zedelijkheid (Justice and Morality) die ik gehouden heb in antwoord op Huxley’s Ethics en waarin ik het onderwerp tamelijk uitvoerig behandeld heb. De belangrijkheid van dit onderscheid zal gemakkelijk begrepen worden door een ieder die de psychologie der dieren bestudeert en beter nog door de geleerden die zich met de menschelijke ethica bezighouden. Liefde, sympathie en zelfopoffering hebben ongetwijfeld een ontzaglijk aandeel gehad aan de vooruitgaande ontwikkeling onzer zedelijke gevoelens. Maar het is niet op de liefde, noch zelfs op de sympathie dat het maatschappelijk leven der menschheid berust. Het bewustzijn der menschelijke solidariteit,​ al zij dit ook nog slechts een instinct, is daarvan de grondslag. Het is een onbewuste erkenning van de kracht die voor ieder mensch gelegen is in het beoefenen van ­wederzijdse hulp; van de nauwe afhankelijkheid van een ieder’s geluk van het geluk van allen; van het gevoel van rechtvaardigheid of billijkheid,​ waardoor ieder individu gebracht wordt tot het begrip dat ieder ander individu gelijke rechten heeft als hij zelf. Het is op dezen breeden noodzakelijken grondslag dat de hoogere zedelijke gevoelens tot ontwikkeling komen. Maar dit onderwerp ligt buiten het bestek van dit werk en ik wil hier enkel verwijzen naar eene lezing Rechtvaardigheid en zedelijkheid (Justice and Morality) die ik gehouden heb in antwoord op Huxley’s Ethics en waarin ik het onderwerp tamelijk uitvoerig behandeld heb.
namespace/wederzijdse_hulp_een_factor_in_de_evolutie.txt · Laatst gewijzigd: 12/04/21 15:03 door defiance