Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen

namespace:revolutionaire_minderheden

Revolutionaire minderheden

Door Peter Kropotkin

  • Oorspronkelijke titel: Les Minorités Révolutionnaires
  • Verschenen: Le Révolte, 1881
  • Vertaling: onbekend
  • Bron: Anarchief-reeks 2, st. Pamflet, 1985

Revolutionaire Minderheden (Les Minorités Révolutionnaires) verscheen voor het eerst in het door Kropotkin geredigeerde blad Le Révolte (26 november 1881), waarvan het eerste nummer op 22 februari 1879 te Genève werd uitgegeven. De verhandeling werd opgenomen in de bundel Paroles d'un révolté (Parijs, 1885. Flammarion), een verzameling essays die Kropotkin tussen 1880 en 1882 schreef voor Le Révolté en die gedeeltelijk gekozen werden door Elisée Reclus aangezien Kropotkin in de Franse gevangenis zat. Het werk werd in ± 20 talen vertaald, waaronder een Nederlandse: Sterringa te Amsterdam bracht het (zonder jaartal-vermelding) uit als Woorden van een opstandeling. De navolgende (integrale) vertaling is gemaakt naar Paroles d'un révolté!Parijs, 1978. Flammarion. blz. 81-86).


“Alles wat u beweert, is heel juist” zeggen onze tegenstanders vaak tegen ons. “Uw anarcho-communistische ideaal is uitstekend en de verwezenlijking ervan zou inderdaad welzijn en vrede op aarde brengen; maar hoe weinigen verlangen ernaar, hoe weinigen begrijpen het en hoe weinigen beschikken over de nodige toewijding om aan de verwezenlijking ervan te werken! U vormt maar een kleine minderheid, een paar zwakke, her en der verspreide groepen, verloren te midden van een onverschillige massa, u hebt een sterke vijand voor u, die goed georganiseerd is en over wapens, kapitaal en kennis beschikt. De strijd die u aangegaan bent, gaat uw krachten te boven.”

Dat is het verwijt dat we voortdurend horen van bepaalde tegenstanders en zelfs ook vaak van onze vrienden. Laten we dus zien wat er van dit verwijt waar is.

Dat onze anarchistische groepen slechts een kleine minderheid vormen in vergelijking met de miljoenen mensen die Frankrijk, Spanje, Italië en Duitsland bevolken - niets is minder waar. Alle groepen die een nieuwe gedachte vertegenwoordigden, zijn altijd begonnen als een minderheid. En het is heel waarschijnlijk dat wij als organisatie een minderheid zullen blijven tot de dag van de revolutie. Maar is dat een argument tegen ons? Op dit ogenblik zijn de opportunisten in de meerderheid: moeten wij daarom misschien ook opportunisten worden? Tot 1790 vormden de royalisten en de constitutionalisten de meerderheid: hadden de republikeinen van die tijd daarom hun republikeinse ideeën op moeten geven en ook royalisten moeten worden, terwijl Frankrijk met grote stappen afging op het afschaffen van het koningschap?

Het doet er weinig toe of we qua aantal in de minderheid zijn; daar gaat het niet om! Wat belangrijk is, is om te weten te komen of de ideeën van het anarcho-communisme in overeenstemming zijn met de evolutie die zich op dit ogenblik in de menselijke geest, vooral bij de Latijnse volkeren, voltrekt. Maar daarover kan geen twijfel bestaan. De evolutie verloopt niet in de zin van het gezag; ze verloopt in de zin van de volledigste vrijheid van het individu, van de productieve en consumptieve groepen, van de commune, van de vereniging, van de vrije federatie. De evolutie verloopt niet in de zin van het individualisme, maar in de zin van gemeenschappelijke productie en consumptie. In de grote steden is niemand meer bang voor het communisme als er sprake is van anarchistisch communisme. In de dorpen verloopt de evolutie in dezelfde zin en in enkele delen van Frankrijk, die in bijzondere omstandigheden verkeren, is de boer al in vele opzichten op weg om de arbeidsmiddelen gemeenschappelijk te maken. Dat is de reden waarom wij, iedere keer dat we de grote massa onze ideeën voorleggen, iedere keer dat we op eenvoudige en gemakkelijk te begrijpen wijze praten over de revolutie - wat wij daaronder verstaan kracht bijgezet door praktische voorbeelden, wij zowel in de grote industriële centra als in de dorpen met applaus ontvangen worden.

En zou het anders kunnen? Als anarchie en communisme het gevolg waren van filosofische speculaties, die in donkere studeerkamers van geleerden uitgebroed zouden zijn, dan zouden deze beide beginselen beslist geen weerklank vinden. Maar deze beide gedachten zijn ontstaan in de schoot van het volk zelf. Ze zijn de uitdrukking van wat de arbeider en de boer denken en zeggen wanneer ze zich op de één of andere dag losmaken van de dagelijkse sleur en beginnen te dromen over een betere toekomst. Ze zijn de uitdrukking van een langzame evolutie die zich in de geest der mensen in het verloop van deze eeuw voltrokken heeft. Ze zijn de opvatting van het volk over de verandering die snel moet komen om rechtvaardigheid, solidariteit en broederschap in onze steden en dorpen te brengen. Daar ze uit het volk ontstaan zijn, worden ze, elke keer dat ze op een begrijpelijke manier uiteengezet worden, toegejuicht.

Daarin ligt in feite haar werkelijke kracht en niet in het aantal van haar actieve, gegroepeerde en georganiseerde aanhangers, die moedig genoeg zijn om zich bloot te stellen aan de gevaren van de strijd en de gevolgen aanvaarden waaraan men zich overgeeft als men voor de volksrevolutie werkt. Dit aantal wordt elke dag groter en zal steeds groter worden; maar pas aan de vooravond van de opstand zal de minderheid van vandaag de meerderheid worden.

De geschiedenis is er om ons te vertellen dat diegenen die aan de vooravond van de revolutie in de minderheid waren, op de dag van de revolutie de overheersende macht worden als ze de werkelijke uitdrukking van de wensen van het volk vertegenwoordigen en als - dat is een andere essentiële voorwaarde - de revolutie een zekere tijd voortduurt, opdat de revolutionaire gedachte zich kan verbreiden, opdat ze zich kan ontwikkelen en haar vruchten kan dragen. Want, laten we het niet vergeten, het lukt ons niet door een revolutie van één of twee dagen om de maatschappij te veranderen in anarcho-communistische zin: een opstand van korte duur kan wel een regiem omver werpen om er een ander voor in de plaats te stellen. Ze kan een Napoleon vervangen door een Jules Favre [1]; maar dat verandert niets aan de fundamentele maatschappelijke grondslagen. Een heel revolutionair tijdperk van drie, vier of misschien vijf jaar hebben we nodig om onze revolutie te voltooien in het eigendomsbestel en de wijze van groeperen in de maatschappij. Vijf jaar van permanente opstanden waren van 1788 tot 1793 in Frankrijk nodig om het feodale stelsel en de almacht van het koningschap omver te werpen: er zal minstens drie of vier jaar voor nodig zijn om het burgerlijke feodalisme en de almacht van de plutocratie omver te werpen.

Wel, vooral tijdens deze tijd van opwinding werkt de geest met een verhoogde snelheid en neemt iedereen, zowel in de weelderige stad als in de sombere hutten, deel aan de gemeenschappelijke zaak, discussieert, praat en probeert anderen te overtuigen dat de anarchistische idee, die door de bestaande groepen tot vandaag de dag gezaaid wordt, zijn vruchten kan dragen en de grote massa der geesten bereiken kan. Dat is de tijd waarin de onverschilligen van vandaag tot overtuigde aanhangers van de nieuwe gedachte gemaakt worden.

Dat is altijd de weg van gedachten geweest en de grote Franse Revolutie kan er als voorbeeld van dienen.

Zeker, deze revolutie is niet zo diepgaand geweest als die waarover wij dromen. Zij heeft alleen de aristocratie omver geworpen om de bourgeoisie op haar plaats te zetten. Zij heeft het stelsel van individueel eigendom niet aangetast: integendeel, ze heeft het versterkt; zij heeft het tijdperk van de burgerlijke uitbuiting geopend. Maar ze heeft een enorm resultaat bereikt door de definitieve afschaffing van de slavernij en ze heeft deze slavernij krachtdadig afgeschaft, wat veel doelmatiger is dan de wettelijke afschaffing van wat dan ook. Ze heeft het tijdperk van de revoluties geopend, die elkaar sindsdien in korte tijd opvolgden en steeds meer in de buurt van de sociale revolutie kwamen. Zij heeft het Franse volk die revolutionaire impuls gegeven zonder welke de volken honderden jaren lang onder de meest verachtelijke onderdrukking kunnen verrotten. Zij heeft de wereld een hele reeks vruchtbare ideeën voor de toekomst nagelaten; zij heeft de geest van verzet opgewekt, ze heeft het Franse volk een revolutionaire opvoeding gegeven. Dat Frankrijk in 1871 de Commune instelde, zoals het tegenwoordig de anarcho-communistische gedachte graag aanvaardt, terwijl andere landen zich nog in het autoritaire of constitutionele tijdperk bevinden (dat Frankrijk voor 1848 of zelfs voor 1789 doormaakte), dat alles is mogelijk doordat het aan het einde van de vorige eeuw de vier jaren van de grote revolutie meemaakte.

We hoeven ons alleen maar te herinneren welk een triest tafereel Frankrijk ons enkele jaren voor deze revolutie bood en hoe zwak de minderheid was die droomde van het afschaffen van het koningschap en het feodalisme.

De boer was in ellende en in onwetendheid gedompeld, waarvan we ons zelfs tegenwoordig nauwelijks een voorstelling kunnen maken. Begraven in hun dorpen, zonder regelmatig verkeer en niet wetende wat er twintig mijl verder gebeurde, leken deze arme schepsels, die over de ploeg gebogen stonden en opgesloten waren in stinkende krotten, tot eeuwige slavernij gedoemd. Een gemeenschappelijke overeenstemming was onmogelijk en bij het geringste teken van opstandigheid waren er soldaten aanwezig om de rebellen neer te sabelen en de aanvoerders te grijpen om hen middenin het dorp aan de hoogste boom op te knopen. Er waren nauwelijks enkele onbekende propagandisten die de dorpen rondtrokken, haat tegen de onderdrukkers zaaiden en hoop opwekten bij de weinige mensen die zo moedig waren hen aan te horen. Het gebeurde nauwelijks dat de boer om brood en een kleine belastingverlaging durfde te vragen. Men hoeft er alleen maar de rekestlijsten van de dorpen op na te slaan om zich ervan te overtuigen!

Wat de burgerij betreft, wat haar kenmerkte, dal was vooral haar lafheid! Enkele heel schaarse geïsoleerde individuen waagden het soms de regering aan te vallen en door een dergelijke vermetele daad de verzetsgeest op te wekken. Maar het grootste deel van de burgerij boog beschaamd voor de koning en zijn hof, voor de edelman en zijn bediende. Men hoeft er alleen maar de dorpshandelingen van die tijd op na te lezen en men zal zien van welk een slaafse deemoedigheid de woorden van de burgerij van voor 1789 doortrokken waren. De laagste lafheid doorsijpelt hun woorden - hoe de heer Louis Blanc [2] en andere vleiers van die burgerij er ook over mogen denken. Een diepe wanhoop bevangt de weinige, geïsoleerde revolutionairen van die tijd als ze om zich heen kijken en Camille Desmoulins [3] heeft terecht deze beroemde woorden gesproken: “Er waren vóór 1789 nauwelijks een dozijn revolutionairen in Parijs.”

En welk een verandering desalniettemin drie of vier jaar later! Vanaf het ogenblik waarop de macht van het koningschap nog niet in het minst ondermijnd was door de loop der gebeurtenissen, komt het volk in opstand. Gedurende het gehele jaar 1788 zijn het slechts kleine, verspreide boerenopstanden; net als de kleine gedeeltelijke opstanden van tegenwoordig breken ze hier en daar in Frankrijk door, maar langzamerhand breiden ze zich uit, worden ze algemener, bitterder en moeilijker te onderdrukken.

Twee jaar ervoor durfde men nauwelijks om een verlaging van de grondbelasting te vragen (zoals men tegenwoordig om loonverhoging vraagt). Twee jaar later, in 1789, gaat de boer al verder. Algemeen ontstaat een nieuwe gedachte: het juk van de edelman, van de priester en van de grondbezittende burger wordt volledig afgeworpen. Zodra de boer merkt dat de regering niet meer de kracht bezit om de opstand te weerstaan, komt hij in verzet tegen zijn vijanden. Enkele vastberaden mensen steken de eerste kastelen in brand, terwijl de grote massa, die nog gedwee en bang is, wacht tot de vlammen van de brandende kastelen op de heuvels de lucht bereiken en dan de belastinginners ophangt om zijn voorgangers van de Jacquerie [4] te wreken. Maar dit keer komen de militairen niet om de opstand te onderdrukken - ze zijn elders bezig - en de opstand breidt zich van gehucht tot gehucht uit totdat weldra half Frankrijk in de fik staat.

Terwijl de toekomstige burgerlijke revolutionairen nog op hun knieën gaan voor de koning, terwijl de grote persoonlijkheden zich door concessies meester trachten te maken van de opstand, komen de dorpen en steden, lang voordat de Staten Generaal bijeenkomen en Mirabeau [5] zijn toespraken houdt, in opstand. Honderden onlusten (Taine telt er alleen al driehonderd) breken in de dorpen uit, voordat Parijs, dat met houwelen en enkele slechte kanonnen bewapend is, de Bastille verovert.

Vanaf dat ogenblik wordt het onmogelijk de revolutie te bedwingen. Als die alleen in Parijs uitgebroken zou zijn, als die alleen een parlementaire revolutie geweest zou zijn, zou ze in bloed gesmoord zijn en zouden de contra-revolutionaire horden de witte vlag van dorp tot dorp, van stad tot stad gedragen hebben en de boeren en sans-culottes afgeslacht hebben. Maar gelukkig had de revolutie vanaf het begin een ander karakter aangenomen. Ze was bijna tegelijkertijd in duizend plaatsen uitgebroken; in elk dorp, in elke marktplaats, in elke grote stad van de opstandige provincie marcheerden de revolutionaire minderheden, sterk door hun moed en door de stilzwijgende steun die ze in de aspiraties van het volk vonden, naar de verovering van het kasteel, van het stadhuis, van de Bastille, terroriseerden de aristocratie en de hoge burgerij en schaften de voorrechten af. De minderheid begon de revolutie en sleepte de massa met zich mee.

Hetzelfde zal het geval zijn met de revolutie die wij zien aankomen. De idee van het anarchistische communisme, die tegenwoordig vertegenwoordigd wordt door een zwakke minderheid die zich echter steeds scherper aftekent in de volksgeest, zal zijn weg vinden in de grote massa. De overal verspreide groepen, hoe weinig talrijk ze ook zijn, maar die sterk zijn door de steun die ze onder het volk vinden, zullen de rode vlag van de opstand hijsen. Deze zal op duizend verschillende plaatsen van het land uitbreken en de instelling verhinderen van een regering die in staat zou zijn de loop der gebeurtenissen te belemmeren en de revolutie zal voortwoeden totdat zij haar taak voltooid heeft: de afschaffing van het individuele eigendom en de staat.

Op die dag zal de huidige minderheid het volk, de grote massa zijn en deze opstandige massa, die zich tegen het eigendom en de staat keert, zal in de richting van het anarchistische communisme marcheren.

Voetnoten

  • [1] Jules Favre (1809-1880). Was in 1848 algemeen secretaris van minister van Buitenlandse Zaken Ledru-Rollin. Hij werd in 1869 in het parlement gekozen en onder het Tweede Keizerrijk was hij het hoofd van de gematigde republikeinen en als zodanig een tegenstander van Napoleon III. Van september 1870 tot juli 1871 was Favre Minister van Buitenlandse Zaken en in die functie ondertekende hij in januari 1871 de capitulatie van Parijs en de wapenstilstand, die in mei 1871 tot vrede met Duitsland leidde. Uiteraard keerde hij zich tegen de parijse Commune, die in de week van 21-28 mei bloedig onderdrukt werd door de troepen van de Franse generaal MacMahon: ± 20.000 doden. In zijn Brief aan een Fransman. De revolutionaire situatie in Frankrijk in 1870 noemde Bakoenin Favre “één van de vurigste reactionaire republikeinen.” (RU)
  • [2] Louis Blanc (1811-1882). Frans socialistisch theoreticus, journalist en historicus. Werd in 1848 lid van de Voorlopige Regering. Na de val van het Keizerrijk keerde hij uit Engeland terug, waar hij in ballingschap was gegaan. Blanc, die in 1871 lid werd van de Nationale Vergadering en in 1876 van de Kamer van Afgevaardigden, keerde zich tegen de Commune van Parijs, waarmee zijn rol in de arbeidersbeweging vrijwel uitgespeeld was. In zijn belangrijkste werk, L’Organisation du Travail (1839), pleitte Blanc voor het stichten van zogenaamde “Ateliers Nationaux”, die de werkloosheid moesten beteugelen en het “recht op arbeid” moesten garanderen. In 1848 trachtte hij zijn plannen (met weinig succes) in praktijk te brengen. Volgens de opvattingen van Blanc, die betiteld kunnen worden als staatssocialistisch, moest de staat beschouwd worden als enige kapitalist (bankier) en alle productiemiddelen in handen hebben. (RU)
  • [3] Camille Desmoulins (1760-1794). Frans revolutionair en advocaat van beroep. Nam het initiatief tot het bestormen van de Bastille (14 juli 1789). Desmoulins gaf het blad “Révolutions de France et du Brabant” uit. Hij zou deelgenomen hebben aan het bestormen van de Tuilerieën (10 augustus 1792). Van 1792 tot 1794 lid van de Conventie. Eind 1793 probeerde Desmouiins in zijn Le vieux Cordelier de radicale politiek van Robespierre te temperen, wat averechts uitwerkte: met Danton en anderen werd hij geguillotineerd. (RU)
  • [4] Jacquerie. Naam van boerenopstanden in Frankrijk in vooral 1358 en 1798. De benaming is spottend bedoeld: Jacques Bonhomme (Joris Goedbloed). Quack noemt in De socialisten. Personen en stelsels (Deel 1) de opstand van de Jacquerie “de meest karakteristieke Middeleeuwsche beweging der boeren.” (RU)
  • [5] Honoré Gabriel Victor Riqueti de Mirabeau (graaf) (1749-1791). Was in 1789 afgevaardigde van de derde stand in de Staten-Gene- raal, waar hij zich een voorstander betoonde van een constitutioneel koningschap met verantwoordelijke ministers. (RU)
namespace/revolutionaire_minderheden.txt · Laatst gewijzigd: 26/06/16 23:03 door defiance