Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


namespace:geschiedenis_van_de_makhnobeweging_1918-1921

Geschiedenis van de Makhnobeweging

Door Peter Arshinov

De twintigste eeuw heeft twee pogingen om tot de vestiging van een libertaire samenleving te komen gezien. De Makhnovshchina trachtte ten tijde van de oktober Revolutie in de Russische Oekraïne tot een anarchistische samenleving te komen, terwijl de tweede poging tijdens de Spaanse Burgeroorlog en Revolutie (1936ke1939) werd ondernomen. Deze heruitgave van het standaardwerk ‘Geschiedenis van de Makhnobeweging' van Peter Arshinov doet verslag van de eerste poging en is daarmee, temeer omdat de auteur een medestrijder was, een waardevolle bron voor het bestuderen van de Makhnobeweging.

Arshinov was de eerste Makhnovist die de geschiedenis van de Makhnobeweging optekende. Op aangrijpende wijze schrijft hij over de door boeren, arbeiders en anarchisten ondernomen poging om in het sinds 1917 snel totalitairder wordende Rusland een ware, vrijheidslievende samenleving op te bouwen. Een samenleving die zonder wetten en partijen, zonder uitbuiting en onderdrukking functioneerde. Zijn boek is het relaas van een revolutionaire beweging die het land van grootgrondbezitters afnam en onder arme boeren verdeelde, en in fabrieken streefde naar arbeiderszelfbestuur. Aan deze periode kwam in 1921 een eind toen het bolsjewistische Rode Leger de Makhnobeweging met geweldige overmacht vernietigde. Het boek is dan ook niet ontbloot van kritiek op de verraderlijke rol die het bolsjewisme speelde. In deze is Arshinovs werk een ‘leer'boek over de verhouding tussen libertair en autoritair socialisten.

‘Geschiedenis van de Makhnobeweging' is tevens het verhaal van één van de eerste guerrilla's die in deze eeuw plaatsvonden. Later zijn zulke guerrilla's vaak onder marxistische leiding gevoerd of effenden ze de weg voor marxistische regimes. Dit lag niet in de aard van de Makhnobeweging. Zij probeerde libertaire ideeën om te zetten in praktijk, in daden. Peter Arshinov toont hoe moeilijk dit is en maakt de ervaring van de Makhnobeweging tot een belangrijke les voor het heden.[…]

Als supplement was in de uitgave van De Zwarte Bibliotheek bevond zich tevens een artikel Peter Arshinov, de Makhnovshchina en het Platform - Een kritische toelichting van Makhno-onderzoeker Frans Lodewijkx en een reeks vlugschriften van de Makhnovshchina. Deze zijn losgehaald van de originele tekst.


Geschiedenis van de Makhnobeweging

Voorwoord van Voline

Voor de lezer zich bezig gaat houden met de lectuur van dit boek, zal hij nodig vinden te weten, wat voor soort werk het is, dat hij voor zich heeft liggen: of het is de vrucht van een ernstig en gewetensvol onderzoek of een fantastisch, onverantwoordelijk vertelseltje. Zal hij de schrijver met vertrouwen kunnen tegemoet treden — op z'n minst wat de gemelde feiten, data en materialen betreft? Is de schrijver ook werkelijk voldoend onpartijdig? Misvormt hij de waarheid niet, om zijn eigen ideeën te rechtvaardigen, die van zijn tegenstander echter naar vermogen te diskwalificeren?

Deze vragen zijn zeer zeker niet overbodig.

De bronnen voor de geschiedenis van de Makhnobeweging moeten met de grootste omzichtigheid gebruikt worden. De lezer zal dat begrijpen, wanneer hij zich in enkele karakteristieke bijzonderheden dier beweging indenkt. Enerzijds is de “Makhnovshchina” een verschijnsel van geweldige vlucht, grootte en betekenis, een beweging, die zich met heel bijzondere kracht ontplooit, in het lot van de revolutie een kolossale, buitengemeen gecompliceerde rol speelde, een beweging, die in de titanenstrijd tegen alle denkbare soorten van reactie standgehouden heeft en de revolutie meer dan eens voor ineenstorten behoed heeft, een beweging tenslotte, die buitengewoon rijk is aan de levendigste kleurige episoden en niet slechts in Rusland, maar ver over de grenzen, van zich deed spreken en belangstelling opwekte. Daarbij heeft de Makhnovshchina in de verschillende kampen, — in het reactionaire zowel als in het revolutionaire, — de meest verschillende gevoelens wakker geroepen: van de gloeiendste haat en vijandschap tot verbazen en een ongelovig afwachten, tot verdachtmaking en tot zelfs de gewaarwording van diepste meegevoelen en verrukking toe. Wat nu de communistische partij en de „sovjet”-regering betreft, die de revolutie gemonopoliseerd hebben, — de Makhnovshchina was na veelvuldige keerpunten gedwongen met haar — zowel als met de reactie — in verbitterde strijd te treden, waarbij zij zowel de partij als de regering enige zeer gevoelige fysieke en morele slagen toebracht. Ten slotte was het ook de persoonlijkheid van Makhno zelf, — gecompliceerd, levendig en sterk als de gehele beweging, die de algemene opmerkzaamheid op zich vestigde, de nieuwsgierigheid van de één prikkelde en verbazing opwekte, anderen weer zinneloze vrees inboezemde, of hen in beroering bracht, weer anderen, onverzoenlijke haat deed koesteren, en weer anderen, de meest toegewijde liefde…

Het ligt dus in de aard van de zaak, dat de Makhnovshchina menig “uitbeelder” naar de pen deed grijpen, die gedreven werden door overwegingen, die noch met een juiste kennis van zaken iets te maken hadden, noch met de brandende behoefte, deze kennis mede te delen, het object onpartijdig uit te beelden en te belichten, feitenmateriaal vast te leggen en aan een toekomstig geschiedschrijver achter te laten. Sommigen grijpen uit politieke berekening naar de pen, uit de behoefte om hun eigen positie te rechtvaardigen en te steunen, door de hun vijandige beweging en haar dragers in het slijk te sleuren en te belasteren. Anderen houden het voor plicht minstens toch een slag te slaan naar een verschijning, die hun begrip te boven gaat en die hen verschrikt en in opwinding gebracht heeft. Weer anderen prikkelt d: legende, die zich om de beweging geweven heeft, het sensationele aan het onderwerp, de brandende belangstelling die de grote massa er voor heeft, de verleidelijke mogelijkheid met een paar romantische bladzijden zich een aardig honorarium te verschaffen. Ten slotte zijn er ook nog, die een journalistieke kriebeling in de vingers ondervinden.

Op deze wijze wordt “materiaal” verzameld, dat er buitengewoon voor geschikt is, de lezer ontzettend te verwarren en hem elke mogelijkheid te ontnemen achter de waarheid te komen.[1]

Anderzijds moest zich de beweging, trots de omvang, die zij op de plaats zelf bereikte, door een reeks van omstandigheden in een zekere afgeslotenheid ontwikkelen.

De beweging was immers een beweging van de diepst liggende lagen van de bevolking, waaraan elk streven naar parades, glans, heerschappij en roem vreemd was; zij ontstond in de Russische grensgebieden, ver van de grote centra; geïsoleerd in een bepaald en begrensd rayon, niet alleen van de gehele overige wereld, maar zelfs van de andere gebieden van Rusland afgesneden, — deze beweging is in haar eigenlijke, wezenlijke diepste trekken buiten haar grenzen weinig bekend geworden. Bijna de gehele tijd door verkeerde zij in ontzettend moeilijke, inspannende oorlogsomstandigheden; was door vijanden omsingeld; had zo goed als geen vrienden buiten de werkende massa’s; werd door de regerende partij zonder erbarmen onderdrukt en door het bloedige geraas harer regeringswerkzaamheid overstemd; heeft wel ongeveer 90 % harer flinkste en actiefste medestrijders verloren; had noch de tijd, noch de gelegenheid, ja zelfs niet eens de bijzondere behoefte haar werken, woorden en gedachten te verzamelen en aan het nageslacht achter te laten, — kortom, van deze Beweging zijn slechts weinig levende, onmiddellijke sporen en gedenktekens over gebleven. Wat zij aan feitelijkheden Bracht, werd in geen annalen opgetekend. Haar oorkonden vonden geen verre verbreiding en werden niet in archieven opgeborgen. Daarom is zij tot vandaag de dag toe voor de ogen van de verafstaande, de waarnemer, slecht waarneembaar. Het is niet gemakkelijk, tot haar wezenlijkheid door te dringen. Zoals duizenden van bescheiden helden uit revolutionaire perioden voor eeuwig onbekend blijven, bedreigde ook de Makhnobeweging het gevaar als heroïsch tijdperk van de Oekraïense arbeiders geen enkel spoor na te laten. Tot op heden ligt het Buitengewoon rijke feiten- en oorkonden-materiaal dezer periode verborgen. Had het lot niet enige deelnemers van de beweging, die haar van de grond af kennen en ook in staat zijn, de waarheid erover te berichten, — in het leven gehouden, dan was over deze beweging feitelijk zo goed als niets Bekend geworden.

Dat zo de dingen liggen, Brengt de ernstige lezer en historicus in een Buitengewoon moeilijke toestand: hij wordt gedwongen zonder vreemde hulp alleen, niet slechts zonder directe, concrete data, maar ook zonder de geringste vingerwijzing hoe aan zulke data te komen, zich kritisch uit de zeer bont dooreengeworpen, elkaar tegensprekende bronnen, werken en materialen een weg te zoeken.

Daarom ook moet de lezer direct, van huis uit, er bij geholpen worden, het koren van het kaf te onderscheiden. Daarom ook is het van belang, direct vast te stellen, of hij het onderhavige werk als gezonde en zuivere Bron zal kunnen gebruiken. Daarom krijgt de vraag naar de schrijver en naar de aard van zijn werk een zo wezenlijke betekenis.

Ik heb de vrijheid genomen, het voorwoord voor dit Boek te schrijven en in dit voorwoord deze vragen te Belichten, omdat ik door de Beschikking van het lot tot die weinige deelnemers van de Makhno-beweging behoor, die er het leven afgebracht hebben en in voldoende mate met de beweging zelf vertrouwd en met de schrijver van dit boek zelf bekend zijn, ten slotte ook de bijzondere voorwaarden kennen, waaronder dit boek ontstaan is.

* * *

Om te beginnen moet hier gezegd worden:

Men zal kunnen vragen (zoals ook inderdaad dikwijls geschied is), waarom ik zelf niet over de Makhno-beweging schrijf? Daar waren veel redenen voor. Ik zal er enkele noemen.

Men moet zich aan de schildering van de gebeurtenissen, aan de belichting van de Makhno-beweging alleen zetten, geconcentreerd en streng overleggend, wanneer men in het volle bezit is van al het schriftelijk materiaal. Het onderwerp verlangt een langdurige, ingespannen en alzijdige bewerking. Om verschillende redenen heb ik mij tot nu toe aan zulk een arbeid niet kunnen zetten. Voor alles uit dezen hoofde heb ik het voor noodzakelijk gehouden eens en vooral van een bewerking van dit onderwerp af te zien.

De Makhno-episode is te ernstig, geweldig en tragisch, te rijkelijk door het bloed harer deelnemers overstroomd, te diep, te gecompliceerd en eigenaardig, dan dat men zich zou kunnen veroorloven, haar oppervlakkig te beoordelen en te beschrijven, bijvoorbeeld slechts op grond van vertellingen en elkaar tegensprekende berichten van verschillende personen. Haar op grond van oorkonden te beschrijven, was ook niet juist onze zaak, daar oorkonden op zichzelf dode dingen zijn en in de regel niet altijd en ook niet volkomen het werkelijke leven spiegelen. Naar aanleiding van documenten schrijven is zaak van toekomstige geschiedschrijvers, die buiten die oorkonden geen ander materiaal meer tot hun beschikking hebben. De tijdgenoten moeten zich streng ter zake, maar ook streng aan zichzelf houden, daar de geschiedenis eens veel van hen eisen zal. Zij moeten afzien van een oordeel te vellen over en beschrijvingen te geven van gebeurtenissen, waar zij niet direct aan deel gehad hebben. Ook moeten zij niet zozeer op documenten en beschrijvingen verzot zijn, om daaruit „geschiedenis” te des tilleren, als wel er veel meer op bedacht zijn, hun persoonlijke ondervindingen, wanneer zij die tenminste bezitten, te bewaren voor het nageslacht. Immers zij riskeren in het tegenovergestelde geval, dat zij het eigenlijke wezen, de ziel van de gebeurtenissen, in de schaduw stellen, of, wat nog veel erger is, geweld aandoen en zowel de lezer als ook de latere geschiedschrijver om de tuin leiden. Natuurlijk is het zeer wel mogelijk, dat ook hun eigen onmiddellijke waarnemingen aan fouten en onnauwkeurigheden lijden. In hoofdzaak is dat echter niet van belang. Zij zouden een getrouw en levend beeld van de eigenlijke gebeurtenissen geven en alleen daar komt het eigenlijk op aan. Wanneer dan die beschrijving met de documenten vergeleken wordt is het eenvoudig genoeg bijkomstige fouten te corrigeren. Juist om dit alles zijn beschrijvingen van ooggetuigen of deelhebbers aan een of andere gebeurtenis van zo bijzonder veel gewicht. Hoe veelomvattender en dieper de persoonlijke deelname was, des te belangrijker is dit werk en zoveel sneller moet dat volbracht worden. Wanneer echter ten overvloede zulk een deelnemer nog zelf over allerlei documenten en over verslagen van andere ooggetuigen beschikken kan, zal zijn relaas van eerste klasse betekenis worden.

Voor mij’ is de taak weggelegd over de Makhnovshchina te gelegener tijd en plaats en gezien vanuit een speciale gezichtshoek, te schrijven. Een volledige geschiedenis van de Makhnobeweging kan ik echter niet schrijven — en wel om de eenvoudige reden, dat ik geen aanspraak kan maken op volledige, nauwkeurige en alomvattende kennis van de stof. Ik heb ongeveer gedurende een half jaar, van augustus 1919 tot januari 1920 onmiddellijk bij het middelpunt van de beweging verkeerd; dat wil zeggen: ik heb die beweging niet kunnen waarnemen in geheel haar ontwikkeling. Toen was het ook — in augustus 1919 — dat ik voor het eerst met Makhno samenkwam. Toen ik echter in. Januari 1920 gevangen genomen werd, verloor ik de beweging, zo goed als Makhno zelf, geheel uit het oog en kwam zowel met de een als met de ander eerst weer in aanraking en wel in een zeer vluchtige, voor de duur van twee weken, in november van hetzelfde jaar, toen Makhno zijn verdrag met de Sovjetregering gesloten had. Sindsdien heb ik de beweging weer uit het oog verloren. Zo komt het, dat ik wel veel omtrent deze beweging gezien, doorleefd en doordacht heb, maar dat mijn directe kennis toch niet als volledig beschouwd mag worden. Zo heb ik dan op de vraag, waarom ik niet over de Makhnovshchina schreef, reeds vaak ten antwoord gegeven: „Omdat er iemand is, die in dit opzicht veel meer onderlegd is, dan ik”.

Met deze beter onderlegde heb ik de schrijver van dit boek bedoeld.

Van zijn voortdurende bezigheid in de beweging was ik op de hoogte. In het jaar 1919 hebben we gemeenschappelijk gewerkt. Ook was mij bekend, dat hij met grote zorgvuldigheid materiaal omtrent de geschiedenis dier beweging verzamelde. Ik wist, dat hij bezig was aan een volledige geschiedenis van de Makhno-beweging te schrijven. Tenslotte wist ik, dat dit boek reeds geschreven was en de schrijver pogingen deed, het in het buitenland uitgegeven te krijgen. En ik was van mening, dat vóór al het andere dit werk, — een volledige geschiedenis van de Makhnovshchina — verschijnen moest, geschreven door een persoon, die beide in zich verenigde: deelgenootschap aan de beweging en het beschikbaar hebben van een rijke verzameling materiaal daarover. Velen hebben nog thans de eerlijke overtuiging, dat Makhno een „gewone bandiet” en een „pogromheld” geweest is, die de duistere, buitbegerige, door de oorlog bedorven soldaten- en boerenmassa’s om zich heen wist te scharen. Door velen wordt nu nog Makhno als een “avon-turier” beschouwd, omdat zij de even onzinnige als kwaadwillige geruchten geloof geschonken hebben, als zou hij “voor Denikin het front geopend hebben” zich met Petljoera hebben “verbroederd” of met Wrangel “verenigd”…. De door de Bolsjewieken lichtvaardig verbreide laster wordt nog door velen steeds weer herhaald: Makhno “stond aan het hoofd van een contra-revolutionairen koelak-beweging [2] en Makhno's “anarchisme” was slechts de naïeve uitvinding van enige anarchisten, die hij handig in eigen belang heeft weten te gebruiken”…. Denikin, Petljoera en Wrangel zijn echter niet dan bijzonder markante oorlogsepisoden: men tracht zich daaraan vast te klemmen en stapelt er dan hele bergen van leugens op. Met de strijd tegen de contra-revolutionaire generaals eindigde de Makhnovshchina echter geenszins. Het eigenlijke wezen van de Makhno-beweging daarentegen, haar innerlijke waarde en haar organische bijzondere karaktertrekken zijn in het algemeen volkomen onbekend gebleven.

Met korte, hier en daar verspreide artikelen, met vluchtige berichten, met fragmentarisch werk, kan men zich van de dingen, zoals die nu eenmaal zijn, beslist niet afmaken.

Een zo betekenisvol en gecompliceerd verschijnsel, als de Makhnovshchina laat zich niet met artikelen en klein journalistiek werk belichten, — werk van dien aard geeft geen opheldering genoeg en verdrinkt bijna spoorloos in de zee van drukinkt. Om aan alle sprookjes met één slag een eind te maken en aan een gedegen belangstelling voor en studie van het onderwerp de weg te banen, was het allereerst nodig, over de beweging een min of meer organisch en afgerond werk te brengen, dat dan gevolgd zou kunnen worden door ander werk, dat met succes ondergeschikte vragen en details zou beantwoorden.

Zulk een in zich compleet boek nu is dat wat voor ons ligt. En de schrijver ervan, was meer dan enig ander er toe geroepen, het te schrijven. Men kan alleen maar betreuren, dat door een reeks van ongelukkige omstandigheden dit werk met aanzienlijke vertraging verschijnt.[3]

Het is van belang, dat aan een arbeider de taak ten deel viel, de eerste geschiedschrijver van de Makhno-beweging te zijn. De beweging werd in geheel haar verloop in ideëel en organisatorisch opzicht door zulke krachten gedragen, als de massa van de boeren en arbeiders zelf voort kunnen brengen. Aan zogenaamde intellectuele, theoretisch gevormde elementen heeft het de beweging — in het algemeen gesproken — ontbroken. De gehele tijd was zij aan zich zelf overgelaten. Zo treedt dan uit haar eigen midden haar eerste geschiedschrijver tevoorschijn, die de beweging theoretisch grondvest en verklaart.

Pjotr [Peter] Andrejewietsj Arshinov, de schrijver van dit boek, is de zoon van een fabrieksarbeider uit Jekaterinoslaw en is zelf werkman, slotenmaker; door ijzeren vlijt heeft hij zich een zekere ontwikkeling eigen gemaakt. Hij was 17 jaar oud, toen hij zich in 1904 bij de revolutionaire beweging aansloot. In 1905 werkt hij als slotenmaker in de spoorwegwerkplaatsen van Kisil-Arwat (Midden-Azië) en sluit zich aan bij de plaatselijke organisatie van de bolsjewistische partij. Spoedig treedt hij actief op de voorgrond en wel als een van de leiders en redacteuren van het illegale, revolutionaire arbeiders-orgaan “Molot” (Moker). Dit blad bestreek de gehele midden-Aziatische spoorwegstreek en was voor de revolutionaire beweging van de spoorjongens van grote betekenis. Omdat Arsjinof door de plaatselijke politie gezocht werd, verlaat hij in 1906 Midden-Azië en gaat naar de Oekraïne, naar Jekaterinoslaw. Hier wordt hij anarchist en zet als zodanig zijn werk onder de Jekaterinoslawse arbeiders, vooral in de Sjodoear-fabrieken, voort. De reden voor zijn overgang naar het anarchisme was het reformisme van de Bolsjewiki, dat, naar Arshinovs overtuiging, niet in overeenstemming was met de werkelijke strevingen van de arbeiders en samen met het reformisme van de overige politieke partijen de nederlaag van de revolutie I905-1906 veroorzaakt had. In het anarchisme vond Arsjinof, naar zijn eigen woorden, het verenigende moment, de verwoording van gelijke, vrijheidslievende strevingen en verwachtingen van de arbeiders. Toen de tsaristische regering in de jaren 1906 tot 1907 een net van veldrechtbanken over Rusland uitgeworpen had, was groot-opgezet werken in de massa’s totaal onmogelijk geworden. Arsjinof betaalt aan de buitengewone omstandigheden en zijn eigen strijdersbloed de schatting: ettelijke malen begaat hij terroristische daden. De 23ste december 1906 laat hij, samen met enkele kameraden het politiebureau in de arbeiderskolonie Amoer bij Jekaterinoslaw in de lucht vliegen. (Bij de ontploffing kwamen drie kozakkenofficieren, politie-inspecteurs en manschappen van de afdeling van de strafexpedities om het leven). Dank zij de zorgvuldige voorbereiding van deze daad werden Arsjinof noch zijn kameraden door de politie gegrepen.

7 maart 1907 schiet Arsjinof de chef van de hoofdwerkplaats van de spoorwegen te Alexandrowsk, Wassilenko genaamd, neer. Diens schuld tegenover de arbeidersklasse had daarin bestaan, dat hij naar aanleiding van de bewapende opstand te Alexandrowsk in december 1905 bijna honderd arbeiders voor de krijgsraad had doen brengen, waarvan velen, op grond van verklaringen van Wassilenko tot langdurige tuchthuisstraffen of ter dood veroordeeld waren. Bovendien had hij zich voor en na die tijd een agressief en onbarmhartig onderdrukker van de arbeiders betoond. Uit eigen beweging, maar gedragen door de algemene stemming van de arbeidersmassa’s had Arsjinof met deze vijand van de arbeidersklasse afgerekend, toen hij hem in de nabijheid van de werkplaatsen voor de ogen van talrijke arbeiders neerschoot. Arsjinof werd hiervoor door de politie gegrepen, afschuwelijk geslagen en na twee dagen door de veldrechtbank tot de dood door de strop veroordeeld. Maar juist op het ogenblik, dat het vonnis voltrokken zou worden, werd het opgeschort, daar men van mening was, dat Arshnovs zaak niet door een veldrechtbank, maar door een krijgsraad behandeld had dienen te worden. Deze opschorting bood Arsjinof de mogelijkheid te ontvluchten. De vlucht uit de Alexandrowsker gevangenis geschiedde in de nacht van de 22ste april 1907, gedurende de Paasvroegmis, toen men de gevangenen naar de gevangeniskerk overbracht. Enige zich in vrijheid bevindende kameraden organiseerden een moedige overval: de gevangenbewaarders, die de gevangenen in de kerk te bewaken hadden, werden overhoop gelopen en alle gevangenen werd de gelegenheid tot ontvluchten gegeven. Samen met Arsjinof vluchtten toen meer dan 15 man.

Hierna brengt Arsjinof ongeveer twee jaar in het buitenland, vooral in Frankrijk, door, maar keert in 1909 weer naar Rusland terug, waar hij illegaal anderhalf jaar lang anarchistische propaganda onder de arbeiders voert en ook organisatorisch werkzaam is.

In het jaar 1910 wordt hij er door de Oostenrijkse regering op betrapt, dat hij een wapentransport en anarchistische literatuur uit Oostenrijk naar Rusland smokkelen» wil; hij wordt gearresteerd en in de gevangenis van Tarnopol opgesloten. Hier brengt hij een jaar door en wordt dan op verzoek van de Russische regering uitgeleverd en door het Moskouse Opperste Gerechtshof tot 20 jaar dwangarbeid veroordeeld. Zijn straf moest Arsjinof in de Boetirki-gevangenis te Moskou ondergaan.

Hier kwam hij voor het eert (1911) met de toen nog jonge Nestor Makhno samen, die eveneens voor terroristische daden in het jaar 1910 tot levenslange dwangarbeid veroordeeld was en die reeds vroeger van Arshinovs werken in het Zuiden gehoord had, toen hij die in het geheel nog niet kende. Hun betrekkingen gedurende de tijd van hun gemeenschappelijk verblijf in de gevangenis waren van kameraadschappelijke aard; beiden kwamen kort na het uitbreken van de revolutie in de eerste dagen van maart 1917 vrij.

Makhno toog aan het revolutionaire werk in zijn geboorte plaats Goeljaj-Pole in de Oekraïne. Arsjinof bleef in Moskou en nam een energiek aandeel aan het werk van de Moskouse Federatie van Anarchistische Groepen. Toen Makhno na de bezetting van de Oekraïne door Duitse en Oostenrijkse troepen in de zomer van 1918 voor enige tijd naar Moskou kwam, om over de toestand met de kameraden te beraadslagen, woonde hij met Arsjinof samen. Hier nu werden zij nader met elkaar bekend en behandelden diepgaand het probleem van de revolutie en het anarchisme. Toen Makhno dan ook na een drie of vier weken naar de Oekraïne terugkeerde, kwam hij met Arsjinof overeen, dat zij voortdurend met elkaar voeling zouden houden. Hij beloofde, Moskou niet te zullen vergeten en bij gelegenheid met geld te zullen steunen. Zij bespraken ook de noodzakelijkheid een tijdschrift uit te geven…. Makhno heeft woord gehouden: hij stuurde geld naar Moskou (dat echter nooit in Arshinovs handen kwam) en schreef Arsjinof herhaaldelijk. In deze brieven verlangde hij van hem, naar de Oekraïne te komen, wachtte en ergerde zich, dat hij maar steeds niet kwam.

Na enige tijd werd plotseling de naam van Makhno, als leider van een zeer aanzienlijk vrijkorps, in alle kranten genoemd.

April 1919, juist bij het begin van de ontwikkeling van de Makhno-beweging, komt Arsjinof naar Goeljaj-Pole en blijft van dit ogenblik af bijna voortdurend in het Makhnovshchina-gebied tot aan de debacle van 1921. Hij houdt zich in hoofdzaak bezig met de volksontwikkeling en neemt ook deel aan organisatorisch werk: een tijd lang heeft hij de leiding van de afdeling voor cultuur en volksontwikkeling, is redacteur van de krant van de opstandelingen “Poetj k Swobode” (Weg naar de Vrijheid), enzovoorts. Pas in de zomer 1920 verlaat hij het gebied van de opstand wegens het ineenzinken van de beweging. Omstreeks deze tijd raakt hij zijn manuscript over de geschiedenis van de beweging, dat hij voor de druk aan het gereedmaken was, kwijt. Na korte afwezigheid gelukt het hem slechts met de allergrootste moeite in het van alle zijden (door de witten en de roden) omsingelde gebied terug te keren en blijft daar dan tot begin 1921.

Begin 1921, toen de Sovjetregering voor de derde maal een verschrikkelijk pogrom tegen de beweging organiseerde,[4] verlaat Arsjinof het gebied met een bepaalde opdracht: hij moet de geschiedenis van de Makhno-beweging te boek stellen. Hij moet dit werk onder ongelofelijk moeilijke levensomstandigheden — gedeeltelijk nog in de Oekraïne, gedeeltelijk in Moskou — ten einde voeren en kan het dit keer ook gelukkig besluiten. Zo is dan de schrijver van ons boek de meest competente persoonlijkheid hiervoor. Hij heeft Nestor Makhno lang voor de beschreven gebeurtenissen gekend en hem van zo nabij mogelijk in de loop van de meest verschillende omstandigheden kunnen waarnemen. Ook heeft hij de voornaamste deelnemers aan de beweging gekend. Hij nam zelf actief aandeel aan de gebeurtenissen, heeft zelf de ganse grootheid en de tragiek harer ontwikkeling mee doorleefd. Meer dan iemand anders was hem het innerlijke wezen van de Makhnovshchina, haar ideëel en organisatorisch streven, haar wensen en hopen, duidelijk. Hij zag haar titanische worsteling met de vijandelijke machten, die haar van alle zijden omringden. Als arbeider heeft hij de onvervalste geest van de beweging diep in zich opgenomen: het geweldige, door de idee van het anarchisme doorgloeide verlangen van de werkende massa's, om haar lot en de opbouw van een nieuw leven inderdaad in eigen handen te nemen. Als intelligent arbeider heeft hij het wezen van de beweging diep kunnen doordenken en dit klaar en duidelijk tegenover de ideologie van andere krachten, bewegingen en richtingen kunnen stellen. Tenslotte heeft hij zich ook met geheel het geschreven materiaal van de 'beweging zorgvuldig vertrouwd gemaakt. Als geen ander was hij dus in de gelegenheid, zich kritisch tegenover alle mogelijke berichtgeving te stellen, het wezenlijke aan de beweging van het bijkomstige, het karakteristieke van het onverschillige, het principiële van het bijzakelijke te onderscheiden.

Dit alles tezamen genomen maakte het hem mogelijk, trots veel ongunstige omstandigheden, herhaaldelijk verlies van handschriften, materiaal en documenten, een van de eigenaardigste en belangrijkste episoden van de Russische revolutie te begrijpen en in een helder licht te stellen.

Wat nu over de verschillende aparte delen van dit werk te zeggen? Het wil ons toeschijnen, dat het boek voldoende getuigenis voor zichzelf afleggen zal.

Voor alles willen we op de voorgrond stellen, dat het in het bijzonder aanspraak maakt op preciesheid in de voorstelling van de dingen. Geen enkel ook maar half twijfelachtig feit werd opgenomen. Integendeel heeft de schrijver zeer veel interessante en tekenende voorvallen weggelaten om de afgeronde samenvatting maar te behouden.

Ook een hele reeks van gebeurtenissen en bijzondere momenten werd niet vermeld, omdat het niet mogelijk was, de juiste data daarvoor aan te geven.

De omstandigheid, dat een aantal documenten van gewichtige betekenis verloren ging, heeft de gang van het werk zeer beïnvloed. Het laatste (vierde) verlies van handschrift en materiaal had de schrijver zo aangegrepen, dat hij, naar hij zelf bekent, een tijd lang geaarzeld heeft, of hij het werk wel opnieuw zou beginnen. Alleen het bewustzijn, dat het nodig was een, zij het dan onvolledige, maar toch afgeronde beschrijving van de Makhnovshchina te geven, bracht hem ertoe, opnieuw naar de pen te grijpen.

Het spreekt vanzelf, dat de arbeid aan de geschiedenis van de Makhno-beweging voortgezet en met nieuwe data volledig gemaakt moet worden. Deze beweging was zo breed van stroom, zo diep en eigenaardig, dat een definitieve beoordeling niet zo spoedig geschieden kan. Het boek, dat voor ons ligt is pas de eerste ernstige bijdrage tot doorgronding van een van de grootste en leerrijkste revolutionaire bewegingen van de geschiedenis.

* * *

Enige principiële beweringen van de schrijver zijn zeer aanvechtbaar. Die vormen echter niet de grondslag van het boek en zijn daarom niet ten einde toe doorgevoerd. Opgemerkt zij, dat de eigenaardige waardering die de schrijver van het bolsjewisme heeft, als zou dit een nieuwe heersers-kaste zijn, die de bourgeoisie afloste en bewust er naar streven zou, de werkende massa's in maatschappelijk en politiek opzicht te overheersen, stellig onze grote belangstelling verdient.

* * *

Het wezenlijke van de Makhnovshchina werd in dit boek zo duidelijk mogelijk naar voren gebracht. Hierbij krijgt de term “Makhnovshchina”, zoals die door de auteur wordt gevormd en gelanceerd, een zeer diepe en bijna symptomatische betekenis. De schrijver verbindt aan deze term de voorstelling van een bijzondere, zeer eigenaardige, zelfstandige revolutionaire klassebeweging van de arbeiders, wier zelfbewustzijn langzamerhand groeit en die de grote arena van de wereldgeschiedenis betreedt. De schrijver houdt de Makhnovshchina voor een van de eerste en veelbetekenendste verschijningsvormen van die nieuwe beweging en stelt haar als zodanig tegenover andere krachten en bewegingen in de revolutie. Juist hierdoor wordt het toevallige van de term „Makhnovshchina” aangegeven. De beweging zou ook zonder Makhno hebben bestaan, omdat die levende krachten en levende massa's, welke deze beweging schiepen en die Makhno slechts als haar bekwaamste krijgsman op de voorgrond plaatsten, ook zonder hem hadden bestaan. Het wezenlijke in de beweging was niet veranderd al zou ook de naam een andere geweest zijn; haar ideologische kleur ware evengoed, zij het dan met meerdere of mindere duidelijkheid tot uitdrukking gekomen.

Makhno’s persoonlijkheid en de rol, die hij gespeeld heeft, zijn in het bock overal plastisch getekend. De verhouding van de beweging tot de verschillende vijandelijke tegenkrachten — tot de contrarevolutie, tot het bolsjewisme — is overduidelijk uitgebeeld. De gedeelten, die berichten geven omtrent de verschillende aparte ogenblikken van de heroïsche strijd van de Makhnovshchina tegen deze machten, zijn aangrijpend, ja, vaak verpletterend.

* * *

De zeer belangrijke vraag omtrent de wederkerige betrekkingen tussen de Makhnovshchina en het anarchisme wordt door de schrijver niet grondig genoeg behandeld. In het algemeen wordt de bewering gelanceerd, dat de anarchisten als totaal, preciezer gezegd, de “toppen” van de anarchistische beweging, — zich van de Makhnobeweging afzijdig hielden, of, naar Arsjinof zich uitdrukt haar „verslapen” hebben. Hij zoekt dit verschijnsel hoofdzakelijk hierdoor te verklaren, dat een belangrijk deel van de anarchisten ernstig door „partijgeest” geïnfecteerd zou zijn, anders gezegd, bezield was van het verderfelijk streven, de massa's, haar organisaties en haar beweging te leiden. Hieruit volgde dan, dat de werkelijk zelfstandige massabewegingen, die onafhankelijk van deze anarchisten ontstonden en niets verder van deze verlangden dan oprechte en overgegeven ideële hulp, door hen niet begrepen werden. Hieruit volgde ook hun vooringenomenheid en eigenlijk slechts bijzakelijk stelling nemen t.o.v. zulke bewegingen. — Deze beweringen en verklaringen zijn echter bij lange na niet voldoende. Het vraagstuk moet breder en dieper bezien worden. Onder de anarchisten vond men drieërlei houding tegenover de Makhnovshchina: eerstens een uitgesproken sceptische — tweedens een gematigde en in de derde plaats een uitgesproken positieve stellingname. De schrijver behoort ongetwijfeld tot de laatste categorie. Zijn stelling is echter aanvechtbaar en hij had daarom zeer grondig op het vraagstuk in dienen te gaan. — Dit onderwerp echter behoort niet tot het wezenlijke van dit boek. En anderzijds wordt zijn bewering door de in de loop van zijn relaas gegeven feiten, zeer sterk gesteund… Men mag hopen, dat het door hem gestelde probleem in de anarchistische pers een verdere verwerking vinden zal en dat het zo van alle zijden bezien en belicht zal worden, dat het de anarchistische beweging tot belangrijke gevolgtrekkingen zal brengen.

* * *

Er zullen wel geen woorden over vuil gemaakt behoeven te worden, dat met het verschijnen van dit boek alle fabelen van “bandietendom”, antisemitisme en dergelijke lasterverhalen, die over de Makhnobeweging rondverteld zijn, uit de wereld gebannen moeten zijn.

Wanneer de Makhnovshchina, als elk werk van mensenhanden, haar schaduwzijden, haar fouten en afwijkingen, haar negatieve zijden gehad hebben mag, dan waren die, naar de schrijver bewijst, in verhouding tot het kolossale positieve belang van de beweging toch zo weinig van gewicht en nietig, dat het vreemd aan zou doen, wanneer daarvan nog afzonderlijk gesproken zou worden. Had de beweging ook maar de geringste mogelijkheid gehad, zich vrijer en op scheppende wijze kunnen ontwikkelen, dan waren die alle zonder enige moeilijkheid overwonnen.

* * *

Voldoende plastisch wordt ook in het boek naar voren gebracht, met welk een gemak, met welke eenvoud en natuurlijkheid de beweging over een aantal vooroordelen van nationale, religieuze en andere aard wist heen te stappen. Dit feit is buitengewoon kenmerkend, er wordt immers ten overvloede nog eens mee bewezen tot welke grote dingen — en dan hoe gemakkelijk! — enthousiaste arbeidersmassa’s in staat zijn in hun vastbesloten revolutionair voorwaarts-dringen, wanneer ze maar zelf hun revolutie maken, wanneer hun maar de echte en volle vrijheid van zoeken en handelen gelaten wordt. Onbegrensd zijn hun wegen, — wanneer deze wegen maar niet bewust versperd worden.

* * *

Maar als het meest-betekenende en gewichtigste van het werk dat voor ons ligt, beschouwen we het volgende:

1. In tegenstelling tot velen, die de Makhnovshchina alleen voor een eigenaardige oorlogsepisode, voor een moedige vrijschaarbeweging gehouden hebben en ook thans nog houden, die al het negatieve en tot scheppen onmachtige van een oorlogstoestand in zich sluit (velen baseren hun afwijzende houding t.o.v. de Makhnobeweging juist op die omstandigheid), toont de schrijver aan de hand van onweerlegbare data geheel de ontoereikendheid van zulk een opvatting. Nauwkeurig en aan de hand van feiten ontrolt hij voor onze ogen een beeld van de vrije, diep-ideële, zij het dan ook zeer korte, scheppende en organisatorische beweging van de brede massa's van de werkers, die de met haar ten nauwste verbonden weermacht alleen in het leven riepen voor de absoluut noodzakelijke verdediging van revolutie en vrijheid. Daarmee wordt een veel verbreid vooroordeel tegen de Makhnovshchina volkomen ontzenuwd.

Even tekenend is het, dat de schrijver tegen de Makhnovshchina het ernstige verwijt richt, dat zij de militair-strategische zijde van de zaak toch enigermate verwaarloosd heeft. In het hoofdstuk, dat door de Makhnovshchi begane fouten behandelt, geeft hij uitdrukking aan het gevoelen, dat de gehele revolutie in de Oekraïne, zelfs die in het algemeen, zich volkomen anders zou hebben kunnen ontwikkelen, wanneer de Makhnovshchi te rechter tijd een zo ruim mogelijke grenzen omvattende ernstig te nemen grenswacht hadden georganiseerd. Indien de schrijver gelijk heeft, dan zou het in dit opzicht mogelijk zijn, het lot van de Makhnovshchina te vergelijken met het lot van andere revolutionaire bewegingen in het verleden, waarin begane militaire fouten eveneens noodlottige gevolgen gehad hebben. In elk geval zij de bijzondere opmerkzaamheid van de lezer op dit punt gevestigd, daar dit tot zeer nuttige bespiegelingen aanleiding geeft.

2. De volkomen zelfstandigheid van de beweging is zeer duidelijk aangetoond: de bewust en energiek bevochten onafhankelijkheid van onverschillig welke krachten, die zich van buiten af opdringen wilden.

3. Nauwkeurig en precies wordt de verhouding van het bolsjewisme en de Sovjetregering tot de Makhnovshchina vastgelegd. Alle rechtvaardigingspogingen en uitgedachte geschiedenisjes van de Bolsjewiki krijgen vernietigende slagen. Al haar misdadige handelwijzen, alle leugens, geheel haar contra-revolutionair gedrag wordt in felle naaktheid onthuld. Als motto voor het desbetreffende deel van het boek had men de woorden van de leider van de geheime afdeling van de Al-Russische Buitengewone Kommissie, Samsonow genaamd, kunnen gebruiken, — die hem toevallig ontsnapten (in de gevangenis, toen ik door de “rechter van instructie” in verhoor genomen werd). — Op mijn gezegde, dat de handelwijze van de Bolsjewiki tegenover Makhno, op een ogenblik, dat zij door een verdrag met hem verbonden waren, verraderlijk genoemd moest worden, antwoordde Samsonow levendig: “U houdt dat voor verraad? Naar onze opvatting bewijst dat alleen, dat we handige staatslieden zijn: zolang we Makhno nodig hadden, zijn we in staat geweest hem te gebruiken; toen we hem niet meer nodig hadden, zijn we in staat geweest, hem te liquideren.”

4. Veel oprechte revolutionairen houden het anarchisme voor een idealistische fantasie en rechtvaardigen het bolsjewisme als enig mogelijke, onvermijdelijke en voor de ontwikkeling van de sociale wereldrevolutie noodzakelijke realiteit, die een bepaalde etappe van deze revolutie verankert. De negatieve zijden van het bolsjewisme worden in deze opvatting verdoezeld en a.h.w. historisch gerechtvaardigd.

Het boek van Arshinov geeft aan deze opvatting de doodsteek. Op aanschouwelijke wijze stelt het twee kardinale punten vast: 1) de anarchistische strevingen komen in de Russische revolutie tot uiting, voor zover die tot een echte, zelfstandige revolutie van de werkende massa's geworden was, niet als een “schadelijke utopie van fantasten”, maar als buitengewoon-reële, concrete, revolutionaire beweging dier massa's; 2) juist als zodanig werd zij bewust, wreed en op gemene wijze door de Bolsjewiki verstikt.

De in dit boek beschreven feiten tonen duidelijk aan, dat de “realiteit” van het bolsjewisme in wezen precies gelijk is aan de tsaristische werkelijkheid. Deze feiten stellen op concrete en plastische wijze tegenover deze “realiteit” de absolute juistheid en realiteit van het anarchisme als de enig waarlijk-revolutionaire ideologie van de arbeid. Het bolsjewisme wordt hierdoor van de laatste schaduw van enige historische rechtvaardiging beroofd.

5. Het boek biedt een rijk materiaal tot omvorming van vele waarden voor de anarchisten. Het brengt ook nieuwe vragen in discussie; het biedt een reeks feiten, waaruit een uiteindelijke oplossing van veel oude vragen volgen kan; ten slotte: het bevestigt een aantal grondig vergeten waarheden, die toch waard zijn steeds en steeds weer overdacht te worden.

* * *

Nu nog een opmerking.

Ofschoon het boek, zoals dit voor ons ligt, door een anarchist geschreven werd, reikt toch de betekenis ervan ver uit buiten de begrenzing van deze of gene lezerskring.

Voor velen zal het min of meer een openbaring zijn. Vele zullen zich de ogen voelen opengaan over dingen, die ze rond zich heen hadden zien gebeuren, maar niet begrepen.

Niet alleen elke arbeider of boer, die tot lezen in staat is, — niet alleen ieder revolutionair, maar elk denkend mens, die er belang in stelt, wat er om hem heen gebeurt, moet dit boek opmerkzaam lezen, moet de conclusies, die er uit volgen, overdenken en er zich rekenschap van geven, wat het hem leert. Vandaag de dag, nu het leven overrijk is aan gebeurtenissen, nu de wereld zwanger gaat van strijd, — vandaag, nu de revolutie aan bijna iedere deur klopt en zich op de een of andere wijze gereed maakt ieder sterveling in haar maalstroom te trekken — vandaag, nu niet alleen de strijd aan het ontbranden is tussen kapitaal en arbeid, tussen een overleefde en een zich nieuw-vormende wereld, maar ook tussen de aanhangers van de verschillende strijd- en opbouwmogelijkheden, — vandaag, nu het bolsjewisme met dreunende schreden over de wereld gaat, terwijl het, dagelijks nieuw bloed eisend, de revolutie verraadt en zich door geweld, bedrog en omkoping nieuwe aanhangers wint, — thans moet elk boek, dat de wegen van revolutionaire strijd belicht, in elk huis op tafel liggen.

Het anarchisme is geen privilegie van uitverkorenen, maar een diepe, allesomvattende levens- en wereldbeschouwing, waarmee zich een ieder vertrouwd maken moet.

Dan moge de lezer geen anarchist worden. Maar het gaat hem niet als die grijze professor, die toevallig in een anarchistenvergadering terecht kwam. Tot tranen geroerd was hij tot de toehoorders, die zich na afloop van de voordracht rondom hem schaarden: “Daar heb ik nu, ik — een professor, zolang geleefd. dat mijn haren grijs zijn geworden en toch heb ik tot dit ogenblik niets van deze buitengewone, heerlijke leer afgeweten…. En ik…. ik schaam me…. ” Moge de lezer nooit anarchist worden: het is niet beslist nodig anarchist te zijn. Maar het anarchisme kennen — dat moet men.

Mei 1923.

Voline

Voorwoord van de schrijver

De Makhnovshchina is een geweldig verschijnsel in de Russische geschiedenis. Aan diepte en veelvuldigheid van ideeën overtreft zij alle ons bekende zelfstandige bewegingen van de werkende klasse. Haar feitenmateriaal is enorm. Echter, onder de huidige, de communistische verhoudingen is er in het geheel niet aan te denken, al het materiaal, dat er nodig is, om deze beweging in het juiste licht te stellen, bijeen te brengen. Dit zal een zaak van latere jaren zijn.

Viermaal heb ik mij er toe gezet, dit boek over de geschiedenis van de Makhnobeweging te schrijven. Tot dit doel werd al het materiaal, dat op de beweging betrekking had, zorgvuldig verzameld. Tot vier keer toe echter ging het tot op ongeveer de helft gevorderde werk tezamen met al het materiaal verloren. Tweemaal geschiedde dit aan het front, in de loop van de gevechten, — tweemaal door huiszoekingen. Buitengewoon belangrijke stukken verloor ik in Charkow, in januari 1921; daar namelijk was alles bijeengebracht, wat aan het front, in het kamp van Makhno en in Makhno’s particuliere archieven verzameld was: Makhno’s aantekeningen, die een groot feitenmateriaal bevatten, het meest gedrukte materiaal en de documenten, die op de beweging betrekking hadden, een complete reeks “Poetj k Swobode”, nauwkeurige biografische data over de verantwoordelijke deelnemers aan de beweging. In afzienbare tijd ook maar een deel van dit verloren gegane materiaal weer bijeen te brengen bleek onmogelijk. Zo kwam het dan, dat het hier geboden werk begonnen moest worden trots het ontbreken van veel noodzakelijk materiaal. Dan verder werd het werk in het begin gedurende de strijd en later onder buitengewoon ongunstige omstandigheden, d.w.z. onder de politie-verhoudingen van het huidige Rusland geschreven, wat zeggen wil, dat er aan schrijven alleen te denken viel, zoals de gevangenen in de tsaristische tuchthuizen het deden: op kleine stukjes papier en ergens in een hoek of achter een tafel verstopt, met de eeuwige vrees, door de bewaker “gesnapt” te worden.

Natuurlijk kon het dus niet uitblijven, dat het werk tengevolge hiervan het karakter van een vlug neergeschreven document kreeg en dat er talrijke fouten aan kleven. Onze tijd echter eist, dat dit werk over de geschiedenis van de beweging, al is het dan in onvolledige vorm, verschijnt. Het is dus geen werk, dat de stof grondig behandelt, maar slechts een begin, waarop verdere voortzetting en bewerking volgen moet. Hiervoor is echter het verzamelen van materiaal, dat op de beweging betrekking heeft, absoluut nodig. Aan alle kameraden, die over materiaal van deze soort beschikken, zij dus dringend verzocht, dit de schrijver ter beschikking te willen stellen.

* * *

Ik zou in dit voorwoord een paar woorden tot alle arbeider-kameraden in het buitenland willen richten. Velen van hen, die een of ander congres in Rusland bezoeken (of er als delegatielid heengaan! Vert. ) zien het Russische leven van de tegenwoordige tijd slechts zó, als de regering het hun laat zien. Zij maken bezichtigingstochten door fabrieken in Leningrad, Moskou en andere steden en bestuderen de toestand op grond van de gegevens van de regerende partij of van politieke groepen die haar na staan. Een dergelijke kennismaking met de Russische werkelijkheid heeft echter in het geheel geen zin. Aan alle gasten wordt steeds een leven getoond, dat van het werkelijke leven ver verwijderd is. Het volgende voorbeeld kan dit aantonen: in het jaar 1912 of 1913 kwam een geleerde uit Amsterdam (ik meen, dat het Israël de Haan was) naar Rusland, om het Russische gevangenis- en tuchthuiswezen te bestuderen. De tsaristische regering gaf hem de gelegenheid, de gevangenissen in Petersburg. Moskou en andere steden te bezichtigen. De professor ging door de cellen, informeerde naar de toestand van de gevangenen en onderhield zich met hen. Desondanks heeft hij, ofschoon hij zelfs in illegale verbinding met enige politieke gevangenen stond (Minor, e. a. ) van de Russische gevangenis toch niet meer gezien, dan wat de gevangenisautoriteiten hem tonen wilden; het karakteristieke van de Russische “katorga” heeft hij niet leren kennen. In een soortgelijke positie als Israël de Haan was, bevinden zich alle buitenlandse arbeiders, die naar Rusland gereisd komen en dan geloven, dat zij in zo korte tijd op grond van de gegevens van de regerende partij of de daarmee wedijverende politiekers het Russische leven kunnen leren kennen. Het is onvermijdelijk, dat zij in het maken van grote fouten vervallen.

Om de Russische werkelijkheid te voelen, moet men of als eenvoudig landarbeider in het dorp, of als werkman de fabriek in gaan, een economisch en politiek “pajok” (kaartrantsoen), zoals de bolsjewistische regering die het volk geeft, toegewezen krijgen, moet het huidige recht van de arbeid eisen en, wanneer dat geweigerd wordt, daarvoor strijden en wel revolutionair daarvoor strijden, immers de revolutie is het hoogste recht van de arbeid; en eerst dan zal de Russische werkelijkheid en geen schijnwerkelijkheid, zulk een dapper strijder in de ogen zien. Dan ook zal de in dit boek verhaalde geschiedenis hem niet vreemd meer schijnen. Ontzet en verpletterd zal hij inzien, dat heden in Rusland, als overal elders in de wereld, de grote waarheid van de werkenden gekruisigd wordt en hij zal het heroïsme van de Makhnobeweging, die zich voor deze waarheid in de bres stelde, leren begrijpen.

Ik geloof, dat elk denkend proletariër, die zich iets aan het lot van zijn klasse gelegen laat liggen, toegeven zal, dat men het Russische leven, zoals trouwens elk ander, alleen zo kan leren kennen. En al het andere, wat tot nog toe in Rusland ten bate van de bestudering van de Russische werkelijkheid door de buitenlandse delegaties uitgevoerd werd, is pure onzin, zelfbedrog, een picknick in het buitenland en onnodige tijdverspilling.

Moskou, April 1921.

Hoofdstuk I.

De democratie en de arbeidersmassa gedurende de Russische Revolutie

We kennen in de wereldgeschiedenis geen enkele revolutie, die door het werkende volk zelf, dat wil zeggen door de arbeiders uit de steden en door de arme, de arbeid van anderen niet uitbuitende boeren in eigen belang gevoerd is. Ofschoon de eigenlijke kracht van alle grote revoluties arbeiders en boeren geweest zijn, die, om de revolutie tot overwinning te voeren, ontzaglijke offers gebracht hebben, waren toch de leiders, ideologen en organisatoren van de vormen en doeleinden van de revolutie steeds weer niet-arbeiders of boeren, maar afzonderlijk staande, vreemde elementen, gewoonlijk een soort middel-element, dat tussen de heersende klasse van het afstervend tijdperk en het proletariaat van stad en land in stond.

Dit element kiemde en gedijde op de bodem van het verval van de oude orde, het oude systeem van staat — een verval, dat bepaald was door het steeds-durende opdringen van de geknechte massa’s naar vrijheid. Dank zij een bijzondere klasse-opvoeding en de pretentie op heerschappij in de staat, namen deze groepen ten opzichte van het afstervende politieke regiem een revolutionaire houding aan, werden makkelijk tot leider van de geknechten, tot leider van de revolutionaire beweging van de massa's. Doch onderwijl dit element de revolutie organiseerde, haar onder de banier van uitsluitend arbeiders- en boerenbelangen voerde, streefde het steeds zijn eigen enge groeps- of standsbelangen na en was er voortdurend op bedacht, de gehele revolutie in de zin van consolidering van eigen macht in het land af te dammen. Zo was het in de tijd van de Engelse revolutie. Zo ook in de tijd van de grote Franse revolutie. Zo was het ten tijde van de Franse en Duitse revolutie in 1848. Zo was het in de loop van een hele reeks andere revoluties, waarin het proletariaat van stad en land in de strijd voor de vrijheid verbloedde, terwijl over de vrucht dezer offers en inspanningen de leiders, politici van allerhande kleur, beschikten en achter de rug van het volk doeleinden trachtten te verwezenlijken, die zij met het oog op de belangen van de eigen klieken wenselijk vonden.

In de loop van de grote Franse revolutie hebben de arbeidende massa's, om het doel van de revolutie te verwerkelijken, alle krachten ingespannen en kolossale offers gebracht. Waren echter de politici dezer revolutie soms kinderen van het proletariaat en streden zij voor de ideeën: vrijheid en gelijkheid? — In geen enkel opzicht! Danton, Robespierre, Camille Desmoulins en een aantal andere beheersers van die revolutie waren op en top vertegenwoordigers van de toenmalige liberale bourgeoisie. Zij streden voor een bepaald burgerlijk type van de maatschappelijke verhoudingen, dat met de revolutionaire ideeën van vrijheid en gelijkheid van de volksmassa’s in Frankrijk van de 18de eeuw in het geheel niets te maken had. Intussen werden zij en worden ook nu nog voor de algemeen erkende leiders van de gehele grote Franse revolutie gehouden. En heeft soms, na de Franse revolutie van 1848 de arbeidersklasse, die aan deze revolutie drie maanden van heroïsche inspanningen, nood, ontberingen en offers gebracht heeft, de “sociale republiek” gekregen, zoals die door de leiders was voorgespiegeld? Zij waren het, die een nieuwe sociale knechting en een massabloedbad aanrichtten, toen deze arbeiders een poging deden, zich tegen hen, die hen bedrogen hadden, te verzetten.

In alle vroegere revoluties gelukte het de arbeiders en boeren slechts, hun principiële strevingen aan te duiden, hun eigen stroming te scheppen, die steeds weer misvormd en dan door de handiger wetenschappelijke “leiders” van de revolutie geliquideerd werd. Het meeste, wat de arbeiders in deze revolutie nog te bereiken wisten, was een of ander been, dat ergens afviel, bijvoorbeeld iets in de vorm van recht van vergadering, persvrijheid of het recht zich een eigen regering te mogen kiezen; maar zelfs dit bot werd maar gegeven voor zo korte tijd als de nieuwe regering nodig had om vast in het zadel te komen. Daarna werd het leven van de massa's weer in de bedding van de oude rechteloosheid, van uitbuiting en bedrog geleid.

Slechts in zulke bewegingen van de onderste massa's, als het oproer van Rasin of de opstanden van de boeren en arbeiders van de tegenwoordige tijd waren, was het volk werkelijk meester van de beweging en gaf er wezen en inhoud aan. Deze bewegingen echter, die geheel de “denkende” mensheid gewoonlijk met smaad en vloek tegemoet treedt, hebben nog nooit overwonnen en naar inhoud en vorm onderscheiden zij zich duidelijk van de revoluties, die door de politieke groepen of partijen gevoerd worden.

De Russische revolutie was zonder twijfel een politieke revolutie, die door het volk belangen verwerkelijkt, die het volk niet eigen zijn. Het principiële kenmerk dezer revolutie is, dat hier, trots ongehoorde offers, lijden en revolutionaire krachtsinspanning van de arbeiders en boeren, de macht door een tussengroep, de zogenaamde socialistische revolutionaire intelligentsia — de socialistische democratie — aan zich getrokken werd.

Over de Russische en internationale intelligentsia is veel geschreven. Gewoonlijk werd zij geprezen als de draagster van de hoogste mensheidsidealen — de strijdster voor eeuwige waarheden genoemd. Zeldzamer kwam het voor, dat men haar laakte. Alles echter, wat over haar geschreven werd, het goede zowel als het kwade, had één grote fout: dat zij namelijk zichzelf omschreef, — zichzelf loofde of laakte! Voor het onafhankelijke denken van de arbeiders en de boeren is dit helemaal niet overtuigend en voor de betrekkingen tussen haar en het volk kan het generlei betekenis hebben. Het volk zal, wat die betrekkingen betreft, alleen met feiten rekening houden. Een tastbaar, onomstotelijk feit in het leven van de socialistische intelligentsia is wel, dat zij steeds een bevoorrechte sociale positie ingenomen heeft. De intelligentsia, die dus geprivilegieerd verder leefde, nam niet alleen in sociaal, maar ook in psychologisch opzicht een aparte positie in. Al haar geestelijke strevingen d.w.z. datgene, wat als het “maatschappelijk ideaal” aangeduid wordt — dragen onvermijdelijk de sporen van stands- voorrechten. Wij vinden dit terug in de loop van de hele maatschappelijke ontwikkeling van de intelligentsia. Gaan wij van het tijdperk van de Dekabristen[1] als van het begin van de revolutionaire ontwikkeling van de intelligentsia uit, dan zullen wij, wanneer we op de rij af alle etappen dezer beweging volgen — namelijk het “Narodnitsjestwo”, “Narodo-woljtsjestwo”[2], marxisme en verder het socialisme in al zijn schakeringen — overal deze duidelijk uitgesproken geest van standsbevoorrechting opmerken.

Hoe hoog nu een maatschappelijk ideaal in zijn uiterlijke verschijning ook zijn moge, — wanneer het bevoorrechtingen in zich sluit, waarvoor het volk met zijn arbeid en zijn rechten te betalen heeft, — dan is het niet meer de volle waarheid. Een maatschappelijk ideaal, dat het volk niet de volle waarheid biedt, moet dit een leugen toelijken. Zulk een leugen nu schijnt het volk de ganse ideologie van de socialistische intelligentsia te zijn, zo goed als deze zelf. Dit feit is het, waardoor alles, in de wederkerige betrekkingen tussen volk en intelligentsia bepaald wordt. Het volk zal het nooit vergeten en nooit vergeven, dat ten koste van zijn slavenarbeid en zijn rechteloosheid een bepaalde kliek in de maatschappij zich bevoorrechtingen verschafte en er op uit was, in eigen belang deze privilegies ook naar de maatschappij van de toekomst over te hevelen.

Het volk en de democratie, tezamen met haar socialistische ideologie, die zich sluw aan het volk vastklampt, zijn twee hemelsbreed verschillende dingen. Natuurlijk zijn er uitzonderingen geweest, — laat ons Sofja Perowskaja noemen en eeuwig zal het volk deze grote figuren in liefde aan het hart dragen. Het onklare politieke zoeken van de Russische intelligentsia van 1825 heeft zich in de loop van een halve eeuw tot een afgesloten, socialistisch staatssysteem omgevormd — haar zelf echter tot een scherp afgegrensde, maatschappelijke groep: de socialistische democratie. De relatie tussen haar en het volk werd definitief vastgesteld: het volk streeft naar burgerlijk en economisch zelfbestuur, — de democratie ernaar, het volk te beheersen. De verbinding tussen beiden kan alleen door sluwheid, bedrog en aanwending van geweld in stand gehouden worden, in geen geval echter op natuurlijke wijze door een of andere overeenkomst van belangen. Zij zijn elkaar vijandig.

De idee van de staat als zodanig, — de idee van heersen over de massa's door middel van dwang, bezielde steeds die individuen, omdat het gevoel van gelijkheid ontbrak en het eigenbelang overheerste; de menigte was voor hen niet anders dan een ruw materiaal zonder eigen wil, zonder initiatief en zonder bewustzijn, onbekwaam tot daden van maatschappelijk zelfbestuur.

Deze idee was steeds het eigendom van de heersende, bevoorrechte groepen, die buiten het leven van het werkende volk stonden, de patriarchale standen, de militaire kaste, de adel, de geestelijkheid, de handeldrijvende en industriële burgerij, enz.

Het is geen toeval, dat het huidige socialisme een trouw dienaar van deze idee bewijst te zijn: de ideologie van de nieuwe heerserskaste is er door gevormd. Wanneer we er nauwkeurig acht op slaan, wat de dragers en verkondigers van het staatssocialisme eigenlijk willen, dan worden we gewaar, dat elk van centralistische strevingen vervuld is, — elk beschouwt zichzelf voor alles als het centrum, vanwaaruit de massa's geregeerd en geleid moeten worden. Dit psychologisch kenteken van het staatssocialisme en zijn dragers is een directe voortzetting van de tradities van de vroegere, reeds uitgestorven of thans uitstervende heersersgroepen. Het tweede principiële feit van de Russische revolutie is, dat de arbeiders en werkende boeren in hun vroegere positie van “arbeidende klasse” gehouden werden, d.w.z. zij blijven de door de regering overheerste producenten.

De hele huidige, zgn. socialistische opbouw, zoals die in Rusland doorgevoerd wordt, geheel het staatsapparaat van landsbestuur en het scheppen van nieuwe sociaal-politieke verhoudingen — dat alles is in de eerste plaats niets anders dan het oprichten van een nieuwe klasseheerschappij over de producenten en een nieuwe socialistische regeringsmacht boven hen. Het plan voor deze opbouw en deze heerschappij werd door tientallen van jaren heen door de leiders van de socialistische democratie voorbereid en bewerkt en was voor de Russische revolutie als “het collectivisme” bekend. Thans wordt het Sovjetsysteem genoemd.

Het werd voor het eerst op de grondslag van een revolutionaire beweging van de arbeiders en boeren van Rusland tot werkelijkheid gemaakt. Het is de eerste poging van de socialistische democratie haar staatsheerschappij door een revolutie te stabiliseren. Als eerste poging heeft het eerst deze democratie in een aantal elkaar bestrijdende groepen gesplitst. Dit kwam, doordat slechts een deel dier democratie, — het actiefst voorwaartsstuwende en meest revolutionaire element, n.l. de links-communistische vleugel, — er het initiatief toe nam en alles voor de brede democratische massa onverwacht kwam en in zulke scherpe vormen. Enige groepen (de Mensjewiki, de Sociaal-Revolutionairen e.a.) hielden de invoering van het communisme in Rusland op het gegeven ogenblik nog voor te vroeg en gewaagd. Zij hoopten immer nog, de heerschappij in het land langs de zgn. wettige, parlementaire weg te kunnen bereiken, d.w.z. door de meerderheid van de parlementszetels te veroveren door de stemmen van de boeren en de arbeiders. Dit verschil van mening was de aanleiding tot de strijd met hun linkse geestverwanten: de communisten. Deze strijd is echter een voorbijgaand, toevallig en niet ernstig te nemen verschijnsel. Het is ontstaan door een misverstand; en wel, doordat het grotere, maar schuchterder deel van de democratie de eigenlijke betekenis van de door de Bolsjewiki tot stand gebrachte omwenteling niet begrepen hadden. Zodra dit deel zich ervan zal hebben kunnen overtuigen, dat het communistische systeem hun geen enkel nadeel berokkent, maar integendeel, voortreffelijke postjes in het nieuwe staatslichaam te vergeven heeft, zullen alle twistpunten tussen de verschillende aparte elkaar bestrijdende delen van de democratie verdwijnen en zal alles zich gesloten in de discipline van de communistische partij voegen.[3]

Reeds thans is een zeker “inzicht krijgen” van de democratie in deze zin op te merken. Hele reeksen groepen en partijen, in Rusland en daarbuiten, sluiten zich bij de “Sovjet-vorm” aan. Grote partijen, die vroeger bij de 2de Internationale een eerste viool speelden en vandaaruit het bolsjewisme bestreden, zijn in de schoot van de 3de Internationale terecht gekomen en trachten de arbeidersklasse te benaderen onder vliegend communistisch vaandel en met de leus “Dictatuur van het Proletariaat”.

Maar zoals in alle grotere vroegere revoluties het geval was, waarin arbeiders en boeren vochten, zo heeft ook de Russische revolutie enige zelfstandige strevingen van de werkenden in hun strijd om vrijheid en gelijkheid laten zien en heeft de principiële stromingen daarvan in de revolutie tot uiting gebracht. Eén van die stromingen, de krachtigste en meest betekenisvolle, is de Makhnovshchina. Gedurende drie jaar heeft zij zich heldhaftig baan gebroken in de revolutie, — een baan, die de werkende klassen van Rusland aan het doel van haar lang gekoesterde wensen: vrijheid en onafhankelijkheid — had kunnen voeren. Ondanks de verbitterde pogingen van de communistische regering de stroming te verstikken, te verminken of te bevuilen, groeide en leefde en ontvouwde zij zich steeds verder. In de burgeroorlog vocht zij op enige fronten, sloeg haar vijanden af en toe zware wonden en hield de hoop in het leven, die de arbeiders en boeren van Groot-Rusland, Siberië en de Kaukasus op de revolutie hadden.

Het feit van de succesvolle ontwikkeling de Makhnovshchina laat zich enigermate verklaren door het feit, dat een deel van de Russische arbeiders en boeren met de geschiedenis van de revoluties van andere landen en volken en met de revolutiebewegingen hunner eigen vaderen ietwat vertrouwd waren, waardoor zij zich die ervaringen ten nutte konden maken. Bovendien hebben de werkende massa's uit hun eigen midden persoonlijkheden op de voorgrond geschoven, die het verstonden, de opmerkzaamheid van de massa's te concentreren, te formuleren en op de wezenlijke zijden van de revolutionaire beweging te vestigen, — juist deze zijden tegenover de democratie te stellen en ze met waardigheid, hardnekkigheid en begaafdheid te verdedigen.

Alvorens wij tot de directe geschiedenis van de Makhnobeweging overgaan, moet nog het volgende opgemerkt worden. De Russische revolutie wordt vaak “Oktoberrevolutie” genoemd. Twee dingen worden er vaak verwisseld: de leuzen, waaronder de massa de omwenteling tot stand bracht en het resultaat dier omwenteling. De Oktoberbeweging van de massa's in het jaar 1917 voltrok zich onder de leus: “De fabrieken behoren aan de arbeiders! Het land aan de boeren!” In deze korte, maar naar haar betekenis gewichtige leus was geheel het sociaal-revolutionaire programma van de massa's vervat: vernietiging van het kapitalisme, van de loonarbeid, van de staatsslavernij en de opbouw van een nieuw leven op de grondslag van eigen regelingen van de producenten. In werkelijkheid heeft de Oktoberrevolutie dit program niet tot waarheid gemaakt. Het kapitalisme werd niet vernietigd, maar hervormd. De loonarbeid en de uitbuiting van de voortbrengers bestaan nog immer voort. Het nieuwe staatsapparaat echter heeft de wil van de arbeidende massa's niet minder gekneveld dan dit de staat van de grootgrondbezitters en privaat-kapitalisten deed. Zo kan men de Russische revolutie slechts in beperkte zin “Oktoberrevolutie” noemen, n.l. in zoverre de doeleinden en oogmerken van de communistische partij er in verwezenlijkt werden.

De Oktoberrevolutie is slechts een etappe in het algemene verloop van de Russische revolutie, zoals dat ook met de opstand van februari-maart 1917 het geval was. De communistische partij heeft de revolutionaire krachten van de Oktoberbeweging ter verwerkelijking van eigen doeleinden en plannen gebruikt. Maar daarmee is deze gebeurtenis nog niet tot de complete revolutie geworden. Het algemene grote stroombed bevat ook een aantal andere stromingen, die met oktober niet ophouden te bestaan, maar de verwerkelijking van de historische taak van arbeiders en boeren, die een gelijk, vrij en staatloos leven willen, nastreven.

En de tegenwoordige langdurige, hoewel reeds versteende oktober moet zonder twijfel plaats maken voor de volgende etappe van de revolutie, die het volk gaan zal. Indien dit niet het geval zou zijn, dan zou ook deze revolutie, als alle vroegere, niet anders dan een regeringswisseling zijn.

Hoofdstuk II.

De Oktoberomwenteling in Groot-Rusland en de Oekraïne

Om het verloop van de Russische revolutie goed uit te leggen, moet noodzakelijk enigszins uitvoerig over de propaganda en de ontwikkeling van de revolutionaire ideeën onder de arbeiders en boeren in de periode van 1900 tot 1917 en over de betekenis van de Oktoberomwenteling in Groot-Rusland en in de Oekraïne gesproken worden.

In de jaren 1900 tot 1905 werd de revolutionaire propaganda onder de arbeiders en de boeren door de vertegenwoordigers van twee verschillende wereld- en levensbeschouwingen — het staatssocialisme en het anarchisme — gevoerd. Daarbij dient opgemerkt, dat het staatssocialisme door een aantal voortreffelijk georganiseerde democratische partijen — de Bolsjewiki, Mensjewiki, sociaal-revolutionairen en een aantal aanverwante politieke stromingen — gepredikt werd. Het anarchisme beschikte over een aantal kleine groepen, die zich bovendien geen helder beeld hadden gevormd over hun taak in de revolutie. Het veld van de politieke prediking en de politieke opvoeding was bijna geheel door de democratie veroverd. In de geest van haar politiek program en ideaal voedde zij de massa op. Haar dichtsbijliggende tak was: de democratische republiek te veroveren. De politieke revolutie was een middel ter verwerkelijking van dit doel.

Het anarchisme wees de democratie als een vorm van staatswezen af; het wees ook de politieke revolutie af, die alleen maar een andere staatsvorm kon brengen. Voor eis van het ogenblik hield het uitsluitend de sociale revolutie en hiertoe riep het boeren en arbeiders op. Het was de enige maatschappelijke leer, die de volledige vernietiging van het kapitalisme in naam van een vrije en staatloze maatschappij predikte. Daar het anarchisme echter over een zeer gering aantal krachten beschikte en ook geen concreet program voor de komende dag klaar had, kon het geen sterke verbreiding bereiken en in de massa's als haar uitgesproken sociaal-politieke theorie wortel schieten. Daartegenover schiep het — omdat het de allerbelangrijkste levensvragen van de geknechte massa's trachtte op te lossen, nooit een huichelachtig spel dreef en de massa's voor haar eigen zaak liet strijden en sterven — in de diepste kern van het arbeidersvolk een corona van strijders en martelaars van de sociale revolutie en de idee van het anarchisme weerstond de beproeving van de langjarige tsaristische reactie en leefde in afzonderlijke stads- en boerenkringen als sociaal-politiek ideaal voort.

Het socialisme, dat onmiddellijk uit de democratie ontstaan is, beschikte immer over enorme intellectuele krachten. Studenten, professoren, doctoren, advocaten, journalisten, enz. waren gepatenteerde marxisten of zij sympathiseerden toch minstens met her marxisme. Dank zij z'n talrijke in de politiek beproefde krachten was het 't socialisme steeds gelukt, een aanzienlijk deel van de arbeidersklasse voor zich te behouden, ofschoon het steeds tot strijd voor de verdorven en verdachte idealen van de democratie opriep.

Desondanks namen bij het uitbreken van de revolutie in 1917 klassebelangen en klasseinstinkt de overhand en leidden arbeiders en boeren regelrecht naar de doelstellingen: verovering van het land, fabrieken en werkplaatsen.

Toen deze afwijking van de massa's zich zichtbaar gelden deed — zij had zich reeds lang voor de revolutiedagen voelbaar gemaakt — gaf een deel van de marxisten, namelijk de linkervleugel, de Bolsjewiki, snel besloten zijn openlijk burgerlijke-democratische positie prijs en stelde leuzen op, die overeenkwamen met de eisen van de revolutionaire volksmassa’s; zij volgden in de revolutiedagen de opstandige massa's met het doel de beweging te blijven beheersen. En wederom — dank zij de belangrijke intelligente krachten, waarover de Bolsjewiki beschikten, dank zij ook de socialistische leuzen, waardoor de massa's bedrogen werden — lukte hun dit.

Wij hebben reeds eerder erop gewezen, dat de Oktoberomwenteling onder twee geweldige leuzen gevoerd werd: “De fabrieken aan de arbeiders — het land aan de boeren!” — Ieder arbeider kon deze leuzen zonder verder commentaar begrijpen: de revolutie moest geheel het fabrieksapparaat in handen van de arbeiders en het land en al wat daar mee samen hing onmiddellijk in handen van de boeren geven. De geest van rechtvaardigheid en zelfwerkzaamheid, die in deze leuzen vervat was, had de massa's zo diep aangegrepen, dat de actiefste en ook numeriek niet geringste delen bereid waren direct de dag na de omwenteling met de heropbouw van het leven, in de zin dezer leuzen, te beginnen. In een aantal steden begonnen de vakverenigingen en fabriekscomité ’s ermee, de ondernemingen en alle andere werken over te nemen, de ondernemers te verwijderen, de tarieven zelfstandig vast te stellen, enz. Maar al deze stappen stieten op het ijzeren verzet van de communistische partij, die al tot staatspartij geworden was.

Deze nu, die met de revolutionaire massa schouder aan schouder ging, vaak zelfs de anarchistische leuzen dezer massa’s overnam, voerde een ingrijpende koerswijziging in haar werken in op het ogenblik, dat de coalitieregering omvergeworpen was en zij de macht in handen kreeg. Van nu af aan had de revolutie als massabeweging van de arbeiders met haar Oktoberleuzen, voor haar afgedaan. De hoofdvijand van de werkende massa's — de industriële en agrarische bourgeoisie — was verslagen. De periode van omverwerping, van vernietiging van de machten van 't kapitalistische regiem, was afgesloten; de periode van de communistische opbouw, de totstandbrenging van een proletarisch bouwwerk was begonnen. Daardoor kon de revolutie van nu af aan slechts door de organen van de staat geleid, verder gaan. Een verlenging van de toestand, zoals die tot nog toe geweest was in het land, dat de arbeiders bijv. voort konden gaan van de straat af, van de fabrieken en werkplaatsen uit te commanderen, — dat de boeren de nieuwe regering in het geheel niet zien en hun eigen leven onafhankelijk daarvan organiseren wilden, — kon gevaarlijke gevolgen hebben en de op de staat ingestelde partij desorganiseren.

Daaraan moest een einde gemaakt worden en wel met alle middelen — ook door de geweldaanwending door de staat. Dit was de omzwaai, die in de werkzaamheid van de communistische partij plaats greep, toen zij aan het roer kwam.

Van dit ogenblik af begon zij zich tegen de socialistische initiatieven van de massa's van de boeren en arbeiders hardnekkig te verzetten. Natuurlijk was deze keer, die de revolutie nam en het bureaucratische plan harer verdere ontwikkeling een brutale greep van de partij, die n.b. haar positie aan de arbeiders dankte. In dat alles stak een goed stuk overweldiging. Nu waren echter de logische consequenties van de plaats, die de communistische partij in het verloop van de revolutie innam, zodanig, dat zij wel niet goed anders handelen kon. Zo zou elke politieke partij gehandeld hebben, die naar dictatuur en heerschappij in het land van de revolutie streefde. Tot aan oktober had de rechtervleugel van de democratie, n.l. de Mensjewiki en de Sociaal-Revolutionairen, gepoogd de revolutie te commanderen. Ze hebben zich in de revolutie alleen van de Bolsjewiki onderscheiden doordat ze niet genoeg tijd hadden en het ook niet voor elkaar kregen, hun macht te organiseren, de massa's aan te pakken en in ijzeren greep vast te houden.

* * *

We willen nu eerst onderzoeken, hoe de dictatuur van de communistische partij en haar verbod van een verdere ontwikkeling van de revolutie buiten de staatsorganen om, door de werkenden van de Oekraïne en Groot-Rusland werd opgenomen. Voor deze laatste bestond er maar één revolutie. De bolsjewistische verstaatsing van de revolutie werd echter verschillend opgenomen. In de Oekraïne ongunstiger dan in Groot-Rusland. Beginnen we met Groot-Rusland.

Zowel voor als gedurende de revolutie had de communistische partij hier onder de stadsarbeiders intensief gewerkt. In de tsaristische periode trachtte zij als linkervleugel van de sociaal-democratie deze arbeiders op de basis van strijd voor de democratische republiek te organiseren, waarbij zij zich tot een betrouwbaar leger in de strijd voor haar idealen vormde.

Na de vernietiging van het tsarisme in de Februari-Maart-dagen van 1917 kwam voor de boeren en arbeiders een gespannen, geen uitstel duldende tijd. In de interimregering zagen zij hun verklaarde vijand. Daarom wachtten zij niet langer, maar vingen aan, hun rechten langs revolutionaire wegen door te zetten — eerst het recht op de achturendag, dan op de productie- en consumptie-organen en op het land. In al deze dingen bewees de communistische partij haar voortreffelijk georganiseerde bondgenoot te zijn. Weliswaar streefde zij haar eigen doeleinden na, maar dat wisten de massa's niet; die zagen alleen het feit, dat de communistische partij tezamen met hen tegen het kapitalistisch regiem streed. De gehele kracht harer organisaties, haar gehele politiek-organisatorische ervaring, haar knapste mannen had zij in de rijen van de arbeiders en in het leger gebracht. Al haar krachten spande zij in, om de massa's rond haar leuzen te scharen; op demagogische wijze raakte zij het meest kwetsbare punt aan — namelijk de verslaving van de arbeid: de leuzen van de boeren van het vrije land, — die van de arbeiders van de vrije arbeid, greep zij aan en dreef tot een beslissende botsing met de coalitieregering. Van dag tot dag bevond zich de communistische partij in de rijen van de arbeidersklasse, streed onvermoeid aan haar zijde tegen de bourgeoisie en leidde haar naar de Oktoberdagen. Het is daarom begrijpelijk, dat de arbeiders van Groot-Rusland zich er aan gewend hebben, haar als haar meest energieke bondgenoot in de revolutionaire strijd te beschouwen. Deze omstandigheid, zo ook het feit, dat de arbeidersklasse van Rusland niet over eigen revolutionaire klasseorganisaties beschikte, in organisatorisch opzicht verstrooid was, veroorloofde het de partij zonder meer de leiding in de hand te krijgen. Toen dan ook de coalitieregering door de arbeidersklasse van Petrograd en Moskou omvergeworpen was, ging de macht eenvoudig over op de Bolsjewiki als leider van de opstand.

Hierna concentreerde de communistische partij al haar energie erop, een sterke regering te organiseren en de massabewegingen van de arbeiders en boeren, die in verschillende streken van het land nog steeds bezig waren, de principiële doeleinden van de revolutie door directe actie na te streven, te liquideren. Dank zij de buitengewone invloed, die de partij in de Oktoberrevolutie verkregen had, gelukte haar dit zonder veel moeite. Herhaaldelijk moest de communistische partij, onmiddellijk nadat zij aan de macht gekomen was, ertoe overgaan, de eerste pogingen van arbeidersorganisaties, die er op gericht waren, de productie in hun ondernemingen volgens het beginsel van de arbeidsgelijkheid te organiseren, in de kiem smoren. Ook vele dozijnen dorpen en vele duizenden boeren gaf de communistische regering wegens ongehoorzaamheid en om hun pogingen, het zonder regering te stellen, aan de ondergang prijs. Ook was de communistische regering gedwongen in Moskou en een reeks andere steden, toen zij midden april 1918 de anarchistische organisaties en later de organisaties van de linker sociaal-revolutionairen ontbond, machinegeweren aan te wenden en naar de wapens te grijpen, waardoor de burgeroorlog van links een feit werd. Dank zij een zeker, niet lang durend, na-Oktober-vertrouwen, dat de arbeiders van Groot-Rusland in de Bolsjewiki stelden, gelukte het deze laatsten toch in het algemeen, de massa's makkelijk en snel in de hand te krijgen en de verdere ontwikkeling van de arbeiders- en boerenrevolutie te remmen, door in plaats van deze revolutie staatspolitieke bemoeiingen van de partij te stellen. Hiermede had de revolutie in Groot-Rusland afgedaan.

Geheel anders verliepen de periodes voor-Oktober en na-Oktober in de Oekraïne. De communistische partij beschikte hier niet over het tiende deel van de partijkrachten, die haar in Groot-Rusland ter beschikking stonden. Haar invloed op de arbeiders hier was altijd onbeduidend gering geweest. De Oktoberomwenteling kwam hier ook aanzienlijk later — pas in november, december en januari van het volgende jaar. Tot dat ogenblik werd de Oekraïne beheerst door een regering van de plaatselijke nationale bourgeoisie — de “Petljoerowtsi”.[1]

Tegen deze traden de Bolsjewiki niet politiek, maar in de eerste plaats militair op. In Groot-Rusland was de overgang van de macht aan de sovjets steeds gelijkbetekenend met overgang van de macht aan de communistische partij. Hier echter betekende de overgang van de macht aan de sovjets door de zwakte en de geringe populariteit van de partij, geheel wat anders. De sovjets waren vergaderingen van afgevaardigde arbeiders, die niet de mogelijkheid hadden de massa’s aan zich te onderwerpen. De arbeiders in de fabrieken en de boeren in de dorpen voelden zich als de eigenlijke machtsfactoren. Deze macht was echter toen nog niet georganiseerd en elk ogenblik aan het gevaar blootgesteld, aan de dictatuur van een of andere goed gefundeerde partij onderworpen te worden.

In de loop van de gehele revolutionaire strijd was de arbeiders- en boerenklasse van de Oekraïne niet gewend, een zo voortdurende en onbuigzame voogd ter zijde te hebben, als het de communistische partij van Groot-Rusland was. Daarom had zich in haar in veel grotere mate een zekere geestelijke zelfstandigheid ontwikkeld. die in de revolutionaire beweging van de massa's onherroepelijk tot uiting moest komen.

Een ander, nog gewichtiger element in het leven van de Oekraïense boeren- en arbeidersgroepen (de oorspronkelijke, niet de geïmmigreerde) waren de tradities van de zgn. “Woljnitsa”, die zich sinds oeroude tijden in de Oekraïne gehandhaafd hebben. Hoezeer zich ook het tsaristische regiem sinds Katharina II moeite gegeven had, elk spoor van de “Woljnitsa” in het Oekraïense volk te verstikken, — de erfenis van de strijdperiode van de 14de tot de 16de eeuw en de “Saporoger Sitsj”, de heel bijzondere liefde voor onafhankelijkheid — heeft zich desondanks in sterke mate tot in onze dagen doorgezet en manifesteerde zich in de hardnekkige tegenstand van de huidige Oekraïense boeren tegen alle machten, die het erop hadden aangelegd, hen aan zich te onderwerpen.

Zo waren dan voor de revolutionaire beweging van de Oekraïne twee voorwaarden doorslaggevend: het ontbreken van een sterk georganiseerde politieke partij enerzijds, en de juist genoemde vrijheidslievende drang van de “Woljnitsa” anderzijds. Dit moest ontegenzeggelijk in het karakter van de Oekraïense revolutie tot uiting komen. En terwijl de revolutie in Groot-Rusland feitelijk zonder bijzondere moeite binnen het raam van de bolsjewistische staat gedwongen werd — liet zich deze verstaatsing in de Oekraïne moeilijker doorvoeren, het sovjetapparaat werd mechanisch geschapen en kwam slechts door militaire druk tot stand. Tegelijkertijd echter ging de ontwikkeling van de zelfstandige massabeweging verder voort, vooral onder de boeren. Deze beweging was reeds ontstaan onder de heerschappij van de democratische Petljoera-republiek en ging tastend, haar weg zoekend, langzaam voorwaarts. Meer nog — deze beweging wortelde regelrecht in de grondslagen van de Russische revolutie. Reeds in de eerste dagen van de Februari-revolutie, was dat duidelijk gebleken. Dit was een beweging van de onderste lagen van de bevolking, die erop gericht was, het maatschappelijk systeem van slavernij te vernietigen en in plaats daarvan een nieuw systeem op de basis van vermaatschappelijking van de productiemiddelen, werktuigen en landgebruik te scheppen.

We hebben hierboven reeds opgemerkt, dat de arbeiders in naam van deze beginselen de eigenaars uit hun fabrieken en werkplaatsen verdreven hadden en het beheer van de productie hadden overgegeven aan hun eigen organen: de vakverenigingen, fabriekscomités of speciaal hiervoor in het leven geroepen arbeidersbesturen. De boeren echter ontnamen het land aan de grootgrondbezitters, zetten het om in een streng doorgevoerd gemeenschappelijk bezit en schiepen op die wijze een geheel nieuwe agrarisch-economische figuur.

De praktijk van deze revolutionaire werkzaamheid van de arbeiders en boeren kon zich bijna gedurende het gehele eerste revolutiejaar vrij doorzetten en schiep een gezond, volkomen bepaald richtsnoer voor het revolutionaire optreden van de massa's.

En steeds, wanneer de ene of andere politieke groep, die de macht aan zich getrokken had, een poging deed, dit richtsnoer te verbreken, traden de revolutionaire arbeiders en boeren tegen zulke pogingen in revolutionaire oppositie en voerden hun strijd op de een of andere wijze.

Zo kwam het dan, dat de revolutionaire bezigheid van de arbeiders en boeren, op sociale onafhankelijkheid gericht, onder geen enkele van de regeringen, die de Oekraïne gezien heeft, uitgeblust is. Ook onder de Bolsjewiki, die, — direct na de Oktober-omwenteling — in 't land hun autoritair staatssysteem in te voeren begonnen, is ze niet verdwenen.

Wat was het meest opmerkelijke aan deze beweging?

De wens, de eigen klassebelangen door te zetten, de onafhankelijkheid van de arbeid te veroveren, wantrouwen tegen alle niet-werkende groepen van de bevolking.

De communistische partij mocht nóg zo spitsvondig bewijzen, dat zij het eigenlijke brein van de arbeidersklasse was, — elke arbeider of boer, die het klasseinstinkt en het klassebewustzijn nog niet geheel verloren had, was er zich van bewust, dat de werkenden van stad en land uit hun werken voor de revolutie gestoten werden, dat de regering hen onder toezicht stelde, dat het feit van de reorganisatie van de staat niets anders was, dan dat de massa's beroofd werden van hun rechten op onafhankelijkheid en zelfbestuur.

Streven naar volkomen zelfbestuur van de werkenden — dat werd de grondslag van de beweging, die in de diepten van de massa's begon los te komen. Langs ontelbare wegen, in ontelbare gevallen werd haar denken daar steeds weer op gericht. Het werken in staatsverband van de communistische partij verstikte dit streven meedogenloos. Maar ook dit ageren van een autoritaire, geen tegenspraak duldende partij alarmeerde de arbeiders het best en bracht ze steeds weer opnieuw in actie.

De beweging bepaalde zich er de eerste tijd toe, de nieuwe regering te ignoreren — terwijl verder door eigenmachtig optreden van de boeren landgoederen en inventaris van de rijke bezitters werden in beslag genomen. Zij zocht naar haar eigen vormen en haar eigen wegen. De onverwachte overweldiging van de Oekraïne door de Oostenrijkers en de Duitsers stelde de opstandige arbeiders voor een volkomen nieuwe situatie en gaf de stoot tot een snellere ontwikkeling hunner beweging.

Hoofdstuk III.

De revolutionaire opstanden

De vrede van Brest-Litowsk, welke de Bolsjewiki met de keizerlijke Duitse regering gesloten hadden, opende de poorten van de Oekraïne wijd voor de Duitsers en Oostenrijkers. Deze hielden nu als de onvoorwaardelijke meester, hun intocht. Ze legden niet alleen de hand op het militaire, maar ook op het politieke en economische leven van het land. Hun doel was de levensmiddelen van het land te roven. Om dat zo volkomen mogelijk en voor zichzelf zo eenvoudig mogelijk klaar te spelen, lieten zij in het land de door het volk omvergeworpen regering van landbezitters en adel weer herleven, aan het hoofd waarvan zij de hetman Skoropadski met absolute macht plaatsten. De troepen echter, die de Oekraïne bezet hielden, werden door hun officieren — wat de Russische revolutie betreft — systematisch bedrogen. De gebeurtenissen in Rusland en in de Oekraïne werd hun afgeschilderd als een overschuimen van wilde, blinde krachten, die de orde in 't land verstoorden en geheel de eerlijke, werkende bevolking terroriseerden. Hierdoor werd in hen vijandschap tegen alle opstandige boeren en arbeiders gezaaid en op deze wijze de grond gelegd voor de afschuwelijke houding (als een roverstroep) van de Duits-Oostenrijkse legers in het revolutionaire land.

De economische uitplundering van de Oekraïne, die de Duitsers en Oostenrijkers onder voortdurende hulp van de regering Skoropadski begonnen, was buitenmate groot en ongelooflijk brutaal. Uitgevoerd werd alles: koren, vee, pluimdieren, eieren, ruwe materialen, enz. — en wel in zulk een maatstaf, dat het vervoerwezen moeite had, de uitvoer te bewerkstelligen. Het was, alsof de Oostenrijkers en Duitsers, nadat zij over de reusachtige levensmiddelenvoorraden meester waren, haast hadden, zoveel als maar mogelijk was, te plunderen; zo werd dan de ene trein na de andere, honderden, duizenden treinen, — volgeladen en weggevoerd. Waar de boeren zich tegen deze roof verzetten en een poging waagden, dat, wat zij met noeste arbeid voortgebracht hadden, tenminste niet voor niets te hoeven afgeven, werden represailles genomen; zij werden neergeslagen en doodgeschoten.

De overweldiging van de Oekraïne door de Duitsers en Oostenrijkers is een donkere bladzijde in de geschiedenis van de Oekraïense revolutie. Afgezien nog van de openlijke oorlogsroof en de gewelddaden van de bezettingstroepen behoorde nog de zwartste agrarische reactie tot haar begeleidende verschijnselen. Het regiem van de hetman betekende volkomen terugkeer tot het verleden, vernietiging van alle revolutionaire verworvenheden van boeren en arbeiders. Natuurlijk vormde deze nieuwe situatie een geweldige prikkel tot snellere ontwikkeling van die beweging, die zich onder de boeren reeds vroeger onder de Petljoerowtsi en Bolsjewiki was gaan ontplooien. Overal, vooral echter in de dorpen, hadden verbitterde, tegen de landbezitters en de Duitse en Oostenrijkse bezettingstroepen gerichte opstanden plaats. Daarmee begon de nieuwe revolutiebeweging van de boeren in de Oekraïne, die later onder de naam “revolutionaire opstand” bekend werd. Enige verklaren het ontstaan van deze revolutionaire opstand uitsluitend uit het feit van de Duits-Oostenrijkse bezetting en het hetmans-regime. Deze verklaring is niet volledig en daarom ook niet juist. De opstand wortelde in de gehele toestand en diep in de grond van de Russische revolutie; de beweging was een poging van de werkenden, de revolutie door te voeren, tot de werkelijke bevrijding en zelfbestuur van de arbeid toe. De Duitsers en Oostenrijkers, zowel als de plattelandsreactie hebben alleen maar meegewerkt tot snellere doorbraak dezer beweging.

De beweging nam spoedig in omvang toe. Overal kwamen de boeren in verzet tegen de landeigenaars, zij brachten deze om of verdreven ze; land en goederen verdeelden de boeren onderling. Bij deze gelegenheden werden de Duits-Oostenrijkse geweldenaars niet ontzien. Als antwoord hierop volgden wreedaardige repressie-maatregelen van de Duitse en de hetmanregering. De boeren van de opstandige dorpen werden in massa’s terechtgesteld en vermoord; hun huizen werden verbrand. In korte tijd ging over honderden vlekken en dorpen het razende gericht van de militair-agrarische kaste. Dit geschiedde in juni, juli en augustus 1918.

Dan begonnen de boeren, die hun beweging hardnekkig doorzetten, op de manier van vrijscharen te opereren. Als door de kracht van onzichtbare organisaties verbonden, rukten zij — bijna gelijktijdig in vele plaatsen des lands — met talrijke vrijscharen op en richtten hun aanvallen nu tegen de landheren, hun lijfwachten en de vertegenwoordigers van 't gezag. Gewoonlijk deden deze vrijscharen, die uit 20, 50 of 100 bereden, goed bewapende boeren bestonden, een snelle, in de betreffende streek geheel onverwachte overval op een landgoed of op de staats-landweer — maakten alle vijanden van de boeren af en verdwenen. Elk landgoedbezitter, die boeren vervolgd had, elk trouw dienaar van hem, werd door de boeren-vrijscharen op de korrel genomen en elke dag konden zij gedood worden. Elke hogere militair, elke Duitse officier was een stellige dood door de hand van de vrijscharen gewijd. Deze gebeurtenissen, die zich dag aan dag herhaalden, troffen de agrarische contra-revolutie in haar levenswortel en bereidden haar zekere ondergang en de overwinning van de boeren voor.

We moeten hier opmerken, dat zowel de breedvertakte, onvoorbereid uitbrekende boerenopstanden, als de acties van de vrijscharen uitsluitend van de boeren zelf uitgingen, zonder enige leiding van welke politieke organisatie dan ook. Dit revolutionaire optreden dwong de boeren, zich van de beweging zelf rekenschap te moeten geven, haar te leiden en ter overwinning te voeren. In de loop van de gehele strijd tegen de hetman en de landgoedbezitters, in de allermoeilijkste ogenblikken van deze worsteling, stond de boerenbevolking geheel alleen oog in oog tegenover haar georganiseerde, goedbewapende en verbitterde vijand. Zoals we later zien zuilen, was dat van enorme betekenis voor het karakter van geheel de revolutionaire opstand. Daar, waar zij tot aan 't eind toe klassebeweging bleef en ver van de invloed van partij- of nationalistische elementen, was haar hoofdtrek niet alleen de omstandigheid, dat zij de diepten van het boerendom ontsproot, maar ook het bewustzijn van haar dragers, dat zij zelf de leiders dezer beweging waren. Vooral de vrijscharen waren door deze gedachte bezield. Ze waren er trots op, voelden hun kracht en hun grote roeping.

De verbitterde repressiemaatregelen van de agrarische contra-revolutie konden de beweging niet stuiten, — integendeel, ze hielp aan de uitbreiding ervan, omdat de opstanden nu overal opvlamden. De boeren sloten zich hechter aaneen en kwamen — door de beweging zelf gedreven — dichter bij een algemeen en alomvattend plan voor revolutionair optreden. Wil men met deze maatstaf geheel de Oekraïne meten, dan is natuurlijk nimmer de gehele boerenbevolking als eén geheel opgetreden, onder één leiding. Van zulk een eenheid kan alleen in de zin van verbondenheid in revolutionaire geest gesproken worden. In praktisch, organisatorisch opzicht echter sloten de boeren zich rayongewijs tezamen, in de vorm van samensmelting van verschillende vrijschaarafdelingen. Zulk een vereniging werd op de momenten, dat de opstanden in aantal toenamen en de repressiemaatregelen een verbitterder en beter georganiseerd karakter aannamen, tot een aangelegenheid van de verschillende afdelingen, die geen uitstel duldde.

In het Zuiden van de Oekraïne was het 't Goeljaj-Polsker rayon, dat het initiatief nam tot samenwerking. Ze geschiedde daar niet met het oog op de zelfverdediging van de boeren, maar voor alles gericht op de algemene afweer en de vernietiging van de agrarische contra-revolutie. Deze vereniging had ook ten doel, uit de revolutionaire boerenmassa een werkelijke, georganiseerde kracht te formeren, die het met de contra-revolutie zou kunnen opnemen en vrijheid en gebied van 't revolutionaire volk zou kunnen verdedigen.

De meest betekenisvolle rol inzake deze vereniging, ook op 't gebied van de algemene losmaking van de revolutionaire krachten in het Zuiden van de Oekraïne, speelde een troep opstandigen, die door een aldaar geboortige boer Nestor Makhno geleid werd.

Van de eerste dagen van de beweging af tot aan het ogenblik van hoogste spanning toe, toen de boeren over de landbezitters gezegevierd hadden, speelde Makhno in de beweging een zo bijzondere rol, dat gehele opstandsgebieden en de meest heroïsche daden met zijn naam verbonden zijn. Later, toen de opstandsbeweging over Skoropadski’s contra-revolutie had gezegevierd, maar het rayon door Denikin bedreigd werd, werd Makhno tot het centrum van de vereniging van miljoenen boeren over een gebied, dat verschillende gouvernementen omvatte. De geschiedenis van de opstand in de Oekraïne kreeg toen een heel bepaald cachet, omdat toen bleek, dat naar zeer scherp omlijnde doeleinden gestreefd werd. Want niet steeds en overal is de opstandsbeweging trouw gebleven aan haar revolutionaire verbondenheid met het volk en de belangen harer klasse. Terwijl zij in het Zuiden van de Oekraïne naar het zwarte vaandel van het anarchisme greep en de weg opging van het regeringsloze zelfbestuur van de werkende massa’s, kwam zij in het Westen en Noordwesten van de Oekraïne, na de val van de hetman, onder de invloed van haar vreemde en zelfs vijandige elementen — van de democratische nationalisten (Petljoerowtsi). In de loop van ongeveer twee jaar heeft een gedeelte van de opstandigen van de West-Oekraïne tot steunpunt in de rug gediend voor de Petljoerowtsi, die onder nationaal banier de belangen van de plaatselijke liberale bourgeoisie dienden. De opstandige boeren van Kiev, Wolynië, Podolië en een deel van Poltawa zijn op die wijze tot een blind werktuig in de hand hunner vijanden geworden.

In het Zuiden was dit alles geheel anders. Een diepe kloof gaapte daar tussen de opstandigen en alle vertegenwoordigers van nationale, religieuze of politieke knechting van de arbeid. Men stelde zich daar op de grondslag van de werkelijke eisen van de proletariërs van stad en land en voerde in die zin verbitterde strijd tegen de talrijke vijanden van de arbeid.

Makhno

We zeiden reeds, dat Makhno in het uitgestrekte gebied van de boerenopstand in de Zuid-Oekraïne een geweldige, buitengewone rol gespeeld heeft. Slaan we een blik op zijn revolutionaire arbeid in de eerste periode, d.w.z. voor de val van de hetman. Eerst enige korte mededelingen van biografische aard.

De boer Nestor Iwanowitsj Makhno werd 27 oktober 1889 geboren en groeide op in het dorp Goeljaj-Pole (Alexandrowsker district, gouvernement Jekaterinoslaw). Hij was uit een arme boerenfamilie afkomstig. Toen hij elf maanden oud was, stierf zijn vader; met vier minderjarige broertjes bleef hij achter bij zijn moeder. Omdat de familie erg arm was, moest hij reeds als jongen van zeven jaar als herder werk zoeken; hij weidde de koeien en schapen van de boeren van z'n dorp. Toen hij acht jaar oud was, kwam hij op de lagere school in die zin, dat hij 's winters de school bezocht, in de zomer echter als herder werkte. Toen hij de school afgelopen had, twaalf jaar oud, zocht hij verder weg werk. Hij werkte bij de Duitse groot-boeren en op de landgoederen van de grootgrondbezitters als eenvoudig landarbeider. Reeds toen, als knaap van 14, 15 jaar, gevoelde hij een sterke haat tegen de uitbuiters en dacht eraan, hoe hij alles vergelden zou, — wat hemzelf en al de anderen aangedaan werd; wanneer hij maar eerst de kracht had. Later werkte hij als metaalgieter in de fabrieken van zijn woonplaats.

Tot aan zijn 16e jaar had hij geen voeling met de politieke wereld. Zijn revolutionaire en sociale opvattingen vormden zich in de kleine kring zijner dorpsgenoten, die precies zulke proletarische boeren waren, als hijzelf was. De revolutie van 1905 rukte hem plotseling uit deze enge omgeving weg en wierp hem midden in de stroom van de hooggaande revolutionaire gebeurtenissen en handelingen. Hij was toen een jongen van 17 jaar, vol revolutionair enthousiasme, in de strijd voor de bevrijding van de werkende massa’s tot elke stap bereid. Nadat hij de politieke organisaties nader had leren kennen, sloot hij zich zonder aarzelen bij de anarcho-communisten aan en werd van dat ogenblik af aan tot de onvermoeide strijder voor de sociale revolutie.

Het Russische anarchisme van die tijd had twee concrete taken te vervullen: eerstens moest het politieke bedrog, waarin de socialistische partijen, met de marxisten aan de spits, de arbeiders wikkelden, ontmaskerd worden; — in de tweede plaats moest aan de arbeiders en boeren de weg naar de sociale revolutie gewezen. Op dit terrein nu was voor Makhno ontzettend veel te doen, waarbij hij vele, buitengewoon gevaarlijke stadia van de anarchistische strijd mee doormaakte. In het jaar 1908 vak hij het tsaristische gerecht in handen, dat hem wegens het lid zijn van anarchistische verenigingen en het bedrijven van terroristische daden tot de dood door de strop veroordeelt, — een vonnis, dat wegens zijn minderjarigheid in levenslange dwangarbeid (katorga) veranderd wordt. Makhno moet zijn straf uitzitten in de Moskouse centrale deportatie-gevangenis (Boetyrki). Hoe zwaar en hopeloos het leven in de katorga ook was, Makhno trachtte toch steeds, zijn verblijf daar tot vermeerdering van zijn kennis te gebruiken en ook in dit opzicht legde hij een buitengewone ijver aan de dag. Hij leerde Russische grammatica, hield zich bezig met mathematica, met Russische literatuur, cultuurgeschiedenis en politieke economie. De katorga was eigenlijk de enige school, waarin Makhno zijn historische en politieke kennis opgedaan heeft, welke kennis hem later in zijn revolutionaire werkzaamheid zo zeer te pas gekomen is. Het leven, de feiten van de dag, waren de andere school, die hem mensenkennis en oordeel over de maatschappelijke gebeurtenissen bijbracht.

Makhno, die toentertijd nog zeer jong was, is zijn gezondheid in de katorga kwijtgeraakt. Hardnekkig als hij was, kan hij zich niet met het volkomen rechteloze van de persoonlijkheid, waaraan elke gevangene zich onderwerpen moest, verzoenen; steeds was hij in strijd met de gevangenisautoriteiten en werd telkens weer met cachot gestraft; door dit verblijf in de koude hokken ging hij aan longtuberculose lijden.

Voor “onbehoorlijk gedrag” moest hij negen jaar lang tot de laatste dag van zijn gevangenschap toe, kettingen aan handen en voeten dragen, tot hij tenslotte de 2e maart door de opstand van het Moskouse proletariaat samen met de overige politieke gevangenen, vrijkwam.

Nauwelijks is Makhno de gevangenis uit, of hij keert terug naar Goeljaj-Pole, waar hij door de talrijke boerenbevolking zeer warm ontvangen wordt. In geheel het dorp was hij de enige politieke gevangene, die door het uitbreken van de revolutie weer bevrijd was en zo sprak het dus vanzelf, dat hij door de boeren van zijn streek uiterst gul ontvangen werd. Nu was hij niet meer een onrijpe, weinig voorbereide jongeling, maar een ontwikkeld, ervaren strijder, met sterke wil en een heel bepaald plan voor de sociale strijd.

Direct na zijn aankomst in Goeljaj-Pole stort hij zich op de revolutionaire arbeid en is er vóór alles op bedacht, de boeren van zijn dorp en de omgeving te organiseren; hij sticht een vakvereniging van boerenknechts, organiseert een werkgemeenschap en een plaatselijke boerenraad. De taak, die hem het meest bezighield, was: geheel de boerenbevolking zó stevig te verbinden en te organiseren, dat zij in staat zou zijn, geheel het gebroed van machthebbers en regeerders eens en voor altijd te verdrijven en hun leven zelf te besturen. En in deze zin werkte hij organisatorisch onder de boeren, niet echter als prediker, maar als praktisch strijder, die er op uit was, de werkers, onder verwijzing naar de feiten van bedrog, knechtschap en ongerechtigheid, die zij onder het heersende slavernij-régime te ondergaan hadden, vast met elkaar te verbinden.

In de Kerenski-periode en in de daaropvolgende Oktoberdagen was hij voorzitter van het gewestelijk boerenverbond, het land-comité, de metaal- en houtarbeidersbond en tenslotte ook voorzitter van de Goeljaj-Polsker arbeiders- en boerenraad.

Midden augustus 1917 riep hij — als voorzitter van de Sovjet — alle landgoed - en andere bezitters van het rayon bijeen en eiste van hen op, alle oorkonden over de zich in hun bezit bevindende landerijen en inventarissen; hierop ondernam hij een nauwkeurige inspectie over al het bezit en refereerde daarover eerst op een vergadering van de gewestelijke Sovjet, later in die van ’t rayon. Hij deed in zijn referaat het voorstel, de landgoedbezitters en groot-boeren — wat de profijten van het land betrof — aan de werkende boeren gelijk te stellen. Op zijn voorstel werd door het rayoncongres besloten, dat aan genoemde eigenaars land en levende en dode inventaris tot een gelijk deel als de boeren gelaten zou worden.

Naar ’t voorbeeld van het Goeljaj-Polsker rayon werden dergelijke besluiten door talrijke congressen van boeren uit Jekaterinoslaw, Tauri, Poltawa, Charkow, e.a. gouvernementen genomen.

In de loop van deze tijd was Makhno in zijn rayon de ziel van de boerenbeweging geworden, die er op gericht was, de landbezitters land, have en zo nodig ook het leven te nemen. Hierdoor maakte hij zich doodsvijanden in de personen van de plaatselijke landgoedbezitters, de rijken en de bourgeois organisaties.

Toen de Oekraïne door de Duitsers en Oostenrijkers bezet werd, formeerde Makhno in opdracht van het Goeljaj-Polsker revolutiecomité boeren- en arbeidersbataljons voor de strijd tegen de Duitsers en de centrale Rada; met deze troepen trok hij zich in krijgsorde op Taganrog, Rostow en Tsaritsyn terug. De plaatselijke bourgeoisie, die na de intocht van de Duitsers en Oostenrijkers weer grond onder de voeten was gaan voelen, stond hem toen reeds naar het leven en hij moest zich verborgen houden. De Oekraïense en Duitse militaire overheid nam wraak, doordat zij het huis zijner moeder in brand staken en zijn oudste broer Emeljan, een oorlogsinvalide, doodschieten liet.

In juni 1918 ging Makhno naar Moskou om met enige oudere en ervaren anarchisten over het karakter en de richting van het verdere werk onder de Oekraïense boeren te beraadslagen. De anarchisten echter, die zich in deze periode van de Russische revolutie als zeer wankelend en zwak deden kennen, konden hem geen bevredigende wenken en raadgevingen geven en zo reisde hij dan weer met zijn eigen gedachten en plannen naar de Oekraïne terug.

Reeds lang echter rijpte in hem de gedachte: de over-talrijke boerenmacht als zelfstandig historische machtsfactor te organiseren — de eeuwenlang opgespaarde revolutionaire energie te ontketenen en geheel deze reuzenmachine op de knechtschapsordening van dit ogenblik te laten neerkomen.

Voor Makhno was nu dit ogenblik gekomen. Terwijl hij in Moskou vertoefde en in de kranten van de talrijke opstandsdaden van de Oekraïense boeren las, wond hij zich geweldig op, raakte geheel buiten zichzelf, en elke dag, die hij meer dan nodig was, in Moskou moest doorbrengen, bezorgde hem de grootste geestelijke kwellingen. Eindelijk gelukte het hem — met behulp van een oude lijdens- en geestverwant uit de katorga — weg te komen en naar de Oekraïne, in zijn Goeljaj-Polsker rayon door te dringen. Dit geschiedde in juli 1918. De reis ging met de grootste moeilijkheden gepaard en moest zo geheim mogelijk geschieden, daar hij elk ogenblik gevaar liep, hier of daar in handen te vallen van de agenten van de hetman. En inderdaad scheelde het geen haar, of hij had er het leven bij ingeschoten; hij had een koffer vol anarchistische literatuur bij zich en werd door de Duitsers gearresteerd. Een hem bekende jood uit Goeljaj-Pole redde hem, door een grote som gelds voor zijn vrijheid te offeren, Op weg naar de Oekraïne werd hem door de Bolsjewiki het voorstel gedaan, een bepaald rayon van de Oekraïne als terrein voor geheime revolutionaire agitatie te kiezen en daar in hun naam de propaganda te voeren. Het behoeft wel geen betoog, dat Makhno dit voorstel niet eens in overweging nam, daar hij zich werk voorgenomen had, dat hem straks lijnrecht tegenover de Bolsjewiki zou plaatsen.

Zo was dan Makhno weer in 't Goeljaj-Polsker rayon. En dit keer was hij vast besloten te gronde te gaan óf de overwinning van het boerendom te bevechten, in geen geval echter zijn streek meer te verlaten. Het bericht van zijn terugkeer verbreidde zich spoedig van dorp tot dorp. Makhno zijnerzijds wachtte geen ogenblik openlijk voor het front van de boerenmassa’s te treden, zowel in vergaderingen als met gedrukte oproepen en hen tot vastberaden optreden tegen de hetman en de adel — tegen alle meesters — op te wekken, waarbij hij zo krachtig mogelijk beklemtoonde, dat de werkers van nu af aan nooit meer de beslissing over eigen lot uit handen moesten geven. Zijn luide, krachtige oproep vloog in enkele weken door dozijnen dorpen en streken en bereidde de massa’s op grote gebeurtenissen voor.

Makhno zelf ging direct aan 't werk. De eerste taak, die hem wachtte, was de vorming van een revolutionaire strijdgroep van voldoende sterkte, om de agitatie- en propagandavrijheid in vlekken en dorpen te waarborgen en direct met de guerrilla te beginnen. Die troep was spoedig gevormd. In de dorpen waren voldoende voortreffelijk geoefende manschappen, die ook tot actie bereid waren. Het enige, wat ontbrak, was een flink organisator. En dat bleek Makhno te zijn. Tot de taak van de troep behoorde: a) het voeren van de meest energieke propaganda en het leiden van het organisatorische werk onder de boeren en b) onverzoenlijke strijd als vrijschaar tegen alle vijanden van de boeren. Het eerste beginsel van de acties van de vrijscharen was: elk landgoedbezitter, die de boeren had onderdrukt, elk kaderlid van de Oekraïense landweer, elk officier van het Russische en Duitse leger moet als de ergste vijand van de boeren en hun vrijheid beschouwd en dus zonder meer omgebracht worden. Bovendien werd naar de grondstelling van de vrijscharen elkeen omgebracht, die aan de onderdrukking van de arme boeren en de arbeiders, aan hun ontrechting of aan de beroving van hun bezit of hun arbeid had deelgenomen.

De troep was reeds na ongeveer twee of drie weken de schrik van geheel de bourgeoisie in die streek niet alleen, maar ook van de Duitse en Oostenrijkse kommando's. Het rayon, waarover zich Makhno's revolutionaire en militaire activiteit ontwikkelde, was geweldig groot; het strekte zich uit van Losowa tot Berdjansk, Mariopol en Taganrog en van Loegansk en Grisjino tot Jekaterinoslaw, Alexandrowsk en Melitopol. Snel oprukken van plaats tot plaats — dat was zijn tactiek. Dank zij de uitgestrektheid van het rayon en dank zij z’n buitengewone snelheid verscheen hij steeds daar, waar men hem juist het minst verwacht had en binnen korte tijd had hij te vuur en te zwaard over geheel de gewestelijke bourgeoisie gewoed. Al degenen, die gedurende de laatste maanden van het hetmanaat tijd gevonden hadden, zich weer in hun oude adelsburchten te nestelen, — die profijt trokken van de rechteloosheid van de boeren, van hun arbeid — dezen het recht op grond en bodem ontnamen — die zich weer als heer en meester over hen gedroegen — zij allen waren nu onder Makhno en zijn strijdbare onverbiddelijke, wrekende hand geraakt. Snel als de storm bruisten zij voort, zonder vrees of erbarmen voor hun vijanden; zij overvielen de landgoederen, legden alle boerenvijanden neder en verdwenen weer spoorloos. De volgende dag echter ondernam Makhno reeds weer een andere overval op een of ander landgoed, dat misschien 100 K.M. verder lag, of op een of ander groter dorp; de gehele landweer, de zgn. “Warta” werd daar verslagen, insgelijks de officieren en landgoedeigenaars en weer verdween hij ten snelste, zodat de Duitse troepen, die vlak in de buurt lagen, geen tijd hadden tot bezinning te komen en zich nog in ’t geheel niet gerealiseerd hadden, wat er zich vlakbij afgespeeld had. De volgende dag was hij weer 100 K.M. of meer uit de buurt, overviel ergens een Hongaarse strafexpeditie, die tegen de boeren uitgerukt was of hij liet leden van de landweer, waar hij ze maar te pakken kreeg, opknopen.

De landweer, ook het Duits-Oostenrijkse commando, werd onrustig. Enige bataljons werden op Makhno afgestuurd, ze moesten hem verslaan en gevangen nemen. Alles tevergeefs. Makhno en de zijnen waren uitstekende cavaleristen, van kindsbeen of aan ’t zadel gewend; op hun tochten konden ze van paarden verwisselen en zo waren ze met recht ongrijpbaar, omdat zij in de loop van een dag afstanden aflegden, die een gewoon cavalerie-detachement nooit afleggen kon. Alsof hij zijn tegenstanders honen of prikkelen wilde, verscheen Makhno nu eens in het centrum van Goeljaj-Pole, dan weer in Pologi, waar steeds grotere Duitse en Oostenrijkse troepen-afdelingen gelegerd waren; alle officieren, die hem in handen vielen, bracht hij om; — hijzelf verdween steeds spoorloos, zonder dat men hem een haar kon krenken. Of hij trad wel zo op, dat hij met een kleine vrijschaar, als leden van de landweer verkleed, zich midden in de vijand waagde, — diens plannen en stellingen uitvorste om dan samen met een echte “Warta”-afdeling uit te rukken, om Makhno te vangen, die men hier of daar in een dorp meende omsingeld te hebben; — onderweg echter overviel hij deze afdeling en maakte de hele boel af.

Ten opzichte van de Duits-Oostenrijks-Hongaarse troepen werd door de vrijscharen de volgende tactiek gevolgd: de officieren werden omgebracht; de manschappen echter, die gevangen gemaakt werden, liet men vrij, — raadde hun aan, naar hun vaderland terug te keren en daar te vertellen wat de boeren in de Oekraïne deden en hoe zij voor de sociale revolutie werkten. Verder werd hun literatuur mee op weg gegeven, soms ook geld. Terechtgesteld werden alleen die soldaten, waarvan bewezen kon worden, dat zij geweld tegen de boeren gebruikt hadden. Deze houding t.o.v. de gevangen genomen Duits-Oostenrijks-Hongaarse soldaten werkte op deze zeer revolutionerend in.

In deze periode van zijn opstandige actie was Makhno niet alleen de organisator en leider van de boeren, maar in niet geringe mate ook de verschrikkelijke volkswreker. In het korte tijdperk van zijn eerste vrijschaar-optreden heeft hij honderden nesten van de adel vernield, duizenden actieve vijanden en onderdrukkers van 't volk zonder erbarmen omgebracht. Zijn moedig en vastberaden handelen, de snelheid van zijn komen en verdwijnen, — tenslotte de omstandigheid, dat hij absoluut ongrijpbaar was — dat alles heeft hem tot een gestalte gemaakt, door de bourgeoisie gehaat en gevreesd, — terwijl de boeren trots op hem waren en menige legende om zijn hoofd weefden. En zijn daden leken vaak werkelijk legendarisch, verbazingwekkend door hun koenheid, zoals hij zelf verbazing wekte door zijn wilskracht en zijn trots, door zijn scherpzinnigheid en zijn gezonde boerenhumor.

Dat alles echter was niet het meest eigenlijke van Makhno; daarmee alleen is zijn figuur nog niet getekend.

Zijn militaire figuur, zijn werken als vrijschaarleider in die eerste periode waren slechts de eerste uitingen van zijn enorm militair en organisatorisch talent. We zullen verder zien, welk een kracht met Makhno door de boeren voortgebracht is.

Onvermoeid belegde Makhno vergaderingen in al de talrijke dorpen van het rayon, hield daar voordrachten over de noodzakelijkheden van het ogenblik, over de sociale revolutie, over het vrije, van niemand afhankelijke gemeenschapsleven van de boeren als het eigenlijke doel van de opstand. In deze zin richte hij ook oproepen tot de boeren, tot de arbeiders, tot de Duits-Oostenrijkse soldaten, de Don- en Koeban-kozakken, enz.

“Sterven of overwinnen — dat is de keus, waarvoor op het huidige, historische ogenblik de boeren van de Oekraïne staan. Sterven echter kunnen we niet, — daarvoor zijn we met te velen, — wij zijn de mensheid; dus zullen we overwinnen. We zullen echter niet overwinnen, om naar het voorbeeld van de voorbije jaren ons lot in handen van een nieuwe regering te geven, — maar om het in onze eigen handen te houden om ons leven zó in te richten, als we het zelf willen en als waar gevoelen.” (Uit één van de eerste oproepen van Makhno). — Dat is het, wat Makhno aan de brede lagen van de boerenmassa’s zei. En in korte tijd werd hij tot middelpunt van de aaneensluiting van de opstandige massa’s. Bijna in ieder dorp werden door de boeren geheime plaatselijke troepen gevormd en de verbinding met Makhno tot stand gebracht; men ondersteunde hem op allerlei wijzen en hield zich aan zijn aanwijzingen. De vrijscharen, die reeds bestonden of nieuw gevormd werden, begonnen met zijn troep samen te smelten en streefden naar een eendrachtig optreden. De noodzakelijkheid daarvan en van een goede leiding werd overal erkend en eveneens erkenden de revolutionaire strijders, dat Makhno hiervoor de meest geschikte persoon was. Grote en zelfstandige afdelingen als die van Koerilenko, die in het rayon Berdjansk opereerde en Sjtsjoesj’ afdeling en de troep van Petrenko-Platonow, die in de rayons van Dibriwsk en Grisjinsky werkten, kwamen tot hetzelfde inzicht. Zij allen werden uit eigen aandrift tot bestanddelen van Makhno’s troep. Op deze wijze kwam de samensmelting van de zuid-Oekraïense vrijscharen tot een groter opstandsleger op volkomen natuurlijke wijze tot stand, omdat de omstandigheden dit van de massa’s eisten.

Omstreeks deze tijd (september 1918) verkreeg Makhno de titel “Batjko”, d.w.z. leider van de Oekraïense revolutionaire opstandstroepen. Dat geschiedde zo:

De landgoedbezitters, die zich in de grote centra verborgen hielden, de groot-boeren en het Duitse commando hadden besloten, Makhno en zijn afdeling tegen elke prijs te vernietigen. Een speciale vrijwilligersafdeling was gevormd voor de strijd tegen Makhno. Deze afdeling nu had op 30 september samen met de Oostenrijkse en Duitse troepen in het rayon Groot-Michailowka Makhno omsingeld en op alle wegen sterke militaire commando’s geplaatst. Op dat moment had Makhno slechts dertig man en een machinegeweer tot zijn beschikking. Er bleef hem niets anders over dan terug te trekken en tussen de talrijke vijanden te laveren. Toen Makhno in het bos van Dibriwky gekomen was, bleek zijn positie buitengewoon precair. Alle terugwegen waren door de vijand bezet. Het was onmogelijk zich er met de afdeling doorheen te slaan, maar toch achtte Makhno het beneden zijn waardigheid, alleen zijn redding te beproeven. Na enig overleg besloot hij de volgende dag weer naar het dorp Groot-Michailowka (Dibriwki) terug te keren. Aan de bosrand ontmoetten de mannen enige boerinnen, die hen waarschuwden: in Dibriwky had de vijand grote strijdkrachten samengetrokken en zij moesten nu zien, naar de andere zijde weg te komen. Deze mededeling echter kon Makhno en de zijnen niet verhinderen aan hun voornemen gevolg te geven. Ofschoon de wenende vrouwen alles in ’t werk stelden om hen terug te houden, rukten zij toch tegen Groot-Michailowka op. Onder inachtneming van de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen reden zij tot dicht bij t dorp; Makhno zelf ging met een paar zijner makkers op verkenning uit; op het kerkplein had de vijand zijn kamp opgeslagen; er waren daar dozijnen machinegeweren, honderden gezadelde paarden en cavaleristen, die daar groepsgewijs bivakkeerden. Van de boeren hoorden zij, dat een Oostenrijks bataljon en een afdeling van de landbezittersweer in ’t dorp vertoefden. Aan terugtrekken viel niet meer te denken. Toen wendde Makhno zich met de hem eigen flinkheid en vastbeslotenheid tot zijn troep met de woorden: “Nu, vrienden! Hier zullen we direct allen ’t leven laten”. Dat was een ernstig ogenblik, vol geestelijke spanning en grootheid. Alle dertig man hadden slechts één weg, die zij gaan konden, n.1. voorwaarts op de vijand in, d.w.z. op ongeveer duizend goedbewapende strijders. Allen waren zij er zich van bewust, dat nu hun einde gekomen was. Allen waren opgewonden, maar niemand liet de moed zinken.

Op dit ogenblik nu richtte zich één van de troepgenoten — namelijk Sjtsjoesj — zich tot Makhno met deze woorden:

“Van nu af aan ben jij de Batjka over ons allen; wij zweren, dat wij samen met jou in de rijen van de opstandigen zullen sterven.”

Hier was het ook, dat de gehele afdeling de eed aflegde, nooit de rijen van de opstandigen te zullen verlaten, Makhno echter als de Batjka van de gehele revolutionaire opstandsbeweging te beschouwen. Dan gingen ze tot de aanval over. Sjtsjoesj zou met een troep van zes of zeven man zijwaarts trekken en de vijand in de flank aanvallen. Makhno zelf ondernam met de overigen een frontaanval. Met een luid “hoera!” stortten zich de mannen midden in de vijand, van sabels, geweren en revolvers gebruik makend. De overval had een vernietigende uitwerking. De vijand, die nergens op bedacht was, werd terstond overhoop gelopen; de vlucht geschiedde in paniek; elk redde zich, zo goed het kon; wapens en machinegeweren bleven liggen; de paarden liet men gaan. De opstandigen hunnerzijds gaven hun vijanden geen tijd, zich te bezinnen of vast te stellen, hoe sterk de aanvaller was, om tot de tegenaanval over te gaan; in gescheiden, aparte troepjes werd de vijand op de vlucht gejaagd en in volle ren neergesabeld. Een deel van de landweer vluchtte de rivier de Woltsja in, waar zij door de toesnellende boeren verdronken werden. Kortom — de nederlaag was volkomen.

De plaatselijke boeren zowel als de samengekomen afdelingen van opstandigen begroetten de helden op plechtige wijze. In volkomen overeenstemming werd hier het besluit genomen, Makhno als de Batjka van het gehele Oekraïense opstandsleger te beschouwen.

Twee dagen later rukten grote afdelingen van 't Duits-Oostenrijkse leger zowel als van de landweer, uit alle rayons samengetrokken, naar Groot-Michailowka op. De 5de Oktober begonnen de Duitse troepen het dorp hevig te beschieten; nadat zij het voldoende met hun geschut vernield hadden, rukten zij met hun infanterie het dorp binnen, waar zij massa's bewoners executeerden en tenslotte het dorp aan vier hoeken in brand staken. Twee dagen lang brandde Groot-Michailowka en twee dagen lang duurden de ongehoorde represailles van de groot-boeren en de Duitse troepen tegen de arme boeren.

Deze zaak droeg er nog meer toe bij, de boeren van 't rayon vaster aaneen te smeden en verhoogde hun revolutionair bewustzijn aanzienlijk.

De grote massa van het boerendom, de kernbevolking van vlekken en dorpen behoorde natuurlijk niet tot de vrijscharen, maar hield wel ten nauwste voeling met de verschillende troepen. Deze bevolking was het, die levensmiddelen, paarden en foerage verschafte, die hun desnoods voedsel in de bossen bracht, de vrijscharen inlichtte over de bewegingen van de vijand en zich af en toe in grote massa’s bij de afdelingen aansloot om gezamenlijk een of andere bepaalde revolutionaire actie door te voeren; in zulke gevallen streden zij meerdere dagen lang schouder aan schouder met de vrijscharen, om dan weer naar hun gewone werk terug te keren.

Opmerkelijk is in dit opzicht de bezetting van Goeljaj- Pole door de vrijscharen kort voor de val van de hetman en voor de ontbinding van het Duits-Oostenrijkse leger. Makhno had Goeljaj-Pole met een kleine afdeling bezet. De Oostenrijkers, die in Pologi stonden, hadden hun troepen derwaarts gestuurd. In de loop van de dag had Makhno geen hulp en moest het dorp weer opgeven. Maar tegen de avond kwam een paar honderd boeren uit Goeljaj-Pole te hulp en zo gelukte het hem, zich tegen een gehele Oostenrijkse afdeling staande te houden. Bij het aanbreken van de morgen gingen de boeren weer naar huis, omdat zij vreesden door een of andere bekende, die hen overdag in de rijen van de vrijscharen zien zou, verraden te worden. En zo moest dan Makhno, door de numerieke meerderheid van zijn tegenstander, voor de duur van de dag zich weer uit het dorp terugtrekken. Tegen de avond ging hij weer tot de aanval over, nadat de boeren hem hadden laten zeggen, dat zij hem bij 't aanbreken van de duisternis weer te hulp zouden komen. Weer bezette hij het dorp en verdreef de Oostenrijkers met behulp van de boeren. Zo ging dat drie of vier dagen lang, tot tenslotte Goeljaj-Pole definitief in handen van de opstandigen overging.

Een dergelijke levende verbinding van de grote massa’s van de boeren met Makhno’s revolutionaire vrijscharen bestond overal. Deze verbinding was van de allergrootste betekenis, omdat die het was, die aan de revolutionaire opstand de uitbreiding en het karakter van een algemene boerenbeweging gaf.

Hoofdstuk IV.

De val van de hetman – Petljoera

De contra-revolutie van de landgoedbezitters in de Oekraïne, die in het hetmanaat haar uitdrukking vond, was zonder twijfel een door het Duits-Oostenrijkse imperialisme gekweekt kunstproduct. De Oekraïense grootgrondbezitters en kapitalisten zouden zich in het stormachtige jaar 1918 geen dag hebben kunnen handhaven, wanneer zij niet door het Duitse leger ondersteund waren geworden. Naar ruwe schatting was de Oekraïne door ongeveer een half miljoen man Duits-Oostenrijkse troepen bezet. Deze geweldige troepenmacht was planmatig over de gehele Oekraïne verdeeld en vooral gelegerd in de toen meest revolutionaire en onrustige rayons. Direct na de binnenkomst in de Oekraïne maakte men er werk van, de belangen van de contrarevolutie te dienen, maar wat de werkende bevolking betreft, hiertegenover gedroeg men zich, zoals een overwinnaar zich in een bezet land pleegt te gedragen. Zo hadden dan de Oekraïense boeren in de loop van die tijd niet alleen tegen de contrarevolutie, maar ook tegen de geweldige massa van de Duits-Oostenrijkse legers te strijden. Ondanks deze steun echter kon de contra-revolutie geen ogenblik vaste voet krijgen en zij begon onder de toenemende ontwikkeling van de boerenopstand zienderogen te ontbinden. Maar ook de Duits-Oostenrijkse troepen ondervonden de revolterende gevolgen van de opstand. Toen deze dan ook onder de invloed van de revolutionaire opstand enerzijds, en de politieke gebeurtenissen in Duitsland en Oostenrijk anderzijds geheel hun betekenis verloren en naar 't vaderland teruggekeerd waren, bleek, dat geheel de Oekraïense contrarevolutie volkomen in de lucht hing. De dagen, ja, de momenten van haar bestaan waren geteld. Haar zwakte, ja lafheid was zo groot, dat zij zich tot geen enkele tegenstand wist aan te gorden. De hetman zocht via de door de boerenopstanden het minst bedreigde streken te ontkomen; de grondeigenaars hadden reeds vóór de hetman de vlucht genomen.

Van dit ogenblik af begonnen in de Oekraïne drie principieel sterk van elkaar verschillende krachten te werken: de Petljoerowstsjina, het bolsjewisme en de Makhnovshchina. Elk van deze krachten nam in de loop van de tijd tegenover de beide andere een uitgesproken onverzoenlijke, vijandige houding aan. Om het wezen van de Makhnobeweging zo juist mogelijk weer te geven, moeten van tevoren enkele woorden over het klassekarakter en de sociale natuur van de Petljoerowstsjina gezegd worden. Het was een beweging van de nationale Oekraïense bourgeoisie, die naar de politieke en economische beheersing van het land streefde. Iets als de Franse of de Zwitserse republiek gold als voorbeeld voor de politieke opbouw van het land. Deze beweging kon in 't geheel niet als een sociale aangeduid worden, maar bezat uitsluitend een politiek en nationalistisch karakter. De beloften, de sociale toestand van de werkenden te verbeteren, zoals die in haar program te vinden is, was niet meer, dan het tribuut, dat aan de revolutionaire tijd betaald werd — het vaandel, waaronder het makkelijker scheen, bepaalde doeleinden te bereiken.

Reeds in de eerste dagen van de Maartrevolutie van 1917 kwam in de liberale Oekraïense bourgeoisie de belangrijke vraag van nationale vrijmaking van Rusland ter sprake. In de kringen van 't groot-boerendom, de liberale intelligentsia, de ontwikkelde kringen van de Oekraïners sloot men zich bij deze beweging aan en zo werd de grond gelegd voor het streven naar politieke onafhankelijkheid. Hun leiders sloegen het oog op de grote massa van de Oekraïense soldaten, die aan het front of in de etappe waren. Deze werden op nationale wijze tot speciale Oekraïense regimenten omgevormd.

In mei 1917 was door de leiders van de beweging een regelrecht militair congres georganiseerd, dat een opperst militair comité creëerde, dat tot het eigenlijk leidinggevend orgaan van de gehele beweging werd. Later werd het comité omgedoopt en ontving de naam “Rada”. In november 1917 werd op het Al-Oekraïens congres de centrale Rada als parlement van de Oekraïense democratische republiek geïnstalleerd. En precies een maand later werd door deze “Rada” in de “Universal” de zelfstandigheid en onafhankelijkheid van de Oekraïense democratische republiek geproclameerd. Op deze wijze ontstond ten tijde van het Kerenski-regime in de Oekraïne een nieuw, zelfstandig staatswezen, dat zich in geheel het gebied als heersende macht begon vast te zetten. Dat was het Petljoera-regime, de Petljoerowstsjina, zo genoemd naar Semjon Petljoera, één van de actiefste leiders dezer beweging.

De ontwikkeling en verankering van de Petljoerowstsjina als staatkundige macht in de Oekraïne was voor het bolsjewisme, dat de macht in Groot-Rusland reeds aan zich getrokken en tot de Oekraïne uit te strekken dacht, een harde slag. Zijn positie in Rusland zónder de Oekraïne bleek reeds direct zeer moeilijk te zijn. Daarom rukten de Bolsjewiki met hun troepen in snelle marsen tegen Kiew op. Van 11 tot 25 januari 1918 werd tussen de Bolsjewiki en Petljoera verbitterd gevochten om 't bezit van Kiew. Op de 25ste januari veroverden de Bolsjewiki Kiew en begonnen dan van daar uit hun heerschappij over de gehele Oekraïne uit te strekken. De Petljoera-regering en de politici dier beweging trokken naar het Westen af en protesteerden vandaar uit tegen de bezetting van de Oekraïne door het leger van de Bolsjewiki.

Dezen gelukte het intussen ditmaal niet, zich lang in de Oekraïne te handhaven, — slechts ongeveer twee of drie maanden; in maart—april 1918 trokken zij weer naar Groot-Rusland af, waardoor zij de Oekraïne vrijgaven aan het Duits-Oostenrijkse bezettingsleger. Dit maakten de Petljoerowtsi zich ten nutte: hun regering keerde in de gestalte van de Centrale Rada en het ministerieel kabinet weer naar Kiew terug. Dit keer noemde men de republiek niet democratische, maar Oekraïense volksrepubliek. De regering dezer republiek wierp zich natuurlijk als elke regering in de eerste plaats op de troepen en vroeg het volk bij haar intocht in Kiew er in 't geheel niet naar, of zij welkom was of niet. Ze had de gelegenheid eenvoudig aangegrepen, was het land binnengerukt en verklaarde, de nationale regering te zijn. Als bewijs hiervoor diende in de eerste plaats de bajonet.

Maar ook dit keer was het Petljoera en zijn aanhang niet gegund, lang aan het hoofd van de staat te staan. Het Oostenrijks-Duitse oppercommando, dat de Oekraïne bezet hield, scheen het voordeliger toe, met de vroegere meesters van de Oekraïne, namelijk met de generaals en landeigenaars te doen te hebben dan met Petljoera en zijn aanhang. Daarbij gingen ze heel eenvoudig te werk: met behulp van hun militaire macht verwijderden zij de regering van de Petljoera-republiek en brachten daarvoor in de plaats de autocratische regering van de hetman Skoropadski. Hiermee begon de reactie van de grootgrondbezitters en generaals in de Oekraïne. Ten opzichte van deze reactie namen Petljoera en de zijnen een politiek-revolutionaire houding aan. Zij wachtten op de ineenstorting om zichzelf dan aan het hoofd van de staat te plaatsen. Petljoera zelf werd gevangen genomen en gedwongen zijn politieke loopbaan op te geven. Maar reeds naderde het einde van de contrarevolutie van de hetman en de ineenstorting door de slagen van de overal opvlammende boerenopstanden kondigde zich aan. De Petljoerowtsi voelden dat en begonnen nog voor de definitieve val van de hetman hun macht op verschillende plaatsen in de Oekraïne te organiseren en troepen te formeren. Dit voornemen werd door de gehele situatie zeer begunstigd. In de boerenbevolking gistte het; honderdduizenden ontevredenen wachtten slechts op het eerste teken, om tegen de hetman en zijn regering in opstand te komen. Nog was de hetman in Kiew, terwijl een reeks grote steden in het Zuiden van de Oekraïne zich reeds in de handen van de Petljoeratroepen bevonden. Het centrale orgaan van de Petljoeraregering (het directorium) was in de provincie gevormd, maar Petljoera en zijn aanhang hadden haast hun machtspositie te versterken doordat zij zich de omstandigheden ten nutte maakten, dat er omstreeks die tijd geen andere sterke pretendenten in de Oekraïne waren, voor alles de Bolsjewiki niet. In december 1918 vluchtte Skoropadski en omstreeks diezelfde tijd trok het Petljoera-directorium Kiew binnen.

Het enthousiasme in de bevolking was enorm. De Petljoerowtsi lieten het zich aanleunen in hun eigenschap van nationale kampioenen midden in het centrum dezer beweging te staan. Na korte tijd strekte zich hun macht over 't grootste deel van de Oekraïne uit. Slechts in 't Zuiden, in 't rayon van de Makhnose boerenbeweging, hadden zij geen succes, integendeel, hier stieten zij op tegenstand en leden zelfs gevoelige nederlagen. In alle grote centra echter triomfeerden de aanhangers van Petljoera en trots waaide hun banier door de lucht. Het scheen, of de separatistische Oekraïense bourgeoisie vaste grond onder de voeten begon te krijgen. Maar dit zou een vergissing blijken te zijn.

* * *

Nog had de nieuwe regering geen tijd kunnen vinden, zich vast te zetten, of rondom haar begonnen zich reeds als gevolg van de klassentegenstellingen ontbindingsverschijnselen te openbaren. Miljoenen arbeiders en boeren, die in de dagen van de verjaging van de hetman zich in de invloedssfeer en onder de leiding van de Petljoerowtsi bevonden hadden, begonnen nu zich in grote massa's terug te trekken en waren er op bedacht, voor hun eigen volksbelang en strevingen een passende vorm te vinden. De meerderheid van de massa trok zich terug in dorpen en vlekken en nam daar een vijandige houding tegenover de nieuwe regering aan. Velen sloten zich aan bij de revolutionaire afdelingen van Makhno en aanvaardden diens strijdleuzen tegen de ideeën en de macht van de Petljoerowtsi. Zo kwam het, dat de laatsten door de loop van de gebeurtenissen even snel ontwapend werden, als ze onverwacht en snel aan die wapens gekomen waren. Haar idee van een bourgeoise zelfstandigheid, van een bourgeoise eenheid van de natie had zich in het revolutionaire volk slechts enkele uren lang staande kunnen houden. De hete adem van de volksrevolutie vaagde deze bedrieglijke idee weg en bracht de dragers ervan in een hulpeloze toestand. Intussen echter rukte uit het Noorden het oorlogszuchtige bolsjewisme in snelle marsen aan; dit was in alle methoden van de klasse-agitatie zeer ervaren en bezield door de vaste wil, in de Oekraïne de macht te verkrijgen. Precies een maand na de aankomst van het Petljoera-directorium rukten bolsjewistische troepen de stad in. Sinds die tijd zette zich in het grootste deel van de Oekraïne de communistische macht van de Bolsjewiki opnieuw door.

Het bolsjewisme. Zijn klassekarakter.

We hebben er reeds in het eerste hoofdstuk op gewezen, dat geheel de zogenaamde socialistische opbouw, geheel het sovjet-staatsapparaat voor de regering van 't land, de nieuwe maatschappelijke en politieke verhoudingen — in één woord alles, wat het bolsjewisme in de Russische revolutie doorzet, — niets anders is dan de verwezenlijking van de levensbelangen van de socialistische democratie en doorzetting van haar klasseheerschappij in het land. De arbeiders en boeren, wier namen oneindig vaak in de loop van de Russische revolutie misbruikt werden, zijn niets anders dan een brug die door een nieuwe kaste gebruikt werd om tot macht te geraken.

Deze groep had in de Russische revolutie van 1905 een nederlaag geleden. Nadat het gelukt was, de leiding van de arbeidersbeweging te verkrijgen, stelde zij zich ten doel, haar ideeën langs de beproefde politieke weg te verwezenlijken en met het overal bekende minimumprogram te beginnen. Het doel dat gesteld werd de eerste tijd, was: het tsaristische regiem ten val te brengen en de republikeinse regeringsvorm in het land door te zetten. Dan wilde men langs parlementaire weg, zoals dat door de democratie in West-Europa en Amerika gedaan wordt, trachten de macht te verkrijgen. Zoals bekend, leed deze in 1905 gestipuleerde democratie een volkomen nederlaag, omdat haar de nodige ruggensteun bij de arbeiders en boeren ontbrak. Het is niet juist, wanneer sommigen de nederlaag van de revolutie van 1905 verklaren als gevolg van de gewelddadige, ruwe tsaristische macht. De oorzaken van deze nederlaag lagen veel dieper — in het karakter van de revolutie zelf.

Reeds in de jaren van 1900 tot 1903 was het in het Zuiden van Rusland, later ook in het Noorden en in andere delen van het land, tot reusachtige economische massastakingen gekomen. De beweging had geen scherp omschreven doelstellingen, maar haar karakter openbaarde zich toch uit haar sociale natuur. De socialistische democratie sloot zich van buiten af bij die beweging aan en was er voortdurend op bedacht, haar in de richting van politieke strijd te stuwen. Dank zij haar talrijke, voortreffelijk georganiseerde partijen, die het gehele gebied van de politieke propaganda beheersten, was het haar gelukt, alle levende, sociale leuzen uit de beweging te verwijderen en door politieke, democratische te vervangen. Deze leuzen waren het ook, die de revolutie van 1905 beheersten. Maar juist, omdat de revolutie kwam onder leuzen, die het volk vreemd waren, werd zij verloren. Nadat de sociale elementen uit de revolutie verwijderd waren geworden, had de democratie hierdoor de revolutie ontmand en de geweldige volksdrang geworgd. De revolutie van 1905 mislukte niet in de eerste plaats omdat het tsarisme te machtig was, maar omdat zij door haar enge politieke instelling niet in staat was, de grote massa's van het volk mee te krijgen. Slechts een deel van het stadsproletariaat had er zich bij aangesloten, terwijl de boeren in overgrote meer-derheid niet in beweging kwamen. Het tsarisme, dat reeds tot concessies bereid was. kwam spoedig weer tot zichzelf, toen het de situatie goed doorzag en sloeg deze halve revolutie neer. De vertegenwoordigers van de socialistische democratie, die de beweging geleid hadden, vluchtten naar het buitenland. Zulk een leerschool echter, als dit neerslaan van de revolutie, kon hun niet spoorloos voorbijgaan. De linkervleugel van de democratie, namelijk de bolsjewisten, hadden de les ter harte genomen. Zij hadden opgemerkt, dat er in Rusland geen sprake kon zijn van een zuiver politieke revolutie, — dat het sociale vraagstuk in de massa's brandend was en dat een zegevierende revolutie in Rusland slechts denkbaar was als sociale beweging van arbeiders en boeren. De imperialistische oorlog van 1914 tot 1917 kon zulk een instelling van de revolutie alleen maar versterken en bevestigen. Hij onthulde het ware gelaat van de democratie en toonde aan, dat de monarchie de democratie waard was en omgekeerd; dat de één zowel als de ander uitbuiter en moordenaar van de massa bleek te zijn. Had in 't vooroorlogse Rusland de basis voor een politieke revolutie ontbroken, — de imperialistische oorlog verstikte zelfs elke gedachte eraan.

Als door een vuurzone is de wereld en de huidige maatschappij reeds lang in twee principieel elkaar vijandige kampen gescheiden — in kapitaal en arbeid; het politieke onderscheid tussen de verschillende uitbuitersstaten is vervaagd. De val van het kapitalisme als de basis van de knechtschap, — dat is de gedachte, waardoor de massa's uitsluitend beheerst worden, zo vaak zij het oog op de revolutie richten. Zij staan volkomen onverschillig tegenover de politieke omwentelingen van de laatste jaren. Zo ziet de werkelijkheid in Rusland er uit. Datzelfde geldt ook voor West-Europa en Amerika. Dit niet willen zien en erkennen zou gelijk staan met noodlottige achterlijkheid.

Het bolsjewisme heeft deze zijde van de werkelijkheid juist gezien en zijn politiek program snel hervormd. Het voorvoelde de komende massa-revolutie in Rusland, die het op de grondslagen van de hedendaagse maatschappij voorzien had op landbouw-, handels- en industriekapitaal, — het zag in, dat de klasse van de bezitters in stad en dorp door het noodlot getekend was en trok hieruit de conclusies: is dat zo, — is een geweldige sociale ontploffing in Rusland niet te vermijden, dan moet de democratie haar historische taak op grond van deze explosie verwezenlijken. Zij moet de revolutionaire krachten van het volk weten te gebruiken, moet bij de omverwerping van de bourgeoisie aan de spits gaan, de regeringsmacht tot zich trekken en het gebouw van haar heerschappij op de grondslagen van het staatssocialisme optrekken. Dat was ook, wat het bolsjewisme met succes in de loop van de revolutionaire voor-Oktober- en Oktoberbeweging klaarspeelde. Geheel de verdere werkzaamheid van het bolsjewisme in het raam van de Russische revolutie zal niet meer zijn, dan een gedetailleerde verwerkelijking van de staatsoverheersing door de democratie.[1]

Zonder twijfel is het bolsjewisme een historische verschijning in het Russische en internationale leven. Het brengt niet alleen een sociale, maar ook een psychologische type tot uitdrukking. Het heeft een numeriek sterke groep persoonlijkheden op de voorgrond geplaatst, die taai zijn, ge-biedend optreden, — wien elke maatschappelijke of morele sentimentaliteit verre is en die in de strijd om de macht voor geen enkel middel terugdeinzen. Het heeft ook een leider, die met deze groep overeenkomt, voortgebracht. Lenin[2] is niet alleen partijleider, maar hij is, wat nog veel belangrijker is, de leider van een heel bepaald psychologisch type mens. In hem is dit type het meest volkomen en sterk tot uitdrukking gekomen en hierdoor wordt de keuze en groepering van de offensieve krachten van de werelddemocratie bepaald. De principiële karaktertrek van het bolsjewisme is: doorzetting van eigen wil door gewelddadige opzijzetting van de wil van anderen; absolute onderdrukking van de persoonlijkheid en de gelijkstelling daarvan aan een zielloos voorwerp. — Het is makkelijk, aan deze kentekenen de oude heersersnatuur van de mensen te onderscheiden. En inderdaad, — het bolsjewisme documenteert zich in de loop van de Russische revolutie uitsluitend met gewelddadigheden. Er is geen spoor te vinden van het levensbeginsel van de toekomstige, waarachtig sociale revolutie — namelijk van de werkhonger, het verlangen te werken, zonder armen, schouders en rug te ontzien — te werken met alle ter beschikking staande krachten, zodat men om de wille van het volksbelang al het andere om zich heen vergeet. Al de plaats gehad hebbende geweldige en hardnekkige inspanningen bepaalden zich tot het scheppen van machtsorganen, die zich ten opzichte van het volk in niets van de voormalige, autoritaire dreigingen en willekeurigheden onderscheidden.

Wij willen een ogenblik stilstaan bij de omvormingen, die het bolsjewisme bracht in het leven van de arbeiders en de boeren in overeenstemming met zijn communistische ideologie.

De nationalisering van industrie, land, stadswoningen en handel en het kiesrecht van arbeiders en boeren, — dat zijn de grondslagen van het zuivere bolsjewistische communisme. De “nationalisering” vindt zijn uitdrukking in de volkomen verstaatsing van alle vormen van volksleven. Niet slechts de industrie, het transport- en opvoedingswezen, hospitalen en voedselvoorziening werden tot staatseigendom, maar ook de gehele arbeidersklasse; elke arbeider apart, zijn arbeid en energie, de vakverenigingen en coöperaties van de arbeiders en boeren werden eveneens aan de staat gebracht. De staat is alles, de enkele arbeider niets. Dat is het voornaamste gebod van het bolsjewisme. Gepersonifieerd echter wordt de staat door beambten en feitelijk hebben deze alles te betekenen, de arbeidersklasse daarentegen niets.

De nationalisering van de industrie bevrijdde de arbeiders uit de handen van enkele kapitalisten, maar leverde hen uit aan de nog taaier toegrijpende handen van een alomtegenwoordige uitbuiterkapitalist, namelijk de staat. De betrekkingen tussen de arbeider en deze nieuwe werkgever zijn precies dezelfde gebleven, alleen met dit verschil, dat de communistische werkgever, d.w.z. de staat, de werkenden niet alleen uitbuit, maar ze ook straft, omdat deze beide functies — uitbuiting en straf — in hem alleen verenigd zijn. De verkoop van de arbeidskracht bleef precies in dezelfde vorm als vroeger bestaan en nam het karakter van een verplichting tegenover de staat aan. De vakverenigingen verloren al haar natuurlijke rechten en werden tot politionele controleorganen over de arbeidersmassa's. De vaststelling van de tarieven, van het arbeidsloon, aanstelling en ontslag van arbeiders, de algemene leiding van de ondernemingen, de werkindeling in de verschillende bedrijven, enz. — dat alles is het monopolie van de partij, haar organen of agenten. De rol van de vakverenigingen op dit, zowel als op alle overige gebieden van de productie is een zuiver dienstbare: zij moeten de reeds vastgestelde partijresoluties, waartegen niet geprotesteerd mag worden en waar ook niets aan veranderd mag worden, onderschrijven.

Het is duidelijk, dat hier eenvoudig in plaats van het private kapitalisme het staatskapitalisme getreden is. De communistische nationalisering van de industrie vormt een nieuw type van productieverhouding, waarbij de economische knechting en afhankelijkheid van de arbeidersklasse in één hand, namelijk die van de staat, geconcentreerd blijkt. Hierdoor wordt de toestand van de arbeidersklasse in 't minst niet verbeterd. Algemene arbeidsplicht (van de arbeiders natuurlijk) en militarisering van de arbeid, — dat is de geest van de genationaliseerde fabriek. Een voorbeeld moge dat verduidelijken. In augustus 1918 heerste er opwinding onder de arbeiders van de vroegere Prochorowse manufactuurwarenfabriek in Moskou wegens ontoereikende lonen en het op de fabriek heersende politieregime; de arbeiders dreigden met verzet. Ze hielden enige vergaderingen in de fabriek, jaagden het fabriekscomité, dat tegelijkertijd partijcel was, uiteen en namen in afrekening op hun arbeidsloon een deel van de vervaardigde waren. De leden van het centraal bestuur van het verbond van textielarbeiders beschouwde de kwestie, nadat de arbeiders elk onderhoud met hen afgewezen hadden, als volgt: het gedrag van de Prochorowse arbeiders werpt een schaduw op het gezag van de Sovjetregering; een nog scherper optreden van de arbeiders zou de Sovjetregering in de ogen van de arbeiders van andere ondernemingen te schande maken; dit mag niet geduld worden, daarom moet de Prochorowse manufactuurfabriek gesloten, de arbeiders ontslagen en een kommissie ingesteld worden, die daar een duurzame toestand scheppen zal; dan eerst moet een nieuwe arbeidersbezetting aangesteld worden. Zo geschiedde het ook. De vraag doet zich voor, wie dan deze drie of vier mensen waren, die over het lot van een veel-duizendkoppige arbeidersmassa vrij konden beslissen? Was hun die positie door de massa gegeven? Niet in 't minst. Zij waren door de partij benoemd en daarop berustte hun macht. Het gegeven voorbeeld is er een uit duizenden. Als in een waterdroppel spiegelt zich hierin af de rechteloosheid van de arbeidersklasse bij genationaliseerde productie. Wat blijft er voor de arbeiders en hun organisaties over? Een zeer schamel deel — het recht voor deze of voor gene afgevaardigde van de Sovjets, die volkomen aan de partij onderhevig zijn, te stemmen.

De toestand van de werkende bevolking in het dorp is nog veel slechter. De boeren hebben het genot van de landerijen van de vroegere landgoedeigenaars, van de vorsten en andere grootgrondbezitters. Het was echter niet de communistische regering, maar de revolutie, die hun deze zegen ten deel deed vallen. Tientallen jaren hadden zij stormachtig naar land verlangd en in het jaar 1917 hadden zij er bezit van genomen, nog voor de Sovjetregering georganiseerd was. Wanneer het bolsjewisme in de vraag van de landonteigening het standpunt van de boeren innam, dan deed zij het uitsluitend omdat er voor haar geen andere mogelijkheid was, de grond-bezittende bourgeoisie ten val te brengen. Er volgt echter in 't geheel niet uit, dat de nu volgende communistische regering van plan was, de boeren het land te laten. Integendeel: het ideaal dier regering is het organiseren van een alomvattend landbouwsysteem, dat steeds weer aan de éne werkgever, namelijk de staat, onderhorig is. Sovjetlandbouwbedrijven, waar door gehuurde arbeiders en boeren gewerkt wordt, dat is het ideaal, dat de communistische regering nastreeft, om de aan-de-staat-brenging van geheel de landbouw te bewerkstelligen. Zeer duidelijk en eenvoudig hebben zich de bolsjewistische leiders lang na de eerste revolutiedagen hierover uitgesproken. In nummer 13 van de “Communistische Internationale” worden in de agrarische kwestie betreffende resolutie (op pag. 2435—2445 van de Russische uitgave)[3] nauwkeurige aanwijzingen betreffende de organisatie van de staatslandbouw in de aangegeven zin gegeven. In dezelfde resolutie heet het, dat men de organisatie van collectieve landbouwbedrijven (dit moet luiden: staatskapitalistische) trapsgewijze en met de grootste voorzichtigheid ter hand te nemen heeft. Dat is zonder meer begrijpelijk, omdat de plotselinge overgang van vele miljoenen boeren uit de stand van zelfstandige bezitters in die van huurlingen van de staat, een gevaarlijke storm oproepen zou, die voor de communistische staat een catastrofe zou kunnen zijn. De concrete opbouwende arbeid van de communistische regering in het dorp beperkte zich aanvankelijk uitsluitend tot de gedwongen uitvoer van levensmiddelen en ruwe grondstof uit vlekken en dorpen en tot de strijd tegen de boerenbeweging, die hiervan het gevolg.

De politieke rechten van de boeren beperkten zich tot de verplichting, dorps- en districtssovjets te organiseren, die geheel ondergeschikt waren aan de partij. Daarbuiten hebben de boeren geen andere rechten. De in de miljoenen lopende boerenbevolking van een willekeurig gouvernement, zou, op de politieke weegschaal gelegd, minder wegen dan elk willekeurig gouvernementscomité van de partij. Kort gezegd: in plaats van enig recht kunnen we slechts een ten hemel schreiende rechteloosheid van de boeren vaststellen.

Het sovjet-staatsapparaat is zo gebouwd, dat alle leidinggevende draden in de handen van de “democratie” uitlopen, die zich valselijk voor de voorhoede van het proletariaat uitgeeft. Onverschillig op welk gebied van de staathuishouding we ons begeven, overal zullen wij op de leidende punten steeds de onveranderlijke, alomtegenwoordige democraat aantreffen.

Wie zijn het, die beslissende invloed op kranten, tijdschriften en andere uitgaven hebben? Politiekers zijn het, die afkomstig zijn uit de bevoorrechte democratische kliek.

Wie zijn het, die in zo centrale bladen, die zich de leiding van het wereldproletariaat aanmatigen, schrijven (als dat de “Iswestya”, van de Al-Russische centrale executieve, — de “Communistische Internationale” of het orgaan van het centrale Comité van de partij doen?)? Uitsluitend groepen, die uit zorgvuldig uitgelezen intelligente democraten samengesteld zijn.

Door wie worden de politieke organen geleid, die, zoals reeds hun naam aangeeft, niet voor arbeidsdoeleinden, maar voor de politiek, voor de heerschappij georganiseerd worden? In wiens handen bevinden zich het Centraal Comité van de partij, de “Sownarkom” (sovjet van volkscommissarissen), de “Wzik” (Al-Russische centrale executieve) enz.? Uitsluitend in de handen van diegenen, die in de politiek, vreemd aan elke arbeid, groot geworden zijn en die het woord “proletariaat” precies zo uitspreken, als een of ander ongelovig priester de lege naam van “god” uitspreekt. En in die handen bevinden zich ook alle economische organen van 't land, van de “Sownarchos” af tot de geringste van de Comités of centralen toe.

Zo zien wij dan, dat de gehele sociale groep van de democratie de leidende plaatsen in de staat bezet houdt. De geschiedenis van de mensheid kent geen voorbeeld, dat een bepaalde sociale groep, die haar eigen klassebelangen gediend heeft en haar eigen klasseweg gegaan is, de werkersklasse genaderd is, om deze te helpen. Neen, steeds nog naderden zulke groepen het volk, om het aan zich dienstbaar te maken. De groep van de democratie maakt op deze algemene sociale wet geen uitzondering. Integendeel — ze bevestigd die op volkomen wijze.

Wanneer zich in de communistische staat enige arbeiders op leidende posten bevinden, dan is dat alleen maar zo ter bevestiging van het knechtschapssysteem: zij zijn het, die aan de democratische regering de illusie van het volkseigene moeten geven en wij moeten daaraan cementerende, bindende betekenis in de autoritaire opbouw van de socialistische democratie toekennen. Hun rol is bijzakelijk en hoofdzakelijk van uitvoerende aard. Bovendien worden hun op kosten van de overige geknechte massa privilegies toebedeeld en zij worden uit het milieu van de zogenaamde “bewuste arbeiders” aangeworven, d.w.z. uit die arbeiders, die de grondslagen van het marxisme en van de socialistische beweging van de intelligentsia zonder enige kritiek aanvaard hebben.

De arbeiders en boeren in de communistische staat worden sociaal geknecht, economisch uitgebuit en zijn politiek rechteloos. Dat is echter nog niet alles. Nadat het bolsjewisme het beginsel van de algemene verstaatsing aanvaard had, moest het ook zijn hand op het geestelijk leven van de werkenden leggen. En inderdaad zal het moeilijk zijn, een land te vinden, waar het denken van de arbeiders zo absoluut onderdrukt wordt, als in de communistische staat.[4] Onder het voorwendsel van strijd tegen de bourgeoise en contrarevolutionaire ideeën werd de gehele pers van niet-communistische richting vernietigd, al werd die pers ook door brede massa's van het proletariaat gedragen en ondersteund. Het is niemand toegestaan, overluid uit te spreken, wat hij denkt. Zoals het bolsjewisme het sociaaleconomische leven van het land in overeenstemming met zijn program heeft georganiseerd, — zo heeft het ook het geestelijke leven van het volk in het kader van dit program geperst. Het levende terrein van volksgedachten en zoeken is tot een duistere kazerne geworden, waar partijdril en partijdogma heersen. Denken en voelen van het proletariaat wordt in de partijschool volbracht. Elk streven, over deze schoolmuur heen te kijken, wordt schadelijk en contrarevolutionair verklaard.

Maar zelfs dat is nog niet alles. Zulk een verminking van de revolutie en haar uitzichten, zoals dit door het bolsjewisme middels zijn dictatuur plaats vindt, kon niet plaats vinden zonder protesten van de zijde van de massa en zonder dat pogingen gedaan worden, tegen deze verminking te verzetten. Deze protesten voerden echter niet tot enige verzwakking van de politieke druk, maar juist tot diens versterking. De langdurige periode van de regeringsterreur, waardoor Rusland in één grote kolossale gevangenis veranderd werd, waar de vrees voor deugd en de leugen voor plicht gold, begon erdoor. Onder de druk van die politieke terreur, door de regering uitgeoefend, liegen de volwassenen, liegen de nog lerende half-volwassenen, liegen kinderen van 5 tot 7 jaar!

De vraag rijst, hoe het mogelijk was, dat zich in de communistische staat zulk een onmogelijke sociale, politieke en morele toestand gevormd heeft. Zou de socialistische democratie feitelijk erger zijn dan haar voorloopster, de kapitalistische bourgeoisie? Zou zij werkelijk niet eens die bedrieglijke vrijheden toestaan willen, die het de bourgeoisie van Europa en Amerika mogelijk maken, de schijn van evenwicht in hun staten te bewaren? Het gaat hier om andere dingen. Ofschoon de klasse van de democratie haar zelfstandig bestaan voert, was zij in materieel opzicht tot het laatste ogenblik toe straatarm. Door deze omstandigheid kon zij in de eerste dagen van haar politiek optreden niet die eenheid en algemene verbondenheid in zichzelf vinden, die de heersende klassen anders dank zij haar bevoorrechte materiële omstandigheden wel eigen is. Deze democratie had slechts een strijdtroep op de voorgrond kunnen brengen in de vorm van de communistische partij; deze partij nu was in de loop van meer dan drie jaar gedwongen, in het geweldige werk van de opbouw van het nieuwe staatswezen met haar eigen krachten uit te komen. Daar nu de communistische partij geen natuurlijke ruggensteun had, noch in een van de klasse van de bestaande maatschappij, nog bij de arbeiders of bij de boeren, — ook niet bij de adel of in de bourgeoisie (de democratie zelf telde, daar zij economisch niet georganiseerd was, niet mee) — moest zij noodgedwongen tot terroristische maatregelen komen en een regiem van algemene knechtschap invoeren. In samenhang met het hier besproken terroristische optreden van het bolsjewisme in Rusland wordt het begrijpelijk, waarom de communistische regering zo onverbloemd en overhaast uit de communistische partij, de toppen van het beambtendom en de commandatuur van het leger die nieuwe bourgeoisie tracht te verwekken en te consolideren. Zij heeft dit nodig als natuurlijke voedingsbodem, waaruit ze haar levenssappen trekt — als voortdurende ruggensteun in haar klassenstrijd tegen de werkende massa's.

De gehele, door ons hier genoemde communistische opbouwwerkzaamheid, die de arbeiders en boeren niets anders dan knechting brengt, verklaren wij niet met de fouten en vergissingen van het bolsjewisme, maar vanuit zijn bewust streven, de massa's te knechten en vooral vanuit zijn autoritair uitbuitend wezen. De vraag is nu, wat was het dan eigenlijk, dat het deze, aan de werkende massa's vreemde en vijandig gezinde groep mogelijk maakte, de leiding over de revolutionaire krachten van het volk te krijgen, in diens naam tot macht te komen en de eigen heerschappij ook stevig te verankeren?

Hiervoor zijn twee gronden aan te geven: de uiteengeslagen, ongeorganiseerde toestand van de massa's in de revolutiedagen en het bedrog op die massa's gepleegd door de socialistische leuzen.

De tot 1917 bestaande vakverenigingen van de arbeiders en boeren bleven ver ten achter bij de oplaaiende revolutionaire stemming. De revolutionaire stroom van de massa's trad ver buiten de beddingen dier organisaties; deze werden overstroomd tot ver buiten de oevers. De arbeiders en boeren stonden nu oog in oog voor de sociale revolutie zonder de noodzakelijke ruggensteun te hebben in eigen klasse-organisaties. Zijde aan zijde met hen echter werkte de voortreffelijk georganiseerde socialistische partij van de Bolsjewiki. Samen met de arbeiders en boeren nam zij direct deel aan de neerwerping van de industriële en agrarische bourgeoisie, riep de massa's hiertoe op en verzekerde, dat deze revolutie de laatste sociale revolutie zijn zou, die voor alle geknechten het vrije rijk van socialisme en communisme ontsluiten zou. De in de politiek onervaren grote massa scheen dit de zuiverste waarheid te zijn. En de omstandigheid, dat de communistische partij aan de vernietiging van het kapitalistische regiem deelgenomen had, wekte een zeker vertrouwen in haar. De laag van geestelijke dragers van de democratische idealen was steeds zo dun, dat de massa zich nooit van 't bestaan daarvan als van een bepaalde maatschappelijke categorie bewust was. Zo kwam het, dat zij op ’t ogenblik van de ineenstorting van de bourgeoisie niemand dan zichzelf zagen, die de open plaats in zou kunnen nemen. In werkelijkheid echter trad haar toevallige en bedrieglijke leider op die plaats en dat was het in de politieke demagogie zeer ervaren bolsjewisme.

Zonder gewetensbezwaren bediende het bolsjewisme zich van het revolutionaire streven van de arbeiders en boeren naar vrijheid, gelijkheid en sociale onafhankelijkheid en het verstond het, met buitengewoon meesterschap in plaats van deze ideeën de ideologie van de sovjetmacht te schuiven.

In vele plaatsen van het revolutionaire Rusland werd in de eerste dagen van de Oktoberomwenteling de idee van de Sovjetmacht opgevat, alsof dit ging om een lokaal, maatschappelijk-economisch zelfbestuur.

Dank zij de revolutionaire energie en de demagogische verwarring van de revolutionaire idee van de arbeiders met de eigen politieke machtsstreving trok het bolsjewisme de massa’s tot zich en buitte dit vertrouwen in de meest uitgebreide zin uit.

Het ongeluk bestond daarin, dat de massa de leer van het socialisme en het communisme als één geheel eenvoudig aannam, zoals het volk nu eenmaal steeds de ideeën van waarheid en gerechtigheid ten goede opneemt. Intussen was de waarheid in deze leerstellingen niets anders dan een lokaas, een mooie, de volksziel opwindende belofte. De hoofdzaak in dit systeem, als in alle andere staatssystemen was, de kracht en de arbeid van het volk onder bereik van een kleine, maar goed georganiseerde groep nietsdoeners te brengen.

In de storm van de gebeurtenissen in Rusland en de Oekraïne, in het geweldig aantal politieke, militaire en andere operaties werd het feit, dat een nieuwe groep uitbuiters aan de macht gekomen was, door de brede massa van het volk direct niet bemerkt. Dat kwam, doordat dit feit ettelijke jaren nodig had, om zich ten volle door te zetten. Daar kwam nog bij, dat zij in ruimtelijk opzicht wijd vertakt was en heel kunstig door de erbij geïnteresseerden verborgen gehouden werd. Er was zekere tijd voor nodig, eer de brede massa's werkelijk tot bewustzijn van hun ware toestand kwamen.

In de tijd van de grote Franse revolutie, toen het feodalisme, de monarchie en de adel met vastberadenheid vernietigd werden, dachten de massa's, dat zij dit grote werk in naam van hun vrijheid verrichtten en de leidende politieke partijen in deze zaak niet meer dan helpers en vrienden waren. Eerst na jaren kwam het werkende volk tot bezinning en werd gewaar, dat er alleen maar een verwisseling van machthebbers plaatsgevonden had en dat in plaats van de adel en de koning een nieuwe heersende uitbuitersstand, namelijk de industrie- en handeldrijvende bourgeoisie gekomen was. Zulke historische feiten hebben steeds tijd nodig, om door de brede massa's werkelijk begrepen te worden.

* * *

In algemene trekken hebben wij hier het politieke en sociale karakter van het bolsjewisme, — zijn werkelijke innerlijk, getoond. In de loop van de eerste anderhalf jaar van zijn dictatuur in Rusland heeft het zijn natuur volkomen geopenbaard. Aanvankelijk werd die door enkele groepen arbeiders en boeren, later ook door de brede massa's juist doorzien. Deze jonge, van heerszuchtige begeerten overlopende macht stevende nu na de val van de hetman weer op de Oekraïne af en was absoluut van plan, daar tot elke prijs weer aan de macht te komen.

Ten tijde van de “Skoropadstsjina” hadden de Bolsjewiki in de Oekraïne niet genoeg krachten ter beschikking om in het ogenblik van de ineenstorting[5] direct de overname van de regering te organiseren. Bijna alle krachten waren op Groot-Rusland geconcentreerd en van daaruit observeerden zij de Oekraïne in afwachting van het ogenblik, dat zij zouden kunnen binnendringen en zichzelf tot heersende macht uitroepen. Daar in Groot-Rusland hield zich in de stad Koersk haar tijdelijk teruggetrokken regering in de personen van Pjatakoff, Kwiring, e.a. op. Hoe scherp ze ook de Oekraïne in ’) oog hielden, het mocht hun toch niet gelukken, direct na de val van Skoropadski derwaarts te komen en zo kwam het, dat de Petljoerowtsi als eersten de macht tot zich trokken. Deze omstandigheid echter noodzaakte hen, des te energieker militair op te treden. De atmosfeer was revolutionair en de taaltoestand tengevolge van de massale boerenopstanden uiterst verward. Onder zulke omstandigheden konden de eerste zes weken, die de Petljoerowtsi voor waren, zeer goed door de loop van de gebeurtenissen achterhaald worden. Alleen — er moest dan energiek gehandeld worden en de Bolsjewiki deden dat dan ook.

Terwijl hun regering, die zich tot dan toe in Koersk opgehouden had, naar Charkow verhuisde (dat het eerst door de opstandstroep van de anarchist Tsjerednjakow[6] bevrijd en bezet was geworden) en er zich toe zette het centrum van de burgerlijke regering te organiseren, rukten hun divisies door de reeds bevrijde rayons het hart van de Oekraïne binnen en stichtten daar langs militaire weg communistische regeringsorganen. Wij spraken van bevrijde rayons. Inderdaad was geheel het Oekraïense gebied van het gouvernement Koersk tot dat van Asow en tot aan de Zwarte Zee door de revolutionaire opstandige boeren reeds van de hetman en zijn aanhang gezuiverd. Na de val van de hetman gingen deze afdelingen weer uiteen naar hun dorpen, terwijl een ander deel naar de kust van de zee van Asow rukte, vanwaar reeds een nieuwe revolutievijand — de generaal Denikin, aan kwam rukken.

In het grootste deel van de Oekraïne bleef de Bolsjewiki niets te doen over. Daar, waar het tot treffen met de Petljoera-troepen kwam, versloegen de Bolsjewiki de laatsten en namen hun plaats in. De beslissende botsing tussen de Bolsjewiki en de troepen van Petljoera vond plaats in het rayon Kiew, dat direct, nadat het Directorium daar zijn intrek genomen had, tot centrum van de politieke werkzaamheid van de Petljoera-aanhangers en tot verzamelpunt hunner troepen geworden was. Einde januari 1919 ondernamen de Bolsjewiki een algemene aanval op Kiew. Begin februari werd dit door hen veroverd. De regering van de Oekraïense volksrepubliek trok zich, haar gewoonte getrouw, naar de Westgrenzen van de Oekraïne terug. Nu hadden de Bolsjewiki de staatsmacht in handen.

Hierbij dient opgemerkt, dat de communistische regering zowel daar, waar de Bolsjewiki het betreffende rayon met strijd veroverd en de Petljoera-troepen verdreven hadden, als daar, waar het rayon vrij was en de boeren ongehinderd leven konden, met militair geweld ingevoerd werd. De arbeiders- en boerenraden, die deze regering zogenaamd gevormd zouden hebben, kwamen eerst veel later, toen de regering reeds vaste voet had. Daarvoor waren er alleen partijpolitieke revolutie-comités geweest en voor de revolutie-comités eenvoudig legerdivisies.

Hoofdstuk V.

De Makhnovschina

De revolutionaire opstandsbeweging van de boeren en arbeiders in de Oekraïne gelijkt wel op een door de storm bewogen zee. In geheel het reuzenbassin van de Oekraïne raasden de massa's en stormden omhoog in strijd en opstand. Ze doodden de aanmatigende landgoedbezitters, de vertegenwoordigers van de regering of verdreven deze uit het land. Overheersend was het vernietigende element in de beweging. Het scheen, alsof er van positief, opbouwend werk in het geheel geen sprake kon zijn. Een duidelijk, juist omschreven opbouwplan voor een vrij leven van de arbeiders en boeren scheen de beweging nog niet te hebben. Toch kwam echter langzamerhand in het verdere verloop van haar ontwikkeling, haar uitgesproken eigen aard naar voren. Met het ogenblik van de vereniging van ’t merendeel van de opstandige stromingen onder Makhno’s leiding won de beweging aan eenheid van richting en had nu een stevige ruggengraat gekregen. Van dit ogenblik werd zij tot een goedafgeronde, duidelijk omlijnde sociale beweging, die over haar bepaalde ideologie en over een eigen opbouwplan van het volksleven beschikte. Het was de geweldigste en grootste periode van de revolutionaire opstandsbeweging, onder de naam “Makhnovshchina” bekend.

Bijzonder karakteristieke en speciale kanten van deze beweging waren: diep wantrouwen tot de niet tot de werkenden behorende of bevoorrechte groepen van de maatschappij; wantrouwende houding t.o.v. de politieke partijen; afwijzing van de dictatuur van welke organisatie dan ook over het volk; afwijzing van het staatsbeginsel; volkomen zelfbestuur van de werkenden in elke plaats of streek. Als concrete, primaire vorm van dit zelfbestuur zouden vrije raden van arbeiders en boeren georganiseerd worden. Het woord “vrij” betekende, dat zij in geen enkele afhankelijkheid, van welke centrale macht dan ook, te staan hadden en op grond van het beginsel van gelijkheid in het algemene economisch systeem ingeschakeld zouden zijn. Ze moesten op de basis van de arbeid opgebouwd zijn, — slechts werkenden tot leden hebben en de wil en het belang van de werkenden dienen, zonder aan enige politieke organisatie plaats af te staan. Dat was de banier, waaronder de Makhnovshchina in de strijd ging.

De Makhnovshchina ontstond in stormachtige tijden van de Oekraïense geschiedenis, namelijk in de zomer van 1918, toen geheel de boerenbevolking zich in opstand bevond. Van de eerste dag van haar bestaan af tot de laatste toe heeft zij geen enkele dag van vrede beleefd. Tengevolge hiervan geschiedde haar groei en ontwikkeling op heel bijzondere tweevoudige wijze: eerstens doordat haar principiële grondideeën in de brede massa doordrongen en ten tweede door de voortdurende groei en uitbouw van de strijdkrachten. De oorlogstoestand van de Oekraïne bewerkstelligde, dat de flinkste organisatorische elementen van de beweging het leger toestroomden. Dit werd onwillekeurig tegelijkertijd tot bewapende zelfbescherming van de boeren en tot leider van de gehele beweging, de revolutionaire voorhoede incluis. Het opende de aanval op de contrarevolutie van de grootgrondbezitters, — het leger was het, dat het plan van de offensieven uitwerkte en de juiste leus voor elk ogenblik vond. Hierbij was het echter nimmer een kracht, die zichzelf genoeg was. Steeds schepte zij de revolutionaire ideeën uit de brede massa's, wier belangen zij beschermde. En de massa van de boeren harerzijds beschouwden het voortdurend als het eigenlijk leidinggevend orgaan.[1]

De verhouding van de Makhnovshchina tot de rijksregering, tot de politieke partijen, tot de niet-werkende bevolkingsgroepen werd ook die van de boeren tot de genoemde groepen. En omgekeerd, — de belangen van het armste deel van boeren en arbeiders, hun leed en zorgen, werd gelijktijdig het leed en.de zorg van de Makhnovshchina. Zo ontwikkelde zich dan onder wederkerige beïnvloeding de Makhnobeweging, die spoedig daarop tot een geweldige sociale verschijning in het Russische leven zou worden.

* * *

Makhno's afdelingen ondernamen in oktober en November 1918 overal aanvallen op de contrarevolutie van de hetman Skoropadski. Omstreeks deze tijd waren de troepen van de Duitsers en Oostenrijkers onder de invloed van de politieke gebeurtenissen, die zich in hun vaderland afgespeeld hadden, reeds voldoende murw; zij hadden alle energie en kracht verloren. Deze omstandigheid wist Makhno zich ten nutte te maken. Hij onderhandelde in neutrale zin met die delen dezer legers, die met revolutionaire geest besmet waren. Zulke troependelen waren steeds gemakkelijk te ontwapenen, wat de Makhnovshchi hunnerzijds steeds benutten, om zichzelf op hun kosten te bewapenen. Wilde het niet goedschiks lukken, met de Oostenrijkers en Duitsers tot overeenstemming te komen, dan drong Makhno met geweld vooruit. Na hardnekkige driedaagse strijd veroverde hij ten laatste Goeljaj- Pole. Hier zette hij zich definitief vast en organiseerde zijn legerstaf. Overal voelde men het aankomen, dat de macht van de hetman spoedig ineen zou zakken en in massa's stroomden de jonge boeren Makhno toe. Omstreeks deze tijd bestond zijn leger reeds uit enige infanterie- en cavalerieregimenten, beschikte over een eigen batterij en talrijke machinegeweren.

In dit rayon waren geen troepen van de hetman. De rijkslandweer, de zgn. “Warta”, vluchtte, toen zij de ongewone groei van het leger van de opstandigen waarnam. Zo bleef dit laatste dan alleen over in geheel het geweldige rayon. Doch in Kiew hield de hetman zich nog staande. Hierop rukte Makhno naar 't Noorden op, bezette de spoorwegknooppunten Tsjaplino, Grisjino en Sinelnikowo, — rukte dan naar Pawlograd op en wendde zich vervolgens naar het Westen tegen Jekaterinoslaw. In dit gebied volgde nu een treffen met de troepen van Petljoera.

De Petjoerowtsi, die in een hele reeks steden de macht aan zich getrokken hadden, hielden zich voor de eigenlijke meesters van ’t land. Uit een groot aantal boerentroepen formeerden zij een eigen leger en kondigden vervolgens een algemene mobilisatie af, om een regelmatig leger in dienst van de staat te scheppen. De Makhnobeweging werd door hen als een episode van de algemene Oekraïense revolutie beschouwd en zij hoopten, deze in haar invloedssfeer te kunnen betrekken en onder haar leiding te brengen. Ze stuurden Makhno een serie politieke vragen toe: hoe hij oordeelde over de Petljoerowstsjina en hoe hij dacht over de regering; wat hij voor gedachten koesterde omtrent de politieke gestalte van de Oekraïne en of hij het niet voor nuttig en nodig hield, tezamen met hen de opbouw van een onafhankelijke Oekraïne ter hand te nemen. Het antwoord van Makhno en zijn staf was kort genoeg: de Petljoerowstsjina was een zaak van de Oekraïense nationalistische bourgeoisie, waarmee zij, de boeren en revolutionairen, niets te maken hadden. De Oekraïne moest op de grondslag van het beginsel van de arbeid en de onafhankelijkheid van de boeren en de arbeiders van welke politieke macht dan ook, opgebouwd worden. Geen vereniging, maar strijd alleen kon er zijn tussen de volksbeweging van de Makhnovshchina en de burgerlijke beweging van de Petljoerowstsjina.

Spoedig daarop rukte Makhno tegen Jekaterinoslaw op, om de Petljoera-regering vandaar te verdrijven. De laatste beschikte over belangrijke strijdkrachten. Bovendien hadden de Petljoerowtsi de Dnjepr als verdedigingslinie en konden in die positie voor onaantastbaar gelden. Makhno’s troepen legerden zich daarom eerst in Nisjni-Dnjeprowsk. Daar bevond zich ook het stadscomité van de communistische pan ij. dat over de gewapende strijdkrachten van de plaats beschikte. Makhno's persoonlijkheid was in die tijd reeds in het gehele district bekend en wel als verdienstelijk revolutionair held en zeer begaafd veldheer. Het comité van de Bolsjewiki stelde hem voor, het oppercommando ook over hun arbeiders- en partijafdelingen op zich te nemen. Makhno nam dit voorstel aan.

Zoals het bij Makhno vaker het geval was, nam hij ook dit keer zijn toevlucht tot een krijgslist. Nadat hij een militaire trein met zijn troepen gevuld had, liet hij deze zgn. als een werkmanstrein over de Dnjeprbrug direct de stad inrijden. Het waagstuk was buitengewoon groot. Waren de Petljoerowtsi ook maar enkele ogenblikken te vroeg achter deze krijgslist gekomen, dan hadden ze de trein eenvoudig zonder meer kunnen aanhouden en in beslag nemen. Aan de andere zijde was het dit waagstuk, dat de Makhnovshchi de zege mogelijk maakte. De trein kwam ongehinderd in 't stedelijk station aan, waar de revolutionaire troepen direct het station en de aangrenzende stadsgedeelten bezetten. In de stad kwam het tot hevige gevechten, die met de nederlaag van de Petljoerowtsi eindigden.

Ten gevolge van onvoldoende waakzaamheid echter moest het Makhno-garnizoen na een paar dagen de stad weer in handen van de Petljoera-troepen laten, die met verse strijdkrachten uit het gebied van Saporoge aangesneld kwamen. Bij de terugtocht werd in Nisjni-Dnjeprowsk een tweetal aanslagen op Makhno ondernomen. In beide gevallen echter ontploften de geworpen bommen niet.

Het leger van Makhno trok zich in het rayon Ssinelnikowo terug. Van dit ogenblik af had zich aan de Noordwestgrens van het Makhno-rayon een frontlijn tussen de Makhno- en Petljoera-troepen gevormd. Daar de laatste echter meest uit opstandige en gewelddadig gemobiliseerde boeren bestonden, ontbonden deze zich snel, wanneer zij met de Makhno-troepen in aanraking kwamen. In korte tijd kon dit front als afgedaan gelden. Het geweldige gebied was nu van alle regeringen en troepen gezuiverd.

* * *

De aanhangers van de staat zijn bang voor het vrije volk. Ze beweren, dat een volk zonder regering het anker van de maatschappelijke ordening verliezen zou en dat het tengevolge daarvan zou uiteenvallen en verwilderen. Dat is natuurlijk pure onzin. Die bewering wordt verbreid door nietsdoeners en lieden, die het om macht of om de arbeid van andere mensen te doen is af door verblinde aanhangers van de burgerlijke orde. De bevrijding van het volk betekent inderdaad ontaarding en verwildering, maar niet van het volk, maar van degenen, die, omdat zij macht hebben of bevoorrecht zijn, van de arbeid van anderen, van hun hartenbloed, kunnen leven. Aan het voorbeeld van de Russische revolutie is te demonstreren, hoe duizenden families uit de bevoorrechte standen, die vroeger zo goed verzorgd, zo keurig gekleed en zo welgemoed waren, vervielen en verwilderden. Door de revolutie raakten ze hun dienstpersoneel kwijt en het duurde niet lang, meestal geen twee maanden, of ze waren al met vuil bedekt en verslonst. De bevrijding van het volk leidt tot verwildering van diegenen, die door de knechtschap van het volk groot geworden zijn. Het volk echter begint op het ogenblik van zijn bevrijding pas te leven en zich krachtig te ontwikkelen. De boerenmaatschappij van ’t Goeljaj-Polsker rayon bewijst dit het best. Gedurende meer dan zes maanden, van november 1918 tot juli 1919 leefde zij zonder enige uiterlijke politieke regeringsmacht; daarbij verloor zij in ’t geheel niets van de maatschappelijke samenhang uit haar midden — integendeel, zij schiep een nieuwe, hogere maatschappijvorm, namelijk de vrije arbeidersgemeenschap en de vrije raden van de werkenden.

Na de verdrijving van de landgoedbezitters was het land inderdaad in de handen van de boeren. Velen van hen zagen echter heel goed in, dat de zaak daarmee niet opgelost was, dat het niet voldoende was, een stuk land in beslag te nemen en daarmee tevreden te zijn. Het ruwe leven leerde hun, dat zij rondom door vijanden omgeven waren, en dat zij zich aaneen moesten sluiten. Op vele plaatsen werd de poging ondernomen het maatschappelijk leven te vergemeenschappelijken. Ondanks de vijandige houding van de boeren t.o.v. de staats-communes ontstonden in 't gebied van Goeljaj-Pole vele boeren-communes, die zich “werkers”- of “vrije” communes noemden. Zo ontstond in de nabijheid van het dorp Pokrowskoje de eerste vrije Pokrowsker commune, Rosa Luxemburg-gemeenschap geheten. Deelnemers van die communes waren in de regel de armsten van de armen. Eerst sloten zich enige dozijnen aan, later groeide het aantal tot driehonderd en meet. Deze commune was door de armste boeren gesticht en de naamgeving bewees reeds, dat de stichters door generlei partijgeest bezield waren. Ze eerden in deze naam de martelares van de revolutie. Het innerlijke leven van de commune echter had niets met de leer gemeen, waarvoor Rosa Luxemburg gestreden had. Dit leven grondvestte zich op beginselen, die van geen regeringsgeweld weten wilden. Hoe meer het zich ontwikkelde en groeide, des te groter invloed had het op geheel het boerendom van de plaats. De communistische regering deed een poging, het interne leven van de commune leven binnen te dringen, echter de toegang werd haar ontzegd. De commune noemde zich uitdrukkelijk een vrije werkers-gemeenschap, die van geen machthebbers weten wilde.[2] Zeven kilometer van Goeljaj-Pole verwijderd had zich op een voormalig landgoed een gemeenschap gevormd, waarin de arme boeren van Goeljaj-Pole zich aaneengesloten hadden. Deze commune heette eenvoudig: commune no. 1 van de Goeljaj-Polsker boeren. Twintig werst verder volgde dan commune no. 2 en no. 3; ook in vele andere plaatsen ontstonden armen-gemeenschappen. Natuurlijk waren er in het algemeen gesproken niet veel en werd er maar een minderheid van de bevolking door omvat, voor alles diegenen, die geen vaste en gemakkelijke maatschappelijke bodem onder de voeten hadden. Maar het meest waardevolle ervan was, dat zij op eigen initiatief van de arme boeren zelf ontstaan waren. Sporen van het werk van de Makhnovshchi waren er alleen maar in zoverre bij aan te wijzen, dat deze in het rayon voortdurend propaganda maakten voor vrije communes.

De communes ontstonden niet uit eigenzinnigheid of om een voorbeeld te geven, maar uitsluitend, omdat zij een levensnoodzaak waren voor die boeren, die vóór de revolutie niets bezeten hadden en nu ná de revolutie zich opmaakten, hun leven op gemeenschappelijke basis in te richten. Het was heel iets anders dan de kunstmatige communes van de communistische partij, waarin gewoonlijk toevallig bij elkaar geschraapte elementen werkten, die zaaigoed en grond verknoeiden, zoveel mogelijk hulp van de staat trachtten te krijgen en zo eigenlijk leefden ten koste van het volk, dat hun aan werk helpen wilde. Hier ging het om werkelijke boerengemeenschappen, die uit de arbeid geboren waren en juist deze arbeid van zichzelf en van anderen naar waarde wisten te schatten. In deze communes werkten de boeren voor al het andere en waren erop bedacht, zichzelf hun dagelijks levensonderhoud te verschaffen. Bovendien vonden zij erin de nodige morele en fysieke ondersteuning. Het diepe beginsel van kameraadschap en broederlijkheid werd in de communes doorgevoerd. Mannen, vrouwen en halfvolwassenen, kortom allen, waren verplicht, naar de mate hunner krachten mee te werken. Het organisatorische werk werd aan één of twee kameraden opgedragen, die, na afloop van deze arbeid, toch samen met de andere leden van de commune het dagelijks werk mee moesten verrichten. Zonder twijfel hebben die communes deze kentekenen, omdat zij door de werkenden zelf gesticht werden en zich hun ontwikkeling langs natuurlijke weg voltrok.

Maar uit deze kiemen van vrij communisme was nog lang niet geheel het economisch en maatschappelijk leven van de boeren opgebouwd. Integendeel, — deze kiemen begonnen zich pas te ontvouwen. Onafhankelijk hiervan eiste de politieke toestand van de boeren gemeenschappelijke inspanning en gemeenschappelijk scheppen op een ander gebied. Het was noodzakelijk een aaneensluiting, niet alleen in dit of dat dorp, maar in gehele districten en gouvernementen, die tot het vrijgeworden gebied behoorden, te bereiken. Noodzakelijk moest een gemeenschappelijk besluit in vele kwesties, die voor 't gehele gebied van gelijk belang waren, genomen worden. Voor dit doel moesten de juiste organen geschapen worden; en de boeren aarzelden niet, dit te doen. De rayoncongressen van de boeren, arbeiders en opstandigen werden tot zulke organen. Zolang de vrijheid bestond, hebben er drie zulke congressen in 't rayon plaats gevonden. Hier gelukte het dc boeren, zich aaneen te sluiten, een blik op de gehele situatie te werpen en het met elkaar over de naastliggende maatschappelijke en politieke taak eens te worden.

Direct al op het eerste rayoncongres, dat op 23 januari 1919 in het dorp Groot-Michailowka plaats vond, richtten de boeren hun aandacht op het dreigende gevaar van de contrarevolutie van Petljoera en Denikin. De Petljoerowtsi organiseerden in het land een nieuwe staatsvorm. Onder de bedrieglijke leus, dat het land verdedigd moest worden, gelastten zij een algemene mobilisatie, waardoor het volk de strop van een nieuwe slavernij om de hals geworpen werd. De revolutionaire boeren van het gehele Asow-gebied besloten, energiek tegen dit gevaar te strijden. Zij organiseerden enige afdelingen en kommissies en stuurde die naar het rayon van het Petljoera-directorium om daar dc brede volksmassa's in te lichten omtrent het gehele bedrog van de nieuwe democratische regering, en hen tot verzet tegen de regering, tot boycot van de afgekondigde mobilisatie en tot doorvoering van de opstand tot de volledige neerwerping dezer regering toe, op te roepen.

Een nog groter gevaar voor het vrije gebied waren Denikin en zijn troepen. Deze grepen de Russische revolutie in al haar verschijningsvormen aan en vormden één van de stromen dier algemene contrarevolutie, die het zich tot taak gesteld had, de ineengestorte monarchie weer op te richten. Deze contrarevolutie had direct na de omverwerping van het tsarisme, toen de adel weer enigermate tot bezinning gekomen was en tijd had gevonden eens rond te zien, het levenslicht aanschouwd. De generaals Kornilow, Kaledin, Krasnow, Alexejew, Koltsjak en Denikin waren leiders van de algemene monarchistische contrarevolutie in Rusland. Zij waren levende stukken van de gevallen monarchie. Ofschoon nu velen van hen tot democratische leuzen hun toevlucht namen en bijeenroeping van de constituante in hun vaandels schreven, deden zij dit toch alleen maar uit tactische overwegingen.

Terwijl zij de tijd hun tol betaalden, hoopten zij op deze wijze des te beter de eerste stappen te kunnen doen voor de restauratie van de monarchie. Republikeinse geest was hun volkomen vreemd.

Het tweede rayoncongres van de boeren, arbeiders en opstandigen daagde drie weken na het eerste en wel op 12 februari 1919 in het dorp Goeljaj-Pole. Op dit congres werd over het naderende gevaar van de Denikinse contrarevolutie uitvoerig gesproken. Het leger van deze laatste bestond uit contrarevolutionaire elitetroepen, namelijk beroepsofficieren en de vroegere kozakken. De boeren wisten heel goed, hoe de strijd tussen hen en dit leger gestreden zou moeten worden. Daarom namen zij direct maatregelen tot versterking hunner zelfverdediging. Het opstandigenleger van Makhno had toentertijd een gevechtssterkte van 20.000 vrijwilligers. Velen daarvan waren zeer uitgeput en verzwakt, daar zij de afgelopen vijf of zes maanden bijna aan één stuk hadden moeten vechten. Intussen groeide de macht van Denikin zienderogen aan en naderde als een geweldige dreigende donderwolk het vrije gebied. Met het oog op deze omstandigheid werd op het tweede congres besloten, een algemene, vrijwillige mobilisatie van de laatste tien jaargangen te organiseren. Opzet was een vrijwillige mobilisatie waarbij men rekende op het geweten en de goede wil van ieder enkeling. De congresresolutie betreffende deze mobilisatie had slechts deze betekenis, dat het congres met zijn gezag de noodzakelijkheid beklemtoonde, dat nieuwe strijders zich bij het opstandelingenleger zouden voegen.[3]

Nauwelijks waren de congresresoluties over de vrijwillige mobilisatie onder de boeren verspreid, of elk dorp stuurde massa's vrijwilligers naar Goeljaj-Pole, die allen de wens hadden, aan het Denikin-front te komen. Het getal strijders was enorm. Intussen waren er niet genoeg wapens en daarom gelukte het ook niet, tijdig nieuwe opstandsafdelingen te formeren. Dit had noodlottige gevolgen voor het gebied, toen Denikin in juni 1919 oprukte. Maar daarover zal later gesproken worden.

Voor de algemene leiding van de strijd tegen de Petljoerowtsi en de troepen van Denikin, verder voor het in stand houden van de inwendige verbinding, voor informatie, verantwoordelijkheid en doorvoering van de verschillende congresbesluiten werd op het tweede congres een revolutionaire oorlogsraad van het rayon uit boeren, arbeiders en opstandigen gevormd. Tot deze raad behoorden afgevaardigden van 32 districten (Wolostji) van de gouvernementen Jekaterinoslaw en Taurus en van de troepen van de opstandigen. Deze raad omvatte het gehele vrije gebied en behandelde volgens opdracht van 't congres, alle sociaal-politieke en militaire aangelegenheden en was in zekere zin het opperste orgaan van de gehele beweging. In geen enkel opzicht echter was het een autoritair orgaan. Deze raad had slechts functies van uitvoerende aard. Zijn taak was, opdrachten en besluiten van de arbeiders- en boerencongressen uit te voeren. Elk ogenblik kon hij door zulk een congres opgeheven worden en zou daarmee ophouden te bestaan.

Na de vorming van de rayon-sovjet ging het sociale werk in het rayon intensiever voort. In alle dorpen werden vraagstukken aan de orde gesteld en opgelost, die op geheel het rayon betrekking hadden. De voornaamste waren: militaire en verzorgingsaangelegenheden en het probleem van het plaatselijk zelfbestuur. We spraken reeds van de militaire maatregelen, door de boeren in verband met de ogenblikkelijke en plaatselijke toestanden getroffen. Het verzorgingsvraagstuk werd niet ten volle voor de totale bevolking van het rayon opgelost. Een meeromvattend besluit zou op het vierde rayoncongres van de boeren, arbeiders en opstandigen genomen worden; dit congres zou de 15de juni 1919 gehouden worden, doch werd door de Sovjetregering voor onwettig verklaard. Hierover zal later nog gesproken worden. Wat nu het leger van de opstandigen betreft, — de boeren namen aan, de verzorging daarvan op zich te nemen. In Goeljaj-Pole werd een centrale afdeling voor legerverzorging ingericht en hierheen werden van overal vandaan levensmiddelen en foerage aangebracht, die dan van daaruit naar het front gingen.

Wat de organen van maatschappelijk bestuur betreft, hielden de arbeiders en boeren van het gehele gebied aan de gedachte van de vrije raden van werkenden vast. In onderscheid met de politieke sovjets van de Bolsjewiki en van de andere socialisten zouden de boeren- en arbeiderssovjets organen van maatschappelijk-economisch zelfbestuur zijn. Elk dezer sovjets was als uitvoerder van de wil van de plaatselijke arbeiders en hun organisaties gedacht. Onderling hielden deze raden de noodzakelijke voeling en vormden in economisch en territoriaal opzicht hogere organen van de volksmacht.

Tengevolge echter van de overal in het rayon heersende oorlogstoestand werd het scheppen van zulke organen zeer bemoeilijkt en de organisatie ervan in definitieve vorm is geen enkel maal doorgevoerd kunnen worden. De algemene grondstellingen omtrent de vrije boeren- en arbeidersraden konden pas in 1920 gedrukt worden. Tot aan dit tijdstip echter waren in de “declaratie” van de revolutionaire oorlogsraad van 't Makhnoleger in het hoofdstuk over de vrije sovjetordening de algemene richtlijnen van de arbeiders- en boerenraden aangegeven.

Zo zien wij dan, hoe de brede massa's van de boeren en een deel van de arbeiders — na de bevrijding van het regiem van de hetman en andere machthebbers — met overleg en zakelijkheid het geweldige werk van de opbouw van een nieuw leven ter hand namen; hoe zij door verscheidene vijandelijke machten omringd, toch gezonde en juiste maatregelen troffen, om hun door het licht van de vrijheid beschenen gebied voor deze machten te beschermen. De stichting van vrije arbeidsgemeenschappen, — het streven, organen voor sociaal- en economisch zelfbestuur te scheppen, — dat waren de eerste stappen, die de arbeiders en boeren ondernamen om tot het leiden van een vrij en onafhankelijk leven te komen. Er kan geen twijfel over bestaan, of de gehele massa van de werkenden, als zij maar vrij gebleven was, zou op deze weg verder gegaan zijn; met deze opbouw was veel gezonds, eigenaardigs en wijs verbonden en óp deze wijze werd het fundament voor een werkelijk vrije arbeidersgemeenschap gelegd. Maar reeds rolde tegen dit gebied de oeroude vijand van elke arbeid en elke vrijheid aan, n.l. de macht. Vanuit het Noorden kwam het leger van de Bolsjewiki, van het Zuidoosten het leger van generaal Denikin.

Als eersten arriveerden de Denikintsi. Reeds in de periode van de strijd van de boeren tegen de hetman, vooral echter in de eerste dagen na diens val, waren van de Don en de Koeban afzonderlijke contrarevolutionaire troependelen van generaal Sjkoero in de Oekraïne doorgedrongen en deze rukten nu tegen Pologi en Goeljaj-Pole op. Dit was de eerste bedreiging van het bevrijde gebied van de zijde van de nieuwe contrarevolutie. Natuurlijkerwijs keerde zich het leger van de opstandige Makhnovshchi het eerst tegen deze opdringende vijanden. Het bestond omstreeks deze tijd uit enige voortreffelijk georganiseerde infanterie- en cavalerieregimenten. De infanterie van het Makhnoleger was een buitengewoon eigenaardige verschijning. Evenals de cavalerie rukte ook zij met paarden op, doch de manschappen waren niet bereden, maar werden vervoerd in die lichte wagens, die men in de zuid-Oekraïne “tatchanki” pleegt te noemen. Gewoonlijk trok deze infanterie in één of twee gelederen op, samen met de cavalerie in snelle draf, waarbij gemiddeld per dag 60 tot 70 werst, — wanneer het nodig was, ook 90 tot 100 werst[4] werd afgelegd.

Denikin rekende op de verwarde toestand in de Oekraïne, op de strijd van het Petljoera-directorium met de Bolsjewiki en hij hoopte, zonder veel moeite het grootste deel van de Oekraïne te kunnen bezetten en zijn frontlijn, tenminste de eerste tijd, ten Noorden van het gouvernement Jekaterinowslaw te kunnen trekken. Onverwacht stiet hij echter op de goed georganiseerde en hardnekkige troepen van de opstandige Makhnovshchi. De troepen van Denikin trokken zich na enige schermutselingen in de richting van de Don en de zee van Asow terug. In korte tijd was het gehele gebied van Pologi tot aan de zee van hen bevrijd. De Makhnotroepen bezetten een reeks belangrijke spoorwegknooppunten en de steden Berdjansk en Marioepol. Sinds die tijd (januari 1919) vormde zich hier het eerste anti-Denikinfront, — een front waaraan het Makhno-leger zes maanden lang stand hield tegen de aanvallen van de van de Kaukasus aanrukkende contrarevolutie. Later werd dit front nog ongeveer honderd werst verlengd, van Marioepol af naar het Oosten en Noordoosten.

De strijd aan dit front werd hardnekkig en verbitterd gevoerd. De Denikin-troepen bootsten Makhno’s strijdwijze na en vormden eveneens vrijscharen. Met afzonderlijke troepen cavalerie drongen zij diep in de etappestelling van ’t rayon binnen, vernielden, moordden en verbrandden wat hun in de weg kwam om dan snel te verdwijnen en op een ander punt weer op te duiken, waar dan op dezelfde wijze huisgehouden werd. Onder deze aanvallen had uitsluitend de werkende bevolking van die streken te lijden. Op deze bevolking werd wraak genomen voor het ondersteunen van het opstandsleger, voor de vijandige houding t.o.v. de Denikin-troepen, — waardoor een reactie tegen de revolutie in ’t leven geroepen moest worden. Onder deze aanvallen had ook de joodse bevolking te lijden, die van oudsher in zelfstandige kolonies in het Asowse rayon verenigd was. Bij elke overval van de Denikintsi werden jodenpogroms gehouden, waarbij men er op uit was, kunstmatig een antisemitische beweging te verwekken om zodoende de bodem voor het oprukken van ’t Denikin-leger voor te bereiden. Vooral generaal Sjkoero was het, die zich door contrarevolutionaire overvallen van deze aard onderscheiden heeft.

Vier maanden lang echter konden de Denikin-troepen, ondanks dat zij uit eersteklas soldaten bestonden en ondanks de verbittering, waarmee zij optraden, het opstandsleger niet de baas worden; dit was met revolutionair vuur bezield en in het vrijschaar-gevecht niet minder ervaren dan de Denikintsi. Integendeel — vaak genoeg moest generaal Sjkoero onder de slagen van de opstandigen snel terugtrekken op Taganrog of Rostow, dus 80 tot 120 werst terug, om zich aan een algehele nederlaag te onttrekken. In de loop van deze tijd hebben de Makhnovshchi niet minder dan vijf of zes maal voor de muren van Taganrog gestaan. De verbittering en haat van de Denikin-officieren tegen de Makhnovshchi nam ongelofelijke vormen aan. Gevangen Makhnovshchi werden gemarteld, door kanonnen in stukken gescheurd en er zijn gevallen voorgekomen, dat zij op gloeiend plaatijzer geroosterd werden (verg. “Poetj k Swobode”, no. 2—3).

In de loop van deze hardnekkige, vier maanden lang du rende strijd is de begaafdheid van Makhno als veldheer duidelijk gebleken. Zelfs zijn vijanden, de Denikintsi, moesten toegeven, dat dit zo was. Dit kon generaal Denikin natuurlijk er niet van terughouden, een half miljoen roebel te beloven aan degene, die Makhno zou doden.

De revolutionaire opstand was de poging van de volksmassa’s, nog niet verwerkelijkte ideeën van de Russische revolutie tot waarheid te maken. Ze was de organische voortzetting van de massabeweging van de arbeiders en boeren in oktober 1917 en was ten diepste doordrongen van de gemeenschappelijkheid van de doeleinden met deze beweging en van een sterk gevoel van broederlijkheid aller werkenden aller nationaliteiten en districten.

Het volgende karakteristieke feit zij vermeldt: de opstandige Makhnovshchi hadden na een reeks gevechten in het begin van 1919 de troepen van Denikin teruggeworpen tot aan de zee van Asow en bij die gelegenheid ongeveer 100 met koren beladen wagons veroverd. De eerste gedachte van Makhno en zijn staf was, al die buitgemaakte levensmiddelen naar de hongerlijdende arbeiders van Moskou en Petrograd te sturen. Deze gedachte werd door de opstandige massa's geestdriftig aanvaard. Honderd wagons koren werden, begeleid door een delegatie naar Petrograd en Moskou gezonden, waar zij door de Moskouse sovjet allerhartelijkst werden ontvangen.

* * *

De Bolsjewiki rukten veel later dan de troepen van Denikin het Makhnovshchina-gebied binnen. De opstandige Makhnovshchi hadden reeds drie maanden lang tegen Denikin gestreden, hadden hem uit hun gebied verdreven en de frontlijn Oostelijk van Marioepol gelegd. Toen eerst kwam te Ssinelnikowo de eerste bolsjewistische divisie onder leiding van Dybenko aan.

Makhno zelf en zijn revolutionaire kameraden waren de Bolsjewiki niet nader bekend. Tot daaraan toe was in de communistische pers — in Moskou zowel als in de provincie — over Makhno geschreven als van een moedig opstandeling, die veel voor de toekomst beloofde. Zijn strijd, eerst tegen Skoropadski, later tegen Petljoera en Denikin, had de bolsjewistische leiders voor hem ingenomen. Het leed voor hen geen twijfel, dat de revolutionaire Makhnotroepen, die tegen zo verschillende vijanden van de revolutie in de Oekraïne gestreden hadden, zich met het rode leger verenigen zouden. Zo kwam het, dat zij, zonder Makhno te kennen, hem reeds vooruit prezen en ook de kolommen hunner residentiebladen daaraan dienstbaar maakten. In deze geest van lofuitingen vond ook de eerste ontmoeting van het bolsjewistische commando met Makhno maart 1919 plaats. Men deed hem direct het voorstel, zich met zijn troepen bij het rode leger aan te sluiten, om Denikin met vereende krachten neer te werpen. De ideële en politieke bijzonderheden van de revolutionaire opstandelingen werden als vanzelfsprekend erkend en in elk geval zo, als konden die in geen geval een vereniging tot bereiking van een gemeenschappelijk doel in de weg staan. Zij zouden onaangetast blijven.

Makhno en de staf van het opstandsleger zagen heel goed, dat het vrije gebied door de aankomst van de communistische machthebbers opnieuw bedreigd werd, — dat dit de voorbode van een burgeroorlog, doch van de andere zijde, betekende. Echter noch Makhno, noch zijn legerstaf, noch de rayonsovjet wensten deze oorlog, daar die noodlottig voor de gehele Oekraïense revolutie zijn kon. Voor alles werd in aanmerking genomen, dat een goedgeorganiseerde, openlijke contrarevolutie uit de richting van de Don en de Koeban aan kwam rukken en daarmee viel alleen met de wapenen in de vuist te onderhandelen. Dit gevaar groeide met de dag. De opstandigen hoopten, dat de strijd tegen de Bolsjewiki tot het ideële gebied beperkt zou blijven. In dit opzicht waren zij wat hun gebied betreft, volkomen gerust, daar de macht van de revolutionaire gedachte, het revolutionaire instinkt en het wantrouwen van de boeren ten opzichte van alle vreemden de beste verdedigers van het rayon waren. De leiders van de opstandigen waren allen van mening, dat alle krachten tegen de monarchistische contra-revolutie gericht moesten worden en eerst na de omverwerping daarvan aan de ideële tegenstellingen tot de Bolsjewiki moest worden gedacht. In deze zin vond de vereniging van het Makhno-leger met het rode leger plaats. Wij zullen verder zien, dat de leiders van de Makhnovshchina zich vergist hadden, toen zij hoopten, dat de Bolsjewiki alleen maar op ideëel terrein hun tegenstanders zouden zijn. Ze lieten buiten beschouwing, met volleerde overweldigers en aanhangers van de staatsidee te doen te hebben. Fouten zijn nuttig, wanneer zij niet ten ondergang voeren. Ook deze fout was de Makhnovshchi van nut.

Het leger van de opstandigen sloot zich onder de volgende voorwaarden bij het rode leger aan: a) zijn inwendige organisatie blijft onaangetast, b) het leger neemt politieke kommissarissen op, die door de communistische regering benoemd worden, c) het is alleen in operatief opzicht aan het rode oppercommando ondergeschikt, d) het leger wordt niet van ’t Denikinfront weggehaald, e) het leger verkrijgt oorlogsuitrusting en onderhoud juist als het rode leger, f) het leger behoudt de betiteling: “revolutionair opstandsleger” en behoudt ook haar zwarte vaandels.

Het leger van de Makhnovshchi was op de volgende drie beginselen gegrondvest: vrijwillige dienstneming, kommandantenkeuze en zelfdiscipline.

Wat de vrijwillige dienstneming betreft, dit betekent, dat het leger samengesteld was uit strijders, die vrijwillig dienst hadden genomen.

Het keuzebeginsel betekende, dat de kommandanten van alle troependelen, de leden van de staf en de sovjets van het leger, zo goed als alle andere personen, die een verantwoordelijke post in het leger bekleedden, óf gekozen werden door de leden van de betreffende troependelen, óf dat die keus door een vergadering van alle troependelen werd bekrachtigd.

De zelfdiscipline betekende, dat alle regels van legerdiscipline door gekozen kommissies werden uitgewerkt, door algemene vergaderingen van de troependelen bekrachtigd en onder strengste verantwoordelijkheid door ieder opstandeling of commandant afzonderlijk moest worden gehandhaafd.

Tijdens de aansluiting bij ’t rode leger bleven deze grondstellingen van ’t Makhnoleger onaangetast. Aanvankelijk werd het “de Derde Brigade” genoemd, — later “Eerste Revolutionair-Opstandige Oekraïense Divisie” en nog later kreeg het de naam “Revolutionair-Opstandig Oekraïne-leger (Machnovshchi)”. In de overeenkomst waren geen politieke vragen aan de orde gesteld. De overeenkomst was van zuiver militaire aard. Dank zij deze omstandigheid veranderde het leven in het rayon, zijn sociale en revolutionaire ontwikkeling, niet, d.w.z. de zelfstandigheid van de werkenden, die de invoering van enige uiterlijke macht in het rayon niet geduld zouden hebben, bleef voortbestaan. We zullen verderop zien, dat dit de uitsluitende reden was, waarom de Bolsjewiki met de wapens in de hand tegen het rayon optraden.

Sinds de vorming van de rayonsovjet in februari 1919 had het gebied zich stevig aaneengesloten. De gedachte van vrije raden van werkenden was ook tot in de meest afgelegen dorpen doorgedrongen. Tengevolge van de moeilijke algemene toestand kwamen de boeren er maar langzaam toe, zulke raden te organiseren, doch men hield overal aan de idee vast, omdat wel gevoeld werd, dat hier een gezonde bodem bestond; men voelde: alleen op die bodem was de opbouw van een vrij gemeenschapsleven mogelijk. Tegelijkertijd werd ook de kwestie van een directe verbinding met de arbeiders van de dichtbij gelegen steden in hoge mate actueel. Deze verbinding moest direct de stedelijke arbeidersmassa bereiken, de bedrijven, de vakverenigingen en wel met vermijding van de staatsorganen. Zij was absoluut noodzakelijk voor de versteviging en verdere ontwikkeling van de revolutie. Men besefte in het land, dat een dergelijke verbinding tot strijd met de staatspartij leiden zou, daar deze laatste haar macht over de massa's niet zonder meer opgeven zou. Dit scheen echter niet zo erg gevaarlijk te zijn, daar de verenigde arbeiders en boeren elke regering makkelijk tot rede zouden kunnen brengen. Vóór alles echter konden er geen andere vormen van aaneensluiting met de arbeiders bestaan, dan de directe, die tot afdanking van de staatsmacht en tot het verzet van die zijde leiden moest. Maar juist in zulk een verband tussen stad en dorp lag ook de mogelijkheid van doorzetting van de revolutie. “Reik ons de hand, arbeider!” luidde de roep van de Goeljaj-Polsker revolutionaire boeren tot de stad. Van de kant van de boeren van 't bevrijde rayon was dit het enigstmogelijke en -nodige. In hun eigen gebied waren zij absoluut vrij; over zichzelf en hun arbeid beschikten ze volkomen. Natuurlijk wensten zij ook de stadsarbeiders in een zodanige positie te zien en, wanneer zij toenadering tot hen zochten, vermeden zij natuurlijk alle politieke-, staats- en andere improductieve organisaties, waarvan zij in 't verleden niets dan ellende gehad hadden. Tegelijkertijd wensten zij, dat ook de arbeiders hen even direct tegemoet traden.

Zo werd in het rayon het vraagstuk van de aansluiting bij de stedelijke arbeiders opgevat. Deze vraag werd overal besproken en werd tot de leus van de dag in het opstandige rayon.

Het is te begrijpen, dat de politieke partijen met hun leuze absoluut geen succes in 't rayon konden hebben. Wanneer zij met plannen, die de staatsopbouw betroffen, voor de dag kwamen, kwam men hun koud tegemoet, — vaak ook met spot. De communistische regering, die van verschillende zijden dit gebied begon binnen te dringen, bleek een vreemd element te zijn.

In 't begin hoopten zij, dat het bolsjewisme de Machnovshchina zou opzuigen. Deze hoop bleek echter ijdel. De opstandige massa ging hardnekkig haar eigen weg. Ze ignoreerde de staatsorganen van de Bolsjewiki volkomen. Het was een gewoon verschijnsel, dat de boeren de Buitengewone Kommissies met de wapens in de hand uiteenjoegen. De regering heeft het geen enkele maal gewaagd, in Goeljaj-Pole ook maar één van haar instellingen te organiseren. Op andere plaatsen waren deze instellingen oorzaak van bloedig treffen tussen de bevolking en de regering. De positie van de regering in het gebied werd buitengewoon moeilijk.

Hierop nu bonden de Bolsjewiki een georganiseerde strijd aan tegen de Makhnovshchina als idee èn als sociale beweging.

Eerst kwam de pers in 't geweer. De Makhnobeweging werd hardnekkig als grootboerenbeweging, haar leuzen als contra-revolutionair en haar handelingen als revolutie-vijandig gebrandmerkt.

In de kranten, maar ook van de zijde van centrale regeringspunten ging men de leiders van de Makhnovshchina met bedreigingen te lijf.

Het gebied werd geheel geblokkeerd. Alle revolutionaire arbeiders, die naar Goeljaj-Pole wilden of vandaar kwamen, werden onderweg opgevangen. De leverantie van munitie aan het opstandsleger werd tot op één vijfde, tot één zesde teruggebracht.

Dat alles liet weinig goeds vermoeden.

De revolutionaire oorlogsraad had voor de 10de april 1919 het derde rayoncongres van boeren, arbeiders en opstandigen uitgeschreven. Het congres moest de directe taak en de verdere richting van het revolutionaire leven in 't rayon vaststellen. Op dit congres waren afgevaardigden van 72 districten verschenen, die tezamen twee miljoen inwoners vertegenwoordigden. Het werk liep zeer vlot van stapel. Helaas hebben we de notulen van 't congres niet in ons bezit. Men zou daaruit kunnen zien, hoe de volksmassa's voorzichtig en bedachtzaam naar hun weg in de revolutie, naar hun eigen levensvormen zochten.

Toen het werk ten einde liep, kwam bij 't congres een telegram van de divisiechef Dybenko binnen, waarin de organisatoren van 't congres vogelvrij verklaard werden en 't congres zelf voor contrarevolutionair.

Dit was de eerste openlijke aanslag van de Bolsjewiki op het vrije gebied. Het gehele congres begreep natuurlijk de eigenlijke betekenis van deze aanslag en nam een protestresolutie aan, waarin het aan zijn misnoegen uitdrukking gaf. Deze protestresolutie werd direct gedrukt en onder de boeren en arbeiders van 't rayon verspreid. Enige dagen later gaf de revolutionaire oorlogsraad aan de communistische regering (in de persoon van Dybenko) een waardig antwoord, doordat er op gewezen werd, wat het Goeljaj-Polsker rayon voor de revolutie betekende, en wie zich feitelijk met contrarevolutionaire handelingen onledig hield. Dit antwoord is typisch kentekenend voor het één zowel als voor 't ander en daarom geven we dit in extenso:

Contrarevolutionair?

“Kameraad” Dybenko heeft het de 10de april van dit jaar te Goeljaj-Pole bijeengeroepen congres voor contrarevolutionair en de organisatoren van dit congres voor vogelvrij verklaard, zodanig, dat tegenover hen, volgens zijn woorden, de scherpste repressieve maatregelen genomen moeten worden. Wij geven de woordelijke tekst van zijn depêche:

“Uit Nowoalexejewka No. 283 de 10de, 2.45 uur. Na opsporing aan kameraad Batjko Makhno, divisiestaf Alexandrowsk. Kopie aan Wolnowacho, Marioepol, na opsporing aan kameraad Makhno. Kopie aan de Goeljaj-Polsker sovjet:

Alle congressen, die door de op grond van mijn besluit ontbonden, revolutionaire militaire stuf worden bijeengeroepen, gelden voor uitgesproken contrarevolutionair en tegen de bijeenroepers van zulke congressen zullen de scherpste repressieve maatregelen genomen worden, daarbij inbegrepen de verklaring, dat zij buiten bescherming van de wet staan. Ik beveel, direct maatregelen te nemen, dat zulke gebeurtenissen zich niet herhalen. Divisiechef Dybenko.”

“Kameraad” Dybenko heeft echter, voor hij het congres voor contrarevolutionair verklaarde, niet de moeite genomen, te weten te komen, in wiens naam en met welk doel juist dit congres bijeengeroepen werd; hierdoor komt hij er toe te verklaren, dat het congres door de ontbonden Goeljaj-Polsker revolutionaire militaire Maf bijeengeroepen is, terwijl dit inderdaad geschiedde door de Executieve van de revolutionaire oorlogsraad. Daardoor weet de laatste als de schuldige dader van de bijeenroeping van 't congres, niet, of “kameraad” Dybenko ook haar als buiten de wet staand beschouwt.

Zo ja, dan zij het veroorloofd “uwe edelheid” erover in te lichten, wie dit (naar uw mening contrarevolutionaire) congres bijeengeroepen heeft en met welk doel dit geschiedde; dan zal het u misschien niet zo verschrikkelijk toelijken, als het nu door u afgeschilderd.

Zoals boven reeds opgemerkt, werd het congres door de Executieve van de revolutionaire oorlogsraad van het Goeljaj-Polsker rayon tegen 10 april in het dorp Goeljaj-Pole (als een centraal gelegen dorp) bijeengeroepen. Het congres heette: het derde Goeljaj-Polsker rayoncongres. Het werd bijeengeroepen met het doel verdere richtlijnen vast te stellen voor de revolutionaire oorlogsraad (ziet u, “kameraad” Dybenko, er zijn reeds drie zulke “contrarevolutionaire” congressen geweest). Maar de vraag is: vanwaar komt en waartoe dient de revolutionaire rayon-oorlogsraad? Indien u, “kameraad” Dybenko, dat niet weten mocht, zullen wij u inlichten. De revolutionaire rayon-oorlogsraad werd naar aanleiding van een resolutie van het tweede congres, dat de 12e februari van dit jaar in het dorp Goeljaj-Pole bijeen was (ziet u, hoe lang dat geleden is, toen was jij nog helemaal niet hier!) gesticht, om de frontstrijders te organiseren en een vrijwillige mobilisatie door te voeren, daar rondom kadetten[5] lagen, maar de opstandige troepen, die uit de eerste vrijwilligers gevormd waren, niet sterk genoeg waren om een brede frontlijn te bezetten. Er waren in ons rayon geen sovjettroepen, ook verwachtte de bevolking daar niet bijzonder veel van, maar beschouwde de zelfbescherming als hun plicht. Uitsluitend met dit doel werd de revolutionaire oorlogsraad van het Goeljaj-Polsker rayon gevormd, waartoe, overeenkomstig een besluit van het tweede congres, van elk district (Wolostj) één afgevaardigde behoorde, totaal 32 afgevaardigden van de districten van de Jekaterinoslawse en Taurische gouvernementen.

Over de zo ontstane revolutionaire oorlogsraad zullen beneden verdere verklaringen volgen — nu echter rijst bij ons de vraag: vanwaar kwam het tweede rayoncongres en wie had dat uitgeschreven? Wie heelt het verlof daartoe gegeven en zijn de bijeenroepen vogelvrij te verklaren en zo niet — dan vragen wij: waarom niet? Het tweede rayoncongres werd uitgeschreven door een initiatiefgroep, die uit vijf leden bestond, door het eerste congres gekozen. Het tweede congres vond op 12 februari plaats, en tot aller verbazing werden de bijeenroepen niet vogelvrij verklaard, omdat er in die tijd nog niet zulke helden waren, die het gewaagd zouden hebben de rechten van het volk, met eigen bloed bevochten, aan te tasten. Nu rijst weer de vraag: vanwaar komt het eerste rayoncongres en wie was de bijeenroeper daarvan; is die vogelvrij verklaard en waarom niet? U, “kameraad” Dybenko, bent, naar men ziet, nog jong in de revolutionaire beweging van de Oekraïne en daarom moet U zich met het eerste begin dier beweging vertrouwd maken. Nu, we zullen u daar dan mee vertrouwd maken en u zult u dan misschien na opgedane lezing wat beter gedragen.

Het eerste rayoncongres vond plaats op 23 januari van dit jaar in het eerste kamp van de opstandigen in het dorp Groot-Michailowka en was gevormd door vertegenwoordigers van de districten, die dichtbij het front gelegen waren. Toentertijd vertoefden de sovjettroepen nog heel, heel in de verte. Het rayon was van de gehele wereld afgesneden: aan Batjko Makhno en Stsjoesj aan het hoofd, die de kadetten en Petljoerowtsi. En in die tijd waren het uitsluitend de opstandige troepen met Batjko Makhno en Stsjoesj aan het hoofd, die de kadetten en Petljoerowtsi de ene slag na de andere toedeelden. De organisaties en sociale instellingen in de vlekken en dorpen waren verschillend betiteld. In het éne dorp heette sovjet, wat elders volksbestuur heette of revolutionaire militaire staf, landsbestuur, enz. De geest echter was overal revolutionair en ter ondersteuning van het front en tot invoering van een zekere overeenkomstigheid in het rayon was dit eerste congres bijeengeroepen.

Niemand persoonlijk had het bijeengeroepen, het was met instemming van de gehele bevolking samen gekomen. Op dit congres kwam de vraag naar voren, hoe men uit het Petljoera-leger de gewelddadig gemobiliseerde broeders bevrijden kon, en er werd tot dit doel een uit vijf personen bestaande afvaardiging gekozen, die de opdracht ontving, zich in het leger van het Oekraïense Petljoera-directorium te begeven om daar hun gemobiliseerde broeders te verklaren, hoe men hen bedrogen had en dat zij weer weg moesten gaan. Deze zelfde afvaardiging kreeg ook de opdracht, na terugkeer een uitgebreider congres bijeen te roepen om het van contra-revolutionaire benden gezuiverde rayon te organiseren en een sterker front te scheppen. Na hun terugkeer riepen deze afgevaardigden het tweede rayoncongres bijeen en wel met negatie van partijen, regeringen en wetten, omdat jij “kameraad” Dybenko, en wetsdienaren van uw slag, toenmaals nog ver weg waren, terwijl de helden, de leiders van de opstandige beweging, er niet naar streefden, het volk, dat de ketenen van het knechtschap met eigen handen verbroken had, te bevechten; daarom ook werd het congres niet voor contra-revolutionair en de bijeenroepers niet voor vogelvrij.

Keren wij tot de rayonsovjet terug. Sinds de revolutionaire oorlogsraad van 't Goeljaj-Polsker rayon het levenslicht zag, brak de Sovjetregering het rayon binnen. Maar de rayonsovjet had niet het recht, gebonden als zij was aan de op het tweede congres aangenomen resolutie, bij het verschijnen van de Sovjetregering de zaken onafgehandeld te laten. Zij moest de haar door het congres gegeven opdracht uitvoeren, zonder van de aangegeven richtlijnen af te wijken, aangezien de revolutionaire oorlogsraad niet een wetgevend, doch slechts een uitvoerend orgaan is. En zij ging ook voort, naar de mate harer krachten te werken en leidde de arbeid uitsluitend in revolutionaire richting. Langzamerhand begon de Sovjetregering het werken van de revolutionaire oorlogsraad te bemoeilijken. De commissarissen en andere functionarissen van de Sovjetregering begonnen de revolutionaire oorlogsraden als contra-revolutionaire organisaties te beschouwen. Nu besloten de leden van de sovjet een derde congres op de 10de april te beleggen te Goeljaj-Pole om de sovjet verdere richtlijnen uit te stippelen of die, wanneer het congres dat voor nodig achtte, te ontbinden. Zo kwam dan dit congres bijeen. Er verschenen geen contra-revolutionairen op dit congres, maar lieden, die als eersten het vaandel vin dc sociale revolutie, verheven hadden, om de gemeenschappelijke strijd tegen alle onderdrukkers te organiseren. Op het congres verschenen afgevaardigden van 72 districten uit verschillende kringen en gouvernementen en ettelijke legerafdelingen. Zij vonden, dat de revolutionaire oorlogsraad van het Goeljaj-Polsker rayon absoluut noodzakelijk er zijn moest niet alleen, maar zij breidden de Executieve van dit lichaam nog uit en gaven opdracht, in het rayon een vrijwillige mobilisatie af te kondigen. Het congres was ten hoogste verbaasd over het telegram van “kameraad” Dybenko, dat het congres voor “contra-revolutionair” verklaarde, terwijl toch juist dit rayon als eerste het vaandel van de opstand geheven had; als antwoord op dit telegram werd een krachtige protestresolutie aangenomen.

Dat is het verloop van de feiten, “kameraad” Dybenko, dat u de ogen moet openen. Bezin u! Overleg toch! Heeft u, als enkeling, het recht, meer dan een miljoen mensen voor contra-revolutionair te verklaren, een volk, dat met zijn eeltige handen de knechtschap gebroken heeft en nu zelf een leven naar eigen goeddunken aan het opbouwen is?

Neen! Wanneer u een echt revolutionair zijt, moet u dit volk in zijn strijd tegen de onderdrukkers, bij de opbouw van een nieuw, vrij leven helpen.

Kunnen er wetten bestaan, die door enkele mensen die zich voor revolutionairen uitgeven gemaakt zijn, en die het recht verlenen, een revolutionair volk vogelvrij te verklaren? (De Executieve van de sovjet personifieert de gehele massa van het volk).

Is het geoorloofd en is het verstandig, wetten van overweldiging in het land in te voeren van een volk, dat juist alle vertegenwoordigers van de wet en de wetten zelf afgeschud heeft?

Bestaat er zulk een wet, die aan een revolutionair het recht geeft, de strengste strafmaatregelen tegen de revolutionaire massa te nemen, omdat deze zonder verlof zich het goede — namelijk vrijheid en gelijkheid — verschaft heeft, dat de revolutionair beloofd had?

Hoe zou de revolutionaire volksmassa kunnen zwijgen wanneer die revolutionair haar de verworven vrijheid weer ontneemt?

Kan men volgens de wetten van de revolutie een afgevaardigde doen neerschieten, omdat hij ervoor zorgt, dat de opdracht, die hij van de revolutionaire massa ontvangen heeft, ook werkelijk uitgevoerd .

Wiens belangen heeft de revolutionair te vertegenwoordigen: die van de partij of die van het volk, dat met zijn bloed de revolutie voorwaarts stuwt?

De revolutionaire oorlogsraad van het Goeljaj-Polsker rayon staat buiten de afhankelijkheid en invloedssfeer aller partijen; hij staat slechts onder de invloed van het volk, dat hem gekozen heeft. Daarom is het zijn plicht, dit tot leven te brengen, wat hem door het volk, dat hem gekozen heeft, opgedragen werd en niet: de linkse-socialistische partijen te verhinderen, haar ideeën te verkondigen. Wanneer de bolsjewistische idee onder de werkenden succes hebben zou, dan zou de revolutionaire oorlogsraad, een volgens het standpunt van de Bolsjewiki “uitgesproken contra-revolutionaire organisatie”, door een andere “revolutionaire” bolsjewistische organisatie vervangen worden. Intussen echter zult ge ons niet storen en overweldigen.

Wanneer u, “kameraad” Dybenko, en uw kornuiten ook voortaan dezelfde politiek als tot nog toe voort wilt zetten, en wanneer ge gelooft, dat ge deze politiek voor uw geweten als goed kunt verantwoorden, — dan moet ge maar met uw vuile zaakjes voortmodderen. Ga voort, de bijeenroepers van rayon-congressen en van alle congressen, die bijeenkwamen, toen u en uw partij nog in Koersk zaten, als buiten de wet staande te verklaren. Ga voort, allen voor contra-revolutionair uit te krijten, die als eersten de vaan van de opstand, de banier van de sociale revolutie in de Oekraïne ontplooid hebben en zonder uw verlof overal oprukten en wel niet geheel volgens uw program, maar een weinig meer naar links. Ga voort, ook al diegenen vogelvrij te verklaren, die hun vertegenwoordigers zonden naar de door u voor contra-revolutionair uitgemaakte congressen. Verklaar ook alle gevallen strijders, die zonder uw verlof aan de opstandsbeweging voor de bevrijding van geheel het werkende volk deelgenomen hebben, vogelvrij. Verklaar alle revolutionaire congressen, die zonder uw verlof bijeenkomen contra-revolutionair en onwettig — maar weet, dat het geweld door de waarheid overwonnen zal worden; de sovjet zal ondanks uw bedreigingen niet afzien de vervulling van de haar opgelegde plichten, omdat zij hiervoor het recht mist, zomin als zij het recht heeft, de rechten van het volk te beknotten of te knevelen.

De revolutionaire oorlogsraad van het Goeljaj Polsker-rayon:

Voorzitter: TSJERNOKNISHNY.

Plaatsverv. voorz.: KOGAN;

Secretaris: KARABET.

Leden: KOWAL, PETRENKO. DOZENKO, e.a.

Na deze botsing werd het probleem van de Makhnovshchina in de bovenste bolsjewistische sferen als acuut gevoeld. De officiële pers, die ook tot die tijd toe misvormde berichten over de Makhno-beweging gebracht had, begon haar nu systematisch te smaden en haar bewust valselijk elke onzin, gemeenheid en misdaad toe te schrijven. In dit opzicht moge het volgende voorbeeld de Bolsjewiki voldoende karakteriseren. Eind april of begin mei 1919 stuurde generaal Sjkoero, die door een gevangen genomen Makhno-strijder voor de gek gehouden was, een brief aan Makhno, waarin hij diens aangeboren veldheerstalent prees en weeklaagde, dat dit op een zo verkeerde, revolutionaire weg geraakt was; hij deed hem het voorstel zich ter redding van het Russische volk met het Denikin-leger te verenigen. De revolutionaire opstandigen, die deze brief ter gelegenheid van een plenumzitting te lezen kregen, lachten natuurlijk over de naïveteit en stompheid van de contra-revolutionaire generaal, die niet eens het A B C van de Russische en Oekraïense revolutie scheen te kennen. Zij lieten de brief in hun krant “Poetj k Swobode” afdrukken, waarbij er de gek mee gestoken werd (in no. 3 van genoemde krant). Wat deden de Bolsjewiki? Ze namen de brief uit de Makhno-krant over, publiceerden die in hun pers en verklaarden met ongelofelijke onbeschaamdheid, dat zij deze brief onderschept hadden en dat dus tussen Makhno en Sjkoero over een bondgenootschap werd onderhandeld; ook was dit reeds tot stand gekomen.

Op deze wijze verliep geheel de ideële strijd tussen de Bolsjewiki en de Makhnovshchina.

* * *

Sinds midden april 1919 werd het opstandsgebied door de opperste toppen van de communistische regering zorgvuldig geïnspecteerd. Op de 29ste april kwam de kommandant van het Zuidelijk front Antonoff in Goeljaj-Pole aan, om Makhno zelf, het Makhnose front en de stemming onder de opstandigen te leren kennen. Op de 4de en 5de mei kwam de buitengewoon gevolmachtigde van de landverdedigingsraad van de republiek, L. Kameneff met beambten van de Charkowse regering eveneens aan.

Oppervlakkig bezien was de reis van Kameneff naar Goeljaj-Pole van een zeer vriendschappelijk karakter en liet schijnbaar niets te wensen over. Hij begroette de boeren en opstandigen, die zich verzameld hadden, als helden, die door eigen kracht het rayon van de hetman bevrijd en het voor Petljoera en Denikin beschermd hadden. Het leek er op, dat de revolutionaire zelfwerkzaamheid van de boeren in de persoon van Kameneff een warm verdediger gevonden had. In een officieel onderhoud echter met Makhno, de leden van de staf en de rayonraad, uitte Kameneff zich helemaal niet op zo sympathieke wijze over het zelfstandig optreden van de arbeiders en boeren. Ook kwam de vraag betreffende de revolutionaire oorlogsraad in het rayon ter sprake. Kameneff hield het bestaan van deze raden naast de Sovjetregering voor absoluut ontoelaatbaar en stelde voor, ze te ontbinden.

Zoals van een aanhanger van de staatsgedachte niet anders te verwachten was, had Kameneff twee verschillende organen met elkaar verwisseld, en wel de revolutionaire oorlogsraad van de republiek, die door de regerende partij geschapen was en de revolutionaire oorlogsraad van de werkende massa, die door haar zelf onmiddellijk als haar uitvoerend orgaan gevormd werd. De eerstgenoemde raad kan inderdaad heel eenvoudig door een besluit van het Centraal-Comité van de partij ontbonden worden; de tweede echter kan door niemand als door de massa zelf, die hem ook schiep, worden ontbonden. Buiten de massa om kan deze raad alleen maar door een contra-revolutionaire macht, in geen geval echter door revolutionairen weggejaagd worden.

In deze zin werd Kameneff van antwoord gediend. Dit antwoord werd onaangenaam ontvangen en had hevige debatten tot gevolg. ondanks dat nam Kameneff bij zijn afreis, evenals Antonoff, op de hartelijkste wijze afscheid van de Makhnovshchi, sprak hun zijn dankbaarheid uit en wenste hun het beste; hij omarmde Makhno bij het afscheid en verzekerde, dat de Bolsjewiki met de Makhnovshchi, daar zij echte revolutionairen waren en dezelfde taal spraken, samenwerken konden en dus moesten.

Droegen nu de reizen van de bolsjewistische volkscommissarissen naar Goeljaj-Pole werkelijk zulk een vriendschappelijk karakter, of verborg zich toen reeds achter dat vriendschappelijke masker een onverzoenlijke vijandschap? Het laatste is ’t waarschijnlijkst. De gebeurtenissen, die zich kort daarop in 't rayon afspeelden, toonden duidelijk aan, dat bij de Bolsjewiki reeds lang het plan van een veldtocht tegen de onafhankelijke opstandelingen aan het rijpen was. De reis van Antonoff en Kameneff naar Goeljaj-Pole kan als een nauwkeurige spionage van de Bolsjewiki met het oog op de overval op ’t rayon beschouwd worden. Na deze bezoeken veranderde er eerst niets in de betrekkingen tussen de Bolsjewiki en de Makhnovshchina. Hun agitatie in de pers verzwakte niet, integendeel. Lasterlijke verdachtmakingen, de éne nog gemener en minderwaardiger dan de andere, werden voortdurend over de Makhnovshchi verbreid. Alles wees er op, dat de Bolsjewiki er op uit waren, de stemming van de arbeiders en het rode leger op een voorgenomen bewapende overval op het vrije gebied voor te bereiden. Een maand daarvoor was van hun zijde reeds een poging gedaan, Makhno te doen sluipmoorden. Padalka, kommandant van een regiment, had, door de Bolsjewiki omgekocht, de “opdracht” ontvangen, van Pokrowskoj’e uit Goeljaj-Pole te overvallen, wanneer Makhno daar zou zijn en hem en zijn staf gevangen te nemen. Deze samenzwering werd door Makhno zelf ontmaskerd, toen hij zich juist in Berdjansk bevond en op het punt stond, naar Goeljaj-Pole te gaan. Het gelukte deze dit complot voor te zijn, omdat Makhno toevallig een vliegtuig ter beschikking had, waarin hij de afstand Berdjansk—Goeljaj-Pole in twee uur en enige minuten afleggen kon. Het gelukte hem ook de samenzweerders te verrassen. Ze werden gearresteerd en terechtgesteld. Heel vaak ook werd Makhno door kameraden, die in bolsjewistische instellingen werkten, gewaarschuwd, dat hij in geen geval op enige uitnodiging naar Jekaterinoslaw of Charkow te komen, in moest gaan, daar elke officiële invitatie een hinderlaag was, die een zekere dood voor hem zou betekenen. In één woord: elke nieuwe dag bracht de bevestiging ervan, dat de Bolsjewiki de strijd om de ideële invloed in de Oekraïense revolutie, zo niet vandaag dan toch morgen met de wapens in de hand tot een beslissing wilden brengen.

Grigorjews rebellie dwong hen op z'n onverwachtst, uiterlijk hun verhouding tot de Makhnovshchina voor enige tijd te wijzigen.

Hoofdstuk VI.

De Makhnovshchina (vervolg)

Grigorjews verzet — De eerste overval van de Bolsjewiki op Goeljaj-Pole

De 12de mei 1919 kwam in het hoofdkwartier van Makhno, dat zich te Goeljaj-Pole bevond, een telegram binnen van de volgende inhoud:

“Goeljaj-Pole, Batjko Makhno adres onbekend.

De ploert Grigorjew heeft de zaak verraden. Hij heeft een militair bevel niet uitgevoerd en de wapens gekeerd. Het ogenblik van de beslissing is gekomen — of wel u gaat samen met de arbeiders en boeren van heel Rusland, of u geeft de vijanden inderdaad vrij spel. Aarzelen is uitgesloten. Geef uw troepen onmiddellijk bevel zich te ontbinden, stel een oproep tegen Grigorjew samen, en stuur mij een afschrift naar Charkow. Niet beantwoording wordt door mij als oorlogsverklaring beschouwd. Ik geloof in de revolutionaire eer van U, Arshinov en Weretjelnikoff.

Kameneff, No. 277.

Rev. Milit. Kontroll. Lobié.“

Spoedig werd het telegram, dat deze gebeurtenissen meldde, en de gebeurtenis zelf door de staf in speciale zitting, waaraan ook de vertegenwoordigers van de revolutionaire krijgsraden deelnamen, besproken; men kwam tot de volgende conclusie: Grigorjew was een gewezen officier in het leger van de tsaar; kort voor de val van de hoofdman behoorde hij tot het leger van Petljoera, waar hij de grote troepen opstandelingen aanvoerde, die de regering van Petljoera ter beschikking stonden. Toen het leger van Petljoera onder de druk van de klassentegenstellingen uit elkaar viel, liep Grigorjew met al zijn troepen naar de bolsjewisten over, die omstreeks die tijd uit Centraalrusland waren gekomen, en hij trok met hen samen tegen de Petljoeratroepen op, waarbij hij voor zijn eigen troepen een zekere autonomie en vrijheid van handelen had weten te bewaren. In het gouvernement Cherson had hij een belangrijke rol gespeeld bij de ontbinding van de regering van Petljoera. Odessa was door hem bezet. Daarna had hij tot in de laatste tijd een frontgedeelte in de buurt van Besarabië met zijn opstandelingen bezet gehouden.

De troepen opstandelingen van Grigorjew waren in organisatorisch, maar in de eerste plaats in moreel opzicht verre bij de opstandige Makhnobeweging achtergebleven. Zij ontwikkelden zich niet, en bleven de hele tijd in hun oorspronkelijk stadium. Sedert het begin van de algemene opstand waren ze door revolutionaire geest bezield, doch hadden noch in zichzelf, noch in het boerenmilieu waaruit ze voortgekomen waren die historische scheppingsdrang en de duidelijk uitgesproken sociale leuzen die de Makhnobeweging kentekenden, kunnen vinden. Bij alle grote revolutionaire geestdrift hadden zij helaas geen vast omlijnd, sociaal ideaal; dientengevolge kwamen zij al spoedig onder de invloed van de Petljoerabeweging, of wel onder die van Grigorjew, of onder die van de Bolsjewiki.

Grigorjew zelf was nooit revolutionair geweest. Toen hij nog samenging met Petljoera was in zijn optreden, ook toen hij later deel uitmaakte van het rode leger, veel avontuurlijks. In de grond van de zaak was hij een vechtersbaas, die de Russische revolutie eerst de mogelijkheid gaf, een zekere rol te spelen. Zijn geestelijke mentaliteit was bont genoeg samengesteld: men kon in hem een vonk medegevoel voor het geknechte boerendom vinden, maar ook heerszucht en de drang naar het vrije roversleven, evenals nationalisme en antisemitisme. Wat had hem ertoe kunnen brengen, zijn wapens tegen de bolsjewisten te keren? Makhno's staf was hiervan niet op de hoogte. Er bestond gegronde aanleiding aan te nemen dat de Bolsjewiki hem hadden overgehaald om zijn autonome opstandige afdelingen te ontbinden die, al streefden ze dan al geen zelfstandige revolutionaire ideeën na, zoals de Makhnobeweging, toch uit hoofde van hun samen-stelling en van hun gehalte vijandig stonden tegenover het bolsjewisme. Maar hoe het ook zij, het optreden van Grigorjew tegen de Bolsjewiki was in Makhno's ogen niet een revolutionair optreden van arbeiders, maar niet anders dan een oorlogszuchtig, politiek optreden, waartegen slechts volle verachting kon worden gesteld. Dit werd nog duidelijker, toen Grigorjew zijn “Universal” publiceerde, dat niets anders preekte dan nationale twist tussen de arbeiders.

Het enige in de gehele beweging, dat volgens de Makhnobeweging aandacht en medelijden verdiende, waren de massa’s opstandelingen, die Grigorjew had misleid en tot een politiek avontuur verleid. Dat was de conclusie, waartoe de Makhnovshchi kwamen, nadat ze de zaak Grigorjew hadden besproken. Op grond van deze overwegingen bepaalde de staf ook zijn standpunt tegenover de gebeurtenis. In de eerste plaats werd de volgende order naar het front gezonden:

“Marioepol. Veldstaf van het Makhnoleger. Kopie aan alle commandanten van kampen, aan alle commandanten van regimenten, bataillons, compagnieën en treinen. Bevel, in alle troepen van Batjko Makhno voor te lezen. Kopie naar de buitengewoon gevolmachtigde van de landsverdedigingssovjet Kameneff.

De meest energieke maatregelen moeten worden genomen om het front in stand te houden. In geen geval mag het buitenste front van de revolutionairen worden verzwakt. De revolutionaire eer en waardigheid dwingen ons ertoe de revolutie en het volk trouw te blijven, en de strijd van Grigorjew met de Bolsjewiki om de macht kan ons er niet toe brengen, de frontlijn te verzwakken, daar de witgardisten trachten door te breken om het volk te knechten. Zolang wij niet de gemeenschappelijke vijand in de gedaante van de witte Don hebben overwonnen, zolang wij' vast en vol overtuiging de vrijheid gevoeld hebben, die wij met onze eigen handen en bajonetten hebben veroverd, handhaven wij onze plaats, en strijden wij voor de vrijheid van het volk, in geen geval echter voor de macht of de rivaliteit van politieke charlatans.

Brig. comm. Batjko Makhno, lid van de staf (handtekeningen).

Tegelijkertijd stuurde de staf Kameneff het volgende telegrafische antwoord:

“Charkow. Aan de buitengewoon gevolmachtigde van de landsverdedigingssovjet van de republiek Kameneff, kopie Marioepol, Veldstaf.

Op uw en Rosjins[1] telegrafisch bericht over Grigorjew antwoord ik omgaand. Het front moet onverbroken gehandhaafd worden, geen voetbreed van de bezette stellingen mag aan Denikin of de andere contra-revolutionaire troepen worden overgegeven en de revolutionaire plicht tegenover de arbeiders en boeren van Rusland en van de ganse aarde moet worden nagekomen. Ik van mijn kant verklaar u hierbij, dat ik en mijn troepen onwankelbaar trouw blijven aan de arbeiders-boerenrevolutie, maar niet aan geweldsinstellingen als uw commissariaten en Tsjekas die willekeurig met de arbeidende bevolking omspringen. Heeft Grigorjew het front gebroken en troepen teruggetrokken, om de macht in handen te krijgen, dan is dat een misdadig avontuur en een verraad aan de volksrevolutie, en ik zal mijn mening in dit opzicht zoveel mogelijk bekend maken. Op het ogenblik echter missen wij betrouwbare gegevens over Grigorjew en zijn beweging; ik weet niet, wat hij uitvoert en welk doel hij nastreeft; daarom zal ik mij ervan onthouden een oproep tegen hem te publiceren tot ik nadere gegevens over hem heb. Als revolutionair anarchist verklaar ik, dat ik het in geen enkel geval kan ondersteunen, dat Grigorjew of onverschillig wie de macht grijpt; ik zal, evenals vroeger, ook nu de Denikin-troepen verdrijven, samen met de opstandige kameraden en tevens zal ik ervoor zorgen, dat de door ons bevrijde etappestellingen met een net van vrije arbeiders- en boerenverenigingen worden overdekt, die de macht in haar volle omvang zelf in handen hebben, en wat dat betreft zullen de organen van dwang en geweld als de buitengewone kommissies en commissariaten, die hun allesoverheersende partijdictatuur zelfs over anarchistische verenigingen en de anarchistische pers uitstrekken, in ons energieke tegenstanden vinden.

Brg. Komm. Batjko Makhno, leden van de staf (Ondertekeningen)

Voorzitter van de culturele ontwikkelingsafdeling Arshinov.”

Tegelijkertijd werd uit vertegenwoordigers van de staf en van de revolutionaire oorlogsraad een commissie gevormd en naar het operatieterrein van Grigorjew gestuurd, om Grigorjew voor de opstandelingen te ontmaskeren en hen op te roepen, onder de vanen van de Makhnovshchina te strijden. Grigorjew echter, die inmiddels Alexandrija, Snamenka, Jelisawetgrad bezet had trok nu op naar Jekaterinoslaw, waardoor hij de communistische regering, die zich in Charkow bevond, niet geringe zorgen baarde. Met grote spanning keek deze naar het district Goeljaj-Pole. Ieder gerucht, dat daar vandaan kwam, ieder telegram van Makhno, werd gretig opgenomen en in de Sovjetpers gepubliceerd. Deze angst was natuurlijk niets anders dan de vrucht van de onwetend-heid van de beambten van de Sovjetregering, die de gedachte bij zich lieten opkomen, dat de revolutionaire anarchist Makhno plotseling samen met Grigorjew tegen hen zou kunnen op-trekken. De Makhnovshchina is altijd trouw gebleven aan haar principiële beginselen; de idealen van de sociale revolutie, de idealen van het libertaire gemeenschapsleven van de arbeiders waren voor haar steeds toonaangevend. Daarom zou zij nooit met aparte, tegen het bolsjewisme gerichte stromingen samen- gaan, enkel en alleen omdat ook de Makhnovshchina tegen het bolsjewisme streed. Integendeel, een beweging als die van Grigorjew betekende een nieuwe bedreiging van de vrijheid van de arbeidende bevolking, en daarom stond de Makhnobeweging even vijandig tegenover deze beweging als tegenover het bolsjewisme. Inderdaad heeft de Makhnobeweging in de tijd van haar bestaan aan geen enkele antibolsjewistische beweging deelgenomen maar zij heeft met dezelfde heldenmoed onder grote offers zowel tegen het bolsjewisme als tegen de Petljoerowtsi, tegen Grigorjew, Denikin en Wrangel gestreden, daar ze van mening' was, dat al deze bewegingen door machtsbegerige groepen werden gevormd, die er op uit waren de arbeidende massa's te knechten en uit te buiten. Zelfs de uitnodigingen van enige links-Sociaal-Revolutionaire groepen voor een gemeenschappelijke strijd tegen de Bolsjewiki werden afgewezen, daar de linkse sociaalrevolutionairen in wezen hetzelfde Bolsjewisme vertegenwoordigden, namelijk overheersing van het volk door de staat door middel van de socialistische democratie.

Grigorjew zelf heeft gedurende zijn opstand enige malen getracht zich met Makhno te verbinden. Van alle telegrammen die hij naar Goeljaj-Pole zond bereikte echter slechts één zijn bestemming. Het luidde: “Batjko, waarom kijk je naar de bolsjewisten uit? Sla ze dood. Ataman Grigorjew.” Dit telegram werd natuurlijk niet beantwoord; enige dagen later echter werd over Grigorjew het eindvonnis geveld, waaraan alle vertegenwoordigers van de revolutionaire fronttroepen zich aansloten, dat in een speciale, aan hem gerichte oproep tot uiting kwam:

WIE IS GRIGORJEW?

“Broeders, arbeiders. Toen wij ons een jaar geleden samen- voegden voor de strijd op leven en dood tegen de Duitse en Oostenrijkse overval, tegen de hetman, daarna tegen de Petljoerowstsjina en tegen Denikin, hebben wij ons omtrent deze strijd ter dege rekenschap gegeven, en vanaf de eerste dag stelden wij 'ons onder de banier, waarop stond te lezen: de bevrijding van de arbeiders is het werk van de arbeiders zelf. In deze strijd hebben wij talloze overwinningen behaald, waarin een diepe betekenis ligt: wij hebben de Duitsers verdreven, wij hebben de hetman ten val gebracht, «ij dulden niet, dat de kleinburgerlijke staat van Petljoera wortel zou schieten; in een door onszelf bevrijd land begonnen wij het werk van de opbouw Tegelijkertijd hebben wij er de arbeidende massa's steeds weer op gewezen, dat zij alles aandachtig moesten volgen, wat er om hen heen gebeurde; talrijke rovers zwerven als gieren om haar heen, rovers, die slechts op het goede ogenblik wachten de macht te grijpen en langs de ruggen van de arbeiders naar boven te komen. Kort geleden is er een nieuwe rover in de gestalte van Ataman Grigorjew opgestaan, die het volk een lied voorzingt over zijn ellende, zijn moeite en zijn slavernij, maar in werkelijkheid de oude op roof gebaseerde orde wil invoeren, waarbij de arbeid van het volk wordt geknecht, de ellende toeneemt en zijn rechten zullen worden ontnomen. Nu over Grigorjew zelf.

Grigorjew is een voormalige tsaristische officier. In de eerste dagen van de Oekraïense revolutie streed hij voor Petljoera tegen het Sovjetregime, toen schaarde hij zich aan de kant van het Sovjetregime, nu echter strijdt hij zowel tegen de Sovjetregering als tegen de revolutie zelf. Wat zegt Grigorjew? Reeds in de eerste woorden van zijn “Universal“ zegt hij, dat de Oekraïne door mensen wordt geregeerd, die Christus aan het kruis hebben geslagen, en door mensen, die uit de “veelvraat Moskou” zijn voortgekomen.

Vrienden, hoor je in deze duistere woorden niet de verkapte oproep tot een pogrom tegen de joden? Voel je dan niet, dat Grigorjew ernaar streeft de levende broederband tussen de revolutionaire Oekraïne en het revolutionaire Rusland te verbreken? Grigorjew spreekt van beëelte vuisten, van de heilige arbeiders, enz., wie heeft echter voor heden niet reeds over de heilige arbeid en het welzijn van het volk gepraat? Ook de witgardisten die ons en ons land verkrachten, zeggen, dat ze voor het werkende volk strijden, echter weten heel goed, wat zij het volk voor een tegen brengen, als ze het eenmaal naar hun band hebben gezet.

Grigorjew zegt, dat hij tegen de commissarissen strijdt om ia werkelijkheid de macht aan de raden te brengen. In dezelfde “Universal“ schrijft hij echter: “Ik, Auman Grigorjew beveel u: kiest commissarissen'*. En terwijl Grigorjew verder in dezelfde “Universal” verklaart, dat hij tegen elk bloedvergieten zou zijn, kondigt hij een mobilisatie af en stuurt hij zijn boden naar Charkow en Kiew, en schrijft: “Ik verzoek u, mijn bevel op te volgen, al het andere moet je zelf doen.“ Vat is dat? Is dat de ware volksmacht? Maar ook tsaar Nicolaas hield zijn regering voor een echte volksregering. Of denkt Auman Grigorjew misschien, dat zijn bevelen niet een gezag over het volk betekenen, en dat zijn commissarissen geen commissarissen, maar engelen zouden zijn? Vrienden, voel je, hoe een bende avonturiers je tegen elkaar ophitst, tweedracht wil zaaien in je revolutionaire rijen, en er op uit is, onbemerkt en achter jullie ruggen om je door je eigen daden te overheersen? Neemt je in acht. De verrader Grigorjew, die de revolutie een zware slag heeft toegebracht, die haar tot in het wezen treft, brengt tegelijkertijd ook de bourgeoisie weer op de been. Petljoera van Galicië uit, en Denikin vanuit het Don-bekken proberen reeds gebruik te maken van zijn pogrombeweging om tot ons door te dringen. Wee het volk van de Oekraïne, als het niet kort en goed aan al deze avonturiers van binnen en van buiten een einde maakt.

Broeders, boeren, arbeiders en opstandelingen, velen onder jullie zullen de vraag stellen: hoe moet men met al die opstandelingen doen, die eerlijk voor de revolutie hebben gestreden, maar nu, door het smadelijke verraad van Grigorjew, in zijn rijen zijn getreden? Moeten we die als vijanden van de revolutie beschouwen? Neen. Deze kameraden zijn het slachtoffer geworden van een bedrog. Wij zijn overtuigd, dat het gezonde revolutionaire instinct hun zal zeggen, dat Grigorjew hen heeft bedrogen, en dan zullen ze weer onder de vanen van de revolutie terugkomen.

Wij moeten hier vaststellen, dat de oorzaken, waaruit de hele Grigorjewbeweging is ontstaan, niet alleen in Grigorjew zelf te vinden zijn, maar in de vermeerderde wanorde, die de laatste tijd bij ons in de Oekraïne te zien is. Sedert de Bolsjewiki bij ons binnengetrokken zijn, kwam de dictatuur van hun partij. Als staatsgezinde partij hebben de Bolsjewiki overal staatsorganen gesticht om het revolutionaire volk te kunnen regeren. Daaraan moet alles ondergeschikt worden gemaakt, zodat zij het met hun argusogen kunnen controleren. Iedere tegenstand, ieder protest en zelfs iedere zelfstandige onderneming werd door hun buitengewone commissies gewurgd. Ten overvloede zijn al die organen samengesteld uit personen, die niets met de arbeid noch met de revolutie te maken hadden. Op deze wijze is een toestand ont- staan. waarbij het hele arbeidende en revolutionaire volk onder opzicht en onder de regering is gekomen van mensen, die de arbeiders vreemd zijn en er licht toe geneigd zijn, willekeurig tegen de arbeiders op te treden en hen te onderdrukken. Dit is ook wel bewezen door de partijdictatuur van de communisten- Bolsjewiki. Dit heeft in de massa's verbittering, protesten en een vijandige stemming tegenover de bestaande orde gewekt. Daarvan heeft Grigorjew bij zijn optreden geprofiteerd. Grigorjew is een verrader van de revolutie en een vijand van het volk, maar niet minder dan hij is de communistisch-bolsjewistische partij een vijand van de arbeid. Door haar onverantwoordelijke dictatuur heeft zij in de massa's verbittering gewekt, een verbittering, die vandaag Grigorjew ten goede komt, maar morgen een andere willekeurige avonturier. Als wij dus Ataman Grigorjew als verrader aan de revolutie brandmerken, dan eisen wij tegelijkertijd van de communistische partij rekenschap over de beweging van Grigorjew.

Opnieuw brengen wij het arbeidende volk in herinnering, dat het volk slechts door zijn eigen inspanning en pogingen een bevrijding van het juk, van de onderdrukking, van de verarming kan bereiken. Hiervoor zal geen verandering van regering helpen. Slechts door hun eigen vrije arbeiders- en boerenorganisaties zullen de arbeiders de oever van de sociale revolutie, van volledige vrijheid en waarachtige gelijkheid kunnen bereiken. Dood en verderf aan alle verraders en vijanden van het volk. Weg met de nationale tweedracht. Weg met de provocateurs. Leve de algemene vereniging van arbeiders en boeren. Leve de vrije commune van arbeiders van de gehele wereld.

Ondertekend door het college van de Div. Staf van de Batjko-Makhnotroepen.

Leden van het college: Batjko-Makhno, A. Tsjoebenko, Michaleff-Pawlenko, A. Olchowik, J. M. Tsjoetsjko, E. Karpenko, M. Poesanow, W. Sjarowski, P. Arsjinof, B. Weretelnikow.

Daarbij sloten zich aan: de leden van de executieve van de arbeiders-, boeren- en rode-legerafgevaardigden van de stad Alexandrowsk; Voorzitter van de districtsexecutieve Andrjoetsjenkowsk, voorzitter van de afdeling voor bestuur Spota, afd.- voorzitter Gawrilow, lid van de Gorispolkom pol. Com. A. Bondar.”

Deze oproep werd in een geweldige oplaag onder de boeren en aan het front verbreid, en in het hoofdorgaan van de opstandige Makhnovshchi “Poetj k swobode” en in het anarchistenblad “Nabat” afgedrukt.

Het avontuur van Grigorjew zonk even snel ineen als het opgekomen was. Het had een paar jodenpogroms veroorzaakt, waarvan er een, die in Jelisawetgrad, een kolossale omvang had aangenomen. Tenslotte trokken de opstandige massa's zich snel van Grigorjew terug. De boeren konden hem niet ondersteunen, daar ze zagen, hoe leeg hij eigenlijk was. Zo bleef Grigorjew met zijn afdeling van een paar honderdduizend man alleen over; hij verschanste zich in het gouvernement Cherson in de kring Alexandrowsk. Toch heeft dit avontuur de Bolsjewiki veel onaangenaamheden veroorzaakt. Doch niet zodra was het hun duidelijk geworden, welke houding het rayon van Goeljaj-Pole zou innemen, of ze haalden opgelucht adem: nu konden ze gerust zijn. De Sovjetregering bazuinde overal rond, dat de Makhnovshchi afwijzend tegenover de beweging van Grigorjew stonden. Zij waren van plan, de houding van de Makhnobeweging als een levendige propaganda tegen Grigorjew uit te buiten. Makhno's naam was in elke sovjetkrant te vinden. Hij werd als de ware beschermer van de arbeiders- en boerenrevolutie geëerd. Zelfs trachtte men Grigorjew met hem af te schrikken, door een verhaal te verzinnen, dat hij aan alle kanten door Makhnotroepen omringd zou zijn en door hen zou worden gevangen genomen of volkomen vernietigd.

Toch waren al die lofliederen, die men voor Makhno zong, gehuicheld, en ze hielden ook niet lang aan. Nauwelijks was het gevaar van de Grigorjew-beweging voorbij, of de vroegere agitatie van de Bolsjewiki tegen de Makhnovshchina begon opnieuw. Trotski, die in die tijd naar de Oekraïne was gekomen, verleende aan deze agitatie de rechte toon: de opstand was een beweging van rijke grote boeren, die er op uit waren de macht in het land tot zich te trekken. Alle gepraat van de Makhnovshchi en de anarchisten van een regeringloos maatschappelijk leven waren niet anders dan een list. In werkelijkheid streefden zowel de Makhnovshchi als de anarchisten naar de anarchistische macht, die niets anders was dan de macht van de rijke grote boeren, van de “koelaki” (Nr. 51 van “W Poetj”, Trotski’s artikel “Makhnovshchina”). Tegelijkertijd met deze bewust leugenachtige agitatie werd de blokkade over het gebied buitengewoon verscherpt. Slechts met de grootste moeite gelukte het de revolutionaire arbeiders in die streek te krijgen, die zich door hun liefde voor de onafhankelijke en sterke streek zelfs uit de meest afgelegen hoeken van Rusland, zoals uit Iwanowo-Wosnessensk, Moskou, Petersburg, de Wolga, uit de Oeral en uit Siberië tot de Oekraïne aangetrokken voelden. De toezending van patronen en van de vereiste wapenen, zoals men ze aan het front dagelijks nodig had, werd geheel afgesneden. Nog slechts twee weken tevoren, in de tijd van de opstand van Grigorjew, was Groszmann-Rosjin naar Goeljaj-Pole gekomen; men had hem de buitengewoon moeilijke positie van het front geschilderd, ontstaan wegens gebrek aan munitie, Rosjin had deze verhalen gretig in zich opgenomen en de verplichting op zich genomen, in Charkow moeite te doen dat de vereiste munitievoorraden omgaand naar het front gestuurd zouden worden. Sindsdien waren meer dan twee weken verstreken, patronen werden niet gestuurd, en de toestand aan het front werd catastrofaal. Dit geschiedde op een ogenblik, toen juist de troepen van Denikin op dit gedeelte van het front door het toestromen van de regimenten van Koeban onder Plastoen en verschillende formaties uit de Kaukasus ongelooflijk waren aangezwollen.

of de Bolsjewiki er zich inderdaad rekenschap van gaven, wat ze deden, en over de gevolgen van hun optreden bij de steeds gecompliceerder wordende toestand van de Oekraïne?

Zeker hebben zij zich van hun daden rekenschap gegeven. Zij hadden de blokkadetactiek aangewend om de weerbaarheid van het rayon tot een minimum te beperken. Het is makkelijker te strijden tegen onbewapenden dan tegen bewapenden. De opstandelingen die geen munitie hadden, die bovendien door het moeilijke Denikin-front gebonden waren, waren makkelijker te ontwapenen dan opstandelingen, die rijkelijk van munitie waren voorzien. Dat neemt echter niet weg, dat de Bolsjewiki zich helemaal geen rekenschap gaven van de algehele toestand in het Donets-district. Het front van Denikin en diens strijdkrachten waren hun volkomen onbekend. Ook over de volgende plannen van Denikin waren zij geheel onwetend. Intussen waren er echter bij de Don, Koeban en in de Kaukasus geweldige, goed geschoolde troepen geformeerd om een algemene veldtocht tegen de revolutie te ondernemen. Daar de troepen van Denikin in de eerste vier maanden op een hardnekkige tegenstand in het rayon Goeljaj-Pole stieten, konden zij nergens anders een ernstige aanval wagen, daar het rayon Goeljaj-Pole hun linkervleugel ernstig belemmerde bij het optrekken naar het Noorden. In verloop van vier maanden had generaal Sjkoero tevergeefs in verbitterde gevechten getracht, deze belemmering uit de weg te ruimen. Met des te grotere energie bereidden zij zich op de tweede campagne voor, die dan sedert mei 1919 in geweldige omvang, die zelfs de Makhnovshchi niet verwacht hadden, werd doorgevoerd. Dat alles wisten de Bolsjewiki niet, dat wil zeggen, ze wilden het liever niet weten, omdat zij geheel en al door de gedachte van een strijd tegen de Makhnovshchina beheerst waren.

Zo kwam dus het gevaar voor - het vrije rayon, maar daarmede tegelijk ook tegen de hele Oekraïense revolutie, van twee zijden nader. Gezien deze toestand besloot de revolutionaire krijgsraad van Goeljaj-Pole een buitengewoon districtscongres van boeren, arbeiders, opstandelingen en roodgardisten van de districten Jekaterinoslaw, Charkow, Taurus, Cherson en Donets bijeen te roepen. Het congres moest zijn standpunt tegenover de algemene toestand in het district bepalen, in verband met het gevaar dat van de contra-revolutie van Denikin dreigde en omtrent de onmacht van de Sovjetregering om ook maar het geringste tegen dit gevaar te ondernemen; het congres moest de taak en de praktische maatregelen van de arbeiders in verband met de nieuw ontstane toestand vastleggen.

Hier volgt de tekst van de oproep van de revolutionaire oorlogsraad aan de arbeiders van de Oekraïne.

MANIFEST OVER HET BIJEENROEPEN VAN HET VIERDE BUITENGEWONE KONGRES VAN DE BOEREN-, ARBEIDERS- EN OPSTANDELINGENVERTEGENWOORDIGERS.

TELEGRAM No. 416.

Aan alle executieven van de districten, wolostji en vlekken van het gouvernement Jekaterinoslaw en Taurus en de aangrenzende districten, wolostji en vlekken, aan alle opstandige troepen van de eerste Oekraïense opstandige divisie van Batjko-Makhno en de troepen van het rode leger, die in dit gebied gestationeerd zijn. Aan allen, allen, allen.

De executieve van de revolutionaire oorlogsraad heeft in een zitting van 30 mei de aan het front ontstane toestand in verband met de opmars van de witgardistenbenden onderzocht; gezien de algemene economische en politieke toestand van de Sovjetregering is de executieve van mening, dat een uitweg uit de zo ontstane toestand slechts door de arbeidende massa's zelf, en niet door afzonderlijke personen en partijen kan worden ge-vonden. Op grond hiervan heeft de executieve van de revolutionaire oorlogsraad van het rayon Goeljaj-Pole besloten een buitengewoon congres van het rayon Goeljaj-Pole op 14 juni 1919 in de plaats Goeljaj-Pole bijeen te roepen.

Regels: 1. de boeren en arbeiders van een drieduizend zielen sterke bevolking kiezen een vertegenwoordiger. 1. De opstandelingen en roodgardisten kiezen een vertegenwoordiger voor elke afdeling (regiment, divisie, enz.). 3. Door de staven worden gekozen: uit de Batjko Makhno-divisie twee gedelegeerden en van de Brig. een gedelegeerde. 4. door de districts-executieve een vertegenwoordiger voor iedere fractie. 5. districtsorganisaties van de partij, die het sovjetprincipe zijn toegedaan, zenden een ver-tegenwoordiger.

Opmerking, a. De verkiezing van de vertegenwoordigers van de arbeiders en boeren moet op algemene dorps-, wijks- en fabrieks- vergaderingen plaats vinden, b. in geen geval door besloten vergaderingen van leden van de sovjets en van de fabriekscomités… Daar de revolutionaire oorlogsraad gebrek heeft aan de nodige geldmiddelen, moeten de te zenden vertegenwoordigers zich ter plaatse hunner inwoning van de nodige levensmiddelen voorzien.

Agenda, a. Verslag van de executieve van de revolutionaire oorlogsraad en plaatselijke verslagen. b. de algemene toestand. c. doel, betekenis en taak van de districtssovjet van Goeljai-Pole van de boeren-, arbeiders-, opstandelingen en roodgardisten-afgevaardigden. d. Omvorming van de revolutionaire oorlogsraad. e. de militaire organisatie in het rayon. f. het vraagstuk van de levensmiddelenvoorziening. g. het landbouwvraagstuk. h. het financiële vraagstuk. i. over de organisaties van de productieve boerenbevolking en van de arbeiders, k. over de verdediging van de maatschappelijke orde. l. Zorg voor de rechtsveiligheid in het rayon, m. rondvraag.

De Executieve van de rev. oorlogsraad.

Na deze oproep begon een algemene veldtocht van de Bolsjewiki tegen Goeljaj-Pole.

Terwijl de opstandige troepen onder de stormloop van de kozakken in de dood gedreven worden, vielen de Bolsjewiki met enige regimenten uit het Noorden, dat wil zeggen vanuit de etappen, in de opstandige dorpen binnen, grepen ter plaatse enige opstandige arbeiders, schoten ze dood, verwoestten de communes of andere organisaties in het rayon. Het lijdt geen twijfel dat Trotski, die omstreeks die tijd in de Oekraïne aankwam, de beslissende rol heeft gespeeld. Het is niet moeilijk om te raden, wat hij voelde als hij het vrije rayon zag, en naar de opmerkingen van het volk luisterde, dat rustig en kalm verder leefde en de nieuwe regering opzettelijk over het hoofd zag, als hij de kranten van dit volk las, waarin hij op eenvoudige, onbevreesde wijze een staatsbeambte werd genoemd. Hij, die beloofd had, dat hij het anarchisme in Rusland met “ijzeren bezems” uit Rusland zou wegvagen, kon, als hij dat allemaal zag, niet anders voelen dan een wilde, blinde woede, zoals dat van “staatsvertegenwoordigers” van zijn slag te verwachten is. Talrijke bevelen, die hij tegen de Makhnovshchina heeft uitgevaardigd, getuigen van dit gevoel. Met een ongebondenheid die geen grenzen kende, legde Trotski zich er op toe, de Makhnobeweging te ontbinden.

In de eerste plaats beantwoordde hij de oproep van de revolutionaire oorlogsraad van Goeljaj-Pole met het volgende bevel:

BEVEL No. 1824 VAN DE REVOLUTIONAIRE KRIJGSSOWJET van de REPUBLIEK.

4 juni 1919. CHARKOW.

Aan alle militaire commissarissen en executieven van het district Alexandrowsk, Marioepol, Berdjansk Bachmoet, Pawlograd en Cherson.

De executieve van Goeljaj-Pole tracht in samenwerking met de stuf van de brigade Makhno op 15 juni een congres van sovjets en opstandelingen van de districten Alexandrowsk. Marioepol, Berdjansk, Militopel, Bachmoet en Palowgrad bijeen te roepen. Genoemd congres is geheel en al tegen de Sovjetregering in de Oekraïne en tegen de organisatie van het zuidelijk front gericht, waartoe de brig. Makhno behoort. Het resultaat van het congres kan niet anders zijn dan een nieuwe afschuwelijke opstand in de geest van de Grigorjewbeweging, en betekent tevens het openen van het front voor de witgardisten, waarvoor de brigade Makhno steeds terugwijkt, dank zij de onbekwaamheid, de misdadige mentaliteit en het verraad van haar leiders.

1. Bovengenoemd congres is verboden en mag in geen geval plaats vinden.

2. De gehele arbeiders- en boerenbevolking moet mondeling en schriftelijk worden gewaarschuwd, dat het deelnemen aan het congres als hoogverraad aan de Sovjetrepubliek en aan het sovjetfront zal worden beschouwd.

3. Alle afgevaardigden, die naar genoemd congres worden verkozen, zullen onmiddellijk worden gearresteerd en aan het revolutionaire krijgsgerechtshof van het 14e, vroeger het ze Oekraïense leger worden uitgeleverd.

4. Zij die de oproep van Makhno en van de executieve van Goeljaj-Pole verspreiden zullen worden gearresteerd.

5. Dit bevel treedt telegrafisch in werking en moet op zo breed mogelijke schaal worden verbreid, het moet op alle openbare plaatsen worden aangeplakt en de vertegenwoordigers van de districts- en dorpsbesturen ter hand worden gesteld, evenals de commandanten en commissarissen van de troepenafdelingen.

De voorzitter van de revolutionaire krijgssovjet van de Republiek, Trotski.

De opperbevelhebber: Wattsetis, lid van de revolutionaire krijgssovjet van de Republiek, Araloff, plaatselijk commandant te Charkow, Kosjkareff.

Bovenstaand document is klassiek. Ieder die zich bezighoudt met het bestuderen van de geschiedenis van de Russische revolutie moest het uit zijn hoofd kennen. Hoe zelfbewust en juist hadden toch de revolutionaire boeren van Goeljaj-Pole reeds ongeveer anderhalve maand geleden in hun beroemde antwoord aan Dybenko, die wij vroeger afdrukten, het hele bevel ontzenuwd. Open en eerlijk hadden zij tot de Bolsjewiki de volgende vragen gericht (verg. blz. 109): “Kunnen er wetten door enkele mensen die zich voor revolutionairen uitgeven, gemaakt, bestaan, die het recht verlenen een revolutionair volk vogelvrij te verklaren?”

Par. 2 van Trotski’s bevel antwoordt daarop met evenzoveel woorden, dat er zulke wetten kunnen bestaan, en dat dit bevel van zijn kant een dergelijke wet was.

“Bestaat er een wet, vragen de mensen van Goeljaj-Pole verder, op grond waarvan een revolutionair het recht zou hebben, de hardste strafmaatregelen op de revolutionaire massa, waarvoor hij strijdt, toe te passen, en wel uitsluitend en alleen om die reden, dat de volksmassa zonder voorafgaande toestemming het goede — namelijk de vrijheid en gelijkheid — zelf genomen heeft, die de revolutionair haar beloofde?”

Dezelfde par. 2 van Trotski’s bevel beantwoordt die vraag bevestigend; het bevel verklaart van te voren al de gehele arbeiders- en boerenbevolking tot staatsverraders, in geval zij het mochten wagen, aan het vrije congres deel te nemen.

“Mag op grond van de wetten van de revolutie een afgevaardigde worden gefusilleerd omdat hij opkomt voor de doorvoering van een opdracht, die hem door de revolutionaire massa werd gedaan?“

De paragrafen 3 en 4 van Trotski’s bevel zeggen, dat niet slechts de vertegenwoordigers, die voor de opdracht van de massa opkomen, maar ook de juist verkozen gedelegeerden, die nog in het geheel geen opdrachten van de revolutionaire massa hebben ontvangen, gearresteerd en gefusilleerd zullen worden. (Overlevering aan het revolutionaire tribunaal van het oorlogsleger staat gelijk met fusilleren, waaraan bijvoorbeeld Kostjin, Poloenin, Dobroljoebow en anderen ten offer vielen, die aan het oorlogstribunaal werden uitgeleverd, omdat ze ervan beschuldigd waren, een oproep van de revolutionaire oorlogsraad van Goeljaj-Pole te hebben besproken).

Het hele bevel is een zo volkomen afwijzing van de rechten van de arbeiders, dat de hier aangevoerde bewijzen voldoende zijn.

Voor de aanstichter van alle gebeurtenissen in Goeljaj-Pole, van alle revolutionaire maatregelen in het rayon hield Trotski als van ouds Makhno. Hij nam niet eens de moeite zich er van te overtuigen dat het congres niet door de staf van de Makhnobrigade en niet door de exe-cutieve in Goeljaj-Pole was bijeengeroepen, maar door een orgaan, dat daarvan geheel onafhankelijk was, namelijk door de revolutionaire oorlogsraad. Het is typerend, dat Trotski reeds in deze order de idee van het verraad van de commandanten van Makhno, “die zich steeds meer voor de witgardisten terugtrekken” lanceert. Enige dagen later wisten Trotski en de gehele Sovjetpers te vertellen, dat de aanhangers van Makhno Denikin hadden doorgelaten.

Wij weten al, dat dit front uitsluitend door de moeiten en de offers van de opstandige boeren werd gevormd. Het was ontstaan in het meest heroïsche ogenblik van hun leven, namelijk in de dagen, toen het rayon van alle machthebbers werd bevrijd en zij in het Zuidoosten zowel als stormtroep als verdediger van hun vrijheid stelling namen. Langer dan zes maanden hebben de revolutionaire opstandelingen op dit front een van de geweldigste stromingen van de monarchistische contra-revolutie afgedamd, zij hebben alle krachten in het rayon gemobiliseerd en waren bereid, met hun laatste droppel bloed hun vrijheid tegen de aanval van de contra- revolutie te verdedigen. In hoeverre deze frontstelling in de eerste plaats door de opstandelingen werd verdedigd, zelfs in de allerlaatste tijd, blijkt wel uit bovenstaand telegram van Kameneff, dat naar aanleiding van de opstand van Grigorjew naar Goeljaj-Pole werd gestuurd. In dit telegram richt de buitengewoon gevolmachtigde van Moskou aan Makhno de vraag, hem de verplaatsing van de opstandige troepen aan het Denikin-front aan te geven.

Het spreekt vanzelf, dat hij alleen daarom deze vraag aan Makhno richtte, omdat hij in Charkow, waar hij zich toen bevond, de gewenste gegevens niet kon krijgen, zelfs niet door bemiddeling van het oorlogscommissariaat of door de commandant. Trotski had zonder twijfel nog veel minder een goede voorstelling van het zuidelijke anti-Denikin-front; Trotski was in de Oekraïne gekomen toen deze reeds overal door de contra-revolutionairen in brand gestoken was. Trotski zocht echter een formele rechtvaardiging van zijn misdadige veldtocht tegen het revolutionaire volk, en verklaarde met een onvergelijkelijk cynisme en gemeenheid dat het congres, dat op 15 juni bijeengeroepen was, uitsluitend tegen de organisatie van het zuidelijke front was gericht. Hieruit was het volgende te lezen: de boeren en opstandelingen spanden alle krachten in, om het zuidelijke front te versterken, zij riepen alle weerbare mannen op, zo snel mogelijk als vrijwilligers mee te strijden tegen Denikin (resolutie van het tweede Rayoncongres van 19 februari 1919 over de vrijwillige, algemene mobilisatie van de laatste tien lichtingen). Tegelijkertijd echter organiseerden dezelfde boeren en opstandelingen een geheime samenzwering tegen het eigen front. Men zou zo denken, dat dergelijke beweringen door krankzinnigen moeten zijn opgesteld. Maar neen, het is de redenering van volkomen normale mensen, die inmiddels aan een ongelofelijk cynisch optreden tegenover het volk gewend zijn geraakt. Het boven geciteerde bevel van Trotski, dat de Sovjetregering niet aan de Makhnovshchi had toegezonden, en dat hun eerst toevallig een twee of drie dagen later onder de ogen kwam, beantwoordde Makhno omgaand met een telegram, waarin hij de wens uitdrukte, met het oog op de onhoudbaar geworden toestand ontslag te nemen als commandant. Jammer genoeg hebben wij de tekst van dit telegram niet ter beschikking.

De order van Trotski werd telegrafisch doorgegeven. De Bolsjewiki voerden alle paragrafen volgens oorlogsrecht uit. De arbeidersvergaderingen in de werkplaatsen van Alexandrowsk, waarin de oproep van de revolutionaire oorlogsraad van het rayon Goeljaj-Pole werd behandeld, werden met geweld uit elkaar gejaagd en in strijd met de wet verklaard. De boeren werden bedreigd met fusilleren en met de galg. Op verschillende plaatsen in het rayon werden personen gevangen genomen — zoals Kostin, Poloenin, Dobroljoeboff en anderen — onder beschuldiging de oproepen van de revolutionaire oorlogsraad te hebben verspreid en door het partijdige revolutionaire krijgstribunaal ter dood veroordeeld. Behalve dit bevel had Trotski nog een aantal andere krijgsorders uitgevaardigd, waarin het rode leger werd opgewekt de Makhnovshchina totaal uit te roeien. Bovendien had hij in het geheim bevel gegeven, Makhno, de leden van de staf, de intellectuele medewerkers in elk geval, gevangen te nemen en ze aan het revolutionaire oorlogstribunaal, met andere woorden aan de beulen, uit te leveren.

Volgens de verklaring van een volkomen verantwoordelijk persoon, die het bevel voerde over enige divisies van het rode leger, evenals van enige andere personen, die toentertijd bij de Bolsjewiki hoge militaire posten bekleedden, zou Trotski zijn politiek tegenover de Machnovshchina ongeveer als volgt hebben omschreven: het was beter, afstand te doen van de gehele Oekraïne, dan de verdere ontwikkeling van de Makhnovshchina te dulden. De beweging van Denikin kon, daar het een openlijke contra-revolutie was, nog altijd door klasse-agitatie worden vernietigd. De Makhnobeweging echter breidde zich in de brede massa’s van het volk steeds meer uit, en bracht juist deze massa’s in verzet tegen de Bolsjewiki.

Enige dagen voor de hier omschreven gebeurtenissen had Makhno bericht gestuurd naar de staf en de sovjet, dat de Bolsjewiki enige van hun regimenten van het front tegen Grisjinski hadden teruggetrokken, waardoor aan de troepen van Denikin in het Noordoosten, vrije toegang in het rayon Goeljaj-Pole werd verleend. Inderdaad braken de kozakkenhorden niet door het front van de opstandelingen heen, maar door de linkervleugel, waar de troepen van het rode leger stonden. Hierdoor was het Makhnoleger, dat de linie Marioepol, Koetlinikowo, Taranrog bezet hield, door de troepen van Denikin omsingeld. Deze troepen stroomden nu in geweldige massa’s tot in het hart van het rayon.

Vroeger hebben wij er reeds op gewezen, dat de boeren in het hele rayon een algemene aanval van de Denikintroepen verwachtten. Ze hadden er zich op voorbereid, en zich met een mobilisatie van de laatste tien lichtingen akkoord verklaard. Reeds in april hadden de boeren uit de verschillende dorpen talrijke frisse troepen naar Goeljaj-Pole gestuurd. Zelfs de oude fronttroepen hadden geen munitie meer en vielen de Denikintroepen vaak slechts aan, om munitie te verkrijgen. De Bolsjewiki, die zich door verdrag hadden verplicht, de opstandelingen munitie te leveren, waren reeds in april met de blokkade begonnen en lieten wapens noch munitie in het rayon toe. Daardoor gelukte het ook niet, hoewel er vrijwilligers waren, op het juiste ogenblik nieuwe troepen te vormen, en daarvoor moest het rayon nu boeten.

De boeren van Goeljaj-Pole vormden in de loop van een dag een regiment, om hun vlek te redden. Men moest zich zo primitief mogelijk bewapenen, met bijlen, pieken, nu en dan een geweer, jachtgeweren enz. Ze trokken tegen de aanstormende kozakkentroepen op en trachtten de stroom tegen te houden. Vijftien kilometer van hun dorp kwamen ze bij het dorp Swjadoechowska in het district Alexandrowsk met veel sterkere vijanden, de Don- en Koebankozakken in strijd. De mannen van Goeljaj-Pole begonnen nu een verbitterde, heroïsche strijd, maar moesten bijna allen het leven laten, evenals hun aanvoerder, B. Weretnikow, een arbeider van de Poetilow-fabrieken, die in Goeljaj-Pole was geboren. Het reusachtige kozakkenleger stroomde over Goeljaj-Pole heen, en bezette het op 6 juni. Makhno trok zich met de staf van het leger en een kleine afdeling en een batterij op het station Goeljaj-Pole, dat zeven kilometer van het vlek lag, terug, maar moest de stelling tegen de avond opgeven. De volgende dag trok Makhno alle strijdkrachten samen, die hij kon bereiken, en rukte tegen Goeljaj-Pole op; hij verjoeg de Denikintroepen en bezette het dorp. Maar hij werd door frisse kozakkentroepen gedwongen, de plaats weer op te geven.

Opgemerkt dient te worden, dat de Bolsjewiki, nadat ze een aantal bevelen tegen de Makhnobeweging hadden gepubliceerd, in de eerste dagen loyaal tegen haar optraden, alsof er niets tussen hen was voorgevallen. Dat was hun tactiek, waardoor ze hoopten, de leiders van de Makhnovshchina des te zekerder in handen te krijgen. Op 7 juni zonden ze Makhno een pantsertrein, vroegen hem, zich zo lang mogelijk staande te houden en beloofden, hem versterking te zullen zenden. Inderdaad kwamen een dag later in Gjaisjoer, een station op zo kilometer afstand van Goeljaj-Pole, enige rode troepen uit Tsjaplino aan: o.a. de militaire commissaris Meshlauk, Worosjilow en anderen. Tussen het commando van de rode legertroepen en opstandelingen ontstond een zekere verbinding, een soort gemeenschappelijke staf werd in het leven geroepen. Meshlauk en Worosjilow bevonden zich samen met Makhno op dezelfde pantserwagen en leidden met hem samen de militaire operaties. Maar Worosjilow had tegelijkertijd het bevel van Trotski in de zak, Makhno en alle verantwoordelijke leiders van de Makhnovshchina gevangen te nemen, de opstandige troepen te ontwapenen en ieder, die zich wilde verzetten, neer te schieten. Worosjilow wachtte het goede ogenblik af. Makhno was tijdig gewaarschuwd en overlegde, wat hij zou doen. Hij bestudeerde de algemene toestand en merkte, dat het vroeg of laat tot bloedige gebeurtenissen moest komen. Hij zocht naar een verstandige oplossing. Het doelmatigste leek hem, dat hij zijn post als leider van de opstandelingen opgaf. Dit deelde hij ook aan de staf van het leger van de opstandelingen mede, en voegde er bij, dat zijn werkzaamheid in dc onderste lagen van de opstandelingen als eenvoudig opstandeling op het ogenblik het nuttigst was. Dit deed hij ook. In verband hiermede zond hij een gemotiveerde verklaring naar de kommandanten van de sovjets. Wij laten deze hier volgen:

Aan Worosjilow, staf van het 14de leger, Charkow. Aan de voorzitter van de revolutionaire krijgssovjet Trotski, Moskou, Lenin, Kameneff.

In verband met het bevel van de revolutionaire oorlogsraad van de republiek nr. 1824 telegrafeerde ik aan de staf van het tweede leger en aan Trotski, en verzocht, mij van mijn ambt te ontheffen. Hierbij doe ik opnieuw hetzelfde verzoek, waarbij ik het mijn plicht acht, enige verklaringen ter verduidelijking te geven. Hoewel ik. samen met de opstandelingen uitsluitend tegen net front van de witte Denikintroepen heb gestreden en het volk nooit iets anders heb geleerd dan liefde tot de vrijheid en tot het eigen werk, heeft toch de officiële Sovjetpers, evenals de partijpers van de communistische Bolsjewiki leugenberichten over mij verbreid, die in strijd zijn met de waardigheid van een revolu-tionair. Men heeft mij als bandiet, als medeplichtige van Grigorjew, als verrader van de Sovjetrepubliek geschilderd, die zou streven naar het herstel van de kapitalistische orde. Zoo stelde Trotski in zijn artikel “Makhnovshchina” in nr. 51 van het blad “W Poetj“ de vraag: “Tegen wie verzetten de opstandelingen van de Makhno-beweging zich?” en bewijst hij in zijn hele artikel, dat de Makhnovshchina eigenlijk niets anders is, dan een tegen de Sovjetregering gerichte aanval, terwijl hij met geen enkel woord op het inderdaad bestaande witte front ingaat, dat zich over een afstand van honderd kilometer uitstrekt, waaraan de opstandelingen in de loop van meer dan zes maanden in groten getale ten offer zijn gevallen, en nog steeds vallen. In voormelde oproep nr. 1814 wordt verklaard dat ik een verrader van de Sovjetrepubliek ben, en een opstand als die van Grigorjew zou voorbereiden.

Ik beschouw het als een onvergankelijk, door de revolutie verworven recht van de arbeiders en boeren, congressen te beleggen om zowel hun particuliere als de algemene aangelegenheden te bespreken en besluiten te nemen. Daarom is het verbod van dergelijke congressen en een verklaring dat ze in strijd met de wet zijn (bevel nr. 1814) een directe, minderwaardige inbreuk op de rechten van de arbeiders.

Ik geef mij terdege rekenschap van de houding van de centrale regering tegenover mijn persoon. Ik ben er vast van overtuigd, dat de regering de gehele opstand beschouwt als een verschijnsel, dat zij in haar staatkundig werk niet kan dulden. Tevens is de centrale regering van mening, dat de opstandsbeweging eng met mijn persoon is verbonden, en zij draagt haar haat tegen de opstand op mij over. Als voorbeeld hiervan kan het boven aan-gehaalde artikel van Trotski dienen, waarin hij behalve bewust gelogen mededelingen ook te veel persoonlijks en vijandigheid tegenover mij legt. Het door mij opgemerkte vijandige, in de laatste tijd echter agressieve optreden van de centrale regering tegenover de opstand leidt met noodlottige onvermijdelijkheid tot het vormen van een nieuw front, waaraan de revolutionaire massa's zullen staan, die aan de revolutie geloven. Ik beschouw dat als de grootste, meest onvergefelijke misdaad tegenover het werkende volk en beschouw het als mijn plicht, al het mogelijke te doen om deze misdaad te voorkomen. Als het meest zekere middel om deze van de kant van de regering dreigende misdaad af te wenden, zie ik, dat ik afstand doe van de door mij beklede post. Ik denk, dat de centrale regering dan wel zal ophouden, mij', evenals de hele opstandsbeweging verdacht te maken, als zouden wij een samenzwering tegen de sovjets op touw willen zetten, en ik hoop, dat zij zich dan in volle ernst en op volkomen revolutionaire wijze tegenover de opstandige beweging in de Oekraïne zal gedragen als tegenover een actief levend onderdeel van de sociale massarevolutie. en niet als tegenover een vijandelijk leger, waarmee men tot dusverre uiterst dubbelzinnige, verdachte betrekkingen heeft aangeknoopt, om iedere patroon sjacherde, vaak eenvoudig de hele noodzakelijke bewa-pening en munitievoorziening stop zette, wat ten gevolge had, dat de beweging vaak ongehoorde verliezen aan mannen en aan revolutionaire gebieden moest lijden, wat echter bij een andere houding van de centrale regering tegenover de opstandige beweging makkelijk had kunnen worden vermeden. Ik verzoek U, mijn rapporten en andere bescheiden van mij in ontvangst te willen

Station Gjaitsjoer, 9 juni 1919

Batjko-Makhno.

* * *

Intussen hadden zich de opstandige troepen, die bij Marioepol stonden, naar Pologi en naar de stad Alexandrowsk teruggetrokken. Heel onverwacht had Makhno zich bij hen aangesloten, nadat hij zich uit de armen, waarin de Bolsjewiki hem op het station Gjaitsjoer gevangen trachtten te houden, had bevrijd. De chef van de staf van het Makhnoleger Osterow, de leden van de staf Michaleff Pawlenko, Boerbya en enige leden van de revolutionaire oorlogsraad werden hierop door de Bolsjewiki op verraderlijke wijze gevangen genomen en ter dood veroordeeld. Dit was de inleiding tot het terechtstellen van vele andere Makhnovshchi, die toen in handen van de Bolsjewiki vielen.

De toestand, waarin Makhno zich bevond, was ongewoon moeilijk. Of hij moest zijn troepen, waarmee hij de moeilijkste ogenblikken van de Oekraïense revolutie had doorgemaakt, helemaal in de steek laten, of hij moest ze tot de strijd tegen de Bolsjewiki oproepen. Gezien de aanhoudende opmars van de Denikintroepen leek hem het laatste onmogelijk. Makhno heeft het, met de hem eigen scherpzinnigheid en zijn revolutionair instinkt schitterend verstaan, uit deze moeilijke toestand te komen. Hij richtte een uitvoerige oproep tot de opstandige troepen, waarin hij de nieuw ontstane toestand schilderde, vertelde dat hij als bevelhebber was afgetreden, en de opstandelingen verzocht, de strijd tegen de troepen van Denikin met dezelfde energie door te zetten als vroeger, zonder er zich echter door in de war te laten brengen, dat ze tijdelijk onder het commando van de bolsjewistische staf zouden staan.

Meer dan de helft van de Makhnotroepen gaf aan deze oproep gehoor en bleef in haar stellingen en stelden zich als troep onder het bevel van het rode leger.

Tegelijkertijd echter hadden de bevelhebbers van de opstandige troepen onderling afgesproken, het geschikte ogenblik of te wachten, dat zij zich allen weer onder het bevel van Makhno zouden kunnen scharen, zonder daardoor het front tegen de buitenlandse troepen te verzwakken. (Zoals wij later zullen zien, is dit ogenblik door de opstandelingen met een verbluffende fijnheid en nauwkeurigheid vastgesteld).

Hierop verdween Makhno met een kleine troep cavalerie. De regimenten van de opstandelingen, die nu tot rode regimenten werden omgevormd, gingen voort, onder het commando van hun vroegere bevelhebbers Kalasjnikow, Koerilenko, Klein, Dermendsji en anderen, tegen de troepen van Denikin te strijden en de opmars van die troepen tegen Alexandrowsk en Jekaterinoslaw tegen te houden.

Tot het laatste ogenblik was de omvang van het offensief van Denikin de vooraanstaande Bolsjewiki onbekend gebleven. Weinig dagen voor de val van Jekaterinoslaw en Charkow had Trotski verklaard, dat Denikin helemaal geen gevaar was, en dat alles in de Oekraïne in orde was. Wel is waar verklaarde hij heel kort daarna, dat hij zich verplicht zag, na de toestand nauwkeuriger te hebben bestudeerd, zijn mededelingen van gisteren terug te trekken, en dat hij de toestand van Charkow uiterst bedenkelijk moest noemen. Dit gebeurde echter op een ogenblik, waarop het iedereen duidelijk moest zijn, dat het lot van de hele Oekraïne al beslist was. Eind juni viel Jekaterinoslaw, anderhalf of twee weken later ook Charkow. De Bolsjewiki hielden zich nu niet met een offensief bezig, ja, zelfs niet met een defensief, maar ontruimden slechts de Oekraïne. Alle troepen van het rode leger waren voor dit doel gemobiliseerd. De ontruiming van de Oekraïne geschiedde in de meest letterlijke zin van het woord, zonder een zwaardslag.

Toen eerst, toen het overal duidelijk was, dat de Oekraïne door de Bolsjewiki was prijsgegeven, en deze er alleen op bedacht waren, de mannelijke bevolking in zo groot mogelijken getale, evenals het rollende materiaal, weg te slepen, hield Makhno het ogenblik voor gekomen, om het initiatief voor de strijd tegen de contra-revolutie in eigen handen te nemen en als zelfstandige revolutionaire macht zowel tegen Denikin als tegen de Bolsjewiki te strijden. De opstandelingen, die tijdelijk onder de rode banier hadden gestreden, werd het parool gegeven, de rode bevelhebbers ten val te brengen en zich onder het commando van Makhno aaneen te sluiten.

Hoofdstuk VII.

De grote terugtocht van de Makhnovshchina en hun overwinning

Grigorjews terechtstelling — De strijd bij Peregonowka — De nederlaag van Denikin — Tijdperk van vrijheid

We hebben reeds vermeld, dat Makhno, toen hij zijn plaats als bevelhebber van het opstandige leger opgaf, zich met een klein troepje cavalerie verwijderd had. Hij was in de richting van Alexandrowsk weggetrokken. Hier nu gelukte het hem, ofschoon de Bolsjewiki aan het front van station Gjaitsjoer graag een eind aan zijn leven gemaakt zagen, zijn ambt officieel neer te leggen en alle aangelegenheden van de opstandelingendivisie aan de nieuwe brigadecommandant, die zo juist namens de Bolsjewiki aangekomen was, over te geven. Deze overdracht had Makhno zó tot stand willen brengen, om zijn positie als commandant open en eerlijk neer te leggen, opdat de Bolsjewiki nooit redenen zouden hebben, om wegens dingen, die de divisie betroffen, een aanklacht tegen hem in te stellen. Het geheel was natuurlijk een fijn spel, dat Makhno gedwongen was, te spelen, en dat hij ook met succes beëindigde.

Intussen drukte Denikins offensief met al z’n zwaarte op de bevolking. Massa's boeren vluchtten redding zoekend tot Makhno als tot hun leider. Ook talrijke in 't rayon verspreide opstandelingen kwamen naar hem toe. In tin of twee weken had zich om Makhno een geheel nieuwe, opstandige troep gevormd. Met deze troep en een paar afdelingen van het oorspronkelijke opstandsleger, die voor Alexandrowsk aangekomen waren, begon Makhno de troepen van Denikin op te houden, waarbij zij zich langzaam terugtrokken, voortdurend bezig, zich een beeld van de toestand te scheppen, om zich behoorlijk te oriënteren.

De troepen van Denikin, die de Oekraïne snel bezetten, verloren Makhno geen ogenblik uit het oog, gedachtig aan de offers en geweldige inspanningen, die hij hun in de loop van de vorige winter gekost had. Ze rukten tegen hem op met een bijzonder korps, dat samengesteld was uit 12 tot 15 cavalerie- en infanterieregimenten. Het ging hier echter niet alleen om een strijd tegen het Makhno-leger. Bijna alle dorpen van 't Makhno-rayon, die door de troepen van Denikin werden bezet, werden verwoest. De boeren werden beroofd en uitgemoord. De officieren namen op hen wraak voor de revolutie.

Direct de eerste dag van de bezetting van Goeljaj-Pole door de troepen van Denikin werden talrijke boeren doodgeschoten, de bevolking werd gestraft en honderden boerenwagens, beladen met have en goed van de Goeljaj-Polsker bewoners, door Sjkoero-kozakken naar de Don en het Koebangebied weggevoerd. Bijna alle joodse vrouwen uit dit dorp werden verkracht.

Daarom ook volgden het terugtrekkende Makhno-leger duizenden boerenfamilies uit verschillende dorpen, met hun have en vee. Er had zich een geweldige tros gevormd, die honderden kilometers lang was. Dit was inderdaad een volksverhuizing, een geheel “rijk op wielen”, dat het leger naar 't westen volgde. Deze enorme, langzaam voorttrekkende massa vluchtelingen bleef op de meest verschillende plaatsen van de Oekraïne hangen. Verreweg de meesten hebben hun goederen en hun vaderland verloren; velen hebben hun leven moeten laten.

Vooreerst verschanste Makhno zich aan de Dnjepr bij de stad Alexandrowsk en hield een tijdlang de Kitsjkasker brug[1] bezet. Daarna trok hij zich voor de in overmacht optrekkende vijand naar Dolinskaja terug en vandaar naar Jelisawetgrad. Omstreeks deze tijd hadden de Sovjettroepen hun zelfstandige betekenis in de Oekraïne verloren. Een deel dezer troepen was naar Groot-Rusland afgetrokken, terwijl de troependelen, die in de Oekraïne gebleven waren, begonnen te wankelen, omdat zij het vertrouwen in hun kommandant verloren hadden.

Voor Makhno was het ogenblik gunstig, deze troepen in zijn leger op te nemen. Toch was zijn voornaamste bedoeling in die tijd iets anders.

Reeds lang deed zich op de achtergrond van de Oekraïense revolutionaire werkelijkheid een donkere vlek bemerken, die Makhno steeds door goed in 't oog gehouden had. Dat was de “Grigorjewstsjina.”

Ofschoon Grigorjew direct de eerste dagen na zijn actie tegen de Sovjetregering een groot deel van zijn aanhang verloren had, was zijn troep toch nog niet definitief ontbonden; hij had zich met enige afdelingen in 't gouvernement Cherson verschanst en voerde nu een guerrilla tegen de Bolsjewiki. De gevechtssterkte van de over het gouvernement verstrooide afdelingen, die zich onder zijn invloed bevonden, beliep een paar duizend man. Deze afdelingen overvielen vaak kleine kommando's van het rode leger, ontwapenden die, bezetten de dorpen en vernielden de spoorbanen. Vooral dit laatste werd door hen met voorliefde gedaan.

Grigorjew bewees een bekwaam guerillavoerder te zijn. In het rayon Snamenka, Alexandria en Jelisawetsgrad was veeleer hij de eigenlijk heersende dan de Bolsjewiki. Toch streed Grigorjew tegen de Sovjetregering niet om revolutionaire redenen, maar uit persoonlijke en bovendien revolutie-vijandige motieven. Daar hij over geen ook maar half-gevestigde ideologie beschikte, greep hij steeds naar t naastliggende: eerst was het de Petljoerowstsjina, dan het bolsjewisme, dan weer de Petljoerowstsjina, tenslotte echter Denikin.

Zonder twijfel was Grigorjew een revolutievijand en avonturier, het rayon echter en de massa, door hem geleid, waren revolutionair gezind. Deze laatste nu besloot Makhno zijn revolutionairen krachten ten nutte te maken. Dat kon alleen geschieden, wanneer Grigorjew en zijn staf met ge-weld verwijderd werden. Met de hem eigen directheid en rauwheid besloot Makhno, Grigorjew openlijk te ontmaskeren en te doden. De Bolsjewiki, deze staatsapparatici, die enige maanden lang met Grigorjew gestreden hadden, konden niets beters bedenken, dan een half millioen roebel op zijn hoofd te zetten; de helft van die som hadden zij op 't hoofd van elk zijner helpers gezet (proklamatie van de Sovjetregering, gepubliceerd in Juni 1919 in vele Oekraïense kranten). Onder de dwang van de revolutionaire noodzakelijkheid besloot de boerenrevolutionair Makhno, Grigorjew openlijk en revolutionair te ontmaskeren. Om vrije toegang tot hem te hebben, zocht Makhno voeling met hem en met zijn afdeling onder het voorwendsel van samenwerking aller vrijscharen.

Op voorstel van Makhno werd de 27ste Juli 1919 in het dorp Soentowo bij Alexandria in het gouvernement Cherson een kongres van de opstandigen van de gouvernementen Jekaterinoslaw, Cherson en Taurus aangekondigd.

Volgens de dagorder zou dit congres aller opstandige groepen van de Oekraïne bepaalde richtlijnen uitstippelen betreffende de gegeven situatie. Een grote massa van arbeiders en boeren, de afdelingen van Grigorjew en die van Makhno, tezamen ongeveer 20.000 man, kwam tezamen. Als referenten waren Grigorjew, Makhno en enkele partijgangers van de éne en andere beweging aangekondigd. Als eerste spreker trad Grigorjew op. Hij riep de boeren en opstandigen ertoe op, alle krachten in het werk te stellen, om de Bolsjewiki uit het land te verjagen, waarbij men er niet voor terugschrikken mocht, met wie dan ook, een bondgenootschap te sluiten. Grigorjew zag er niet tegen op, zich daartoe met Denikin te verenigen. Dan later, wanneer men het juk van 't bolsjewisme afgeworpen had, zou het volk zelf kunnen uitmaken, hoe het zijn leven in wilde richten. Deze verklaring was Grigorjew noodlottig. De strijder Tsjoebenko en Makhno zelf, die vlak daarop het woord namen, wezen er op, dat de strijd tegen de Bolsjewiki alleen dàn een revolutionair karakter hebben kon, wanneer die ter wille van de sociale revolutie gevoerd werd. Een verbond met de ergste volksvijand, met de generaals, zou een misdadig avontuur zijn en revolutie-vijandig. Tot zulk een contra-revolutie riep nu Grigorjew op, dus was hij een vijand van ’t volk. Hierop verlangde Makhno openlijk voor 't gehele congres van Grigorjew, rekenschap te geven van de afschuwelijke pogroms, die hij in mei 1919 in Jelisawetgrad aangericht had en van talrijke andere antisemietische demonstraties. “Zulke schoften als Grigorjew maken alle opstandigen van de Oekraïne te schande en hun plaats is in elk geval niet in de rijen van de eerlijke revolutionaire strijders.”

Met deze woorden besloot Makhno zijn tegen Grigorjew gerichte aanklacht. Deze merkte nu, dat de zaak voor hem een gevaarlijke keer ging nemen. Hij greep naar de wapenen. Maar het was te laat. Ssemjon Karetnik, één van de trouwste helpers van Makhno, legde hem met een paar revolverschoten neer; Makhno snelde toe en met de roep: “Dood aan de Ataman!“ gaf hij hem het genadeschot. Grigorjew's aanhang en de leden van zijn staf wilden hem te hulp snellen, maar werden ter plaatse door Makhnovshchi, die men oordeelkundig opgesteld had, neergeschoten. Dit alles gebeurde in enkele ogenblikken en voor de ogen van alle aanwezigen.

Eerst waren de congresgangers door 't gebeurde opgewonden; maar dan werden deze daden, na uiteenzettingen van Makhno, Tsjoebenko en andere leden van de Makhnovshchina, door 't congres gebillijkt en als historisch noodzakelijk aanvaard. Protocollair werd vastgesteld, dat de Makhnovshchina de verantwoording voor 't gebeurde en alle eventuele gevolgen aanvaardde.[2]

Alle vrijscharen echter, die onder Grigorjew's leiding gestaan hadden, sloten zich op grond van een congresresolutie bij het algemene revolutionaire Makhnoleger aan.

* * *

We hebben er reeds op gewezen, dat de weinige sovjettroepen, die zich nog in verschillende streken van de Oekraïne ophielden, met een geest van wantrouwen tegen hun kommandanten bezield waren. De schandelijke vlucht van de Sovjetregering uit de Oekraïne werd door hen als verraad aan de revolutie beschouwd. Makhno was het enige middelpunt van de revolutionaire hoop van heel het land. De blikken van allen, die ter plaatse voor de vrijheid wilden strijden, waren op hem gericht. Deze geest leefde ook in de rode troependelen, die in de Oekraïne waren achtergebleven. Eind juli organiseerden de bolsjewistische Krimtroepen een militaire opstand en sloten zich bij Makhno aan. Deze opstand was door Kalasjnikoff, Dermendsji en Boedanoff opgezet; dit waren vroegere Makhnovshchi, die nu in de rijen van 't rode leger streden. Van Nowy-Boeg af tot Pomostsjnaja toe trokken reusachtige troependelen van het rode leger op zoek naar Makhno; hun vroegere superieuren (Kotsjergin, Diebets, e.a.) voerden zij als gevangenen mee. De vereniging vond plaats begin augustus 1919 in de nabijheid van 't station Pomostsjnaja, in de streek van Dobrowelitsjkowka, gouvernement Cherson. Deze omzwaai was een harde slag voor de Bolsjewiki, omdat hierdoor hun strijdkrachten in de Oekraïne volkomen van 't toneel verdwenen waren.

De rayons om Pomostsjnaja, Jelisawetsgrad en Wosnossensk (bij Odessa) waren de eerste punten, waar Makhno halt maakte om orde in de troepenmassa’s te brengen, die hem van alle kanten toestroomden. Hier werden vier brigades infanterie- en cavalerietroepen, verder een artilleriedivisie en een machinegeweerregiment geformeerd, tezamen ongeveer 15.000 strijders.

Een enkele bereden troep, 150 tot 200 man sterk, die voortdurend om Makhno was, behoorde niet tot dit totaal. Met deze strijdkrachten nu begonnen de Makhnotroepen hun aanval op Denikin. De botsing was verbitterd. Meer dan eens werden de troepen van Denikin 50 tot 80 K.M. oostwaarts teruggeworpen. In 't verloop van de strijd veroverde de Makhnovshchi drie of vier pantsertreinen, waaronder de kolossale “Njepobedjimy”. Maar frisse troepen kwamen Denikin ter hulp en zo gelukte het hun, de Makhnovshchi weer naar 't westen terug te dringen. Een beslissend, numeriek overwicht was op hun zijde; ook waren zij veel beter bewapend. Want de Makhnotroepen beschikten bijna over geen patronen meer. Van drie aanvallen op Denikin waren er twee alleen ondernomen om patronen te veroveren. Bovendien moest Makhno ook tegen een bolsjewistische troep opereren, die van Odessa uit zich naar 't Noorden terugtrok.

Tengevolge van dit alles moest het terrein Jelisawetsgrad — Pomostsjnaja — Wosnessensk ontruimd en de terugtocht voortgezet worden.

De terugtocht geschiedde onder voortdurende strijd. De Denikin-troep, waardoor Makhno vervolgd werd, onderscheidde zich door buitengewone taaiheid en hardnekkigheid. Vooral de beide officiersregimenten waren ongewoon dapper: het eerste Simferopolse en het tweede Labinsker-regiment. Makhno, die aan de gevechten tegen deze regimenten deelnam, was verrukt over de standvastigheid en doodsverachting dezer mensen. Denikins ruiterij verdiende alle lof. De talrijke ruiterij van het rode leger, die later ontstond, was dit alleen maar naar de naam; zij kwam alleen maar in actie als 't werk door artillerie- en machinegeweervuur al gedaan was. In de loop van de gehele burgeroorlog heeft de rode ruiterij nergens de degen gekruist met die van Makhno, ofschoon de eerste numeriek veel sterker was. Geheel anders echter de kozakken- en Kaukasische cavalerieregimenten van Denikin. Zij lieten het op de strijd van man tegen man aankomen en reden in volle carrière op de vijand in zonder af te wachten, dat de artillerie aldaar eerst verwarring voor hen stichtte.

Niettemin heeft ook deze ruiterij meer dan eens in verbitterde gevechten met de Makhnovshchi zich de nek gebroken. De leiders van de Denikin-regimenten hebben in hun dagverslagen, die na gevechten de Makhnovshchi in handen vielen, vaak opgemerkt, dat de strijd tegen de Makhnowse cavalerie en artillerie het allermoeilijkste en verschrikkelijkste van geheel de veldtocht was.

Van midden augustus 1919 af begon deze troep Makhno zeer in 't nauw te drijven, waarbij zij er voortdurend op uit was, Makhno van verschillende zijden tegelijk aan te grijpen. Makhno zag dat de kleinste fout zijnerzijds noodlottig zou kunnen worden voor 't gehele leger. Daarom zocht hij naar een gunstig ogenblik, om de vijand beslissend slag te kunnen leveren. Noordwaarts waren de Denikintsi reeds tot Koersk doorgedrongen.

Makhno bestudeerde deze omstandigheid ernstig en begreep, dat, hoe verder zij in deze richting optrokken, hij des te zekerder hun etappenstelling zou kunnen vernielen.

Toch moest hij, ondanks deze overwegingen, zich steeds verder naar het westen terugtrekken onder de druk van de overtalrijke vijandelijke strijdkrachten. In de tweede helft van augustus verbond zich de troep van Denikin, die Makhno van uit het Dosten aanviel, met een tweede, die van Odessa en Wosnessensk af oprukte. De toestand werd steeds gevaarvoller. Toen gaf het opstandsleger het spoorweg-rayon prijs, nadat tevoren alle pantsertreinen opgeblazen waren. De terugtocht volgde nu langs landwegen van dorp tot dorp. De troepen van Denikin lieten niet los. Hun doel was niet alleen, Makhno te verslaan, maar zijn leger definitief te vernietigen.

Deze terugtocht geschiedde onder dagelijkse gevechten en duurde meer dan een maand, tot de Makhnotroepen de stad Oemanj bereikt hadden, die door troepen van Petljoera bezet was. De laatste bevonden zich in oorlogstoestand met de Denikintsi. Vanzelf rees nu dus de vraag, hoe zich tegenover de Petljoerowtsi te stellen. Moest men de strijd tegen hen aanbinden of was hier een andere tactiek gewenst? Het leger van Makhno voerde op dat ogenblik circa 8000 gewonden mee, die de allernoodzakelijkste doktershulp ontbeerden. Deze gewonden waren tot een zware reuzentros geworden, die achter het leger aansleepte en de bewegingen en militaire operaties ten zeerste belemmerde. Na grondige bespreking van het vraagstuk werd besloten, de Petljoera- troepen een onzijdige houding voor te stellen. Intussen was uit Oemanj een delegatie van Petljoera gearriveerd, die het standpunt van het Petljoera-commando t.o.v. de toestand uiteenzette. Dit kwam hier op neer, dat de Petljoera-troepen, die in oorlog met Denikin waren, geen nieuw front wensten en een botsing met de Makhnotroepen tot het uiterste wilden vermijden. Hierin kwamen zij dus de bedoelingen van Makhno tegemoet. Te Sjmerinka werd door afgevaardigden uit beide kampen een overeenkomst uitgewerkt, waarbij beide partijen zich verplichtten, de strengste neutraliteit t.o.v. elkaar in acht te nemen, ongeacht elks politieke stand-punt. Bovendien namen de Petljoerowtsi op zich, alle gewonde Makhnovshchi bij zich in lazaretten op te nemen.

Natuurlijk sloot Makhno, noch één zijner helpers de ogen voor het feit, dat deze neutraliteit slechts gefingeerd was; dat men zo niet vandaag, dan toch morgen rekening houden moest met een bondgenootschap tussen Denikin en Petljoera zodat deze tezamen zich op de Makhnovshchi zouden storten. Hoofdzaak was echter, één of twee weken tijd te winnen om de verwachte aanval, namelijk die van 't Westen uit, te verhinderen, omdat men dan in een val zou zitten. In feite echter waren de betrekkingen tussen de Makhno- en de Petljoeratroepen niet veranderd. Tot de massa's dezer laatste verhield men zich vriendelijk, doch voerde tegen de toppen van de Petljoerowstsjina dezelfde revolutionaire propaganda als voorheen en juist in deze tijd liet de revolutionaire oorlogsraad van 't Makhno-leger een oproep verschijnen onder de titel: “”Wie is Petljoera?”, waarin deze als verdediger van de bezittende klasse ontmaskerd werd, die door de hand van de werkende massa's de dood verdiende te vinden. Velen van de Petljoerase “Ssitsj”-manschappen[3] behoorden volgens geest en traditie bij Makhno en was de laatste niet zo erg door Denikin bedreigd geweest, stellig was het hem gelukt velen ervan tot zich te trekken. De Makhnovshchi dachten hieraan en het Petljoera-commando bevroedde het ook, geleerd als zij hadden van 't gebeurde met Grigorjew; zij gedroegen zich dus uiterst voorzichtig tegenover de Makhnovshchi.

De argwaan van de Makhnovshchi, dat de Pedjoerowtsi voeling zouden kunnen zoeken met Denikin om gemeenschappelijk tegen Makhno op te trekken, begon grond te krijgen. Volgens de getroffen overeenkomst met de Petljoerowtsi was het 't Makhnoleger vergund een tien vierkante kilometer groot gebied in 't rayon Tjekoetsj bij Oemanj te bezetten. In 't Noorden en Westen waren de Petljoeratroepen gelegerd; in 't Dosten en Zuiden (bij Golta) lagen de troepen van Denikin. Deze voorwaarde in de overeenkomst, die door Petljoera gesteld was, had al direct verdacht geleken. Enige dagen later kwamen meldingen binnen, dat onderhandelingen met het Denikin-commando over de omsingeling en vernietiging van Makhno met vereende krachten gevoerd werden. Juist omstreeks die tijd, d.w.z. op 24-25 september, doken in Makhno’s westelijke etappestellingen vier of vijf regimenten van Denikin op. Zij' hadden daar alleen kunnen komen, wanneer zij een door Petljoeratroepen bezet gebied hadden kunnen passeren, d.w.z. dus met directe hulp of toestemming van Petljoera.

's Avonds de 25ste september waren de troepen van Makhno van alle kanten door regimenten van Denikin omsingeld, waarbij de sterkste troependelen in 't Oosten stonden. Ook Oemanj was door Denikin bezet. Het ogenblik van snel handelen was dus nu gekomen. Het lot van geheel het opstandige leger stond hier beslist te worden.

* * *

De terugtocht van het Makhnoleger, die over een gebied van 600 werst geleid was, had ongeveer vier maanden geduurd. Deze terugtocht was buitengewoon moeilijk geweest. De opstandigen hadden schoenwerk noch kleren. In de verschrikkelijke hitte, door stofwolken omhuld, overgierd door een regen van kogels en granaten, trokken zij uit hun eigen gebied naar de onbekende verte. Toch waren allen vervuld van de gedachte, dat de vijand verslagen moest worden en geduldig werden de lasten van de terugtocht gedragen. Soms hoorde men wel eens ongeduldige lieden roepen: “Terug! Naar de Dnjepr!” Maar door de onverbiddelijke dwang van de omstandigheden werden zij steeds verder gevoerd van hun Dnjepr, van hun vrije, trotse geboortegebied. En weer volgden zij met groot uithoudingsvermogen, met ingespannen wil, door kogels bestookt, hun leider. Het eindpunt van de terugtocht werd Oemanj. Een verder terug was er niet. Van alle zijden waren zij door vijanden omringd. Hier nu verklaarde Makhno met de hem eigen eenvoud, waardoor hij verstond de heldenmoed van zijn kameraden op te wekken, dat de gehele voorafgaande terugtocht niet anders dan een onvermijdelijke strategische manoeuvre geweest was en dat de eigenlijke slag morgen, d.w.z. 26 september beginnen zou.

De plaatsing van de Denikin-troepen in noordelijke richting zowel als op de andere fronten werd goed overwogen. Makhno was vervuld van de zekerheid, dat het lot hem hier een wonderbaarlijk geschenk deed, door hem de mogelijkheid te geven, de gehele Denikinse contra-revolutie hier de doodsteek toe te brengen. Deze mogelijkheid bood zich hier aan als een tastbaar feit. Het ging er alleen maar om, de Denikinse vuist te vermorzelen, die hier bij Oemanj direct tegen het Makhno-leger opgeheven werd.

De Makhno-troepen, die al die maanden lang voortdurend naar het Westen getrokken waren, keerden onverwachts op 25 en 26 september al hun krachten naar het Oosten en stonden daardoor vlak voor de voornaamste strijdkrachten van Denikin.

In de avond van de 25ste september kwam het bij het dorp Kroetjenkoje tot een strijd tussen de 1ste Makhno- brigade en de troepen van Denikin. De laatsten trokken zich terug en begonnen zich te verschansen, terwijl zij hun tegenstander trachtten te verleiden hen te achtervolgen; maar Makhno deed dit niet. Hierdoor werd de waakzaamheid van de Denikintsi verzwakt, omdat deze dachten, dat het opstandsleger nog steeds in de oude richting oprukte, n.l. naar het Westen. Intussen echter hadden de Makhno-troepen, die in enige dorpen bivakkeerden, in 't holst van de nacht rechtsomkeert gemaakt en zich weer naar het Oosten tegen de vijand gewend, die met zijn voornaamste strijdkrachten bij Peregonowka gelegerd lag, dat door troepen van Makhno bezet was (zie de kaart).

Tussen drie en vier uur 's morgens begon de slag. Zonder onderbreking duurde die voort, ontplooide zich en nam in heftigheid toe. Tegen acht uur in de morgen had zij haar hoogtepunt bereikt. Het machinegeweervuur was tot een onafgebroken stormgebrul geworden. Makhno zelf was met zijn honderdschap reeds gedurende de nacht verdwenen; hij was om de vijand heengetrokken en gedurende 't verloop van de gehele veldslag kwamen er geen berichten van hem binnen. Tegen negen uur in de morgen begonnen de Makhnovshchi zich terug te trekken. Reeds was de strijd verlegd naar de buitenzijde van 't dorp. De Denikintsi hadden alle beschikbare strijdkrachten uit verschillende plaatsen samengetrokken en de Makhnotroepen werden door kogelregens overstroomd. De leden van Makhno's staf en alle overigen, die zich in ’t dorp zelf bevonden en nog een geweer konden hanteren, rukten in ketens op. Het kritieke ogenblik was gekomen, dat de slag en daarmee alles verloren scheen. In het dorp weerklonk het alarmsignaal, dat allen, ook de vrouwen, de geweren grijpen en zich voor het straatgevecht gereed moesten houden. Allen hadden zich op het laatste ogenblik van de strijd en van hun leven voorbereid. Plotseling echter scheen het gebrul van de machinegeweren en het hoera-geroep zich te verwijderen; het klonk steeds verder af en eindelijk begrepen de in ’t dorp verblijvenden, dat de vijand teruggeslagen was en de strijd nu weer verder af woedde. Deze afloop van de strijd was ’t gevolg van Makhno’s plotseling persoonlijk ingrijpen. Reeds op het moment, dat de Makhnovshchi terugtrokken en de strijd dicht bij het dorp begon te woeden, viel de uitgeputte en met stof bedekte Makhno, met zijn handvol mannen uit een kloof opduikend, de vijand in de flank aan. Zwijgend, zonder enig geroep, alleen door de brandende wil tot overwinning bezield, stormde hij met zijn honderdschap in gesloten carré op de vijand los en brak in diens rijen. Als was alle vermoeidheid verdwenen, zo schepten de terugtrekkenden weer moed.

“De Batjko verslaat ze!” weerklonk 't in de massa's. En met verhonderdvoudigde energie stormden allen weer vooruit, hun geliefde leider na, die een zekere dood tegemoet scheen te gaan. Het kwam tot een verbitterd handgemeen, tot een “roebka” (slachtpartij) zoals de Makhnovshchi dat noemden. Hoe standvastig het eerste Simferopols officierenregiment ook zijn mocht, toch werd het verslagen en begon zich snel terug te trekken, eerst, misschien tien minuten lang in goede orde, gelederen vormend en erop bedacht, de overwinnaars af te weren, dan echter eenvoudig in panische vlucht. Op dit regiment volgden de andere en tenslotte namen alle Denikin-troepen de vlucht, naar de rivier Ssinjoecha toe, die zij trachtten over te steken, om zich op de andere oever te verschansen.

Makhno wist de kans van het ogenblik uitstekend te gebruiken en haastte zich, uit de overwinning te halen, wat er uit te halen was. Hij liet al zijn cavalerie en artillerie in volle snelheid aan de achtervolging deelnemen, terwijl hij zelf met zijn snelste cavalerieregiment iets meer naar rechts aanhield om de vijand de terugweg af te snijden. De achtervolging geschiedde over een breedte van 12 tot 15 kilometer. Juist op 't goede ogenblik, toen de Denikintroepen de oever van de rivier bereikt hadden, werden zij ingehaald. Enige honderden verdronken in de vloed. De meesten gelukte het, de andere kant te bereiken, maar hier werden zij door Makhno opgevangen. Ook de staf van de Denikintsi en een reserve-regiment, dat aan de andere zijde stond, werd gevangen genomen. Van alle troependelen, die de Makhnotroepen in de laatste anderhalve maand zo hardnekkig vervolgd hadden, gelukte het maar weinigen, te ontkomen. Het eerste Simferopolse officierenregiment zo ook enkele andere regimenten werden tot de laatste man neergeslagen. Een weglengte van twee tot drie kilometer was met de lijken van gevallen vijanden dicht bezaaid. Hoe drukkend dit schouwspel sommigen ook schijnen moge, het was het natuurlijke gevolg van de speciale strijd van de Denikintsi tegen het Makhnoleger. In de loop van heel de tijd van de achtervolging was er alleen de volkomen vernietiging van het Makhnoleger ter sprake geweest. Had Makhno ook maar de kleinste fout gemaakt, dan had hetzelfde lot hem en zijn opstandsleger getroffen. Hierbij zou men ook de vrouwen, die hun mannen noodgedwongen in het leger hadden moeten volgen, niet gespaard hebben. In dat opzicht hadden de Makhnovshchi voldoende leergeld betaald.

* * *

Onder de boeren van Groot-Rusland doet een sage de ronde over Poegatsjew. Toen hij na zijn opstand in handen van de regering viel, moet hij tot de adellijke heren, die hem omringden, gezegd hebben: “Ik heb u met mijn opstand slechts verschrikt.[4] Maar wacht slechts af, na mij zal een bezem komen, die u allen wegvegen zal”. In 't verloop van geheel zijn revolutionaire werkzaamheid, — vooral echter gedurende de periode van de vernietiging van de Denikintsi, bleek Makhno deze historische bezem te zijn.

Nadat hij de sterkste stoottroep van 't Denikinleger verslagen had, aarzelde hij geen ogenblik zijn troepen in drie richtingen te laten afmarcheren. Als een geweldige reuzenbezem trok hij door het land en veegde elke geest van uitbuiting en knechtschap weg. Landgoedeigenaars, groot-boeren, politielui, priesters, dorpsautoriteiten en officieren, die zich verborgen gehouden hadden, — zij allen vielen op die tochten de Makhno-troepen in handen. De gevangenissen en de politiebureau! — deze symbolen van de volksverslaving, liet hij vernielen. Een elk, waarvan bewezen kon worden, dat hij boeren en arbeiders beledigd had, moest het leven laten. In hoofdzaak waren het landgoedbezitters en rijke groot-boeren, die in deze periode omkwamen. Dit mag o.a. als bewijs ervoor dienen, hoe belachelijk de bolsjewistische leugenberichten zijn, die de Makhnovshchina als een groot- boerenbeweging voorstellen. In werkelijkheid waren de dingen zo, dat de groot-boeren overal, waar de Makhnovshchina vaste voet kreeg, steun bij de Sovjetregering zochten en ook vonden.

De terugtocht van het leger naar de Dnjepr voltrok zich met sprookjesachtige snelheid. Op de dag na de overwinning over de Denikintsi bij Peregonowka was Makhno reeds meer dan 100 kilometer van 't slagveld ver. Hij zelf trok met zijn honderdschap ongeveer 40 werst voor de rest van de troepen uit. De dag daarop hadden de Makhnovshchi reeds Dolinskaja en Kriwoj Rog bezet en stonden dicht bij Nikopol. En weer een dag later werd de brug over de Dnjepr bij Kitsjkass bestormd en de stad Alexandrowsk bezet. De troepen van Makhno raasden door een a.h.w. betoverd, in slaap liggend land; niemand wist van hun doorbraak bij Oemanj, niemand had er een idee van, waar zij eigenlijk waren; de regeringsinstanties hadden nog geen enkele maatregel genomen en verkeerden in de gebruikelijke etappenslaap. Zo kwam het dan, dat de Makhnovshchi onverwacht als lente-onweer overal over de vijand heen vielen. Na Alexandrowsk werden Pologi, Goeljaj-Pole, Berdjansk, Melitopol, Marioepol veroverd. In het tijdsbestek van ongeveer anderhalve week was geheel het Zuiden van de Oekraïne van troepen en regeringsinstellingen van Denikin gezuiverd.

De bezetting van de Zuid-Oekraïne door de Makhnovshchi — voor alles de bezetting van het Asowse gouvernement was een dodelijk gevaar voor de gehele anti-revolutionaire campagne van Denikin. De zaak stond namelijk zo, dat zich in de streek Marioepol-Wolnowacha de eigenlijke verzorgingsbasis voor het leger van Denikin bevond. Bij de bezetting van Berdjansk en Marioepol bleek, dat daar ontzaglijke hoeveelheden munitie en wapenen opgestapeld waren. In Wolnowacha werden gehele stapels vuurwapenen gevonden. Ofschoon nu Wolnowacha nog niet door de Makhnovshchi veroverd was — er werd vijf dagen lang om ’t bezit van die plaats gestreden — zo kon toch Denikin's leger van hier uit niet meer verzorgd worden, daar de voornaamste spoorbanen van 't gehele rayon zich in handen van de Makhno-troepen bevonden. Denikin's etappentroepen, die dit rayon te bedienen hadden, waren verdwenen. Op deze wijze was geheel de reusachtige artilleriebasis binnen 't bereik van de Makhnovshchi gekomen en kon van dat ogenblik af geen patroon naar het Noorden of naar welk ander front ook, gestuurd worden.

In allerijl stuurde Denikin de troepen, die bij Taganrog in reserve gelegen hadden, op Makhno af; maar ook deze troepen werden verslagen en golfsgewijs drongen nu de afdelingen van Makhno het Donetsbekken in naar ’t Noorden toe. Omstreeks zo oktober bezetten de Makhnotroepen Jekaterinowslaw en de omliggende plaatsen. Toen eerst erkende de Denikintsi, hoe de zaken werkelijk stonden. Zij verklaarden, dat het centrum van de strijd van 't Noorden naar ‘t Zuiden verschoven was en hun lot in 't Zuiden beslist zou worden. In een oproep aan de kozakken verklaarde generaal Mai-Majewski: het ogenblik van onmiddellijk gevaar voor ons land is gekomen. De vijand dreigt in 't Zuiden en bedreigt ons vaderland. Wij moeten daarheen snellen, om ons land te verdedigen (uit een redevoering van Mai-Majewski, die in een Denikin-krant afgedrukt werd).

Daar de zaken nu zo stonden, nam Denikin zijn beste cavalerietroepen, namelijk de afdelingen van Mamontoff en Sjkoero van het noordelijk front weg en wierp die in 't Goeljaj-Polsker rayon in de strijd. Maar 't was al te laat. Het gehele gebied van de kusten van de Zwarte zee en de zee van Asow af tot aan Charkow en Poltawa toe stond in vlammen. Een tijdlang scheen het er uit te zien, alsof Denikin, omdat hij over frisse troepen en talrijke pantserwagens beschikte, de troepen van Makhno uit enkele plaatsen, zoals Marioepol, Berdjansk en Goeljaj-Pole zou verdrijven. Maar dat betekende alleen, dat Makhno zijnerzijds Ssinelnikowo, Pawlograd, Jekaterinoslaw en een reeks andere plaatsen bezette. In oktober en november laaide de strijd weer overal hevig op en wederom leden de troepen van Denikin enige beslissende nederlagen. Het ergst werden de Kaukasische afdelingen, de Tsjetsjeense, e.a. geteisterd, daar enige duizenden van hen in de loop dezer maanden vielen. Eind november verklaarde de Tsjetsjeense categorisch dat zij niet langer tegen Makhno wensten te strijden; zij verlieten eigenmachtig het Denikin-leger en trokken zich weer in de Kaukasus terug. Daarmee begon het algemene verval van het leger.

In de strijd tegen de Makhnovshchina in Zuid-Rusland hadden de Denikintsi een volledige nederlaag geleden. Daarmee was omtrent het resultaat van hun veldtocht tegen de Russische revolutie beslist.

Zo moeten wij hier dan ter wille van de geschiedkundige waarheid verklaren, dat de eer, de Denikinse contra-revolutie in de herfst van 1919 ten val gebracht te hebben, voor alles aan de Makhno-troepen toekomt. Had de doorbraak bij Oemanj en de daarop volgende vernietiging van de etappenstellingen, de artillerie- en verzorgingsbases van de Denikintsi niet plaats gevonden, dan waren de laatsten naar alle waarschijnlijkheid reeds in december 1919 Moskou binnengerukt. De veldslag tussen de rode en de Denikin-troepen bij Orjol had slechts geringe betekenis. Eigenlijk was de terugtocht van de Denikin-troepen in 't Zuiden reeds eerder aangevangen, namelijk in samenhang met de vernietiging van de etappe. Alle volgende militaire operaties hadden slechts dit ten doel: de terugtocht zo pijnloos mogelijk te doen geschieden en het legergoed te bergen. De gehele streek door — van Orjol en Koersk tot aan de kust van de Zee van Asow en de Zwarte zee — kon het rode leger ongehinderd oprukken. Het rukte de Oekraïne en de Kaukasus in, precies als indertijd na de val van de hetman, langs wegen, die reeds gezuiverd waren.

* * *

De militaire aangelegenheden hadden in deze tijd bijna alle krachten van de Makhnovshchi in beslag genomen. De oorlogstoestand, waarin zich het rayon bevond, werkte op de scheppende werkzaamheid naar binnen uiterst ongunstig. Desondanks toonden de Makhnovshchi ook op dit gebied de nodige initiatieven en waren op velerlei gebied werkzaam. Voor alles trachtten zij overal een belangrijk misverstand op te helderen, namelijk, dat zij een nieuwe regering of een partij zouden zijn. Wanneer zij de één of andere stad binnenrukten, verklaarden zij telkens, dat zij geen enkele regering vertegenwoordigden, dat hun oorlogsmacht niemand tot iets verplichtte, maar alleen de vrijheid van de werkenden beschermde. De vrijheid van boeren en arbeiders berustte in dier eigen handen en kon daarom door niemand beperkt worden. Op alle gebieden des levens moesten zij het zo inrichten, als zij het zelf voor noodzakelijk hielden. De Makhnovshchi konden hun daarbij slechts met raad helpen, met hun cultuurarbeiders of met hun oorlogsmacht, in geen geval echter zouden zij hun ook maar 't geringste willen voorschrijven.[5]

Alexandrowsk en het aangrenzende rayon was het eerste gebied, waar de Makhnovshchi zich voor langere tijd vastzetten. Daar wendden ze zich voor alles tot de arbeidersmassa’s en riepen die op, aan de algemene beraadslaging van de arbeiders over de stad deel te nemen. Deze beraadslaging kwam ook tot stand. Hier werd de militaire toestand van het gehele rayon besproken en het voorstel gedaan, het leven in de stad, in de fabrieken en werkplaatsen met de voorhanden krachten van de arbeiders en hun organisaties zelf te regelen op de basis van arbeid en gelijkheid. Dit voorstel werd door de arbeiders levendig begroet, maar toch aarzelden zij het in de daad om te zetten, eerstens, omdat de uitvoering ervan hun op dat ogenblik te zwaar leek en ten tweede en dat vóór alles, wegens de nabijheid van het front, omdat dit hun onwillekeurig de gedachte gaf, dat de toestand van de stad onzeker was. op de eerste beraadslaging volgde een tweede. Het vraagstuk, het leven op grond van zelfbestuur door de arbeiders te organiseren, werd uitvoerig uiteengezet en door de massa besproken, die aan de grondgedachte van zelfbestuur van de arbeid absoluut vasthield, hoewel zij nog niet de concrete vormen vinden kon hiervoor. De spoorwegarbeiders maakten een begin. Ze organiseerden een spoorwegcomité, namen de exploitatie van de (lokale) spoorbanen van hun rayon over, stelden een dienstregeling samen, een regeling voor passagiersvervoer, een systeem van tarieven, enz. Het proletariaat van de stad Alexandrowsk begon er systematisch aan te werken, zelfbestuursorganen te scheppen.

Spoedig na deze beraadslagingen kwam er een rayoncongres van boeren en arbeiders tot stand, dat de 20ste Oktober 1919 in Alexandrowsk daagde. Er waren meer dan 200 afgevaardigden verschenen, waarvan 180 boeren, de rest arbeiders. De besprekingen gingen over: te. de militaire toestand: strijd tegen de troepen van Denikin, aanvulling en onderhoud van het opstandsleger en 2e. de vraag van de inwendige opbouw.

Het congreswerk duurde ongeveer een week en er heerste een opgewekte stemming. De bijzondere omstandigheden werkten daar niet in het minst toe mee. Eerstens was de zegevierende terugkomst van het Makhnoleger in het geboorteland een zeer buitengewone gebeurtenis voor de boeren, die allen in dit leger wel bloedverwanten hadden. De hoofdzaak was echter, dat het congres in volkomen vrijheid bijeen was. Er was niet de geringste druk van buiten af te bespeuren. Bovendien had dit congres een heel waardevol medewerker en referent gevonden in de persoon van de anarchist Voline, die tot grote verbazing van de boeren hun streven en verlangen het beste tot uitdrukking wist te brengen. De idee van de vrije sovjets, die overeenkomstig de wilsuiting van de plaatselijke arbeiders werken zouden, — de verbinding van de boeren met de stadsarbeiders op grond van wederkerig ter beschikking stellen van hun arbeidsproducten — de gedachte van een gelijke en regeringloze organisatie van het eigen leven — al deze ideeën, die Voline in zijn voordrachten naar voren bracht, waren tegelijkertijd ook de levende kernen van het boeren gedachteleven. Anders hadden de boeren zich de revolutie en de revolutionaire opbouw ook niet ingedacht.

De eerste dag trachtten de vertegenwoordigers van politieke partijen het congreswerk te storen — maar zij werden door 't congres tot de orde geroepen en zo kon het werk in volkomen eenstemmigheid van de deelnemers verder gaan.

De laatste dagen was 't congres a.h.w. tot een schoon gedicht geworden. Zakelijke resoluties en enthousiaste tonelen wisselden elkaar af. Het geloof aan de eigen kracht en de macht van de revolutie begeesterden allen. De ware vrijheid, die nog maar weinigen vermogen te ondervinden, zweefde over het congres. Ieder zag in feite vóór zich het geweldige werk, waarvoor alle krachten te geven, ja, het leven te offeren, de moeite waard was. De boeren, waaronder talrijke bejaarden, ja, grijsaards te vinden waren, zeiden, dat dit het eerste congres was, waar zij zich niet alleen vrij, maar ook als broeders onder elkaar voelden en nooit zouden zij dat vergeten. En wel geen enkele deelnemer zal het kunnen vergeten. Velen, zo niet allen, is dit congres als de schoonste droom van 't leven bijgebleven, omdat de grote vrijheid de mensen tot elkaar gebracht had, zodat zij zich als één hart en één ziel voelden.

De vraagstukken, die het congres bezig hielden, handelden in de eerste plaats over de vergroting en versterking van 't opstandsleger. Er werd bij congresresolutie besloten, het leger aan te vullen met de gehele mannelijke bevolking tot 48 jaar oud. Deze aanvulling moest overeenstemmen met de geest van 't vorig congresbesluit, d.w.z. zij moest vrijwillig zijn, doch zo compleet mogelijk vanwege de gevaarlijke situatie van het rayon. Reeds eerder hebben wij opgemerkt, in welke geest het besluit van het tweede rayoncongres van 12 februari 1919 over de vrijwillige mobilisatie van de laatste tien jaargangen genomen was. In diezelfde zin werd nu ook het mobilisatiebesluit door dit congres genomen. Het onderhoud van het leger zou door vrijwillige bijdragen van de boeren, door oorlogsbuit en door rekwisities bij de rijke stand bestreden worden. Wat de inwendige opbouw betreft, is door dit congres slechts in het algemeen de gedachte uitgesproken, dat de werkenden, elk in zijn plaats, moesten zorgen zonder enig uiterlijk bestuur hun eigen leven naar eigen inzicht op te bouwen.

Toen de boeren uitéengingen, werd als bijzonder belangrijke noodzakelijkheid beklemtoond, dat de congresbesluiten ook werkelijk doorgevoerd moesten worden. De naar huis reizende afgevaardigden namen de congresresoluties mee en zorgden voor de verbreiding daarvan in streken en dorpen. Zonder twijfel zouden na drie of vier weken reeds zeer reële resultaten van dit congres te zien zijn geweest en het volgende arbeiders- en boerencongres zou grotere massa’s werkenden getrokken hebben. De vrijheid dezer laatsten wordt echter steeds, door de ergste vijand: de macht, bedreigd. Nauwelijks waren de congresafgevaardigden weer in hun geboorteplaatsen terug, of velen daarvan werden door troepen van Denikin bezet, die in groten getale van het Noordelijk front aangesneld kwamen. Wel was deze bezetting niet van lange duur en was als het laatste krampachtige stuiptrekken van de vijand, maar toch werd daardoor op 't kostbaarste ogenblik het scheppende werk van de boeren in hun dorpen onderbroken. Daar ook vanuit het Noorden reeds een andere macht op kwam zetten, die niet minder onverzoenlijk tegenover de vrijheid van de massa’s stond, n.l. het bolsjewisme, heeft deze bezetting aan het werken van de arbeiders ontzaglijke schade toegebracht: na het eerste rayoncongres gelukte het niet, verdere congressen te beleggen, ja, het lukte zelfs niet, de besluiten van het eerste congres door te voeren.

In Jekaterinoslaw, dat gedurende het congres door het opstandige leger bezet was, waren de tijdsomstandigheden voor inwendig economisch opbouwwerk nog minder gunstig. De uit de stad verdreven Denikintsi hadden tijd gevonden, zich op de tegenover liggende, linker Dnepr-oever te verschansen en nu bombardeerden zij de stad dagelijks een maand lang van hun talrijke pantsertreinen uit. Telkens, wanneer op instigatie van de cultuurafdeling van het Makhnoleger een arbeidersbijeenkomst in de stad bijeengeroepen was, openden de uitstekend ingelichte troepen van Denikin versterkt artillerievuur en maakten op die wijze aan de beraadslagingen een eind. Ernstig, systematisch werk op dit gebied was in de stad absoluut onmogelijk. Het lukte slechts, enige vergaderingen in het centrum van de stad en in de buitenwijken te houden. Wel was het de Makhnovshchi uitstekend gelukt, het dagblad “Poetj k Swobode” uit te geven; spoedig daarop verscheen ook als dochterstichting van deze krant het dagblad “Sjlach do Woli” in de Oekraïense taal.[6]

* * *

In het gehele bevrijde gedeelte waren de Makhnovshchi de enige organisatie, welke over een positieve macht beschikte, met behulp waarvan zij haar tegenstanders haar wil dikteren kon. Zij hebben echter deze macht nimmer misbruikt, om tot politieke heerschappij te geraken, en gebruikten haar ook niet speciaal tegen politieke tegenstanders. Oorlogsvijanden, arbeidersverraders, het staatsapparaat, de gevangenissen en dergelijke waren het waartegen zij haar strijdmacht moesten gebruiken.

Gevangenissen zijn het symbool van de knechting des volks. Altijd waren ze er enkel en alleen voor het volk, voor de arbeiders en de boeren. De bourgeoisie van alle landen heeft in de historie steeds getracht de oproerige geknechte massa door middel van de gevangenis te temmen. Ook in onze tijd, in de tijd van de “Communistische” en “Socialistische“ staat wordt in hoofdzaak het proletariaat door de gevangenissen verslonden. Een vrij volk heeft geen behoefte aan gevangenissen; zijn deze er echter, dan is dat volk niet vrij. De gevangenis is een tegen de arbeiders gerichte eeuwige bedreiging, een aanslag op haar geweten en vrijheid, een teken van haar slavernij.

Zo definieerden de Makhnovshchi hun verhouding tot het gevangeniswezen. Van dit standpunt uitgaande vernielden zij waar ze maar konden de gevangenissen. De gevangenis van Berdjansk werd met behulp ener grote revolutionaire volksmassa, vernietigd, door haar in de lucht te laten vliegen. De gevangenissen in Alexandrowsk, Kriwoj-Rog, Jekaterinoslaw en in vele andere plaatsen werden door de Makhnovshchi vernietigd. Deze daden werden door de arbeiders steeds met sympathie begroet.

* * *

Met de grootste voldoening kunnen we vaststellen, dat de Makhnovshchi het revolutionaire principe van vrijheid van spreken, schrijven, van geweten etc. volledig verwerkelijkt hebben. In alle steden en dorpen, welke door de Makhnovshchi werden bezet werden alle verboden, welke, ongeacht door welke regering genomen tegen de een of andere courant, of politieke partij, weer opgeheven. De pers werd over het algemeen volkomen vrij gelaten, gelijk ook de diverse organisaties en vergaderingen. Gedurende de korte tijd van anderhalve maand, in welke tijd de Makhnovshchi in Jekaterinoslaw verbleven, ontstonden daar vijf of zes couranten van de meest verschillende politieke richtingen, een orgaan van de rechtse Sociaal-Revolutionairen “Snamja Wosstania” een bolsjewistisch ogaan “Swesda” en anderen. Intussen hadden de Bolsjewiki wel het minst op organisatie- en persvrijheid kunnen rekenen. In de eerste plaats daarom, aangezien juist zij alle pers- en organisatievrijheid op alle mogelijke manieren hadden onderdrukt, ten tweede, omdat haar afdeling in Goeljaj-Pole had deelgenomen aan de verraderlijke daden aldaar door hen bedreven en daarvoor ook de volledige verantwoording moest dragen. Doch om de idee van de vrijheid van woord en organisatie niet te bezoedelen, liet men ook hun deze onverkort, en liet hun in vereniging met alle andere politieke richtingen alle rechten, welke op de banier van de proletarische revolutie staan geschreven.

Het enige punt, waarin de Makhnovshchi de Bolsjewiki, de Sociaal-Revolutionairen en anderen aanhangers van de staatssoevereiniteit beperkingen oplegden, was de organisatie van het autoritaire “Revolutiecomité”. Nadat de Makhnovshchi Alexandrowsk en Jekaterinoslaw hadden bezet, stichtten de Bolsjewiki onmiddellijk hun “Revolutiecomité”, met het doel, door middel van dit comité hun macht over de bevolking te organiseren. In Alexandrowsk verschenen nog wel leden van het “Revolutiecomité” bij Makhno, en sloegen hem voor de stad in invloedssferen in te delen, d.w.z. hij (Makhno) zou alle militaire bevoegdheid behouden, hun echter op politiek gebied volledig de vrije hand laten. Makhno gaf hun de raad zich te verwijderen en op openhartige wijze te strijden, hij dreigde dat hij het gehele “Revolutiecomité” zou laten executeren, indien dit ten opzichte van de arbeiders maatregelen zou willen nemen met het klaarblijkelijke doel deze te willen beheersen. OP gelijke manier werd een “Revolutiecomité” in Jekaterinoslaw opgeheven. In dit opzicht waren de Makhnovshchi volkomen principieel. Indien ze de volledige vrijheid van woord, pers en organisatie beschermden, troffen ze gelijktijdig alle maatregelen tegen zodanige politieke organisaties, die de arbeiders haar wil en heerschappij met geweld wilden opleggen. Toen in november 1919 bleek, dat de commandant van het derde Krimse opstandsleger Polonski aan een zodanige organisatie deelnam, werd hij tezamen met andere leden van deze organisatie doodgeschoten.

Ten opzichte van de vrijheid van pers en organisatie, formuleerden de Makhnovshchi hun gedachten als volgt:

1. Alle socialistische politieke partijen, organisaties en stromingen zonder uitzondering, wordt volledige vrijheid gelaten, hare opvattingen, ideeën, theorieën en meningen zowel mondeling als schriftelijk te verspreiden.

Beperkingen van de vrijheid van de propaganda van het socialistische woord en de socialistische pen alsmede vervolgingen, zullen in geen geval plaats hebben. Bemerking. Militaire mededelingen mogen echter slechts gepubliceerd worden, wanneer zij door de redactie van het hoofdorgaan van de revolutionaire opstandigen “Poetj k Swobode” beschikbaar worden gesteld.

2. Waar alle politieke partijen en organisaties volledige vrijheid gelaten wordt hun ideeën te verkondigen, waarschuwt het leger van de Makhnovshchi gelijktijdig alle partijen, dat de voorbereiding, organisatie en het opdringen ener politieke heerschappij, die met de vrije propaganda van haar ideeën niet overeenkomt, door het revolutionair-opstandige leger in géén geval zal worden geduld.

De revolutionaire oorlogsraad van het opstandelingenleger van de Makhnovshchi.

Jekaterinoslaw, 5 Nov. 1919.

In het gehele verloop van de Russische revolutie was de periode van de Makhnovshchina, de enige welke de volledige vrijheid in al hare verschijningsvormen verwerkelijkt heeft. Al was de positie van de stad Alexandrowsk en in het bijzonder van Jekaterinoslaw, dat dagelijks uit de pantsertreinen van Denikin beschoten werd, zeer gevaarlijk, toch hebben de arbeiders van beide plaatsen in deze zware tijd voor de eerste maal in de geschiedenis zo gehandeld, zoals zij wilden en wat zij wilden. Buitendien hadden zij de grote mogelijkheid in handen, hun leven naar eigen goeddunken in te richten. Na een maand ontruimden de Makhnovshchi Jekaterinoslaw, doch ze hadden kunnen aantonen, dat de arbeiders de vrijheid zelf in handen hielden, en dat zij pas zich begon te ontwikkelen, wanneer in haar midden de Idee van de heerschappijloosheid en gelijkheid wortel begon te schieten.

Hoofdstuk IIX.

Fouten van de Makhnovshchi - Tweede overval van de Bolsjewiki op het opstandsgebied

De kracht welke de Makhnovshchi in de strijd tegen Denikin ontwikkelden, was kolossaal. Hun heldenmoed en de in het verloop van de laatste periode, een half jaar durende strijd, wekten grote bewondering. In het gehele bevrijde gebied waren zij de enigen welke het gevaar van een contra-revolutie door Denikin vroegtijdig hadden bezworen.

Deze omstandigheden gaven aan veel Makhnovshchi de rotsvaste overtuiging, dat zij nu, dank zij de vaststaande mening van de boeren en arbeiders, tegen de provocatie van de Bolsjewiki beschermd waren, dat het 't rode leger hetwelk van het Noorden oprukte, duidelijk moest zijn, hoezeer de Makhnovshchi door de bolsjewistische partij ten onrechte aangeklaagd werden, dat het rode leger niet het slachtoffer zou worden van herhaald bedrog en provocatie, maar zich onmiddellijk bij de eerste ontmoeting met de Makhnovshchi zou verbroederen.

Ja, meer dan dat, het optimisme van enige Makhnovshchi ging zo ver, dat zij niet geloofden, dat de bolsjewistische partij het zou wagen, gezien de vriendelijke houding ten opzichte van Makhno van de massa, een nieuwe samenzwering tegen het vrije volk op touw te zetten. In de lijn van deze mentaliteit van de Makhnovshchi ontwikkelde zich ook haar militaire en revolutionaire werkzaamheid. Zij vergenoegden zich ermee een gedeelte van het Dnjepr- en Donetsgebied te bezetten en streefden er niet naar in noordelijke richting op te dringen en zich daar te verschansen, aangezien zij veronderstelden dat een ontmoeting met het rode leger ter plaatse zou tonen, aan welke tactiek men zich te houden had.

Anderzijds was een deel van de Makhnovshchi er van overtuigd, dat men zich voor het militaire bedrijf, al was het ook voor een revolutionair doel, niet te erg warm moest maken, het was noodzakelijk alle aandacht aan de arbeiders en boerenmassa te besteden en deze te onderrichten in revolutionair opbouwwerk.

Boeren- en arbeiderscongressen, dat waren de nabijliggende praktische dingen van de dag. Daarmee moest men beginnen, indien men de revolutie helpen wilde en deze uit de bolsjewistische rattenval, in welke zij geraakt was, weg trekken.

Zowel het optimisme van de Makhnovshchi, alsook hun mening, dat het voor alles op positieve arbeid aankwam, was op zichzelf gezond, doch kwam niet overeen met de toestand in de Oekraïne en kon daarom ook geen positieve resultaten voortbrengen.

Voor alle dingen — het bolsjewisme. Onder geen voorbehoud kon dit krachtens zijn gehele natuur, het aanwezig zijn van een zodanige beweging als de Makhnovshchina was, dulden. Onverschillig wat voor maatschappelijke opvattingen de arbeiders en boeren ook mogen hebben, zou het bolsjewisme al bij de eerste aanraking met deze mensen alle maatregelen tot haar geestelijke vernietiging nemen. Als gevolg daarvan moesten de Makhnovshchi nadat zij in het middelpunt van het volksgebeuren in de Oekraïne geraakt waren, zich gelijktijdig naar deze zijde beschermen. Haar streven, voor alle dingen positieve opbouwarbeid te leveren, op zichzelf logisch en revolutionair, bewees zich echter volkomen zonder resultaat bij de merkwaardige positie zoals deze sinds 1918 in de Oekraïne was. De Oekraïne was talloze malen door de troepen van het Duitse en Oostenrijkse leger, door de troepen van Petljoera, door de Denikintroepen en door de Bolsjewiki bezet geworden. In 1919 werd het land overstroomd door de lava van het kozakkenleger, na 4 maanden vloeide deze lava door hetzelfde gebied weer terug en vernietigde en verwoestte alles wat haar in de weg kwam. Op haar volgden de talrijke troepen van het rode leger, welke het revolutionaire volk dezelfde oneindige ellende bracht.

Zo was dan sinds de zomer van 1919 het opstandgebied in een toestand gekomen, waarin van revolutionaire opbouwarbeid absoluut geen sprake kon zijn: het was of een reusachtige, uit bajonetten samengestelde eg over dit gebied heen en weer getrokken was, van het Noorden naar het Zuiden en weer terug, waarbij elk spoor van opbouwend sociaal werk van de massa’s volkomen vernietigd werd.

In deze omstandigheden konden de Makhnovshchi voor alle dingen hun militaire kracht bewijzen, daar zij genoodzaakt waren tegen allerlei vijandige machten te vechten.

Ook wat de volgende tijd betreft moet men deze omstandigheden in het rayon niet uit het oog verliezen. De vernietiging van de contra-revolutie van Denikin in de herfst van 1919, was een van de hoofddoeleinden van de Makhnovshchina in de Russische revolutie. De Makhnovshchi hebben deze opgave volledig verwerkelijkt. Toch beperkte zich de historische missie, die in deze periode de Makhnovshchi door de Russische revolutie was opgelegd, niet tot deze opgave alleen. Het van de Denikintroepen gezuiverde revolutionaire land, had behoefte op zijn geheel territorium aan een krachtige bescherming. Zonder deze bescherming zouden de revolutionaire mogelijkheden in die landen, welke na de vernietiging van de Denikinlegers vrij waren geworden, dagelijks door de bolsjewistische staatstroepen vernietigd kunnen worden.

Zonder twijfel behoorde tot de groep van de historische opgaven van de Makhnovshchina in de herfst van 1919, de schepping van een revolutionair leger van zulk een omvang, dat het revolutionaire volk in staat gesteld werd zijn vrijheid niet alleen in een bepaald gebied, doch over het gehele territorium van de Oekraïne te verdedigen.

op het moment van de strijd tegen de troepen van Denikin, was dat geen kleinigheid, maar het was historische noodzaak en het lag ook gelijktijdig in het bereik van de mogelijkheden, aangezien het grootste gedeelte van de Oekraïne in die tijd fel opstandig was en zich psychologisch om de Makhnovshchi groepeerde.

In het Makhnovshchinagebied stroomden niet alleen van het Zuiden de troepen van de opstandelingen toe, doch ook vanuit het Noorden van de Oekraïne bijv. Bibiks opstandsdivisie, welke Poltawa bezette. Zelfs uit Groot-Rusland gingen troepenafdelingen van het rode leger, welke onder de vaandels van de Makhnovshchina voor de sociale revolutie wilden strijden, tot het Makhnoleger over. Men denke bijvoorbeeld in dit verband aan de sterke afdeling van het rode leger onder de kommandant Ogarkoff, die uit het gouvernement Orjol oprukte om zich met de Makhnovshchi te verenigen; onderweg had zij talrijke aanvallen van bolsjewistische troepen en van die van Denikin te doorstaan. Desalniettemin gelukte het deze afdeling in oktober 1919 naar Jekaterinoslaw te komen, waar zich destijds de Makhnovshchi bevonden.

Weldra woeien de banieren van de Makhnovshchina over de gehele Oekraïne. Er was gebrek aan de organisatorische maatregelen, om de talrijke op de verschillende plaatsen van de Oekraïne kokende strijdlust tot een geweldig revolutionair volksleger te versmelten, dat tot bolwerk van het revolutionair gebied zou kunnen dienen. De macht van zulk een leger, dat het grote revolutionaire gebied, en niet slechts een enkel plaatsje, verdedigd zou hebben, was tegen de Bolsjewiki die er van houden naar alles hun hand uit te strekken, het meest overtuigend argument geweest.

Alleen de overwinningsroes en ook een zekere onbezorgdheid verhinderden de Makhnovshchi om te rechter tijd een zodanige weermacht te organiseren. Als gevolg hiervan was het dadelijk na de inval van het rode leger in de Oekraïne gedwongen, zich in het enge Goeljaj-Polsker gebied terug te trekken. Dit was een grote militaire fout, welke de Bolsjewiki zich ten nutte maakten en wier gevolgen van grote draagwijdte waren voor de Makhnovshchi en de Oekraïense revolutie.

* * *

Een tyfusepidemie die over geheel Rusland uitgebroken was, decimeerde ook het Makhnoleger. Reeds in oktober waren reeds circa 50 procent van de troepen aan tyfus overleden. Als gevolg hiervan moest de stad Jekaterinoslaw eind november ontruimd worden, toen vanuit het Noorden een sterke Denikintroep, door generaal Slachoff aangevoerd in aantocht was. Deze Denikintroep was op de terugweg naar de Krim; een tijdelijke bezetting van Jekaterinoslaw had voor haar daarom geen betekenis.

De Makhnovshchi bevonden zich nu weer in het gebied van de steden Melitopol, Nikopol en Alexandrowsk. In Alexandrowsk bevond zich de staf van het leger. Er waren geruchten, dat het rode leger in aantocht was. De Machnowtsi troffen echter in het geheel geen maatregelen voor het geval van een botsing, aangezien zij overtuigd waren, dat de ontmoeting een broederlijk karakter zou dragen.

Ongeveer omstreeks 20 december trokken enige divisies van het rode leger het gebied van Jekaterinoslaw-Alexandrowsk binnen, de ontmoeting tussen de Makhnovshchi en de troepen van het rode leger, was vriendschappelijk, ja zelfs hartelijk. Een algemene bijeenkomst werd georganiseerd waarin de strijders van de beide legers elkaar de handen reikten en verklaarden, dat zij maar één gemeenschappelijke vijand hadden: kapitaal en contra-revolutie. Deze overeenstemming duurde ongeveer een week. Enige troepenafdelingen van het rode leger waren van plan zich bij het Makhnoleger aan te sluiten.

Toen echter van de kommandant van de revolutionaire oorlogssovjet van het 14e (rode) leger, een bevel aan de commandant van het Makhnoleger kwam, dat de instructie bevatte het opstandsleger naar het Poolse front te dirigeren, was het iedereen duidelijk, dat dit de eerste schrede van de Bolsjewiki tot een nieuwe overval op de Makhnovshchi was. Het opstandsleger naar het Poolse front te sturen, was gelijk met de levenszenuw van de plaatselijke revolutionaire opstandskrachten af te snijden. Hierbij hadden de Bolsjewiki ook de bedoeling om in het betreffende gebied ongehinderd te kunnen plunderen. Bovendien waren de Makhnovshchi over het bevel in hoge mate verontwaardigd, omdat noch het 14e leger, noch enige andere troepeneenheid van het rode leger in verband stond met het Makhnoleger; in de allereerste plaats hadden zij het recht niet het opstandsleger bevelen te geven, aangezien dit leger bijna alle lasten van de strijd tegen de contra-revolutie in de Oekraïne alleen moest dragen.

De revolutionaire oorlogsraad van het opstandsleger beantwoordde het bevel van het 14e leger onmiddellijk. Dit antwoord laat zich als volgt tezamen vatten (aangezien ons de tekst ontbreekt, geven we alleen de grondgedachte weer). Het opstandige Makhnoleger had haar revolutionaire gezindheid meer dan enige andere beweging bewezen. Steeds was het op zijn revolutionaire post gebleven, tot dit doel was het in de Oekraïne gebleven en niet naar het Poolse front opgerukt; de zin van deze laatste expeditie was het trouwens volkomen onbegrijpelijk. Buitendien was dit laatste alleen reeds om fysieke redenen onmogelijk, daar 50 procent van de strijders, de gehele staf en de commandant van het leger tyfus hadden. De revolutionaire oorlogsraad van het opstandige Makhnoleger hield het bevel van het 14e leger voor in hoge mate misplaatst, ja zelfs provocerend.

Dit antwoord van de Makhnovshchi was begeleid van een oproep aan de manschappen van het rode leger dat zij aan de provocaties van hun kommandanten geen gehoor zouden geven. Hierna braken de Makhnovshchi hun stellingenpositie op en rukten naar Goeljaj-Pole. De afmars voltrok zich ongehinderd, zonder verdere bijzonderheden. De rode troepen hadden over het algemeen niet het verlangen met de afmarcherende Makhnovshchi in botsing te komen. Slechts enige kleine groepen en enkele personen die bij het terugkerende leger waren achtergebleven, werden door de Bolsjewiki gearresteerd.

In naam van het Oekraïense revolutionaire comité, werden Makhno en zijn medestrijders midden januari 1920 voor vogelvrij verklaard, aangezien zij geweigerd hadden naar het Poolse front te trekken. Vanaf dit tijdstip begon een verbitterde strijd tussen de Makhnovshchi en de bolsjewistische regering. Wij willen hier niet alle bijzonderheden van deze strijd welke 9 maanden duurde, de revue laten passeren. Bemerkt zij slechts, dat de strijd van beide kanten zonder pardon gevoerd werd. De Bolsjewiki rekenden op de numerieke meerderheid van de goed bewapende en goed uitgeruste rode troepen. Om eventuele misverstanden. b.v. verbroedering van de rode soldaten met de Makhnovshchi uit te sluiten, lieten zij onmiddellijk de Letlandse scherpschutters en een Chinese troep tegen hen oprukken, dus zulke troependelen, welke in het verloop van de Russische revolutie de regering blind gehoorzaamden.

* * *

In de loop van januari had de tyfusepidemie het leger van de Makhnovshchi sterk gedesorganiseerd. Alle leden van de staf leden aan tyfus. Makhno had vlektyfus in de aller zwaarste graad. De meerderheid van de soldaten was tengevolge dezer ziekte ongeschikt voor de dienst en lagen verstrooid in de dorpen. Onder deze omstandigheden hadden de Makhnovshchi tussen hun talrijke vijanden door te laveren en voor alles voor Makhno te zorgen, welke in bewusteloze toestand was. Er waren ogenblikken van grote offervaardigheid en roerende zorg voor de leider. De opstandige boeren werden door sterke emotie aangegrepen als ze de gevaarlijke positie zagen, waarin Makhno zich bevond, daar hij elk ogenblik door de rode troepen gevangen genomen kon worden. Allen was het duidelijk, dat de dood van Makhno een verlies voor de gehele boerenbevolking betekenen zou, waarvan de gevolgen nog niet waren te overzien. De boeren deden alles wat in hun positie mogelijk was om dit ongeluk te verhinderen. Men moet het zelf gezien hebben, hoe ze in Goeljaj-Pole en in andere plaatsen Makhno van het ene huis in het andere droegen, om hem voor de binnentrekkende rode troepen te verbergen; men moet het gezien hebben hoe de boeren in kritieke ogenblikken, als Makhno’s verblijfplaats ontdekt was geworden, zich zelf ten offer brachten om op deze wijze tijd te winnen en de mogelijkheid te hebben de hulpeloze Makhno naar een ander veiliger dorp over te brengen; dit alles moet men gezien hebben, om te begrijpen, hoe zeer de boeren hun leider vereerden en met welk een fanatieke dankbaarheid zij hem behoedden en verdedigden. Dank zij deze buitengewone zorgzaamheid gelukte het Makhno in de aller kritischte ogenblikken de beweging te doen voortbestaan. Ondanks de numerieke meerderheid van de rode troepen, was Makhno met zijn afdelingen steeds ongrijpbaar. De Bolsjewiki gelukte het echter de vrije ontwikkeling van het betreffende gebied te verhinderen. En dan volgden de massa-executies van de boeren.

Velen herinneren zich, hoe de Sovjetpers in haar berichten over de strijd tegen Makhno, cijfers van de gevangen genomen en doodgeschoten Makhnovshchi opnoemde. Deze ongelukkigen waren echter in de regel geen opstandelingen welke bij het Makhnoleger behoorden, doch boeren uit verschillende dorpen, die alleen sympathie hadden voor de Makhnovshchina. Het binnentrekken van rode divisies in een dorpje werd steeds begeleid door de gevangenneming van een aantal daar wonende boeren, die of als Machnovshchi of als gijzelaars voor de Makhnovshchi doodgeschoten werden. De kommandanten van de verschillende rode troepenafdelingen vermeden het, met Makhno zelf te strijden, toonden echter een bijzondere voorliefde voor deze barbaarse, schaamteloze strijdwijze tegen de Makhnovshchina. In het bijzonder waren het de troepen van de 42e en 46e scherpschuttersdivisie van het rode leger, die dit middel aanwendden. Het dorp Goeljaj-Pole, dat wel een dozijn malen door de roden en dan weer door de Makhnovshchi veroverd werd, had wel het meeste hieronder te lijden; de kommandanten van de rode troepen pleegden, wanneer zij een dorp binnenrukten of op de terugtocht waren, steeds enige dozijnen boeren als gevangenen mee te nemen; meest waren het lieden die eenvoudig op de straat waren gearresteerd en dan doodgeschoten werden. Iedere inwoner van Goeljaj-Pole kan ontroerende geschiedenissen vertellen, welke van de door de Bolsjewiki gedemonstreerde praktijken getuigenis afleggen. Volkomen bescheiden gerekend, werden in verloop van het aanwenden deze methode door de bolsjewistische regering op verschillende plaatsen in de Oekraïne niet minder dan tweehonderdduizend boeren en arbeiders doodgeschoten of mishandeld. Minstens even zoveel werden naar ver afgelegen dorpen in Rusland of Siberië gedeporteerd.

Natuurlijk konden de Makhnovshchi, de revolutionaire zonen van een revolutionair volk, niet passief toezien, dat de zin van de revolutie op zo afschuwelijke wijze in haar tegendeel verkeerde. De bolsjewistische terreur beantwoordden ze met nog heftiger tegenaanvallen. Alle regelen van de guerrilla, zoals die destijds tegen Skoropadski waren aangewend, werden nu tegen de Bolsjewiki in praktijk gebracht. Daar waar de rode troepen in de strijd waren met de Makhnovshchi, werd deze naar alle regelen van de krijgskunst gevoerd, waarbij in zulke gevallen hoofdzakelijk eenvoudige soldaten als offer vielen, die gedwongen hadden moeten strijden en dit einde in geen geval hadden verdiend. Het liet zich echter niet vermijden. Daar, waar het de Makhnovshchi gelukte, zonder strijd rode troepenafdelingen te overrompelen, werden deze laatste ontwapend en vrijgelaten; vrijwilligers werden aangenomen, doch in de meeste gevallen kwamen de leden van de partij en de commandochef tot op de laatste man om het leven, met uitzondering van de zeldzame gevallen, dat de rode soldaten voor de een of ander voorspraak deden.

Meermalen heeft de Sovjetregering en diens agenten de Makhnovshchi als onbarmhartige moordenaars trachten te schilderen en lijsten van rode soldaten en partijleden gepubliceerd, die door hun hand zouden zijn gevallen. In zulke mededelingen echter heeft de regering altijd de hoofdzaak verzwegen, n.l. onder welke omstandigheden de rode soldaten om het leven waren gekomen. Altijd ging het om offers van aanvallen, die in de meeste gevallen door de Sovjetregering waren ondernomen, of tot welke zij de Makhnovshchi gedwongen had, in zoverre zij hen op een of andere plaats in de Oekraïne in een moeilijke positie gebracht had. Oorlog echter is zonder meer oorlog, en vordert van beide strijdende partijen offers. De Makhnovshchi wisten echter, dat zij niet tegen afzonderlijke soldaten van het rode leger, ook niet tegen de massa van het rode leger, doch tegen een groep van personen te vechten hadden, welke deze massa beheerste en die het leven van de rode soldaten in zoverre waardeert, als dezen haar regeringsgeweld verdedigen. Daarom verhielden zich de Maknoshvchi ook wanneer zij tegen de rode troepen hardnekkig gevochten hadden na de strijd tot de grote massa van de soldaten even broederlijk en kameraadschappelijk, als waren het hun eigen kameraden.

Men kan zich verbazen over de takt, de discipline en de revolutionaire eer welke de Makhnovshchi in het verkeer met de grote massa van het rode leger aan de dag legden: geen enkele uit deze massa, welke bij hen in gevangenschap geraakte, had van hen te lijden. Dat geschiedde echter in een tijd, dat iedere Makhnostrijder, onverschillig wie hij ook mocht zijn, onmiddellijk nadat hij gearresteerd was, voor het front van het rode leger doodgeschoten werd.

Anders verhielden zich de Makhnovshchi tot de leiders van het rode leger en tot de partij-aristocratie. Ze beschouwden deze als de enige en eigenlijke veroorzakers van alle gruwelen, welke door de machthebbers werden bedreven. Deze bovenste top had de volksvrijheid bewust verstikt en het gehele opstandsgebied tot een bloedende wonde aan het volkslichaam gemaakt. Met hen nu handelden de Makhnovshchi op deze wijze: werden zij gevangen genomen, dan werden zij gewoonlijk ook gedood.

De bolsjewistische terreur, zoals zij tegen de Makhnovshchi gevoerd werd, had alle verschijnselen van de terreur aan zich, zoals die te allen tijde door de heersende klassen werd voltrokken. Wanneer gevangengenomen Makhnovshchi niet onmiddellijk op dezelfde plaats werden doodgeschoten, dan werden zij in de gevangenis geworpen, daar gefolterd en gemarteld, waarbij men van hen verlangde, dat zij de opstandsbeweging de rug toe zouden keren, hun makkers verraden en tot de bolsjewistische politiek toetreden. Beresowski, plaatsvervangend commandant van het 13e opstandsregiment, werd nadat hij door de Bolsjewiki gevangen was genomen, agent van hun bijzondere afdeling (Tsjeka). Hij had daartoe, zoals hij zei, besloten, aangezien men hem zwaar gefolterd had. De chef van de dynamietcolonne van het Makhnoleger, Tsjoebenko, werd door de Bolsjewiki meermalen de vrijheid voorgespiegeld wanneer hij aan een aanslag, welke tegen Makhno zou worden ondernomen, zou meewerken. Met behulp van enige gevangen genomen Makhnostrijders Makhno te doden, was in de zomer van 1920 de idee-fixe van de Bolsjewiki. Wij brengen hier een oorkonde die door de Makhnovshchi naar aanleiding van een mislukte bolsjewistische aanslag tegen Makhno gepubliceerd werd:

Verraderlijke organisatie van de communisten-Bolsjewiki met het doel: het vermoorden van Batjko-Makhno.

Reeds sinds 2 maanden komen bij de staf van de revolutionaire opstandigen van de Oekraïne berichten uit verschillende bronnen binnen, welke verluiden, dat de regerende partij van de communisten-Bolsjewiki, die niet in staat is met haar regimenten en divisies de onafhankelijke en vrije opstandsbeweging van de Makhnovshchina in open strijd te overwinnen, het plan heeft met behulp van geraffineerde moordenaars de leider van de revolutionaire beweging, kameraad Makhno, door middel van sluipmoord uit de weg te ruimen.

Nauwkeurige berichten bevestigen, dat voor dit doel bij de Al-Oekraïense Tsjeka een bijzondere afdeling gevormd werd, aan wier hoofd de oud ervaren bolsjewistische spionnen en meesters in duistere zaken Manzeff en Martynoff stonden. Als deelnemen werden in deze troep uitsluitend voormalige “Naletsjiki”[1] die ter dood waren veroordeeld, aangeworven, welke echter in leven werden gelaten onder voorbehoud van de verplichting dat ze als agenten van de Tsjeka dienst zouden doen.

Onder de provocateurs zijn er personen die op de een of andere wijze tot de anarchistische beweging in verbinding gestaan hebben, bijv. Sidoroff, Petrakoff, (Tima-Iwan), Senjajermakowa (Anna Soechowa), Tsjaeldon en Boerseff. Hun verbindingen met anarchistische kringen hadden voornamelijk betrekking op bewapende acties. Ook nu zijn er berichten, dat de lange Nikolai eveneens tot de provocateurs behoort, hij is individualist en gaf in vroegere jaren in Charkow een tijdschrift “K Swjetoe” uit, ook is hij onder de naam Wassily bekend.

Deze groep van provocateurs kent geen grenzen voor hun verraderlijke praktijken. Aangezien hun uit de Denikintijd talrijke adressen en geheime woningen bekend waren, vielen zij' in deze woningen binnen, waar ze echte pogroms organiseerden.

Nadat deze edele manschappen in Charkow en Odessa deze pogroms hadden uitgevoerd, begaven zij zich met hun chef Manzeff aan het hoofd naar Jekaterinoslaw, om vandaar uit de moord op Makhno voor te bereiden en sluipmoordenaars

De “revolutionaire” Bolsjewiki hadden intussen in het verloop van hunne 3-jarige heerschappij vergeten, hoe oprecht hun provocateurs de tsaristische regering gediend hadden, hoe tot hen vaak lieden hadden behoord, als bijv. Petrow uit Petersburg. Zo ook in dit geval. Onder de door de Bolsjewiki met geld verleide provocateurs zijn er ook nog personen, die klaarblijkelijk uit een soort plichtsgevoel of in het bewustzijn van het door hen gepleegde verraad over alle plannen van de heer Manzeff en zijn troep aan de tegenstander mededelingen deden.

De arrestatie van de Manzeffse agenten (uit het zittingsprotocol van de Sovjets).

Op 20 juni kwam een uur na het binnenrukken van de speciale afdeling van de revolutionaire opstandigen (Makhnovshchi) in het dorp Toerkenowka (15 Werst van Goeljaj-Pole verwijderd) iemand die Fedja Gloestsjenko heette snel op kameraad Makhno toegelopen en zei met nerveuse stem: “Batjko ik heb U iets zeer belangrijks mede te delen!” Makhno gaf hem order, hetgeen wat hij te vertellen had, aan de zich in de nabijheid bevindende kameraad Koerilenko mede te delen. Fedja zei, dat hij tezamen met een ander, die een hele tijd op straat in de nabijheid van Makhno had gestaan hiernaar toe was gezonden, om Makhno te doden. Kameraad Koerilenko naderde voorzichtig de aangeduide persoon en ontwapende deze. Bij hem werden een Browning, een Mauser revolver en buitendien nog 2 bommen gevonden, bij Fedja een Could-revolver.

De andere gearresteerde noemde zich Jacob Kostjoechin, een “Naletsjjk“, die onder de naam van “de slimme Jasjka” bekend was. Zonder omhalen vertelde hij alles openhartig, vol verbittering tegen de heer Manzeff en uitvoerig schreef hij dan later zijn getuigenissen neer. Zij hadden 13.000 tsarenroebel en een som in sovjetroebels gekregen. De moordaanslag was in alle kleinigheden in Jekaterinoslaw door Manzeff-Martinoff en Pedja uitgewerkt. Kostjoechin was Fedja als geleide meegegeven, welke de opdracht had ook Lewzadow voor deze zaak te winnen. Kostjoechin die begreep dat hij de dood verdiend had, maakte de opmerking, dat men hem tot ieder werk gebruiken kon, maar zulk een daad zou hij nooit doen. Hij' werd de volgende dag doodgeschoten. Voor zijn dood vloekte hij op afschuwelijke wijze. Bijzonder lasterde hij Fedja, aangezien deze hem verraden had.

Fedja zijnerzijds vertelde: hij had toen hij door Manzeff gearresteerd werd en hem de voorslag gedaan werd tussen de dood en arbeid voor de Tsjeka te kiezen en aan de moord op Makhno deel te nemen, dit laatste aangenomen, waarbij hij dit met de wens motiveerde, kameraad Makhno voor deze aanslag te waarschuwen. Hij hield zich zeer hardnekkig een verklaarde, dat hij voor zijn medewerking aan de Tsjeka de dood meer dan verdiend had, doch hij had dit gedaan om vroegtijdig te kunnen waarschuwen en om gedood te worden door de hand van een zijner kameraden. De opstandigen konden zijn medewerking aan de Tsjeka, onverschillig welk doel voor hem doorslaggevend was geweest, natuurlijk niet onbestraft laten, aangezien een revolutionair, ongeacht uit welke gronden, niet in dienst: van de politieke politie staan mag, en zo werd Fedja Gloestsjenko tezamen met Kostjoechin op de 21e gedood. Fedja was voor zijn dood zeer koelbloedig, hij zei dat hij de dood volop verdiend had, verzocht echter, dat hij niet als een vervloekte zou sterven doch als trouwe vriend van de opstandigen, welke alleen daarom bij de Tsjeka was gegaan, om door zijn dood het leven van Makhno te redden. Zijn laaste woorden waren: “God helpe U”[2] Zo eindigde de verraderlijke poging van de Al-Oekraïense Tsjeka, om door de hand van sluipmoordenaars de leider van de opstandigenbeweging, kameraad Makhno, te doden.

De Sovjet van de revolutionair opstandiger van de Oekraïne (Makhnovshchi)

11 juni 1920.

Het jaar 1920 en de volgende jaren door, streed de Sovjetregering tegen de Makhnovshchina met het motief, om het roversgilde te verdelgen. In deze zin werd er een versterkte agitatie ontwikkeld, waarbij de Bolsjewiki hun gehele pers en andere propagandaorganen er op in stelden, deze uit de lucht gegrepen ontdekking te ondersteunen. Gelijktijdig liet zij talrijke schutters- en cavaleriedivisies tegen de beweging oprukken en deed alle moeite, de beweging te vernietigen en ze in de afgrond van het bandietendom te jagen. Gevangengenomen Makhnovshchi werden zonder erbarmen doodgeschoten, hun familieleden, vader, moeder, vrouwen, werden gefolterd en vaak ook doodgeschoten, hun have en goed werd in ieder geval geroofd en hun huizen in puin geschoten. Dit alles werd op reusachtige wijze bedreven. Er was een bovenmenselijke wil voor nodig zodat de massa van de opstandigen in het aangezicht van deze gruwelen niet vol verbittering in de afgrond van werkelijk banditisme stortte. Deze massa echter had de moed geen dag lang laten zinken en de revolutionaire banier is haar geen ogenblik uit de hand gevallen. Voor iedereen, die gelegenheid had ze in die tijd te observeren, was het een groot wonder en een graadmeter daarvoor, hoe sterk in de actieve massa het geloof aan de revolutie en de overgave aan haar verheven ideeën was.

* * *

In de loop van het voorjaar en de zomer van 1920 hadden de Makhnovshchi niet met aparte troependelen van het rode leger te vechten, doch feitelijk tegen het gehele staatsapparaat van de Bolsjewiki van de Oekraïne en Groot-Rusland. Zo had het leger meer dan eenmaal, om de vijand te ontgaan, haar gebied prijs gegeven en geweldige duizend-kilometer-marsen af moeten leggen. Ze moest dan naar het Dongebied, dan naar het gouvernement Charkow en Poltawa. In één opzicht werden deze marsen sterk uitgebuit, n.l. voor propagandadoeleinden; ieder dorpje, waar de Makhnovshchi voor 1 of 2 dagen rust hielden, werd onmiddellijk in een groot auditorium herschapen.

Gedurende de operaties van het leger in juni en juli 1920, werd het hoogste orgaan van het leger en van de gehele beweging, n.l. de “Sovjet van de Revolutionair Opstandigen van de Oekraïne (Makhnovshchi)” georganiseerd, hetwelk uit 7 leden bestond, die door de massa gekozen en beëdigd werden. Aan deze sovjet waren de 3 grondafdelingen van het leger ondergeschikt, n.l. de militair-operatieve afdeling, de controle- en organisatieafdeling en de cultuur- en ontwikkelingsafdeling.

Hoofdstuk IX.

De overeenkomst vande Makhnovshchi met de Sovjetregering - De derde bolsjewisitsche overval

In de loop van de zomer van 1920 ondernamen de Makhnovshchi herhaaldelijk een poging om tegen Wrangel op te treden. Tweemaal kwam het tot een gevecht met zijn troepen, beide keren echter verhinderden de Rode troepen succes, ze geraakten op deze manier tussen twee vuren en waren gedwongen, afdelingen uit de vuurlinie terug te trekken en de operaties tegen Wrangel stop te zetten. De Sovjetregering kreeg er niet genoeg van de Makhnovshchi verdacht te maken. In de gehele Oekraïne verkondigden de Sovjetcouranten dat er een bondgenootschap bestond tussen Makhno en Wrangel! De gedelegeerde van de Charkowregering Jakowleff verklaarde in de zomer van 1920 voor het plenum van de Jekaterinoslawse Sovjets, dat de Sovjetregering beschikte over de oorspronkelijke bewijzen van een tussen Makhno en Wrangel gesloten bondgenootschap! Deze verklaring was natuurlijk een bewuste leugen. De Sovjetregering bediende zich klaarblijkelijk van deze insinuatie om de arbeidersmassa's af te leiden, die, hoe meer Wrangel terrein won en hoe verder zich de Rode troepen voor hem terugtrokken, hun revolutionair “sentiment” op Makhno concentreerden en van hem hulp verwachtten.

De leugencampagne van de Bolsjewiki, als zou Makhno met Wrangel een bondgenootschap gesloten hebben, vond echter bij geen enkele arbeider of boer gehoor. Het volk wist enerzijds dat Makhno ten deze volkomen te vertrouwen was, anderzijds kende men de “strategie” van de Bolsjewiki maar al te goed. Wrangel echter moet onder suggestie van deze methode gekomen zijn, aangezien men in de Sovjetpers van dag tot dag schreef over dit z.g. Wrangel-Makhno complot. Of het moet op rekening gesteld worden van een onbetrouwbare generaal, dat Wrangel ertoe kwam officieel een ordonnans aan Makhno te zenden. Mogelijk was het een poging van de generaal, voor mogelijke eventualiteiten een grondslag te funderen.

Hier volgt de authentieke tekst van het bewuste document:

“Zittingsprotocol van het commando van de Opstandstroepen van de Oekraïne (Makhnovshchi) op 9 juli 1920, dorp Wremjewka, provincie Marioepol.

Paragraaf 4. Boodschap van generaal Wrangel.

Tegen het einde van de zitting werd uit de delegatie een ordonnans voorgeleid, die een brief van navolgende inhoud overhandigde:

“Aan de Ataman van de opstandstroepen, Nestor Makhno.

Het Russische leger vecht alleen tegen de communisten, om het volk te helpen zich van de commune en de volkscommissarissen te bevrijden, en om aan de vlijtige boerenbevolking, het bezit van de staatslanderijen en van de particuliere bezittingen te verzekeren. Het laatste werd reeds bereikt.

De Russische soldaten en officieren vechten voor het welzijn van het volk. Ieder die bet eerlijk meent met de zaak des volks, moet volkomen met onze actie instemmen. Te dien einde is het zaak de strijd tegen de Bolsjewiki zoo hardnekkig mogelijk te voeren, door in hun etappenstellingen onverhoeds binnen te vallen, hun troepentransport te saboteren en in het algemeen alle maatregelen te nemen, teneinde de troepen van Trotski volkomen te vernietigen. Het hoofdcommando zal U naar krachten met wapenen en munitie ondersteunen, ook militaire deskundigen zullen U dan gezonden worden. Zendt Uw vertrouwensman met officiële mededelingen, waaraan bij U in het bijzonder behoefte bestaat, en wat bevorderlijk zijn kan, om te geraken tot een militaire, anti-bolsjewistische actie.

Stafchef hoofdcommando van de bewapende troepen van Zuid-Rusland van de Generale Staf, Generaal-luitenant Sjatiloff.

Generaal kwartiermeester van de generale staf generaal-majoor Konowalets.

Melitopol 18 juni 1920.”

De afgezant die opgaf Michailoff (28 jaar oud) te heten, verklaarde dat Slasjtsjoff's adjudant hem de brief voor Batjko-Makhno had overhandigd, en bij hen waren allen ervan overtuigd, dit Batjko-Makhno tot samenwerking met Wrangel zou overgaan.

Popoff:[1] “Wij hebben heden om antwoord aan de Roden overwogen en zijn ten dezen vast besloten. Nu zullen we ook de wine terroristen een gedecideerd antwoord geven.“

Makhno: “Het enige antwoord, dat wij op dergelijke brieven geven kunnen is: ‘onverschillig wie als afgevaardigde van Wrangel of in het algemeen van rechts wordt afgezonden, wordt door ons terechtgesteld, een ander antwoord aan deze lieden komt in het geheel niet in overweging.’”

Eenstemmig werd besloten de afgezant dood te schieten en het aan de Sovjet over te laten, de desbetreffende brief te publiceren en een overeenkomstig commentaar in de pers te geven.

Wrangel's afgezant werd daarna in het openbaar op staande voet doodgeschoten. Het geval zelf werd door de Makhnovshchi in hun pers in het juiste licht gesteld. Dit alles was de Bolsjewiki goed bekend, desalniettemin gingen zij op de meest schaamteloze wijze door, overal van Makhno's bondgenootschap met Wrangel te spreken. Pas na het militair-politieke akkoord van de Makhnovshchi met de Sovjetregering verklaarde de laatste bij monde van haar opperste oorlogscommissariaat, dat Makhno nimmer met Wrangel had gecomplotteerd en voor zover zulks vroeger door de Sovjetregering mocht zijn geïnsinueerd, was dit te wijten aan onjuiste informaties, ja, het tegendeel van een samenzwering Makhno-Wrangel, de Makhnovshchi hadden de afgezant van Wrangel geëxecuteerd, zonder maar in het minst met hem te hebben onderhandeld (vergelijk hiermede de verklaring onder de titel “Makhno en Wrangel” in de Charkowse courant “Proletarij” en in andere couranten in Charkow zo ongeveer om en bij 20 oktober 1920).

Deze verklaring, waarin de Sovjetregering zichzelf ontmaskerde, was echter door haar niet afgegeven teneinde de waarheid aan het licht te brengen, maar enkel en alleen omdat ze gedwongen was, de waarheid te zeggen, aangezien zij een militair-politiek akkoord met de Machnovshchi gesloten had.

Tegen de zomer van 1920 begon Wrangel de leiding van de strijd in eigen handen te nemen. Hij rukte langzaam doch systematisch op, en bedreigde met zijn strategie het gehele Donets-bassin. Tezamen met het Poolse front betekende dit een wezenlijk gevaar voor de revolutie en er waren momenten dat deze bedreiging alles en allen dreigde te overrompelen.

De Makhnovshchi konden zich tegenover Wrangel's krijgsplannen niet onverschillig betonen. Het was hun onmiddellijk duidelijk dat men zo snel mogelijk tegen Wrangel op moest treden, d.w.z. zolang zijn attaques tegen de revolutie nog in het eerste stadium waren, en de beweging nog geen vaste voet had. Alles wat gedaan werd tot vernietiging van de troepen van Wrangel zou per saldo de revolutie ten goede komen. Welke houding echter zou men tegen de Bolsjewiki bepalen? Hun dictatuur bedreigde de vrijheid van de arbeid niet minder dan de dictatuur van Wrangel. Het onderscheid tussen de Bolsjewiki en Wrangel was dit: dat de massa die in de revolutie geloofde aan de zijde van de eerstgenoemden stond. Deze massa's echter werden hoe langer hoe meer door de Bolsjewiki op de meest cynische wijze om de tuin geleid. Immers het revolutionaire sentiment van de meest actieven werd misbruikt om de macht van de Bolsjewiki te verstevigen. De massa echter geloofde aan de revolutie en dat was van alles overheersende betekenis. Op een conferentie van de Sovjets van de revolutionaire opstandigen en de legerleiding werd besloten, het voornaamste offensief tegen Wrangel te richten. De grote revolutionaire massa moest dan haar beslissend woord spreken.

Door de vernietiging van de troepen van Wrangel, zo was de vergadering van oordeel, werd velerlei bereikt. Ten eerste was een voortijdige bedreiging van de revolutie uit de weg geruimd. Ten tweede werd dan de Russische realiteit van een heterogene contra-revolutionaire troep bevrijd, onder welke zij gedurende de afgelopen revolutionaire jaren te lijden had. De arbeiders en boerenbevolking had sterk behoefte aan zulk een reiniging. Ze zou zich door deze maatregelen gemakkelijk kunnen oriënteren en de revolutie nieuwe frisse krachten kunnen toevoeren. Er werd besloten de Bolsjewiki voor te slaan de gemeenschappelijke strijd tegen Wrangel in te zetten. Door de Sovjet en de commanderenden van het leger van de opstandigen waren reeds in juli en augustus 1920 telegrammen van desbetreffende inhoud naar Charkow en Moskou gezonden. Een antwoord werd niet ontvangen. De Bolsjewiki zetten hun strijd tegen de Makhnovshchi zoals vroeger voort en hernieuwden ook hun bewust misleidende perscampagne tegen hen. In September echter, toen Jekaterinoslaw ontruimd werd en Wrangel Berdjansk, Alexandrowsk, Goeljaj-Pole en Sinelnikowo had bezet, arriveerde in Slarobelsk, waar de Makhnovshchi stonden, een gevolmachtigde delegatie van het centraal comité van de bolsjewistische partij, met de bolsjewiek Iwanoff aan het hoofd om over gezamenlijke actie tegen Wrangel te beraadslagen. De onderhandelingen werden in Starobelsk gevoerd en ook hier werden de voorlopige voorwaarden voor een militair-politiek akkoord tussen de Makhnovshchi en de Sovjetregering opgesteld. Met het doel een uiteindelijke formulering en ratificatie te verkrijgen werden de stukken naar Charkow gezonden. Met hetzelfde oogmerk, en onafhankelijk daarvan teneinde een voortdurende verbinding met de staf van het zuidelijk front te verkrijgen, werd er een militaire en politieke vertegenwoordiging van de Makhnovshchi met als leiders Koerilenko, Boedanoff en Popoff naar Charkow gezonden.

Tussen 10 en 15 oktober 1920 was de tekst van de definitieve voorwaarden gereed gekomen en werd in de navolgende vorm door de het verdrag sluitende partijen aangenomen:

“Voorwaarden van een voorlopige militair-politieke overeenkomst tussen de Sovjetregering van de Oekraïne en het revolutionaire leger van de opstandigen van de Oekraïne (Makhnovshchi).”

Deel I. Politieke overeenkomst.

1. Onmiddellijke vrijlating en/of stopzetting van de vervolging van alle Makhnovshchi en Anarchisten op het territorium van de Sovjetrepubliek met uitzondering van diegenen, welke tegen de Sovjetregering met de wapenen in de hand hebben geageerd.

2. Garantie voor volledige agitatie- en propagandavrijheid, zowel mondeling als schriftelijk, aan de Makhnovshchi en anarchisten ter verbreiding hunner ideeën en denkbeelden met uitzondering van opwekkingen tot gewelddadige omverwerping van de Sovjetregering en met voorbehoud van de oorlogscensuur. In het uitgeversleven worden de Makhnovshchi en Anarchisten als door de Sovjetregering erkende revolutionaire organisaties beschouwd, die zich van het technisch apparaat van de Sovjetstaat bedienen kunnen, vooropgesteld dat zij zich bij de beoordeling van de technische kwesties bij de zienswijze van deskundigen zullen neerleggen.

3. Vrije deelname aan de Sovjetverkiezingen; de Makhnovshchi en Anarchisten hebben het recht zich bij de Sovjets aan te sluiten met vrije deelname aan de voorbereiding tot het in december plaats hebbende Al-Oekraïense Sovjetcongres.

In opdracht van de Sovjetregering van de U.S.S.R.

J. Jakowlew,

Gevolmachtigde van de Sovjets en van het commando van het revolutionaire leger van de opstandigen van de Oekraïne (Makhnovshchi): Koerilenko, Popoff.

Deel II. Militaire overeenkomst.

1. Het revolutionaire leger van de opstandigen van de Oekraïne (Makhnovshchi) wordt aan het geheel van de weermacht van de Republiek als vrijwillig leger toegevoegd, en staat ten opzichte van de praktische strategie onder het oppercommando van het Rode leger. Ze behoudt haar bestaande formatie, onafhankelijk van de grondslag en de theorieën van de afzonderlijke troepafdeling en van net Rode leger. 2. Het revolutionaire leger van de opstandigen van de Oekraïne (Makhnovshchi) neemt op haar marsen door Sovjetterritoria, aan het front en elders, géén troepenafdelingen van het Rode leger en/of deserteurs daarvan in haar rijen op.[2]

Bemerking:

a. Rode troepenafdelingen en individuele soldaten van het Rode leger, die in Wrangel's etappenstellingen op het leger van de opstandigen stieten en zich bij haar aansloten, hebben na latere ontmoeting met het Rode leger zich weer hierbij aan te sluiten.

b. Opstandige Makhnovshchi die in Wrangel's etappenstellingen zijn gebleven en de plaatselijke bevolking, die wederom tot het leger van de opstandigen (Makhnovshchi) is overgegaan, blijven in het laatste, ongeacht het feit, dat ze mogelijk vroeger bij het Rode leger zouden zijn ingelijfd.

c. Ingevolge de tot stand gekomen overeenkomst doet het revolutionaire leger van de opstandigen van de Oekraïne (Makhnovshchi) teneinde de vernietiging van de witgardisten te bewerkstelligen, aan de haar volgende aanhangers door desbetreffende publicaties mededeling, in welke de bevolking bevolen wordt, alle vijandelijkheden tegen de Sovjetregering te staken. Teneinde een zo groot mogelijk resultaat te bereiken moet ook de Sovjetregering over het tot stand gekomen verdrag uitvoerige publicaties verspreiden.

d. De familieleden van het leger van de opstandigen van de Makhnovshchi welke op Sovjet-Russisch gebied woonachtig zijn, verkrijgen dezelfde privileges als de familieleden van de soldaten van het Rode leger en zullen hierover door de Sovjetregering van de Oekraïne nauwkeurig worden ingelicht.

Ondertekend Commandant van het zuidelijke front Froense. Medelid van de revolutionaire oorlogssovjets van het zuidelijke front, Bela Koen, Groessew.

De gevolmachtigde van de Sovjets en de commando's van het revolutionaire leger van de Makhnovshchi, Koerilenko-Popoff.”

Vierde punt van de politieke overeenkomt

De vertegenwoordiging van de Sovjets en het commando van het Makhnoleger stelden de Sovjetregering in aanvulling op de eerste 3 punten het volgende 4e punt van de politieke overeenkomst voor.

“In aanmerking genomen de omstandigheid, dat een van de hoofdpunten van de Makhnobeweging de strijd voor de plaatselijke zelforganisatie van de arbeiders is, brengt het leger van de opstandigen een vierde punt van de politieke overeenkomst in het geding, en wel: Organisatie van vrije organen, economische en politieke zelforganisatie door de plaatselijke arbeiders- en boerenbevolking in het raam van de actie van het Makhnoleger. Autonomie van deze organen en federatieve verbinding met de staatsorganen van de Sovjetrepubliek.”

* Gedurende lange tijd zocht de Sovjetregering de publicatie van deze overeenkomst onder alle mogelijke voorwendsels uit te stellen. De delegatie van de Makhnovshchi voelde reeds dadelijk onraad, de wezenlijke betekenis van de bewuste vertraging trad pas aan het licht, toen de Sovjetregering een nieuw volkomen onverwachte verraderlijke overval op de Makhnovshchi ondernam. Hier komen we uitvoerig op terug. Toen de Makhnovshchi zagen hoe hoogst onbetrouwbaar de Sovjetregering was inzake de publicatie van de gesloten overeenkomst, stelden ze deze categorische vraag: zolang de overeenkomst niet gepubliceerd wordt, kan het Makhnoleger ook niet op de grondslag van deze overeenkomst handelen. Eerst toen de Makhnovshchi een druk uitoefenden in deze richting maakte de Sovjetregering. de tekst van de overeenkomst openbaar, echter niet geheel, maar gedeeltelijk; als gevolg hiervan werd de feitelijke betekenis van de overeenkomst verdoezeld en slechts door een klein aantal kritische lezers op haar juiste waarde geschat. Wat het vierde punt van de politieke overeenkomst betreft, verklaarden de Bolsjewiki: aan dit punt moest een aparte advisering vanuit Moskou voorafgaan. De vertegenwoordigers van de Makhnovshchi verklaarden zich bereidt, hiermee genoegen te nemen. Daarna rukte het Makhnoleger tussen 15 en 20 oktober tegen Wrangel op. Hun frontlijn was de streek Sinelnikowo, Alexandrowsk, Pologi, Berdjansk en de richting Perekop. Al dadelijk in het verloop van de eerste slag in Pologi-Orjechow werd een grote groep Wrangelsoldaten met generaal Drosdow aan het hoofd verslagen. Bij deze gelegenheid geraakten circa 4000 Wrangelsoldaten in krijgsgevangenschap. Drie weken later werd het genoemde rayon van Wrangeltroepen gezuiverd. Begin november stonden de Makhnovshchi tezamen met de rode troepen bij Perekop.[3] Hier moeten de volgende belangrijke details vermeld worden: zodra het bekend werd dat de Makhnovshchi tezamen met de roden tegen Wrangel in het offensief gingen, steeg de vreugde van de plaatselijke bevolking merkbaar. Wrangel werd onvoorwaardelijk veroordeeld, en men verwachtte zijn ineenstorting iedere dag. De rol welke de Makhnovshchi bij de zuivering van de Krim van Wrangeltroepen gespeeld hebben, was de volgende: Terwijl dicht bij Perekop rode troepen stonden, hielden de Makhnovshchi zich, op grond van een operatie-instructie ongeveer 25 a 30 werst oostelijk van Perekop op, en overschreden de Siwasj — een kleine zee-engte welke om deze tijd met ijs bedekt was. Als eerste rukte de cavalerie onder leiding van Martsjenko — een anarchistische boer uit Goeljaj-Pole — op, dan volgde onder leiding van Kosin het machinegeweerregiment. De opmars voltrok zich onder trommelvuur van de tegenstanders en kostte geweldige offers. Onder vele anderen moest ook de commandant Foma Koshin al dadelijk in het eerste treffen, wegens een zware verwonding in de achterlinie gebracht worden. Alleen door de hardnekkigheid van de aanvallenden werden de Wrangeltroepen op de vlucht gedreven. Daarna liet Semjon Karetnik, de commandant van het Krimse Makhnoleger, al zijn troepen dadelijk tegen Simferopol oprukken, en veroverde deze stad op 13 en 14 november. Tegelijkertijd werd de Perekop door de rode troepen bezet. Zonder twijfel hebben de Makhnovshchi die de Siwasj passeerden en in de Krim doorgedrongen waren, tot deze situatie bijgedragen, aangezien ze de Wrangeltroepen noodzaakten ver in hun eigen etappenstellingen terug te trekken, wilden ze niet van alle kanten in de engte van Perekop ingesloten worden. *

Het feit van de tot stand gekomen overeenkomst tussen de Makhnovshchi en de Sovjetregering had dan eindelijk na een periode van strijd, een zekere mogelijkheid tot rustige opbouwarbeid geschapen.

We zeiden: “een zekere mogelijkheid”, want afgezien daarvan, dat op vele plaatsen met de Wrangeltroepen verbitterde strijd geleverd werd (Goeljaj-Pole bijv. ging in deze tijd ettelijke malen van de Wrangeltroepen over naar die van Makhno en omgekeerd) afgezien hiervan had de Sovjetregering ondanks de overeenkomst een soort halfblokkade over het betreffende gebied georganiseerd en zodoende alle revolutionaire maatregelen van de bewuste strijders ter plaatse volslagen lam gelegd. Alleen de actiefste kern van de Makhnovshchi, welke zich in Goeljaj-Pole bevond, was in staat een maximum aan communale opbouwarbeid te presteren. Voor alles werd het hoofdoogmerk op de uitbouw van vrije actieve sovjets gericht, welke als organen van de plaatselijke arbeiders- en boerenraden fungeren zouden. Aan deze Sovjets lag de idee van volledige onafhankelijkheid, onverschillig van welke regering, ten grondslag, buitendien droegen zij voor de plaatselijke werkenden de verantwoordelijkheid.

Juist de bewoners van Goeljaj-Pole waren het, welke de eerste praktische arbeid in deze richting ondernamen. Van 1 tot 25 november 1920 organiseerde het dorp niet minder dan 5 tot 7 bijeenkomsten, om over deze vragen te beraadslagen. Langzamerhand, zorgvuldig en omzichtig werd de oplossing voorbereid. Midden november 1920 werd de grondslag voor een vrije Sovjet in Goeljaj-Pole gelegd, de algehele uitbouw van deze Sovjets was echter niet afgesloten, aangezien dit absoluut nieuwe experiment, de praktische ervaring behoefde. In deze tijd heeft de Sovjet van de revolutionaire opstandigen “leidende grondslagen voor de vorming van vrije, actieve Sovjets” uitgewerkt en gepubliceerd (Project).

Dezelfde onverminderde belangstelling hadden de bewuste strijders van Goeljaj-Pole voor het schoolvraagstuk. De veelvuldige bezetting van het gebied door verschillende legers had op het schoolwezen in dat rayon zeer nadelig ingewerkt. Het onderwijzend personeel, dat sinds lange tijd geen salaris meer ontving, was weggegaan en had zich om van de wille van hun dagelijks brood zo ingericht als het hun mogelijk was. De schoolgebouwen stonden leeg en ongebruikt. In de periode van de overeenkomst tussen de Makhnovshchi en de Sovjetregering trad onmiddellijk het schoolvraagstuk naar voren. De Makhnovshchi hadden zich de oplossing van deze vraag in het raam van de vrije zelforganisatie voorgesteld. Ook de schoolvraag, zo waren zij van oordeel, is gelijk aan andere, die met de elementaire behoeften van de arbeiders in verband staan, aangelegenheid van de plaatselijke arbeidersbevolking. Zij is het die zich er om heeft te bekommeren, of hun kinderen in lezen en schrijven en in alle andere vakken onderricht worden. Dat is echter nog niet alles. Voor zover de arbeiders de ontwikkeling en opvoeding van de rijpere jeugd in hun eigen hand nemen, reinigen ze het idee van de school. De school wordt in de handen des volks niet alleen een bron van ontwikkeling, maar ook een middel tot opvoeding van vrije mensen, wat iedere arbeider in een vrije samenleving wil zijn. Als gevolg hiervan moet de school vanaf het eerste ogenblik van de zelforganisatie niet alleen onafhankelijkheid van de kerk, maar in gelijke mate onafhankelijk van de staat gehouden worden.

De boeren en arbeiders van Goeljaj-Pole, die zich door deze grondgedachten lieten leiden, grepen de idee van de scheiding van de school van de staat, zowel als van de kerk direkt aan. In genoemd Goeljaj-Pole vond men de aanhangers en kampvechters voor de idee van de vrije school van Francisco Ferrer, en de practici van de eenheidsschool.

De praktische oplossing van de schoolvraagstukken in Goeljaj-Pole nam de volgende concrete gestalte aan: de boeren en arbeiders van het gehele dorp verplichtten zich, voor het onderhoud van het onderwijzend personeel op te komen, hetwelk bevorderlijk is om alle scholen gaande te houden.

Er werd een schoolcommissie gevormd, die bestond uit vertegenwoordigers, arbeiders en onderwijzers; deze commissie behandelde de economische aangelegenheden van het schoolwezen, alsmede de organisatorische onderwijskwesties. Nadat men in Goeljaj-Pole het principe van scheiding van kerk en staat aangenomen had, besloot men tenslotte tot het schema van de vrije school van Francisco Ferrer. In dit opzicht was door de schoolcommissie een nauwkeurig omschreven plan uitgewerkt, en een omvangrijke theoretisch-organisatorische voorstudie gepubliceerd welke we helaas niet tot onze beschikking hebben.

Gelijktijdig begon men in Goeljaj-Pole de analfabeten en de gebrekkig ontwikkelden onderwijs te geven. Er waren ook mensen met langjarige onderwijsroutine.

Tenslotte organiseerde men omstreeks deze tijd in Goeljaj-Pole onderwijscursussen voor revolutionairen, in welke de grondbeginselen van de politiek geleerd werden. Het doel van deze cursus was, om althans het minimum van wetenswaardigs van de geschiedenis, sociologie en aanverwante vakken te leren, om op deze manier náást de oorlogsuitrusting, ook de wapenen van de geest vaardig te hebben en de revolutionaire strategie in veelomvattende wijze te beheersen. Deze cursussen werden geleid door de revolutionairen onder de boeren en arbeiders, die het meest belezen waren. Het program bestond uit: a. politieke economie; b. theorie en praktijk van het anarchisme en het socialisme; c. geschiedenis van de grote Franse revolutie (naar Kropotkin); d. geschiedenis van de revolutionaire opstandsbeweging gedurende de Russische revolutie, etc. Het materiaal dat de Makhnovshchi aan leerkrachten ter beschikking stond, was buitengewoon gering; dank zij ernstige interesse van de cursisten echter, werden de cursussen al dadelijk buitengewoon goed verwerkt.

Ook ten opzichte van het theater hadden de opstandigen een levendige belangstelling. Nog voor de overeenkomst met de Bolsjewiki, toen het leger van de opstandigen dag in dag uit met allerlei tegenstanders te kampen had, bleef er toch de mogelijkheid tot een vaste toneelspelerskern bestaan, die uit revolutionairen bestond, en welke stukken opvoerde, deels voor de boeren, deels voor de revolutionaire arbeiders.

In Goeljaj-Pole bestaat een groot theater. Evenwel behoorden werkelijke buitengewone acteurs tot de zeldzaamheden. Gewoonlijk stelde men zich in Goeljaj-Pole met dilettanten-toneelspelers onder de boeren, arbeiders en “intelligentsia” tevreden, d.w.z. in hoofdzaak met enige van de ontwikkelden. In het verloop van de burgeroorlog, welke ook sterk zijn stempel drukte op Goeljaj-Pole, was de belangstelling voor het theater niet verdwenen, doch juist integendeel sterk gestegen. Ten tijde van de overeenkomst van de Makhnovshchi met de Bolsjewiki, toen door het verdrag de blokkade van het dorpje was opgeheven, was het theater in Goeljaj-Pole dagelijks vol. Hierbij traden de boeren, opstandigen en hunne vrouwen niet alleen als toneelspelers op, doch gingen ze er toe over zelfstandig stukken te schrijven.[4]

De cultuurafdeling van het Makhnoleger nam actief deel aan de organisatie van het theaterwezen in Goeljaj-Pole en in het gehele rayon.

Niemand van de Makhnostrijders had geloofd dat het met de Bolsjewiki gesloten verdrag betrouwbaar en van lange duur kon zijn. Op grond van de vroeger opgedane ervaringen, verwachtte men algemeen, dat zij wel een voorwendsel zouden vinden om een nieuwe veldtocht tegen de Makhnovshchi te ondernemen. In aanmerking genomen de politieke situatie was men nochtans in de veronderstelling, dat het verdrag toch op zijn minst 3 of 4 maanden van kracht zou blijven. Zulks had grote betekenis voor de veelomvattende propagandistische actie gehad, waaraan juist de behoefte zeer groot was. Niet gering was ook de bij de Makhnovshchi aanwezige energie en potentie voor een dergelijke actie. In de laatste tijd hadden de Makhnovshchi in verband met hun ongunstige politieke situatie, zo goed als geheel deze arbeid moeten staken. Voor alle andere dingen hield men zich echter voor ogen, dat het op grond van deze overeenkomst zou gelukken, de massa van de arbeiders duidelijk te maken, waarin de Bolsjewiki met de Makhnovshchi niet overeenkwamen, en in welke dingen ze het met elkaar eens waren. Het vierde punt van de politieke overeenkomst, waarin de Makhnovshchi van de Bolsjewiki eisten de arbeiders en boeren het recht op economische en communale zelforganisatie te garanderen, bleek voor de Sovjetregering absoluut onaannemelijk te zijn. De vertegenwoordigers van de Makhnovshchina verlangden echter hardnekkig van de laatsten, dit belangrijke punt te onderschrijven, of een duidelijke verklaring af te geven, waarom ze dit afwezen. Gelijktijdig zorgden de Makhnovshchi ervoor, dat dit punt ernstig door de massa bestudeerd zou worden. De anarchisten en Makhnovshchi herhaalden dit thema in hun voordrachten voor de arbeiders in Charkow. In Goeljaj-Pole en de omgeving werden brochures uitgegeven, waarin dit vraagstuk behandeld werd. Midden november had dit punt, dat in drie of vier regels te omschrijven zou zijn, overal de belangstelling van de massa in de hoogste mate getrokken en het zag er naar uit, dat het binnen korte tijd in het middelpunt van de algemene belangstelling zou staan.

Omstreeks deze tijd was het gevaar voor Wrangel niet meer te duchten.

Voor hen die met de bijzonderheden niet op de hoogte waren, had bovengenoemd feit geen buitengewone betekenis ten opzichte van de overeenkomst tussen de Makhnovshchi en de Bolsjewiki. De Makhnovshchi zelf echter begrepen dat dit feit het begin van het einde van de overeenkomst inluidde. Niet zodra was in Goeljaj-Pole het telegram binnengekomen dat meldde dat Karetnik reeds in de Krim doorgedrongen was, en met het leger van de opstandelingen tegen Simferopol oprukte, of Grigori Wassilewski, Makhno’s medewerker, riep uit: “Slot van de overeenkomst! Ik durf er de gifbeker voor drinken, dat de Bolsjewiki ons over een week reeds zullen aanvallen.” Deze ontboezeming werd gedaan op de 15e of 16e november en reeds op 26 november overvielen de Bolsjewiki op de meest verraderlijke wijze het Makhno-commando en de Makhnotroepen in de Krim en in Goeljaj-Pole, namen de Makhnovertegenwoordigers in Charkow gevangen en overvielen alle vrijheidslievenden en hun organisaties in de gehele Oekraïne.

De Sovjetregering durfde het niet aan al deze verraderlijke overvallen op haar gewone manier te verklaren: dat de Makhnovshchi en Anarchisten een opstand tegen de Sovjetregering zouden hebben voorbereid. Makhno werd er van beschuldigd dat hij geweigerd zou hebben naar het Kaukasische front te trekken, hij zou een mobilisering van de boeren hebben geproclameerd en een leger tegen de Sovjet-Unie hebben opgesteld; in plaats van in de Krim tegen Wrangel te vechten, had hij loopgravengevechten georganiseerd tegen het rode leger enz.

Het behoeft geen betoog, dat deze verklaringen stuk voor stuk enorme leugens zijn. Gelukkigerwijs hebben we de feiten bij de hand waarmee we deze insinuaties kunnen ontmaskeren en de waarheid vaststellen.

1e. Op 23 november 1920 namen de Makhnovshchi in Pologi en Goeljaj-Pole negen agenten van de afweerdienst van de 42e schuttersdivisie van het rode leger gevangen die, op heterdaad betrapt zijnde, het volgende vertelden: op bevel van de chef van de schuttersdivisie zouden zij zich naar Goeljaj-Pole begeven, teneinde Makhno, de kommandanten en anderen te arresteren. Zij zouden wachten totdat de rode troepen in Goeljaj-Pole zouden zijn binnengerukt, en dan onmiddellijk de woningen van de betrokken personen aan wijzen. Indien deze mensen echter bij een plotselinge overval van de rode troepen van de ene plaats naar de andere trokken, dan moesten zij hen op de voet volgen en hen niet uit het oog verliezen. Een overval op Goeljaj-Pole was naar de mededeling van de gearresteerden ongeveer op 24 of 25 november te verwachten.

Naar aanleiding van deze verklaringen werd in naam van de Sovjets van de revolutionaire opstandigen en van de commanderenden van het leger aan Rakowski en de revolutionaire oorlogssovjets van het Zuidelijk front, enige berichten over de ontdekte samenzwering verzonden, waarin geëist werd: 1e. onmiddellijke arrestatie en voorgeleiding van de kommandant van de 42e divisie, de stafchef van die divisie en de overige complotteurs voor de oorlogskrijgsraad, en 2e. teneinde misverstand te voorkomen wordt de doorgang van de rode troepen door de plaatsen Goeljaj-Pole, Pologi, Klein-Takmatsjka en Toerkenowka verhinderd.

De Charkowse Sovjetregering gaf het volgende antwoord: de samenzwering berust klaarblijkelijk op een eenvoudig misverstand, desalniettemin werd door de Sovjetregering teneinde deze aangelegenheid te onderzoeken, een commissie gevormd, aan de staf van het Makhnoleger werd voorts de uitnodiging gericht twee gedelegeerden in deze commissie zitting te laten nemen. Dit antwoord werd op 25 november door middel van koerierdienst uit Charkow ontvangen. Op de morgen van de daarop volgende dag sprak de secretaris van de sovjets van de revolutionaire opstandigen P. Rybin wederom met dit doel met Charkow en de Bolsjewiki antwoordden, dat er niet de minste aanleiding voor ongerustheid bestond, aangezien de kwestie van de 42e divisie op een voor de Makhnovshchi bevredigende manier zou worden opgelost. Gelijktijdig werd ook medegedeeld, dat de kwestie inzake punt 4 van de politieke overeenkomst een gelukkige oplossing tegemoet ging. Dit gesprek vond plaats om 9 uur ’s morgens op de 26e november. Intussen waren echter voor dit gesprek, en wel om 3 uur 's morgens van dezelfde dag in Charkow de gehele Vertegenwoordiging van de Makhnovshchi, en verder alle anarchisten in Charkow en in de Oekraïne gearresteerd.

Nauwelijks twee uur na het onderhoud van Rybin werd. Goeljaj-Pole van alle kanten door sovjet-troepen omsingeld en een trommelvuur uit machinegeweren en kanonnen tegen het dorp geopend. Op dezelfde dag en tegelijkertijd werd het Makhnoleger in de Krim aangevallen, alle leden van de staf van het Makhnoleger en Semjon Karetnik, de kommandant van het Krimse Makhnoleger, werden gearresteerd en gedood.

Zonder twijfel was een zo omvangrijke operatie, gelijk deze verraderlijke overvallen en arrestaties zorgvuldig voorbereid en naar alle waarschijnlijkheid in het verloop van ten hoogste twee weken.

Waaruit blijkt dat de Sovjetregering niet alleen op verraderlijke wijze de Makhnovshchi overvallen had, doch ook het gehele plan zo geraffineerd had opgezet, dat zij erin geslaagd was de waakzaamheid van de Makhnovshchi te misleiden, ze letterlijk te bedriegen, aangezien ze verklaard had, dat er voor hen geen gevaar dreigde, om dan per saldo hen allen des te harder te kunnen aanpakken.

2e. Op 27 november, dit is op de dag na de vermelde overval op Goeljaj-Pole, legden de Makhnovshchi bij gevangen soldaten van het rode leger beslag op de volgende proclamatie: “Op tegen Makhno” en “Dood aan de Makhnovshchina” zonder datum uitgegeven door de politieke afdeling Van het 4e leger. Deze papieren hadden de Soldaten volgens hun zeggen op 15 en 16 november ontvangen: daarin werd de mobilisatie tegen Makhno gelast, aangezien hij de politieke militaire overeenkomst verbroken zou hebben, dat hij geweigerd had naar het Kaukasische front te trekken, dat hij tegen de Sovjetregering geageerd had enz. enz. Uit al deze feiten blijkt, dat al de in deze publicaties aanwezige beschuldigingen tegen Makhno reeds gedrukt waren toen het Makhnoleger de doorbraak in de Krim had bewerkstelligd en Simferopol bezet had, terwijl de Makhnovertegenwoordiging nog rustig en zonder ook maar het geringste kwaad te vermoeden met de Sovjetregering tezamen in Charkow werkte. 3e. In de loop van oktober en november 1920 d.w.z. toen het politiek-militaire verdrag van de Makhnovshchi met de Sovjetregering pas was bekrachtigd, werden in Goeljaj-Pole twee aanslagen van de Sovjetregering tegen Makhno, welke met behulp van gewetenloze sluipmoordenaars zouden worden uitgevoerd, ontdekt.

Wij voegen hier nog aan toe, dat een bevel, dat het leger van de opstandigen gegeven zou zijn naar het Kaukasische front op te rukken, nooit te Goeljaj-Pole in de hoofdstaf van het leger is aangekomen. Makhno was omstreeks deze tijd zwaar gewond geraakt, een van zijn benen was volkomen verbrijzeld, waardoor hij genoodzaakt was zich enkel met de stukken bezig te houden, echter de meeste van deze stukken kwamen in handen van de stafchef van het leger Belasj en de secretaris van de sovjets P. Rybin, welke van ieder stuk onmiddellijk duplicaten opzonden naar de dagelijks plaatsvindende zitting van de sovjets.

Hier moet ook vermeld worden dat de Sovjetregering de publicatie van de militair-politieke overeenkomst voortdurend uitstelde. Achteraf blijkt nu met welk doel zij zulks deed. Voor haar was deze overeenkomst niet meer dan een tactische zet, welke ten hoogste voor twee maanden zou kunnen duren, totdat Wrangel uit de weg was geruimd. De Sovjetregering was voornemens onmiddellijk na die vernietiging de Makhnovshchi wederom gelijk vroeger voor bandieten en contra-revolutionairen te verklaren, teneinde hen in naam van dit huichelachtig motief te kunnen verdelgen. Zoals uit deze dingen blijkt, was het niet in hun belang de tekst van het politieke verbond met de Makhnovshchi te publiceren en voor het forum van de massa te brengen. Het allerliefst had ze het voor de massa volkomen willen verzwijgen, om dan alsof er helemaal niets gebeurd was, de strijd tegen de Makhnovshchi onder de leus “bandieten en contra-revolutionairen” voort te zetten.

Dat is de waarheid over de woordbreuk van de Sovjetregering inzake de militaire overeenkomst met de Makhnovshchi.

Het is wenselijk, dat men de tekst van deze overeenkomst zijn bijzondere opmerkzaamheid schenkt. In deze tekst zijn duidelijk twee tendensen te onderscheiden: 1e. een staatkundige welke de voorrechten van de regering verdedigt, 2e. een volksrevolutionaire welke met klem de eisen verdedigt welke sinds oeroude tijden door de geknechte massa aan de regerende machten gesteld werden. Het is kenmerkend, dat het gehele eerste deel van de overeenkomst hetwelk gaat over de politieke rechten van de arbeiders, gebaseerd is op de eisen die door de Makhnovshchi werden gesteld. De Sovjetregering heeft in dit opzicht op welhaast klassieke wijze de positie van de tirannie trachten te verdedigen, d.w.z. ze trachtte de eisen van de Makhnovshchi te kritiseren en wilde omtrent ieder punt een koehandel sluiten teneinde zo weinig mogelijk af te staan van datgene wat feitelijk de zelfstandigheid des volks uitmaakt, n.l. zijn politieke rechten.

Wij willen ook signaleren dat de Makhnovshchi die van de anarchistische gedachte van de strijd uitgingen, te allen tijde tegenstanders van politieke samenzweringen zijn geweest. Volkomen openhartig wierpen zij zich in de strijd voor de revolutie, doordat zij de grote massa met haar wezen bekend maakte, want zij geloofden dat alleen zulk een door de massa gevoerde revolutionaire strijd de arbeiders tot hun uiteindelijke overwinning kon doen geraken. Samenzweringen echter alleen met het doel een andere regering te verkrijgen, waren volkomen tegen de natuur van de Makhnovshchina.

Zo was dus de overeenkomst met de Sovjetregering en de Makhnovshchi al dadelijk bij zijn geboorte door de Bolsjewiki niet serieus genomen en werd hij slechts formeel tot na de ineenstorting van Wrangel erkend. Dit blijkt ook uit enige publicaties van de Sovjetregering zelf. Wij publiceren hier het bevel van de commandant van het zuidelijk front Froense, een bevel waarin hij de Bolsjewiki wijst op hun verraderlijke overval op de Makhnovshchi, en gelijktijdig alle leugenberichten weerlegt, welke de Sovjetregering in deze aangelegenheden tegen de anarchisten en Makhnovshchi had verspreid.

Bevel aan de commandant van het leger van de opstandigen, partijgenoot Makhno. Kopie aan de legercommandanten van het zuidelijk front No. 00149, veldstaf.

Melitopol, 23 november 1920.

In samenhang met het eindigen van het militaire offensief tegen Wrangel, in aanmerking genomen zijn vernietiging, verklaart de revolutionaire oorlogssovjet van het zuidelijk front de instructies van het vrijwilligersleger als geëindigd en doet de revolutionaire oorlogsraad van het leger van de opstandigen het voorstel, de opstandige vrijwilligerstroepen tot normale troepeneenheden van het rode leger te transformeren. Het zelfstandige bestaan van een opstandelingenleger met eigen organisatie is, gegeven de militaire situatie niet meer noodzakelijk. Integendeel, het bestaan van afdelingen met bijzondere organisaties en doelstellingen, onafhankelijk van de troepen van het rode leger, leidt tot toestanden, die niet kunnen worden getolereerd.[5] Daarom stelt de revolutionaire oorlogssovjet van het zuidelijk front de revolutionaire oorlogssovjet van het leger van de opstandigen het volgende voor:

1e. alle troepenafdelingen van het voormalige opstandelingenleger, welke zich in de Krim bevinden, worden onverwijld aan het 4e leger toegevoegd, welke revolutionaire oorlogssovjet de instructie zal krijgen deze troepen te transformeren.

2e. De “Oeproform”[6] in Goeljaj-Pole wordt opgeheven en de soldaten hiervan naar aanwijzing van de legercommandant aan de reserve toegevoegd.

3e. De revolutionaire oorlogssovjet van het opstandelingenleger heeft alle desbetreffende maatregelen te nemen teneinde de soldaten de noodzakelijkheid van genoemde instructies te verklaren.

Ondertekening commandant van het zuidelijk front: M. FROENSE,

Lid van de revolutionaire oorlogssovjet SMILGA, Chef van de veldstaf van het leger KARATIGIN.

Men herinnerd zich in dit verband de geschiedenis van de politieke overeenkomst met de Sovjetregering. Zoals boven is opgemerkt gingen aan deze overeenkomst voorlopige onderhandelingen van de Makhnovshchi met een Sovjetdelegatie vooraf, die speciaal voor dit doel met de bolsjewiek Iwanoff aan het hoofd naar het verblijf van Makhno in Starobelsk gekomen was. Deze onderhandelingen werden van Starobelsk naar Charkow verlegd, waar de Makhno-delegatie tezamen met de gevolmachtigden van de Sovjetregering drie weken lang aan het tot stand komen van de overeenkomst werkten. Punt voor punt werd door beide partijen nauwkeurig overwogen en bediscussieerd. In zijn uiteindelijke vorm werd de overeenkomst door beide verdragsluitende partijen aangenomen, d.w.z. door de Sovjetregering en door de revolutionaire opstandigen in de persoon van de Sovjet van de revolutionaire opstandigen van de Oekraïne en werden door de gevolmachtigden van deze partijen bekrachtigd.

Ingevolge de betekenis van deze overeenkomst kon geen enkel punt op een of andere wijze anders uitgelegd worden, dan alleen op de grondslag van een gemeenschappelijke overeenkomst van de Sovjetregering en de Sovjet van de revolutionaire opstandigen van de Oekraïne, in zover deze overeenkomst noch door de een, noch door de ander voortijds verbroken zou zijn.

In het eerste punt van het ze deel van het verdrag staat er woordelijk: “het revolutionaire opstandsleger van de Oekraïne (Makhnovshchi) wordt aan de legermacht van de republiek als vrijwilligersleger toegevoegd en staat in offensief opzicht onder het oppercommando van het rode leger, ze behoud{t hare vroegere indeling onafhankelijk van de grondslag en de theorie van de troepenafdelingen van het rode leger”. Froense verlangt in zijn bevel no. 00149 van 23 Nov. 1920 de opheffing van het leger van de opstandige Makhnovshchi en diens transformatie tot troepenafdelingen van het rode leger. Dit geschiedt, zoals het in zijn bevel heet, “omdat de Sovjetregering in verband met het beëindigen van het militaire offensief tegen Wrangel het bestaan van het vrijwilligersleger als niet meer noodzakelijk beschouwt“.

Door dit bevel wordt niet alleen het bovengenoemde eerste punt van de overeenkomst ten opzichte van de militaire actie opgeheven, doch het militair politieke verdrag in zijn geheel.

De omstandigheid dat de Sovjetregering dit niet in de vorm ener revisie (herziening) of een verandering van de reeds bestaande tekst van een verdrag, doch in de vorm van een dringend oorlogsbevel uitvoert, aangezien dit laatste nog door onmiddellijke opening van kanon- en geweervuur ondersteund kan worden, toont overduidelijk aan, dat de gehele overeenkomst voor de Bolsjewiki alleen de betekenis van een krijgslist had, waarin de Makhnovshchi gevangen moesten worden.

Als aanvulling van het geciteerde bevel had het 4e rode leger, dat zich in de Krim bevond, de instructie ontvangen, tegen de Makhnovshchi met alle te haren dienste staande wapenen op te treden, indien dezen het bevel niet zouden opvolgen.

Froense's bevel geeft zonder commentaar een duidelijk beeld van de werkelijke situatie. Hier wordt dn Makhnovshchi het ultimatum gesteld hun leger te demobiliseren en het tot een gewoon troepenonderdeel van het rode leger te transformeren, m.a.w. van de Makhnowtsjina werd zonder meer verlangd, dat zij zelfmoord zouden plegen. Men zou zich over deze naïviteit kunnen verwonderen, wanneer het uitsluitend en alleen om naïviteit ging.

Echter achter deze naïviteit was een zeer geraffineerd zorgvuldig berekend plan tot volkomen vernietiging van de Makhnovshchina verborgen. Wrangel was verslagen. De Makhnovshchi had men tot dit doel gebruikt. Het ogenblik tot hun vernietiging was dus zo goed mogelijk gekozen. Dat is de eigenlijke zin van het bevel. Behalve een oppervlakkige openhartigheid bevatte Froense’s bevel echter ook een formidabele leugen. De situatie was n.l. zo, dat noch de legerstaf in Goeljaj-Pole, noch de Makhno-vertegenwoordiging in Charkow dit bevel ontvangen had. Dit bevel werd de Makhnovshchi pas vier weken later uit kranten bekend die hun toevallig in de handen waren gekomen. Dit is overigens volkomen begrijpelijk. Immers, van de Bolsjewiki, die een onverwachte overval tegen de Makhnovshchi hadden voorbereid, zou men toch niet de attentie willen verwachten, dat zij vooruit een bericht zouden sturen om hun slachtoffers op de hoogte te stellen van de verraderlijke overval! Daarmee zou immers hun gehele misdadige plan ineen zijn gestort. Het bevel zou overal alle Makhnovshchi op de been hebben gebracht en geen enkele van de door de Bolsjewiki voorbereide overvallen zou dan succes gehad hebben. De Sovjetregering wist zulks maar al te goed. Daarom had ze haar heimelijk doel tot op het laatste ogenblik streng geheimgehouden. Later, toen de overvallen reeds hadden plaats gehad en de woordbreuk feit was geworden, verscheen Froense's bevel in de pers. Gepubliceerd werd het voor de eerste maal op de 15e december in de Charkowse “Communist”, echter de ondertekening was van 23 november. Al deze listen werden aangewend om volkomen onverwacht de Makhnovshchi te kunnen aanvallen, ze grondig te verdelgen en dan later het gebeurde “met de wet in de hand” te kunnen rechtvaardigen.

De overvallen op de Makhnovshchi werden overal door arrestaties van anarchisten begeleid. Afgezien nog van de strijd tegen de anarchistische idee, streefden de Bolsjewiki ernaar eventuele protestdemonstraties hierdoor te voorkomen en een eventuele mogelijkheid dat het gebeurde de massa duidelijk zou worden uit te schakelen. Gearresteerd werden niet alleen anarchisten doch ook mensen die enkel met anarchisten bevriend waren of die zich voor de anarchistische literatuur interesseerden. In Jelisawetsgrad werden 15 knapen in de ouderdom van 15 tot 18 jaar gearresteerd. Alhoewel het gouvernement in Nikolajew met de arrestatie van deze kinderen niet tevreden was en verklaarde, dat men “werkelijke” anarchisten oppakken moest en niet zulke “melkmuilen”, bleven deze kinderen nochtans in arrest.

De anarchistenjacht werd in Charkow op een wijze georganiseerd welke herinnert aan de slechtste jaren onder het Tsarenregiem. In de woningen aller plaatselijke anarchisten werden hinderlagen gelegd. Ook in de boekhandel “Vrije Broederschap” was een hinderlaag gelegd. Ieder die in deze boekwinkel kwam, om een boek te kopen werd plotseling gearresteerd en aan de Tsjeka overgeleverd. Gearresteerd werden ook personen die enkel op straat hadden stilgestaan om de kort geleden (legaal) gedrukte en aan huismuren aangeplakte anarchistencourant “Nabat” te lezen. De anarchist Grigorie Zesnik ontging door een toeval een arrestatie. De Bolsjewiki namen zijn vrouw gevangen, een figuur die zich nimmer met praktische politiek had bezig gehouden. Ze ging in hongerstaking en eiste met klem haar vrijlating. Op cynische wijze verklaarden de Bolsjewiki wanneer Zesnik veel aan zijn vrouw gelegen was, dan moest hij zichzelf maar bij hen melden. Zesnik welke tuberculose had, verscheen ook werkelijk en werd natuurlijk gearresteerd.

We zeiden reeds dat de gehele stad en de commandant van het Makhnoleger op verraderlijke wijze in de Krim waren gearresteerd. De commandant van de artillerie Martsjenko, die door de troepen van het 4e rode leger omsingeld was, sloeg zich door hinderlagen heen en bereikte Perekop, waarna hij eindelijk na vele dag- en nachtmarsen zich op de 7e december met de Makhnotroep verenigde. Deze vereniging geschiedde in het Griekse dorpje Kermentsjik. Het gerucht van de doorbraak van het Makhnoleger in de Krim was reeds vele dagen in omloop. Eindelijk arriveerde op 7 december een koerier met het bericht dat de troep van Martsjenko na enige uren binnen zou rukken. Vol vreugde renden de Makhnovshchi, welke zich in Kermentsjik bevonden de helden tegemoet. Toen zij echter in de verte de ruitertroep gewaar werden, daalde hun vreugde merkbaar. In plaats van een sterke ruiterafdeling van 1500 man keerde slechts een kleine afdeling van 250 man terug.

De voorhoede met Martsjenko en Taronowski aan het hoofd kwam aangereden.

“Ik meld de terugkomst van het Krimleger“, zei Martsjenko met lichte ironie. Allen lachten. “Ja, broeders”, ging Martsjenko voort, “nu weten wij wat het contract met de Bolsjewiki te betekenen had“. Makhno blikte droevig voor zich uit. De aanblik van de verslagen en bijna geheel vernietigde beroemde ruiterafdeling ontroerde hem.

Hij zweeg en had moeite zijn aandoening te verbergen. Op een bijeenkomst die onmiddellijk ter plaatse georganiseerd werd, vertelde men hoe de overval in de Krim begonnen was: de commandant van het leger Karetnik was door het sovjetcommando voor een ogenschijnlijk militaire bespreking naar Goeljaj-Pole ontboden. Onderweg echter werd hij verraderlijk gearresteerd; Gawrilenko, chef van de staf, verder de leden van de staf en enige commandanten, had men onder het voorwendsel dat er omtrent militaire aangelegenheden onderhandeld moest worden, gearresteerd. Alle gearresteerden werden onmiddellijk doodgeschoten. De cultuur- en onderwijsafdeling, die zich in Simferopel bevond, werd eenvoudig opgeheven.

* * *

Toen Goeljaj-Pole op 26 november door de rode troepen omsingeld was, stonden daar slechts 150—200 man cavalerie. Met deze 100 man overrompelde Makhno een sovjet- cavalerieregiment, dat op de weg naar Oespensk naar Goeljaj-Pole oprukte en doorbrak op die manier het cordon van de rode troepen. In de eerste week organiseerde hij de opstandstroepen, die overal vandaan naar hem toestroomden en enige afdelingen van het rode leger, die van de Bolsjewiki tot hem overgingen. Zo kwam een afdeling van 1.000 man ruiters en 1.500 man infanterie tot stand, waarmee hij tot de aanval overging. Ongeveer een week daarna bezette hij Goeljaj-Pole, nadat hij de daar aanwezige 42e divisie verslagen en 6.000 man gevangen genomen had. Ongeveer 2.000 man van deze laatsten uitten de wens, in de rijen van de opstandelingen opgenomen te worden, terwijl de overigen nog op dezelfde dag na een bijeenkomst ontslagen werden. Drie weken later bracht Makhno de roden een nog gevoeliger nederlaag bij het dorp Andrejewka toe. Van middernacht af tot aan de avond van de volgende dag streed hij onafgebroken tegen twee rode divisies, versloeg deze en maakte 8.000—10.000 krijgsgevangenen. Laatstgenoemden werden juist als in Goeljaj-Pole onmiddellijk ontslagen, terwijl de vrijwilligers weer in het leger werden opgenomen. Daarna bracht Makhno de roden nog drie nederlagen toe in het dorp Komarj, in Zare-Konstantinowka en in de stad Berdjansk. De rode infanterie ging ongaarne in de strijd en liet zich zo nodig in massa gevangen nemen.[7]

Gedurende een tijd waren de Makhnovshchi in de veronderstelling, dat zij’ de strijd zouden winnen. Het leek hun voldoende twee of drie belangrijke groepen van roden, die in verschillende richtingen tegen de Makhnovshchi oprukten, te verslaan, teneinde te bereiken, dat het rode leger daardoor gedeeltelijk tot de Makhnovshchi zou overgaan, gedeeltelijk naar het Noorden teruggetrokken zou worden. Nu kwamen echter uit verschillende plaatsen boerenmededelingen binnen, dat de Bolsjewiki in ieder dorpje uitsluitend cavalerieregimenten inkwartierden, en dat op enige plaatsen geweldige troepenmachten samengetrokken werden. En inderdaad werd Makhno in het dorpje Fedorowka, ten Zuiden van Goeljaj-Pole, door enige infanterie- en cavaleriedivisies omsingeld. Vanaf 2 uur des nachts tot 4 uur 's namiddags streed hij onafgebroken met hen, doorbrak eindelijk het cordon en ontkwam in noordelijke richting. Drie dagen daarna herhaalde zich dit in het Griekse dorpje Konstantin: een massa vijandige cavalerie en trommelvuur van alle kanten. Uit de mededelingen van gevangen genomen rode officieren kon Makhno afleiden, dat 4 legers tegen hem opereerden: 2 cavalerielegers en 2 gemengde legers, en dat het doel van het rode oppercommando was, hem van alle kanten met alle mogelijke militaire strijdkrachten te omsingelen. Deze mededelingen kwamen met de observaties van de boeren zowel als met de persoonlijke conclusies van Makhno overeen. Het werd hierdoor duidelijk, dat de vernietiging van 2 of 3 groepen van het rode leger, in aanmerking genomen de enorme legermassa die men tegen Makhno in het veld bracht, slechts geringe betekenis kon hebben. Het was dus niet zo, dat men de sovjet-troepen zou kunnen overwinnen, maar er moest voorkomen worden, dat het zou geraken tot een algemene vernietiging van het leger van de opstandigen. Dit nominaal klein leger van 3000 soldaten had dagelijks te vechten tegen 10000 tot 15000 man.

Onder zulke omstandigheden was een catastrofe voor het leger haast niet te vermijden. Op een conferentie van dé sovjets van de revolutionaire opstandigen werd besloten tijdelijk het gehele zuidelijke rayon op te geven en Makhno, wat de beweging van het leger betreft, volledige vrijheid van handelen te laten.

Het genie van Makhno werd nu op een zware proef gesteld. Het scheen volkomen uitgesloten te zijn de legermachten welke de opstandelingen van alle kanten als het ware omknelden, te doorbreken. 3000 revolutionaire strijders werden door 150 duizend man omsingeld. Makhno liet geen ogenblik de moed zinken en stortte zich in een heldhaftige strijd met deze troepen. Door de rode divisies volkomen omsingeld, rukte hij — naar rechts en naar links, naar voren en naar achteren om zich heen slaand — als een Titaan voorwaarts. Nadat hij enige rode legertroepen verslagen en ongeveer 20 duizend rode soldaten gevangen genomen had, rukte hij naar Joesowka op, waar, zoals hij gehoord had van arbeiders, een geweldige hinderlaag gelegd zou worden; plotseling maakte hij rechtsomkeert naar het Westen en voltrok een welhaast fantastisch marsplan, zoals hij alleen volvoeren kon. Alle hoofdwegen en straten liet hij links liggen en nu marcheerde het leger honderden kilometers ver over met sneeuw bedekte velden, alleen geleid door een schier feilloze bekwaamheid, zich in de sneeuwwoestijn te oriënteren.[8] Deze tactiek maakte het ‘t Makhnoleger mogelijk een ring van honderden stuks geschut en machinegeweren, welke men had aaneengesloten, te ontlopen en tegelijkertijd in het gouvernement Cherson bij het dorp Petrowo twee brigaden van het eerste cavalerieleger, welke niet op Makhno’s komst waren voorbereid, te verslaan.

De strijd voltrok zich onafgebroken gedurende nacht en dag enige maanden lang. In het gouvernement Kiew geraakte het Makhnoleger gedurende een glad-ijsperiode in een zodanige rotsachtige omgeving, dat het bijna zijn gehele artillerie, z'n proviand en de boerenkarren achterlaten moest. En omstreeks deze tijd nu werden aan de grote legermassa’s, die het op Makhno gemunt hadden, onvermoed nog 2 cavaleriedivisies van de Tsjerwonni-Kozakken toegevoegd. Iedere mogelijkheid tot retireren was afgesneden. Het landschap om hen heen leek wel haast een graf: rotsen, met ijs bedekte ravijnen, men kon slechts uiterst langzaam voorwaarts trekken. Van alle kanten onafgebroken artillerie- en machinegeweervuur. Geen mens zag uitweg en redding. Echter wilde ook niemand smadelijk de vlucht nemen. Zij allen besloten tezamen te sterven, zij aan zij.

Onzegbaar droef was het, dit hoopje opstandelingen omstreeks deze tijd te zien, waar zij nog slechts naakte rotsen, de hemel en het vijandelijk vuur om zich heen hadden, nochtans geheel vervuld en vastbesloten, tot op de laatste man te vechten. Smart, vertwijfeling en droefheid konden hun doorvechten niet verhinderen. Men had het de wereld moeten inschreeuwen, dat hier een ontzettende misdaad begaan werd, dat de heldhaftige kern van een volk hier vermoord werd en onderging, die kern namelijk, welke zich in zulke heroïsche tijden gelden doet. Het is aan Makhno gelukt door deze beproeving heen te komen. Hij rukte tot aan Galicië toe op, ging toen in de richting Kiew, overschreed nabij Kiew de Dnjepr op de terugweg, trok dan het gouvernement Poltawa en Charkow binnen, rukte weer naar het Noorden tot Koersk, kruiste de spoorweg tussen Koersk en Belgorod en kwam zodoende in een ietwat betere situatie, aangezien hij de talrijke cavalerie- en infanteriedivisies van de roden ver achter zich had gelaten.

* * *

Hiermee was de heroïsche strijd van de Makhnovshchi tegen de bolsjewistische Rijkslegers echter nog niet ten einde. Het sovjetcommando spande alle krachten in, om de eigenlijke kern van de Makhnovshchina te pakken te krijgen en te vernietigen. Overal uit de Oekraïne trok ze talrijke infanterie- en cavaleriedivisies samen en liet deze tegen Makhno oprukken. Telkens weer sloot zich de vuurkring om de heldhaftige revolutionairen, en telkens ontbrandde de strijd op leven en dood.

Makhno heeft in een brief aan zijn vriend het einde van deze diepontroerende heldhaftige periode in de geschiedenis van de Makhnovshchina als volgt geschilderd.

Hij schrijft:[9]

“Juist was jij, beste vriend, weggegaan of ik bezette na twee dagen de stad Korotsja, gouvernement Koersk, bracht enige duizenden exemplaren van de “Grondstellingen over de ontwikkeling van vrije raden” in omloop en rukte toen dadelijk over Warpnjarka en het Dongebied naar Jekaterinoslaw en Taurus op. Dagelijks had ik een verbitterde strijd te voeren, enerzijds met de infanterietroepen van de communisten-Bolsjewiki, die ons op de voet volgden, anderzijds met het tweede cavalerieleger, dat het bolsjewistische commando speciaal tegen mij uitgezonden had. Je kent natuurlijk onze ruiters, de bolsjewistische had haar zonder infanterie en pantserauto's niet kunnen weerstaan. En ik zuiverde nu, zij het ook met grote verliezen, de weg voor mij uit zonder de ingeslagen richting te veranderen. Iedere dag opnieuw bewees ons leger, dat het een werkelijk revolutionaire volksmassa was. Op de weg die wij hadden ingeslagen verloor ons cavalerieregiment in een ernstig gevecht 30 man; de helft daarvan waren commandanten, onder de laatsten bevond zich ook onze dierbare vriend, de commandant van het regiment Gawrjoesja Trojan, jong van jaren, doch in de strijd beproefd als een held. Hij werd door een kogel getroffen en op slag gedood. Met hem vielen Apollon en vele andere dierbare geestverwanten.

Nog voor Goeljaj-Pole stieten wij op onze eigen grotere troepen onder het commando van Browa en Parchomenko, hierop ging de eerste brigade van de 4e divisie van het ruiterleger van Boedenny met de brigadecommandant Maslak aan het hoofd tot ons over. Nog verbitterder ontbrandde de strijd tegen de bolsjewistische willekeursheerschappij.

In de eerste dagen van maart nam ik Browa en Maslak uit het leger en formeerde hen tot een zelfstandige Dongroep. Verder werd de groep van Parchomenko naar het rayon Woronesj afgezonden. Parchomenko werd kort daarop gedood; aan het hoofd stond daarna een anarchist uit Tsjoegoejew. Geformeerd werd nog een ruitertroep van 600 man en het infanterieregiment Iwanjoek. naar Charkow gezonden.

Omstreeks deze tijd werd onze beste kameraad en revolutionair Wdowitsjenko in een strijd gewond en moest derhalve ter genezing naar het rayon Nowospask met enige anderen gedirigeerd worden. Daar werd hij door een bolsjewistische strafexpeditie gearresteerd en in het verloop van de strijd die zich hieruit ontspon, maakten hij en Matrossenko met een kogel een eind aan hun leven.[10] Matrossenko was onmiddellijk dood, terwijl de kogel van Wdowitsjenko hem tot onder zijn schedel gedrongen was. Toen de Bolsjewiki hem nu arresteerden en hem herkenden, haalden zij onmiddellijk hulp en redden hem zo enige tijd van de dood. Enige tijd daarna kreeg ik bericht van hem. Hij lag in Alexandrowsk in het ziekenhuis en smeekte, dat men hem toch kwam halen. Men tergde hem daar ontzettend en sloeg hem voor, zich van de Makhnovshchina door ondertekening van een document los te maken. Vol verachting sloeg hij dit af, hoewel bij bijna niet kon spreken en zou, omdat hij dit gedaan had doodgeschoten worden. Of hij werkelijk doodgeschoten is, kon ik niet vaststellen.

Ik zelf ondernam omstreeks deze tijd een tocht over de Dnjepr naar Nikolajew en vandaar weer terug over de Dnjepr tot noordelijk van Perekop en begaf me toen naar mijn rayon, waar ik met enige van mijn troependelen zou samen komen. Bij Melitokow had het bolsjewistische commando mij een hinderlaag gelegd. Het was niet meer mogelijk aan de rechter-Dnjeproever te komen. Op de Dnjepr was ijsgang. Zo moest ik mij te paard zetten[11] en zelf de strijd leiden. Aan het ene front week ik de strijd uit, provoceerde echter het andere front door mijn voorpostafdelingen een dag lang in afwachting van de strijd haar front te laten verplaatsen, terwijl ik ondertussen een mars van 60 werst maakte en in de vroege morgen van de 8ste maart het derde deel van de Bolsjewiki, welke bij het Molotsjny-meer stonden versloeg, om dan over de landengte tussen het Molotsjny-meer en de zee van Asow weer in het vrije veld te komen in de buurt van Opper-Tokmak. Van hieruit commandeerde ik Koerilenko naar het gebied Berdjansk-Marioepol, om in dit rayon de opstandsbeweging te leiden. Ik zelf begaf mij over Goeljaj-Pole naar Tsjernigow, vanwaar ik uit enige provincies boerendelegaties ontving, die mij verzochten, eens in hun rayon een kijkje te willen nemen.

Onderweg werd mijn groep d.w.z. de groep Petrenko, die uit 1500 man ruiters en 2 infanterieregimenten bestond en zich bij mij bevond, opgehouden en van alle kanten door sterke bolsjewistische legermachten omsingeld. Wederom moest ik hier persoonlijk de tegenaanval leiden. Deze tegenaanval gelukte. We joegen de vijand op de vlucht, namen een massa soldaten gevangen, en maakten geweren, geschut en paarden buit. Echter na twee dagen werden wij door frisse vijandelijke strijdkrachten opnieuw aangevallen. De dagelijkse gevechten hadden de mensen zo dol en heldhaftig gemaakt, dat hun moed en hun doodsverachting wel haast zonder voorbeeld was. Met de uitroep “een vrij leven of de dood op het slagveld” wierpen zij zich met onverschillig welke vijand in het gevecht en sloegen hem op de vlucht. In een meer dan waanzinnig dappere tegenaanval werd ik door een bolsjewistenkogel in de zij getroffen, welke de blindedarm doorboorde en waardoor ik van het paard stortte. Dat was de oorzaak van onze terugtocht, aangezien een onervaren jonge soldaat luid riep: de leider is gevallen. Twaalf werst ver werd ik zonder verband op een machinegeweerkarretje gereden, ik was bijna doodgebloed. Van gaan of zitten was geen sprake, zonder bewustzijn lag ik daar. Dat was op de 14e maart. In de nacht van de 15e maart zaten alle commandanten van de groepen, alle medewerkers van de veldstaf met Belasj aan het hoofd om mij heen, en smeekten mij een bevel te ondertekenen, dat 100 of 200 soldaten aan Koerilenko, Koshin en aan de anderen, die de opstanden in bepaalde rayons leidden, zouden worden toegevoegd. Het doel van deze bevelen was om mij met een bijzondere afdeling zolang in een stille plaats te kunnen afzonderen, tot mijn wond genezen was, en ik weer in het zadel kon plaatsnemen. Ik ondertekende het bevel en gaf Saboedjko verlof een lichte strijdgroep af te zonderen en in genoemd rayon zelfstandig te opereren, zonder echter het contact met mij te verliezen. Reeds 's morgens vroeg op de 16e maart werden de troepenafdelingen opgecommandeerd met uitzondering van het bijzondere regiment, dat bij mij bleef. In deze tijd stiet de 9e cavaleriedivisie op ons en vervolgde ons 180 werst gedurende 13 uur. In het dorp Sloboda aan de zee van Asow wisselden we van paarden en 5 uur konden mensen en dieren rusten.

In de vroege morgen van de 17e maart rukten we op in de richting van Nowospassowka en stieten na 17 werst op andere frisse cavalerietroepen van de Bolsjewiki, welke Koerilenko's sporen gevolgd hadden, maar daar zij zijn spoor niet vonden, ons overvielen. Nadat zij ons, die geheel uitgeput waren, 25 werst voor zich uit hadden gedreven, begonnen ze ons erg te bestoken. Wat te doen? Een paard bestijgen kon ik niet, ook zat ik niet in een wagen, doch lag daarin en moest zien hoe op een afstand van ongeveer 150 meter. achter mij een onbeschrijfelijke afslachting plaats vond. Onze mensen stierven om mijnentwille, ze wilden mij nimmer verlaten. Onze ondergang was zeker. De vijand was wellicht 5 tot 6 maal zo sterk als wij, en steeds kwamen nieuwe soldaten naar voren. Ik zag, hoe zich daar mijne machinegeweerschutters om mijn kar verdrongen, dezelfde die bij mij waren, toen jij er nog was. In ’t geheel waren er 5 man onder het commando van Micha uit het dorp Tsjernigowk. Ze klemden zich aan mij vast, namen afscheid van mij en zeiden: “Batjko, U bent voor de zaak van onze boerenorganisaties onontbeerlijk. Die zaak is ons boven alles dierbaar. Wij zullen zodadelijk sterven, echter door onze dood zullen wij U en allen redden die U trouw zijn en U beschermen; vergeet niet, dit onze ouders mede te delen”. Enkelen van hen kusten mij en daarna zag ik geen van hen ooit weer. Omstreeks deze tijd droeg Lew Sinkowski mij in zijn armen uit de kar op een boerenwagen, die onze troepen behouden hadden. Ik hoorde het geknetter van de machinegeweren en het springen van de bommen; dat waren de “Luisisten”,[12] die de Bolsjewiki de weg versperden.

Intussen waren we 3-4 werst verder gegaan en hadden een beekje doorwaad. Onze mitraillisten zijn daar gestorven. Later waren wij’ op deze plaats en de boeren van het dorp Starodoebowka, toonden ons op het veld een klein graf, waarin zij onze mensen begraven hadden. Nog heden kan ik mijn tranen niet onderdrukken, wanneer ik aan deze eenvoudige, oprechte boeren terugdenk. Desalniettemin moet ik het je zeggen, mijn lieve vriend, dat me dat in zekere zin weer vertrouwen gaf. Tegen de avond van dezelfde dag besteeg ik mijn paard en verliet het rayon.

In april inspecteerde ik al mijn troependelen en gaf orders aan hen die niet ver van mij af waren, zich in het gouvernement Poltawa te concentreren. In mei concentreerde ik in Poltawa, Foma, Kosjin en Koerilenko. Dat waren meer dan 2000 man ruiters en enige infanterieregimenten. Er was besloten, tegen Charkow op te rukken en de “Bonzen” van de partij van de Bolsjewiki uit elkaar te jagen. Deze laatste echter sliepen niet. Ze rukten tegen mij op met over de 60 pantserauto's met enige cavaleriedivisies en een geheel infanterieleger. De strijd tegen deze troepen duurde ettelijke weken. Een maand na deze strijd viel — eveneens in Poltawa— Stsjoesj in een slag. De laatste tijd was hij de stafchef van de Saboetjkogroep geweest, waar hij voortreffelijk en eerlijk had gewerkt.

Een maand later kwam Koerilenko om het leven. Toen ons leger een spoorlijn overschreed, dekte hij het met zijn groepen, waartoe hij, om de troepen te verdelen, met de halve compagnie achter gebleven was, en persoonlijk deze patrouille inspecteerde. Hij werd door de cavalerie van Boedjenni omsingeld en kwam daar om het leven. Op 18 mei 1921 rukte het cavalerieleger van Boedjenni op naar de Don, om daar de boerenopstand neer te slaan, die door onze geestverwanten Browa en Maslak, de commandant van de eerste brigade van de divisie van de Boedjonni-groep, welke met zijn brigade tot ons overgegaan was, geleid werd.

Onze samengetrokken troep onder leiding van Petrenko-Platonow (ook ik en de hoofdstaf waren daarbij), was ongeveer 20 tot 15 werst van de weg verwijderd, waar het Boedjenni-leger oprukte. Daardoor liet Boedjonni zich verleiden, daar hij goed wist dat ik steeds bij de tezamen getrokken troep ben. Daarom beval hij de chef van de auto-afdeling No. 21, die omstreeks deze tijd eveneens aan de Don oprukte, om de opstand van de boerenbeweging neer te slaan, 16 pantserauto's af te laden en de streek voor het dorp Nowo-Grigorjefka te omsingelen. Boedjonni zelf kwam met gedeelten van de 19e cavaleriedivisie over velden en wegen oprukkend, in Novo-Grigorjefka eerder aan, dan de chef van de pantserwagen-afdeling verwacht had. Door opmerkzaamheid van onze posten was het deze niet ontgaan, en zo hadden wij de mogelijkheid te juister tijd maatregelen te nemen; precies op het moment dat Boedjenni op onze stelling afkwam, stormden wij’ hem tegemoet.

Boedjenni, die trots vooraan galoppeerde, liet op hetzelfde ogenblik zijn soldaten los en de laffe kerel ging op de vlucht.

Een ontzettend beeld kwam ons toen voor ogen. De rode troepen, die tegen ons opmarcheerden, bestonden uit voormalige regimenten van de binnenlandse verdediging, hadden niet met ons aan het Krimfront gestreden, kenden ons niet en waren als gevolg daarvan bedrogen geworden, dat zij tegen “bandieten” moesten vechten, wat hun trots deed stijgen, daar ze voor bandieten niet vluchten wilden.

Onze opstandige vrienden echter voelden, dat zij in het voordeel waren en hielden het voor hun plicht hen tot iedere prijs te slaan en te ontwapenen.

Het was een gevecht, zoals wel zelden zal zijn voorgekomen. Het eindigde met een volledige nederlaag van Boedjenni, waardoor zich zijn leger verstrooide en veelvuldige deserties van de rode troepen plaats vonden. Hierna organiseerde ik een uit Siberiërs bestaande afdeling onder het commando van Glasoenoff welke goed uitgerust naar Siberië gezonden werd.

In de eerste dagen van augustus 1921 lazen we in bolsjewistische couranten, dat deze afdeling zich in het gouvernement Samara zou hebben vertoond. Later hebben wij niets meer van haar gehoord.

De gehele zomer 1921 werd ononderbroken gevochten. De droogte en misoogst in het gouvernement Jekaterinoslaw, Taurus, gedeeltelijk ook in Cherson en Poltawa, allen aan de Don gelegen, dwong ons met een gedeelte in het Koeban gebied op te rukken en naar Zarizyn en Saratow, met het andere gedeelte in het gouvernement Kiew en Tsjernigow.

In Tsjernigow streed Kosjin onafgebroken. Toen wij hem ontmoetten gaf hij mij een aantal protocollen van de Tsjernigowse boeren, waarin zij ons hun volledige ondersteuning in de strijd voor de invoering van een vrije sovjet-ordening verzekerden.

Persoonlijk ondernam ik met de groepen Saboedjko en Petrenko een tocht tot aan de Wolga, maakte een boog om de hele Don heen, kwam met velen van onze afdeling tezamen, herstelde het contact met hen en verbond hen met de troep van Asow.

Daar ik zware verwondingen had, werd begin augustus 1921 besloten, dat ik met enige commandanten naar het buitenland zou reizen teneinde te genezen. In deze tijd raakten onze beste commandanten — Kosjin, Petrenko en Saboedjko — zwaargewond.

Op de 13e augustus 1921 rukte ik met een cavalerie- afdeling op in de richting van de Dnjepr en trok op 16 Aug. in de vroege morgen met 17 vissersboten tussen Orlik en Kremensjoeg over de Dnjepr. Op dezelfde dag werd ik zesmaal gewond, echter niet zwaar.

Bij onze opmars en op de rechter Dnjepr-oever troffen wij velen van onze afdeling welke wij het doel van onze reis naar het buitenland vertelden en kregen van hen als antwoord te horen: “Gaat heen, geneest de Batjko en keert weer tot ons terug, om ons te helpen”. Op 19 aug. stieten wij, 12 werst van Bobrinetz verwijderd, op de 7e rode cavaleriedivisie, die bij de Ingoeletz stond. Terugkeer had met de ondergang gelijk gestaan, omdat wij werden bemerkt door een cavalerieregiment en dit vooruit stormde om ons de terugweg af te snijden. Daarom vroeg ik Sinkowski, mij in het zadel te helpen. In een ogenblik vlogen de sabels uit de scheden en met hoerageroep stormden wij op het dorp af, overrompelden het machinegeweercommando van genoemde divisie. Nadat wij 13 machinegeweren buit hadden gemaakt, rukten wij verder op.

Terwijl wij de machinegeweren buit maakten, stormde de gehele cavaleriedivisie uit het dorp Nikolajewka in het veld, verzamelde zich en ging tot de tegenaanval over. Zo geraakten wij in de val. Echter lieten wij de moed niet zakken. Nadat wij het 38e regiment van de 7e cavaleriedivisie overrompeld hadden, rukten wij 110 werst op doch hadden ons steeds tegen de aanvallen dezer divisie te verdedigen en eindelijk gelukte het ons, te ontkomen, nadat wij echter 17 van onze beste kameraden verloren hadden.

Op 22 Augustus was ik het weer die voor onnodig veel werk zorgde — een kogel trof n.l. mij aan de rechterzijde van de schedel. Weer lag ik in een wagen. Echter werd onze mars daardoor bespoedigd. Op de 26ste hadden wij weer een slag met de roden en daar vielen onze trouwe kameraden en medestrijders: Petrenko, Platonow en Iwanjoek. Ik veranderde de route en op de 28e augustus 1921 kwamen wij over de Dnjepr; ik was in het buitenland….”

De derde veldtocht van de Bolsjewiki tegen de Makhnovshchi was gelijktijdig ook een veldtocht tegen het Oekraïense dorp. De algemene bedoeling van deze veldtocht was na vernietiging van het Makhnoleger de gehele ontevreden boerenbevolking onmiddellijk op hun hand te krijgen en haar de mogelijkheid te ontnemen eventuele vrijwilligersbewegingen te organiseren. Het na de overwinning over Wrangel vrij gekomen numeriek sterke rode leger was hier volkomen bekwaam geweest. Door alle steden en dorpen van het opstandig gebied werden rode troepen geleid, welke de boeren uitroeiden. Toen Makhno een week na de verraderlijke overval van de Bolsjewiki op Goeljaj-Pole daar weer binnentrok, werden de Makhnovshchi door boeren en boerinnen omringd, die hun diep bedroefd mededeelden, dat de communisten ongeveer 300 man van de plaatselijke boerenbevolking hadden doodgeschoten. De bevolking van Goeljaj-Pole had van de ene dag op de andere gewacht op het binnenrukken van de Makhnotroepen, welke de ongelukkige hadden kunnen redden.

Soortgelijke massa-executies van boeren hebben de Makhnovshchi enige dagen daarna nogmaals kunnen constateren. Hier werden door de kultuurafdeling van het Makhnoleger gevallen geconstateerd dat moordlustige dronken Tsjekisten moeders dwongen hun zuigelingen in de armen te nemen, om ze dan met een schot neer te leggen. Zo was bijv. met een vrouw uit Nowos Passowka en haar zuigeling gebeurd. Het kind werd door een geweerkogel in stukken gereten, terwijl de moeder alleen verwond en door een misverstand van de Tsjekisten in leven bleef. Zulke gevallen waren geen zeldzaamheid. Later zullen zij door de historieschrijvers geregistreerd worden. Massamoorden op boeren hebben de Bolsjewiki ook in de dorpen Klein-Tokmatsjenka, Oespenowka, in Pologi en andere plaatsen gepleegd.

Geleid werd deze strafexpeditie door Froense, de commandant van het zuidelijk front.

“Aan de Makhnovshchina moet direct een eind gemaakt worden”, schreef hij in een legerbevel, dat voor de troepen aan het Zuidelijk front bestemd was, voor hij deze actie begon. En als echt soldaat, die bovendien nog bezield was door de wens, zich tegenover zijn superieuren te onderscheiden, reed hij met getrokken sabel de Oekraïense dorpen binnen en sloeg alles neer, wat hem in de weg kwam.[13]

Hoofdstuk X.

Het begrip en de betekenis van het nationale element in de Makhnovshchina – Het Jodenvraagstuk

Al wat over de Makhnovshchina gezegd is, bewijst, dat het hier gaat om een beweging van de onderste lagen van boeren en arbeiders en dat het kenmerkende van die beweging het streven was, de vrijheid van de arbeid door revolutionaire zelfwerkzaamheid van de massa's veilig te stellen.

Direct in de eerste dagen van haar ontstaan verbreidde de beweging zich onder de armste lagen aller nationaliteiten, in het rayon aanwezig. De overgrote meerderheid bestond natuurlijk uit Oekraïense boeren. Ongeveer 6 tot 8% waren boeren en arbeiders uit Groot-Rusland; hierop volgden Grieken, Joden, Kaukasiërs en noodlijdenden van andere nationaliteiten. De Griekse en joodse bevolking, in het Asowse rayon woonachtig, stond in voortdurende verbinding met de beweging. Enige uitstekende revolutionaire kommandanten waren Grieken en tot het laatste ogenblik toe bestonden er in ’t leger speciale Griekse afdelingen.

De uit de armsten van de armen voortkomende beweging, sterk door de gezamenlijke wil van de arbeiders, was door een diepe geest van broederlijkheid aller volken bezield, zoals die alleen te vinden is bij arbeidende bevolkingen, die veel te lijden gehad hebben. In de geschiedenis van de beweging is geen enkel moment geweest, dat er nationale begrippen wortel gevat hebben. De gehele strijd van de Makhnovshchi tegen het bolsjewisme werd alleen gevoerd, om de rechten en belangen van de arbeid te verdedigen. De troepen van Denikin, de Oostenrijkers en Duitsers, de Petljoerowtsi, de Franse bezetting (in Berdjansk), tenslotte Wrangel, traden de Makhnovshchi in de eerste plaats als vijanden van de arbeid tegemoet. Elke buitenlandse interventie beschouwden zij voor alles als een bedreiging van de werkende stand en zij vroegen in 't geheel niet naar de kleur van de nationale vlag, waaronder de inval plaats greep.

In de “Verklaring”, die de Revolutionaire Oorlogsraad van de Makhnovshchi in oktober 1919 publiceerde, zeggen deze in het hoofdstuk over het nationale vraagstuk het volgende:

“Wanneer wij over de onafhankelijkheid van de Oekraïne spreken, dan verstaan wij daaronder geen nationale onafhankelijkheid op de manier van Petljoeras “zelfstandigheid”, maar een sociale onafhankelijkheid van arbeiders en boeren. Wij proclameren het recht van de Oekraïense (zo goed als van elke andere) arbeidersbevolking op zelfbeschikking, niet in de zin van een “zelfbeschikking van de naties”, maar begrepen als zelfbepaling van de arbeid…”

Wat de taal betreft, waarin het schoolonderwijs gegeven zou worden, — daarover schreven de Makhnovshchi het volgende:

“Bij de “afdeling voor verhoging van 't culturele peil” van 't Makhno-leger komen aanvragen van onderwijzers binnen, welke taal nu voortaan in de scholen gebruikt moet worden (in verband met de verdrijving van Denikin).

De revolutionaire opstandigen, die zich aan de grondstellingen van het socialisme houden, kunnen op geen enkel terrein en in geen enkel opzicht de wens koesteren, de natuurlijke behoeften van ’t Oekraïense volk te willen beperken. Daarom kan omtrent het vraagstuk van de te gebruiken onderwijstaal niet door ons leger, maar alleen door het volk zelf in de persoon van ouders, onderwijzers en leerlingen, beslist worden.

Het spreekt vanzelf, dat alle bevelen van de zgn. “Bijzondere Raad” van de Denikintsi, zo ook het bevel van generaal Mai-Majewski sub No. 22, waarbij het gebruik van de moedertaal op de scholen verboden was, als met geweld opgedrongen moeten beschouwd worden en daarom van nu af aan als van onwaarde verklaard worden.

In het belang van de geestelijke ontwikkeling van het volk moet de onderwijstaal in de scholen die zijn, welke de plaatselijke bevolking, de onderwijzers en de leerlingen en hun ouders van nature eigen is; de bevolking is het, die vrij en zelfstandig over dit vraagstuk beslissen moet; niet regering of leger.

Afdeling voor verhoging van ’t culturele peil van 't Makhnoleger.“

(“Poetj k Swobode” No. 10 van 18 oktober 1919).

Zo zien wij dan, dat nationale vooroordelen vreemd aan de Makhnobeweging waren. Even vreemd waren haar ook religieuze vooroordelen. Als revolutionaire beweging van de arme klassen van stad en land was de Makhnovshchina principieel tegenstander van elke religie, elke god. Onder de sociale bewegingen van die tijd was zij één van de weinigen, waarin men zich noch voor de eigen, noch voor iemands anders nationaliteit, noch voor de eigen noch voor andermans godsdienst interesseerde, maar voor alle dingen aandacht schonk aan de arbeid en aan de vrijheid van de arbeiders.

De vijanden van de beweging echter hadden het er op voorzien, haar hoofdzakelijk op dit punt in miskrediet te brengen. Zowel in de Russische als in de buitenlandse pers werd herhaaldelijk verzekerd, dat de Makhnovshchina uitsluitend een vrijschaarbeweging was, volkomen gespeend van alle idealen van de internationale, broederlijke solidariteit; verder, dat zij zelfs schuldig was aan de zonde van het antisemitisme. Er is niets misdadigers dan deze verleugenende bedenksels. Ter inlichting omtrent deze zaak moet hier het noodzakelijke feitenmateriaal, dat betrekking op deze materie heeft, naar voren gebracht worden.

In het leger van Makhno speelden revolutionaire Joden geen geringe rol; veel van hen waren wegens de revolutie van 1905 tot dwangarbeid veroordeeld of hadden als politiek emigrant in West-Europa of Amerika geleefd. De volgende personen dienen met name genoemd:

Kogan. — Plaatsvervangend voorzitter van het hoogste orgaan van de beweging, namelijk van de Goeljaj-Polsker Revolutionaire oorlogsraad van ’t rayon. Arbeider. Reeds voor de revolutie van 1917 echter had hij om persoonlijke redenen de fabrieksarbeid opgegeven en werkte als landarbeider in de armste joodse kolonie. In de strijd tegen de troepen van Denikin werd hij bij Oemanj gewond, later echter, naar verluidt, door de Denikintsi in het hospitaal van Oemanj gearresteerd en vermoord.

L. Sinkowski (Sadow). — Chef van de berichtendienst van het leger, later kommandant van het speciale regiment cavalerie. Werkman. Had voor de revolutie wegens een politieke aangelegenheid tien jaar dwangarbeid te ondergaan. Een van de actiefste deelnemers aan de revolutionaire opstandsbeweging.

Helene Keller. — Sekretaresse van de afdeling voor verhoging van ’t culturele peil. Heeft deelgenomen aan het vakverenigingsleven van de Amerikaanse arbeiders. Arbeidster. Was één van de oprichters van de “Nabat”-federatie.

Jozef Emigrant. (Gotmann) — Lid van dezelfde afdeling als Keller. Arbeider. Eén van de actiefste deelnemers van de anarchistische beweging in de Oekraïne. Was stichter en lid van het secretariaat van de “Nabat”. J. Aly (Soechowolski). — Werkman. Eveneens lid van de bovengenoemde afdeling. Had wegens politiek delikt dwangarbeid te ondergaan. Stichter en lid van het “Nabat”-secretariaat.

Deze lijst van revolutionaire Joden, die op de meest verschillende gebieden aan de Makhnobeweging deelgenomen hebben, zou zeer goed nog uit te breiden zijn; wij laten dit echter om conspiratie redenen achterwege. Binnen de revolutionaire opstandsbeweging nam de werkende joodse bevolking een volkomen broederlijke positie in. De joodse arbeiderskoloniën, die zo talrijk in de districten Marioepol, Berdjansk, Alexandrowsk, enz. verstrooid zijn, namen zeer actief deel aan de rayoncongressen van de boeren, arbeiders en opstandigen en hadden op deze congressen, zowel als in de Revolutionaire Rayon-Oorlogsraad hun vertegenwoordigers.

2 februari 1919 stelde Makhno alle joodse koloniën, naar aanleiding van enkele antisemietische demonstraties, voor, een eigen wacht te organiseren en verstrekte elke kolonie de benodigde geweren en patronen. Omstreeks die tijd organiseerde hij ook een reeks vergaderingen, waarin de massa's tot de strijd tegen het kwaad van 't antisemitisme opgeroepen werden.

Ook de stedelijke werkende joodse bevolking koesterde harerzijds t.o.v. de revolutionaire opstand gevoelens van warme solidariteit en saamhorigheid. De oproep van de Revolutionaire Oorlogsraad, het opstandige leger met vrijwilligers aan te vullen, beantwoordden de joodse koloniën door een heel belangrijk aantal strijders voort te brengen.

In het opstandige Makhno-leger was een speciale joodse batterij, die slechts door joodse artilleristen bediend werd en over een halve compagnie joodse beschermingsmanschappen beschikte. Onder leiding van de joodse opstandeling Schneider heeft deze batterij Goeljaj-Pole tegen de in juni 1919 oprukkende Denikin heldhaftig verdedigd en is, nadat zij haar laatste munitie verschoten had, tot de laatste man in die strijd tegen Denikins benden gevallen.

In de geweldige opstandsgewoel van het jaar 1918 en 1919 konden er natuurlijk wel enige persoonlijkheden met antisemietische instelling zijn, maar die waren niet het product van de opstand, maar van het algemene Russische leven en hadden niet de geringste betekenis in de beweging als zodanig. Wanneer zulke personen zich schuldig maakten aan antisemietische handelwijzen, kwamen zij in botsing met de strenge hand van de opstandige revolutionairen.

Reeds eerder hebben wij beschreven, hoe Grigorjew met zijn staf door de vastberaden hand van de Makhno-strijders omgebracht werden en hoe zijn deelname aan een jodenpogrom een van de voornaamste redenen dezer terechtstelling was.

We willen nog andere gebeurtenissen meedelen, die ons bekend geworden zijn en die betrekking hebben op dit gebied.

Op de 12e mei 1919 werden in de joodse landbouwkolonie in Gorkaja in het district Alexandrowsk enige joodse families, totaal 20 personen, gedood. De staf van de Makhnovshchi stelde direct een kommissie van onderzoek in, die vaststelde, dat de moordenaars zeven boeren uit het nabijgelegen Oespenowka waren. Die boeren maakten geen deel uit van het opstandigenleger. Desondanks vonden de Makhnovshchi het onmogelijk, hen ongestraft te laten; zij werden gearresteerd en direct doodgeschoten. Later werd vastgesteld, dat dit geval en soortgelijke pogingen in deze richting geïnspireerd werden door afdelingen van Denikin, die in het Goeljaj-Polsker rayon hadden weten door te dringen en door gebeurtenissen dezer soort de grond voor de algemene opmars van de Denikin- troepen in de Oekraïne wilden voorbereiden.

Op de 4de of 5de mei 1919 begaf Makhno zich met enkele kommandanten van het front snel naar Goeljaj-Pole, waar hij in de loop van de dag door de buitengewone gevolmachtigde van de republiek L. Kameneff, benevens door leden van de Charkowse regering werd verwacht. Op het station Werchni-Tokmak zag hij onverwachts een plakkaat met het opschrift: “Slaat de Joden dood, redt de revolutie, leve Batjko-Makhno!”

“Wie heeft dat plakkaat daar aangebracht?” vroeg Makhno. Het bleek, dat een lid van een vrijschaar, aan Makhno persoonlijk bekend, (hij had deelgenomen aan de strijd tegen Denikin) en ook verder geen kwade jongen, het plakkaat had opgehangen. Hij verscheen direct en werd op staande voet doodgeschoten.

Makhno reisde verder naar Goeljaj-Pole. Maar de gehele dag en gedurende de gehele beraadslaging met de afgezanten van de republiek was hij onder de indruk van deze gebeurtenis. Hij was er zich van bewust, dat men hard en streng tegen een kameraad opgetreden was, maar hij zag ook tegelijkertijd in, dat, de gehele situatie van het front in aanmerking genomen, bij verdere opmars van Denikin zulke plakkaten ontzettende ellende over de joodse bevolking zouden kunnen brengen en de revolutie schaden, zodat direct en vastbesloten daartegen opgetreden moést worden.

Toen het opstandsleger de terugtocht naar Oemanj begon — in de zomer van 1919 — kwamen er enige gevallen voor, dat joodse families door vrijschaarleden beroofd werden. Toen de opstandigen deze gevallen onderzochten, kwam het uit, dat de schuldigen steeds dezelfde groep van vier of vijf man geweest waren. Zij allen hadden tot de afdeling van Grigorjew behoord, die na de dood van Grigorjew door het Makhnoleger was opgenomen. Na die ontdekking werd deze groep geliquideerd; verder werden uit het opstandigenleger alle strijders verwijderd, die vroeger tot Grigorjews afdelingen hadden behoord, omdat zij in ideëel opzicht niet beproefd waren en tijd noch omstandigheden hun geestelijke omvorming mogelijk maakten. Zo zien wij dan, hoe de Makhnovshchi tegenover het antisemitisme stonden. De hier en daar opvlammende antisemietische demonstraties in verschillende plaatsen van de Oekraïne stonden in geen enkele betrekking tot de Makhnovshchina.

Waar de joodse bevolking voeling had met de Machnovshchi, bewezen deze laatsten de trouwste verdedigers tegen alle antisemietische excessen te zijn. De joodse bevolking van Goeljaj-Pole, van Alexandrowsk, Berdjansk, Marioepol, alle joodse landbouwkolonies in het Donetsgebied, kunnen beslist getuigen, dat zij in de Makhnovshchi trouwe, revolutionaire vrienden gehad hebben en dat dank zij de strenge, vastbesloten maatregelen alle antisemietische strevingen van de revolutie-vijandige krachten in het rayon in de kiem gesmoord zijn. In Rusland zo goed als in een reeks andere landen bestaat antisemitisme. In Rusland en speciaal de Oekraïne is dit geen verschijnsel van de revolutie-periode, maar een erfenis van het verleden. Steeds hebben de Makhnovshchi met woord en daad daartegen gestreden. In de loop van de opstandsbeweging deden zij een aantal oproepen het licht zien, waarin zij de massa's tot strijd tegen dit kwaad opriepen. Men kan zonder meer zeggen, dat de Makhnovshchi voor de strijd tegen het antisemitisme in de Oekraïne en zelfs buiten de grenzen, geweldige dingen gedaan hebben. Wij hebben een oproep in handen, die de Makhnovshchi samen met de anarchisten naar aanleiding van antisemietische demonstraties in het voorjaar van 1919 hebben uitgegeven; deze demonstraties stonden, naar met zekerheid aangenomen kan worden, in samenhang met het begin van Denikins algemene opmars tegen de revolutie. De oproep luidt (verkort):

AAN DE BOEREN, ARBEIDERS EN OPSTANDIGEN.

Aan de zijde van de geknechten tegen de onderdrukkers — altijd!

In moeilijke dagen van reactie, toen de toestand van de Oekraïense boeren hopeloos was bent u als eersten opgestaan, als onbreekbare, onbevreesde strijders voor het grote werk van de bevrijding van de werkende massa's…. Dat was het schoonste en verheugendste ogenblik in de geschiedenis onzer revolutie, want u rukte toen met de wapens in de hand, als bewuste revolutionairen, bezield door de grote gedachte van vrijheid en gelijkheid, op tegen de vijand….

In onze rijen echter slopen negatieve, misdadige elementen binnen. En behalve de revolutionaire liederen, net jubelend gezang van de dichtbij zijnde bevrijding van de werkende klasse waren er nu ook verschrikkelijke, hartverscheurende kreten te horen van ongelukkige, geslagen, arme joden…. Tegen de lichte, klare achtergrond van de revolutie waren nu donkere, niet weg te wissen vlekken van geronnen bloed te bespeuren, het bloed van arme joodse martelaars, die nu zo goed als vroeger onnodige, onschuldige slachtoffers van de ontbrande klassenstrijd ten gunste van de boze reactie geworden zij…. Smadelijke dingen zijn er geschied. Jodenpogroms vinden plaats.

Boeren, arbeiders en opstandigen! U weet, dat in de verschrikkelijke afgrond van de armoede arbeiders van alle nationaliteiten op dezelfde wijze te lijden hebben: Russen en Joden, Polen en Duitsers, Armeniërs, enz. U weet, dat duizenden joodse zowel als andere meisjes, dochters van het volk, door het kapitaal gekocht en onteerd worden. Tegelijkertijd weet u ook, hoeveel eerlijke, oprechte Joden — revolutionaire strijders voor de vrijheid in Rusland in de loop van onze gehele bevrijdingsbeweging gevallen zijn…. De revolutie en de eer van de arbeidende klasse verplichten ons allen, luid te getuigen, zodat alle donkere machten van reactie sidderen, dat wij tegen één gemeenschappelijke vijand te strijden hebben — tegen het kapitaal en tegen de regering, welke beiden de arbeiders op dezelfde wijze knechten, of het nu Russen, Polen, Joden of wat ook, zijn. Wij moeten het overal verklaren, dat de uitbuiters en onderdrukkers van de verschillende naties onze vijanden zijn: de Russische fabrikant zowel als de Duitse industrieel, de joodse bankier en de Poolse landgoedbezitter…. De bourgeoisie van alle landen en nationaliteiten heeft zich aaneengesloten tot verbitterde strijd tegen de revolutie, tegen de Wekende massa's van de gehele wereld en alle nationaliteiten. Boeren, arbeiders en opstandigen! In het huidige tijdsgewricht, nu de internationale vijand — de bourgeoisie van alle landen

zich op de Russische revolutie gestort heeft en nationale twist in de rijen van de arbeidende massa's zaait, om de revolutie te doen mislukken en het hechtste fundament van onze klasse- strijd — de solidariteit en eenheid aller werkenden — te vernielen, moet u tegen de bewuste en onbewuste contra-revolutionairen, die de bevrijding van het werkende volk van kapitaal en arbeid saboteren willen, optreden. Uw revolutionaire plicht is het, elke nationalistische hetze in de kiem te smoren en zonder pardon op te treden tegen alle schuldige veroorzakers van jodenpogroms.

De weg tot bevrijding van de arbeidersklasse voert via de aaneensluiting van alle werkenden van de gehele wereld.

Leve de internationale van de arbeid!

Leve de vrije, regeringloze, anarchistische gemeenschap!

De Executieve van de Revolutionaire Oorlogsraad van 't rayon Goeljaj-Pole.

Goeljaj-Polsker Anarchistengroep “Nabat”. De kommandant van het opstandige leger: Batjko—Makhno.

Stafchef van het opstandige Makhnoleger: B. Weretelnikow.

Goeljaj-Pole, mei 1919.

Bijlage bij Hoofdstuk X.

Bevel no. I [1]

van de kommandant van 't revolutionaire opstandsleger van de Oekraïne Batjko-Makhno.

Aan alle kommandanten van de infanterie: van de korpsen, brigades, regimenten, bataljons, compagnies, trossen en afdelingen. Van de cavalerie: de brigades, regimenten, eskadrons en trossen. Van de artillerie: de afdelingen, batterijen en onderbatterijen. Aan alle stafchefs, kommandanten. Aan alle opstandige revolutionairen zonder uitzondering.

De taak van ons revolutionaire leger en elk opstandeling, die in onze rijen plaatsgenomen heeft, is: eerlijke strijd voor de algehele bevrijding van de werkenden van de Oekraïne van alle knechtschap. Daarom is elk opstandige verplicht, er zichzelf van te doordringen en er op te letten, dat wij in ons midden geen personen dulden kunnen, die er op uit zijn, zich, gedekt door de revolutionaire beweging, persoonlijk te verrijken door plundering of beroving van de vreedzame joodse bevolking.

Elk revolutionair strijder moet er aan denken, dat degenen, die tot de rijke bourgeoise klasse behoren, onverschillig of het Russen, Joden of Oekraïners zijn, de vijanden van geheel het volk, zowel als van elk onzer persoonlijk zijn. Vijanden van de werkende klasse zijn ook diegenen, die de onrechtvaardige burgerlijke orde beschermen, d.w.z. sovjetcommissarissen, leden van strafexpedities, buitengewone kommissies, die door steden en dorpen trekken en het werkende volk, dat zich niet voor hun dictatuur buigen wil, martelen, leden zulke strafexpedities, buitengewone kommissies en andere organen tot knechting en onderdrukking van het volk, moet elk opstandige arresteren en naar de legerstaf brengen; in geval van verzet moeten zij ter plaatse neergeschoten worden. De schuldigen aan begane gewelddadigheden tegen de vreedzame werkende bevolking, onverschillig tot welke nationaliteit deze behoort, zullen een dood van schande Kerven, een dood, de revolutionair onwaardig.

Alle eigenmachtige rekwisities en confiscaties, zo ook de ruil van paarden en wagens bij boeren zonder de benodigde toestemming daarvoor van de chef van de Onderhoudskolonne zijn ten strengste verboden, van de schuldige zal rekenschap gevraagd worden. Elk opstandige moet begrijpen, dat eigenmachtige rekwisities het opstandsleger aantrekkelijk maakt voor geslepen schurken die er alleen maar op bedacht zijn zichzelf te verrijken en dan de mogelijkheid krijgen, onder de dekmantel van de revolutionaire opstand, kwaad te bedrijven, waardoor onze revolutionaire vrijheidsbeweging geschaad wordt.

Ik roep alle opstandige vrijschaarleden op, zelf voor de orde en de eer van het waarachtig revolutionaire opstandsleger in de bres te staan, tegen de ongerechtigheid in hun midden, zowel als tegen elke onrechtvaardigheid aan het werkende volk begaan, strijd te voeren. Er mag geen onrecht in ons midden zijn. Geen zoon of dochter van het volk, waarvoor wij strijden, mag een krenking van onze zijde ondervinden. En elk opstandige die dit duldt, bedekt zichzelf met smaad, en zal zijn straf van de zijde van 't revolutionaire opstandsleger niet ontgaan.

In het belang van de revolutie en de geordende strijd voor onze idealen is het noodzakelijk, dat in alle troependelen de beste kameraadschappelijke discipline gehandhaafd wordt. Gewenst is, dat u eerbied voor de door uzelf gekozen commandanten hebt en hun in militair opzicht gehoorzaamt. Dit eist reeds de ernst van het grote werk, dat wij op ons genomen hebben, dat wij met ere ten einde zullen voeren, maar dat wij, wanneer we 't aan discipline laten ontbreken, vernietigen zullen. Daarom stel ik het de commandanten van alle troependelen tot plicht, in overeenstemming met de opstandigen de strengste discipline bij zich in stand te houden. Dronkenschap geldt voor misdaad. Nog grotere misdaad is het, wanneer een lid van het opstandige revolutionaire leger zich dronken op straat vertoont.

Bij het trekken van de ene plaats naar de andere dient elk opstandige volkomen tot de strijd gereed te zijn. De houding t.o.v. de vreedzame bevolking in de dorpen onderweg moet bovenal beleefd en kameraadschappelijk zijn. Denk eraan, kameraden, kommandanten en opstandigen, dat wij zonen van een groot, werkdadig volk zijn, dat de anderen onze broeders en zusters zijn. De zaak, waarvoor wij strijden, is groots; zij eist van ons onvermoeidheid, grootmoedigheid, broederlijke liefde en revolutionaire eer. Daarom roep ik alle revolutionaire opstandigen ertoe op, waarachtige vrienden van het volk en trouwe zonen van de revolutie te zijn. Daarin ligt onze kracht en dat is ook het onderpand onzer overwinning.

De kommandant van het opstandige revolutieleger van de Oekraïne Batjko—Makhno.

Dobrowelitsjkowka, Gouv. Cherson.

5 augustus 1919.

Hoofdstuk XI.

Makhnos' persoonlijkheid

De Makhnovshchina is een revolutiebeweging van de massa's, die door de historische levensvoorwaarden van de armste lagen van de Russische boerenbevolking voorbereid werd. Onverschillig, of Makhno op het toneel verschenen was of niet, — de beweging als zodanig zou zonder twijfel uit de onderste lagen opgekomen zijn en zou zich haar eigen vormen hebben weten te scheppen. Van de eerste revolutiedagen af pulseerde deze beweging in de diepste diepte van het volk in de verschillende plaatsen van Rusland. Had zich de beweging niet in de Oekraïne baan gebroken, dan had dit toch noodzakelijk op een andere plaats moeten geschieden. De Russische revolutie droeg haar in de schoot. De gehele toestand van de Oekraïne in het jaar 1918 droeg er toe bij, dat deze beweging als een brede stroom uitbreken moest en tot op zekere hoogte ook haar bedding vinden. Als een beweging van de onderste lagen en als historische beweging had zij al direct de eerste dagen heel wat persoonlijkheden op de voorgrond geschoven, die niemand tot dat ogenblik bekend waren, — persoonlijkheden, sterk van geest, met een buitengewoon revolutionair instinkt begaafd en met grote bekwaamheden op militair gebied. Zulke persoonlijkheden bleken van ’t begin af te zijn: Kalasjnikow, de gebroeders Karetnik, Wassilewski, Martsjenko, Wdowitsjenko, Koerilenko, Gawrilenko, Petrenko, Belasj, Stsjoesj, Iwan en Alexander Lepetsjenko, Isidor Ljoeti, Weretelnikoff, Tsjoebenko, Tychenko, de gebroeders Daniloff, Sinkowski, Krat, Serjogin, Taranowski, Poesanow, Trojan en een reeks andere minder bekende persoonlijkheden. Zij allen waren pioniers van de Makhnobeweging. Dragers van zijn banier en voortreffelijke leiders. En deze beweging nu schiep zich een haar waardige, gemeenschappelijke leider in de persoon van Nestor Makhno.

We kennen Makhno in drie stadiën zijner ontwikkeling.

In het eerste stadium als de jeugdige revolutionair, die in het tuchthuis gevangen zat. Gedurende zijn verblijf in de gevangenis onderscheidt hij zich in niets van de anderen, hij leefde als alle anderen, droeg ketenen, moest cachotstraffen ondergaan, — in de houding staan, als er controle was. Het enige, waardoor hij de opmerkzaamheid op zich vestigde, was zijn onrust. Steeds was hij met iemand in strijd of hij had 't één of ander te vragen, of hij overstroomde de gevangenis met zijn geschrijf. Bovendien hield hij er tijdens zijn gevangenschap van, verzen te schrijven en op dat gebied had hij meer succes dan met proza. Hij hechtte er grote waarde aan, tot de anarchisten te behoren, want hij was ervan overtuigd, dat er geen schoner en verhevener ideeën dan de anarchistische waren. Toen de imperialistische oorlog uitbrak, was hem elke vaderlandslievende koorts (waaraan, terzijde opgemerkt, wel meer dan de helft van de politieke gevangenen leed) volkomen vreemd. Kropotkins oproepen, waarin één van de strijdende partijen ondersteund werd, bedroefden hem zeer, maar konden hem niet van zijn stuk brengen.

Het tweede stadium van Makhno's ontwikkeling was de periode van 1 maart 1917 tot de zomer van 1918. In dit tijdperk ontplooit hij een buitengewoon ijverige revolutionaire werkzaamheid in 't rayon Goeljaj-Pole. De arbeidersvakverenigingen en de boerenbonden van Goeljaj-Pole, de eerste arbeiders- en boerenraad daar, dat alles waren de producten van het naarstig werken van Makhno in 1917. Onder de boeren van zijn plaats verwierf hij zich in die tijd een buitengewone populariteit; tegen de achtergrond echter van de Russische geschiedenis van die tijd, waar door de revolutie een groot aantal energieke persoonlijkheden te voorschijn traden, onderscheidde hij zich door niets bijzonders. Toch viel er toen reeds een nieuwe trek bij hem op te merken: wanneer hij in aanraking met kameraden kwam, trok hij zich vaak terug en nam, onverwacht voor zijn omgeving, snelle, voor zijn leven gewichtige besluiten.

En tenslotte het derde stadium: zijn deelname aan de revolutionaire opstand van het hetmanaat af tot het bloedige einde toe.

Zonder twijfel was de opstandige boerenmassa, de revolutionaire daad en de oorlogvoering juist het element, waarin hij zich volledig ontplooien kon.

In het voorjaar van 1919, als we voor 't eerst de gelegenheid krijgen, hem als leider van de revolutionaire opstand in een nieuwe omgeving waar te nemen, hebben we reeds een heel ander, als omgekeerd mens voor ons. Uiterlijk bezien is Makhno dezelfde gebleven, die hij was, maar innerlijk is hij volkomen veranderd. Hij ging geheel in zijn zaak op. Al zijn bewegingen getuigden van doorzicht, wilskracht en glashelder verstand. Toenmaals was het 't anti-Denikin-front, dat geheel zijn werkkracht in beslag nam. De energie, die hij hierbij aan de dag legde, was kolossaal. Weken, ja maanden lang vertoefde hij nacht en dag aan het front, gewoonlijk geheel tussen de andere opstandigen. Kwam hij echter naar Goeljaj-Pole, dan was hij voortdurend in de staf bezig. Deze werkzaamheden duurden dagelijks tot één uur ’s nachts of langer nog. Eerst na beëindiging daarvan begaf Makhno zich ter ruste. De volgende dag zag men hem al weer om 5 of 6 uur in de morgen door Goeljaj-Pole gaan, aan de vensters kloppend, om de langer slapende stafleden te wekken. Daarenboven nam hij dagelijks deel aan meetings en vergaderingen in Goeljaj-Pole zelf of in de rondom gelegen plaatsen. En toch vond hij ook nog tijd om, al was het maar een half uurtje, aan een boerenbruiloft deel te nemen, waarvoor hij uitgenodigd was. T.o.v. de boeren onderhield hij dezelfde betrekkingen als vroeger, had belangstelling voor hun leven en leefde even eenvoudig als zij.

Onder de arbeiders en boeren van de Oekraïne zijn talloze legenden over Makhno in omloop; volgens deze legenden is hij’ steeds moedig, slim, verstandig en de steeds overwinnende. In werkelijkheid echter kan men zich, wanneer men zich in zijn daden verdiept, er gemakkelijk van overtuigen, dat Makhno legendarischer is dan alle omtrent hem verbreide legenden.

Makhno is een man van de historische daad. De drie jaar van zijn revolutionaire strijd vormen een onafgebroken keten van daden, waarvan de één nog betekenisvoller en kleurrijker is dan de ander.

De meest op de voorgrond tredende eigenschap van Makhno's persoonlijkheid is zijn enorme wilskracht. Het lijkt bijna, of deze man uit een buitengewoon hard soort materiaal gesneden is. Er bestonden geen hindernissen, waarvoor hij terugschrikte, wanneer hij zich eenmaal voorgenomen had, die te overwinnen. In de moeilijkste ogenblikken van zijn leven, wanneer de toestand aan het front catastrofaal leek, of wanneer zijn naaste vrienden om hem heen vielen bleef hij volmaakt onveranderd, alsof dat alles hem niets aanging. In werkelijkheid echter leed hij meer dan iemand anders bij zulke gebeurtenissen, alleen — hij liep niet met zijn verdriet te koop. Toen de Bolsjewiki na de verbreking van de militair-politieke overeenkomst in november-december 1920, wel wetend, met wie zij te doen hadden en om niet in dezelfde fout van de vorige zomer te vervallen, vier legers tegen Makhno optrekken lieten, was zijn toestand inderdaad catastrofaal. Hij verloor echter geen ogenblik zijn geestelijk evenwicht. Zijn rust was inderdaad verbazingwekkend: hij bekommerde zich in het geheel niet om de kogels en granaten, die het opstandige leger letterlijk in stukken scheurden, — en niet om het gevaar, elk ogenblik door de geweldige rode legers onder de voet gelopen te kunnen worden. Voor een buitenstaand toeschouwer zou deze rust geleken hebben op de geestestoestand van een krankzinnige. Maar dat zou alleen een vreemde zo kunnen zien. Ieder, die Makhno kende, kon weten dat deze kalmte niet anders was dan de zuivere wils-implus om de vijand te overwinnen.

Makhno's vastbeslotenheid is die van de echte held en wel te onderscheiden van de vastbeslotenheid dier andere mensensoort, die achter andere ruggen en gedekt door andermans vuisten, zo “kloekmoedig” handelen. In alle gewichtige ogenblikken stelt Makhno zich persoonlijk aan de spits; steeds was hij de eerste, die zijn leven waarde. Steeds — of hij nu met een enkel regiment de strijd inging, of dat het hele leger optrok en zich samen met zijn tros 15—20 werst lang uitstrekte — steeds is Makhno voorop, — te paard, wanneer hij gezond is, of in een snelle wagen, wanneer hij wonden heeft. Dat was zijn vaste regel geworden.

In militair opzicht beschikt hij ongetwijfeld over buitengewone kwaliteiten. In hoe ongelofelijk moeilijke omstandigheden was hij toch soms met zijn leger in de Oekraïne geraakt. Hij heeft het steeds klaargespeeld, zich met ere uit de hachelijkste situaties te redden. De overwinning over de divisies van Denikin bij Oemanj, over troepen, die door ervaren generaals en academici geleid werden, en de daarop volgende vernietiging van de gehele Denikin-etappe, — dat zijn historische monumenten voor de militaire bekwaamheden van Makhno. Zelf heeft hij zich deze monumenten opgericht.

Volgens zijn revolutionaire en sociale wereldbeschouwing is Makhno sociaal-anarchist. Hij is zijn klasse — het rechteloze en geknechte arme boerendom — bijna fanatiek toegedaan.

Makhno is verstandig en slim. Dit intellectuele merkteken, dat hij van zijn volk heeft en dat door zijn leven in 't dorp ontwikkeld werd, is steeds weer te bespeuren. Het is volkomen verdiend, dat hem door het leger en door de grote massa's van de boeren liefde en toegewijdheid bewezen wordt. Voor deze mensen geldt hij als één van de hunnen, — maar ook als de enkele, de heel bijzondere. — “De Batjko behoort ons”, zeiden de opstandigen tegen hem. — “Hij versmaadt het niet, een borrel met ons te drinken, — een goede rede kan hij ook houden en bij de aanval is hij één van de eerste….” Deze woorden geven misschien de beste karakteristiek van Makhno als zoon van ’t volk. Zijn verbinding met het volk was steeds echt en diep. Er is wel niemand in Rusland, die zich in zulk een liefde en populariteit bij de massa's verheugen mocht, als Makhno. In 't geheim zijn de boeren trots op hem. Hij heeft zich echter nooit op die liefde beroepen om zich een bijzondere plaats te verzekeren: integendeel, vaak genoeg heeft hij met echt Oekraïense humor over zijn eigen positie gespot.

De strenge, harde hand van de leider kan Makhno doen gevoelen. Hij is geen heersersnatuur van huis uit, maar als het om de daad ging, dan bewees hij de nodige kracht te kunnen ontwikkelen, maar zonder zijn eigen wil aan de beweging op te dringen; tegelijkertijd verstond hij het ook, die beweging voor verval te bewaren.

Het mag als bekend verondersteld worden, wat de Bolsjewiki er al niet over te vertellen hadden, dat de boeren Makhno hun “Batjko” noemden. In het derde hoofdstuk hebben we al meegedeeld, op welke wijze en onder welke omstandigheden hij aan die naam gekomen is. Sinds 1920 werd hij gewoonlijk “Maly” (“de kleine”) genoemd; een naam, die op zijn lichaamsbouw betrekking heeft en die toevallig eens een van zijn kameraden ontglipte.[1]

De karaktertrekken van een grote persoonlijkheid zijn aan Makhno duidelijk waar te nemen — verstand, wilskracht, moed, energie, activiteit. Deze kentekenen tezamen genomen, maakten Makhno tot een werkelijk geweldige persoonlijkheid en tilden hem hoog uit zelfs boven het revolutionaire milieu, waarin hij werkte.

Makhno was echter niet voldoende theoretisch gevormd, had ook niet genoeg historische en politieke vooropleiding. Zo kwam het, dat hij vaak te kort schoot bij een groots opgezette revolutionaire taak of structuur, of die eenvoudig buiten beschouwing liet.

De geweldige beweging van de revolutionaire opstand had haar eigen sociaal-revolutionaire formules nodig. Door het gebrek aan theoretische grondslagen is het Makhno vaak niet gelukt dit tot een goed einde te brengen. Bij zijn positie moest dat op de gehele beweging terugwerken.

Naar onze mening had de revolutionaire opstand, wanneer Makhno over meerdere historische en sociaal-politieke kennis beschikt had, in plaats van tot nederlagen, het tot een reeks van buitengewone overwinningen kunnen brengen, die voor het verdere lot van de gehele Russische revolutie van kolossale, misschien wel beslissende betekenis hadden kunnen zijn.

Bovendien had Makhno nog een karaktereigenschap, die zijn sterke kanten aanmerkelijk zwakker maakte, n.l. een zich af en toe voordoende zorgeloosheid. In zeer kritieke situaties en soms tegenover de ernstigste eisen van het ogenblik toonde deze mens, die anders geheel en al energie en taaiheid was, plotseling soms een ontoelaatbare onbezorgdheid en hij toonde dan niet die algehele overgave aan de taak van het ogenblik als nodig was in de gegeven situatie.

Zo werden bijv. de overwinningen van de Makhnovshchi over Denikins contra-revolutie in de herfst van 1919 niet zo volkomen uitgebuit en zo sterk ontwikkeld, dat het tot een Al-Oekraïense opstand kwam, waarvoor toch ogenblik en omstandigheid buitengewoon gunstig waren. Naast andere oorzaken zal de reden hiervoor wel te zoeken zijn in het feit, dat de overwinningsvreugde, de rust en de zorgeloosheid, waaraan zich de leiders van de opstandsbeweging samen met Makhno overgaven, hun vergeten deed de nodige aandacht te schenken aan het snel uit het Noorden oprukkende bolsjewisme.

Makhno groeide en ontwikkelde zich echter gelijktijdig met de groei en de ontwikkeling van de Russische revolutie. Hij werd met elke dag meer geconcentreerd. In 't jaar 1921 was hij veel dieper dan in de jaren 1918 en 1919.

Beschouwt men de persoonlijkheid van Makhno nauwkeuriger, dan mag men niet de ongunstige verhoudingen vergeten, die hem van kind af omgaven: bijna volkomen getrek aan ontwikkeling en het geheel ontbreken van elke praktische ervaring in en opvoeding tot sociale strijd. Ondanks dat heeft Makhno onsterfelijke daden in de Russische revolutie volbracht en de geschiedenis zal hem met het volste recht een plaats onder de in deze revolutie het meest op de voorgrond tredende persoonlijkheden aanwijzen.

Tot onze verbazing zijn de meeste van de thans levende Russische anarchisten, die een leidende rol op 't gebied van de anarchistische ideologie menen te spelen, niet in staat geweest de karakteristieke hoofdtrekken van Makhno's persoonlijkheid naar waarde te schatten. Velen onder hen bekijken hem door de ogen van de Bolsjewiki, omdat zij hun materiaal betrokken uit de handen van de staatsagentuur, of omdat zij steken bleven bij minder belangrijke eigenschappen van Makhno. Een schitterende uitzondering maakte in dit opzicht P. A. Kropotkin.

“Zeg kameraad Makhno van mij, dat hij zich ontzien moet, omdat er mensen zoals hij niet veel in Rusland zijn”.[2]

Dat zei Kropotkin in juni 1919, d.w.z. in een tijd, toen men in Centraal-Rusland behalve misvormde berichten nog in 't geheel geen ander materiaal over Makhno had.

Kropotkins diepe kijk heeft ondanks de afstand, uit afzonderlijke feiten, in Makhno de persoonlijkheid van op de voorgrond tredende daadkracht herkend die historische betekenis zou krijgen.

Korte aantekeningen over enkele deelnemers aan de beweging

Wij zullen dit hoofdstuk besluiten met enige korte aantekeningen over enige verantwoordelijke deelnemers aan de beweging. Het voor dit doel verzamelde materiaal is in het begin van 1921 verloren gegaan, vandaar dat wij slechts uiterst korte biografische schetsen kunnen geven.

Ssemjon Karetnik was voor het uitbreken van de revolutie landloze boer in Goeljaj-Pole, dagloner. Had een jaar op de lagere school gegaan. Nam van de eerste dagen af aan de beweging deel. Anarcho-communist sinds 1907. Grote militaire begaafdheid. Werd in de strijd tegen de Denikin-troepen ettelijke malen verwond. Was vanaf begin 1920 Makhno's plaatsvervanger, en commandeerde in deze functie het Krimleger tegen Wrangel. Lid van de sovjet van de revolutionaire opstandelingen in de Oekraïne. Werd na de vernietiging van het leger van Wrangel door de sovjetregering naar Goeljaj-Pole geroepen, zogenaamd voor een militaire bespreking, maar onderweg verraderlijk gevangen genomen en in Melitopol gefusilleerd. Hij liet een vrouw en enige minderjarige kinderen achter.

Martsjenko, boer, geboren in Goeljaj-Pole, zoon van arme lieden. Gebrekkige schoolopleiding, Anarcho-communist vanaf 1907. Een van de eerste opstandelingen in het rayon Goeljaj-Pole. Werd door de Denikin-troepen gevangen genomen en meermalen gewond. Tijdens de beide laatste jaren was hij commandant van de gehele cavalerie van het leger. Hij viel in 1921 in de strijd tegen de roden in het gouvernement Poltawa. Liet een weduwe achter.

Grigorij Wassilewski. Boer uit Goeljaj-Pole, zoon van arme lieden. Enige ontwikkeling, anarchist vanaf het uitbreken van de revolutie in 1917. Nam vanaf het begin aan de beweging deel. Makhno’s persoonlijke vriend en strijdgenoot in alle gevechten. Heeft Makhno bij de meest verschillende gelegenheden vertegenwoordigd. Viel in Dec. 1920 in de strijd tegen de divisies van de “rode kozakkentroepen” in het gouvernement Kiew. Liet vrouw en kinderen achter.

B. Weretelnikow. Boer uit het dorp Goeljaj-Pole, ijzergieter aan de plaatselijke fabriek; ook aan de Poetiloff-fabrieken in Petersburg. Was eerst sociaal-revolutionair, sedert 1918 anarchist. Bekwaam organisator en agitator. Heeft in alle stadia van de Russische revolutie een actief aandeel genomen. Kwam in 1918 naar Goeljaj-Pole, waar hij het propagandawerk op zich nam, was in het hele rayon buitengewoon populair. Was in de laatste tijd plaatsvervangend stafleider van het leger. In de eerste dagen van juni 1919, toen de Denikin- troepen in het rayon waren binnengevallen, trok hij met een nieuw, in allerijl samengesteld regiment op om de vijand op te houden. Op 15 werst van Goeljaj-Pole werd hij bij het dorp Swjatochoewka, in het district Alexandrowsk, omsingeld, en kwam daar met het hele regiment om; in de strijd heeft hij tot de laatste sabelhouw stand gehouden. Liet vrouw en kinderen achter.

Pjotr Garwilenko. Boerenzoon uit Goeljaj-Pole. Anarchist sedert de revolutie van 1905—’07. Een van de actiefste deelnemers aan de Makhnobeweging. Bij de in de herfst van 1919 gevoerde vernietigende slag tegen Denikin heeft hij als commandant van het derde corps van het Makhnoleger een grote rol gespeeld. Het hele jaar 1920 werd hij door de Bolsjewiki in Charkow gevangen gehouden. Werd op grond van het militair-politieke verdrag met de Sovjetregering bevrijdt en begaf zich onmiddellijk naar het Krimfront tegen Wrangel, waar hij de rang van veldoverste in het Makhnoleger bekleedde. Na de nederlaag van Wrangel werd hij door de Sovjetregering verraderlijk in de Krim gevangen genomen terwijl hij nog als veldoverste werkzaam was; naar verluidt is hij in Melitopol gefusilleerd. Belangrijk revolutionair en militair leider.

Wassilij Koerilenko. Boer uit het dorp Nowopassowska. Anarchist. Gebrekkige schoolopleiding. Commandant van de cavalerie, lid van de sovjet van revolutionaire opstandelingen. Werd in 1919 als geschoold cavalerist, hoewel de Makhnobeweging vogelvrij was verklaard, door de rode staf verplicht de rode cavalerie te commanderen. Met goedvinden van Makhno en de andere kameraden nam hij dit voorstel aan, en belette de opmars van Denikin in Jekaterinoslaw. Gedurende de militair-politieke overeenkomst van de Makhnobeweging met de Bolsjewiki nam hij als gevolmachtigde van het Makhnoleger aan de onderhandelingen deel. Werd in 1920 in de strijd tegen witten en roden vijfmaal verwond. Massa-agitator. Viel in de strijd tegen de rode troepen in de zomer van 1921. Liet een vrouw achter.

Victor Belasj. Boer uit Nowopassowska, 26 jaar oud. Opleiding lagere school. Anarchist. Was tot 1919 regimentscommandant en trok tegen Targanrog op. Was vanaf 1919 chef van een legerstaf. Zijn vader, grootvader en twee broers werden wegens deelname aan de Makhnobeweging door de Denikintroepen gedood, zijn hoeve verbrand. Lid van de sovjet van de revolutionaire opstandelingen. Uitnemend strateeg, die alle plannen van de troepenbeweging uitwerkte en die daarvoor verantwoordelijk was. Werd in 1921 door de Bolsjewiki gevangengenomen. Zou gefusilleerd worden. Over zijn verder leven ontbreken de gegevens.

Wdowitsjenko. Boer uit Nowopassowska. Anarchist. Lagere school afgelopen. Commandant speciale afdeling van het leger van de opstandelingen. Een van de actiefste deelnemers aan de revolutionaire opstand. Genoot een buitengewone populariteit en was zeer gezien bij de boeren van het hele Asow-gebied en bij alle opstandelingen. Speelde een belangrijke rol bij de nederlaag van Denikin in de herfst van 1919. Werd in 1919 zwaar gewond, door de Bolsjewiki gevangengenomen en zou gefusilleerd worden nadat hij vol minachting het voorstel van de Bolsjewiki, in hun dienst te treden had afgeslagen. Verdere gegevens over zijn leven ontbreken.

Pjotr Rybin (Sonow). Metaalbewerker uit het gouvernement Orjol. Trok in de tsarentijd naar Amerika, waar hij zich onmiddellijk bij de revolutionaire vakbeweging aansloot, waar hij als lid van het verbond van de Russische arbeiders in de Verenigde Staten een belangrijke rol speelde. In het begin van de revolutie in 1917 keerde hij via Japan en Wladiwostok naar Rusland terug en begaf zich naar Jekaterinoslaw. Daar ging hij geheel in de vakbeweging op en verheugde zich in een grote populariteit onder de arbeiders. Einde 1917 werd hij door de arbeiders uit Jekaterinoslaw naar het Al-Oekraïense congres van de vertegenwoordigers van de fabriekscomité‘s en vakverenigingen afgevaardigd. Op deze conferentie werd het schema van Rybin over de aaneensluiting van de industrie en de wederopbouw van het transportwezen aangenomen. Op voorstel van de Bolsjewiki blijft Rybin in Charkow en werkt hij in de vakvereniging van de metaalbewerkers evenals in de andere centrale lichamen van de industrie en van het transportwezen. In de zomer van 1920 komt hij tot de conclusie dat samenwerking met de Bolsjewiki onmogelijk is, daar de Bolsjewiki in gesloten gelederen tegen de arbeiders en boeren optrokken. Men vergete niet, dat Rybin als ijverig vakverenigingslid met de Bolsjewiki samenwerkte en eisen aan de Sovjetregering stelde, die in geen enkel opzicht zuiver anarchistisch waren. Hij achtte het dan ook uitsluitend als vakbewegingsman uitgesloten de arbeidersklasse onder de bestaande verhoudingen van de communistische dictatuur eerlijk te kunnen dienen.

In de herfst van 1920 kwam hij in aanraking met de Makhnobeweging. Hij reist naar het vrije gebied en neemt nu als energiek medewerker op cultureel gebied aan deze beweging deel. Na enige tijd wordt hij als lid en secretaris van de sovjets in de raad van de revolutionaire opstandelingen gekozen. Op organisatorisch en cultureel gebied legt Rybin een geweldige activiteit aan de dag. In januari 1921 verlaat hij tijdelijk het Makhnokamp en reist naar Charkow. Hij was van plan, in Charkow Rakowski op te bellen en hem en de andere schuldigen aan de verraderlijke overval op de Makhnovshchi en anarchisten hun schandelijk verraad voor de voeten te werpen. Het is heel goed mogelijk, dat hij zijn plan ten uitvoer heeft gebracht, en het is evenmin uitgesloten dat dit tot zijn ondergang heeft geleid; vijf dagen na zijn aankomst in Charkow werd hij gevangen genomen en een maand later op instigatie van de Tsjeka doodgeschoten; doodgeschoten door de Bolsjewiki, die hem nog slechts betrekkelijk kort geleden als een geboren en uit de onderste klasse komend organisator en theoreticus van de arbeidersbeweging een grote toekomst hadden voorspeld.

Kalasjnikow. Zeer jong opstandeling, zoon van een arbeider. Had een lagere stadsschool afgelopen. Was voor de revolutie vaandrig in het leger. Sedert 1917 secretaris van de Goeljaj-Polsker organisatie van anarcho-communisten. Ongewoon dapper en bekwaam commandant. Hij was in de zomer van 2919 de voornaamste organisator van de nederlaag van de rode troepen bij Nowy Boeg. oorspronkelijk commandeerde hij de eerste brigade van de opstandige troepen, later het eerste Donetskorps van het Makhnoleger. In de zomer van 1920 werd hij in de strijd met de roden door een schrapnell gedood. Liet vrouw en een kind achter.

Michaljow Pawlenko. Boerenzoon uit Groot-Rusland. Lid van de anarchistenorganisatie te Petersburg. Kwam begin 1919 naar Goeljaj-Pole. Was organisator en commandant van de ingenieur- en spoorwegtroepen van het Makhnoleger. Buitengewoon kuise, zachte, idealistisch ingestelde jongensziel. Hij werd op 11 of 12 juni 1919, toen hij in een pantserwagen tegen de oprukkende Denikintroepen streed, met Boerbyga op verraderlijke wijze door Worosjilow, de commandant van het 14e rode leger, gevangengenomen en op 17 juni 1919 te Charkow ter dood gebracht.

Makajew. Arbeider uit Iwanowo-Wosnessensk, lid van de anarchistenorganisatie aldaar. Kwam eind april 1919 naar Goeljaj-Pole, met 35 arbeiders uit de anarchistenorganisatie van Iwanowo-Wosnessensk. Hield zich aanvankelijk met propaganda bezig. Werd kort daarop tot kwartiermeester van de staf benoemd. Viel eind november 1919 toen hij een afdeling opstandelingen commandeerde, in het rayon Saporosje in de strijd tegen generaal Slastsjow. Wassilij Damloff. Komt uit een arme boerenfamilie in Goeljaj-Pole. Smid-artillerist. Was vanaf de eerste dagen bij de revolutionaire opstandelingen aangesloten. Bekleedde in het opstandige Makhnoleger de verantwoordelijke post van chef van de artillerieverzorging.

Tsjernoknisjy. Dorpsonderwijzer uit het dorp Nowo-Pawlowska in het district Pawlograd. Werd op het tweede boeren-, arbeiders- en opstandelingencongres te Goeljaj-Pole tot voorzitter van de revolutionaire oorlogsraad van het rayon Goeljaj-Pole benoemd en bekleedde deze post tot het opstandige rayon in juni 1919 door de Bolsjewiki en de Denikintroepen werd verwoest. Is door de Sovjetregering herhaaldelijk wegens deelname aan de opstandige beweging vogelvrij verklaard.

Stsjoesj. Boer uit het dorp Groot-Michailowska, uit arme familie. Matroos. Een van de eerste en actiefste vrijwilligers in de Zuid-Oekraïne. Reeds in april 1918 stond hij aan het hoofd van de opstandige afdelingen, die tegen de invasie van Duitsers en Oostenrijkers streden. Spreidde een ongewone energie en dapperheid ten toon in de strijd tegen de hetman zowel als in die tegen de Duitsers en Oostenrijkers. Onder de opstandelingen en in het hele rayon van de Zuidelijke Oekraïne is zijn naam haast even populair als die van Nestor Makhno. Bekleedde in het opstandige Makhnoleger verantwoordelijke posten als leider van cavalerietroepen; later als lid van de staf, eindelijk als hoofd van de staf van de speciale troepen van het leger van de opstandelingen. Vooral in juni 1921 in de strijd tegen de rode cavalerie in het gouvernement Poltawa.

Isidor Ljoety. Boer uit Goeljaj-Pole. Lagere school afgelopen. Schilder van beroep. Anarchist. Een van de eerste en meest actieve deelnemers aan de revolutionaire opstandsbeweging. Lid van de staf van het Makhnoleger en vertrouwde van Nestor Makhno. Viel in de strijd tegen de troepen van Denikin in september 1919 bij Oemanj.

Foma Kosjin. Boer, ongeorganiseerd. Commandant van het machinegeweerregiment van het Makhnoleger. Later commandant van de speciale troepen. Hij trad bijzonder op de voorgrond bij de overwinning op Denikin in de herfst van 1919 en bij de nederlaag van Wrangel in 1920. Werd in de strijd tegen Denikin en Wrangel meermalen verwond. Werd in augustus 1921 zwaar gewond in de strijd tegen de roden Verder leven onbekend.

De gebroeders Iwan en Alexander Lepetsjenko. Boeren uit Goeljaj-Pole. Anarchisten. Behoorden mede tot de eersten die de opstand tegen de hetman in de Oekraïne organiseerden. Buitengewoon actieve medewerkers van de revolutionaire opstandelingenbeweging, zowel aan het front als in het rayon. Alexander Lepetsjenko werd als actieve en verantwoordelijke strijder voor Makhno in de lente van 1920 door de Bolsjewiki in Goeljaj-Pole gefusilleerd. Iwan Lepetsjenko behield tot het laatste ogenblik zijn verantwoordelijke post in het Makhnoleger.

Serjogin. Boer. Anarchist sinds 1917. Deelnemer aan de opstandige beweging vanaf de eerste dagen. Bekleedde in het leger van de opstandelingen de verantwoordelijke post van leider van de verplegingsdienst. Grigorij en Ssawa Makhno. Broers van Nestor Makhno.

Grigorij Makhno nam in 1918 en begin 1919 aan de strijd tegen de contra-revolutie aan het Tsaritsynfront deel, waar hij de verantwoordelijke post van chef van de staf van de 37e rode brigade bekleedde. Trad in het voorjaar van 1919 toe tot het opstandige Makhnoleger, waar hij de hulp was van de overste van de staf. Viel in de strijd tegen de Denikintroepen bij Oemanj in september 1919, evenals Isidor Ljoety.

Ssawa Makhno. De oudste van de gebroeders Makhno. Nam sedert het begin van de Oostenrijkse en Duitse bezetting in de rijen van de opstandelingen aan de strijd deel. Begin 1920 namen de Bolsjewiki hem in zijn huis in Goeljaj-Pole gevangen en fusilleerden hem en wel omdat hij een broer van Nestor Makhno was. Hij liet een groot gezin achter.

Daar ons de nodige gegevens ontbreken, kunnen wij alle strijders van de Makhnobeweging, die in de actie een actieve en verantwoordelijke rol hebben gespeeld, niet alle schetsen; hiertoe behoren: Garkoesja, commandant van de bijzondere troepen van het Makhnoleger, gevallen 1920; Koljada, lid van de legerstaf; Dermendsji, chef van het verkeerswezen; Prawda, chef van de legertrein; Bondarets, commandant van de algemene ruiterij, gevallen in 1920; Tsjoebenko, chef van het mijnencommando; Browa, commandant van de speciale troepen; Domasjenko, kwartiermeester van de legerstaf; Saboedjka, commandant van de bijzondere groep; Tychenko, chef van de onderhoudsdienst; Boeryna[3] chef van het mijnencommando; Tsjoemak, rentmeester van het leger; Krat, chef van de economisch) dienst en nog vele anderen. Zij zijn allen afkomstig uit de onderste lagen van de arbeidersklasse in de revolutionaire, heroïsche perioden en dienden de beweging met al hun krachten en tot de laatste dagen van hun leven.

Hoofdstuk XII.

De Makhnovshchina en het anarchisme

Het anarchisme is tweeledig: enerzijds de filosofie, de idee, en anderzijds de praktijk, de daad. De strijdende arbeidersklasse heeft in de allereerste plaats belang bij de concrete, praktische kant van het anarchisme. De fundamentele grondgedachte is hier het principe van het revolutionaire initiatief van de arbeiders en hun zelfbevrijding. Hieruit volgt vanzelf het principe van de overbodigheid van de staat en het zelfbestuur van de arbeiders in de nieuwe maatschappij. Tot dusverre hebben wij echter in de geschiedenis van de proletarische strijd geen voorbeeld van een anarchistische massabeweging op zuiver principiële grondslag. Alle bewegingen van arbeiders en boeren, die er tot dusverre zijn geweest, waren bewegingen in het raam van de kapitalistische ordening met min of meer anarchistische tendensen, en dat is volkomen begrijpelijk en natuurlijk. De arbeidersklasse leeft niet in een wereld zoals we die zouden wensen, maar in de wereld van de werkelijkheid, waarin ze dagelijks aan fysieke en psychische invloeden van vijandige krachten is blootgesteld. Behalve de anarchistische ideologie, die daarenboven slechts zwak is verbreid, ondergaat zij voortdurend de inwerking van de hele bestaande kapitalistische ordening en de invloed van de groepen, die tussen anarchisme en kapitalisme staan.

De thans bestaande levensverhoudingen omgeven de arbeiders aan alle kanten, omgeven ze als het water in de zee de daarin zich bevindende vissen omringt. De arbeiders hebben geen plek, waar ze zich tegen die invloeden kunnen beveiligen. Vandaar, dat de strijd die ze voeren onvermijdelijk de sporen moet dragen van de veelvuldige eigenaardigheden en eigenschappen van de bestaande orde. Nooit kon de strijd zich in klare, zuiver anarchistische vorm voltrekken en volkomen in overeenstemming zijn met alle eisen van het ideaal. Een zo volmaakte vorm is slechts in afgesloten politieke kringen mogelijk en alweer: niet in het concrete praktische leven, maar in plannen en programma’s. De grote massa echter zal, als zij een strijd, en vooral een grote strijd begint in het begin onvermijdelijk fouten maken, er zullen tegenstrijdigheden ontstaan, afwijkingen, en eerst in het verdere verloop van de strijd zal de algemene lijn in overeenstemming worden gebracht met het ideaal, waarvoor men strijdt.

Zo is het altijd geweest en zo zal het ook altijd zijn. Al hebben wij in de voorafgaande vredesperiode de organisatie en positie van de arbeidersklasse nog zo zorgvuldig voorbereid, op de eerste dag van de beslissende massastrijd zal alles toch niet zo gaan, als het theoretisch was voorzien; in vele gevallen zullen reeds door het feit van het grote massale optreden enige stukken worden verschoven: in andere gevallen zal men er weer, door onvoorziene afwijkingen en bewegingen van de massa toe moeten overgaan nieuwe stellingen in te nemen. En eerst langzamerhand zal de geweldige massabeweging de juiste principiële weg vinden die naar het doel leidt.

Dat betekent natuurlijk niet, dat een voorbereidende organisatie van de maatregelen en de krachten van de arbeidersklasse niet nodig zou zijn. Integendeel, een dergelijke voorbereiding is de enige voorwaarde, die een overwinning van de arbeiders eerst mogelijk maakt. Hierbij moet men echter steeds in het oog houden, dat een dergelijke arbeid het werk nog bij lange na niet bekroont, dat ook al is dit werk geschied, de beweging toch ieder ogenblik een dieper doordringen eist, en het vermogen zich snel in de nieuwe verhoudingen te oriënteren. In een woord: er zal een revolutionaire massale strategie nodig zijn, waarvan de verdere ontwikkeling van de beweging in grote mate afhankelijk zal zijn.

Het anarchistische ideaal is groot en rijk in zijn veelvoudigheid. Toch is de rol van de anarchisten in een sociale massastrijd zeer bescheiden. Hun taak is het, de massa's te helpen de juiste weg tot de strijd en tot de opbouw van een nieuwe maatschappij te beschrijden. Als de massa nog niet rijp is voor een beslissende eindstrijd, zijn zij het, die de massa moeten helpen zich de betekenis van een te wachten strijd, met zijn idealen en einddoel bewust te worden; zij zijn het, die haar moeten helpen haar veroveringen veilig te stellen en haar krachten te organiseren. Is de beweging echter in het stadium van de eindstrijd gekomen, dan moeten ze zich, zonder een ogenblik te verliezen, bij haar aansluiten, haar helpen zich van haar onjuiste opvattingen te bevrijden, de massa in haar eerst aarzelende pogen ondersteunen, haar ideëel helpen en de hele tijd er op bedacht zijn, dat de beweging zich ontwikkelt in die richting, die naar het doel van de arbeiders voert. Hierin is de voornaamste, de fundamentele en misschien ook de enige taak van het anarchisme voor de eerste periode van de revolutie te zoeken. Als de arbeidersklasse haar strijdpositie heeft veroverd en bezig is met het werk van de maatschappelijke opbouw, zal ze zonder twijfel haar initiatief voor het scheppend werk aan niemand meer afstaan. Ze zal zich verder door haar eigen denken laten leiden en een maatschappij stichten op grond van haar eigen schema. Het kan wel zijn, dat het hier een anarchistisch schema geldt, maar zowel de massa zelf als ook de op deze grondslag opgebouwde maatschappij zullen uit de diepten van de vrije arbeid opstijgen, dat in hun denken en willen is gevormd en geboren.

Als wij nu de Makhnovshchina eens nader gaan bekijken, dan merken wij al spoedig twee fundamentele kanten van de beweging op: ten eerste zien we haar waarachtig proletarische oorsprong, opgekomen uit de onderste lagen van het volk; de beweging is in de massa's ontstaan en wordt van het begin tot het einde door anarchisten ondersteund, ontwikkeld en geleid; ten tweede betreft het niet slechts een elementaire beweging, maar ze is al dadelijk bewust van de eerste dagen af aan gebaseerd op enige ongetwijfeld anarchistische principes: a. op het recht van het vrije initiatief van de arbeidende massa's; b. op het recht van haar zelfbestuur in maatschappelijk en economisch opzicht; c. op het principe van de afwezigheid van de staat bij een sociale opbouw. In het verloop van haar hele ontwikkeling houdt de beweging hardnekkig en consequent aan deze principes vast. Ter wille van deze principes heeft ze twee- tot driehonderd van de beste zonen van het volk verloren, verbonden met onverschillig welke staatsorganen afgewezen en in het verloop van drie jaar onder ongelooflijk moeilijke omstandigheden met een in de annalen van de geschiedenis zeldzame heroïsche moed het zwarte vaandel van de geknechte mensheid hooggehouden, waarop te lezen staat: Ware vrijheid voor de arbeiders, ware gelijkheid in de nieuwe maatschappij.

Wij hebben in de Makhnovshchina een anarchistische massabeweging van de arbeiders voor ons, die, zij het ook niet geheel en al ervan doortrokken, toch op het anarchistische ideaal is gericht en de wegen van anarchisme heeft beschreden.

Juist echter doordat de beweging uit de diepten van de massa’s was opgekomen, beschikte ze niet over de nodige theoretische krachten, de krachten van de generaliserende synthese, die bij iedere grote sociale beweging onontbeerlijk zijn. Dit gebrek komt daarin tot uiting, dat de beweging in de ontwikkeling van haar ideeën en leuzen, in de uitwerking van haar concrete praktische consequenties niet gelijke tred wist te houden met de algemene werkelijkheid. Zo kwam het dat ze zich langzaam en moeilijk ontplooide, speciaal tegenover de talrijke vijandige machten, die haar van alle zijden omringden.

Men zou hebben kunnen verwachten, dat de anarchisten die steeds over de revolutionaire massabeweging hun mond vol hadden, die ook jarenlang naar haar hadden uitgezien als naar de komst van een verlosser, onmiddellijk aan de beweging zouden deelnemen, zich erbij zouden aansluiten, zich er geheel en al aan zouden overgeven. In werkelijkheid is dit echter niet gebeurd.

De meerderheid van de Russische anarchisten die de theoretische school van het anarchisme hadden doorlopen, bleven in hun geïsoleerde, toentertijd volkomen nutteloze groepen zitten, hielden zich afzijdig, trachtten er achter te komen, wat dat voor een beweging was, hoe men zijn standpunt tegenover die beweging kon bepalen, deden niets en troostten zich met de gedachte, dat de beweging niet zuiver anarchistisch was.

Intussen zou hun hulp, vooral in de tijd dat het bolsjewisme een normale groei van de beweging nog niet had verstoord, van onschatbare waarde zijn geweest. De massa had dringend behoefte aan arbeiders die in staat zouden zijn geweest hun gedachten te formuleren en te ontwikkelen, ze in het vrije leven uit te dragen en de beweging bij haar verdere ontwikkeling te helpen. De anarchisten hebben dit werk niet willen verrichten. Daardoor hebben zij zowel zichzelf als de beweging sterk benadeeld. De beweging, doordat ze haar niet op het juiste moment hun organisatorische en culturele krachten ter beschikking stelden, waardoor de beweging zich slechts langzaam onder vele moeiten, kon ontwikkelen, daar ze zich met de geringe theoretische hulpmiddelen moest behelpen, waarover de onderste volkslagen de beschikking hadden. Zichzelf hebben de anarchisten in zoverre benadeeld, dat ze het contact met de levende werkelijkheid niet aandurfden en zichzelf daarmee tot lijdzaam afwachten en onvruchtbaarheid veroordeelden.

Wij moeten hier het feit constateren, dat de Russische anarchisten de grootste massabeweging en tot dusverre de enige die in staat was, de historische taak van de geknechte mensheid te verwerkelijken, hebben verslapen. Tegelijkertijd zijn wij echter ook van mening, dat dit betreurenswaardige feit niet maar een bloot toeval is, en dat hiervoor zeer bepaalde redenen bestaan. Wij willen trachten deze redenen te schetsen.

Een groot percentage van onze anarchistische theoretici zijn zogenaamde intellectuelen. Dit feit is van grote betekenis. Velen van hen konden ofschoon ze onder de vaan van het anarchisme streden, toch niet geheel en al met de psychologie van het milieu, waaruit ze waren voortgekomen breken, terwijl zij zich meer dan de anderen met de theorie van het anarchisme bezig hielden; zij lieten zich ook steeds meer doordringen van de gedachte, dat zij de leiding van de anarchistische wereld in de hand hadden, en hieronder verstonden ze, dat ook de anarchistische beweging van hen zou uitgaan, of in elk geval onder hun directe leiding zou beginnen. De beweging begon echter ver van hen vandaan, ergens in een uithoek, daarenboven nog in de onderste lagen van de huidige maatschappij. Slechts zeer weinigen onder de theoretici van het anarchisme hadden het vereiste instinct en de moed, te erkennen dat de beweging iets was, dat het anarchisme reeds lang had voorbereid, en haar ter hulp te snellen. Het zou juister zijn te erkennen, dat van alle intelligente en theoretisch geschoolde anarchisten alleen Voline zich vastbesloten bij de beweging aansloot en zijn bekwaamheid, zijn kracht en zijn weten ten volle in haar dienst stelde. De grote meerderheid van de theoretische krachten van de anarchistische beweging hield zich echter afzijdig. Dat zegt natuurlijk niets tegen de Makhnobeweging en niets tegen het anarchisme, maar enkel en alleen tegen de anarchisten en de anarchistische organisaties, die zich op het ogenblik van de historische arbeiders- en boerenbeweging zo passief, bekrompen en hulpeloos hebben getoond, dat ze het niet eens klaar konden of wilden spelen voor hun eigen zaak op te komen, toen ze vlees en bloed was geworden en allen opriep, wien de vrijheid van de arbeid en de ideeën van het anarchisme dierbaar waren. Een andere, nog belangrijker zijde van de onmacht en passiviteit van de anarchisten was de vaagheid van hun ideeën en de in organisatorisch opzicht in hun rijen heersende chaos.

Ondanks alle kracht, ondanks al het positieve en onaanvechtbare in de idealen van het anarchisme, bevat het toch veel, dat niet tot het einde toe doordacht is, abstracte gemeenplaatsen en afwijkingen op gebieden die met de sociale beweging van de arbeiders niet verbonden zijn. Daardoor is het mogelijk geworden van het doel en het praktische program van het anarchisme een karikatuur te maken.

Zo zijn er zelfs nu nog anarchisten, die al hun kracht wijden aan de oplossing van het vraagstuk, of de bevrijding van de klasse, van de mensheid of van de persoonlijkheid het eigenlijke probleem van het anarchisme is. Die vraag is van niet de minste betekenis. Zij is gebaseerd op enige onduidelijke grondslagen van het anarchisme en geeft dikwijls aanleiding tot misbruiken zowel op het gebied van de anarchistische theorie als op dat van de praktijk.

Tot nog grotere misbruiken leidt de onduidelijke theorie over de anarchistische vrijheid van de persoonlijkheid. Natuurlijk zullen daadmensen, met een sterke wil en een sterk ontwikkeld revolutionair instinct, in de idee van de anarchistische vrije persoonlijkheid in de allereerste plaats de idee van de anarchistische verhouding tot elke andere persoonlijkheid zien, de idee van de onvermoeide strijd voor de anarchistische vrijheid van de massa. Degenen echter die de revolutionaire hartstocht niet kennen, die meer bezorgd zijn om de ontwikkeling van hun “ik”, leggen dit op hun eigen manier uit. Telkens als de vraag opkomt, dat de anarchistische praktijk moet worden georganiseerd en naast de rechten ook de plichten en de verantwoordelijkheid van ieder individu moeten worden vastgesteld, grijpen ze naar de theorie van de anarchistische vrijheid van de persoonlijkheid en verzetten zij zich op grond van deze theorie tegen elke organisatie en ontvluchten zij iedere verantwoordelijkheid. Ieder hunner begeeft zich in de schaduw van zijn eigen vijgenboom, schept zijn eigen werk en predikt zijn eigen anarchisme. Denken en handelen van de anarchisten zijn op onzinnige wijze gescheiden.

Tengevolge hiervan vinden wij dan ook bij de Russische anarchisten een overvloed van de meest uiteenlopende praktische systemen. In de jaren 1904—7 hadden wij de praktische programma’s van de “gezagslozen” en van de “dragers van het zwarte vaandel”, die onteigeningsdaden en ongemotiveerde terreur als anarchistische strijdmethoden propageerden. Het is niet moeilijk in te zien, dat onze programma’s de toevallige stemming van willekeurige persoonlijkheden die tot het anarchisme behoorden, uitdrukten en alleen dan aan de anarchisten konden worden opgediend, als het gevoel van verantwoordelijkheid tegenover het volk en zijn revolutie zwak was ontwikkeld. Tegenwoordig hebben wij een aantal theorieën, die óf sympathie bevatten voor een staatsregering, óf voor een leiding van de massa opkomen. Ja, zelfs het principe van afwijzing eiker organisatie en de absolute vrijheid van de persoonlijkheid wordt gepredikt, of van de “universele” taak van het anarchisme wordt gesproken, maar in werkelijkheid is van dit alles de bedoeling, zich aan de zware verplichtingen van het ogenblik te onttrekken.

Tientallen jaren lang werden de Russische anarchisten door een felle koorts, namelijk hun gebrek aan organisatie geteisterd. Deze ziekte heeft in hen het vermogen om reëel te denken gedood en heeft hen in de tijd van de revolutionaire strijd tot een historische non-activiteit veroordeeld. Gebrek aan organisatie is eng verbonden met gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, beiden tezamen leiden echter tot een vervlakking van de ideeën en een leegte in de praktijk.

Dat waren de oorzaken, waarom de anarchisten, toen de massabeweging, belichaamd in de Makhnovshchina uit de diepten van het volk naar boven kwam, zo wilszwak, zo onmachtig bleken te zijn.

Wij geloven dat dit slechts een verschijnsel zal zijn van voorbijgaande aard. Dit verschijnsel is hierdoor te verklaren dat de Russische anarchisten niet bewust en niet georganiseerd zijn. Zij moeten zich organiseren door allen samen te vanen, wien het anarchisme werkelijk heilig is en die in de allereerste plaats trouw zijn aan de arbeidersklasse. Juist hierdoor zal het vreemde, anti-organisatorische element in het anarchisme worden verwijderd.

Het anarchisme is geen mystiek, geen lezing over esthetica, geen wanhoopskreet. Het is in de eerste plaats daardoor groot, dat het zich in dienst van de geknechte mensheid stelt. Het draagt de waarheid van de massa’s, haar heroïsme, haar impuls, en is op een bepaald ogenblik de enige sociale school, waarop de massa in haar strijd zich vol vertrouwen kan beroepen. Om echter dit vertrouwen te rechtvaardigen, is het niet voldoende dat het anarchisme een grote idee is, en de anarchisten de platonische verkondigers dezer leer. De anarchisten moeten trouw aan de revolutionaire massabeweging zijn, grondwerkers als het ware, dan zal deze beweging het anarchistische ideaal in zijn volle omvang ontplooien. Niemand krijgt iets voor niets, ieder werk eist hardnekkige strijd en offers. Het anarchisme moet de eenheid van wil en handelen en een juist beeld van zijn historische taak veroveren. Het anarchisme moet in de massa's doordringen, met haar versmelten.

Hoewel nu de Makhnovshchina zich zelfstandig heeft gevormd en verder heeft ontwikkeld, zonder inwerking van de anarchistische organisaties, is haar lot nauw met dat van de huidige anarchisten vervlochten. Het wezen van de Machnovshchina straalde van helder anarchistisch licht en was vanzelfsprekend met het anarchisme verbonden. De massa van de opstandelingen had alleen liefde en vertrouwen voor het anarchisme, met uitschakeling van alle andere sociale theorieën. Zeer veel opstandelingen noemden zich anarchist en bleven die naam tot in de dood getrouw. Tegelijk heeft het anarchisme enige waardevolle arbeiders aan de Makhnovshchina geschonken, die vol vuur en overgave al hun krachten en kennis aan deze beweging offerden. Hoe gering het percentage van deze arbeiders ook is geweest, toch hebben zij de beweging grote diensten bewezen, doordat ze het anarchisme met het tragische lot van de Makhnovshchina verbonden.

Deze vereenzelviging van het anarchisme met de Makhnovshchina begon omstreeks het midden van 1919. In de zomer van 1920 werd ze in de Oekraïne bevestigd door het gelijktijdig optrekken van de Bolsjewiki tegen de Makhnovshchina en de anarchisten en kwam het sterkst tot uiting in oktober 1920, toen de militair-politieke overeenkomst van de Makhnovshchina met de sovjetbeweging tot stand was gekomen, toen de Makhnovshchi als eerste eis voor deze overeenkomst de eis stelden, dat alle Makhnovshchi en anarchisten die in de gevangenissen van de Oekraïne en van Groot-Rusland gevangen werden gehouden, vrijgelaten zouden worden, en dat hun het recht zou worden gegeven hun ideeën en opvattingen vrij uit te spreken en te propageren.

Wij willen hier de toenadering van de anarchisten tot de Makhnobeweging in chronologische volgorde tekenen.

Reeds in de eerste revolutiedagen van 1917 had zich in Goeljaj-Pole een groep anarcho-communisten gevormd, die in het rayon actief revolutionair optrad. Achtereenvolgens kwamen uit deze groep de voornaamste leiders en strijders van de Makhnobeweging voort: N. Makhno, S. Karetnik, Martsjenko, Kalasjnikow, Ljoety, Grigory Makhno en anderen. Deze groep heeft vanaf het eerste opkomen van de Makhnovshchina in eng contact met haar gestaan.

Eind 1918 en begin 1919 werden in het Makhno-rayon anarchistische groepen gevormd, die trachtten met de Makhnovshchina in contact te komen. Toch waren enige dezer groepen, zoals bijvoorbeeld die in de stad Berdjansk en andere steden, helemaal niet op de hoogte en zij waardeerden van de beweging alleen de negatieve waarden. Gelukkig was de beweging zo gezond, dat ze deze groepen negéren kon.

Begin 1919 waren er in Goeljaj-Pole naast de bekende, plaatselijke anarchisten zoals Makhno, Karetnik, Martsjenko, Wassilewski en anderen ook anarchisten die uit de steden kwamen en tot bepaalde organisaties behoorden, zoals Boerbyga, Michaljow-Pawlenko. Zij werkten uitsluitend aan het front of in de loopgraven van het leger van de opstandelingen.

In het voorjaar van 1919 kwamen in Goeljaj-Pole enige kameraden aan, die zich hoofdzakelijk met de organisatie van het culturele werk in het rayon bezig hielden. Zij richtten het orgaan “Poetj k Swobode” op, het hoofdorgaan van de Makhnovshchina, organiseerden de plaatselijke Goeljaj-Polsker anarchistengroep, die in het leger en onder de boeren werkten.

Omstreeks die tijd ontstond in Goeljaj-Pole ook de anarchistische organisatie “Nabat”. Deze organisatie werkte met de Makhnovshchi samen, ondersteunde haar in cultureel opzicht en gaf een plaatselijk orgaan “Nabat” uit. Enige tijd later werd deze organisatie met de Goeljaj-Polsker anarchistengroep tot een organisatie samengevoegd.

In mei komt in Goeljaj-Pole een groep van 36 anarchistische arbeiders uit Iwanowo-Wosnessensk aan, onder wie de in anarchistische kringen bekende Tsjernjakow en Makejew. Een deel van de laatst aangekomenen richtte zich in de commune van Goeljaj-Pole, zeven werst van Goeljaj-Pole, in, terwijl de overigen zich aan cultureel werk in het rayon wijdden en enigen weer tot het leger toetraden.

In mei 1919 begint de federatieve anarchistenorganisatie in de Oekraïne “Nabat” die wel de meest actieve en bewegelijkste van alle Russische anarchistengroepen is geweest, op te merken, dat de eigenlijke drijfkracht van de revolutionaire massa's in het bevrijde opstandige rayon lag. Zij besluit haar krachten naar dat rayon te richten. In het begin van 1919 zendt ze Voline, Mratsjny, Joseph de Emigrant en een aantal andere arbeiders naar Goeljaj-Pole. Het plan bestond na het arbeiders- en boerencongres dat door de revolutionaire oorlogsraad op 18 juni in Goeljaj-Pole was bijeengeroepen, de hoofdorganen van de beweging naar Goeljaj-Pole te verleggen. Maar de aanval van Denikin en van de Bolsjewiki, die korte tijd later plaats vonden, verhinderden verwezenlijking van dit plan. Alleen Mratsjny lukte het naar Goeljaj-Pole te komen, maar reeds na enige dagen werd hij door de algemene terugtocht gedwongen terug te gaan. Voline en de anderen bleven echter in Jekaterinoslaw steken en sloten zich eerst in augustus 1919 bij Odessa bij het zich terug trekkende Makhnoleger aan.

De anarchisten hadden zich echter veel te laat bij de beweging aangesloten toen haar normale ontwikkeling reeds was onderbroken, toen ze reeds van de basis van sociale wederopbouw was gestoten en zich tengevolge van de verhoudingen hoofdzakelijk militair moest oriënteren.

Sinds het einde van 1918 tot juni 1919 waren de voorwaarden voor een positieve opbouwwerkzaamheden in het rayon ideaal: het front bevond zich 200 tot 300 werst verder bijna bij Taranrog terwijl de van 8 tot 10 miljoen zielen tellende bevolking van acht tot tien districten aan zichzelf waren overgelaten.

Nu konden de anarchisten echter alleen nog maar in omstandigheden zoals de oorlog die veroorzaakte, werken, daar ze voortdurend de gehele dag werden beschoten en iedere dag van de ene plaats naar de andere moesten trekken. De anarchisten, die tijdens de oorlog tot het leger waren toegetreden deden alles wat in hun vermogen lag. Enigen van hen, zoals Makejew en Kogan streden als militair: de meesten echter hielden zich met cultureel werk bezig onder de opstandelingen en in de dorpen waar de Makhnotroepen doorheen trokken. Toch ging het hier niet om werkelijk opbouwende, scheppende arbeid onder de massa's in de ruimste zin van het woord. Door de oorlogsverhoudingen was alles beperkt en voornamelijk tot een oppervlakkige agitatie teruggebracht. Aan opbouwend werk viel niet te denken.

Slechts uiterst zelden, zoals bijvoorbeeld bij de bezetting van Alexandrowsk, van Berdjansk, Melitopol of enkele andere plaatsen en dorpen, hadden de anarchisten en Makhnovshchi soms gelegenheid hun arbeid op een wat breder basis te beginnen.

Maar de golven van de oorlog rolden nu van deze, dan van die kant nader en spoelden het begonnen werk weer weg, en weer moest men zich er mee tevreden stellen oppervlakkige agitatie en propaganda onder de boeren en opstandelingen te voeren. De omstandigheden waren niet gunstig voor een breed opgezette positieve arbeid onder de massa's.

Enige personen die in het geheel niet of slechts korte tijd aan de beweging hebben deelgenomen, kwamen op grond van deze periode tot de onjuiste conclusie, dat de Makhnovshchina te militaristisch zou zijn, dat ze te zeer op militaristische problemen gericht was geweest en onvoldoende op de positieve arbeid onder de massa's had gelet. In werkelijkheid echter was de hele strategische episode uit de geschiedenis van de Makhnobeweging niet een gevolg van deze beweging zelf, maar alleen van de verhoudingen, die sedert het midden van 1919 hadden geheerst.

De verheerlijken van de apparatuur van de bolsjewistische staat hadden de betekenis van de Makhnobeweging en de toestand van de anarchisten in Rusland schitterend geschetst: voor hen was het buiten kijf, dat het anarchisme in Rusland op een gegeven ogenblik, voor zover het niet met een massabeweging als de Makhnovshchina in verbinding stond, geen vaste grond meer onder de voeten had en dus voor ben onschadelijk en niet gevaarlijk was. En omgekeerd, volgens hen was het anarchisme de enige wereldbeschouwing waarop de Makhnovshchina in haar onverzoenlijke strijd tegen het bolsjewisme kon steunen.

Daarom stelden zij ook alle pogingen in het werk om die twee van elkaar te scheiden. En men moet hun gerechtigheid laten wedervaren; hardnekkig streefden ze hun doel na: de Makhnovshchina werd door hen buiten de wet gesteld. Zij trekken daarbij zowel in Rusland als in het buitenland een gezicht als wijze zakenlieden; alsof ieder zonder meer moet begrijpen, dat het niet aan de geringste twijfel onderhevig was, — alsof slechts blinden of mensen die niets van Rusland afweten aan de juistheid en billijkheid van deze maatregelen zouden kunnen twijfelen.

De Bolsjewiki hebben de anarchistische idee niet officieel vogelvrij verklaard, maar iedere revolutionaire maatregel van de anarchisten, ieder eerlijk optreden wordt door hen als “Makhnovshchina” gedoodverfd. En eveneens met een vanzelfsprekendheid, alsof ieder dat zonder meer moet begrijpen, gooien ze de anarchisten in de gevangenissen of slaan ze de hoofden af. Tenslotte bevindt zich zowel de Makhnovshchina als het anarchisme, dat niet slaafs voor het Bolsjewisme kruipen wil, in dezelfde positie.

Slotwoord

De hier weergegeven geschiedenis omvat nog lang niet de gehele beweging in volle omvang. Wij hebben, ofschoon nog zeer onvolledig, alleen maar de geschiedenis van de hoofdstroom, die uit Goeljaj-Pole kwam, trachten weer te geven. Deze vormde slechts een deel van de totale beweging. Als sociale beweging van de Oekraïense arbeidersbevolking, was de Makhnovshchina oneindig veel breder aangelegd dan wij ’t hier hebben kunnen beschrijven. Haar geest, haar leuzen hebben de meeste gouvernementen in beweging gebracht. Onder de boeren en arbeiders van bijna alle gouvernementen vond een zekere psychologische en sociale ommekeer plaats, waardoor zij er toe kwamen pogingen te doen hun onafhankelijkheid in Makhnowse zin te veroveren; overal werd tot de sociale revolutie opgeroepen, werden pogingen gedaan tot revolutionaire strijd en scheppingen te komen. Wanneer wij al deze talrijke zijarmen en vertakkingen van de Makhnovshchina in de gehele Oekraïne hadden kunnen volgen, — wanneer wij van al deze stromingen hadden kunnen vertellen, ze met elkaar verbinden, en onder één licht bezien, — dan had zich het grandioze beeld aan ons voorgedaan van een miljoenen tellend revolutionair volk, dat onder de banier van de Makhnovshchina voor het meest waarachtige deel van de revolutie, n.l. voor vrijheid en gelijkheid streed. Onder de gegeven omstandigheden van de bolsjewistische heerschappij is het echter absoluut uitgesloten zulk een werk te kunnen verrichten, zelfs wanneer men bereid zou zijn er zichzelf alle denkbare ontberingen voor te getroosten.

En het werk, dat hier gegeven is, dat slechts een enkele vertakking van de beweging behandelt, is nog zo beknopt mogelijk gehouden. Een zeer groot documenten- en feitenmateriaal bleef nog ongebruikt en daarom is het werk, zowel naar inhoud als vorm, onwillekeurig sterk besnoeid. Wij hopen, dat een volledig werk over de geschiedenis van de Makhnobeweging mettertijd geschreven zal kunnen worden.

Behalve de hier reeds opgenoemde fouten, gaat het werk er ook nog mank aan, dat de negatieve zijden van de Makhnobeweging niet volledig genoeg beschreven zijn.

Geen enkele sociale, historische beweging, al heeft die nog zo’n hoge vlucht, kan fouten, absolute gebreken en negatieve kenmerken vermijden. Natuurlijk zijn die ook in de Makhnovshchina te vinden. Men vergete echter niet, dat de Makhnovshchina geen experiment op sociaal gebied beproefd heeft en daarom ook niet tot het maken van fouten in dat opzicht komen kon. De Makhnovshchina was uitsluitend een sterk tot uitdrukking gekomen massabeweging, alleen haar onbaatzuchtige drang, de realiteit te overwinnen en de revolutie te redden. Daardoor moeten de zwakke zijden van de beweging op dit gebied gezocht worden.

Een hoofdgebrek van de beweging is, dat zij in de loop van de beide laatste jaren uitsluitend op militair gebied werkzaam was. Dit is echter geen organisch gebrek van de beweging, maar een noodlottigheid, een bittere noodzaak, die haar door de gehele toestand van de Oekraïne opgedrongen werd.

Drie jaar onafgebroken burgeroorlog hebben de Zuid-Oekraïne in één enkel strijdterrein veranderd. Talrijke legers van de verschillende partijen hebben haar in alle windrichtingen doorkruist en hebben de arbeiders en boeren in materieel, sociaal en moreel opzicht geruïneerd. De boeren waren volkomen uitgeput. De eerste pogingen om een zelfbestuur van de arbeid in te voeren, werden verhinderd. De geest van sociaal scheppen gekneveld. Deze omstandigheden waren het, die de Makhnovshchina aan de gezonde bodem, waarin zij wortelde, uit de sociaal-scheppende arbeid van de massa's, ontrukten en haar dwongen oorlog te voeren, die, al was het dan een revolutionaire strijd, toch altijd oorlog bleef.

De vijanden van de vrijheid hebben steeds alles gedaan, om de Makhnovshchina op dit oorlogspad te houden. Dat is haar grote tragedie geweest, tot het eind toe.

Dit is ook het antwoord, dat gegeven kan worden aan die anarchisten, die, tengevolge van onkunde omtrent de ware omstandigheden, oordelend naar misvormde berichten uit de vierde of vijfde hand, de Makhnovshchina haar oorlogskarakter verwijten en op die grond zich er afzijdig van hielden. Dit oorlogskarakter was de beweging opgedrongen. Ja, meer dan dat, — alle regeringen, die er in de Oekraïne geweest zijn, de communistische niet in de laatste plaats, hebben alles in 't werk gesteld om de beweging in een slop te drijven, waaruit slechts één uitweg was: bandietendom. De gehele tactiek van de Sovjetregering in haar strijd tegen de Makhnovshchina was op deze berekening gebaseerd. Mag men nu deze tactiek van de Bolsjewiki op de weegschaal werpen in het nadeel van de Makhnovshchina? Natuurlijk niet. Evenzo moeten wij, wanneer we van 't oorlogszuchtig karakter van de beweging spreken, niet uitgaan van het feit, dat de Makhnovshchi veel tijd aan militaire gevechten hebben moeten besteden, maar veeleer bedenken, waarmee zij begonnen zijn, welke doeleinden zij zich stelden, welke middelen zij gebruikten, om deze te bereiken.

Wij weten, dat zij ermee begonnen zijn, de hetman het land uit te jagen en de grond en de bodem, zowel als de gehele industrie tot het eigendom van de werkende bevolking te verklaren. De opbouw van een vrij leven op de grondslag van volkomen onafhankelijkheid van de arbeidersklasse in economisch en sociaal opzicht was het doel, dat zij zich gesteld hadden. De sociale revolutie en de vrije raden van arbeiders en boeren waren het middel, dat naar dit doel voeren moest.

Als revolutionairen van de daad vergenoegden zij er zich natuurlijk niet mee, de hetman te verdrijven en hun rechten te proclameren. Neen. Om de bourgeoisie een zo volkomen mogelijke nederlaag toe te brengen en hun rechten en revolutionaire verworvenheden te beschermen, organiseerden zij een militaire veiligheidswacht en bewezen daarmee een zeer diep begrip te hebben voor hun taak in de sociale revolutie. Want een positief revolutieprogram kan alleen met succes doorgevoerd worden onder voorwaarde, dat het de arbeiden tijdig gelukt, de militaire macht van de bourgeoisstaat te vernietigen.

Door de omstandigheid, dat de beweging in actief en offensief opzicht niet algemeen was, doch slechts enkele gouvernementen omvatte, was het mogelijk, dat zij omsingeld werd door de vijandelijke machten, n.l. door de Petljoera-troepen, door de Bolsjewiki (beiden aanhangers van de staatsgedachte) en door de talrijke legers van Denikin, die van alle zijden, uitgerust met kolossale militaire machtsmiddelen, hen overvielen. Natuurlijk moest de beweging sterke veranderingen in haar tactiek, haar methode, haar handelwijzen aanbrengen, daar zij gedwongen werd, het grootste deel harer krachten in de strijd om vrijheid aan de militaire zaken te wijden. Dat was echter, we zeiden het reeds, niet haar schuld, maar haar ongeluk.

De permanente oorlogstoestand gaf de Makhnovshchi een aantal bijzondere kentekenen, die alleen door hun uitzonderingspositie te verklaren zijn: ijzeren discipline in het leger, onverbiddelijk optreden tegen vijanden. Toch bleven de Makhnovshchi ondanks deze dingen in de eerste plaats revolutionairen. Toen de Makhnovshchi in oktober 1919 Jekaterinoslaw bezetten, lieten zij alle zich voor genezing in de ziekenhuizen bevindende Denikintsi, zo goed als de soldaten van andere legers, onverschillig of het soldaten of officieren waren, volkomen met vrede. En deze zelfde Makhnovshchi hebben toch wegens disciplinebreuk of schending van de revolutionaire eer wel eigen commandanten, zoals Bogdanoff en Lasjkewitsj, doodgeschoten.[1]

In het achtste hoofdstuk hebben wij op enige ernstige fouten en verzuimen binnen de beweging gewezen. Wat nu een aantal andere fouten en negatieve kwaliteiten betreft, deze zijn zo onbelangrijk, dat het geen zin heeft, daar langer bij stil te staan.[2]

Nu komt de vraag ter sprake: wat verder?

De strijd van de Makhnovshchi met de communistische regering kreeg een zuiver militair karakter.

Onder het volk is opbouwend, noch ontwikkelingswerk mogelijk. Vrij-socialistische mogelijkheden zijn uitgesloten. Wat voor zin had het, zulk een strijd voort te zetten?

Zonder twijfel scheen de toestand van de Makhnovshchina meer dan kritiek en voortzetting van de strijd leek hopeloos. De cultus van het militarisme, steunend op de wortel van de staat, drukte de massa's van de Oekraïne en Groot- Rusland tegen de wand en een epidemie van verraad en onrechtmatige terechtstellingen woedde over het land. Maar dit alles is slechts zo, wanneer men de zaken van een eng standpunt van staatsgedachte uit, beziet.

We leven in een revolutieperiode, waarin een aantal revolutionaire massabewegingen van de arbeiders en boeren afgewisseld wordt met de reactionaire pogingen van verschillende regeringen om deze bewegingen meester te worden en onder dictatuur te brengen. De massabeweging van februari-maart 1917 maakte plaats voor de Doemaregering. De beweging van de land- en fabrieksarbeiders in de zomer van 1917 riep de burgerlijk-socialistische regeringscoalitie in het leven. Op de golfslag van de machtige Oktoberbeweging van de arbeiders en boeren volgde het communistische regiem.

De omstandigheid, dat de communistische regering zo lang in het revolutionaire Rusland aan het roer blijft, is voor velen aanleiding, te geloven, dat deze het eigenlijke product van de Russische revolutie is, haar natuurlijke vorm. Dat is echter absoluut onjuist. De Russische revolutie en de communistische regering zijn antipoden, zijn uitgesproken tegenstellingen.

In de geschiedenis van de Russische revolutie is de communistische regering de fijnste, buigzaamste, maar tegelijkertijd hardnekkigste vorm van reactie. Reeds bij 't begin van haar vorming kwam het tussen haar en de revolutie tot strijd. In deze strijd hebben de werkende massa's van Rusland reeds de belangrijkste veroveringen van de revolutie — n.l. de vrijheid van organisatie, woord en pers, de onaantastbaarheid van de persoon, enz. — verloren. Deze strijd had door geheel het onmetelijke Rusland heen plaats, in elke stad, elk dorp, elke fabriek en vond zijn tragische hoogtepunt in februari-maart 1921 in de Opstand van Kroonstad.[3]

Op dit ogenblik verkeert Rusland in een fase van de zwartste reactie. Of nu de revolutionaire beweging van de arbeiders en boeren overwinnen óf de reactie zich staande houden en voor lange tijd verankeren zal, is moeilijk te zeggen. Eén ding is zeker: de revolutieperiode, die Rusland nu doorleeft, is nog lang niet ten einde, geweldige revolutionaire energieën zijn nog in het volk opgehoopt; het heeft nog droog kruit genoeg en in de eerstkomende jaren is een hernieuwd revolutionair optreden van de massa's zeer goed te verwachten.[4]

De Makhnovshchina leefde van de onderdrukte revolutionaire krachten van de massa’s. Zij heeft daarvoor geweldige heldendaden verricht, die de Sovjetregering valselijk zichzelf toeschrijft. Zij heeft in de Oekraïne het hetmanaat ten grave gedragen, zij heeft de Petljoerowstsjina vernietigd, de revolutie uit Denikins klauwen gered en in belangrijke mate aan Wrangels eindelijke ineenstorting meegewerkt.

Het moge paradoxaal klinken, maar het is een onloochenbaar feit, dat de communistische regering in Rusland staande kan blijven en wortelen alleen dank zij de reusachtige revolutionaire strijd van de Makhnovshchi met de talrijke contrarevolutionairen.

Later werd de Makhnovshchina gedwongen zich op haar eigen wijze aan de verhoudingen aan te passen, alle krachten in 't werk te stellen om de periode van reactie te overleven. Dit is een revolutionair tactische manoeuvre, een strategische schaakzet, die jaren duren kan. De eerstvolgende vijf tot tien jaar zullen over 't lot van de Makhnovshchina en de gehele Russische revolutie beslissen.[5]

De redding van de Russische revolutie is in haar bevrijding van staatsketenen te zoeken en in het scheppen van een sociale ordening op grond van een vrij en gemeenschappelijk zelfbestuur van de arbeiders en boeren. Wanneer in de massa’s zulk een nieuwe oriëntatie in de aangegeven richting zich gelden doet, zal de Makhnovshchina het middelpunt van een algemene, revolutionaire aaneensluiting worden. Ze zal de oorlogskreet, het parool zijn, waaronder alle moedigen, krachtigen, de arbeidersklasse fanatiek toegedanen zich verzamelen zullen. Want dan zal het gaan om de waarachtig-proletarische, sociale revolutie.

* * *

Nog een vraag komt naar voren.

De Makhnobeweging was hoofdzakelijk een beweging van de armste lagen van de Oekraïense boerenbevolking. De overwinning van de Makhnovshchina zou betekend hebben, dat deze armste lagen van de boerenbevolking overwonnen. Zou dat gelijkluidend zijn met de overwinning van de idee van de Makhnovshchina, — met een overwinning van de sociale revolutie?

Direct nadat zulk een beweging overwonnen had, zouden de boeren voor de noodzakelijkheid staan voor de voorziening van de stedelijke arbeiders met levensmiddelen te zorgen. Daar nu de industrie in de steden stilliggen zou, bovendien niet aangepast zou zijn aan de behoefte van het dorp, zouden de arbeiders niet in staat zijn, de boeren met producten van hun arbeid te betalen. Dientengevolge zouden de boeren de eerste tijd de stadsarbeiders zonder meer moeten helpen. Zouden zij tot zulk een edelmoedige revolutionaire daad werkelijk in staat zijn? De communisten spreken immers steeds van de boeren als reactionairen, die geheel bezeten zijn door de idee van eigen bezit. Zal deze geest niet de overhand krijgen? Zullen zij niet de stad de rug toekeren en zonder hulp laten?

Wij zijn er vast van overtuigd, dat dit niet het geval zal zijn.

De Makhnovshchina begreep de sociale revolutie in haar eigenlijke betekenis. Zij begreep, dat deze slechts zegevieren kon bij de nauwste samenwerking tussen stad en land. De boeren begrijpen, dat zij zonder hulp van de industriële ondernemingen niet het tiende bereiken kunnen, van wat de revolutie hun belooft. Tegelijkertijd zien zij de stedelijke arbeiders als broeders, leden ener zelfde werkende familie.

Het lijdt geen twijfel, of de boeren zullen op het ogenblik dat de sociale revolutie zegeviert, de arbeiders te hulp komen. En dat zal een revolutionaire, vrijwillige ondersteuning zijn. Op het ogenblik staat de zaak zo, dat het koren, dat de boeren ontnomen wordt, in de eerste plaats gebruikt wordt om de reusachtige staatsmachinerie in stand te houden. De boer begrijpt heel goed, dat geheel die kostbare bureaucratische machine noch voor hem, noch voor de arbeider nodig is en ongeveer dezelfde rol speelt als de gevangenisdirectie t.o.v. de gevangenen. Daarom heeft hij niet het minste verlangen, zijn graan vrijwillig aan de staat af te geven. Daarom staat hij ook vijandig tegenover de belastinggaarders, de commissarissen en de overige vertegenwoordigers van het staatsregiem.

Wel bestaat bij de boeren het voortdurende streven directe betrekkingen met de stedelijke arbeiders aan te knopen. Op boerencongressen is die vraag meermalen aan de orde gesteld en werd door de boeren in positief-revolutionaire zin beantwoord. Wanneer nu de massa's van het stadsproletariaat op 't ogenblik van de sociale revolutie onafhankelijk zijn en door middel van hun eigen organisaties onmiddellijk voeling met de boeren krijgen, zullen deze laatsten hen stellig helpen, omdat zij veel te goed weten, dat de arbeiders hun binnenkort door de reuzenkracht van de industrie alles voor de dagelijkse behoeften van stad en land terug kunnen leveren.

* * *

De Makhnovshchina heeft nu één zijde van de Russische werkelijkheid onthuld. Zeker zal de tijd komen, en ook de mensen zullen er dan zijn, die deze werkelijkheid van alle zijden met het licht van de waarheid zullen beschijnen. Dan echter zal de rol van het Bolsjewisme in de Russische revolutie ieder duidelijk blijken.

Maar ook nu reeds in het door ons belichte gebied zien we zijn ware gelaat. De geschiedenis van de Makhnobeweging, waarin de volksmassa’s een aantal jaren lang trachtten, hun onafhankelijkheid te verwerkelijken, onthult ons het bolsjewisme in zijn ware gedaante en vernietigt grondig de legende van zijn zogenaamd revolutionair, proletarisch karakter.

De gehele Russische revolutie door, heeft het bolsjewisme, wanneer arbeiders pogingen deden tot werkelijke zelfstandigheid te komen, eigen leven te organiseren, deze pogingen gewurgd. Zijn reactionaire geest aarzelde zelfs niet, wanneer het iedereen duidelijk bleek, dat de Russische revolutie onder de alles vernietigende dictatuur verstikte. De krankzinnige, zieke gedachte, de gehele revolutie met geweld binnen de grenzen van zijn program te houden, liet geen ogenblik af.

In de jaren 1919 en 1920 behoorde de redding van de Russische revolutie nog tot de mogelijkheden. Ook heden is zij nog mogelijk. Men behoefde zich maar op de revolutionaire geest van de massa's te beroepen, men behoefde de zelfwerkzaamheid van de arbeiders- en boerenorganisaties maar de vrije loop te laten. De revolutie ware, zodra zij haar geloof en wil terug gevonden had, gered. Weer zou in de massa's het geweldige enthousiasme wakker worden; weer zou het tot heroïsche strijd zich komen; de wil tot de grote daad zou opvlammen en alle wonden van het sociaaleconomisch organisme zuiveren.

Maar de bolsjewistische dictatuur verhindert dit alles!

Het is onjuist, wanneer de aanhangers van de staatsgedachte beweren, dat de massa alleen maar in staat is, het oude te vernietigen, maar niet tot scheppen bekwaam zou zijn.

Ook op het gebied van scheppen, op het gebied van de gewoonste, meest alledaagse arbeid, is de massa tot heroïsche daden in staat. Ze moet daartoe echter vaste grond onder de voeten hebben, ze moet zich vrij voelen, ze moet zien en geloven, dat het werk, dat zij doet, háár werk is. Zij moet in elke maatschappelijke maatregel haar eigen wilsuiting voelen, haar eigen hoop en streven. In één woord: de massa moet in de volstrekste zin zichzelf besturen.

De Bolsjewiki hebben er zich aan gewend, in de massa slechts gehoorzaamheid en steun voor hun eigen plannen te zoeken, — in geen geval echter revolutionaire geest.

Het is een niet te weerleggen historisch feit, dat door de voortdurende revolutionaire strijd tegen allerlei onderdrukkers in de Oekraïne een bijzonder betekenisvolle permanent- revolutionaire situatie werd geschapen, waardoor de werkende klasse als 't ware met geweld tot het oplossen van principiële revolutionaire problemen werd gedreven.

Deze situatie werd niet door de bourgeoise contra-revolutie, maar door de communistische regering verstoord. Deze heeft in naam van de partijdictatuur op militaire wijze alle pogingen van de arbeiders tot zelfbestuur verstikt en daarmee de revolutionaire toestand in 't land doodgedrukt. De doelstelling van de revolutie ging daarmee verloren.

In het ziekelijk geloof aan eigen dictatuur is het bolsjewisme zo versteend, is zo van de revolutie vervreemd, dat ze deze liever dood terneder liggen ziet, dan er concessies aan te doen. Op noodlottige wijze heeft het bolsjewisme de geweldigste revolutionaire mogelijkheden, die er ooit bestonden, vernield. Daarvoor moet het door de proletariërs van de gehele wereld aan de schandpaal genageld worden.

Men moet zichzelf echter niet bedriegen met de gedachte, dat het bolsjewisme alleen de schuld draagt van het ineenstorten van de Russische revolutie. Het bolsjewisme heeft steeds dat verwerkelijkt, wat tientallen jaren lang door de socialistische wetenschap uitgewerkt was. Zijn gehele praktijk is aan de theorie van het zgn. wetenschappelijke socialisme ontleend.

De arbeidersklasse van de wereld moet, wanneer zij naar hen zoekt, die schuldig zijn aan de schandelijke en ellendige positie waarin de socialistische dictatuur de arbeiders en boeren van Rusland gebracht heeft, het gehele socialisme ter verantwoording roepen en veroordelen.

Het bloedige treurspel van de Russische arbeiders en boeren mag niet spoorloos voorbijgaan. Meer dan iets anders heeft de socialistische praktijk in Rusland bewezen, dat de arbeidersklasse geen vrienden heeft, doch slechts vijanden, die er op loeren, de arbeid met beslag te beleggen. Het socialisme heeft afdoend bewezen, dat het tot de vijanden behoort. Deze gedachte zal zich met elk jaar dieper en dieper in het bewustzijn van de massa's vastwortelen.[6]

Proletariërs van de gehele wereld, gaat tot uzelf in en zoekt daar en brengt de waarheid voort: nergens anders zult u die vinden.

Dat is het, wat de Russische revolutie ons verkondigt.

De Sovjetregering heeft in 't verloop van haar derde overval op het opstandsgebied alles gedaan, wat in haar vermogen lag, om de Makhnovshchina de doodsteek toe te brengen. Dank zij de bij beëindiging van de Krim-veldtocht vrijgekomen troepen en haar betere bewapening lukte het haar in de zomer van 1921 het opstandige leger te verslaan en de kern van dit leger met Nestor Makhno daarbij, te dwingen, naar een gebied af te trekken, dat onderhorig was aan de Roemeense regering. Hierop bezetten de Sovjettroepen het gehele opstandsgebied en de revolutionaire massa's werden met geweld gedwongen, zich aan de dictatuur van het bolsjewisme te onderwerpen.

* * *

Hoe zal het verder gaan?

Het leven zelf zal karakter en vorm van verdere strijd bepalen. Boven alles echter staat vast: de geknechte mensheid zal zichzelf trouw blijven, tot het laatste toe zal zij steeds weer voor de grote gedachte van arbeid, vrijheid en gelijkheid in de strijd gaan.

Tot de overwinning toe, — want de mensheid is onsterfelijk.

Daar, waar de werkende massa zichzelf tegen knechtschap beschermt, — waar zij de liefde voor onafhankelijkheid aankweekt, — waar zij haar eigen levenswil verhoogt, — daar zal zij steeds weer haar eigen sociale, historische bewegingen scheppen, daar zal zij telkens van zichzelf uit werken. Daarin is de mensheid zichzelf het meest trouw.

En juist zulk een beweging was de Makhnovshchina.

Rusland, januari/juni 1921.

EINDE

Literatuuropgaven

  • Agostino, A.D., Marxism and the Russian Anarchists, San Francisco 1977.
  • Anonymus, Mémoires d'un bolchévik-léniniste. Renaissance du bolchèvisme en U.R.S.S., Paris 1970 (een Westerse publicatie van teksten uitgegeven door de samizdat in de Sovjet-Unie).
  • Arshinov, P., History of the Makhnovist Movement (1918-1921), Detroit/Chicago 1975. Ook in Duitse uitgave: Arshinoff, P., Geschichte van de Makhno-Bewegung (1918-1921), Berlin (z.j.).
  • Avrich, P., Russian Rebels, 1600-1800, New York/London 1976.
  • Avrich, P. (ed.), The Anarchists in the Russian Revolution, London 1973.
  • Avrich, P., Les anarchistes russes, Paris 1979.
  • Avrich, P., Makhno and his Biographers. In: Maatstaf (8/9) 1976, 30-38.
  • Berkman, A., Nestor Makhno. In: Grondslagen, Amsterdam 1978 (integrale herdruk). Berland, P., Makhno's role in the Russian Revolution. In: MAN! (z.p.) (z.j.).
  • Carr, E.H., The Bolshevik Revolution 1917-1923, 3 dln., Harmondsworth 1971. Constandse, A., Anarchisme van de Daad, Groningen 1975.
  • Constandse, A., De Alarmisten 1918-1923, Amsterdam 1973.
  • Constandse, A., Nestor Makhno, een tragisch heldendicht. In: Anarchisme: inspiratie tot vrijheid/Essays, Amsterdam 1979. Tevens verschenen in Maatstaf (8/9) 1976, 15-29.
  • Crisenoy, C. de, Lénine face aux Moujiks, Paris 1978.
  • Dahlmann, D., Die Makhnovscina als bäuerlich-anarchistische Bewegung, Düsseldorf 1976 (Philosophische Fakultät van de Universität).
  • Dahlmann, D., Makhnovshchina en Zapatismo. In: Spiegel Historiael (11) 1979. Footman, D., Civil war in Russia, London 1961.
  • Glastra, F., Het anarchisme van de Makhnovschina. Een aspekt van de Russische Revolutie in de Oekraïne, Amsterdam 1980 (ongepubliceerde scriptie V.U.).
  • Groupe d'Anarchistes Russes a l'Êtranger, Plate-Forme d'Organisation de l’Union générale des anarchistes, suivie d'un Supplément, Paris 1926. In Nederlandse vertaling uitgegeven als: Dielo Trouda, Organisatories Platform van de Revolutionaire Anarchisten, Groningen 1976. Het supplement ontbreekt.
  • Groupe d’Anarchistes Russes a l'Etranger, La Réporue aux Confusionnistes de l'Anar- chisme, Paris 1927.
  • Guérin, D., Het anarchisme, Amsterdam 1976.
  • Guérin, D., Ni Dieu ni Maitre. Anthologie de l’anarchisme, tome 4. Makhno — Cronstadt- Les anarchistes russes en prison - L’anarchisme dans la guerre d'Espagne, Paris 1976.
  • Hobsbawm, E.J., Bandieten, Amsterdam 1973.
  • Holota, W., Le mouvement Makhnoviste Ukiéinien, 1918-1921, et révolution de l’anarchisme Européen à travers le débat sur la plateforme, 1926-1934, (z.p.) 1975.
  • Hunczak, I. (ed.), The Ukraine, 1917-1921: a study in revolution, Cambridge 1977. Joll, J., The Anarchists, Cambridge (Mass.) 19801.
  • Kloosterman, J. (retd.), De Russische Revolutie, Rosa Luxemburg, Alexander Berkman, Alexei Borovoj, Emma Goldman, Alexander Schapiro, Baarn 1979.
  • Kolakowski, L., Geschiedenis van het Marxisme, dl. 2, Utrecht/Antwerpen 1980. Krug, P., De Kozakken, triomf en tragiek. In: Spiegel Historiael, 1982.
  • Lehning, A., Radendemocratie of staatscommunisme. Marxisme en anarchisme in de Russische Revolutie, Amsterdam 1972.
  • Lenin, W.I., Redevoeringen op Partijcongressen (1918-1922), Moskou 1975.
  • Lodewijkx, F., De Mahnovstschina. Een zwarte vlag zonder lading? Een onderzoek naar het wezen van een opstandige boerenbeweging in de Ukraïne in de jaren 1918-1921, Tilburg 1980 (ongepubliceerde scriptie M.I.).
  • Longworth, P., The Cossacks, London 1969.
  • Lovell, S., Leon Trotzki speaks, New York 1972.
  • Makhno, N., Das ABC des revolutioneren Anarchisten, Meppen/Ems 1976 (Berlijn (1928).
  • Makhno, N., La Revolution rasse en Ukraine (1918-1921) (Mars 1917-Avril 1918), Paris 1970. Vertaling van het eerste deel van Makhno's herinneringen, die bestaan uit: Russkaia revoliutsiaa na Ukraine (ot marta 1917 g. po aprel 1918 god) (Paris 1929), Pod udarami kontr-revoliutsii (aprel-iiun 1918 g.) (Paris 1936) en Ukrainskaia revoliutsiia (iiul-dekabr 1918 g.) (Paris 1937). De laatste twee delen zijn alleen in het Russisch verschenen.
  • Makhno. N., My visit to the Kremlin, Edmonton 1979.
  • Malatesta, E., Articles politiques, Paris 1979.
  • Malet, M., Makhno and his enemies. In: META, vol. 1 (3-4) (z.p.) (z.j.).
  • Malet, M., Nestor Makhno in the Russian Civil War, (z.p.) 1982.
  • Maximoff, G.P., The Guillotine at work, Vol. 1. The Leninist Counter-Revolution,
  • Menzies, M., Makhno, une epopee. Le soulèvement anarchiste en Ukraine (1918- 1921), Paris 1972.
  • Men, I., Le Paysan russe dans la révolution et la post-révolution, Paris 1968.
  • Nataf, A., La révolution anarchiste, Paris 1968.
  • Nomad, M., Apostles of Revolution, Boston 1939.
  • Oberlander, E. (her.), Dokumente van de Weltrevolution, Bd. 9. van de Anarchismus, Olten und Freiburg im Breisgau 1972.
  • Palij, M., The anarchism of Nestor Makhno, 1918-1921, an aspect of the Ukrainian Revolution, Seattle 1976.
  • Paustovski, K., Begin van een onbekend tijdperk, Amsterdam 1967. Peters, V., Nestor Makhno: the life of an anarchist, Winnipeg 1970.
  • Reshetar, J.S., The Ukrainian Revolution, 1917-1920, Princeton (New Jersey) 1952. Richards, V. (ed.), Errico Malatesta, His Life & Ideas, London 1977.
  • Ros, M., Anarchistenjaar 1976. In: Maatstaf (8/9) 1976, 1-14.
  • Serge, V., Mémoires d'un Révolutionnaire 1901-1941, Paris 1951.
  • Skirda, A., Les anarchistes dans la revolution rasse, Paris 1973.
  • Skirda, A. (red.), Les anarchistes rasses, les soviets et I'autogestion. Textes de Rocker, Archinov, Valevsky, Yartchouk, Makhno, Paris 1973.
  • Skirda, A., Nestor Makhno, le cosaque de I'Anarchie, Paris 1982.
  • Souchy, A., Reise nach Russland 1920, mit einem aktuellen Vorwort '59 Jahre danach’, Erinnerungen an Lenin und einem Gesprach, Berlin 1979.
  • Souchy, A., ‘Vorsicht: Anarchist!' Ein Leben fur die Freiheit. Politische Erinnerungen, Darmstadt 1977.
  • Stowasser, H., Die Makhnotschina. van de Kampf anarchistischer Rebellen für eine freie Gesellschaft in van de Ukraine, 1917-1922, Wetzlar/Rodenhausen 1979.
  • Sullivant, R.S., Soviet Politics and the Ukraine, 1917-1957, New York 1962.
  • Sysyn, F., The Ukraine 1917-1921: a study in revolution, Cambridge (Mass.) 1978. Traut, J.C. (her.), Russland zwischen Revolution und Konterrevolution, Bd. 1, Dokumente (1917-1921), Bd. 2, Berichte (1917-1921), München 1974-1975.
  • Trotski, L., Geschiedenis van de Russische Revolutie, 1 deel in 3 banden, Amsterdam 1978 (1936).
  • Voline (e.a.), A propos du Projet d'une 'Plateforme d'Organisation' publié par le ‘Croupe d'Anarchistes Russes à l’Etranger', Paris 1927.
  • Voline, The Unknown Revolution 1917-1921, Detroit/Chicago 1974.
  • Woodcock, G” Anarchism. A history of Libertarian Ideas and Movements, Harmondsworth 1975.

Personenregister

Door het inconsequente taalgebruik in de vertaling van Peter Arshinovs ‘Geschiedenis van de Makhnobeweging’ zijn de persoonsnamen soms verschillend gespeld. In dit personenregister is voor de meest gangbare spelling gekozen. Daar waar de spelling te ver uiteenloopt of verwarring kan scheppen zijn personen tweemaal opgenomen. Dit is het geval bij Damloff - Daniloff; Michaleff-Pawlenko - Michaljow Pawlenko; en Slachoff - Slastsjow. Omdat in dit boek uitgebreide informatie te vinden is over Peter Arshinov en Nestor Makhno zijn van hen geen inlichtingen in dit personenregister te vinden.

De volgende personen zijn niet in dit register opgenomen omdat zij geen rol in de beschreven episodes speelden: Henk Eikeboom, Wim Jong, Frans Lodewijkx, Daniel Guérin, Boudewijn Chorus, Ruud Uittenhout, Niko Buiten, Martin Ros, Jeanne de Jong, Ugo Fedeli, L.J. van Rossum, P. Avrich, L. Kolakowski, J. Joll en M. Nomad.

  • Alexander II. Tsaar van Rusland (1855-1881). Vermoord door leden van 'Narodnja Wolja’ (De Volkswil).
  • Alexejew, M. V. Tsaristisch generaal. Na 1917 leider van een contra-revolutionair Ieger.
  • Aly, J. (Soechowolski). Anarchist van Joodse afkomst. Stichter van het Nabat-secretariaat.
  • Andrjoetjenkowsk. Lid van de uitvoerende raad van de arbeiders-, boeren- en Rode Legerafgevaardigden van de stad Alexandrowsk.
  • Antonoff-Ovsejenko, Vladimir Alexandrowitsj (1884-1939). Bolsjewist. Eind 1918 benoemd tot opperbevelhebber aan het Oekraïnse front. Koos de zijde van Trotzki, later van Stalin. In 1939 doodgeschoten tijdens de Stalinistische zuiveringen. Gerehabiliteerd in 1956.
  • Apollon. Makhnovist. Eind 1920 (?) gesneuveld.
  • Araloff. Plaatselijk commandant in Charkow. Begin 1922 ambassadeur voor de Sovjet-Unie in Turkije. Was betrokken bij de vredesbesprekingen met Finland, Litouwen en Estland (1926-1927).
  • Arsjinof, Pjotr Andrejewietsj (1887-?).
  • Bakoenin, Michael Alexandrowitsj' (1814-1876). Russisch anarchist en revolutionair. Naast Proudhon een van de belangrijkste grondleggers van het anarchisme, met name het collectivisme.
  • Baron, Aaron. Mede-oprichter van de Nabat, vervolgens secretaris van die organisatie. Met Voline redacteur van de krant ‘Nabat’. In 1919 voegde hij zich bij de Makhnovshchina. Hij publiceerde mede de ‘Poetj k Swobode’ en hield zich bezig met opvoedkundige zaken. In één van Stalin’s zuiveringen omgekomen.
  • Baron, Fania. Mede-oprichtster van de Nabat. Dichteres en echtgenote van Aaron. In 1921 door de Tsjeka geëxecuteerd.
  • Belasj, Victor (1895?-?). Anarchist en Makhnovist. Tot 1919 regimentscommandant, daarna chef van een legerstaf.
  • Beressowki. Plaatsvervangend commandant van het 13de opstandssegiment. Trad na zijn arrestatie door de bolsjewisten onder dwang (?) toe tot de Tsjeka. Berkman, Alexander (1870-1936). Russisch anarchist. Lange tijd actief in Amerika.
  • Schrijver van een aantal brochures en boeken over de eerste jaren van de bolsjewistische heersschappij. Pleegde zelfmoord.
  • Bibik. Makhnovist. Commandant van een opstandsdivisie. Boedanoff. Makhnovist.
  • Boedjenni, Semjon Michailowitsj (1881-1973). Bolsjewist. Cavaleriecommandant. Fervent Stalinist. Werd na zijn nederlaag in 1941 uit zijn functie ontheven.
  • Boerbyga. Anarchist en Makhnovist. ln 1919 door de bolsjewisten terechtgesteld.,
  • Boerseff. Voormalig anarchist (?). Werd na zijn arrestatie door de bolsjewisten agentprovocateur voor de Tsjeka.
  • Boeryna. Makhnovist. Chef van het mijnencommando.
  • Bogdanoff. Makhnovist. Stafchef van de 2de opstandige brigade. Werd in 1919 door zijn eigen manschappen doodgeschoten wegens “disciplinebreuk“ en “schending van de revolutionaire eer.”
  • Bogoesj. Anarchist. ln maart 1921 door de Tsjeka vermoord.
  • Bolotnikof. Kozak en leider van een opstandige beweging boeren, lijfeigenen, vluchtelingen enz., welke streed voor de rechten van de troonpretendent Dmitrij (1606-1607).
  • Bondar, A. Lid van de uitvoerende raad van de arbeiders-, boeren- en Rode Legerafgevaardigden van de stad Alexanxandrowsk.
  • Bondarets. Makhnovist. Commandant van de algemene ruiterij. Gesneuveld in 1920. Browa. Makhnovist. Commandant van de speciale troepen.
  • Damloff, Wassilij. Makhnovist. Chef van de artillerieverzorging.
  • Daniloff, gebroeders. Makhnovisten.
  • Danton, Georges Jacques (1759-1794). Girondijn, later Jakobijn. Werd in opdracht van Robespierre terechtgesteld op beschuldiging van corruptie en verraad.
  • Denikin, Anton Ivanowitsj (1872-1947). Russisch luitenant-generaal. Steunde de actie van generaal Kornilow (1917), die een contra-revolutionair karakter had. Tijdens de Russische Revolutie vormden beide generaals een ‘Witte' strijdmacht, die in 1918 begon de bolsjewisten te bestrijden. Nadat Kornilow in 1918 was gesneuveld, werd Denikin opperbevelhebber in Zuid-Rusland. Tot oktober 1919 behaalde hij grote successen. Moest in maart/april 1920 zijn functie overdragen aan Wrangel.
  • Dermendsji. Makhnovist. Chef van het verkeerswezen.
  • Desmoulins, Camille Benoist (1760-1794). Speelde een vooraanstaande rol in de Franse Revolutie. Op bevel van Robespierre terechtgesteld.
  • Diebets. Bolsjewistisch legeraanvoerder.
  • Dobroljoeboff. Werd er door Trotzki van beschuldigd oproepen van de revolutionaire krijgsraad te hebben verspreid. Vermoord in 1919 (?).
  • Domasjenko. Makhnovist. Kwartiermeester van de legerstaf.
  • Dozenko. Lid van de revolutionaire oorlogsraad van het Goeljaj-Polsker-rayon. Drosdow, M.G. Witgardistisch generaal.
  • Dybenko, Pavel Jefimowitsj (1889-1938). Bolsjewist. Was bijzonder actief in de Russische Revolutie. Vervulde divers commandoposten tijdens de burgeroorlog. Was nauw betrokken bij het neerslaan van de opstand van Kronstadt en de boerenopstand van Antonov in Tambov (1921). Bekleedde hoge functies in het Rode Leger tot eind 1937. In 1938, tijdens de Stalinistische zuiveringen, geëxecuteerd.
  • Emigrant, Jozef (Gotmann) Anarchist. Stichter van het Nabat-secretaraat.
  • Ferrer, Francisco (1859-1909). Spaans anarchist en libertair pedagoog. Stichter van de zgn. ‘Moderne Scholen'. Gefusilleerd wegens “ophitsen tot rebellie”.
  • Flesjin, Senia en Mollie. Russische anarchisten. Tegenstanders van het Platform.
  • Froense, Michail Vasiljevitsj (1885-1925). Bolsjewist. Commandant van het zuidelijke front. In september 1920 trok hij ten strijde tegen Wrangel. Na diens nederlaag werd Froense bevelhebber van alle troepen in de Krim en de Oekraïne in welke hoedanigheid hij Petljoera en Makhno versloeg.
  • Gaenko, Fedora. Zgn. vrouw van Makhno. Zou een dagboek hebben bijgehouden, waaruit veelvuldig geciteerd werd door de bolsjewistische pers in de campagne tegen Makhno.
  • Gandhi, Mahatma (1869-1948). Indiaas volksleider. Ontketende diverse verzetscampagnes (burgerlijke ongehoorzaamheid en lijdelijk verzet) tegen de Britse bestuurders over zijn land en werd als gevolg daarvan diverse malen gevangen gezet. Gandhi streefde naar een zuiver orthodox hindoeïstisch leven. Werd vermoord door een extreme hindoeïst. Gandhi’s grote invloed wordt wel verklaard uit het feit dat hij voor de vrijheidsbeweging en de sociaal achtergestelden religieuze krachten opwekte en oude Indische heilmethoden aanwendde. Zijn ideeën over burgerlijke ongehoorzaamheid en lijdelijk verzet zijn ten dele ontleend aan De la Boétie, Tolstoj en Thoreau.
  • Garkoesja. Makhnovist. Commandant van de bijzondere troepen. Gesneuveld in 1920.
  • Gawrilenko, Pjotr. Anarchist en Makhnovist. Speelde als commandant van het 3de corps een belangrijke rol in de slag tegen Denikin (herfst 1919). In 1920 gearresteerd en waarschijnlijk gefusilieerd.
  • Gawrilow. Lid van de uitvoerende raad van de arbeiders-, boeren- en Rode Legerafgevaardigden van de stad Alexandrowsk.
  • Gerassimenko. Schrijver van een ongunstig artikel over Makhno.
  • Glasoenoff. Commandant van een uit Siberiërs bestaande afdeling, dat zich bij Makhno aansloot.
  • Gloestsjenko, Fedja. Makhnovist. Door de bolsjewisten gevangen genomen en de vrijheid beloofd als hij samen met Jacob Kostjoechin Makhno zou vermoorden, waartoe hij ook Lewzadow moest overhalen. Gaf zich aan en werd in juni 1920 door Makhnovisten doodgeschoten.
  • Goldman, Emma (1869-1940). Russisch anarchist en activiste. Steunde na de November Revolutie de bolsjewisten. Besloot eind 1921 Rusland te verlaten, teleurgesteld in haar verwachtingen wat betreft de Russische Revolutie.
  • Gorelik, Anatoli (Grigori) (1890-1956). Russisch anarchist en secretaris van de Nabat-groep in Melitopol. Hij werd in 1921 Rusland uitgewezen.
  • Grigorjew G. (?-1919). Tsaristisch officier. Trad in dienst van de bolsjewisten, maar liep weer over naar het kamp van de contra-revolutionairen. Riep zichzelf uit tot ataman. Zijn troepen maakten zich schuldig aan pogroms en plunderingen. Vermoord door Makhnovisten in juli 1921.
  • Groessew. Lid van de revolutionaire oorlogssovjet van het zuidelijk front, Bela Koen.
  • Grossmann-Rosjin, Joeda Solomonowitsj (?-1936?). Anarchist. Stelde zich ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, toen hij in Genève woonde, internationalistisch en dus anti-militaristisch op. Sympathiseerde met de machtsovername door en de dictatuur van de bolsjewisten en kan gerekend worden tot de zgn. sovjet-anarchisten.
  • Israël de Haan, Jacob (1881-1924). Letterkundige van Joodse afkomst. Lid van de SDAP. Later zionist. In Jeruzalem gestorven na een aanslag van zionistische Joden.
  • Iwanjoek. Makhnovist. Gesneuveld in een gevecht met een eenheid van het Rode Leger (augustus 1921).
  • lwanoff. Bolsjewist. Hoofd van een delegatie, die een overeenkomst sloot met Makhno
  • om gezamenlijk Wrangel te bestrijden (1920).
  • Jakowleff, J.A. Bolsjewist. Gedelegeerde van de Charkow-regering, die beweerde dat er een bondgenootschap was gesloten tussen Wrangel en Makhno. Stelde in opdracht van de bolsjewistische regering in oktober 1920 de voorwanden op voor samenwerking tussen bolsjewisten en Makhnovisten om gezamenlijk Wrangel te bestrijden. Schrijver van: ‘Het Russische anarchisme ten tijde van de grote Russische Revolutie' (1921).
  • Kalasjnikow. Vanaf 1917 secretaris van de Goeljaj Polsker organisatie van anarcho-communisten. Oorspronkelijk commandant van de 1ste brigade van de opstandige troepen, later van het eerste Donetzcorps van het Makhnoleger. Gesneuveld in de zomer van 1920 na een botsing met eenheden van het Rode Leger.
  • Kaledin, Alexej Maximowitsj (1861-1918). Don-kozak, cavalerie-generaal. Werd in juni 1917 gekozen tot ataman van het Donleger en proclameerde in november 1917 de autonomie van het Don-district Voerde met Kornilow en Alexejew de Witgardistische troepen in Zuid-Rusland aan. Pleegde in februari 1918 zelfmoord.
  • Kamenew, Serge Sergejewitsj (1881-1936). Tsaristisch generaal. Van 1919 tot 1924 opperbevelhebber van het Rode Leger. Slachtoffer van de zuiveringen onder Stalin. Posthuumgerehabiliteerd.
  • Karabel. Secretaris van de revolutionaire oorlogsraad van het Goeljaj-Polsker rayon.
  • Karatigin. Chef van de veldstaf van het zuidelijke front.
  • Karetnik, Ssemjon. Vanaf 1907 anarcho-communist. Vanaf begin 1920 Makhno's plaatsvervanger; in die functie commandeerde hij het Krimleger tegen Wrangel. Gefusilleerd door de bolsjewisten (november 1920). Zijn broer was ook Makhnovist.
  • Karpenko, E. Makhnovist.
  • Katharina II (Katharina de Grote) (1729-1796). Keizerin van Rusland van 1762 tot 1796.
  • Keller, Helene. Makhnoviste van Joodse afkomst. Secretaresse van de afdeling tot verhoging van het culturele peil. Eén van de stichters van de Nabat-Federatie. Nam deel aan het vakverenigingsleven van Amerikaanse arbeiders.
  • Kerenski, Alexander Fjodorowitsj (1881-1970). Na de omverwerping van het tsaristische regime werd Kerenski minister van justitie, vervolgens minister van oorlog en tenslotte premier van de Voorlopige Regering. In 1918, na de machtsovername, naar het buitenland uitgeweken.
  • Khmelnitski, Bogdan. Hetman van de Zaporoger kozakken. Leidde een boerenopstand tegen Polen. Hij sloot in 1654 vrede met de tsaar te Perejaslav.
  • Kirjakoff. Makhnovist. Door de bolsjwisten gefusilleerd (juni 1919).
  • Kroos, Sergej Mironowitsj(1886-1954). Bolsjewist. Speelde tijdens de burgeroorlog een belangrijke rol in Kaukasië. In 1926 benoemd tot partijsecretaris van Leningrad. Steunde Stalin o.m. in diens eollcctivisatiepolitiek. Vermoord op 1 december 1954 door de communist L. Nikolajev, a of niet in opdracht van Stalin. De moord op Kirow zou één van de aanleidingen zijn geweest tot de Stalinistische zuiveringen.
  • Klein. Makhnovist.
  • Koen, Bela (1886-1957). Hongaars politicus. Werd tijdens de Eerste Wereldoorlog gevangen genomen door de Russen en sloot zich aan bij de bolsjewisten. Richtte bij zijn terugkeer in Hongarije (1918!) de Hongaarse Communistische Partij op. Na enige maanden gevangen gezeten te hebben, werd Koen in 1919 de leider van ren coalitie van communisten en sociaal-democraten, die maar korte tijd stand hield. Koen vluchtte naar Oostenrijk, waar hij evenals in Duitsland een revolutie trachtte te ontketenen als agent van de Derde Internationale. Beschuldigd van Trotskisme werd Koen “weggezuiverd“ om in 1956 (!) postuum te worden gerehabiliteerd. Koerilenko, Wassilij. Commandant van de cavalerie en lid van de sovjet van revolutionaire opstandelingen. Werd met goedvinden van Makhno in 1919 commandant van de Rode cavalerie en streed tegen Denikin. Gedurende de militair-politieke overeenkomst van Makhnovisten en bolsjewisten nam hij als gevolmachtigde van het Makhnoleger deel aan de onderhandelingen. In de zomer van 1921 gesneuveld in de strijd tegen Rode troepen. Koesmenko, Galina Andrejewna. Vanaf 1919 Makhno's vrouw.
  • Kogan. Anarchist en Makhnovist van Joodse afkomst. Plaatsvervangend voorzitter van de revolutionaire oorlogsraad van het Goeljaj-Polsker rayon. In 1919 door Denikinisten vermoord (?).
  • Koljada. Makhnovist. Lid van de legerstaf.
  • Koloioff. Commandant van een in naam door de bolsjewisten gedirigeerde eenheid, die vaak samenwerkte met Makhno in de Oekraïne.
  • Koltsjak, Alexander Wassiljewitsj (1874-1920). Tsaristisch admiraal, die na de Oktober Revolutie in Omsk een anti-bolsjewistische regering vestigde. Tijdens de burgeroorlog commandeerde hij één van de contra-revolutionare troepen aan het oostelijke front. Door de bolsjewisten gevangen genomen en gefussileerd. Kanowalets. Generaal-majoor in het leger van Wrangel.
  • Kamilow Lavr Georgiewitsj (1870-1918). Tsaristisch generaal. In juli 1917 opperbevelhebber van de Russische strijdkrachten. In augustus/september 1918 begon hij een mislukte opmars naar het revolutionaire Petrograd, waar hij ontslagen en gearresteerd werd. Vluchtte naar het Don-gebied waar hij het zg. 'Vrijwilligersleger' organiseerde en aanvoerde. Gesneuveld.
  • Kosjin, Foma. Makhnovist. Commandant van het machinegeweerregiment, later commandant van de speciale troepen. Streed tegen Denikin en Wrangel.
  • Kosjkareff. Bolsjewist. Plaatselijk commandant in Charkow. Kostjin. Werd er door Trotzki van beschuldigd oproepen van de revolutionaire krijgsraad te hebben verspreid. Vermoord in 1919 (?).
  • Kostjoechin, Jacob. Makhnovist. Bijgenaamd “Slimme Jasjka”. Door de bolsjewisten gevangen genomen en de vrijheid beloofd als hij Makhno zou vermoorden. Door toedoen van Fedja Gloestsjenko, die hem had moeten bijstaan, werd de aanslag verijdeld. Beiden werden in juni 1920 door Makhnovisten doodgeschoten. Kotsjergin. Bolsjewistisch legeraanvoerder.
  • Kowal. Lid van de revolutionaire oorlogsraad van het Goeljaj-Polsker rayon. Krasnow, Pjotr Nikolajewitsj (1869-1947). Tsaristisch generaal. Nam deel aan de mislukte opmars van Kornilow. Eind oktober 1917 commandant van de Kozakken. Leidde in 1918 en 1919 het witte Kozakkenleger in het Don-gebied. Vluchtte in 1919 naar het buitenland.
  • Krat. Makhnovist. Chef van de economische dienst van het leger. Kropotkin, Peter (1842-1921). Russisch anarchist. Kwiring. Lid van de tijdelijke regering in de stad Koersk.
  • Lasjkewitsj. Commandant van het 13de opstandsregiment. Werd in de zomer van 1920 op grond van een besluit van een massavergadering van opstandelingen doodgeschoten wegens “disciplinebreuk” en “schending van de revolutionaire eer.”
  • Lenin, Wladimir Iljitsj (1870-1924). Werkelijk naam: Oeljanow. Bolsjewist.
  • Lepetsjenko, Alexander. Makhnovist en anarchist. In de lente van 1920 door de bolsjewisten gefusilleerd.
  • Lepetsjenko, Iwan. Anarchist en Makhnovist. Broer van Alexander Lepetsjenko. Lewzadow. Moest door Gloestsjenko overgehaald worden om deel te nemen aan de aanslag op Makhno.
  • Ljoeti, Isidor. Anarchist en Makhnovist. Lid van de staf van het Makhnoleger en vertrouweling van Makhno. Gesneuveld in de strijd tegen Denikin (september 1919).
  • Luxemburg, Rosa. Een van de grondleggers van de Poolse sociaal-democratische partij. Eén van de initiatiefnemers van de groep ‘Internationale’ (later: ‘Spartacusgroep’) in Duitsland. Speelde een leidende rol bij de oprichting van de communistische partij in Duitsland (KPD). In januari 1919 vermoord.
  • Lwow, Grigori Jewgenjewitsj. Hij was van 14 maart 1917 tot 20 juli 1917 minister-president van de Voorlopige Regering.
  • Makhno, Grigorij. Jongste broer van Nestor. Was chef van de staf van de 37ste Rode brigade en bestreed in die positie de contra-revolutie aan het Tsaritsynfront (1918-1919) . Trad begin 1919 tot het Makhnoleger toe en viel in dc strijd tegen Denikin (september 1919).
  • Makhno, Nestor lvanowitsj (Batjko) (1889-1934).
  • Makhno, Ssawa. Oudste broer van Nestor. Begin 1920 door bolsjewisten gevangen genomen en refusilleerd.
  • Mai-Majewski. Denikin-generaal.
  • Makajetu. Anarchist en Makhnovist. Verzorgde aanvankelijk dc propaganda, later kwartiermeester. Sneuvelde in november 1919 als commandant van een afdeling opstandelingen in het rayon Saporosje in de ssrijd tegen generaal Slastsjow.
  • Malatesta, Errico (1853-1932). Italiaans anarchist, theoreticus en activist. Tegenstander van het Platform.
  • Mamontoff. Denikin-generaal.
  • Manzeff. Bolsjewist en Tsjekist. Gaf opdracht tot de mislukte aanslag op Makhno (juni 1920).
  • Marssjenko. Vanaf 1907 anarcho-communist. Eén van de eerste opstandelingen in het Goeljaj Polsker-rayon. Commandant van de gehele cavalerie van het Marruer-leger. In 1921 gesneuveld in de strijd tegen eenheden van het Rode Leger.
  • Martynoff. Bolsjewist en Tsjekist. Gaf met Manzeff opdracht tot de misiukte aanslag op Makhno.
  • Maslak. Commandant van dc eerste brigade van de divisie van de Boedjenni-groep. Liep over naar Makhno.
  • Matrossenbo. Makhnovist. Boerendichter. Gearresteerd door de bolsjewisten in maart 1921. Pleegde zelfmoord.
  • Meshlauk. Bolsjewist. Militair commissaris van het Rode Leger. Leidde met Makhno de operaties tegen Denikin (1919).
  • Mett, Ida. Anarchiste, lid van ‘Dielo Trouda’ (de Zaak van de Arbeid) en mede-ondertekenaarster van het ’Organisatorisch Platform’. Schrijfster van een studie over de opstand van Kronstadt.
  • Mècha. Makhnovist.
  • Michaleff-Paulenko. Zie Pawlenko.
  • Mèchailoff. Afgezant van Wrangel. In juni 1920 door Makhnovisten vermoord. Minor, Robert. Amerikaans anarchist. Maakte cartoons voor ‘Mother Earth’ (van
  • Emma Goldman) en ‘Blast’ (van Alexander Berkman). Politiek gevangene onder tsaar Nicolaas II, steunde later de bolsjewisten.
  • Mratsjny, Mark E. (?-1973?). Anarchist. Lid van de Nabat-Federatie. Door de bolsjewisten gearresteerd in november 1920. Begin 1922 vrijgelaten en naar Berlijn vertrokken, waar hij werkzaamheden verrichtte voor politieke gevangenen in de Sovjet-Unie.
  • Nicolaas II (1868-1918). De laatste tsaar uit het huis Romanof en tevens de laatste tsaar van Rusland (1894-1917). Trad in 1917 af ten gunste van een Voorlopige Regering. Werd in 1918 om het leven gebracht.
  • Nikolai (Wassily). Voormalig individualistisch anarchist en uitgever van het tijdschrift ‘K Swjeoe'. Ter dood veroordeeld door de bolsjewisten, maar in leven geinen met als verplichting voor de Tsjeka te werken. Was betrokken bij de pogroms in Charkow en Odessa en de mislukte aanslag op Makhno.
  • Ogarkoff. Commandant van hef Rode Leger in de Oekraïne. Verenigde zich in oktober 1919 met het Makhnoleger.
  • Olchowik A. Makhnovist. Lid van het college van Makhnotroepen.
  • Osterow. Chef van de staf van het Makhnoleger. In 1919 door de bolsjewisten gevangen genomen en ter dood veroordeeld.
  • Padalka. Commandant van ren regiment, die omgekocht werd door de bolssewisten om Makhno te vermoorden. Het komplot werd ontdekt, en Padalka en enige anderen werden terechtgesteld (1919).
  • Parchomenko. Makhnovistisch commandant. Gesneuveld in 1921 (?).
  • Pawlenko, Michaljow. Anarchist en Makhnovist. Organisator en commandant van de ingenieur- en spoorwegtroepen van het Makhnoleger. In juni 1919 door Worosjilow, commandant van het 14de Rode Leger, gevangen genomen en vermoord. Zie Michaleff-Pawlenko.
  • Perowskaja, Sofja (1853-1881). Lid van de groep rond Tsjaikowski en de organisaties ‘Narodnaja Wolja’ en ‘Zemlja i Wolja’. Vrijgesproken in het proces van de '193' (1877-1878). In 1879 organiseerde zij het opblazen van de trein van Alexander II nabij Moskou. Was betrokken bij de aanslag op Alexander II in 1881 en werd opgehangen.
  • Petljoera, Semjon (1879-1926). Leidde tijdens de burgeroorlog een Oekraïnse regering, die zowel tegen het Rode Leger als tegen Witgardisten streed. Na de overwinning van het Rode Leger (1919) verbond hij zich met Polen, die hem in 1921 lieten vallen. Onder zijn bewind vonden in de Oekraïne pogroms plaats. Vermoord in Parijs.
  • Petrakoff, Tima-Iwan. Voormalig anarchist (?). Door de Tsjeka ter dood veroordeeld, maar in leven gelaten om dienst te doen als agentprovocateur.
  • Petrenko. Makhnovistisch commandant.
  • Petrow. Agentprovocateur van de bolsjewisten, die voordien de tsaristische regering had gediend.
  • Pjatakoff. Lid van de lijdelijke regering in de stad Koersk.
  • Plastoen. Commandant van ren Denikin-regiment.
  • Platonow. Makhnovistisch commandant. Gesneuveld tijdens een slag met eenheden van het Rode Leger (augustus 1921).
  • Poegatsjew Jemeljan Iwanowitsj (±1730-1775). Plaatste zich in het zuidelijk Oeral-gebied aan het hoofd van een opstandige boerenbeweging (1773) en gaf zich uit voor de vermoorde ex-tsaar Peter III. De beweging werd neergeslagen door de troepen van Katharina II en Poegatjev werd terechtgesteld.
  • Poesanow, M. Makhnovist. Lid van het college van Makhnotroepen. Poloenin. Werd er door Trotzki van beschuldigd oproepen van de revolutionaire krijgsraad te hebben verspreid. Vermoord in 1919 (?).
  • Polonski. Commandant van het 3de Krimse opstandsleger. Streed samen met Makhno,
  • Slachoff. Zie Slastsjow.
  • Slastsjow. Denikin-generaal, later in dienst van de bolsjewisten. Zie Slachoff.
  • Smilga. Lid van de revolutionaire oorlogssovjet aan het zuidelijke front. Sobol. Russisch anarchist en tegenstander van het Platform.
  • Soechowa, Anna (Senjajermakowa). Voormalig anarchiste (?). Door de Tsjeka ter dood veroordeeld, maar in leven gelaten om dienst te doen als agenteprovocateur. Spota. Lid van de uitvoerende raad van de arbeiders-, boeren- en Rode Legerafgevaardigden van de stad Alexandrowsk.
  • Ssereda. Makhnovist. Rentmeester van het leger. Doodgeschoten door de bolsjewisten in maart1921.
  • Stalin, Jozef Vissarionitsj (1879-1953). Werkelijke naam: Dzoegasjvili. Bolsjewist.
  • Werd na de dood van Lenin (1924) alleenheerser van de Sovjet-Unie. Stolypin, Pjotr Arkadjewits (1862-191 >). Minister-president van Rusland tussen 1906
  • en 1911, en als zodanig verantwoordelijk voor de landhervorming die volgde op de revolutie van 1905. Hij werd in 1911 vermoord.
  • Stsjoesj, Fjodor. Speelde een belangrijke rol in het voorjaarsoffensief (1918) van het opstandelingenleger van de Oekraïne tegen Duitsers, Oostenrijkers en de volgelingen van Skoropadski. Makhnovist. Leider van de cavaerietroepen, later lid van de staf en hoofd van de staf van de speciale troepen. Gesneuveld in mei/juni 1921 na gevechten met eenheden van het Rode Leger. Taranowski. Chefstaf van het Makhnoleger en commandant van het Joodse bataljon daarin.
  • Trojan, Gawrjoesja. Makhnovist. Regimentscommandant. Gesneuveld in 1921.
  • Trotski, Lev Davidowitsj (1879-1940). Werkelijke naam: Bronstein. Bolsjewist. Door Stalin uitgerangeerd en vermood.
  • Tsjaeldom. Voormalige anarchist (?) Door de Tsjeka ter dood veroordeeld, maar in leven gelaten om dienst te doen als agentprovocateur.
  • Tsjerednjahow. Anarchist. Door de bolsjewisten vogelvrij verklaard. Sloot zich met zijn afdeling bij Makhno aan, met wie hij samen Denikin bestreed. ln de zomer van 1919 door Denikin-soldaten gevangen genomen en doodgeschoten.
  • Tsjernjakow. Anarchist.
  • Tsjernoknisjy. Voorzitter van de revolutionaire oorlogsraad van het Goeljaj-Polsker rayon tot juni 1919 toen het rayon door de bolsjewisten en troepen van Denikin werd verwoest.
  • Tsjoebenko, A. Makhnovist. Chef van het mijnencommando. Lid van het college van Makhnotroepen.
  • Tsoemak. Makhnovist. Rentmeester van het leger. Tsjoestjko, J.M. Lid van het college van Makhnotroepen. Tychenho. Makhnovist. Chef van de onderhoudsdienst.
  • Voline (Vsevolod Michailowitsj Eichenbaum) (1882-1945). Vsevolod Michailowitsj Eichenbaum werd op 11 augustus 1882 als zoon van een artsenechtpaar in Rusland geboren. Nadat hij als student in contact kwam met revolutionaire ideeën sloot hij zich in 1905 aan bij de Sociaal-Revolutionairen, om na de bloedige onderdrukking van de opstand van dat zelfde jaar met vele anderen te worden gearresteerd. Hoewel hij veroordeeld werd, wist hij naar Frankrijk te ontsnappen, waar hij Sébastien Fauré ontmoette. Onder invloed van Russische ballingen en Franse libertairen sloot Voline zich aan bij de anarchistische beweging (1911). In 1913 werd Voline lid van het Comité voor Internationale Actie tegen de Oorlog. Wat hem niet in dank werd afgenomen door de Franse regering, die in 1915 besloot hem op te sluiten in een concentratiekamp. Hij werd echter op tijd gewaarschuwd en wist te ontkomen naar Amerika, waar hij als spreker optrad en meewerkte aan het blad 'Golos Troeda' (Stem van de Arbeid). Bij het uitbreken van de Russische Revolutie verhuisde de redactie naar Rusland om ‘Golos Troeda' in Petrograd, het latere Leningrad, voort te zetten. Nadat de Oekraïne als gevolg van de vrede van Brest-Litowsk aan de Duits-Oostenrijkse troepen werd overgeleverd, vertrok Voline naar de Oekraïne. In de Oekraïne hielp hij mee aan de stichting van de Nabat-Federatie en sloot hij zich aan bij Makhno. Begin 1920 werd hij gearresteerd en door Trotzki ter dood veroordeeld, om na de overeenkomst tussen Makhno en de bolsjewisten (oktober 1920) op vrije voeten te komen. Zoals bekend, hield de overeenkomst korte tijd stand en nauwelijks een maand later werd Voline opnieuw gearresteerd. In de zomer van 1921 behandelde een congres van de Rode Vakverenigings Internationale een protest van Europese vakbondsafgevaardigden tegen de gevangenhouding van Voline e.a.. waarop een deel van hen naar Duitsland gedeponeerd werd. Gedurende zijn tweejarig verblijf in Duitsland zette Voline zich in voor politieke gevangenen in de Sovjet-Unie, vertaalde hij Pjotr Arsjinofs 'Geschiedenis van de Makhnobcweging' en sppelde hij samen met Mratsjny een belangrijke rol bij de totstandkoming van de Internationale Arbeiders Associatie (IAA). Op uitnodiging van Sebastien Faure, aan wiens ‘Encyclopédie Anarchiste' hij zou meewerken, vestigde Voline zich vervolgens in Parijs, waar hij actief deelnam aan de discussie rond de brochure ‘Organisatorisch Platform'. Daarnaast werd hij redacteur van ‘L’Espagne Anti-Fasciste'. Tjjdens de Tweede Wereldoorlog dook Voline onder. Hij stierf kort na de bevrijding, op 18 september 1945, aan tuberculose. Zijn befaamde ‘La Révolution Inconnue' verscheen postuum in 1947.
  • Wasjlenko. Chef van de hoofdwerkplaats van de spoorwegen in Alexandrowsk. Door Arsjinof neergeschoten in maart 1907.
  • Watsikwski, Grigorij. Anarchist en Makhnovist. Persoonlijke vriend van Makhno. Gesneuveld in december 1920 in de strijd tegen divisies van Rode Kozakken-troepen.
  • Wattsetis. Opperbevelhebber van de revolutionaire krijgssovjet van de Republiek. Wdowitsjenko. Anarchist en Makhnovist. Commandant van de speciale afdeling van het leger van de opstandelingen. Werd in 1919 zwaar gewond; zou door de bolsjewisten gearresteerd en gefusilleerd zijn.
  • Weretelnikoff, B. Makhnovist. Aanvankelijk Sociaal-Revolutionair, later anarchist. Was gedurende de laatste tijd plaatsvervangend stafleider van het leger. Met zijn gehele regiment omgekomen in de strijd tegen Denikin (juni 1919).
  • Worosjilow. Staflid van het 14de Rode Leger in Charkow.
  • Wrangel, Pjotr Nikolajewitsj (1878-1928). Russisch luitenant-generaal. Was tijdens de burgeroorlog commandant van diverse Witgardistische troepen. Vanar aprii 1920 opperbevelhebber van de contra-revolutionaire troepen in Zuid-Rusland, waarmee hij Denikin opvolgde. Uitgeweken naar Constantinopel.
  • Zesnik, Grigorij. Anarchist. Lid van de Nabat-Federatie.
  • Zinowjew, Grigorij Jevsejewitsj (1883-1936). Bolsjewist. Werd na de Oktober Revolutie voorzitter van de Petrogradse sovjet. Van 1919 tot 1926 voorzitter van het Uitvoerend Comité van de Communistische Internationale. Na aanvankelljk de zijde van Stalin gekozen te hebben (1923-1924), ging hij over tot het kamp van Trotski. In 1926 uit a zijn functies gezet. Na het eerste grote Moskouse proces geëxeeuteerd.

Voetnoten

Voorwoord van Voline

  • [1] Om van een massa kleinere krantenartikelen te zwijgen, die in verschillende Russische en buitenlandse persorganen verspreid zijn, en óf buitengewone handigheid in belastering, óf een bijna ongelofelijke literaire onverantwoordelijkheid van de diverse schrijvers verraden, zijn er reeds ook meer of minder omvangrijke werken, die aanspraak willen maken op een zekere ideeële of historische waarde, inderdaad echter een bewuste verkrachting van de waarheid of eenvoudige kinderachtige fabeltjes zijn. Wij verwijzen b. v. naar het boek van de bolsjewiek J. Jakowlev: “Het Russische anarchisme ten tijde van de grote Russische Revolutie”, (verschenen in enige Russische en buitenlandse uitgaven), een boek, dat niets dan een stroom van verminkingen en brutale leugens brengt. Ook zij er op het omvangrijke en buitengewoon pretentieuze opstel van een zekere Gerassimenko in de historisch-litteraire verzamelbundel “Der Historiker und van de Zeitgenosse” (uitgave Olga Djakowa en Co. Boek III, Berlijn 1922, pag. 151, het artikel “Makhno”) gewezen, een opstel waarin zulke ongelofelijke sprookjes opgedist worden dat het schaamrood voor de schrijver en verzamelbunder de lezer in 't gezicht stijgt. Ook moeten wij opmerken, dat zelfs in de anarchistische pers, die over het algemeen de Makhnobeweging ernstig, nauwgezet en eerlijk behandelt en van geheel andere stelling uit en met geheel andere bedoelingen als de zoeven genoemde “auteurs”, talrijke fouten en onjuistheden zijn ingeslopen, die aan de omstandigheid zijn toe te schrijven, dat de diverse schrijvers niet onmiddelijk persoonlijk aan de beweging deel gehad hadden, en slechts indrukken van andere personen schreven (zie b. v. de brochure van P. Roedenko: “In de Oekraïne” (De opstandigen en de anarchistische beweging), opnieuw uitgegeven door de uitgeverij van de Arbeidersgroep in Argentinië in Maart 1922; het artikel in het tijdschrift “Wolni Troed”, het orgaan van de Petrograder Federatie van Anarchistische Groepen, Okt. 1919, zowel in het artikel als in de brochure zijn grove onjuistheden ingeslopen, die er uit te verklaren zijn dat de schrijver niet onmiddelijk aan de opstandsbeweging heeft deelgenomen en haar menigvuldige hoogtepunten niet heeft meedoorleefd.
  • [2] Het woord “koelak” zou het best met het woord “dikke boer” te vertalen zijn, maar heeft nog de bijbetekenis van “reaktionair” clement“.
  • [3] Vóór het verschijnen van het boek heeft de schrijver, om de kameraden en arbeiders in het buitenland zo snel mogelijk met enige episoden van de Makhnovshchina bekend te maken, in buitenlandse kranten twee artikelen onder de titels “Nestor Makhno” en “De Makhnovschina en het antisemitisme” gepubliceerd.
  • [4] Gedurende dit pogrom, bij een aanval van een divisie kavallerie van de “rode Kozakken” lukte het Arsjiinof ternauwernood zijn leven te redden. En dit was niet de enige maal! Dicht bij hem staande kameraden werden voor zijn ogen neergesabeld, omdat zij geen dekking hadden kunnen vinden.

Hoofdstuk I.

  • [1] Dekabristen, genoemd naar hun deelnemen aan de eerste revolutionaire beweging in Rusland, die hoofdzakelijk in Petersburg in December 1825 plaats vond en welks vijf voornaamste leiders na het misukken van de beweging opgehangen werden.
  • [2] Narodnitsjestwo: beweging, die zich in de 70-er jaren ontwikkelde. Haar aanhangers waren hoofdzakelijk leden van de bezittende klasse, jonge lieden van beiderlei kunne, meest studenten, die de onderste lagen van het russische volk opzochten, om daar kultureel ontwikkelingswerk en socialistische propaganda te bedrijven. De beweging werd spoedig door de vervolgingsmaatregelen van de russische regering vernietigd. Een voortzetting ontstond in de “Narodowoljtsjestwo”, een revolutionaire richting, die tot de organisering van de partij “Narodnaja Wolja” (Volkswil) leidde. Het hoofddoel van deze partij was de uit de weg ruiming van de tsaar, om het regiem te wijzigen en daardoor een ongehinderde socialistische propaganda mogelijk te maken. Het gelukte deze partij tsaar Alexander 11 in Maart 1881 te doden.
  • [3] Hoe juist en scherp Arshinof gezien heeft, is door de loop van de gebeurtenissen van de laatste jaren toch wel zonneklaar gebleken. (vert.)

Hoofdstuk II.

  • [1] Aanhangers van Petljoera. (Vert.)

Hoofdstuk IV.

  • [1] Hoe juist is deze, in 1921 gegeven, analyse gebleken. Niet alleen dat het hier voorspelde geheel is uitgekomen, maar alles is nóg erger geworden. Oók de laatste resten van de democratie zijn door de partijbonzen vermoord. Waardoor de stelling bewezen wordt, dat democratie en fascisme geen tegenstelling vormen, maar zien eerder tot elkaar verhouden als oorzaak en gevolg. — (Vert.)
  • [2] En Stalin in nog sterkere mate. — (Vert.)
  • [3] Pag. 136/145 duitse uitgave. — (Vert.)
  • [4] Misschien het Duitsland van nu, - 1935? – De razzia, naar aanleiding van de moord op Krow, waarbij men de gelegenheid aangreep om zich van een groot aantal anndersdenkenden (Kamenew, Sinowjew) te ontdoen, spreekt in dit opzicht wel boekdelen! (Vert.)
  • [5] Weliswaar trachtten de bolsjewiki ten tijde van het hetmanaat hun eigen vrijscharen te organiseren, die volgens partijdirektieven werken moesten. Een afdeling van die aard was de troep van Kolosoff in het rayon Pawlograd. Deze afdelingen waren echter heel dun gezaaid en zij verdwenen in de grote massa van de opstandigen die onafhankelijk van de partij opereerden. Bovendien waren ook deze weinig talrijke partijtroepen door de algemene geest van de revolutionaire opstand aangestoken. De afdeling van Kolosoff verschilde in haar optreden maar weinig van die van Makhno; ook traden ze dikwijls met Makhno samen op.
  • [6] Tsjerednjakow, boer, anarchist. Werd al spoedig door de bolsjewistische machthebbers vogelvrij verklaard en sloot zich met zijn afdeling bij de algemene opstandige troepen van Makhno aan; samen met dit leger streed hij tegen Denikin aan het Asowse-front. Toen begin Juni 1919 de troepen van Denikin het Goeljaj-Polsker rayon binnenvielen, werd hij gevangen genomen en kreeg meer dan driehonderd roeslagen. Het gelukte hem te ontkomen. In de zomer van 1919 werd hij weer door soldaten van Denikin gepakt in het gouvernement Poltawa en toen doodgeschoten.

Hoofdstuk V.

  • [1] Karakteristiek zijn in dit opzicht de volgende gebeurtenissen uit die tijd: meermalen kwam het voor, dat de boeren van verschillende dorpen in het rayon Asow levensmiddelentreinen aanhielden en zich de dokumenten lieten tonen. Wanneer die nu niet uit de staf van het Makhnoleger afkomstig waren, dan werden de treinen in afwachting van berichten van de Makhnovshchi opgehouden. Vaak kwam het ook voor, dat bolsjewistische organisaties oproepen deden, waarin het volk gevraagd werd aan het rijk koren te leveren tegen bepaalde prijzen. Ook hierop antwoordden de boeren van vele dorpen, dat zij bereid waren koren te leveren, wanneer de organisatie van Makhno daarvoor toestemming gaf.
  • [2] Op 9 en 10 Juni 1919, gedurende de veldtocht van de bolsjewiki tegen het Makhnose rayon, werd deze commune door de bolsjewistische troepen vernield. Bij deze gelegenheid werd kameraad Kirjakolf. o.a. leider van de gemeenschap. vogelvrij verklaard. Toen enige dagen later de troepen van Denikin het dorp Pokrowskoje binnenrukten. vernietigden zij de commune volkomen; Kirjakoff, een op de voorgrond tredende revolutionaire boer uit die plaats werd standrechtelijk door hen doodgeschoten.
  • [3] Enige leden van het leger, zogoed all enige boeren legden het uit alsof deze mobilisatie verplicht was voor ieder, die tot één van de bedoelde tien jaargangen behoorde. Zij waren de mening toegedaan, dat het kongresbesluit, dat de wil van alle werkenden van het rayon uitdrukte, zelfs dan, wanneer het slechts in de vorm van een wens uitgedrukt was, toch volkomen uitgevoerd moest worden. Dit is een vergissing van enkele personen. Het kongresbesluit betreffende de mobilisatie had alleen maar de zin, overal er toe op te wekken, zich vrijwillig bij het leger aan te sluiten.
  • [4] Werst: russische mijl, 1066,79 Meter of 11 minuten gaans (Vert.).
  • [5] Denikin-troepen.

Hoofdstuk VI.

  • [1] Tegelijk met L. Kameneff's telegram was een aan Makhno geadresseerde dépêche van Grossmann-Rosjin (sovjet-anarchist) binnengekomen, waarin van dezelfde gebeurtenis sprake was.

Hoofdstuk VII.

  • [1] Eén van de grootste spoorbruggen van Rusland; voert over de Dnjepr bij Alexandrowsk.
  • [2] De. protokollen van ’t kongres, zo ook de ontwerpen van Makhno's en Grigorjew's redevoeringen zijn in 1910 met andere dokumenten door de oorlogsomstandigheden verloren geraakt.
  • [3] Betekent ongeveer hetzelfde als “Woljnitsa”, zie pag. 47.
  • [4] Poegatsjew, leider van een grote boerenopstand in Zuid-Rusland in 't einde van de 18e eeuw. “Poegat“ betekent in 't russisch: schrik verbreiden; vandaar bovenstaande woordspeling.
  • [5] In enige steden benoemden de Makhnovshchi kommandanten. die tot taak hadden, als verbindingsman tussen het leger, dat de stad bezet hield en de bevolking te dienen en aan deze alle maatregelen van het leger, die betrekking hadden op het leven van de stadsbevolking en die door de oorlog noodzakelijk waren, mee te delen. Ze beschikten over burgerlijke noch militaire macht en stonden in geen enkele betrekking tot het maatschappelijke leven van de vreedzame bevolking.
  • [6] Eén van de voornaamste arguemnten van de Bolsjewiki tegen de Makhnovshchina is, dat deze in de tijd van hun verblijf in Jekaterinoslaw niets scheppends hebben verricht. Maar hierbij verzwijgen de Bolsjeiwki voor de massa’s twee belangrijke dingen: eerstens vormden de Makhnovshchi na geen partij en waren geen regeringsmacht. In Jekaterinoslaw verbleven zij als de revolutionaire militarie troep, die de vrijheid van de stad beschermde. In deze hoedanigheid mochten zij in het geheel niet dew verplichjting op zich nemen, het opbouwprogram van de revolutie door te voeren. Dat was de zaak van de plaatstelijke arbeidersmassa’s. Het Makhnoleger kon hun in deze aangelegenheid hoogstens met raad, initiatieven en organisatorische bekwaamheden terzijde staan, zoals dat ook geschied is; ten tweede verzwegen de Bolsjewiki bij hun argumenteatie, in hoe een buitengewone toestand de stad zich toentertijd bevond: terwijl de Makhnovshchi de nad bezet hielden, bevond zij zich voortdurend in belegeeinnstoenand. Er was geen uur, dat de stad niet gebombardeerd werd. Deze omstandigheid verhinderde de arbeiders, hoewel niet het Machooleger, zich toen reeds bezig te houden met de opbouw van het leven op de grondslag van zelfbestuur. Wat nu de uitvinding betreft, dat de Makhnovshchi de spoorwegarbeiders, die gekomen waren om de nodige middelen te verkrijgen, eenvoudig verklaard zouden hebben, dat zij — de Makhnovshchi — geen soorwegen nodig hadden, omdat zij hun paarden en de steppe hadden — dit leeg geklets werd voor 't eerst in omloop gebracht door de Denikinpers in October 1919; later namen de Bolsjewiki deze praatjes klakkeloos over.

Hoofdstuk IIX.

  • [1] Naletsjiki, zogenaamde expropriateurs, die van diefstal een beroep maakten. De ontbindingsverschijnselen na de bolsjewistische revolutie 1919/1921 hebben deze ziekte aanzienlijk in de hand gewerkt. Het enige middel, dat de bolsjewistische regering ertegen wist, was de doodstraf.
  • [2] Algemeen gebruikelijke groet onder de boeren.

Hoofdstuk IX.

  • [1] Sekretaris van de sovjet van de revolutionaire opstandigen.
  • [2] Dit punt werd door de Sovjetregering voor alles dáárom gewenst aangezien het herhaaldelijk voorkwam dat Rode troepenafdelingen tot het Makhnoleger overgingen.
  • [3] Perekop, een landengte, die de verbinding van het schiereiland de Krim met het vasteland vormt.
  • [4] Hier zij een stuk vermeld, dat een jonge boer uit Goeljaj-Pole, die zeer aktief aan de verschillende fasen van de opstandbeweging deelgenomen heeft, zelf schreef. Het stuk heette: “Het leven van de Makhnovshchi” en bestaat uit enige akten. Het eerst werd dit stuk in de zomer van 1919 opgevoerd, toen de gehele Oekrajne door het leger van Denikin bezet was geworden. In de eerste vrije dorpen en streken verschenen weer politie en officieren. Reeds in de eerste dagen van hun komst begint de van vroeger bekende onderdrukking van de arbeidersbevolking. Stap voor stap worden de boeren ontrecht; hun have en goed wordt hun ontnomen; voortdurend vinden er huiszoekingen plaats, want er wordt naar Makhnovshchi gezocht. Ouden en jongen worden geslagen of doodgeschoten. Daar verheft zich de geest van verzet onder de boeren. Op verschillende plaatsen komen zij in groepen bijeen, bespreken hun verschrikkelijke toestand, bereidden zich tot de opstand voor en richten hun blikken en hun gedachten op Makhno, die onder de druk van de aanstormende troepen van Trotzky en Denikin drie maanden geleden heeft moeten wijken. Maar het gerucht doet de ronde, dat Makhno Denikin verslagen heeft, nu weer door de Oekrajne trekt en in de nabijheid van Goeljaj-Pole zou zijn. Dat maakt de mensen dapper en energiek. Als zij in de verte het gedonder van Makhno's geschut horen, slaan zij op en beginnen een verbitterd gevecht tegen de Denikintsi, die zij met behulp van Makhno's kavallerie, die juist op dat ogenblik met haar voorhoede het dorp binnen komt vallen, verdrijven. Het stuk weerspiegelt sterk het leven in de Oekraïense dorpen in de zomer van 1919. Hier is veel volksleed te zien, veel echte, het hart aangrijpende opwinding, revolutionair élan en heroïsme en de toeschouwers blijven de gehele tijd lang in spanning
  • [5] Froense haalt hier gevallen aan dat zgn. Makhnostrijders soldaten van het rode leger zouden ontwapend en gedood hebben. Alle door hem genoemde gevallen echter werden door hemzelf, door Rakowski en door de vertegenwoordiging van de Makhnovshchi in Charkow onderzocht, waarbij vastgesteld werd, dat het Makhnoleger bij al de aangevoerde gevallen in het geheel niet betrokken was, en dat, voor zover handelingen vijandig tegen het rode leger, door andere de Makhno-afdelingen verricht waren, dit alleen had kunnen geschieden, doordat de Sovjetregering verzuimd had de met de Makhnovshchi getroffen overeenkomst tijdig en volledig te publiceren. Want talrijke afdelingen, die over geheel de Oekrajne verstrooid waren en niet tot het Makhnoleger behoorden, verlieten zich toch sterk op het gezag van de Makhnovshchi en zouden de strijd tegen de Sovjetregering direct gestaakt hebben, wanneer zij omtrent het bondgenootschap van de Sovjetregering met de Makhnovshchi tijdig onderricht waren geweest.
  • [6] Afdeling voor troepenvorming.
  • [7] De gevangen rode soldaten werden direct vrijgelaten; ook werd hun op het hart gedrukt, naar hun vaderland terug te keren en er zich niet meer voor te lenen, de regering als middel voor de onderdrukking van het volk te dienen. Daar de Makhnovshchi echter direct verder trokken, bleek later, dat alle vrijgelaten gevangenen zich na 5 of 6 dagen weer bij hun korps gevoegd hadden. De Sovjetregering organiseerde speciale kommissies, die er mee belast waren, de door de Makhnovshchi losgelaten rode soldaten weer op te vangen. Op die manier vormde zich om de Makhnovshchi in deze strijd een soort tovercirkel, waaruit zij geen weg wisten te vinden. De situatie van de Sovjetregering was heel wat eenvoudiger: Op grond van een besluit van de “Speciale Commissie voor de strijd tegen de Makhnovshchina” werden alle gevangengenomen Makhnovshchi op de plaats zelf doodgeschoten.
  • Tot onze grote spijt zijn wij niet in staat hier een in dit opzicht buitengewoon belangrijk document van de Sovjetregering te citeren, daar dit door het verloop van de gebeurtenissen in 1920 verloren ging. Dit document was een bevel aan de Bogoetsjarsker (waarschijnlijk 41ste) brigade, die door de Makhnovshchi bij het griekse plaatsje Konstantin in December 1920 verslagen werd. Het heette daarin (niet woordelijk): “Op grond van een besluit van de “Buitengewone Commissie voor de strijd tegen de Makhnovshchina“, “om in de troepen niet die kotsmisselijke politiek te ontwikkelen (d.w.z. een verzoeningspolitiek te voeren) en daarmee de rode soldaten aan te steken, moeten alle gevangen Makhnovshchi op de plaats zelf doodgeschoten worden”.
  • [8] Bij marsen buiten de wegen als deze hebben kompas en kaart absoluut geen zin. Ze kunnen eventueel de rechte richting wijzen, maar ook in een rivier of kloof terecht doen komen, iets wat het leger van Makhno nooit is overkomen. Het is aan geen twijfel onderhevig: het geheim van de verbazingwekkende marsen van de Makhnovshchi door wegenloze steppen is er alleen in gelegen, dat zij de meeste Oekraïense vlakten zo uitstekend kenden.
  • [9] Makhno schreef deze brief, toen hij het russische gebied reeds verlaten had.
  • [10] Matrossenko was een oekrajns opstandeling en boerendichter.
  • [11] Makhno's been was toen verbrijzeld. Een kogel had hem in de hiel getroffen en er bijna alle beentjes uitgerukt. Daarom besteeg hij alleen in uitzonderingsgevallen zijn paard.
  • [12] Bedienaars van de machinegeweren.
  • [13] We zullen twee voorbeelden aanhalen van terechtstellingen die voor de bolsjewiki en de toenmalige tijd tekenend waren. Ssereda – Boer, Makhno-strijder, uit het gouvernement Jekaterinoslaw geboortig, partijloos. Was rentmeester van het leger, heeft Makhno meermalen vertegenwoordigd; hij schatte Makhno zeer hoog en heeft hem vaak met de grootste overgegevenheid beschermd. Gedurende het verdrag tussen de Makhnovshchi en de Bolsjewiki in Oktober 1910 werd hij in de strijd tegen Wrangel twee maal in de borst gewond; één kogel bleef hem in de long steken. Daar een operatie nodig wis, ging hij op reis naar Charkow, er heilig van overtuigd, dat de communistische regering daar hem in zijn moeilijkheden helpen zou. In Charkow werd hij inderdaad in een ziekenhuis ondergebracht maar na een week, toen de bolsjewiki overal hun aanvallen op de Makhnovshchi en de anarchisten deden, er weer uit verwijderd en in Maart 1911 doodgeschoten. Men moet hier het volgende in de herinnering terug roepen: Toen de Makhnovshchi in Oktober 1919 Jekaterinoslaw bezetten, lieten zij de soldaten van Denikin, zelfs de officieren, benevens de soldaten van andere legers, die zich in de ziekenhuizen bevonden, volkomen met vrede, omdat zij het onverenigbaar achtten met de revolutionaire eer, een vijand te doden, die weerloos in een ziekenhuis ligt. Toen de Denikin-generaal Slastsjow (thans sovjet-generaal) een maand later naar Jekaterinoslaw kwam, liet hij alle Makhnovshchi ombrengen, die m de ziekenhuizen vertoefden. De communistische regering ging nog verder dan Slastsjnow. Zij liet een mens doodschieten, die met hen schouder aan schouder gestreden had en daarbij verwond was geworden en dan hulp zoekend tot hen gekomen was, omdat hij geloofde, dat zijn leven door het verdrag, door deze regering zelf ondertekend, beveiligd was. Bogoesj — Anarchist, die samen met andere uit Amerika uitgewezen anarchisten zojuist in Rusland aangekomen was. In de periode van de overeenkomst tussen Makhnovshchi en Bolsjewiki was hij te Charkow, had daar veel omtrent het legendarische Goeljaj-Pole horen verhalen en besloot erheen te trekken, om de Makhnovshchina ter plaatse te leren kennen. De Bolsjewiki stelden hem ervoor in de gelegenheid, doordat zij de Makhnovertegenwoordiging een lokomotief en een paar wagons ter beschikking stelden voor de overtocht van cultuurwerkers naar Goeljaj-Pole. Bogoesj heeft echter slechts enkele dagen doorgebracht in het vrije Goeljaj-Polsker rayon en keerde direct terug naar Charkow wegens de breuk tussen de Makhnovshchi en de Bolsjewiki en de daardoor ontbrande strijd. In Charkow werd hij gearresteerd, en op beschikking van de Tsjeka in Maart 1921 doodgeschoten. Dit voorval is niet anders te verklaren dan dat de Bolsjewiki niemand in leven wilden laten, die de volle waarheid omtrent hun overval op de Makhnovshchi kende en zou kunnen vertellen.

Hoofdstuk X.

  • [1] Dit bevel werd gepubliceerd toen alle krachten van de opstandelingen, verenigd en tot één leger samengevat waren, en deze in de streek Jelisawetsgrad-Pomostsjnaja, na de grote terugtocht uit het Goeljaj-Polsker rayon, de afdelingen van Grigorjew en de groepen van het Rode Leger die van Nowy-Boeg gekomen waren, in zich op had genomen.

Hoofdstuk XI.

  • [1] Sinds 1920 hebben de bolsjewiki veel over Makhno's persoonlijke negatieve eigenschappen geschreven en zich daarbij beroepen op het dagboek van iemand die zijn vrouw geweest zou zijn, een zekere Fedora Gaenko; dit dagboek moet dan bij een gevecht gevonden zijn. Makhno's vrouw heet Galina Andrejewna Koesmenko. Zij leefde met hem samen sinds 1918. Nooit heeft zij een dagboek bijgehouden over de Makhnobeweging, dus kan zoiets nooit verloren hebben. Het beroep op zulk een dagboek is dus één van de gebruikelijke leugens van de regering, die zelfs voor brutale vervalsingen niet terugdeinst.
  • [2] Ongetwijfeld bedoelde Kropotkin niet alleen, dat Makhno zich lichamelijk moeit ontzien, maar vooral, dat hij in moreel en revolutionair opzicht voor vergissingen moest oppassen.
  • [3] In de driejarige periode van de opstand werden enkele posten in het Makhnoleger achtereenvolgens door verschillende personen bekleed.

Slotwoord

  • [1] Bogdanoff. - Stafchef van de 2de Opstandige Brigade, werd in Oktober 1919 te Alexandrowsk doodgeschoten, omdat hij in naam van het leger, inderdaad echter ten eigen voordele, van de bourgeoisie betalingen geëist had.
  • Lasjkewitsj. — Beroemd kommandant van het roemrijke 13de Opstandsregiment, werd in de zomer van 1920 op grond van een besluit ener massavergadering van opstandigen doodgeschoten, omdat hij legergelden voor zijn privé-genoegens besteed had en omdat hij enige opstandigen, die in moeilijke omstandigheden verkeerden, niet geholpen had, ofschoon hij legergelden ter beschikking had.
  • [2] We willen hier nog een opmerken, dat de negatieve kanten van de beweging, waaromtrent de russische regering zoveel meedeelt, plunderingen, onderdrukking van de vreedzame bevolking, antisemitisme — in het rik van de fantastische leugens thuis horen. Een weerlegging van. deze leugens vormt reeds het feit van de buitengewoon goede ontvangst, die de boeren ven alle dorpen van de Oekrajne en Groot-Rusland het leger van Makhno en dit ook alleen, steeds bereidden. Als andere weerlegging kunnen bolsjewistische documenten dienen. In alle rapporten over de strijd tegen de Makhnovshchina (geheime stukken, die niet voor publiciteit bestemd waren) herhalen de agenten van de sovjetregering steeds, dat de strijd tegen de Makhnovshchina erg bemoeilijkt wordt door de algemene hulp, die de boeren het Makhnoleger overal deden geworden, terwijl zij tegelijkertijd het rode leger zoveel mogelijk hindernissen in de weg trachtten te leggen.
  • [3] Revolutionaire matrozenopstand door Trotski in bloed gesmoord. Gepoogd zal worden een afzonderlijk geschrift, dat over deze episode bestaat (van de hand van Alexander Berkman) eveneens in het Hollands uit te geven. De titel is als bovengenoemd. (Vert.)
  • [4] Arsjinoff heeft hier de veel voorkomende fout gemaakt, van “te zien met verkort perspektief”. We schrijven thans 1935. Het bolsjewisme heeft zich op ontstellend stevige wijze verankerd en tot een macht boven en buiten het volk ontwikkeld, een macht, die in staat gebleken is het russische rijk als gelijkberechtigde met de andere imperialistische grootmachten in het wereldgeheel in te schakelen. De revolutionaire energie van de massa's is in de verschillende “pjatiletka’s” (vijfjarenplannen) afgeleid, zogoed als de strijdwil met de opbouw van het rode leger afgereageerd wordt. Alle oppositie, zelfs alle kritiek wordt doodgedrukt (Trotski, Kameneff, Zinowjew, enz. enz. enz.).
  • Natuurlijk zal een nieuwe revolutie tegen de bolsjewiki niet uitblijven. Zij echter, die heil verwachten van de zijde van de zoeven genoemden, vergissen zich toch wel zeer. Het in dit boek over deze mensen meegedeelde zal toch elk onbevooroordeelde wel duidelijk maken, dat dit slachten van de revolutie zijn alt de rest, al verschillen zij in nuance. (Vert.)
  • [5] Ook deze termijn blijkt te kort genomen. (Vert.)
  • [6] Hoe profetisch gezien alweer! Het ontstaan van het fascisme is o.a. hierdoor te verklaren. (Vert.)
namespace/geschiedenis_van_de_makhnobeweging_1918-1921.txt · Laatst gewijzigd: 16/10/19 10:14 (Externe bewerking)