Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


namespace:van_christen_tot_anarchist

Verschillen

Dit geeft de verschillen weer tussen de geselecteerde revisie en de huidige revisie van de pagina.

Link naar deze vergelijking

Beide kanten vorige revisie Vorige revisie
Volgende revisie
Vorige revisie
namespace:van_christen_tot_anarchist [16/10/19 10:14]
127.0.0.1 Externe bewerking
namespace:van_christen_tot_anarchist [11/02/20 14:29] (huidige)
defiance [Hoofdstuk XXIII. Een fantastische satyre.]
Regel 3: Regel 3:
  
   *Verschenen:​ 1910, tweede druk   *Verschenen:​ 1910, tweede druk
-  *Bron: https://​www.dbnl.org/​tekst/​dome001chri01_01/​ +  *Bron: ​[[https://​www.dbnl.org/​tekst/​dome001chri01_01/​|Van christen tot anarchist - Gedenkschriften van F. Domela Nieuwenhuis]],​ Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL)
  
 //Om de uniekheid van het document te waarborgen is deze tekst niet gemoderniseerd qua taalgebruik.//​ //Om de uniekheid van het document te waarborgen is deze tekst niet gemoderniseerd qua taalgebruik.//​
  
-**Wordt hoofdstuk voor hoofdstuk toegevoegd!,​ laatste update: 24 november 2018** 
 ---- ----
  
 ====== Van christen tot anarchist ====== ====== Van christen tot anarchist ======
  
-==== Voorwoord. ====+===== Voorwoord. ​=====
  
 De traditioneele vrienden, die iemand verlokken of verleiden om levensherinneringen uit te geven, hebben bij mij ook niet ontbroken. En hoewel tegenstribbelende ben ik er ten slotte toe overgegaan om mij aan den arbeid te zetten. De traditioneele vrienden, die iemand verlokken of verleiden om levensherinneringen uit te geven, hebben bij mij ook niet ontbroken. En hoewel tegenstribbelende ben ik er ten slotte toe overgegaan om mij aan den arbeid te zetten.
Regel 48: Regel 46:
 2 Augustus 1910.// 2 Augustus 1910.//
  
-==== Hoofdstuk ​I. Mijn jeugd en ontwikkelingsgang ====+====I. Mijn jeugd en ontwikkelingsgang ​=====
  
 Juist even vóór het afsluiten van het jaar 1846, op 31 December, werd te Amsterdam het talrijke gezin mijns vaders vermeerderd met een jongen, die den naam van Ferdinand kreeg, naar zijn vader, als plaatsvervanger van een anderen zoon met denzelfden naam, die hem voorafging maar niet in het leven mocht blijven. Juist even vóór het afsluiten van het jaar 1846, op 31 December, werd te Amsterdam het talrijke gezin mijns vaders vermeerderd met een jongen, die den naam van Ferdinand kreeg, naar zijn vader, als plaatsvervanger van een anderen zoon met denzelfden naam, die hem voorafging maar niet in het leven mocht blijven.
Regel 284: Regel 282:
 Eigenlijk is het onverantwoordelijk hoe men den jongen theoloog, en ook den jeugdigen jurist, de wereld inzendt, geheel onervaren en onvoorbereid,​ want praktische kennis heeft hij zoo goed als niet verkregen. Wij wisten precies hoe de oude Joden te Jeruzalem leefden en verdiepten ons in al wat zij deden en dachten, maar van den maalstroom des levens rondom ons, van hetgeen vlak voor onze voeten geschiedde, daar wisten wij absoluut niets van. En dan heet men op zijn 23ste jaar, zonder eenige levenswijsheid of ervaring, nog al voorganger! Deze theologische studie, en meest alle universitaire studie, is zoo onpraktisch mogelijk ingericht en later beklaagt men zich den tijd, dien men feitelijk heeft verknoeid. Het wordt hoogtijd dat eens grondig de bijl wordt gelegd aan de universitaire ontwikkeling,​ een overblijfsel schier van middeneeuwsch gehalte. Eigenlijk is het onverantwoordelijk hoe men den jongen theoloog, en ook den jeugdigen jurist, de wereld inzendt, geheel onervaren en onvoorbereid,​ want praktische kennis heeft hij zoo goed als niet verkregen. Wij wisten precies hoe de oude Joden te Jeruzalem leefden en verdiepten ons in al wat zij deden en dachten, maar van den maalstroom des levens rondom ons, van hetgeen vlak voor onze voeten geschiedde, daar wisten wij absoluut niets van. En dan heet men op zijn 23ste jaar, zonder eenige levenswijsheid of ervaring, nog al voorganger! Deze theologische studie, en meest alle universitaire studie, is zoo onpraktisch mogelijk ingericht en later beklaagt men zich den tijd, dien men feitelijk heeft verknoeid. Het wordt hoogtijd dat eens grondig de bijl wordt gelegd aan de universitaire ontwikkeling,​ een overblijfsel schier van middeneeuwsch gehalte.
  
-==== Hoofdstuk ​II. Mijn intrede in de wereld. ====+====II. Mijn intrede in de wereld. ​=====
  
 Onder de gelukkigste omstandigheden begon ik nu mijn werkkring, vol lust en ijver, vol idealen en bovenal bezield met het denkbeeld om de kerk, ja de maatschappij vooral te doordringen van den geest van Jezus, wien het zoo blijkbaar te doen was om de menschen in harmonie en vrede te doen leven. Gehuwd met de vrouw mijner keuze had ik eigenlijk al wat ik begeeren kon en daar mijn gemeente heel klein was, had ik tijd genoeg over om mij te wijden aan de studie die mij lief was. Mijn intreepreek behandelde den tekst: ‘daarom is elk schriftgeleerde,​ die tot het hemelrijk is onderwezen, gelijk aan een huisvader, die uit zijn schat nieuw en oud voortbrengt’ (Matth. 13:52). Onder de gelukkigste omstandigheden begon ik nu mijn werkkring, vol lust en ijver, vol idealen en bovenal bezield met het denkbeeld om de kerk, ja de maatschappij vooral te doordringen van den geest van Jezus, wien het zoo blijkbaar te doen was om de menschen in harmonie en vrede te doen leven. Gehuwd met de vrouw mijner keuze had ik eigenlijk al wat ik begeeren kon en daar mijn gemeente heel klein was, had ik tijd genoeg over om mij te wijden aan de studie die mij lief was. Mijn intreepreek behandelde den tekst: ‘daarom is elk schriftgeleerde,​ die tot het hemelrijk is onderwezen, gelijk aan een huisvader, die uit zijn schat nieuw en oud voortbrengt’ (Matth. 13:52).
Regel 392: Regel 390:
 De eerste periode van mijn leven was afgesloten en de tweede, voorwaar niet minder moeilijk, nam een aanvang of liever had reeds een aanvang genomen, want in de laatste jaren van het predikantschap was ik ook in het gedrang gekomen van het maatschappelijk leven, ja stond ik reeds midden in den maatschappelijken strijd. Hoe ik daartoe gekomen ben, zal het volgende hoofdstuk leeren, dat eigenlijk met dit één enkel uitmaakt, omdat het ongeveer denzelfden tijd behandelt en is dit de eene zijde van mijn toenmalig leven, dan is het volgende de andere, maar die beiden vullen elkander aan en behooren dan ook als de twee zijden van hetzelfde geheel bij elkaar. De eerste periode van mijn leven was afgesloten en de tweede, voorwaar niet minder moeilijk, nam een aanvang of liever had reeds een aanvang genomen, want in de laatste jaren van het predikantschap was ik ook in het gedrang gekomen van het maatschappelijk leven, ja stond ik reeds midden in den maatschappelijken strijd. Hoe ik daartoe gekomen ben, zal het volgende hoofdstuk leeren, dat eigenlijk met dit één enkel uitmaakt, omdat het ongeveer denzelfden tijd behandelt en is dit de eene zijde van mijn toenmalig leven, dan is het volgende de andere, maar die beiden vullen elkander aan en behooren dan ook als de twee zijden van hetzelfde geheel bij elkaar.
  
-==== Hoofdstuk ​III. In de arbeidersbeweging geworpen ====+====III. In de arbeidersbeweging geworpen ​=====
  
-==== Voetnoten ====+Ik was in de arbeidersbeweging getrokken, hoe weet ik nog niet, maar ik stond er midden in voordat ik het wist. Gezocht heb ik het niet, het was de gang van zaken die er mij in bracht. 
 + 
 +Kort vóór het jaar 1870 scheen het socialisme overal in de lucht te zitten en de Internationale had daaraan haar groote en snelle vlucht te danken. Als de geesten vaardig zijn, ach dan is een kleinigheid voldoende om allen in geestdrift te brengen. Wel bestonden er hier en daar vakvereenigingen,​ maar de eerste algemeene Arbeidersvereeniging was de Internationale. Over alle landen zweefde als 't ware een socialistische geest en ofschoon de arbeiders, die gehoor gaven aan de roepstem, die tot hen kwam: Proletariërs van alle landen, vereenigt u! lang niet allen bewust waren, toch was het alsof zij bij intuïtie gevoelden dat langs dien weg redding voor hen te vinden was uit de ellende en de tirannie, waaronder zij gebukt gingen. Dat is het geheim van den verbazenden opgang der Internationale. 
 + 
 +Als er gevaar dreigt, heeft de bezittende klasse altijd geweten dat er een bliksemafleider noodig is en deze vond men in het Nationale Werkliedenverbond tegenover de Internationale. Jan Stukadoor - later bleek het dat onder dien pseudoniem verborgen was de bekende novellist J.J. Cremer - schreef een open brief aan zijn medearbeiders,​ waarin hij hen opwekte om zich niet te laten verleiden door de leuze der Internationale,​ maar om zich nationaal te vereenigen. In 1871 is dit verbond opgericht, dat dienst moest doen als tegenwicht. En toen de Internationale op het internationaal kongres te 's Gravenhage, gehouden ten jare 1872, ineenzakte, toen kwam dit ten voordeele van dat verbond. Op het kongres der Internationale,​ gehouden te Bern in 1876, zei dr. Cesar de Paepe uit Brussel, als afgevaardigde van België en Holland, het volgende: ‘de geheele beweging, die verbonden is aan de Internationale,​ is zoo goed als weggevallen. Er is niets van overgebleven dan enkele kleine sekties in eenige steden (b.v. in den Haag). Maar men moet hieruit niet het gevolg trekken, dat er in Holland geen arbeiders- of socialistische beweging meer is. Er bestaat aldaar een verbond van arbeiders, dat zich uitstrekt over het geheele land en hulp- en stakingskassen,​ bibliotheken,​ ontwikkelingskringen omvat. Dit is een organisatie,​ die een beetje gelijkt op den Zwitserschen “Arbeitersbund” en overigens denzelfden naam, nl. Nederlandsch Werkliedenverbond draagt. Nog meer, de Hollandsche arbeiders, die reeds een fabriekswet hebben verkregen, bereiden zich voor op een politieke beweging voor algemeen stemrecht. Eindelijk hebben de Hollanders ook op het gebied der wijsgeerige en sociale propaganda eenige vorderingen gemaakt. Aan het hoofd dezer geestelijke beweging staan verschillende wijsgeerige schrijvers van geheel onafhankelijken geest, onder wie de beroemdste zijn dr. Feringa en Douwes Dekker (Multatuli);​ hun boeken vormen een deel onzer volksbibliotheken en worden door veel arbeiders daar zoowel als in Vlaamsch-België gelezen. Eindelijk heeft onze vriend Gerhard te Amsterdam in den loop van dit jaar een voortreffelijk stuk socialistische propaganda gepubliceerd,​ dat door de arbeiders van Gent is uitgegeven en dat gelden kan als een Manifest van het Nederlandsch Kommunisme; de denkbeelden,​ die daarin zijn uitgesproken,​ komen overeen met die van het Duitsche Kommunistenmanifest van 1848; bovendien bevat het geschrift een opmerkelijke verhandeling over de Internationale en een schets van de waarschijnlijke organisatie der toekomstige maatschappij volgens de denkbeelden der Kommunisten’. 
 + 
 +Het Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbond maakte spoedig groote vorderingen. De ziel ervan was de gewezen meubelmaker B.H. Heldt, een man die heel ijverig heeft gewerkt, maar die zwak en meegaand was en van wien Gerhard getuigde: hij heeft één groot gebrek, hij houdt te graag de jassen der heeren op of bij een andere gelegenheid:​ Heldt is het altijd eens met den persoon, dien hij het laatst gesproken of het boek dat hij het laatst gelezen heeft. 
 + 
 +Maar ook in andere kringen ontwaakte belangstelling in de sociale kwestie. Dit bleek uit een groepje studenten, dat zich hetzij onder den invloed der Internationale,​ hetzij onder andere invloeden, b.v. van den bekenden Duitschen coöperator Schultze-Delitzsch,​ met geestdrift op haar wierpen. Er verscheen een reeks vlugschriften zooals over Winkelvereenigingen door mr. A. Kerdijk, over Voorschotbanken door mr. H. Goeman Borgesius, over Produktieve Associaties door mr. Jacques de Witt Hamer. Deze oefenden natuurlijk invloed uit op de arbeiders. Ook was opgericht een Comité tot bespreking der sociale kwestie, waarin voornamelijk heeren zaten maar waarin o.a. ook een plaats werd gegeven aan H. Gerhard, die hun overigens meermalen een schrik op het lijf joeg om zijn radikale meeningen, b.v. op het stuk van eigendom, dat hij ontkende in den vorm van privaateigendom. 
 + 
 +Toen er later voordrachten georganiseerd werden door den Amsterdamschen Bestuurdersbond,​ toen behoorde ik ook onder de personen die uitgenoodigd werden om aldaar te spreken. Ik was de laatste spreker in dat seizoen en zou het onderwerp behandelen, waarnaar toen het meeste verlangd werd in de arbeiderskringen,​ nl. het Algemeen Stemrecht. De zaal in de Spuistraat was dan ook tot barstens toe vol en zeker durf ik zeggen dat ik van dat oogenblik beschouwd werd als de man die den sterksten stoot zou geven aan de arbeidersbeweging. Reeds toen bepleitte ik het meest uitgebreide kiesrecht, als eisch stellende het artikel der Zwitsersche grondwet om elk burger die het 20ste levensjaar heeft bereikt en niet is buitengesloten van het aktieve burgerschapsrecht door een of ander vonnis, stemrecht te verleenen. Duidelijk en voor elkeen begrijpelijk was die rede, die later in druk verscheen en bij duizenden in den lande verspreid veel heeft medegewerkt om de beweging voor algemeen kiesrecht in gang te brengen. Wie haar leest, zal bemerken dat er een socialistische geest doorwaait en dit bleek het beste, toen ik aan 't slot de keuze stelde tusschen Katholicisme eener- en Socialisme anderzijds. Katholicisme niet in den zin van het geloof in de onfeilbaarheid des pausen, maar in den zin van aanmatiging van den eenen mensch of van de eene klasse van menschen om te heerschen over anderen en Socialisme in den zin van gelijke vrijheid voor allen. Al wat zich daartusschen beweegt, moet en zal gedrongen worden naar rechts of links en dan pas komen de beginselen zuiver tegenover elkander te staan.  
 + 
 +Alleen de logika zal overwinnen en sleept in haar konsekwentie alles met zich mede. 
 + 
 +Ik ging bij gelegenheid eens kennis maken met Heldt, toen hij nog zetelde in een klein voorkamertje in de Bloemstraat. Echter hij liet geen bizonderen indruk bij mij achter. Geheel anders was dit met H. Gerhard, dien ik ook ging opzoeken, toen hij nog woonde in de Nes, waar alles getuigde van de groote armoede, door hem geleden. Deze eenvoudige kleermaker, die mij altijd veel deed denken aan Wilh. Weitling, omdat beide vakgenooten een sterken onafhankelijken en onderzoekenden geest bezaten, was beslist een bizonder man, die op mijn vorming een grooten invloed uitoefende en wiens vriendschap tot aan zijn dood in het jaar 1886 mij altijd een eer is geweest. Na zijn sterven getuigde ik van hem: ‘Gerhard is zoo niet de knapste, dan toch een der knapste en meest ontwikkelde loonslaven, die op de wereld geleefd hebben’. Hij was de eerste in ons land, die aan de vage socialistische begrippen, zooals zij hier in veler geest ronddwarrelden,​ een vasten vorm wist te geven en door zijn kommunisme drukte hij op onze beweging van den aanvang af een sterk kommunistischen karaktertrek af. Enkele karakteristieke staaltjes, die hem en onze onderlinge verhouding doen kennen, mogen hier een plaats vinden, omdat zij hem treffend doen kennen. 
 + 
 +Gerhard had een sterk vrijheidsgevoel en daardoor wilde hij zeker op het kongres der Internationale te 's Gravenhage, waaraan hij als afgevaardigde deelnam, niet stemmen voor de uitsluiting van Bakunine en Schwitzguébel. Hij stond dus aan de zijde der anarchisten. Toch was hij geen anarchist. Zijn kommunisme, dat hij des noods met geweld den menschen zou willen opdwingen, stond hem daarvoor in den weg. Maar aan den anderen kant behoorde hij ook niet tot die bekrompen sociaaldemokraten,​ die reeds kippevel krijgen als zij het woord anarchisme hooren, op dezelfde wijze als stieren reeds woedend worden bij het zien van een roode lap. Hij achtte het zeer wel mogelijk dat beiden samengingen,​ want al had hij de besliste overtuiging dat tot verrichting van den maatschappelijken arbeid altijd een bestuur, een leiding of iets dergelijks zal noodig zijn, toch meende hij best te kunnen samenwerken met de anarchisten,​ die beweren dat zoo iets volstrekt niet noodig is, want immers geen onzer kan den ander zijn overtuiging opdringen en als de tijd dààr zal zijn, zullen de gebruiken en instellingen,​ die uit den nieuwen stand van zaken vanzelf voortvloeien,​ doen zien welke opvatting de juiste was. 
 + 
 +In een voordracht over Parlementarisme en Wetgeving zegt hij dat de afgevaardigden naar de wetgevende kamer moeten gaan met bepaalde instrukties en wel met de opdracht om een wetsvoorstel in te dienen op de nalatenschappen,​ zoodat de successierechten zullen geheven worden met jaarlijksche verhooging. Als b.v. die verhooging 2% per jaar bedraagt, dan zou de staat na 50 jaren in het bezit zijn van het geheele nationale vermogen en op vreedzame wijze was de sociale kwestie opgelost, terwijl men gedurende die 50 jaren immers de gelegenheid had zich voor te bereiden op de nieuwe maatschappij,​ die na afloop van dien tijd op nieuwe grondslagen gevestigd zou kunnen en moeten worden. Daarom wilde hij ook als stelregel aannemen alleen loontrekkende werklieden te kiezen. Immers patroons zijn totaal ongeschikt het proletariaat te vertegenwoordigen,​ want als zij werkelijk doordrongen waren van het socialistische beginsel, dan konden ze met geen mogelijkheid het uithouden bij een jaarwedde van 5 à 6000 gulden, dagelijks te verkeeren met menschen, die voor een zwaarderen arbeid met 10 à 12 gulden per week worden afgescheept. Ik herinner mij altijd een interessant gesprek, dat ik met hem hierover had. Singer was tot lid van den Rijksdag gekozen en ik als goed geschoold sociaaldemokraat was erg verheugd en bij hem komende drukte ik die vreugde jegens hem uit, meenende weerklank te zullen vinden. Dit was echter niet zoo, hij vond in de verkiezing van dezen rijken patroon - men weet dat Singer toen chef was van een groote mantelzaak in Berlijn - het bewijs van het lage peil waarop de Berlijnsche arbeiders nog stonden. Immers was het socialisme goed bij hen doorgedrongen,​ dan zouden zij nooit een patroon kiezen tot den waarnemer hunner zaken. Hoor eens, zei hij, ik ken dien meneer Singer heelemaal niet, ik wil aannemen dat hij een goed mensch is die veel gevoelt voor de arbeiders, maar hun belangen waarnemen, dat kan hij nooit. Ik vroeg hem of hij dan meende dat iemand uit den gegoeden stand nooit met hart en ziel de socialistische beginselen kon zijn toegedaan. Zijn antwoord was: niets is onmogelijk, wat niet met bepaalde natuurwetten in strijd is, maar men zij in deze ten allen tijde uiterst voorzichtig;​ het kiezen van loonslaven moet regel zijn, maar elke regel laat wel eens een enkele uitzondering toe. Nemen we b.v. een fabrikant of een grondeigenaar,​ die zich heeft weten rijk te maken door den arbeid zijner werklieden. Het zou dwaas zijn van loonslaven om aan zulke personen hun belangen toe te vertrouwen. Zelfs al doen deze lieden hun zaken aan kant om van hun renten te leven, want om het mogelijk te doen zijn dat iemand in deze maatschappij op die wijze fortuin maakt, moet hij tot in het merg zijner beenderen doortrokken wezen van dien schachergeest,​ die blind is voor het kwaad dat hij anderen berokkent en doof voor de klachten zijner uitgezogen slachtoffers;​ zulke lieden veranderen hun innerlijk wezen niet, door zich uit de zaken terug te trekken. Hun ziel is verkapitaliseerd en blijft het. 
 + 
 +Ik wees hem toen op mijzelven en vroeg hem of hij mij dan ook niet vertrouwde als afkomstig uit de gegoede klasse. 
 + 
 +Hij zei, vrij als wij met elkander omgingen: hoor eens, de arbeiders doen goed om elkeen, die tot hen uit de bourgeois-klasse overkomt, met wantrouwen te begroeten en vooral niet binnen te halen en eerst door zijn daden moet hij zeer duidelijk bewezen hebben het vertrouwen te verdienen. En ziethier nu het onderscheid dat ik maak. Gij hebt nooit praktisch deelgenomen aan zaken, gij zijt nooit in direkte aanraking geweest met werklieden en weet dus bitter weinig af van de heele inrichting met al haar trucs en streken, die men loonstelsel noemt. Het is dus met u een heel ander geval evenals het zulks wezen zou b.v. met een zoon van Singer, die zou zijn gaan studeeren en dus ter nauwernood zou weten op welke manier zijn vader rijk is geworden. Ontegenzeggelijk leeft ook gij, leeft ook hij van het aan den arbeid ontstolen geld, maar de wijze waarop het werd verkregen heeft zijn gemoed niet behoeven te vergiftigen,​ die treurige daad heeft zijn vader voor hem verricht. Komt hij nu later in 't bezit van het vermogen zijns vaders, dan bestaat de mogelijkheid dat hij een innig overtuigde kampvechter is voor de geleidelijke afschaffing der erfrechten zonder dat hij de volstrekt noodelooze dwaasheid behoeft te begaan, die wellicht sommigen van hem zouden vergen, om alleen te midden van tienduizenden afstand te doen van de erfenis die hem een onafhankelijk bestaan bezorgt, omdat zijn vader door gewone en wettige uitzuigingsmiddelen hem zooveel heeft kunnen nalaten. Door dit voorbeeld heb ik de mogelijkheid van een uitzondering willen konstateeren,​ doch men handele in deze toch altijd zeer voorzichtig. 
 + 
 +Men zal moeten toegeven, dat iemand die zulke juiste onderscheidingen op zulk een wijze weet te maken, een uiterst scherpzinnig man moet geweest zijn. 
 + 
 +Toen men eens tegen hem zei dat het toch vreemd was van een man als hij, om samen te werken in de Internationale met mannen, die zich te buiten gingen aan sterken drank, toen antwoordde hij heel leuk: maar houdt tweemaal twee op vier te zijn, als dit beweerd wordt door een dronkaard?​ 
 + 
 +Nog zie ik hem met het dikke eerste deel van Marx Kapital in de hand om na eenig nadenken te zeggen: onbegrijpelijk dat die man het noodig heeft geacht zoo'n dik boek van 800 bladzijden te schrijven om te bewijzen dat de meerwaarde van den arbeider opgeslokt wordt door een ander en niet in zijn eigen zak terecht komt, dat heb ik mijn heele leven bij ervaring geweten. Overigens over Marx was hij nooit goed te spreken en dat schijnt hieraan gelegen te hebben dat toen hij in 1872 Marx een bezoek bracht in zijn hotel, deze hem op de vloermat heeft laten staan; zijn werkmanshart voelde zich daardoor ten sterkste gekrenkt. 
 + 
 +Eén karakteristiek staaltje ten besluite. 
 + 
 +Op zekeren dag waren eenige geestverwanten bij elkander en het gesprek viel op hetgeen men doen zou den dag na de revolutie in de onderstelling dat de overwinning behaald was door het volk. Deze zou dit en die weer dat doen. Gerhard zweeg en liet allen naar hartelust uitpraten. Maar eindelijk was er iemand uit het gezelschap, die tot hem zei: maar jij laat ons allemaal praten zonder iets te zeggen, komaan vertel ons nu eens wat jij in dat geval zou doen. En nadenkend antwoordde Gerhard: ik zou mij voor den kop schieten, want ik zie wel kans om het volk tot de overwinning te leiden, maar om dan de zaken goed in orde te brengen met dat volk, dat pas aan den band is ontkomen, waaraan het eeuwenlang is vastgebonden,​ daar zou ik geen kans toe zien. 
 + 
 +Over het algemeen was hij door zijn ervaringen geneigd om steeds meer op de schaduw- dan op de lichtzijde te wijzen en daarom kon hij onmogelijk de drijfkracht zijn van de zich zoo krachtig ontwikkelende socialistische beweging. Er liep een humoristische ader door zijn geest en hij merkte eens terecht op, dat men jong zijnde boos wordt, op lateren leeftijd met hart en ziel elken tegenstander gaat bestrijden, maar oud geworden als Demokritus met alles gaat lachen, omdat het eigenlijk de moeite niet waard is om zich boos te maken. Geestig is ook de denkbeeldige Openingsrede,​ waarmede hij de Nederlandsche Wetgevende Vergadering in de plechtige zitting van Maandag 2 September 1918 laat openen, die te vinden is in het bundeltje Verzamelde en nagelaten Opstellen van hem, dat voorafgegaan door een levensschets van Gerhard van mijn hand de wereld is ingegaan. In gedachten druk ik dien goeden vriend de hand, die mij bij mijn optreden in de arbeidersbeweging zoo dikwijls met zijn goeden raad ter zijde stond.[6] Toen hij in 1886 stierf, was hij eigenlijk op. 
 + 
 +Na deze kleine uitweiding, die noodig en nuttig was om te doen zien welke invloeden op mijn vorming hebben gewerkt, keer ik weer terug tot mijzelven. Ik begreep dat wilde men met succes werken men allereerst zorgen moest een kern van arbeiders te vereenigen, die dan wel verder de propaganda in hun kring zouden voortzetten. Maar daartoe was het noodig mannen te hebben van kennis, mannen die in staat waren door hun meerdere bekwaamheid invloed uit te oefenen op anderen. Ik begon dus een wekelijkschen kursus over ekonomie ten mijnen huize, bijgewoond door een twintigtal mannen, die zich daartoe aangetrokken gevoelden, waar na afloop de gelegenheid bestond tot het doen van vragen en zich zoo meermalen zeer belangrijke diskussies ontsponnen. Dit werd later de kern van onzen socialistischen kring in den Haag. Gedeeltelijk waren dit leden van het Werkliedenverbond. Daar werd het plan geboren tot oprichting eener koöperatieve bakkerij, zooals de arbeiders die in Gent hadden, de latere Volharding die nog aldaar bestaat en een bloeiende zaak is geworden. In dien winter van 1878 hield ik ook verschillende voordrachten op sociaal en politiek gebied op het Zand aldaar, terwijl mijn vriend, mr. A. Hinlopen wat afwisseling bezorgde door het voorlezen van stukken uit onze letterkunde. Als laatsten avond wist ik een kwartet van heeren en dames bijeen te krijgen, dat ook op kunstgebied wat goeds wist aan te bieden. Wij hebben toen een echt gezelligen maar drukken winter gehad, want ik begon ook voordrachten te geven te Rotterdam en te Amsterdam. Zoo mijn reeds genoemde voordracht over Algemeen Stemrecht, die volgens den Werkmansbode van 9 Februari 1878 dit onderwerp besprak ‘op een wijze als dit nog weinig is behandeld’. De Werkmansbode als orgaan van het Werkliedenverbond en voortzetting van den Werkman verscheen in het begin van 1877 en in dat blad begon ik in dat jaar ook te schrijven. Zoo vindt men daarin eenige artikelen onder den titel: Zwijgen soms beter dan spreken, waarin ik mr. Goeman Borgesius duchtig de ooren waschte over een artikel over de Duitsche sociaaldemokratie in de Vragen des Tijds en overtuigend aantoonde dat die heer de brutaliteit had te schrijven over dingen waar hij niets of niet veel van afwist. Allerlei flaters werden aangehaald die dit onweersprekelijk bewezen. Natuurlijk wordt zoo iets niet licht vergeten en nooit vergeven en daar het later uitkwam dat ik er de schrijver van was, zette dit kwaad bloed tegen mij bij die mannen, die zich beschouwden als de vooruitstrevende garde op 't gebied van het sociale leven. 
 + 
 +Kort daarna begon ik op uitnoodiging der redaktie van dat blad mijn Sociale brieven, waarvan de eerste verscheen in het nummer van Zaterdag 13 Juli 1878, om de lezers op de hoogte te houden van hetgeen er in het buitenland gebeurde op sociaal gebied. Deze brieven trokken zeer de aandacht en werden met gretigheid gelezen, maar men wist niet wie de schrijver ervan was. Later haalde ik mij daardoor het verwijt op den hals van prof. B.H. Pekelharing,​ dat ik, ‘onder het schild der naamloosheid tot dusver gestreden had voor de sociale democratie’. Hieruit blijkt dat door die sociale brieven een socialistische geest woei. 
 + 
 +Het scheen dus dat in Nederland eindelijk de persoon was gevonden, die daar de vaan der sociaaldemokratie zou planten. Kort te voren had nl. in de Vorwärts, het centraalorgaan der sociaaldemokratie in Duitschland,​ een artikel gestaan over Holland, waarin o.a. gezegd werd: ‘wilt gij weten waarom in Holland de socialistische denkbeelden zoo weinig verbreid zijn? Omdat er niemand is die ze verbreidt’. En toch, schreef dat blad, dat het zeer gemakkelijk anders kon zijn, daar het volk een krachtige vrijheidszin bezit en het oude republikeinsche bloed nog stroomt in zijn aderen, het is nog hetzelfde volk dat vóór 300 jaren de onsterfelijke daden verrichtte, die wij de bevrijding der Nederlanden van het Spaansche juk noemen en die in onzen tijd eerst recht aan 't licht komen. 
 + 
 +Dit was goed gezien, want toen ik mij volop wierp in de socialistische beweging, nam deze spoedig zoo'n vaart dat wij, ofschoon wat achterlijk, spoedig de schade hadden ingehaald en een eervolle plaats innamen in de internationale beweging. 
 + 
 +Eenmaal op dien weg gekomen werd ik al verder en verder opgestuwd. Al mijn vrijen tijd besteedde ik aan de studie van de verschillende voorgangers op socialistisch gebied. Grooten invloed op mij oefende vooral Fourier uit door zijn leer dat de hartstochten niet bij den mensch moesten worden gedoofd, want dat alle groote daden en beginselen uit hartstocht voortkwamen,​ maar dat zij geleid moesten worden in de goede bedding en al reglementeerde hij mij ook al te veel, toch sprak uit zijn werken zulk een overtuigde geest dat hij wel moest meeslepen. Nog meer boeide mij de edele figuur van Robert Owen, die als maatschappelijk hervormer hoe langer hoe grooter wordt naarmate men hem beter leert kennen. Zijn materialistisch beginsel, dat de mensch het produkt is van de erfelijkheid en van zijn omgeving[7],​ toont zulk een helder inzicht in den mensch, dat het ons niet verwondert hoe hij ook als pedagoog wilde optreden. Beide mannen, wier namen niet of slechts even genoemd worden in pedagogische geschriften,​ zijn feitelijk de baanbrekers geweest op het gebied der opvoedkunde naast een Rousseau en bij hen vindt men reeds terug wat zoo zeer gewaardeerd is in het werken van Fröbel[8], Basedow, Saltzmann en anderen. Verder kwamen Marx en Engels en Lassalle erbij en met vlijt werden deze en zoovele andere schrijvers van ouden en nieuwen tijd bestudeerd. 
 + 
 +Wat mij het meeste hinderde, was niet zoozeer dat wij bekwame menschen misten maar dat wij zoo weinig flinke karakters vonden, hetgeen ik in een der Sociale Brieven aldus uitdrukte: ‘aan knappe mannen heeft ons land geen gebrek, leest maar weer de breede lijst van beroemdheden,​ die in één enkel jaar door den dood zijn weggerukt, wij lijden aan een ander kwaad, nl. aan overdaad van knappe mannen. Maar waaraan hebben wij gebrek? Aan mannen van karakter, van ernst, van eerlijke en nauwgezette plichtsbetrachting,​ mannen van wie de getuigenis kon worden afgelegd als indertijd van Robespierre:​ ‘wat die man zegt dat gelooft hij en wat hij gelooft, dat zou hij doen’. 
 + 
 +Ja, wij lijden aan de kwaal der groote mannen, wij gaan schier onder aan bekwaamheid en verstand en men staat versteld dat een land als het onze zooveel groote mannen heeft kunnen bergen. Eerst hadden wij Thorbecke, den staatsman die te groot werd geacht voor zulk een klein land. Wel gaf Multatuli hem eenige grafschriften na, die minder vleiend waren, maar dat heette jalousie van kwaadsprekers,​ die niet waardig waren hem de schoenriemen te ontbinden. 
 + 
 +Toen kwam Jan Heemskerk, bijgenaamd het ‘wonderkind’,​ een man van wien men zei: ‘al wat in boeken staat, is in dat hoofd gevaren’, maar het was te betreuren dat hij dan maar niet bij de boeken bleef, de menschen zouden er wel bij gevaren hebben. 
 + 
 +Daarna kregen wij den grooten Kappeyne van de Coppello, het genie, wel is waar met straatjongensmanieren,​ maar ongeëvenaard en bekwaam als weinigen. 
 + 
 +En eindelijk kreeg men het ‘machtig talent’, den grooten, den eenigen N.G. Pierson, staathuishoudkundige van den eersten rang. 
 + 
 +Maar ondanks al die knappe mannen bleef de toestand des volks allerbedroevendst,​ het volk leed honger, stoffelijk en geestelijk, onder den een zoowel als onder den ander. Wij hebben het geprobeerd met advokaten, met professoren,​ soms twee tegelijk, maar de zaken bleven slecht gaan en ook ten onzent werd bewaarheid, wat de demokraten eens zongen in Duitschland:​ 
 +  
 +hundert fünfzig Advokaten,​ 
 +  
 +Vaterland, du bist verrathen,​ 
 +  
 +Hundert fünfzig Professoren,​ 
 +  
 +Vaterland, du bist verloren. 
 +  
 +Ziet dat alles gevoelde ik en daarom zag ik met reikhalzend verlangen uit naar een man van karakter, een man van toewijding en opoffering die zichzelf zou geven, maar helaas! hoe dikwijls ik ook riep: zuster Anna, ziet ge nog niets komen? er kwam niemand opdagen en telkens was het een bedriegelijke stofwolk, die door den wind aan het dwarrelen was geraakt, maar meer ook niet. 
 + 
 +Op 9 Januari en 17 Februari 1879 hield ik te Amsterdam mijn voordracht over Grond en Bodem in gemeenschappelijk bezit, die ik later, nl. op 15 Juni te Gent uitsprak en waaraan een heele historie verbonden is, zooals ik in een later hoofdstuk zal vertellen. Zij verscheen het eerst in de Werkmansbode en later afzonderlijk in druk. Ook hield ik op verschillende plaatsen een voordracht over den Vredebond, sterk mijn anti-militaristisch standpunt accentueerende,​ verdedigde de sociaaldemokratie in een vergadering van Moderne theologen en was ijverig in de weer om overal het socialisme te verkondigen. Blijkbaar was de man gevonden, dien de Vorwärts voor Holland wenschte en het duurde dan ook niet lang of met groote waardeering werd in Duitschland van sociaaldemokratische zijde van mij en mijn werken gesproken. 
 + 
 +Onder het ministerie Kappeyne was een nieuwe onderwijswet aangenomen, zoogenaamd een verbeterde editie van het jaar 1875, maar daarin werd niet tegemoet gekomen aan de grieven der antirevolutionairen. Het was hier te lande een vaststaand dogma, dat de openbare school een neutrale was, toegankelijk voor elkeen en met liberale aanmatiging werd gedekreteerd dat de grieven tegen die school ongegrond waren. De openbare school was het heilige huisje, het kruidje-roer-me-niet,​ het schibboleth. Ook in dit opzicht week ik af en voelde dat de antirevolutionairen gelijk hadden in hun grieven tegen die school en in het tijdschrift De Banier schreef ik een artikel naar aanleiding van de debatten over de onderwijswet,​ getiteld: Ten zegen of tot schade? en onder het motto: ‘alleen wie de vrijheid van anderen acht, is zelf de vrijheid waard’. Daarin beweerde ik dat de liberalen, waarschijnlijk tuk op de lauweren der Duitsche Kulturkämpfer,​ ook hier te lande een stukje Kulturkampf wilden uitvechten en de openbare school maken tot de groote Heilanstalt,​ waarrondom allen zich vereenigden tegen de klerikalen. Ik beweerde verder dat de klerikalen in de kamer gestaan hadden aan de zijde der vrijheid en de zaak der vrijheid verdedigden,​ terwijl de liberalen haar juist bestreden. Nu wist ik heel goed dat de klerikalen dit niet gedaan hadden ter wille der vrijheid - zulke illusies had ik niet - maar uit zelfbehoud, maar ik meende dat dit de liberalen niet mocht verleiden tot het verlaten van hun standpunt, tot het exclusief worden, tot het opleggen van vrijheid door middel van dwang. Dat de klerikalen exclusief zijn, dat brengt hun beginsel mede, maar zijn de liberalen het, dan zijn zij ontrouw aan hun beginsel en al was het waar dat de geestelijkheid profiteeren zou van de vrijmaking van het onderwijs, dit is nog geen reden om de vrijheid te beletten goed te zijn. Overigens de ware vrijheid is verdraagzaamheid,​ is het verleenen van vrijheid aan anderen in de vaste overtuiging dat op den duur de vrijheid het meest zal winnen door de vrijheid. Nu is de openbare school een moderne sekteschool en wanneer de liberalen beweren dat de school niet godsdienstloos is, gelijk de tegenstanders zeggen, dan moet zij volgens hen godsdienstig zijn. Maar godsdienstig in welken zin? De katholieken zeggen: met dien godsdienst hebben wij niets te maken, dat is de karikatuur van hetgeen wij godsdienst noemen. De orthodox-protestanten roepen: dank u zeer voor zulk een godsdienst, die zoo verwaterd is, dat hij de kern, het wezen mist van den godsdienst. Dus dan is zij godsdienstig in den zin der modernen en de kwalifikatie van moderne sekteschool,​ door velen onder de tegenpartij aan haar gegeven, was volkomen gewettigd. Ik stak den draak met het behoud der formule, dat de school diende ‘tot aankweeking van christelijke en maatschappelijke deugden’, want als een school godsdienstloos of neutraal is, dan mag zij geen christelijke deugden aankweeken. En dan die christelijke deugden, die aangeprezen werden door een Israeliet, den heer Godefroi en die de specifiek-christelijk lieden uit de wet wilden verwijderen als een bedriegelijk uithangbord,​ indedaad dit feit is reeds zeer verdacht. Ik vergeleek het staatsonderwijs met staatsbrood en redeneerde aldus: gesteld dat de wet bepaalde: er zal overal van overheidswege goed brood worden verstrekt, gesteld verder dat de wet bepaalde hoe de bakkerijen moesten worden ingericht en den prijs vaststelde van het brood op 8 cent. Verder werd de vrijheid gelaten aan elken burger om een bakkerij op te zetten, mits voldoende aan de voorgeschreven eischen. Voor den prijs van 8 cent kan hij echter het brood niet leveren en stelt hij hem hooger, dan kan hij zijn winkel wel sluiten. Hij beklaagt zich, maar de staat zegt: gij zijt immers vrij om te bakken, wij verhinderen het u niet. Is dat nu eerlijke konkurrentie?​ De staat geeft dan onder den schijn van vrijheid om te bakken, in werkelijkheid de vrijheid om niet te bakken. De staat doet dan als Shylock in Shakespeare'​s Koopman van Venetië, die veroordeeld wordt om de eene helft van zijn vermogen te geven aan Antonio en de andere aan den staat maar de vrijheid verkrijgt om te leven en die dus zeer snedig opmerkt: gij neemt mij het leven, als gij mij de middelen neemt, waardoor ik leef. 
 + 
 +De Standaard onder redaktie van dr. A. Kuyper begroette mij als een Heraut van wapenen, wiens manifest, in helder, manlijk Hollandsch opgesteld, strekte om de liberalistische côterie aan te zeggen dat de nieuwe schoolwet een wet der ongerechtigheid was en dat aan partijbelang door die wet de volksvrijheden en de rechten der natie zijn ten offer gebracht. In de oogen der liberalen was ik natuurlijk een ketter, daar ik het dogma der alleenzaligmakende neutrale staatsschool had bestreden. Uit liberaliteit brak ik met het liberale beginsel evenals ik uit godsdienst mij loswikkelde uit het kerkverband. 
 + 
 +Luidde het program der sociaaldemokratische partij aanvankelijk:​ ‘algemeen en verplicht kosteloos onderwijs van staatswege’,​ overgenomen uit het Duitsche program, dit woord ‘van staatswege’ verviel spoedig, omdat wij wel algemeen onderwijs verlangden, maar geen dwang van staatswege wilden opleggen, zoodat de deur geopend werd voor vrij onderwijs. Dit was geheel in overeenstemming met hetgeen door mij was bepleit in bovengenoemd artikel. 
 + 
 +In dien tusschentijd was te Amsterdam een sociaaldemokratische vereeniging gesticht en wel op 7 Juli 1878. Het Werkliedenverbond was feitelijk een bond van aangesloten vakvereenigingen,​ zoodat ik er b.v. geen lid van kon worden. Nu was er een gemengde of algemeene vereeniging opgericht, waarvan personen uit allerlei kringen der maatschappij lid waren, o.a.H. Gerhard, Klaas Ris, W. Ansingh, Schröder, P.J. Penning, J. Heuperman, Maagdenberg,​ Mater, Sellhorst, Lebeau en anderen, maar Heldt, die gekant was tegen de sociaaldemokratie,​ ofschoon met mij bevriend, wilde haar niet in het Verbond opnemen. Op het Pinksterkongres van het Werkliedenverbond in 't jaar 1878 deed men een poging dit verbond in socialistisch vaarwater te brengen door de vraag van eenige Amsterdamsche afgevaardigden:​ zou in het program der socialistische arbeiderspartij in Duitschland ook eenig nut zijn voor Nederland? Hierover werd lang en breed gesproken, men betoogde hetzelfde te willen als de socialisten,​ maar achtte de middelen, zooals zij in het program der sociaaldemokratische partij in Duitschland waren neergelegd, in strijd met ons volkskarakter. Na een uitgebreide diskussie ging men over tot de behandeling van de punten van dat program maar het gelukte niet den bond als zoodanig om te zetten. Gevolg hiervan was dat die gemengde vereeniging,​ een verkapte sociaaldemokratische,​ dat program wel aannam en verdoopt werd in de Sociaaldemokratische Vereeniging. In verbinding met die vereeniging stond ik feitelijk niet, alleen weet ik een brief ontvangen te hebben van W. Ansingh, waarin deze met een sympathiebetuiging over mijn werken advies vroeg over de verschillende punten van het program. De oprichting van Recht voor Allen in Maart 1879 ging dan ook heelemaal buiten haar om. Toch schoven wij, elk op zichzelf werkende, spoedig naar elkander toe, maar pas op 7 September van dat jaar, even na mijn uittreding uit de kerk, trad ik voor het eerst op in een vergadering dier vereeniging te Amsterdam, om de vraag te behandelen: wat is socialisme? Onder den invloed staande van de Duitsche beweging toonde ik mij toen een pleitbezorger van veel dingen die later tot stand kwamen of die nu als 't ware nog in de lucht zitten. In aansluiting aan hetgeen de staat doet op het gebied van posterij en telegrafie, van aanleg van spoorwegen, aan hetgeen de gemeente doet op het gebied van brandweer en straatreiniging,​ drong ik aan op voortzetting van het werk in die richting. Waarom geen brandverzekering naast de brandweer van gemeentewege?​ Waarom geen melkinrichting en broodfabriek,​ de middelen van verkeer zooals omnibussen en trams, niet opgericht en geëxploiteerd van gemeentewege?​ Alle takken van bedrijf ten nutte van allen, moeten komen in handen der gemeenten, verder moet de provincie de belangen van provincialen aard en eindelijk de staat die van algemeen staatsbelang ter hand nemen en dat alles onder een demokratischen bestuurs- en regeervorm, steunende op algemeen kiesrecht, opdat het volk de noodige kontrole en invloed kon uitoefenen op den gang van zaken. 
 +  
 +Is dat niet precies hetzelfde wat de S.D.A.P. nu wil? Is dat geen staats- en gemeentesocialisme van de zuiverste soort? Het socialisme wat wij toen overal predikten en wat nu nog door de internationale sociaaldemokratische partij in alle landen wordt voorgestaan,​ is feitelijk niets anders dan staatssocialisme. 
 + 
 +Mijn uittreden uit de kerk, niet zonder innerlijken strijd verkregen, sloot deze periode af. De kerk was mij te eng, de maatschappij,​ de wereld stond voor mij open. Of liever eigenlijk was de oprichting van het weekblad Recht voor Allen het eerste begin eener nieuwe periode, want toen reeds werd het meer en meer zichtbaar, dat mijn positie in de kerk onhoudbaar was en het verlaten dier kerk slechts een kwestie van tijd. 
 + 
 +===== IV. De oprichting van het blad ‘Recht voor Allen’. ===== 
 + 
 +Ofschoon nooit direkt in strijd met Heldt, die alle Sociale Brieven opnam, was het toch duidelijk voor elkeen dat de redaktie en de schrijver dier brieven alles behalve op hetzelfde standpunt stonden. Soms vloekte het hoofdartikel met den Socialen Brief. Zoo naïf was de redaktie toen nog, dat zij bij het overlijden der koningin en van prins Hendrik een bericht bevatte van hun dood in een - rouwrand en de dood van laatstgenoemde beschouwd werd als ‘een ontzettend ongeluk’. En daarnaast in hetzelfde blad vond men een afbrekenden Socialen Brief. Maar men schreef toen 1879. 
 + 
 +Ik gevoelde dus dat er op den duur een breuk zou ontstaan en dat naarmate ik meer naar links ging, Heldt meer naar rechts zou gaan. Daarbij kwam dat de geldelijke steun voor het blad De Werkmansbode,​ dien ik kon verschaffen met enkelen mijner vrienden, niet opwoog tegen dien van anderen, zooals Kerdijk, en men ziet meestal dat de evenaar van de weegschaal overslaat naar dien kant, waarop het meeste geld ligt. 
 + 
 +De behoefte aan een nieuw blad, waarin men precies zeggen kon wat men wou en waarin men bijdragen kon opnemen van oprechte, eerlijk overtuigde mannen zooals Krythe, die als hij eens een artikel hier of daar heenzond, veelal het hoofd stootte, werd steeds grooter en toen ik in den uitgever de Graaff te Haarlem een man vond, die zoo'n blad durfde ondernemen, toen waren wij klaar. Finantieel was die durf zoo groot niet, want met ons zevenen zouden wij een jaar lang voor de kosten staan. Dat is dan ook eerlijk gebeurd, maar in den loop van het jaar viel de kombinatie uiteen, daar de meesten den weg verder met mij niet op wilden. Na een jaar bleef ik dus alleen over. 
 + 
 +Zoo verscheen op 1 Maart 1879 het nieuwe weekblad //Recht voor Allen// onder de zinspreuk: ‘Alleen wie de vrijheid van anderen liefheeft, is zelf de vrijheid waard’. 
 + 
 +Ofschoon het socialisme, nl. het woord niet gebruikt werd en er zelfs gesproken werd van een demokratische partij, moet toch elkeen, die gewoon was de Sociale Brieven in den Werkmansbode te lezen, gemerkt hebben dat de geest daarin en in dat nieuwe blad een wonderbare overeenkomst toonden. Zoo het devies van het blad, zoo de leuze in No. 1: ‘ieder voor allen - ziedaar den plicht; allen voor ieder - ziedaar het recht’, of: ‘gelijk recht voor allen - zietdaar het grondbeginsel’. Het Buitenlandsch staatkundig overzicht werd geleverd door den bekenden Dageraadsman en uitgever F. Günst, die ofschoon demokraat van den ouden stempel beloofd had niets te schrijven tegen de sociaaldemokratie. Eenigen tijd bleef ik door mijn Sociale Brieven nog medewerker aan den Werkmansbode,​ maar langzamerhand werden zij zeldzamer en eindelijk verdwenen zij uit dat blad. Wij waren konkurrenten geworden en met leede oogen zag men van dien kant het optreden der sociaaldemokratische partij en de verschijning van ons blad. Reeds de aankondiging der Huishoudelijke en kursusvergaderingen der Sociaaldemokratische Vereeniging te Amsterdam wees erop, dat er verwantschap bestond tusschen het blad en die vereeniging. 
 + 
 +Een kleine bizonderheid wil ik hier ter plaatse inlasschen. 
 + 
 +In het eerste jaar van het blad gebeurde er iets vreemds, waar ik nooit recht achter ben gekomen. Ik ontving uit Amsterdam een brief van een Duitscher, die verzocht mij over een hoogst belangrijke zaak te mogen spreken. Ik meen dat de man zich Wiener noemde en dat hij op het kantoor werkzaam was van een der bankiers aldaar, Rosenthal of zoo iets. Ook gaf hij later een finantieel blad uit. Ik voldeed aan dit verzoek en ontving hem op het bureau van ons blad, dat op den Vijgendam was gevestigd. En toen die heer dan op het afgesproken uur daar was, stelde hij mij een plan voor en dit bestond hierin: het blad Recht voor Allen zou vergroot worden en voor de eene helft in het Hollandsch en voor de andere in het Duitsch verschijnen. Ik behield de redaktie voor het Hollandsche gedeelte, terwijl hij voor het Duitsche zou zorgen. Eindelijk kwam de vraag te berde hoe het met de kosten zou gaan en toen antwoordde hij dat dit geen bezwaar was, want hij stond in verbinding met de Duitsche regeering en Bismarck had hem gezegd de zaak te zullen betalen. Natuurlijk, voegde hij er bij, hebt gij volkomen vrijheid te schrijven wat gij wilt, alleen moet gij niets schrijven tegen den keizer en de Duitsche regeering. Ik zei de zaak te zullen overwegen en hem dan antwoord te geven, want ik wilde er het mijne van hebben. Maar dit is mij niet gelukt, ik heb er nooit meer bizonderheden van te weten kunnen komen. Natuurlijk sloeg ik dit vriendelijke aanbod af en heb verder niets meer van dien meneer Wiener bespeurd. 
 + 
 +Later dacht ik aan het bekende voorstel aan Liebknecht om tegen een hoog traktement redakteur te worden van de Norddeutsche Zeitung met volkomen vrijheid om ekonomisch te schrijven wat hij wilde, mits hij den keizer en de regeering onaangeroerd liet, welk voorstel door dezen natuurlijk ook van de hand werd gewezen, ofschoon hij toen in zorgelijke finantieele omstandigheden verkeerde. 
 + 
 +Veel later heb ik te 's Gravenhage nog eens een bezoek gehad van een deftigen grijzen meneer, die mij op bedekte wijze sprak over den inhoud van het blad om daarin wijziging te brengen, ten einde de regeering eenigzins te steunen. Deze meneer kwam mij voor een afgezant te zijn van minister Heemskerk en ook deze zei dat de kostenkwestie geen bezwaar was, want daar zou hij wel voor zorgen. Toen hij bemerkte dat er met mij niet veel te onderhandelen viel, ging hij onder een beleefde buiging heen en ondanks alle nasporingen door mij gedaan, is het mij nooit mogen gelukken zijn naam te weten te komen. Ik had zoo dol graag geweten wie die meneer was, die zijn taak op zeer slimme en nette wijze volbracht. 
 + 
 +Ofschoon ik uit de kerk was, hield ik te 's Gravenhage maandelijks op een Zondagmorgen een toespraak over verschillende,​ vooraf aangekondigde onderwerpen van humanitairen aard, daar ik begreep hoe ik moest blijven werken aan het losmaken der geesten uit de windselen van het dogmatisme. Deze werden druk bezocht en het speet mij wel dat ik ze wegens het vele reizen en trekken en de veelvuldige andere werkzaamheden onmogelijk kon blijven volhouden. Een groot gedeelte der hoorders, voornamelijk het gedeelte uit de arbeidersklasse,​ ging met mij mede over tot het socialisme. 
 + 
 +Maar er kwamen toen jaren van strijd en inspanning zooals ze zelden in iemands leven zijn voorgekomen. Want alles moest ik alleen doen. Spreken, schrijven, kolporteeren met geschriften,​ reizen hier -en daarheen, Zondag op Zondag het woord voerende om zelf de vergadering te presideeren,​ de expeditie van het blad bezorgende en dan nog kursussen over ekonomie, zooals die voor een 20 tal onderwijzers te 's Hage. Gelukkig dat ik een gezond gestel had en door een uiterst matig en sober leven mijn krachten bewaarde, want daaraan schrijf ik het nu toe dat ik het vol heb kunnen houden. 
 + 
 +Sints 1878 volgde ik, ondanks de waarschuwing van mijn dokter, die ons voorspelde dat wij spoedig zouden bezwijken, de vegetarische leefwijze, mij baseerende op hygiënische,​ moreele en ekonomische beweeggronden en steeds bevond ik mij daar goed bij en ook mijn kinderen, die op hun respektieve scholen onder de sterksten behoorden. Nooit heb ik over die verandering berouw gehad. 
 + 
 +Na den dood mijner tweede vrouw had ik een gezellin gevonden in een bloedverwante en vriendin van deze, Johanna Schingen Hagen, die geheel met mijn denkbeelden meeging en die steunde en hielp waar zij ook maar kon, terwijl zij het door haar liefdevolle zorg voor mijn kinderen mij mogelijk maakte onbezorgd mijn taak te verrichten. Zij bezat de toewijding en zelfopoffering die in haar omstandigheden noodig waren, zij behoorde tot die vrouwen die in staat zijn haar leven te laten voor een beginsel op de wijze als wij zulks in Rusland zien. Een oogenblik hebben wij eraan gedacht het land te verlaten en toen wij in het jaar 1880 tezamen in Zürich waren, hebben wij zelfs eenige aanstalten daartoe gemaakt door woningen te bezien en de zaak te bespreken met de vele vrienden, die men toen ter tijd daar als een herbergzaam oord voor ballingen uit allerlei landen bijeenvond. Ik noem Bernstein, Vollmar, Malon, Axelrod en vele anderen, met wie ik verkeerde en nog herinner ik mij met genoegen de kleine pelgrimsvaart die wij toen eens gezamenlijk maakten naar het eilandje Ufenau, waar de overblijfselen van Ulrich von Hutten bewaard worden. Hoezeer het mij persoonlijk ook toelachte daar ter plaatse mij te vestigen, toch meende ik zulks niet te mogen doen. Mijn werk, mijn taak lag elders en eenmaal begonnen de geesten wakker te schudden, moest ik op mijn post blijven en alles trotseeren. Veel strijd kostte mij dit besluit niet, want ik had een militante natuur en meermalen als men op moeilijkheden wees, antwoordde ik: maar waarom zouden zij er anders zijn dan om ze te boven te komen? 
 + 
 +Maar daar hoorde soms wat toe. Nog herinner ik mij de eerste propagandareis in de provincie Groningen, die de landbouwer Mansholt, een vriend van Multatuli, met wien ik in aanraking was gekomen door de Sociale Brieven die hij met heel veel genoegen en instemming las, voor mij had geregeld in den winter van 1880/81. Bijna overal gingen de vergaderingen niet door bij gebrek aan publiek. Hier waren 2, daar 3, enz. toehoorders,​ zoodat het een mislukte tocht was. Toen de bladen na mijn vertrek mij nariepen: wij in het noorden zijn te nuchter en te praktisch om ons te laten opwinden door de opruiende redevoeringen van den ex-predikant Nieuwenhuis,​ hij kan gerust met zijn utopistische theorieën in Holland blijven, toen prikkelde mij dit en in plaats van ontmoedigd te worden, legde ik tegenover mezelven de plechtige belofte af dat wat er ook gebeuren zou, ik het volgende jaar weer naar Groningen ging. 
 + 
 +Nooit heb ik meer spijt gehad onthouder en vegetariër te zijn dan op die eerste reis. Ik kwam nl. te Scheemda en de logementhouder aldaar was een eigenaardige type, een pessimist van het zuiverste water, met wien ik graag redeneerde. Hij had vreeselijk het land dat de vergadering mislukte, maar wij zaten met de enkele bezoekers, o.a. ook een dokter aldaar, wat te praten en nu wilde hij van zijn kant een bewijs van hartelijkheid geven. Wel, meneer Nieuwenhuis,​ zei hij, zeg nu eens op welk glas wijn ik u kan trakteeren, mijn kelder is goed voorzien. Ik antwoordde hem: ik vind uw aanbod heel vriendelijk,​ maar ik drink geen wijn. Dat was een teleurstelling voor hem. Maar hij gaf den moed niet op en zei: maar wat kan mijn vrouw dan eens voor lekkers klaarmaken voor u? Een biefstuk, een karbonade, zeg maar ronduit wat ge hebben wilt. Ik antwoordde: dank u wel, want ik eet geen vleesch, geef mij maar een boterham met een stuk roggebrood en kaas. Tweede teleurstelling. Het speet mij voor hem, want het was zoo goed gemeend. Toen ik vertrok, na aldaar geslapen en ontbeten te hebben, vroeg ik hem wat ik hem schuldig was; hij wilde niets hebben en zei: zulke mislukte vergaderingen en dan nog geld toe betalen, daar komt niets van in, doe mij nu plezier en beschouw dit als een vriendschapsdienst. Nu dat deed ik gaarne, omdat ik bemerkt had, dat ik hier niet met een ijdelen vorm te maken had, maar met een welgemeend aanbod. 
 + 
 +Het volgende jaar gaf ik gehoor aan mijn opgevat plan en ik ging weer een propagandareis maken, die aanmerkelijk beter slaagde en het daaropvolgende jaar was de toevloed overal zóó groot, dat de zalen dikwijls te klein waren om de belangstellende of nieuwsgierige massa te bevatten. Een van tweeën bleek dus spoedig: òf dat de verstandige bevolking van Groningen, die niets wilden weten van Nieuwenhuis'​ onzin, haar verstand spoedig verloren had, òf dat zij verstandig genoeg was om in te zien dat in dien onzin veel verborgen lag, wat alles behalve onverstandig was en zij dus goed deed zich daarvan op de hoogte te stellen. Zoo'n propagandareis,​ waarop men avond aan avond sprak en dikwijls debatteerde,​ ging gepaard met bizondere moeilijkheden. Immers dan was het 's avonds spreken, 's ochtends zorgen dat het blad Recht voor Allen verschijnen kon, waar ik geheel alleen voor stond, 's middags reizen om 's avonds weer klaar te zijn om te spreken. Meermalen stond ik daarbij bloot aan minder vriendelijke demonstraties van de zijde der bevolking, die veelal door de pers tegen mij werd opgezet. Verbindingen had ik toen nog niet en dan altijd strijdvaardig te zijn tegen allerlei personen, veelal dominees en onderwijzers,​ dat is indedaad een reuzentaak, die ik naar mijn meening alleen heb kunnen volbrengen, omdat ik mij onthield van alle alkoholische dranken, ook bier. Want zonder zich te buiten te gaan, drinkt men allicht in zulke omstandigheden meer dan noodig of wenschelijk is en dan is men 's ochtends niet zoo frisch. In het noorden kunnen ze stevig drinken en men had wel eens de gewoonte wat na te praten en dan werd het een onder-onsje,​ waaraan de spreker van den avond ook meedeed. Het hinderde mij wel om te spreken voor een vergadering,​ waar de hoorders allemaal een glaasje jenever of anderen drank voor zich hadden, maar wat eraan te doen? Niemand zou naar een vergadering gaan of hij had behalve zijn dubbeltje voor de vergadering ook een dubbeltje minstens bij zich om te verteren, want het fatsoen eischt tegenover den logementhouder om iets te verteren. Had ik mij daar nu vierkant tegen verzet, ik zou de menschen hebben weggejaagd. Ik deed dus anders, ik wees op deze verderfelijke gewoonte en onder de argumenten die krachtig meewerkten ter drankbestrijding,​ behoorde o.a. dit: arbeiders, weet ge wat gij doet, als gij een borrel drinkt? Gij verschaft daardoor het geld aan uw vijand, den staat, om ammunitie te koopen als gij straks in verzet komt om uw goed recht te eischen. Immers gij betaalt den accijns, die vloeit in de schatkist. Het is daarom plicht om geen enkelen borrel te drinken, want wie wil zoo dom zijn om zijn vijanden de ammunitie te bezorgen, waarmede men zichzelven zal laten doodschieten?​ Dit heeft gewerkt en het duurde niet lang of de glaasjes verdwenen. Zoo wist ik het zedelijk peil te verhoogen door aan mijn propaganda te verbinden een optreden tegen den verderfelijken drankduivel. En nu is het zoover gekomen dat als iemand eens een borrel zou willen nemen, hij zich schaamt dit te doen voor zijn kameraden. In geen enkel land heb ik de drankbestrijding in eenige beweging zoo hand in hand zien gaan met de socialistische als hier en het was altijd een eigenaardige bekentenis, die zeker niet ten nadeele van het socialisme kon strekken, wanneer men van een socialist, die zich misdroeg door b.v. dronken te zijn, zei: en het was nog al een socialist! Immers daardoor gaf de tegenpartij te kennen dat zij hoogere verwachtingen had van een socialist dan van iemand anders. Dat een katholiek, een orthodox protestant, een liberaal zich bedronk, och dat was niets, dat gebeurde elken dag, maar dat een socialist het deed, dat viel zoodanig op en werd zoo weinig verwacht, dat men niet kon nalaten er iets van te zeggen. Ik ben er altijd een beetje grootsch op, dat ik door eigen voorbeeld van den beginne af op onze socialistische arbeidersbeweging den stempel der onthouding heb gedrukt. 
 + 
 +Een der oudste verbindingen had ik met v. Zinderen Bakker te Kortezwaag, een Werkliedenverbonder,​ die wist te bewerken dat de afdeeling Werkliedenverbond te Gorredijk zich omzette in een afdeeling van den sociaaldemokratischen bond. Zoo was de vaan van het socialisme ook op Frieslands bodem geplant. 
 + 
 +Dat pionierswerk,​ dat wel is waar gepaard gaat met ontzettende moeite en waarbij men een taai geduld en een groote mate van kalmte moet bezitten, is bizonder vermoeiend en inspannend, maar gaat ook gepaard met veel oogenblikken van genot. Natuurlijk wordt daarvoor geëischt een onvoorwaardelijk geloof in de zaak die men voorstaat en tevens een groote mate van geestdrift, die niet wordt uitgedoofd, zelfs niet bij teleurstelling,​ verdachtmaking en bespotting. De jongeren onder ons hebben geen begrip van de groote moeilijkheden daaraan verbonden en zien daarop wel eens op ongepaste wijze van uit de hoogte neer en toch vergeten zij hoe dat ruwe werk eerst gedaan moet worden, wil men verder komen. Elke beweging doorloopt dezelfde fasen van ontwikkeling,​ zooals ze zeer juist zijn omschreven in het bekende: 
 +  
 +  * Erst verachtet man es 
 +  * dann belacht man es 
 +  * dann betrachtet man es 
 +  * endlich macht man es. 
 + 
 +(Eerst veracht men het, daarna bespot men het, daarna beschouwt men het en eindelijk past men het toe). 
 + 
 +Wij verkeerden in de eerste periode. Men zweeg ons dood, de pers gaf geen verslagen van onze vergaderingen,​ men deed precies alsof wij er niet waren. Maar wij groeiden daartegen in. Duizenden stroomden naar onze vergaderingen en of men wilde of niet, men moest wel notitie van ons gaan nemen, de doodzwijgmethode was al te gek om volgehouden te kunnen worden. Nu volgde de periode van bespottelijk maken door de grootste onzinnigheden over ons en onze denkbeelden uit te kramen. Wij vervolgden onzen weg ondanks alles en daar wij bleven groeien, moest men iets anders uitdenken. Men ging ons vervolgen door ons voor de rechtbanken te slepen, meenende dat men een beginsel kon vernietigen door de voorgangers onschadelijk te maken. Nog had men zoo weinig uit de geschiedenis geleerd, dat men niet inzag hoe dom het was de martelaarskroon op iemands hoofd te plaatsen en hoe dus vervolgingen juist bijdroegen om een zaak te bevorderen. De verstandige raad van wijlen Gamaliël wordt tot op onze dagen van bovenaf nog maar zelden toegepast. Deze toch, raadsheer van het Sanhedrin te Jeruzalem, gaf zijn kollega'​s den raad om de leerlingen van Jezus, die voor deze rechtbank gebracht werden, maar los te laten en sprak bij die gelegenheid deze woorden: indien hun werk uit God is, vermogen wij er niets tegen en is het uit de menschen, dan zal het vanzelf wel verdwijnen, met andere woorden en overgezet in de taal van onzen tijd wil dit zeggen: indien een denkbeeld levensvatbaar is in zichzelf, dan vermogen wij er niets tegen en is het dat niet, dan zal het wel zijn natuurlijken dood sterven. Juist door de vervolging wordt de aandacht erop gevestigd en menigeen gaat de zaak nu eens onderzoeken om dan te bemerken dat zij zoo dwaas niet is als zij wordt voorgesteld. De gevaarlijkste periode is echter de laatste, men begint haar in de praktijk toe te passen, maar door haar te verknoeien, door de scherpe punten eraf te nemen, door haar aan te passen aan de bestaande verhoudingen. Ziet maar wat tegenwoordig al niet op de markt wordt gebracht als socialisme. Merkwaardig is dan ook de overeenstemming tusschen het christendom in den oudsten tijd met de sociaistische beweging onzer dagen. Dezelfde perioden doorliep het, totdat onder keizer Konstantijn het christendom werd verheven tot staatsgodsdienst,​ om het als karikatuur na te laten aan de menschheid. Maar al te waar was het woord van dien geloovige uit den ouden tijd, die naïf zei: toen de kerken van hout waren, was het christendom van goud, maar nu de kerken van goud zijn geworden, is het christendom van hout. Precies zoo dreigt het te gaan met het socialisme, dat bezig is te verloopen in staatssocialisme en alzoo de karikatuur te leveren van hetgeen het socialisme altijd was. 
 + 
 +De eerste opmerkzaamheid werd op ons gevestigd, door de komst van eenige Fransche arbeiders tijdens de Internationale Koloniale Tentoonstelling te Amsterdam in 1883. Deze toch, afgevaardigden der Fransche vakvereenigingen,​ die op staats- en gemeentekosten een bezoek aan die tentoonstelling brachten, maakten van die gelegenheid gebruik om in verbinding te komen met de Hollandsche arbeiders. Het komitee der Fransche arbeiders, dat in overleg trad met de voorgangers der sociaaldemokratische partij, belegde op 12 Augustus van dat jaar een openbare vergadering in Frascati, die op verzoek door mij werd gepresideerd. Den volgenden dag ontving het Centraal-Bestuur van het Werkliedenverbond de Fransche werklieden met een glas wijn. Ook onze lui namen daar deel aan en ten slotte werd onder toejuiching en met algemeene stemmen een motie aangenomen, die tot inhoud had: ‘de vergadering spreekt als haar overtuiging uit, dat de groepeering der werklieden moet strekken tot de vrijmaking der arbeidende klasse en tot de opheffing van het proletariaat’. 
 + 
 +Kenschetsend voor den toenmaligen toestand is deze kleine bizonderheid,​ dat men op voorstel van den sociaaldemokraat Fortuijn tot slot de Marseillaise zong, wat beantwoord werd door het zingen van ... het ‘Wien Neerlandsch bloed’ op voorstel der Franschen. 
 + 
 +De Franschen, die de gasten waren zoowel van de sociaaldemokraten als van het Werkliedenverbond,​ wilden blijkbaar zich niet mengen in de geschillen tusschen die beide richtingen in de arbeidersbeweging,​ want deze tamme motie werd voorgesteld en aangenomen, nadat op de vergadering van den vorigen dag de volgende motie was aangenomen, die een socialistische strekking had: 
 + 
 +  * Overwegende dat de bevrijding der arbeiders de taak is der arbeiders zelven; 
 +  * overwegende dat het noodzakelijk is om daartoe te geraken door betrekkingen aan te knoopen tusschen de arbeiders van alle landen; 
 +  * besluit de vergadering,​ dat er een geregelde korrespondentie zal worden gehouden tusschen de Hollandsche en Fransche socialisten,​ om gemeenschappelijk te arbeiden aan de bevrijding van het proletariaat’. 
 + 
 +Men vergete echter niet dat de Fransche delegatie lang niet alleen bestond uit socialisten. 
 + 
 +De groote pers hield zich met de socialistische beweging bezig door van deze vergadering een uitvoerig verslag te geven. 
 + 
 +Datzelfde jaar onderscheidde zich ook door een Internationaal Vrijdenkerskongres te Amsterdam, waaraan deel werd genomen door verschillende bekende personen zooals Ludwig Büchner, Charles Bradlaugh, Annie Besant, dr. César de Paepe, Eduard Anseele en anderen. Ik behoorde als vrijdenker mede tot de vereeniging De Dageraad, ja was zelfs lid van het hoofdbestuur. De sociaaldemokraten vormden in die vereeniging zoo niet de meerderheid,​ dan toch een belangrijke minderheid en zoo geschiedde het dat op dat kongres door mij een rede werd gehouden over den invloed van het christendom op de wereld. Wij maakten gebruik van de gelegenheid om een afzonderlijke vergadering te houden in Neerlands Werkman waar de Paepe en Anseele het woord voerden naast mij, om zoo propaganda te maken voor onze denkbeelden. Een en ander had veel succès en droeg ertoe bij om het socialisme steeds meer bekend te maken. Men kon aan allerlei teekenen zien, hoe de sociaaldemokratische partij meer en meer vat kreeg op de arbeiders en hoe zij bezig was het Werkliedenverbond,​ dat tot dien tijd eigenlijk beschouwd werd als de eenige werkliedenpartij,​ langzamerhand te overvleugelen. Vooral de pers deed al het mogelijke om ons te bestrijden en al de haat koncentreerde zich op mijn persoon, omdat men in mij den kwaden geest zag, die dit alles te weeg bracht. In dit opzicht was ik er ongelukkiger aan toe dan anderen, want terwijl in andere landen de haat verdeeld werd over verschillende personen, zooals in België b.v. tusschen César de Paepe, Hector Denis, Guillaume de Greef e.a. daalde in ons land alles neer op mijn hoofd en dit is feitelijk altijd zoo gebleven. Het regende geschriften en er bestaat feitelijk een heele literatuur van brochures tegen mij, waaronder zelfs geïllustreerde. 
 + 
 +Reeds aanstonds had het optreden naar buiten ons in aanraking gebracht met de politie. Op 12 Februari 1882 zouden wij namelijk ons eerste kongres houden, dat vooraf zou worden gegaan door een groote openbare vergadering in de Vereeniging in de Warmoesstraat. Deze kon niet doorgaan door opzegging van het lokaal ten gevolge van pressie van de politie op den lokaalhouder. Men ging naar het café Staats in de Warmoesstraat,​ waar men gewoonlijk vergaderde. Vreedzaam zat men daar te wachten, maar de vergadering werd niet geopend. Eindelijk maakte de lokaalhouder bekend dat hij bezoek van de politie had gehad en hij liever de vergadering niet ten zijnent had. Hij zei wel niet dat de politie het verboden had - dat kan zij immers niet volgens de wet - maar de goede verstaander begreep hoe de zaak in elkaar zat. En dit gebeurde nadat de kommissaris van politie Stork ons persoonlijk betuigd had dat de politie er zich niet mede had bemoeid. Ten tweeden male werd men verjaagd, maar de vergadering ging pas uiteen, nadat zij een schrijven had gericht aan dien kommissaris van politie, om hem haar erkentelijkheid te betuigen voor zijn inmenging in de weigering tot vergaderen, daar zijn opvatting over het recht van vergaderen in ons land niet anders dan ten voordeele der socialistische beginselen kon zijn. 
 + 
 +Deze heele historie gaf aanleiding tot een polemiek in het blad Het Paleis van Justitie, waarin ik mijn toevlucht had gezocht en gevonden om de zaak met den kommissaris van politie bloot te leggen. Het einde was dat de redaktie van dat blad na kennisneming van de ter zake dienende stukken, die gedeponeerd waren aan het politiebureau aan de Oude Brug, verklaarde dat uit de geziene procesverbalen ‘geenszins volgt, dat de politie in het algemeen van inmenging zich heeft onthouden’ onder bijvoeging dat het wenschelijk was ‘dat de bevoegde macht daarvan kennis neme’. 
 + 
 +De kommissaris van politie was zoo verbolgen na deze nederlaag, dat hij zichzelf als ambtenaar geheel vergat door te schrijven ‘dat hij spoediger dan men wel verwachtte het “onthoud je dag” zou kunnen toeroepen aan een rustverstoorder,​ volksopruier en volksverblinder’. In een vlugschriftje:​ ‘Amsterdam'​s redding door de politie’, dat op groote schaal te Amsterdam werd verspreid, werd deze geheele zaak in een bespottelijk daglicht geplaatst en dit een en ander droeg er veel toe bij om het prestige der Amsterdamsche politie, dat nooit heel groot was, in de oogen van het publiek een geduchten knak te geven. Maar daartegenover staat dat de haat tegen de sociaaldemokraten er nu ook inzat bij de politie. 
 + 
 +Nadat wij dus verjaagd waren, zooals ik daareven vertelde, gingen wij naar het Café Cosmopolite van onzen vriend P.J. Penning, waar wij hoofdzakelijk het programma bevestigden,​ dat van dien tijd het officieel programma der partij was en waar men besloot dat de Centrale Raad, die tot nu toe alleen bestaan had uit Amsterdammers,​ zou samengesteld worden uit leden van verschillende afdeelingen en gekozen door alle partijleden. 
 + 
 +Dit programma was bijna geheel gelijkluidend met het bekende Duitsche programma van Gotha, alleen met dit onderscheid dat wij in de overwegingen er eene hadden opgenomen, die men niet vond in het Duitsche, te weten: ‘de sociaaldemokratische partij, van meening dat personen van beiderlei geslacht gelijke rechten en gelijke plichten moeten hebben, is besloten alle haar ten dienste staande middelen aan te wenden tot algeheele opheffing van de vrouw uit den staat van slavernij waarin zij verkeert’. In het onze mist men ook de oprichting van produktieve associaties met staatshulp onder demokratische kontrole van het arbeidende volk en enkele andere punten zooals: de stemmingsdag moet een feestdag zijn, algemeene en gelijke volksopvoeding door den staat (wij hadden in de plaats daarvan: algemeen en kosteloos verplicht onderwijs van staatswege, kosteloos onderwijs aan alle inrichtingen van onderwijs, scheiding tusschen kerk en staat), verklaring van den godsdienst tot privaatzaak en verbod van Zondagsarbeid. 
 +  
 +Wanneer nu van sociaaldemokratische zijde gezegd wordt dat ons program totaal on-marxistisch is, dan geeft men daardoor dus te kennen, wat wij beweerd hebben, nl. dat ook de Duitsche partij gedurende 16 jaar door de leiders der sociaaldemokratische partij bedrogen is geworden, daar zij meende niet alleen een Marxistisch,​ maar zelfs een door Marx opgesteld program te hebben, terwijl later door een achterbaks gehouden brief van Marx gebleken is dat deze zich tegen het program van Gotha had verzet. 
 + 
 +Ik was in die dagen tevens een ijverig medewerker aan het tijdschrift De Dageraad, zooals men reeds zien kan uit den tweeden jaargang, waarin ik onder mijn naam artikelen schreef zooals: Het bankroet van het liberalisme op staatkundig gebied, een voordracht ter herinnering van Lessing op diens honderdjarigen sterfdag of onder andere namen zooals een artikel over Spinoza door Criticus, de Modernen en Vrijdenkers door Philalethes. Ik kwam toen in aanraking met d'​Ablaing van Giessenburg,​ dr. Hartogh Heys van Zouteveen, Gerritsen, dr. Frowein, die allen een rol speelden in de vrijdenkersbeweging. 
 + 
 +Intusschen ik wenschte een goeden wetenschappelijken ondergrond te bezorgen aan de sociaaldemokratische partij en meende daartoe niet anders te kunnen doen dan door een populair uittreksel te maken uit het groote boek van Marx Das Kapital, dat in Januari 1881 verscheen met een opdracht aan Marx, ‘den onversaagden denker, den edelen strijder voor de rechten van het proletariaat’. 
 + 
 +Nu is het een eigenaardig verschijnsel onder de toongevers der sociaaldemokratie,​ dat zoodra men sociaaldemokraat wordt, als 't ware de heilige geest over iemand wordt uitgestort. Men is ‘wetenschappelijk’,​ een ‘wackerer Kampfgenosse’,​ enz. enz. Ook ik genoot eenmaal de eer een plaats onder de heiligen der partij van het internationaal socialisme in te nemen. Maar niet zoodra verandert men of plotseling verliest men al die eigenschappen van voorheen. Zoo was ik ook weldra een ‘gevallen engel’, toen het bleek dat ik niet door dik en dun meeging met de partijleiders. Nu ik anarchist ben geworden, ben ik op eens een weetniet, een onverlaat en elk sociaaldemokratisch jongetje meent het recht te hebben mij hoogstens met een schamper medelijden te beschouwen. 
 + 
 +Met dit boekje, deze bewerking van Marx ondervond ik dit later op allergrappigste wijze. In de Nieuwe Tijd van 1896, dus nadat ik van standpunt veranderd was, kwam zekere meneer Saks vertellen dat ik niets begrepen had van de waardeleer van Marx en dat het heele werkje Kapitaal en Arbeid het voldingend bewijs daarvoor leverde. 
 + 
 +Maar wat was het geval? Het jonge mensch dat zoo schreef, wist niet hoe leelijk hij er met al zijn wijsheid was ingeloopen. Toen ik nl. met die bewerking bezig was en de zekerheid wilde hebben of het mij gelukt was een werk, dat zoo moeilijk begrepen kan worden als dat van Marx, wat den inhoud betrof, goed te hebben weergegeven,​ verzocht ik aan Marx, die evenals Engels Nederlandsch las, de proeven door te zien en na dit gedaan te hebben, zond hij mij het volgende briefje: 
 + 
 +‘Mijn lang stilzwijgen vond daarin zijn oorzaak, dat ik met mijn antwoord op uw schrijven van 6 Januari tegelijkertijd een overzicht wilde geven van de veranderingen,​ die gij bij een eventueele tweede editie van Kapitaal en Arbeid zoudt kunnen aanbrengen. Ten gevolge van huiselijke omstandigheden,​ niet voorzienen arbeid en andere zaken, ben ik daarmede nog niet klaar en schrijf ik u dezen voorloopig zonder die bijlage, daar een voortgezet stilzwijgen door u zou kunnen worden misververstaan. De veranderingen,​ die mij noodig toeschijnen,​ betreffen détails; de hoofdzaak, de geest van de zaak is gegeven. Ik dank u voor de vriendelijke opdracht, daar gij daardoor persoonlijk den handschoen hebt toegeworpen aan de burgerlijke antagonisten’. 
 + 
 +(Ik kursiveer de woorden, waar het op aankomt). 
 + 
 +Is het voor zoo'n jong mensch, die met zooveel inbeelding en verwaandheid optreedt, niet om van schaamte in den hoek te kruipen, als men een ander onkunde wil verwijten en zelf in zijn onkunde zoo op de kaak wordt gesteld? Want men zou van tweeën één moeten aannemen: òf dat Marx zichzelf niet begrepen heeft en de inlichting van dat jonge mensch behoefde, òf dat hij niet in staat was een uittreksel uit zijn eigen werk te beoordeelen. 
 + 
 +Het is overigens met de echte Marxvereerders al even erg gesteld als met de bijbelgeloovigen. Geen letter, geen streepje mag veranderd worden, wil men geen heiligschennis plegen. Johann Most verhaalt hierover in zijn Gedenkschriften een aardigheid. Ook deze had een uittreksel uit Marx' werk gemaakt tijdens zijn gevangenschap te Zwickau. Bij een bezoek aan Liebknecht tijdens diens verblijf in Hubertusburg,​ waar hij met Bebel wegens hoogverraad tot twee jaar vestingstraf was veroordeeld,​ vertelde Most hoe hij zoo'n populair uittreksel gemaakt had. Liebknecht grijnslachte,​ alsof hij zeggen wilde: je bent gek. Hij hapte toen naar lucht, voordat hij zei: ‘Een uittreksel uit Marx' “Kapital” - ondenkbaar! Uit dit werk kan geen uittreksel gemaakt worden, het bevat geen enkel overbodig woord - elke syllabe, die weggelaten wordt, is een verminking van het werk’. Geen wonder dat Most aan dit verhaal de opmerking vastknoopt: ‘die Liebknecht is erger dan een godsdienst-zeloot’! 
 + 
 +Men ziet hieruit dat het lettergeloof niet alleen een eigenschap is, die bij geloovigen wordt gevonden. 
 + 
 +Niet lang daarna stierf Karl Marx, namelijk op 14 Maart 1883 en ik bracht hem mijn hulde en afscheidsgroet in //Recht voor Allen//[9] en in het tijdschrift de Dageraad een In Memoriam (ter zijner herinnering) dat een korte biografie van hem bevat. Van de wijze waarop men dikwijls levensbeschrijvingen bijeenflanst,​ gaf ik in dat artikel een treffend voorbeeld. 
 + 
 +Mr. A. Kerdijk, een der intellektueelen die zich veel bemoeidemet de sociale kwestie, schreef een levensbeschrijving van Marx in de Mannen van beteekenis. Nu eens noemt hij daarin Marx een ‘zeldzaam begaafd man, wiens streven en werken hij oprecht betreurt, maar wiens beteekenis niet valt te miskennen’,​ dan is hij de steller van het Kommunisten-manifest,​ dat ‘de taal is van een gewetenloos opruier’. Nu eens verneemt men dat ‘de revolutionaire Duitsche arbeidersbeweging voorgangers bezit, die nog iets anders zijn dan doldriftige dwepers en holle phrasenmakers’,​ dan weer dat Marx niet ‘afgeschrikt wordt door een vervalsching van de geschiedkundige waarheid, die met het ambt van hoogepriester eener nieuwe heilsverkondiging kwalijk te rijmen is’, of dat hij ‘koel berekenend de zorg voor zijn persoonlijke veiligheid zelden of nooit uit het oog verliest en zich slechts daar vertoont waar geen gevaar is te wachten’. 
 + 
 +Ziethier welk een gemeene streek deze Kerdijk tegenover Marx had uitgehaald. Marx schreef mij persoonlijk over deze zoogenaamde biografie: ‘de vervaardiger van de Mannen van beteekenis, schoolinspekteur or something of that sort (of iets dergelijks) had zich per brief tot mij gewend, om bouwstoffen te verkrijgen voor zijn levensbeschrijving van mij, zijn uitgever buitendien had hij gelast zich te wenden tot mijn zwager ... opdat deze mij zou bewegen aan dat verzoek gehoor te geven, daar ik het meestal afwijs. Die heer schreef mij, dat hij mijn beginselen niet deelt, maar het belang ervan erkent met verklaring van achting, enz. Datzelfde individu had later de onbeschaamdheid om in zijn brochure een lasterlijk fabriekaat van den beruchten Pruisischen politiespion Stieber op te nemen, verder - waarschijnlijk onder inspiratie van een katheder-socialist uit Bonn - mij opzettelijke vervalsching van citaten toe te schrijven, waarbij de “Ehrenmann” zich de moeite niet gegeven heeft om mijn polemiek tegen den waardigen Brentano zelf in den “Volksstaat” na te lezen, waar hij gezien zou hebben, dat Brentano, die mij oorspronkelijk in “Concordia” (een fabriekantenblad) van “formeele en materieele vervalsching” beschuldigde,​ er zich later van af maakte met de leugen, dat hij het anders bedoeld had, enz. Een Hollandsch blad wilde mij tot tuchtiging van den “schoolinspekteur” zijn kolommen openen, maar principieel antwoord ik niet op zulke steken van ongedierte. Zelfs in Londen heb ik nooit de minste notitie genomen van dergelijk literarisch gekef. Had ik anders gehandeld, ik zou het beste deel van mijn tijd hebben verdaan met berichten van Moskou tot Kalifornië. Toen ik jonger was, deed ik zulks menigmaal, maar de meerdere leeftijd brengt in zooverre wijsheid, dat men nuttelooze krachtverspilling vermijdt’. 
 + 
 +Het behoeft zeker geen vermelding, dat nadat ik deze ontmaskering bekend had gemaakt, mr. Kerdijk mij nooit meer heeft aangezien of gegroet, ofschoon wij elkander zeer goed kenden. 
 + 
 +Zoo is het overigens met bijna allen gegaan, die met mij in de beweging opdaagden, al verschilde hun richting van de mijne. Persoonlijke ervaringen van min edelen aard vervreemdden mij van zoo wat allen. Over prof. Pekelharing en mr. Goeman Borgesius had ik het reeds, maar ook met anderen ging het evenzoo. Verschillende malen schreef ik artikelen in de Vragen des Tijds, het tijdschrift van mr. van Houten, mr. Veegens, mr. Goeman Borgesius, mr. Kerdijk en prof. Pekelharing. Zoo een artikel over Kapitalisme en Socialisme naar aanleiding van Schäffle'​s groote werk Bau und Leben des socialen Körpers en in 't bizonder over het derde deel dat handelde over Kapitalisme en Socialisme, dat wel een plaats kreeg maar voorzien van een noot, waarin de redaktie verklaarde dat ‘dit pleidooi voor het socialisme in geenen deele hare meening uitdrukte’,​ alsof een redaktie gecenseerd wordt het eens te zijn met de strekking van alle artikelen die zij opneemt! Zoo een artikel over Internationale Arbeidswetgeving. Zoo een artikel over de Weelde naar aanleiding van het lijvige werk van Baudrillart Histoire du luxe privé et public depuis l'​antiquité jusqu'​à nos jours in 4 dikke deelen. 
 + 
 +Plotseling werd mij zonder bepaalde reden de deur gewezen door de redaktie. Volgens mij bestond deze in mijn steeds sterker optreden voor het socialisme en de fatsoenlijke redaktie wilde voor geen geld ter wereld vereenzelvigd worden met zoo'n socialist! Ik had een artikel ingezonden over de Iersche landvraag, dat later geplaatst is in het te Gent verschijnende Nederlandsch museum, onder redaktie van prof. Heremans, in welk tijdschrift ik meerdere gastvrijheid heb genoten, o.a. voor een artikel waarin ik het bij de verschijning verbazenden opgang makende werk van Henri George Vooruitgang en Armoede besprak. Het heette volgens de redaktie van de Vragen des Tijds, dat zulke artikelen ‘wetenschappelijk niet te verdedigen’ waren, maar de eigenlijke reden der weigering was, dat daarin een pleidooi geleverd werd voor gemeenschappelijk grondeigendom,​ welk standpunt toch zeker wel wetenschappelijk te verdedigen zal zijn, ten minste het wordt o.a. behalve door socialistische schrijvers ook ingenomen door bekende koryfeën der wetenschap zooals Stuart Mill, Herbert Spencer, Emile de Laveleye, Schäffle. Ik schreef dan ook aan de redaktie, dat ‘wij de voldoening zullen smaken, dat over 20 à 25 jaar ons standpunt erkend zal worden en men met verbazing zal hooren, hoe het in dezen tijd (1882) werd beschouwd door sommigen als niet ‘wetenschappelijk te verdedigen’. 
 + 
 +Gedachtig aan de leer dat men een mensch altijd den tijd moet laten om zich te beteren, waagde ik nog eenmaal een poging door een nieuw artikel te zenden naar aanleiding van een artikel over Sociale rente van prof. Cort van der Linden onder den titel: Een bijdrage over de verhouding tusschen kapitaal en arbeid. In een begeleidend schrijven verzocht ik vriendelijk,​ dat als men het socialisme als zoodanig per se onwetenschappelijk achtte, men dit liever eerlijk en rondweg moest verklaren en mij het artikel ongelezen terug moest sturen. Maar neen, dit deed men niet, de heeren namen den schijn aan den inhoud te keuren, echter ‘onder protest tegen bijoogmerken’ weigerde de redaktie de opneming omdat mijn ‘redeneering steunde op een ongeoorloofde en onwetenschappelijke vervalsching van de beteekenis van verschillende oeconomische uitdrukkingen’ en ik ‘zulke enormiteiten opdischte over het kapitaal, wier onhoudbaarheid zoowel aan practisch als aan wetenschappelijk ontwikkelde personen van elke kleur terstond in het oog moet vallen’. Later is dat artikel, vermeerderd met een ander dat ik toen natuurlijk niet meer inzond, in boekvorm verschenen onder den titel: Het kommunisme en de officieele wetenschap, Een weer- en verweerschrift met Inleiding over de houding van de Vragen des Tijds. In die inleiding aanvaardde ik het verwijt, dat ik enormiteiten opdischte, want dit woord komt van norma, regel en een voorzetsel e, uit of buiten, dus iets wat buiten den regel gaat. Nu dat is zoo, de socialistische opvatting van het woord kapitaal gaat buiten den regel der toongevende ekonomen en is dus in hun oogen een enormiteit. Eigenaardig dat die enormiteit gedeeld wordt door zoo wat alle socialisten en dus dat hieruit blijkt, hoe wel degelijk de weigering plaats had om den socialistischen inhoud. 
 + 
 +Juist had in die dagen Vollmar uit Duitschland een voordracht gehouden te 's Gravenhage en te Amsterdam. Deze logeerde natuurlijk bij mij, maar hoe werd hij verrast door een briefje van mr. van Houten, waarin deze hem uitnoodigde tot een lunch bij hem, daar hij zich waarschijnlijk in het Hollandsche milieu waarin hij verzeild was, niet goed thuis zou gevoelen, terwijl hij genoemd werd een ‘man van wetenschappelijke vorming’. Die brutaliteit was al te grof en hij kreeg hierop een gepeperd antwoord van Vollmar, dat hem zeker nog wel zal heugen. Welnu die Vollmar, man van wetenschappelijke vorming, debiteerde dezelfde enormiteiten. 
 +  
 +Hoe moeilijk het is, om het post (nadat) en propter (omdat) te bewijzen, daarvan gaf ik in die inleiding een voorbeeld: mr. Veegens schreef jaarlijks in de Vragen des Tijds een politiek artikel, waarin hij onbeschroomd en flink de toestanden en de genomen beslissingen in de Tweede Kamer ontleedde. Eenige jaren achtereen geschiedde dit. Mr. Veegens wordt griffier der kamer op een traktement van ƒ 4500.-. Nooit meer verscheen zoo'n geharnast artikel. Wanneer ik nu zeg, dat hij zijn pen verkocht heeft voor ƒ 4500.-, dan beschuldigen velen mij van verdachtmaking en toch al is het omdat (propter) niet met beslistheid te bewijzen, de aandachtige waarnemer merkt toch het verband op en dan bestaat er voor hem maar al te veel reden, om uit het post te besluiten tot het propter. 
 + 
 +Behoeft het nog betoog dat sints dien tijd mr. Veegens, met wien ik goed bekend was, mij niet meer aanzag? 
 + 
 +Zoo vervreemdden zich langzamerhand allen, met wie ik vroeger wel in betrekking stond, ja met wie ik op min of meer vriendschappelijken voet leefde. En toch toen ik later in de gevangenis zat, werd er terecht in Recht voor Allen op gewezen, hoe de meeste leden van het Comité voor Algemeen Stemrecht langzamerhand in het eergestoelte kwamen te zitten, terwijl ik alleen in de gevangenis terecht kwam, zonder dat die medeleden krachtig partij voor mij kozen. Later bleek het nog sterker dat de radikalerigheid den heeren geen windeieren heeft gelegd. Immers mr. van Houten werd minister, mr. Goeman Borgesius werd minister, mr. Veegens werd minister, mr. Kerdijk had minister kunnen worden, mr. Mouton werd wethouder te 's Hage. In alle gevallen wanneer ik een fout begin, dan geschiedde dit omdat ik te eerlijk uitkwam voor mijn meening en de ‘strevers’ ontmaskerde,​ dus niet uit gebrek aan waarheidszin,​ maar uit te groote waarheidsliefde. 
 + 
 +De beweging voor Algemeen Kiesrecht groeide eigenlijk tegelijkertijd met de onze op, want in een land waar niet iedereen kiezer was, moest het ijveren voor meer aandeel van het volk in de zaken des lands een allereerste vereischte zijn. Buitendien aan die beweging deden nog andere personen mede, die zich niet aansloten bij de sociaaldemokraten,​ want het lidmaatschap van Algemeen Stemrecht was altijd fatsoenlijker dan dat van den sociaaldemokratischen bond, ja als praktische eisch werd dit meer en meer de spil waar alles om draaide. 
 + 
 +Op het kongres te Utrecht in het jaar 1882, waar de Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht tot stand kwam, botsten de twee stroomingen,​ die van het Werkliedenverbond en die van den sociaaldemokratischen Bond, op elkander, de eerste aangevoerd door Heldt, die samenwerking mogelijk achtte met personen die het kiesrecht alleen wilden uitbreiden zonder het algemeen te maken en de tweede door mij, die de vereeniging wilde maken tot zulk eene, waarin alleen plaats was voor besliste voorstanders van algemeen kiesrecht. Mijn formule werd ten slotte aangenomen met 25 tegen 23 stemmen. 
 + 
 +Reeds in 1880 lieten H. Gerhard en mijn persoon met zich sollen als kandidaten voor gemeenteraad en kamer, terwijl alle anderen zich terugtrokken omdat er bij het beperkt kiesrecht toch geen kans was gekozen te worden. Onder voorzitterschap van Heldt werd een vergadering gehouden, waaraan deel werd genomen door het Werkliedenverbond,​ den Soc. dem. bond en de vereeniging Algemeen Kies- en Stemrecht (de Vereeniging,​ nog niet de Bond die pas in 1882 opgericht werd) en waar men als protestkandidaten stelde mijn persoon voor de Tweede Kamer en H. Gerhard voor den Gemeenteraad. Wij kregen respektievelijk 5 en 12 stemmen. Het was niet veel, maar had toch tot uitwerking dat de geheele pers zich bezig ging houden met het algemeen kiesrecht. 
 + 
 +De beweging voor algemeen kiesrecht groeide zeer spoedig aan en reeds in 1883 scheen de regeering den angst om 't hart te slaan en de toenmalige minister Heemskerk stelde zich zoo bespottelijk aan, dat hij zich belachelijk maakte in de oogen van de geheele wereld. Bij de opening der kamers in de maand September was een vergadering aangekondigd te 's Gravenhage en op den dag der opening hadden de Haagsche socialisten een betooging op touw gezet voor algemeen kiesrecht. Op verschillende punten der stad, waar de plechtige stoet met den koning in zijn statiekoets voorbijging,​ stonden personen die allen een strook papier bij zich hadden, waarop met groote vette letters gedrukt stond: Algemeen Stemrecht en zoodra het rijtuig des konings voorbijging,​ wikkelde men die los om haar in de hoogte te houden, ten einde den koning op de hoogte te stellen van den wensch des volks. Er was een vreeselijke agitatie in de stad. De minister was zoo zenuwachtig dat hij reeds in de vroegte, omstreeks 7 uur, naar het gebouw der kamer ging om te onderzoeken of er geen dynamiet was neergelegd in de kelders! Maar de bespottelijkste vertooning leverde de openbare tribune der kamer op. Deze was heel klein en in den regel maakten de menschen reeds vroeg queue om daar een plaatsje te veroveren. Eindelijk werd de deur geopend en de eersten, die geduldig uren lang hadden staan te wachten, vernamen van den bode dat de tribune vol was. Hoe nu? En er was niemand binnengegaan! Een levendig protest volgde. Later werd het opgehelderd. De slimme minister had in zijn vrees weesmeisjes langs een anderen weg doen binnenbrengen en de verbaasde kamerleden zagen de tribune bezet met - weesmeisjes. Dit tafreel is vereeuwigd door een plaatje in Uilenspiegel en Recht voor Allen had een artikel: De Nederlandsche Staat gered door weesmeisjes! Nederland doet in dit opzicht niet onder voor Rome, want is die stad eenmaal gered door de ganzen van het Kapitool, Nederland had zijn redding te danken aan de ‘Gänzchen’ (gansjes) uit het Weeshuis te 's Gravenhage. Zoo sterk was de angst dat reeds vroegtijdig patrouilles naar de stations waren gezonden, waar men de aankomst verwachtte van Amsterdamsche en Rotterdamsche partijgenooten,​ terwijl de kavallerie gekonsigneerd was in de kazerne. 
 + 
 +De openbare vergadering,​ die ter bespreking van de troonrede werd gehouden, was stampvol en ten slotte nam men een motie aan om te protesteeren tegen het uitsluiten van 7/8 der mannelijke ingezetenen van het kiesrecht, waardoor de grondwet tot een leugen werd gemaakt, waar deze zegt dat de Staten-Generaal het geheele Nederlandsche volk vertegenwoordigen. Eigenaardig dat de heeren voorstanders van algemeen kiesrecht steeds bij zulke gelegenheden schitterden door afwezigheid. Als overal liet men de agitatie over aan de arbeiders en de heeren vertoonen zich pas op de vlakte, zoodra er in den vorm van kamerzetels kans bestaat om een plaats in de kamer te veroveren. 
 + 
 +Er was terzelfder tijd in Europa, vooral onder de geestdriftvolle leiding van mevrouw Butler in Engeland, een groote beweging op touw gezet tegen de reglementeering der prostitutie,​ waardoor het houden van publieke huizen van staatswege werd erkend als een bedrijf gelijk anderen en waarvan de staat zelfs inkomsten trok. In Nederland maakte zich daar bizonder warm voor de orthodoxe predikant H. Pierson te Zetten, direkteur der Heldring-gestichten voor gevallen meisjes, enz., een uitstekend spreker en een geduchte werkkracht, die den moed had vrij wel alleen op te komen tegen de officieele medische wetenschap, wier dienaren de reglementeering hielden voor een soort veiligheidsklep der maatschappij,​ om haar te behoeden voor algeheele syphilisatie. Hij ging het land afreizen om overal propaganda te maken tegen de reglementeering,​ die toen algemeen was. Op een dier vergaderingen te 's Hage, waar hij zijn zaak bepleitte met al de welsprekendheid waarover hij beschikte, kwam ik in debat en trad hij heftig op tegen de demoraliseerende keuring, waaraan publieke vrouwen blootstonden,​ ik ging hierin met hem mede, als mijn meening te kennen gevende dat de voorstanders daarvan dan ook moesten goedkeuren een keuring van elken man, die een publiek huis bezocht, wat de heer Pierson mij toegaf, en verder betoogde ik dat de heer Pierson, hoe verdienstelijk zijn werk ook was, niet genoeg doordrong tot den wortel van het kwaad, want waar door Duparent Chatelet en anderen voldingend bewezen was dat de armoede de hoofdoorzaak was van de prostitutie,​ daar moest de heer Pierson mede den strijd aanbinden tot opheffing der armoede en deze kan niet met goed gevolg geschieden zonder in socialistisch vaarwater te geraken. De heer Pierson was dit niet met mij eens, maar voegde mij toe: daargelaten of gij al dan niet gelijk hebt, gij kunt uw doel ook niet bereiken zoolang de reglementeering bestaat, ik weet heel goed dat onze wegen ter bestrijding van de prostitutie uiteenloopen,​ daar ik mijn verwachtingen vastknoop aan het geloof en gij aan het socialisme, maar voorloopig kunnen wij best samengaan, want de reglementeering is het schild wat èn voor mij èn voor u wordt voorgehouden en zoolang dit er voor is, kunnen wij ons doel niet bereiken. Dit argument was juist en daar ik altijd de gewoonte heb gehad, om als iemand mij met logische argumenten overtuigde, daarvoor te zwichten, gaf ik mij gevangen en sloot ik mij aan bij zijn vereeniging. 
 + 
 +Nu zou er in 1883 een Internationaal kongres tegen de gereglementeerde ontucht worden gehouden te 's Gravenhage en daar men liefst in het voorbereidingskomitee mannen en vrouwen had van uiteenloopende richting, om zoo aan het kongres een zooveel mogelijk algemeen karakter te geven, werd ik uitgenoodigd om mede deel uit te maken van de regelingskommissie. Ik nam die uitnoodiging aan en kwam daardoor in aanraking met allerlei Haagsche geloovige aristokraten,​ die het socialisme verafschuwden als de pest. Dat kongres viel tezamen met de opening der Staten-Generaal,​ die zooals wij daareven opmerkten zulk een geweldige agitatie in de stad te weeg bracht. Het was dan ook een eigenaardige positie, want in die regelingskommissie zat naast mij de hoofdkommissaris van politie, de heer van Schermbeek en deze had bepaald last van bovenaf, om mij bij de minste rustverstoring te arresteeren. Het eene lid der kommissie dus, dat beoogde het andere in arrest te nemen! De opening van het kongres had plaats in de schoone Trèveszaal,​ door den minister van Waterstaat daarvoor afgestaan, met een rede van den bekenden ekonoom Emile de Laveleye, gevolgd door een geestige rede van den heer H. Pierson en een geestdriftvol woord van mevrouw Butler, de ziel dier beweging. Op een groote openbare vergadering in het Gebouw van Kunsten en Wetenschappen werd onder andere sprekers, zooals Humbert van Neuchatel, Paynot uit Brussel, Pierson uit Zetten, den burgemeester van Colmar, mevrouw Butler en den advokaat Splingard uit Brussel ook door mij een rede in het Fransch gehouden. Toen ik de prostitutievraag in den hartader aantastte door de reglementeering voor te stellen als een der onderdeelen van de onderdrukking en minderwaardigheid,​ waaraan de vrouw in den tegenwoordigen staat was blootgesteld en in 't algemeen alle zwakken, toen ik aantoonde hoe de prostitutie maar al te vaak het supplement was voor een tekort betaald loon en de armoede aanwees als de hoofdoorzaak der prostitutie,​ toen bemerkte men reeds den onwil van een groot deel der vergadering,​ want de gegoeden wilden daar niet van hooren. Men ziet hier alweer, zoodra de rijken iets bemerken van de sociale zijde eener kwestie - en dat is er toch de ziel van - de vrees hun om 't hart slaat. De heer Pierson maakte zich tot hun tolk door tegen die bewering te protesteeren en wilde er niets van weten om de armoede de hoofdoorzaak te noemen van de prostitutie en het viel hem leelijk tegen toen verschillende stemmen als van mevr. Butler uit Engeland, mevrouw Lesser-Kiessling uit Duitschland en mevrouw Morsier uit Parijs hem onderbraken door te zeggen, dat dit in hun respektieve landen wel het geval was. Tot eer van mevr. Butler moeten wij zeggen, dat zij na afloop der vergadering naar mij toekwam en tot ergernis van de vele vroome broeders en zusters uit 's Hage, die rijkelijk vertegenwoordigd waren in die vergadering,​ mij de hand drukte om haar sympathie uit te spreken met de woorden door mij aldaar gesproken. Nog hoor ik het haar vrij luid zeggen: meneer, ik ben christinne, maar ik ben het in dit opzicht geheel met u eens! 
 + 
 +Wij hielden ook een afzonderlijke vergadering ter bespreking van dit vraagstuk met mevr. Lesser-Kiessling uit Wiesbaden als spreekster naast mij, een vergadering die schitterend slaagde en toonde hoe ook de arbeiders, wier kinderen het materiaal voor de prostitutie leveren, zich wel degelijk voor dit vraagstuk interesseerden. 
 + 
 +De propaganda voor het socialisme werd in 1882 sterk bevorderd door een adres van mij aan den Haagschen Gemeenteraad,​ waarin ik verzocht een post op de begrooting uit te trekken tot het verstrekken van voedsel aan de schoolkinderen en ik beriep er mij op, dat waar de noodige leermiddelen kosteloos verschaft werden op de scholen voor on- en minvermogenden,​ het eerste en noodigste vergeten was nl. voedsel. Zonder voeding geen opvoeding. Kosteloos onderwijs zonder den kost is half werk. 
 + 
 +Men kan zich nu moeilijk meer voorstellen hoe dat voorstel begroetwerd. Meer en meer maakte men mij voor gek uit en niet onduidelijk gaf men te kennen dat mijn plaats eigenlijk was in Meerenberg, het bekende Krankzinnigengesticht. Het regende in de bladen artikelen over dit onzinnige voorstel, zooals: de kok in school, enz. Om advies gezonden aan de hoofden der scholen adviseerden deze eenparig ertegen en de meesten met de opmerking, dat het onnoodig was, daar de kinderen voldoende gevoed waren en met een bestrijding uit pedagogisch oogpunt, daar dit niet anders kon uitwerken dan zorgeloosheid aan de zijde der ouders. 
 + 
 +Als men weet dat nu schoolvoeding,​ ook door de onderwijzers,​ vrij algemeen wordt toegepast en als leermiddel uitstekend wordt geacht, moet men van achteren beschouwd lachen over de bekrompenheid der menschen, die niet konden inzien dat als de maag niet gevoed werd, de hersenen niet goed konden werken. Ik was dus de vader van het denkbeeld der schoolvoeding hier te lande, maar natuurlijk wil men dat nu niet weten en het gaat mij eigenlijk niet veel aan, daar de hoofdzaak van mijn streven vervuld is, nl. dat het arme schoolkind gevoed en gekleed wordt altijd met dien verstande dat nog lang niet aan alle redelijke eischen voldaan wordt, dat pas de eerste schrede op dezen weg is gezet. 
 + 
 +Door toetreding tot de vereeniging Volksonderwijs in grooten getale wisten wij het door te drijven dat een voorstel van die strekking voor de jaarvergadering op den beschrijvingsbrief werd gezet namens de afdeeling 's Gravenhage, maar de heeren, die zulke vereenigingen in den regel beschouwen als een soort van privaatliefhebberij,​ als een klubje, waren zoo boos dat het bestuur aftrad en al de heeren met pelsjassen na een geanimeerde vergadering,​ waar het bleek dat de arbeiders de heeren flink konden staan in argumentatie,​ als leden der vereeniging bedankten. Het hoofdbestuur zag dit met leede oogen en gedoogde dat er een tweede afdeeling naast de bestaande werd opgericht, zoodat men voortaan te 's Hage een ‘heeren’- en een ‘arbeiders’ afdeeling kreeg van Volksonderwijs. Op de jaarvergadering werden wij natuurlijk glansrijk verslagen, de heeren wilden niets weten van de voeding op school. Nu zij en hun kinderen hadden er geen behoefte aan, maar later waren zij het juist, die deze zaak ter hand namen om toch een blijk te geven van hun liefde voor het volk. 
 + 
 +In dien tijd had ik ook een bekeeringspoging te doorstaan. 
 + 
 +Ik hield maandelijks voordrachten in het gebouw der Loge en in de week na eene dezer kreeg ik bezoek van een toen ter tijd zeer bekende figuur, den straatprediker Esser, oud-resident van Nederlandsch Indië, een man dien men de eer moet geven dat hij een geloovige was van den echten stempel. Hij was het die zich blootstelde aan de bespotting des volks, als hij 's avonds het evangelie stond te verkondigen op de Groenmarkt te 's Gravenhage en wie de meesterlijke straatpreek van Multatuli gelezen heeft, waarin onze straatprediker naar het leven geteekend wordt, die zal begrijpen dat er moed toe behoorde om zoo op te treden en ondanks alle bespotting en scheldwoorden steeds met zijn werk voort te gaan. Met een bundel traktaatjes onder den arm kwam hij bij mij en met de woorden: wel, meneer Nieuwenhuis,​ mag ik u eens komen bezoeken? trad hij mijn kamer binnen. 
 + 
 +Mijn antwoord luidde: zeker, meneer Esser, waarom niet? 
 + 
 +En toen ontstond tusschen ons het volgende gesprek:  
 + 
 +Esser. Ik heb uw voordrachten wel eens bijgewoond en ik geloof dat u het eerlijk en goed meent, maar gij zijt op een dwaalweg en nu zou het zooveel waard zijn, als het mij gelukte om u ook te maken tot een arbeider in den wijngaard des Heeren. Och, meneer Nieuwenhuis,​ u moet diep ongelukkig zijn en ik wou zoo graag dat u gelukkig zoudt zijn door te deelen in de genade, waardoor gij alleen in staat zijt gelukkig te worden. 
 + 
 +Ik. U vergist zich als u meent dat ik ongelukkig ben. Ik gevoel mij minstens even best bij mijn ongeloof als u bij uw geloof. En mijn werken voor de menschheid verschaft mij een taak die wel moeilijk is maar toch ruimschoots in staat stelt gelukkig te zijn. 
 + 
 +Esser. Och, meneer Nieuwenhuis,​ al die ongeloofstheorieën zijn zoo hol en voldoen zoo weinig. Maar dat alles is reeds voorspeld in de profetiën van Ezechiël en van Daniël en in de Openbaring. Eerst moet de Antichrist komen om zijn verderfelijk werk te volbrengen onder de menschen en pas daarna kan de Christus komen in al zijn heerlijkheid. Het ongeloof van den hedendaagschen tijd, dat gij en de uwen verkondigt, is dus de voorbode van de komst des Messias. 
 + 
 +Ik. Maar dan mag u wel blij zijn, dat wij er zijn! 
 + 
 +Esser. Hoe bedoelt u dat? 
 + 
 +Ik. Wel, als wij er niet waren, dan zou het langer duren voordat uw Christus in zijn heerlijkheid kon komen. Wij zijn dus nuttig voor die komst en evengoed middelen in de hand van uw God als gij en de uwen. 
 + 
 +Esser. Ja, maar ik zou zoo graag zien dat u daaraan niet meedeed. 
 + 
 +Ik. Ik kan niet anders dan naar mijn overtuiging werken en vergeet niet dat ik met mijn ongeloof toch even goed een werktuig ben in de hand Gods als gij en wij elkaar toch eigenlijk niets te verwijten hebben. Als wij niet voorafgingen,​ kwaamt gij nooit aan de beurt. 
 + 
 +Esser. Zoo is het niet bedoeld. 
 + 
 +Ik. Maar zoo zegt gij het toch. 
 + 
 +Nog een beetje schermutseling met woorden en hij zei: mag ik dit pakje met blaadjes bij u laten, misschien dat gij al lezende tot het geloof zult terugkeeren. Mag ik voor u bidden? 
 + 
 +Ik antwoordde: wel zeker, als u daar lust in heeft, daar heb ik geen last van. 
 + 
 +Gelukkig dat hij mij zoo'n gebed spaarde, want ik hoorde later dat hij bij zijn bezoeken meermalen op de knieën ging liggen om dan hardop met den delinkwent zoo'n gebed te doen. 
 + 
 +Zoo scheidden wij van elkander, maar toch zal ik den man nooit vergeten omdat hij niets aanstellerig was noch opdringerig en den indruk gaf geheel te meenen wat hij zei en deed. En voor zulke menschen heb ik altijd het diepste respekt gehad, welke meening zij er ook op nahielden. Veel van dat soort heeft men er niet, maar hij was er een van en daarom is er ook bepaald kracht van hem uitgegaan. Natuurlijk werd hij weinig begrepen en de menschen zeiden veelal: hij is een dweeper of hij is gek, maar de gekheid van dezen dweeper, die zich moeite getroostte om zieltjes te winnen voor zijn geloof, deed weldadiger aan dan de wijsheid van zoovele anderen, die stil thuis bleven zitten zonder iets te doen voor hunne medemenschen. 
 + 
 +Onder de geschriften van die eerste periode behoorde ook De Fransche Burgeroorlog van het jaar 1871, waarin ik een verhaal van de kommune gaf en een verklaring van de daden dier mannen, die evenmin engelen waren als anderen, maar toch niet den haat en de laster verdienden, waaronder hun nagedachtenis nog lijdt, uitgemaakt als ze worden door de officieele geschiedschrijvers voor een bende misdadigers,​ die er plezier in hadden om te vernielen en te plunderen. 
 + 
 +Dit boekje heeft goed gewerkt om vooroordeelen weg te nemen en onder de onzen meer bekendheid te verschaffen met een beweging, die een der belangrijkste gebeurtenissen geacht kan worden in de geschiedenis der arbeidersbeweging. 
 + 
 +Ook hield ik mede ten doop de in die dagen opgerichte tijdschriften de Neue Zeit, Revue Socialiste, Société nouvelle, waarin ik als medewerker jarenlang een plaats vond voor verschillende bijdragen van mijn hand. Zoo gaf ik een uitvoerig artikel in het Jahrbuch für Sozialwissenschaft und Sozialpolitik over een toen ter tijde epoque makend werk Die Phänomenologie des sittlichen Bewusstseins van den wijsgeer Eduard von Hartmann, en het boek van mr. Levy over de Kathedersocialisten. 
 + 
 +Afzonderlijke melding moet nog gemaakt worden van een boekje, door mij uitgegeven in 1884 en dat een ontzaggelijken invloed heeft gehad, zoodat men het in het noorden vergeleek bij den bijbel, omdat men het overal in huis aantrof. Er zijn dan ook zooveel exemplaren van verkocht, dat het haast een unicum mag heeten in ons land, nl. 50.000 exemplaren. Het was getiteld: Hoe ons land geregeerd wordt op papier en in werkelijkheid en gaf op populaire wijze een verklaring van de staatsinrichting,​ zooals men zien kan, wanneer ik even den inhoud ervan vermeld. Het boekje behandelde in verschillende hoofdstukken:​ de gemeente, de provincie, de landsregeering,​ onder welk hoofd werden besproken a. de koning en b. de Staten-Generaal,​ welke laatsten weer gesplitst werden in 1o. De Tweede Kamer en 2o. De Eerste Kamer, de begrooting, de Nederlandsche Bank, de wetten, de militaire dienst, het altaar, de rechtspraak,​ de vrijheid van Pers, Vereeniging en Vergadering,​ de wettelijke plaats der vrouw, het onderwijs, het recht der armen, het Nationaal Vermogen of hoe rijk wij zijn. Ik ging uit van de onderstelling dat het niet aanging alles te kritiseeren zonder te weten hoe het in elkaar zat en daar ik meermalen ontdekt had, dat velen wel een grooten mond wisten op te zetten maar jammerlijk slecht op de hoogte waren van de dingen, daarom meende ik dat door dit boekje in een leemte werd voorzien. De ontzaglijk lage prijs van slechts 10 cents droeg veel bij tot de verspreiding op ruime schaal. Meermalen is nog in den lateren tijd een herdruk gevraagd - vier drukken volgden elkaar in 6 jaren tijds op - maar natuurlijk is het nu in vele opzichten verouderd, zoodat het heel wat vernieuwd zou moeten worden. Toch levert die vraag het bewijs dat de behoefte aan zoo'n geschrift nog gevoeld wordt. Mijn werk zal wel eens het merk gedragen hebben van onvolledigheid of gehaastheid,​ maar men moet bedenken dat ik zoo wat alles alleen moest doen en tegelijkertijd veelal nieuwe banen moest openen, en ik heb opgemerkt dat ik de gave bezat om alle onderwerpen begrijpelijk voor allen te behandelen en dus den weg wist te vinden tot het hoofd en het hart des volks. Zonder grootspraak durf ik dan ook gerust zeggen, dat het grootste deel der vooruitstrevenden in die dagen hun staatkundige en ekonomische opleiding van mij hebben gehad. 
 + 
 +Van dat boekje moet nog deze aardigheid verteld worden. Op een vergadering werd er mede gekolporteerd en de kolporteur riep: Hoe ons land geregeerd wordt op papier en in de werkelijkheid door F. Domela Nieuwenhuis. Een volijverig veldwachter,​ maar die niet te slim was, wilde daar een einde aan maken en zei zoodat vele toehoorders het verslonden: neen, zoo ver is het nog niet! De man had den titel eenigzins anders begrepen en wel zoo dat er stond: hoe ons land geregeerd wordt op papier en dan het tweede gedeelte: en in werkelijkheid door F. Domela Nieuwenhuis. Men bracht hem dit aan zijn verstand en toen had hij er vrede mee. 
 + 
 +De beweging voor algemeen kiesrecht was nog altijd in vollen gang. Zoo werd een groote nationale betooging gehouden te 's Gravenhage in het Gebouw van Kunsten en Wetenschappen in 1884, die vooraf werd gegaan door tal van voorbereidende plaatselijke vergaderingen waarvan sommigen, o.a. te Amsterdam een reusachtigen omvang hadden. Den dag daarna hadden wij een audientie bij minister Heemskerk om een adres te overhandigen ten voordeele van het algemeen kiesrecht. De minister merkte op dat men het recht niet had te spreken namens het Nederlandsche volk, want dat mocht alleen de kamer doen, die de vertegenwoordiging van het volk was. Toen ik het algemeen kiesrecht genoemd had een middel om burgeroorlog te voorkomen, zei de minister dat het Fransche volk in 1848 bij algemeen kiesrecht een kamer had gekozen en dat kort daarna dezelfde kamer werd weggejaagd door burgeroorlog. Ik antwoordde dat de minister dan evenmin het recht had te spreken van het Fransche volk als wij van het Nederlandsche. En toen achtte hij het maar beter de diskussie te staken, want hij zat leelijk in de klem. 
 + 
 +In Maart van dat jaar werd aan den sociaaldemokratischen bond de rechtspersoonlijkheid kortweg geweigerd en wel op grond dat in de statuten niet was aangewezen met welke middelen het omschreven doel zou worden nagestreefd. De regeering had de dwaze vraag gedaan of de bedoeling was ook met onwettige middelen te strijden, waarop de centrale raad ontwijkend had geantwoord door te zeggen dat de regeering dit wel zou beletten. Die weigering werd daarna gemotiveerd op deze wijze: ‘in het door de Vereeniging uitgegeven orgaan (bedoeld werd het door mij geredigeerde blad Recht voor Allen) en de door haar verspreide geschriften,​ steeds wordt aangespoord tot het plegen van handelingen,​ die met een vreedzame uitoefening van de bij de Grondwet en andere wetten gewaarborgde rechten niet vereenigbaar zijn’. Ik schreef toen in Recht voor Allen: ‘wij wilden den wettelijken weg bewandelen, maar gij (regeering) hebt dit niet toegestaan. Wij wilden geleidelijk voorwaarts, gij dreeft ons op andere paden tegen onzen zin. Op wien rust de verantwoordelijkheid van de gevolgen’?​ 
 + 
 +Toen in de Tweede Kamer deze weigering aan kritiek werd onderworpen door het liberale kamerlid Gratama, die zei dat de Ned. sociaaldemokraten noch oproermakers noch dynamietmannen waren, durfde de minister Heemskerk zeggen: ‘indien de geachte spreker bekend ware in de archieven van eenige onzer ministerieën,​ dan geloof ik niet dat hij dit langer zou zeggen’. Maar toen wij ons wendden tot de kamer, om te verzoeken dat zij den minister zou vragen ‘de stukken openbaar te maken, waaruit zou blijken dat de Nederlandsche socialistische arbeiderspartij bestond uit oproermakers en dynamietmannen’,​ toen zweeg de minister. Met groote woorden had hij wel den mond gesnoerd aan de kamerleden, maar de waarmaking zijner leugenachtige bewering bleef uit. 
 + 
 +Datzelfde jaar ontnam mij voor de derde maal een vrouw, die mij voor de propaganda een uitstekende steun was en die door de partij als een soort van moeder werd beschouwd. Haar dood verwekte een zeer gedrukte stemming in de partij. Maar wij beleefden een kritieken tijd en het klonk ons toen in de ooren: voorwaarts, over de lijken onzer betreurde dooden heen! 
 + 
 +Onderzoekend als ik altijd geweest was, moest ik ook door eigen ervaring te weten komen wat de vrijmetselarij toch was. Omgeven door een geheimzinnig waas, kreeg men het rechte daarvan nooit te hooren. Wat mij weerhield, waren de ceremoniën die aan het vrijmetselaarschap verbonden waren. Ik, die mijn toga had afgelegd, zou mij nu tooien in een schootsvel als de vrijmetselaren,​ dat was al te gek. Maar nu was er te Amsterdam een onafhankelijke loge Post nubila lux (Na de nevelen licht), waarvan indertijd Multatuli lid was geweest en waarin Gunst de eerste viool speelde. Deze loge was niet erkend door het Groot-Oosten. Toen men mij daar wilde opnemen zonder ceremoniën en mij zelfs direkt den hoogsten graad aanbood, liet ik mij verleiden om mij in die loge te laten opnemen. Maar zeer spoedig, na een paar vergaderingen,​ ontdekte ik dat er van de loge geen kracht meer uitging en dus dat het nutteloos was daarin te werken en daarop woonde ik dan ook nooit meer een vergadering bij. Ik kende de zaak nu en wist door eigen aanschouwing dat er geen kracht of heerlijkheid meer in schuilde. 
 + 
 +Het was anders een heerlijke, een schoone tijd, ongetwijfeld de meest verheffende tijd, gelijk zulks veelal het geval is in 't begin eener beweging. Allen waren één van ziel en zin, oprechte strijders voor een betere toekomst, allen toegerust met een groote mate van idealisme en solidariteit. Men gevoelde zich niet in naam maar in werkelijkheid broeders. Men hielp elkaar, men verrichtte alle propagandawerk samen en men was opgewekt ondanks den spot, de verdachtmaking en de vervolging waaraan wij van de zijde van het publiek blootstonden. Er was niets te halen bij de partij, men wist dus dat elkeen die er bijkwam, zulks deed uit innige overtuiging en vol toewijding. Men waagde zelfs veel, want men liep kans in zijn broodwinning getroffen te worden. Ik heb in die dagen treffende voorbeelden gezien van werkzaamheid en solidariteit. Niets was ons te veel. Als het blad afgedrukt was, dan gingen mijn vrouw en ik naar de drukkerij en bij Liebers aan huis - hij was een Duitscher, die een kleine drukkerij had waar het blad gedrukt werd - gingen wij vouwen en bandjes schrijven om de expeditie gezamenlijk in orde te maken. Nooit zou iemand zich onttrekken aan den arbeid die er te doen was. Zelfs ontzagen gezeten arbeiders zich niet om met het blad op straat te kolporteeren en zich dus bloot te stellen aan den hoon hunner kameraden. In den Haag, waar het uiterlijk fatsoen heerschte tot in de arbeidersklasse toe, achtte men zoo iets onfatsoenlijk,​ want dat werk liet men aan de armsten der armen over. Hier geschiedde het voor zijn overtuiging. Er was dan ook niemand die er iets voor wilde hebben. Men zou het beneden zich hebben geacht om er geld voor op te steken. Toen vroeg de partij offers in plaats van wat in te brengen. En toch kwamen de kolporteurs dikwijls met gescheurde kleeren terug of stonden zij bloot aan een regen van steenen, zooals te Scheveningen,​ te Zaandam, te Rotterdam, ja opgehitst door de gegoeden en oogluikend toegestaan door de politie, die nooit iets van dien aard zag, werd feitelijk het straatpubliek zoodanig tegen de onzen opgezet, dat men nergens meer kon kolporteeren zonder last te hebben. Toch dacht niemand erover om de straatkolportage op te geven en een der onzen, van Zinderen Bakker, zong: 
 +  
 +  * Steenigt weer de wegbereiders,​ 
 +  * Brengers van geluk en brood; 
 +  * Trapt ze weer, die dappere leiders, 
 +  * Drukt ze dood, die lichtverspreiders,​ 
 +  * Des te langer duurt uw nood. 
 + 
 +Bij gelegenheid van een landelijk feest, gelijk wij er jaarlijks een hielden om den band tusschen de socialisten in het land te versterken, dat wij in de omstreken van Haarlem vierden - wij beklommen toen ook de ruïne van Brederode en op eens zag de eigenaar tot zijn grooten schrik de roode vlag daarop vroolijk wapperen! - kwamen wij te Haarlem terug om nog eenigen tijd gezellig samen te zijn in een café aan de Spaarne. Daar werd de zaal bestormd door het volk, dat tegen ons opgehitst was, zoodat men formeel slaags raakte. Er bleef geen ruit heel en wij baanden ons met de grootste moeite een weg naar het station. Velen onzer werden toen leelijk mishandeld, maar wij hadden ons vaandel, deerlijk gehavend natuurlijk, toch behouden en het kon door ons als zegeteeken bewaard worden evenals de flarden die men na een veldslag in het koninklijk paleis en elders heeft opgehangen als zoovele kostbare relieken. 
 + 
 +Alles werkte ook mede, want de werkloosheid nam groote evenredigheden aan en wij leefden in de vaste overtuiging,​ dat de revolutie nabij was en de eeuw niet zou voorbijgaan zonder dat er groote veranderingen zouden plaats vinden. Nu van achteren beschouwd vinden velen dit naïf, maar allen waren wij ervan overtuigd en zelfs de besten der voorgangers deelden die meening. Bebel en Friedrich Engels gingen zelfs zoo ver, dat zij voor Duitschland de zegepraal van het socialisme vaststelden op een bepaald jaar, nl. in 1898. En het komt mij altijd voor, dat toen de onzen zagen dat de revolutie uitbleef, velen zich begonnen te schikken in de tegenwoordige maatschappij,​ om daar dan maar een goede plaats en een warmen stal te krijgen. De socialisten werden praktische menschen, die niet meer staarden naar een toekomstmaatschappij,​ maar die de wereld nuchterder opvatten om te trachten er op hun beurt uit te halen wat zij maar konden. 
 + 
 +Het geloof aan de wederkomst van Jezus heeft ontegenzeggelijk aan de oudste christenen zulk een groote dosis geloofsvertrouwen en moed gegeven, dat zij in staat waren tot een weergalooze zelf-opoffering,​ zelfs het leven gering achtten, en soms er naar verlangden dat offer te mogen en te kunnen brengen. Datzelfde geloof aan de spoedige komst der nieuwe maatschappij had ook nu weerdezelfde gevolgen. Het hoogste vindt men dit in de Russische beweging met haar honderden helden en heldinnen, maar hoewel op kleiner schaal, wij hebben in die dagen, de schoonste der socialistische beweging, ook hier hetzelfde ondervonden. Er is hier heel wat gestreden en geleden. Niemand kan dit beter begrijpen dan hij die met ons die periode heeft doorleefd en ik ben overtuigd dat zelfs degenen, die zich later zoo vijandig hebben geplaatst tegenover mij en de vrijheidlievende beweging, zullen moeten erkennen, dat die tijd de gelukkigste van hun leven is geweest. 
 + 
 +===== V. Mijn optreden in België. ===== 
 + 
 +Door mijn voordrachten in den Amsterdamschen Werkmansbond was mijn naam op sociaal gebied meer algemeen bekend geworden en daar mijn Sociale Brieven in den Werkmansbode ook naar buitenaf de aandacht trokken, gebeurde het dat ik een uitnoodiging kreeg om te Gent een voordracht te houden voor de socialisten. Ik nam dit aan en in den zomer van het jaar 1879 begaf ik mij met een paar mijner vrienden naar die bij uitstek industrieele stad met een sterke fabrieksbevolking,​ die in de treurigste verhoudingen leefde door de ontzettend lage loonen, zonder ook maar eenige gedachte te hebben van hetgeen mij daar zou overkomen. 
 + 
 +Kort vóór mijn vertrek kreeg ik op zekeren avond een bezoek van den hoofdkommissaris van politie te 's Gravenhage, den heer van Schermbeek, met wien ik in eenige min of meer vriendschappelijke betrekking stond, doordat zijn vrouw tot mijn gemeente behoorde en als ik mij niet vergis een zijner kinderen door mij was gedoopt. Hij kwam vertrouwelijk bij mij, om mij een telegram te laten zien dat hij ontvangen had van den minister uit België om informaties naar mijn persoon, daar ik voor de Internationale een voordracht zou geven te Gent. 
 + 
 +Een Luthersch predikant en een voordracht voor de Internationale - dat leek den man wel wat heel dwaas! Nu, zei die heer, ik heb hem natuurlijk goede informaties over u verstrekt, maar ik zou u toch waarschuwen om u niet te veel met die lieden in te laten. U weet toch zeker wel wat die Internationale wil? Ik antwoordde in bevestigenden zin en dacht bij mijzelven: dat weet ik heel wat beter dan gij. 
 + 
 +De reis werd aanvaard en op den aangegeven tijd werd ik aan het station te Gent afgehaald en verwelkomd door Edmond van Beveren en Eduard Anseele. Het waren deze twee mannen, die te Gent de arbeidersbeweging weer op de been hadden geholpen, nadat zij ineengezakt was. Edmond van Beveren, een schildersgezel,​ had zich steeds aangetrokken gevoeld tot de Internationale en met zijn vriend Pol de Witte wilden zij haar doen herleven. En zij deden dit langs den weg der koöperatie,​ niet uit ingenomenheid met dit beginsel, want zij beschouwden haar als een slaapmiddel om de menschen zoet te houden, maar hoe moesten zij belangstelling wekken in die massa zonder een beroep te doen op de belangen? Brood nu is een verbruiksartikel,​ dat elkeen behoeft, en als men nu eens een samenwerkende bakkerij oprichtte, wie weet of men de menschen niet weer bij elkaar kreeg en warm maakte. Zeer in het klein is zij begonnen en wie de geschiedenis dier bakkerij leest, zooals zij gegeven wordt in het boek van Pol. de Witte[10], die wordt met bewondering vervuld voor de taaie volharding en den ijzeren wil dier jonge mannen, om de zaak ondanks alles staande te houden. De meesten hadden er alles allang bij neergegooid,​ maar zij bleven ondanks tegenspoed en teleurstelling volhouden. Later sloot zich bij het kleine groepje Internationalisten een jonge man van 18 jaar aan, Eduard Anseele, die klerk was op een notariskantoor. Had hij zich willen voegen naar den wensch van prof. Laurent, bij wien hij een kursus volgde, zijn toekomst zou gemaakt zijn, maar zijn aansluiting aan de Internationale gaf dezen hoogleeraar de gelegenheid om in boosheid zijn hand af te trekken van dezen veelbelovenden jongeling. En toch hoe eigenaardig kunnen de dingen loopen. Uit zijn latere leven blijkt hoe groot de invloed van prof. Laurent ten slotte is geweest, want wat Anseele nu verwerkelijkt heeft in de Vooruit, wat is het eigenlijk anders dan de toepassing der denkbeelden van prof. Laurent, alleen op demokratische grondslagen?​ Was van Beveren de kalme, beredeneerde man, die nadacht, Anseele was de geestdriftige,​ vurige strijder, die handelde. Het was een type, die Eedje, zooals ze hem in de wandeling noemden, een echte Gentsche jongen, die toen reeds op de handen werd gedragen en wiens eigenaardige welsprekendheid hem een groote mate van populariteit bezorgde. Was v. Beveren de denkende kop, Anseele was de uitvoerende hand en de geestdriftwekkende mond. Met zijn pet achter op zijn hoofd en levendig in taal en gebaren wist hij een eigenaardig cachet op de beweging af te drukken. Jammer dat hij zoo geheel in beslag werd genomen door de koöperatie,​ want hij bezat schrijverstalent,​ zooals blijkt uit zijn boek ‘Aan 't Volk geofferd’,​ waarin uitstekende gedeelten voorkomen. En hij gevoelde dit wel, want eens zei hij tegen mij: ik voel de kracht te hebben om eenmaal een schrijver te worden als Eugène Sue, waarop ik hem ten antwoord gaf: maar doet ge dan niet verkeerd, om dien aanleg niet te ontwikkelen?​ Krenten wegen en meel inkoopen, dat kunnen er veel meer, maar een schrijver als Sue worden, dat is niet ieders zaak. Helaas! Hij is ondergegaan in de koöperatie en in zijn eerzuchtige droomen verbeeldt hij zich reeds een tweede Jacob van Artevelde te zijn of te worden, zonder te begrijpen dat hem dan ook wel eens een gelijk uiteinde kan treffen? Als politieker staat hij heelemaal rechts en hij zou een ministerzetel aannemen zonder ernaar te vragen wie hem dezen aanbood. 
 + 
 +Maar toen ter tijd was hij de eerlijke, sympathieke Anseele, die met een kwinkslag de lachers op zijn zijde wist te krijgen en van Beveren de meer bespiegelende man, wiens kracht grooter werd door de samenwerking met Anseele. Beide vrienden werkten veel en steeds gemeenschappelijk,​ totdat op betrekkelijk nog jeugdigen leeftijd v. Beveren aan zijn zijde door den onverbiddelijken dood werd weggerukt. 
 + 
 +Deze twee mannen nu oefenden te Gent een soort van diktatorschap uit en zij leidden mij binnen bij het Gentsche publiek. De vergadering had plaats in Parnassus en de schare die kwam luisteren was zeer groot. Er heerschte in den omtrek een min of meer koortsachtige stemming, zoo iets alsof er groote dingen op til waren. Mijn vriend César de Paepe schetste den toestand goed in het Jahrbuch für Sozialwissenschaft und Sozialpolitik van dr. Ludwig Richter, dat in 1880 te Zürich verscheen: ‘het feit, dat een Luthersch predikant plotseling verschijnt voor socialistische arbeiders, om over een der meest brandende vraagstukken van onzen tijd te spreken, scheen der Gentsche bourgeoisie zulk een buitengewone gebeurtenis toe, dat zij ongetwijfeld deze vergadering beschouwde als een signaal tot een proletariëroproer,​ dat herinneren moest aan de opstanden van het Vlaamsche volk, in de XVIe eeuw door anabaptistische predikers verwekt’. 
 + 
 +Indedaad zoo iets moet het geweest zijn. 
 + 
 +Ik hield daar de voordracht over Grond en bodem in gemeenschappelijk bezit, die later in druk verscheen en door de Paepe een ‘voortreffelijke voordracht’ werd genoemd. Door deze keuze gaf ik toen reeds te kennen hoe ik de agrarische vraag beschouwde als een der hoofdzaken. Het is de eigendomsvraag,​ die de kern, het zwaartepunt uitmaakt van de sociale kwestie. 
 + 
 +Maar dit zaakje liep niet zoo kalm af. 
 + 
 +Wat was er gebeurd? 
 + 
 +Parnassus scheen mij toe een oud theater geweest te zijn, althans men had er een tooneel in, vanwaar werd gesproken. De zaal stond volgepropt met menschen en nadat de voordracht was afgeloopen en ik met eenige personen op het tooneel stond na te praten, hoorden wij op eens een groot lawaai, een geschreeuw alsof er een standje was te midden van het publiek. Wij zagen om en wat was het geval? In een kring van mannen, die met de vuisten dreigende gebaren maakten, zag men een heer met een hoogen hoed en met een medailje aan een breed lint om den hals. Die meneer was een kommissaris van politie. Wij begrepen er niets van, maar later helderde de zaak zich op, die zich aldus had toegedragen. 
 + 
 +Laten wij nu weer het woord geven aan dr. de Paepe, die deze gebeurtenis aldus beschrijft: ‘In de zaal bevonden zich onder het talrijke publiek van arbeiders niet weinig twijfelachtige gestalten, die het gewone gevolg vormen van de politiespionnen,​ ja zelfs bevond zich in den kelder - wien meent ge? - niet een gewone “stille”,​ maar een politiekommissaris in hoogsteigen persoon. Aan het einde der vergadering gingen een paar Gentsche socialisten,​ die uit den kelder eenig gekletter van flesschen hadden vernomen, met een licht gewapend den kelder binnen en daar vonden ze, verscholen tusschen biervaten, den heer kommissaris,​ die heelemaal overbluft werd, toen hij zoo plotseling als een gewonen kelderrat gesnapt werd. Dit “kelderschandaal” baarde veel opzien en gaf aanleiding aan de Voix de l'​Ouvrier om een humoristische teekening te maken, die dit onderaardsche tafreel voorstelde; deze teekening werd door het geheele land, maar vooral te Gent zelf, in duizenden exemplaren verkocht. Wat de moraal 
 +der geschiedenis betreft, zij leert ons hoe met het oog op de socialistische eischen, vooral wanneer zij door een begaafd man en in naam der wetenschap ondersteund worden, de bourgeoisie over al haar leden siddert en haar agenten, om de bedreigde belangen hunner meesters of wel van datgene wat deze als zoodanig betrachten te redden, de vrijheid van vergadering zoo wel als de onaantastbaarheid der woning met voeten treden’. 
 + 
 +Ik ging met mijn vrienden naar een logement, waarheen wij door v. Beveren en Anseele begeleid werden, om den volgdenden morgen vroeg de stad te verlaten en naar Brussel te gaan. Later deelde men mij mede dat de politie mij overal gezocht had zonder mij te kunnen vinden. Of men toen reeds de opdracht had om mij over de grenzen te zetten, dat weet ik niet, in elk geval wij waren aan haar klauwen ontsnapt, om ongedeerd onze reis te kunnen voortzetten. 
 + 
 +Geregeld kwam ik sints dien tijd jaarlijks een voordracht te Gent houden en bleef ik in de beste verstandhouding met v. Beveren en Anseele, totdat de Belgische regeering het in 't jaar 1886 zoo gevaarlijk scheen te vinden dat zij mij aan de grens te Esschen liet arresteeren en op het bureau der gendarmes mij een bevelschrift van Z.M. den koning werd overhandigd,​ waarin mij het betreden van den heiligen Belgischen bodem voortaan werd verboden. Ik kan niet beoordeelen of hiertoe het verhaal der Pall Mall schandalen heeft meegewerkt. Ik had deze immers uitvoerig meegedeeld in het blad Recht voor Allen en men herinnert zich misschien nog, hoe Leopold II, koning van België, een der klanten was van de beruchte madame Jeffreys. Een teekening gaven wij toen uit, waarop een voorstelling van dezen koning en hoe hij leunende op een stokje een weelderige kamer binnentrad, waar een minderjarig meisje gebonden in een hemdje lag op een groot, prachtig ledikant, om door hem verkracht te worden. 
 + 
 +In die dagen hield ik ook een voordracht te Antwerpen en kwam bij die gelegenheid in kennis met Frans Coenen, een arbeider die zich had opgewerkt - ik meen dat hij schoenmaker was - en die mij wel aan den ouden Gerhard herinnerde. Hij was toen de ziel der beweging in Antwerpen, die overigens niet veel te beteekenen had. Het was juist op weg naar Antwerpen, waar ik een voordracht moest houden, dat mijn arrestatie plaats vond. 
 + 
 +De Hollandsche pers, bij name het Dagblad van Zuid-Holland en 's Gravenhage wist mede te deelen dat ik nu zoo laag was gezonken, dat ik te Gent in een publiek huis had gesproken. Verbeeldt u een predikant in een publiek huis spreken! Ofschoon het feit zelf te gek was om van te praten, daar Parnassus een flinke zaal was en als zoodanig een publiek huis, ofschoon er natuurlijk een bordeel mede bedoeld werd, toch achtte ik mij verplicht daartegen op te komen, echter niet zonder erop te wijzen dat al ware dit het geval geweest, men het een christenleeraar niet ten kwade kon duiden, indien hij het voorbeeld van Jezus navolgde, die immers ook beschuldigd werd omgang te hebben met tollenaren en hoeren en die zich geroepen gevoelde juist het verlorene op te zoeken, want de gezonden, dat zijn de brave klanten van dat blad, hadden den medicijnmeester niet van noode, wel de zieken. 
 + 
 +Op hoe 'n goeden voet ik steeds met de Gentenaren stond, blijkt ook hieruit, dat toen het Anseele te warm werd gemaakt in Vooruit door de oppositie, hij zich tot mij wendde met het verzoek, of ik niet een plaatsje voor hem had aan onze drukkerij te 's Gravenhage, daar zijn positie te Gent onhoudbaar was en hij weg wilde gaan. Echter ik vond het jammer dat een kracht als Anseele verloren zou gaan voor de Gentsche beweging en daarom schreef ik aan het comiteit een brief, om er met alle kracht op aan te dringen, dat men de gerezen oneenigheden zou bijleggen en Anseele zijn plaats in Vooruit zou behouden. Die brief had een goed resultaat, want het geschiedde aldus. En na dien tijd juist is Anseele de diktator geworden, die zelf alle oppositie wist te onderdrukken en oppermachtig den schepter aldaar zwaait. Personen, die als Beerblock zich bitter aan mij beklaagden over de tirannie van Anseele, ja die deze zoodanig ondervond dat Anseele hem eens een geduchten klap in 't gezicht gaf, hebben zich ten slotte heelemaal onderworpen aan die tirannie door zelven mede den tiran te spelen in hun kring en verder de hoogeren zooals Anseele te helpen en te steunen. Dat is de gewone methode: zelf tiran spelen over zekere kategorie van menschen op voorwaarde van zich te onderwerpen aan de oppertirannie van een ander. Heeft niet la Boëtie in zijn heerlijk boekje De la servitude volontaire ou le contr'​un (over de vrijwillige slavernij of het tegen één) dit verschijnsel zonneklaar toegelicht?​ 
 + 
 +Reeds een paar malen sprak ik over dr. César de Paepe en het is hier de plaats wat meer van dezen edelen man te vertellen. Wanneer ik hem heb leeren kennen weet ik niet precies meer, maar bedrieg ik mij niet, dan was het naar aanleiding van de Sociale Brieven in den Werkmansbode,​ dat de Paepe mij het eerst een brief schreef, om zijn sympathie daarmede te betuigen en een betrekking aan te knoopen, die onverflauwd voortduurde tot aan zijn dood in 1890. Later was hij het, die mij opwekte deel te nemen aan het Internationaal Vrijdenkerskongres,​ dat in 1880 te Brussel werd gehouden en ofschoon ik het reeds had afgeschreven,​ daar ik geen liefhebber was van zulke kongressen, waar in den regel veel gepraat en weinig gedaan werd, wist hij mij toch te bepraten en zoo kwam ik te Brussel om bij die gelegenheid persoonlijk kennis te maken met hem en zijn gezin. 
 + 
 +Toen het Jahrbuch für Sozialwissenschaft und Sozialpolitik voor het eerste werd uitgegeven in 1879 door dr. Ludwig Richter, een pseudoniem van den bekenden bankier Höchberg, die geldelijk zooveel gedaan heeft voor de Duitsche sociaaldemokratie en wiens sekretaris Eduard Bernstein was, schreef de Paepe daarin een overzicht over de beweging in België en Holland. Daarin maakte hij in 't bizonder melding van den schrijver der Sociale Brieven in den Werkmansbode,​ ‘onzen uitnemenden vriend Domela Nieuwenhuis,​ predikant aan de vrije Luthersche kerk maar een rationalist en een even overtuigd als geleerd socialist vol toewijding’ en deelde hij ook mede de oprichting van het weekblad Recht voor Allen, ‘onder welks voornaamste medewerkers wij den heer Domela Nieuwenhuis vinden’. Hij wist blijkbaar niet dat dit blad door mij werd opgericht en geredigeerd. 
 + 
 +César de Paepe, geboren te Ostende in 1841, was een figuur zooals wij er niet velen vinden, maar die een beweging tot eer verstrekken.[11] Als jongen naar het Jezuïtenkollege te Brussel gezonden, wist hij zich vroeg te ontworstelen aan alle dogma'​s en reeds op zeventienjarigen leeftijd, toen hij zijn studiën als medicus aan de universiteit begon, nam hij deel aan het openbare leven. Welke verbazende energie hij ontwikkelde,​ blijkt hieruit dat hij typograaf was over dag, om zijn kost te verdienen, des avonds de belangrijkste kursussen bijwoonde in de medische wetenschap en bovendien nog tijd vond om zich te wijden aan de socialistische propaganda en als agitator spoedig naam maakte. Hij was, zooals de bekende en geleerde ekonoom Hector Denis bij zijn graf zei, een filosoof, bioloog, psycholoog, socioloog te gelijker tijd en omvattende de meest verschillende takken der wetenschap. Geboren docent gaf hij meermalen kursussen, o.a. over de ekonomie, gedeeltelijk in druk verschenen onder den titel: Cours d'​Economie sociale in het weekblad L'​économie sociale en gehouden voor de leden der vakvereenigingen,​ waarover geleerden als Emile de Laveleye, Schäffle, Adolph Wagner, von Scheel en anderen met lof schreven en waarvan genoemde Hector Denis getuigde: ‘deze kursus is de eerste poging, die in België gedaan werd om een nieuwen grondslag te leggen voor de ekonomische wetenschap, steunende op de resultaten der ervaring, eenerzijds van de natuurwetenschap en fysiologie anderzijds van de historische methode en der positieve moraal. Bekend met de natuurwetenschappen,​ vooral met de biologie, was de Paepe de aangewezen man voor het initiatief in deze richting! Hij bezat de eigenschap de resultaten der wetenschap te populariseeren en tevens het talent van den onderzoeker,​ die nieuwe banen voor de wetenschap opende en ze met nieuwe proefnemingen weet te steunen’. 
 + 
 +Zijn socialisme zat hem in den weg, anders zou zijn weg gebaand geweest zijn en zou hij ongetwijfeld een hoogleeraarstitel hebben verkregen. Nu bleef hij een arme dokter, die wel een groote praktijk, maar kleine inkomsten had, daar hij bijna uitsluitend bij armen praktiseerde. In den aanvang sloot hij zich aan bij Colins, den geleerden Belgischen socioloog, stichter van een Belgische school die naar hem genoemd wordt, maar die in andere landen te weinig bekend is. Later behoorde hij onder den invloed van Proudhon tot de anarchisten. In een voordracht door hem gehouden verheerlijkte hij de anarchie als de ‘droom van alle vrienden der volle vrijheid, als de afgod van alle ware revolutionairen’,​ waarvan hij getuigde: ‘langen tijd hebben de menschen u gesmaad en belasterd; zij hebben u in hun verblinding verward met ordeloosheid en chaos, terwijl integendeel de regeering, uw gezworen vijand, slechts een gevolg is van sociale wanorde, van den ekonomischen chaos, en gij het resultaat zult zijn van de orde, van de harmonie, van het evenwicht der gerechtigheid’,​ om in geestdrift te eindigen met den uitroep: ‘Uw rijk kome - Anarchie’! 
 + 
 +Mede-oprichter van de Internationale in 1864 was hij het, die op den ontwikkelingsgang dier machtige vereeniging zeer veel invloed heeft uitgeoefend. In den strijd tusschen Marx en Bakunine stond hij aan de zijde van laatstgenoemde. Later geraakte hij onder den invloed van Marx en schoof hij steeds meer naar rechts, ofschoon zijn geest te breed en te vrij was dan dat hij ooit zou zijn opgegaan in het dogma van de verovering der politieke macht.[12] Dit dogma, vooral door de Duitsche sociaaldemokraten voorgestaan,​ die den toon aangeven in de internationale socialistische beweging, heeft op haar dezen stempel gedrukt sints het Internationale Socialistische Kongres te Londen in 1896, nadat op de vorige kongressen te Zürich (1893) en te Brussel (1891) de anarchisten er zijn uitgedrongen maar tegelijkertijd verdween daaruit het socialisme. 
 + 
 +De Paepe was een magazijn van geleerdheid en hij, die volgens eigen zeggen ‘la manie de la paperasse’ bezat, had een schoone bibliotheek met allerlei zeldzame brochures en boeken. Liever leed hij gebrek, zooals hij soms ook deed met zijn groot gezin, dan de schennende hand daarnaar uit te strekken. Zijn geest omvatte veel, meermalen te veel en daardoor kon hij niet alles naar behooren verwerken. Welke grootsche ontwerpen droeg hij rond in zijn hoofd en toch hoe weinigen hebben vorm weten te krijgen! Door zijn drang om alles te omvatten in zijn encyklopedisch hoofd streefde hij steeds verder en wanneer hij meende klaar te zijn, bemerkte hij nog niet aan het einde te zijn en vatte zijn onderzoekingswerk weer op. 
 + 
 +Hij was een getrouw vriend voor mij, aan wien ik altijd met dankbaarheid denk. Nooit onthield hij mij zijn oordeel en het was mij indertijd een voldoening, toen hij mij schreef, dat de twee bladen die hij nooit verzuimde te lezen, waren de Sozialdemokrat en Recht voor Allen, die de best geredigeerde waren in de socialistische beweging. Dat hij, die het weten kon, omdat hij zooveel bladen las en zooveel talen kende, zóó oordeelde, was mij meer waard dan het oordeel van anderen. Van zijn kant toonde hij ook gesteld te zijn op mijn oordeel en langzamerhand ontstond er een groote intimiteit, die zich daarin openbaarde dat hij zich veelal tot mij wendde wanneer er ernstige dingen in zijn leven plaats vonden. Eens toen hij een grooten schok in zijn leven gehad had, kwam hij na de oplossing daarvan met zijn vrouw bij ons logeeren, om wat uit te rusten en wij waren blijde dat hij ons huis daarvoor had uitgekozen. 
 + 
 +Jammer dat zijn lichaam ondermijnd werd door asthma, dat hem in de hevige mate waarin hij het had, bijna ongeschikt maakte voor zijn praktijk, die immers daar hij veelal de armen behandelde gepaard ging met veel trappen klimmen. O wie zich zijner herinnert, gelijk hij was op 't kongres te Parijs in 1889, zal met medelijden aan hem denken. Een oogenblik was er dat ik dacht dat hij in mijn armen zou stikken in de zaal na afloop der zitting. Toen de Belgische Arbeidspartij hem aanbood voor haar kosten naar het zuiden te gaan, daar zijn gezondheid het ruwere klimaat van het noorden niet kon verdragen, toen zond hij een weigerend antwoord en de woorden waarin hij dat inkleedde, teekenen den man in al den adel zijner ziel. Hij schreef: ‘ik weet welke brave harten het voorstel deden en ik gevoel mij gelukkig dat het met algemeene stemmen is aangenomen. Toch kan ik het niet aannemen om deze twee redenen: ten eerste zijn er duizenden ziek in de partij, voor wie een verblijf in het zuiden even goed zou zijn als voor mij en wier dood een even groot verlies zou zijn voor hun gezin als mijn dood voor het mijne. Het hindert mij om mijn leven ietwat te verlengen op kosten der offervaardigheid van deze ongelukkigen,​ onder wie er velen zijn, die jonger dan ik een nuttige rol zouden kunnen vervullen in de wereld, terwijl de mijne bijna is afgespeeld. En ten tweede: ik heb tot op dit oogenblik steeds geleefd met mijn gezin van mijn arbeid. Het zou mij zwaar vallen te moeten leven van de grootmoedigheid mijner vrienden, die arbeiders zijn evenals ik en dikwijls armer. Als ik in het zuiden van Frankrijk kan leven, dan moet men mij daar werk bezorgen, zoodat ik daar mijn onderhoud kan vinden. Kan men geen arbeid voor mij vinden of kan ik het werk niet doen, dan bewijst dit alleen, dat ik onnut ben in de wereld en dat mijn tijd voorbij is. Ik hecht niet veel aan dat ellendige ding, dat men het leven noemt, ik ben meer geneigd met Rabelais te zeggen: laat het scherm vallen, de komedie is gedaan. Denkt er eens over na, mijn lieve vrienden, verplaats u in mijn toestand en gij zult toegeven dat ik niet anders handelen kan’. 
 + 
 +Toch gelukte het ons eindelijk hem over te halen en met de grootste zorg werd hij naar Cannes vervoerd, om daar zijn einde te vinden. En toen hij stierf, wijdde ik een woord aan zijn nagedachtenis in de Neue Zeit, dat voldeed aan een behoefte van mijn hart, daar ik in hem een oprecht vriend had verloren, zooals ik er geen ander meer heb gevonden. Ik schreef toen: ‘de Paepe was een veelzijdig mensch, die gewerkt heeft naar zijn beste krachten en wie gewerkt heeft, die heeft recht op waardeering. Hij had hooge betrekkingen kunnen bekleeden, maar hij wilde het niet, want de zaak van het lijdende volk maakte hij tot de zijne. Hij had een rijk aandeel kunnen hebben aan de genoegens des levens en de goederen der wereld, maar hij wilde liever arm en klein blijven met de armen en kleinen. Zijn hart was te groot, om niet te gevoelen, hoe onrechtvaardig het lot was der arbeidende klasse en zijn geest te helder om niet te begrijpen dat zulk een toestand niet voortduren moest en kon. En wat hij was, dat was hij geheel. Zijn begrafenis (1890) was de schoonste huldiging zijner verdiensten,​ want zelden ging een doode door zooveel menschen begeleid ter begraafplaats heen en zelden zag men zoo grooten, oprechten, uit het hart opwellenden rouw. Hoevelen konden ook een getuigenis afleggen van zijn liefde en dienstvaardigheid! Wie klopte aan zijn woning zonder raad of bijstand te vinden? Voor wien had hij geen vriendelijk woord over? Dat kunnen zoovelen vertellen die in ballingschap leefden en bij hem werden opgenomen! Zulk een leven kan niet te vergeefsch zijn geweest en vergeten worden zulke pioniers der gedachte nooit. Hij heeft zich een eerezuil gesticht in het dankbare hart van duizenden en als de geschiedenis van het proletariaat en van de beweging van den nieuweren tijd wordt geschreven, kan zijn naam niet onvermeld blijven. Hij behoort niet aan België alleen, maar aan de menschheid toe en het was voor mij een plicht der vriendschap hier een woord van dankbare waardeering te kunnen wijden aan de nagedachtenis van een der onzen, om wien men ons benijden kan, want van hem geldt de schoonste titel, die gegeven worden kan: hij was een mensch’! 
 + 
 +Ik kan mij niet voorstellen,​ dat in onze persoonlijke verhouding verandering zou zijn gekomen, ook al schoof de Paepe meer naar rechts en ik naar links, naar de anarchie, want hij was breed genoeg van opvatting om een andere meening te dulden en zou zeker niet zulke dwaasheden over het anarchisme gedebiteerd hebben, als men zulks gewoon is van sociaaldemokratische zijde te doen. 
 + 
 +In mijn Gedenkschriften komt ongetwijfeld een plaats toe aan den man, die zooveel invloed op mij gehad heeft, die in mijn gedachten zoo'n voorname plaats inneemt. 
 + 
 +===== VI. Een tijd van agitatie en beroering. ===== 
 + 
 +Een stormachtige tijd brak voor mij aan. De golven der beweging klotsten min of meer onrustbarend tegen Europa aan en ook in ons land was dit te bespeuren. Wij waren reeds genaderd aan de derde periode. De doodzwijg-methode kon niet meer toegepast worden. De bespotting was aan de orde, getuige b.v. de spotbladen als Uilenspiegel. De vervolgingen namen een aanvang. 
 + 
 +Maar toch in die enkele jaren kon men reeds den invloed van het socialisme waarnemen op de geheele maatschappij. Direkt door den steeds wassenden stroom der arbeiders, die overal in het socialisme den heiland begonnen te begroeten, waarnaar zij in vurig verlangen hoopten. Indirekt doordat er leven en beweging kwam in de logge staatkundige partijen. Men voelde dat er iets gedaan moest worden om den invloed van dien vervloekten ‘opruier’ tegen te gaan en dat door hervormingen hetzij in schijn hetzij in wezen de grond onder zijn voeten moest worden weggenomen. Maar nu is het eigenaardig dat als men te laat met zulke dingen begint, de massa - en terecht! - zegt: ziet ge wel dat hij gelijk had, ze beginnen nu eindelijk wat te doen, omdat zij bang zijn voor dien man. En in plaats van minder krijgt hij meer invloed, omdat hij blijkt de stuwkracht te zijn geweest. Logisch als het volk veelal is, begreep het dus flink voorwaarts te moeten gaan, dan zouden er nog grootere dingen gebeuren. Nu moet men niet denken dat dit werk mij in zoo korten tijd gelukt is, omdat het mijn persoonlijke wensch was, neen, het zat als 't ware in de lucht; de ekonomische toestanden waren slecht en alles werkte mede om den persoon, die als 't ware de drager was van den tijdgeest, omhoog te heffen. De arbeiders, die onder den druk waren, gevoelden bij intuïtie dat ik het woord sprak waaraan zij behoefte hadden, dat ik uiting gaf aan de gevoelens die in hen woonden maar die zij niet konden weergeven in woorden. Twintig jaar vroeger zou mijn prediking, al was zij precies dezelfde geweest, die eens roependen in de woestijn zijn geweest en ook hier geldt het woord dat de tijd rijp moet zijn, anders geeft het in het geheel niets. 
 + 
 +Duf was de geest toen ik begon, maar er kwam leven in de doodsbeenderen. Toen de minister van Justitie een enquête deed instellen naar den omvang en de gevolgen van den kinderarbeid,​ toen zag elkeen zeer goed in dat dit een der eerste vruchten was van mijn werken. En toen de resultaten bevestigden wat ik altijd gezegd had, - o.a. op de fabrieken van Regout te Maastricht -, toen er dingen aan 't licht kwamen die ten hemel schreiden, droeg dit bij om te doen zeggen: ziet ge wel, het is alles zooals hij heeft gezegd. Al verwierp men in de jaarvergadering van Volksonderwijs mijn voorstel om op school kindervoeding van gemeentewege te verstrekken,​ de kwestie was aan de orde gesteld en zou aan de orde blijven. En die vereeniging sprak zich voor 't eerst vierkant uit voor leerplicht. Onder den druk der kiesrechtbeweging had men in 1884 besloten tot grondwetsherziening,​ men begreep dat de deur wat verder geopend moest worden, want 1 op de 7 meerderjarige mannen kiezer, dat was toch wel wat al te gek. Verder was ook de werkloosheid in die jaren groot, zoo groot dat de gewone weg van liefdadigheid en armenzorg volkomen onvoldoendebleek te zijn. Wij namen natuurlijk die beweging ter hand en nog herinner ik mij een vergadering in het gebouw der Vrije Gemeente te Amsterdam, die nooit uit mijn geheugen zal gaan onder de duizenden vergaderingen,​ door mij gehouden. De toevloed van menschen was zoo groot, dat het haast tot dooddringen kwam. Er was dan ook geen sprake van dat de menschen allen in de zaal konden komen en daarbuiten op straat stroomde het nog steeds toe, zoodat langzamerhand het heele Leidscheplein vol stond. Ik sprak de menigte toe, om te betoogen dat de werkloosheid voortkwam uit de slechte produktiewijze,​ dat wij, socialisten,​ onmachtig waren brood te geven aan de hongerigen maar dat wij de kwaal peilden om te konstateeren hoe ziek de maatschappij was. De bladen waren ontzet over deze beweging en in ongerustheid riep men dat er wat gedaan moest worden. En jawel, binnen veertien dagen had men twee ton bij elkander om uitdeelingen te doen plaats vinden. Brood, spek en andere levensmiddelen werden verstrekt en dit verhoogde de populariteit der socialisten,​ want het volk zei terecht: dat hebben de socialisten gedaan! 
 + 
 +Men herinnert zich zeker nog wel de groote demonstratie van werkloozen op Trafalgar Square te Londen in het vroege voorjaar van 1886, toen Champion en Burns gevangen werden genomen en op dat plein bloed is gevloeid. Toen sprak Burns o.a.: ‘ik kom hier als werkman zonder werk en als revolutionair. Indien de heerschende standen ons geen brood geven, waarop wij recht hebben en dat zij ons ontstelen, dan zullen wij met lood antwoorden’. Vergelijk hierbij zijn houding tegenover de werkloozen in 1906, toen hij intusschen minister was geworden en precies als alle ministers de menschen aan het lijntje hield door hen met een kluitje in het riet te sturen. Ik zeg niet dat hij als minister iets proefhoudends kan doen voor de werkloozen, hij evenmin als elk ander, want in het teeken der werkloosheid gaat onze kapitalistische maatschappij te gronde, maar is het niet treurig om een voormaligen flinken kameraad, die dit zelf ook heel goed weet, zich zoodanig te zien aanpassen aan de omstandigheden,​ dat hij een ministerzetel aanneemt om op de grondslagen dezer maatschappij voort te gaan bouwen? 
 + 
 +In de buitenlandsche pers kwamen onrustbarende artikelen over den toestand in Nederland voor. De Temps zond een opzettelijken verslaggever hierheen om eens uitvoerig te vertellen hoe het in Holland gesteld was en alstoen verschenen opzienwekkende artikelen in dat blad, waarin op de meest sympathieke wijze over mij werd gesproken en zelfs stelde deze het voor alsof het socialisme ten onzent bijna de overhand had. Nu wordt de Temps ten onzent nogal veel gelezen in de hoogere kringen. Het regende bedankjes en de Temps zag zich verplicht een anderen verslaggever te zenden die hier kwam met de opdracht om de menschen gerust te stellen en artikelen te schrijven, waarin hij vertellen moest dat het niet zoo erg gesteld was met het socialisme als in die artikelen stond geschreven, maar eigenaardig dat een man met zoo'n opdracht, om de dingen niet te beschrijven zooals ze zijn of zooals hij ze ziet, maar om een voorstelling te geven zooals men die zelf wenscht, ten slotte erkennen moest dat ik ‘een der invloedrijkste personen’ in het land was! 
 + 
 +Nog een vergadering maakte een ontzettenden indruk en werkte mede om het socialisme bij de massa te doen doordringen. In het begin van 1884 had in Maison Stroucken te Amsterdam een openbaar debat plaats tuschen den orthodoxen hervormden predikant Westhoff en mij. Terwijl om 8½ uur de vergadering moest beginnen, werd de zaal bij de opening om 7 uur reeds stormender hand ingenomen, zoodat er geen mensch meer in kon; steeds kwamen er meer menschen, zoodat de heele Marnixstraat volgepropt stond. Algemeen was het oordeel dat onze predikant, naar ik meen een eerlijk en welmeenend maar slecht onderlegd man, leelijk in den hoek werd gezet. Zelfs de Standaard, het blad der antirevolutionairen,​ gaf dit niet onduidelijk te kennen en schreef met andere woorden: wat doet die man ook in de kou, hij kon toch begrijpen dat hij het moest afleggen tegen een man als Nieuwenhuis,​ die heelemaal in die dingen leeft. 
 + 
 +Aan deze vergadering is nog een aardigheid verbonden. Een der bestuurders van de Arbeiterbildungsverein,​ waarvan deze vergadering was uitgegaan, begaf zich met het nummer van het blad waarin dit gestaan had, naar dr. A. Kuyper, den redakteur, en met het leukste gezicht zei hij tot dezen: u heeft dit geschreven in uw blad en gij oordeelt dus dat ds. Westhoff niet de bekwaamheid heeft om een debat te voeren; nu is het ons te doen om de waarheid en daarom noodigen wij u uit om met Domela Nieuwenhuis een debat over het socialisme te houden. Dr. Kuyper zag wel wat verbaasd op en zei dat hij daarover nog eens denken moest en dat hij graag de statuten der vereeniging eerst wilde zien. Hij kon dus niet dadelijk besluiten. Nadat hij de statuten gekregen had, stuurde hij een briefje waarin hij bedankte, omdat hij geen reklame wenschte te maken voor het socialisme. Ik heb dat nooit begrepen, want dat is een echt verlegenheidsargument. Indien hij werkelijk overtuigd christen was, dan moest hij deze eenige gelegenheid om onder ongeloovigen reklame te maken voor zijn christendom,​ met beide handen hebben aangegrepen. Hij gaf hierdoor een bewijs van onmacht, dat men niet van hem verwacht had. Zoo moest het debat overgaan en voorts is het misschien voor menigeen van belang om te weten dat ik persoonlijk nooit in aanraking ben geweest met dr. Kuyper. 
 + 
 +In het begin van het jaar 1884 begonnen de vervolgingen. Ik had namelijk in het nummer van 5 April het bekende gedicht van Heine ‘De wevers’ vertaald opgenomen met de onderteekening van H. Heine. Dat was te erg in de oogen der justitie en ik werd gedagvaard om mij te verantwoorden. Het bleek dat de geïnkrimineerde woorden waren: ‘Gevloekt zij de koning, de koning der rijken’. Daarbij had deze schier ongelooflijke gebeurtenis plaats. De rechter namelijk vroeg mij het adres van dien meneer Heine, toen ik hem verklaard had dat deze de maker was, zooals de onderteekening ook aangaf. Ik antwoordde dat die meneer Heine allang dood en overigens een zeer bekend Duitsch dichter was. De man scheen daar niets van te weten maar te begrijpen dat hij een leelijken flater had begaan. Tot zijn vergoelijking kunnen wij alleen aanvoeren dat in plaats van ‘Duitschland,​ wij weven uw lijkendoek’ gezet was Holland, enz. maar dat hij het gedicht niet kende, dat was al sterk genoeg. En heel nuchter was zeker de vraag, of met den koning der rijken bedoeld was de koning der Nederlanden. Van een vervolging is natuurlijk niets gekomen, men had zich voldoende gekompromitteerd om de zaak niet in de openbare terechtzitting te doen komen. Maar ... wat in 't vat is verzuurt niet, zooals men later zal bemerken. 
 + 
 +Een groote beweging veroorzaakte een Proklamatie,​ gedateerd 23 Mei 1885 uit Karlsbad, die in den nacht van 27 op 28 Mei 1885 werd aangeplakt op de muren van Amsterdam en die onderteekend was Willem en De minister. Daarin stond dat de koning, begaan met de ellende des volks en zijn einde voelende naderen, afstand deed van zijn jaarlijksch traktement van ƒ 600.000, alsmede van de inkomsten uit de domeinen en ‘van al wat verder uit het zweet en bloed der arbeiders afdruppelde op ons en onze verdorven hofhouding’,​ dat hij vrede sloot met Atjeh, het staande leger afschafte en invoerde een algemeene volkswapening,​ dat hij afstand deed van de kroon voor zijn nakomelingen en de kamers ontbond, om door een beroep op het geheele volk een beslissing te doen nemen omtrent den regeeringsvorm. 
 + 
 +Dadelijk zag men daarin de socialisten,​ ofschoon het socialisme als zoodanig niets met den inhoud te maken had. Een huiszoeking op onze drukkerij te 's Gravenhage had reeds op 28 Mei plaats, om de herkomst der proklamatie vast te stellen. Men vond echter niets. En op denzelfden dag werd de sekretaris van de afdeeling Amsterdam van den Bond voor Algemeen Kiesrecht, B. van Ommeren, gearresteerd als vermoedelijke dader. Ofschoon de bewijzen uiterst zwak waren, werd hij veroordeeld op de getuigenis van één rechercheur,​ die beweerde hem op vrij grooten afstand te hebben herkend, en ofschoon de man vóór de konfrontatie gezegd had dat de bewuste persoon knevel en bakkebaarden droeg, wat niet het geval was, werd v. Ommeren veroordeeld tot 1 jaar gevangenisstraf in eenzame opsluiting. Een enorme agitatie heerschte er in de stad en dagelijks hadden er vechtpartijen plaats met de politie. Allerlei veroordeelingen volgden, de een kreeg 1 jaar, de ander 4 maanden, een derde 2 maanden en allen wegens verzet tegen de politie. 
 + 
 +Daarbij kwamen de reeds vermelde onthullingen van de Pall Mall, de beruchte prostitutie-schandalen,​ waarin tal van aanzienlijke personen, met den prins van Wales (den onlangs overleden koning Edward) en den koning van België aan het hoofd, waren betrokken. Bij duizenden werd ons blad in die dagen verkocht. Wij hadden oplagen van 20 tot 30.000, die grif van de hand gingen. 
 + 
 +Eindelijk had in dat jaar ook de groote, indrukwekkende kiesrechtdemonstratie te 's Gravenhage in het Gebouw van Kunsten en Wetenschappen plaats, waar het woord werd gevoerd door Postma namens het Werkliedenverbond,​ van der Stad namens den Soc. Dem. Bond en van Raay en mijn persoon namens den Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht. Op verschillende plaatsen werden de afgevaardigden bij hun terugkomst feestelijk ingehaald; op sommigen hadden echter vijandelijke demonstraties plaats. Er vielen heel wat slachtoffers. Maar er ging slechts één stem op over de grootsche en waardige wijze waarop men betoogd had. Deze heele beweging was heel wat grooter en indrukwekkender dan de latere, die de Soc. Dem. Arbeiders Partij in 1906 en latere jaren op touw heeft gezet. Ondanks alle geschreeuw van die zijde won de beweging twintig jaar geleden het verre boven die van heden. 
 + 
 +Ik had in dien tijd kennis gemaakt met enkele ambtenaren van verschillende departementen en onder hen noem ik meer in het bizonder Croll, omdat hij in de beweging een grootere rol heeft gespeeld, daar ik hem tot mijn mederedakteur aan het blad nam. Deze was ongetwijfeld een goede kracht, die met zijn scherpe pen snedig wist om te gaan. Wij hebben altijd goed samengewerkt en ik mocht dat kleine, pittige ventje graag lijden, die wel is waar een afkeer had van het volk omdat dit hem tegenstond, maar die uit een gevoel van rechtvaardigheid toch de zijde des volks koos. Toen hij voor de keuze gesteld werd om òf zijn plaats als ambtenaar, dus zijn bestaan op te geven, òf zijn plaats in den Centralen Raad der partij, koos hij ofschoon onbemiddeld het eerste, daar hij meende grondwettig het recht te hebben lid van dien raad te zijn. Alweer nieuwe propaganda voor onze zaak, want slachtoffers komen altijd een beginsel ten goede. Omdat hij een zeer zelfstandig karakter had, gaf ik hem uit mijn zak ondersteuning in den vorm van traktement voor zijn medewerking aan het blad, wat ik later te beter kon doen door hem zoogenaamd tot mijn sekretaris te maken. Zoo gaf ik hem de helft van mijn traktement als kamerlid, terwijl ik de andere helft besteedde aan de propaganda, want daar ik er niet van hoefde te leven, wilde ik niets van dat traktement genieten. Hadden niet andere invloeden op hem ingewerkt, om hem tegen mij op te zetten en zelfs gemeene brochures tegen mij te schrijven, ik geloof niet dat wij ooit van elkander vervreemd waren. Want ik heb er altijd spijt over gehad, omdat ik hem in den grond der zaak graag mocht lijden en hem hield voor een overtuigd socialist. Wat heb ik later vreemd opgekeken, toen hij het voorstelde alsof een beginselverschil ons scheidde, want nooit hebben wij eenige ernstige diskussie over beginselen gehad. Van nature was hij autoritair en vreemd klonk het mij toe dat hij mij beschuldigde van hetgeen hij zelf was.[13] Dat hij zich tegenover mij uitspeelde als den anarchist, dat was niet eerlijk. Maar zijn tragische dood in 1895, waarover altijd een sluier ligt uitgespreid - en dat is misschien goed ook - maakte een einde aan een leven dat zooveel belovend was geweest voor de zaak der onterfden. 
 + 
 +Want hoewel sociaaldemokraat heb ik altijd eenige sympathie gevoeld voor de anarchie, omdat daarin het vrijheidsbeginsel,​ mij steeds zoo lief, lag opgesloten. Als ik mijn heele leven naga, ontdek ik daarvan voortdurend de sporen. 
 + 
 +Onze Hollandsche oude beweging heeft zich hierin altijd onderscheiden van die in andere landen, dat zij een vrijheidlievend,​ een indedaad revolutionair karakter bezat en niet als de latere sociaaldemokratische heelemaal gevormd werd naar Duitsch model. Wij zijn dan ook geruimen tijd samengegaan met de anarchisten en al is het waar, dat ik mij wel eens schrap heb gezet tegen hen of liever tegen sommigen hunner, zij zelven zullen nu de eersten zijn die erkennen dat zij de vijandschap zochten en uitlokten. Maar dikwijls is dit niet gebeurd, want de meeste artikelen tegen de anarchie in het blad zijn niet van mijn hand. Het spijt mij altijd dat ik niet van den beginne af mijn artikelen met een letter heb geteekend, want nu ben ik dikwijls aansprakelijk gesteld voor hetgeen ik niet geschreven heb. En ik ben altijd wat vrijgevig geweest in het opnemen van wat anderen schreven, omdat ik bang was machtsmisbruik te maken van mijn positie als redakteur. 
 + 
 +Zoo is het zeker merkwaardig,​ dat niet een verklaard anarchist, maar ik Peter Kropotkine hier te lande heb binnengeleid door een vertaling van zijn Woord aan de Jongelieden in het jaar 1885 met een kleine voorafgaande,​ zeer sympathieke levensbeschrijving. Toen de Vlaamsche sociaaldemokraat Edmond van Beveren in een artikel van 7 November 1885 kwam waarschuwen tegen het anarchisme krachtens internationale ervaringen, toen kwam ik er in een onderschrift tegen op, dat hij sprak van de ‘dolle theorieën’ van het anarchisme. Een bekend verslaggever van de Figaro schreef in 1885: ‘wat de sociaaldemokraten betreft, dat zijn de mannen van de roode vlag en zelfs - als ik mijn oogen mag gelooven - van de zwarte vlag der anarchie’. In zijn Dageraad der Volksbevrijding verwijt Vliegen mij, dat ik ‘altijd gaarne ietwat koketteerde met het anarchisme, althans zeer ongaarne mij er vierkant tegenover stelde’. En in een artikel over de Fransche verkiezingen in 1885 (zie het nummer van 28 Oktober) oordeelde ik reeds heel gunstig over een anarchistischen oproep tot onthouding bij de stembus, terwijl ik zeer duidelijk te kennen gaf niet te behooren tot hen, die meenen dat het algemeen stemrecht redding zal brengen. 
 + 
 +Hierbij komt dat ik reeds vroeg in verbinding heb gestaan met verschillende buitenlandsche anarchisten en ik deelde niet den haat, dien sociaaldemokraten van den echten stempel, dat zijn de door Duitschland gemerkte, voor elk anarchist gevoelen. 
 + 
 +Onder de personen, met wie ik het vroegst in aanraking ben gekomen, behoort de Indische ingenieur Henri van Kol, met wien ik jarenlang in vertrouwelijke vriendschap heb gestaan, een vriendschap die vooral door invloeden van buiten op treurige wijze is afgebroken geworden, om te ontaarden in een vijandschap,​ die op den grond der ziel bij geen van beiden bestaat. Reeds in 1881 traden wij in korrespondentie en toen hij met Nellie trouwde, werd het nog intiemer. O, als ik de brieven van deze twee nog eens overlees, dan vind ik daar een onbegrensde,​ matelooze vereering in. Ik was hun Christus, hun heiland, hun alles. En wanneer dan later van die zijde geklaagd wordt over persoonsvereering,​ die afgekeurd wordt, dan zou ik wel eens willen vragen of niet juist zulke personen daartoe het meest hebben bijgedragen. Ja, is het niet merkwaardig hoeveel Ferdinandjes er rondloopen in de sociaaldemokratische partij, daar mannen als Fortuyn, Vliegen, van Kol en zooveel anderen een hunner kinderen naar mij noemden, toch zeker omdat zij daardoor mij in hun kinderen wilden huldigen. Wat b.v. te zeggen van het volgende versje van Nellie (zie Recht voor Allen van 1889, No. 199): 
 +Op Ferdinands eersten verjaardag. 
 +  
 +  * Naar den //denker// heet hij ‘Karel’[14],​ 
 +  * Naar den //doener// ‘Ferdinand’[15];​ 
 +  * Och, bleek eens ons heerlijk ventje 
 +  * Aan die beiden nauw verwant. 
 +  
 +  * Mocht hij kind zijn in de boosheid, 
 +  * Vrouw naar 't hart, man in 't verstand, 
 +  * Held in 't denken, zooals Karel, 
 +  * Held in 't doen, als Ferdinand. 
 +  
 +  * Heerlijk ventje, dat zoo vroolijk 
 +  * Dartelt aan uw moeders hand, 
 +  * Wilt ge eens mijn zorgen loonen, 
 +  * Wilt ge uw liefde mij betoonen? 
 +  * Wordt als Karel en Ferdinand! 
 + 
 +En Rienzi (van Kol) spreekt er zijn zegen over uit: Zoo zij het! 
 + 
 +In 1884 maakten wij persoonlijk kennis, daar hij in dat jaar met verlof in Nederland kwam en gedurende al dien tijd bleven wij goed bevriend, gelijk de latere korrespondentie - denkt maar aan het bovengenoemd versje - voldingend bewijst. En pas bij zijn tweede verlof in 1892 begon de verhouding te verslappen. Voornamelijk is het 's mans ijdelheid, die daarvan de oorzaak is. Niet dat wij ijdelheid afkeuren, o neen, elk mensch bezit er een dosis van en als wij ons anders voordoen, dan meenen wij het niet, maar men moet zijn ijdelheid in toom weten te houden en niet haar tot allerlei uitspattingen laten komen. Ik nu heb niet het vermogen om iemand te vleien, misschien omdat ik er zelf niets van houd gevleid te worden en er zelfs verlegen onder word als iemand het mij doet, ook niet om te spekuleeren op iemands zwakke zijde, ook al ken ik deze en dus ik heb hem niet gevleid. Anderen daarentegen,​ die de zwakke zijde gauw bespeurden, wisten deze op de schandelijkste wijze te exploiteeren. Gul als hij was, heeft het geld gestroomd in die dagen in de partij. Het geleek wel alsof allen waar wilden maken, wat een der voorgangers eens rondweg tegen mij zei: je ziet, het geld moet toch op, die vent is gek, laat ons dus zorgen dat wij er ons deel van krijgen. 
 + 
 +Het is onjuist, dat wij vervreemd zijn door mijn aanvallen op Liebknecht, want op het kongres te Zwolle erkende van Kol dat Liebknecht begonnen was en hoewel mijn aanvallen betreurende schaarde hij zich aan mijn zijde en vond ze gerechtvaardigd,​ terwijl hij mij reeds in 1890 schreef: ‘de houding van Liebknecht tegenover u heeft mij meer gehinderd dan verwonderd: reeds vaak vernam ik van flinke Duitsche partijgenooten en verbannenen dat hij een autocraat is van top tot teen, hij is dan ook geenszins populair. Liebknecht zal nooit de groote gave bezitten om zich mede te bewegen met den tijd, zijn standpunt blijft hij handhaven, maar de beweging gaat vooruit en is die gang wat sneller, dan zal Liebknecht nog meer ten achteren blijven; voor het socialisme is van hem niet veel meer te hopen’. 
 + 
 +Evenmin is het waar dat de verhouding onzer wederzijdsche vrouwen hieraan schuld heeft, want toen Nellie in 1892 terugkwam, logeerde zij bij ons en daarna nog schreef v. Kol mij, dat het hem zoo aangenaam was dat de wederzijdsche dames het zoo goed met elkaar konden vinden en dat Nellie met genoegen kennis had gemaakt met mijn vrouw. 
 + 
 +Wij hebben elkander onbeperkt vertrouwd, gelijk het vrienden past, hij door mij zijn heele vermogen in beheer en bewaring te geven, ik door hem als vriendendienst ƒ 30.000 te verstrekken op ondernemingen waarvan ik niets wist, zelfs niet waar ze gelegen waren. Nu heeft hij mij beslist unfair behandeld, dat zal elkeen moeten toestemmen. Hij toch bood mij 8% aan, omdat dit de gebruikelijke rente in Indië is, maar ik nam dit niet aan en stelde hem voor 5% vaste rente en dan aandeel in de winst naar gelang de zaken goed gingen. En toen de zaak op poten stond en mede met mijn geld goed was geworden, toen gaf hij mij het geld terug, waar hij wettelijk het recht toe had. Der Mohr hat seine Schuldigkeit gethan und kann gehen. Als dat een nette behandeling is, dan weet ik niet meer wat daaronder te verstaan. Voeg hierbij gekwetste auteursijdelheid,​ omdat er niet genoeg werk werd gemaakt van zijn brochure Christendom en Socialisme en ik niet gunstig genoeg had gesproken over een zijner andere brochures en gij begrijpt zielkundig de verwijdering. Ik zou hierover veel meer kunnen schrijven, maar ik meen mij in dezen zooveel mogelijk te moeten beperken en dus alleen datgene te vermelden, wat strikt noodig is ter verklaring van een zaak, die mij een tijdlang letterlijk het leven vergald heeft. 
 + 
 +Daar alle lokalen voor ons gesloten waren te Amsterdam, moesten wij wel uitzien naar een vergaderplaats en die vonden we ten slotte in het zoogenaamde Volkspark buiten de Raambarrière. Wie dat gebouw of dat komplex van gebouwen ooit gezien heeft, zal het niet vergeten hebben, want het was een echte vergaderplaats voor de verschoppelingen der maatschappij. Over een smal bruggetje ging men langs het zoogenaamd steenen huis, zeker zoo genoemd omdat het het eenige steenen gebouw op het terrein was - de anderen waren van hout - waarin ook een kamer was voor bestuursvergaderingen. Aan de andere zijde had men kleinere zalen of loodsen, in de eene waarvan nog wel 800 menschen konden geborgen worden. En eindelijk aan het uiteinde lag de zoogenaamd groote zaal - het woord zaal klinkt wel wat grootsch, maar het droeg nu eenmaal dien naam - waarin 1500 menschen bijeen konden komen. Maar het geheel was zoo bouwvallig, dat wij er meermalen gesproken hebben, terwijl de menschen de paraplus hadden opgezet voor de regen, die er overvloedig binnenstroomde. Op het terrein tusschen de gebouwen konden wel eenige duizenden plaats vinden en het is meermalen gebeurd dat er wel 8 à 10.000 menschen bij elkander waren. Wat daar al niet afgespeeld is! Maar de menschen voelden er zich vrij en frank, alsof zij in hun eigen huis waren en alle oudere partijgenooten zullen nu nog den tijd van het Volkspark beschouwen als den bloeitijd der beweging. Eenmaal heeft men getracht aan den vooravond van een onzer groote vergaderingen het gebouw in brand te steken, om ons op die wijze het vergaderen te beletten, maar dit gelukte niet, omdat het hout te vochtig was, het wilde niet branden. Het was een ergernis voor heel het fatsoenlijke Amsterdam, dat wij zoo'n hol hadden, waarin menigeen zich niet waagde. Zoodra wij vergaderingen hielden, stroomde het erheen, maar wij deden het ook in andere lokalen, als wij er de gelegenheid maar voor vonden en dat gelukte wel eens, omdat wij de list aanwendden om onder een anderen, gefingeerden naam een zaal aan te vragen. Meestal hadden wij sprekende onderwerpen,​ die veel menschen lokten. Zoo sprak ik over de vraag: wie zijn de dieven? om onder dien titel de eigendomsvraag te behandelen. Een goed pakkend onderwerp opgeven is van evenveel belang als de titel van een boek. Menigeen denkt dat dit er niet op aan komt, maar dat is niet waar. Fortuyn sprak toen in café Zincken over de vraag: wie zijn de moordenaars?​ - eigenlijk omdat ik verhinderd was - en die vergadering is historisch geworden, omdat zij door de politie werd uiteengeranseld. Hoort hoe een bourgeois-blad,​ de Amsterdammer dit tooneel teekent: ‘vrouwen gillen; mannen schreeuwen; een enkele stoel wordt omhoog geheven; sommigen vluchten naar het belvedère; de vertegenwoordigers der pers beklimmen de hoogte waar de tribune staat; de agenten van politie slaan op de menigte in. Ook aan de buitenzijde bij den ingang verschijnen agenten, de menigte is feitelijk ingesloten; agenten hier; agenten daar; agenten overal; de kachel wordt ineengeslagen;​ de menigte baant zich een weg door de ruiten, geen glas blijft er heel. Tafels en stoelen worden omver geworpen, spiegels gebroken. Binnen tien minuten is het lokaal grootendeels ontruimd. Alleen de heer Fortuyn blijft schijnbaar kalm op zijn katheder staan, omringd door de leden van het bestuur’. Verschillende personen werden min of meer ernstig verwond, terwijl anderen in het water werden gedreven. Natuurlijk dat dit veel kwaad bloed zette en in Recht voor Allen werd rondweg de bewapening des volks gepredikt. ‘Partijgenooten’,​ zoo leest men in dat blad, weet dus wat u te wachten staat, wat rest ons nu? De wapens’. Een aanklacht bij den officier van Justitie, ingediend door Fortuyn, ging de prullemand in; daarentegen werd deze veroordeeld tot ƒ 100.- boete of 2 maanden hechtenis, omdat hij de regeering voor moordenaars had ‘uitgescholden’. 
 + 
 +Men moet dezen tijd mede hebben beleefd om de heerschende stemming te begrijpen en steeds hooger verhieven zich de golven op de woelige zee van het volksleven. 
 + 
 +In het begin van 1886 hadden wij het eerste verschil in de partij, dat een tijdlang de gemoederen bezighield. Van Raay, een jong man met een goed verstand en beredeneerd,​ ofschoon een slecht timmerman, maakte als spreker nog al opgang, maar over 't paard getild verbeeldde hij zich nog al veel. Hij meende het lot van de leiders in handen te hebben door een bewijsstuk, waaruit bleek dat de proklamatie,​ waarvoor van Ommeren gestraft was, wel degelijk op onze drukkerij gedrukt zou zijn en dreigde daarmede om zoodoende zijn positie te versterken. Dit werd als verraad jegens de partij beschouwd, ten gevolge waarvan hij met een paar anderen uit de partij werd geroyeerd. Daarop gaf hij een brochure uit, getiteld: Mijn afscheid van den soc. dem. Bond, het voorbeeld gevende aan zoovele anderen. In geen land toch is het zoo gebruikelijk als hier, om bij zijn verlaten der partij een brochure uit te geven, ten einde zich zeer gewichtig te maken. Zoo hebben wij er behalve deze ook een van Croll en een van Rienzi, die allen dit met elkander gemeen hebben dat zij eigenlijk gericht zijn tegen mijn persoon. Van Raay deed aan 't einde heel listig een poging om ‘heeren’ en arbeiders van elkander te scheiden door het oprichten van een partij, die uitsluitend uit handarbeiders zou bestaan. Op deze brochure werd door mij namens den Centralen Raad geantwoord door een andere, die getiteld is: Vijf en dertig leugens in één vijfcentsbrochure of de hoop der toekomstige Arbeidsrpartij,​ waarin hij zoodanig vernietigd werd, dat er van zijn partij ook niet veel terecht is gekomen. Onder degenen die toen met hem meegingen, behoorde ook Vliegen, die later zoo'n groote rol speelde in de Soc. Dem. Arbeiders Partij. Er zijn er die het mij kwalijk namen dat ik dezen persoon weer mijn vertrouwen schonk, toen hij tot ons terugkeerde en die zeiden: eens een verrader, steeds een verrader! Soms als ik de verdere geschiedenis van dezen man naga, denk ik wel eens dat men gelijk had, maar ik nam - misschien te onzaliger ure - aan, dat een mensch zich verbeteren kan en nam hem dus een tijdlang weer in vriendschap op, om later op nieuw door hem verraden te worden. 
 + 
 +Invloed op de partij heeft dit standje niet gehad en van Raay kwam ten slotte terecht, waar wij hem voorspeld hadden dat hij zou komen, nl. in het Werkliedenverbond. Zijn vroegtijdige dood in 1893 maakte een einde aan zijn leven, anders gelooven wij zeker dat hij op nieuw zou zijn opgedoken in de Sociaal Demokratische Arbeiders Partij, waar hij met zijn zoogenaamde bekwaamheid nog wel een rol had kunnen spelen. 
 + 
 +Te dezer plaatse moet ik ook melding maken van een geheimzinnige figuur, die èn in Duitschland èn in Nederland door de macht van zijn geld achter de schermen veel invloed heeft uitgeoefend. Ik bedoel Ignatius Bahlmann, familie van de bekende groote firma in manufakturen,​ waarin hij nog vennoot is, een echt katholieke familie, een man die zijn naam Ignatius met eer draagt, want hij ontzag zich niet de gewone Jezuïtische middelen te gebruiken jegens hen, die hij uit den weg wilde ruimen. Plotseling kwam hij opdagen en altijd 's avonds in den donker uit de lucht vallen ven even snel was hij weer verdwenen als het daglicht was aangebroken. Hij wilde de partij hier heelemaal vormen naar de Duitsche, waar hij bizonder mee was ingenomen en een zelfstandig oordeel over die partij kon hij niet verdragen. Een tijdlang was hij erg met mij ingenomen en gaf hij finantieelen steun waar deze noodig was. Maar wee wanneer men van hem verschilde, dan gebruikte hij de laagste middelen om iemand te gronde te richten. Om de oprichting onzer drukkerij Excelsior mogelijk te maken, kochten wij een stuk grond met woningen erop, uit wier huur de kosten betaald konden worden. Wij, dat wil zeggen Bahlmann en ik, gaven gezamenlijk een hypotheek van ƒ 35.000, maar slechts voor den vorm, daar gezegd was dat geen hypotheek op twee personen gegeven kon worden; hij verschafte de eerste à ƒ20.000 en ik ƒ15.000, die als tweede hypotheek werd gegeven. Nu verkoelde sints het internationaal kongres van 1889 de vriendschap tusschen ons wegens het oordeel van Recht voor Allen over dat kongres. Toen nu de opzeggingstermijn om was in het jaar 1894, zei hij zijn hypotheek op, omdat hij niets meer te maken wilde hebben met een partij die niet blindelings loopen wilde aan den leiband der Duitsche. Hij wist natuurlijk heel goed dat men onmogelijk ƒ 20.000 in geld kon afbetalen, maar het was hem te doen om ons in moeilijkheden te brengen en mij te ruïneeren. Voor zijn rente behoefde hij niet bang te zijn, want de gebouwen brachten aan huur een som van ƒ 1768. - op, terwijl zijn rente ƒ 800. - bedroeg. Toen liet hij op 9 April van dat jaar de gebouwen gerechtelijk verkoopen en stak als eersten hypotheekhouder de koopsom geheel op, die nog geen ƒ 20.000 bedroeg. Hij gaf geen cent aan mij, ofschoon wij beiden dezelfde rechten hadden, want al stonden er wettelijk twee hypotheken op, zedelijk vormden deze er slechts eene. De billijkheid vorderde nu dat elk in verhouding van zijn kapitaal zijn deel kreeg van de koopsom. Hij echter draaide er zichzelf uit en ik kreeg - niets. Ja, de man was zoo vriendelijk mij voor te stellen die perceelen te koopen, dan zou hij persoonlijk aan mij dat bedrag als hypotheek geven. Hij voelde dus dat hij onrecht deed of wel uit vrees dat de geheele som er niet uit zou komen, dacht hij die gebouwen op te draaien aan mij, om zoo doende voor zijn geld gedekt te zijn. Ik zei hem: maar waarom koopt gij ze dan niet zelf? Maar daartoe had meneer geen lust! Het was hem te doen om mij te ruïneeren en daartoe maakte hij van zijn wettelijk recht gebruik, zonder rekenschap te houden met het zedelijke. Toen ik hem dit persoonlijk verweet, zweeg hij. Indedaad hij draagt zijn naam met eere, hij heet Ignatius en hij is Ignatius. Zietdaar wat de wraak is van een parlementair socialist, waaruit men zien kan dat zij niets ontzien om een politieken tegenstander te treffen. In No. 37 van den jaargang Recht voor Allen 1894 is dit vereeuwigd aan den schandpaal. Om mij moreel tot zwijgen te doemen, hebben èn Bahlmann èn van Kol mij finantieel willen ruïneeren ter eere van de partij en ofschoon ik niet gaarne alle katholieken over één kam wil scheren, is het toch merkwaardig dat beiden katholiek zijn van afkomst en opvoeding. Het moet hun hard vallen dat dit ondanks de laagste middelen niet gelukt is. O, als men wist hoe groote macht het kapitalisme heeft uitgeoefend op de socialistische partijen, menigeen zou verbaasd opkijken. 
 + 
 +Het is treurig zulke dingen nog eens in herinnering te moeten brengen en toch is het noodig om de verhoudingen te kenschetsen en de mannen te signaleeren,​ die niet hebben opgehouden mij in den vreemde te bekladden en zwart te maken. Eerlijk verklaarde mij eens een Duitscher van het jongere geslacht, hoe hij mij altijd had gehouden voor een warhoofd en een stokebrand en dat kwam omdat hij altijd in dien geest over mij had hooren spreken of gelezen in de Vorwärts en andere sociaaldemokratische bladen en dus onder den invloed van Liebknecht en dergelijke personen zich een averechts verkeerden indruk van mij ontvangen had. 
 + 
 +Maar naast deze personen kwam ik in aanraking met anderen, die een aangename herinnering achterlieten. 
 + 
 +De jaren 1886 en 87 waren voor mij en ook voor de geheele sociaaldemokratische partij de woeligste die wij beleefden. Telkens was er iets en wij konden de gebeurtenissen die ons als 't ware overvielen, bijna niet bijhouden, zoodat ten slotte mijn opsluiting in de gevangenis mij een tijdlang een gedwongen rust bezorgde, die misschien niet slecht heeft gewerkt. 
 + 
 +Ik was ook redakteur van een blaadje Oost en West, dat veel gelezen werd in Indië. Zekere Plettenberg uit den Haag, die zelf een plaats kreeg aan het Vaderland en nu niet meer in andere bladen mocht schrijven, bood mij dit blad aan en ik aanvaardde het, ofschoon het mij weer meer werk bezorgde. Zoo kwam ik in aanraking met den niet-eervol ontslagen Oost-Indischen ingenieur S.E.W. Roorda van Eysinga, een der vaste medewerkers aan dat blad en wij raakten eerst door schriftelijke korrespondentie - hij woonde te Clarens in Zwitserland - en later door persoonlijke aanraking met elkander bevriend, een vriendschap die helaas! kort duurde door den dood van Roorda op 23 Oktober 1887. Sicco Roorda van Eysinga en Eduard Douwes Dekker, deze twee namen omvatten een stuk geschiedenis van Nederland en zijn Oost-Indische bezittingen,​ dat waarlijk niet strekken kan om den roem van ons land op het einde der XIXe eeuw te verhoogen. Het getuigt zeker niet voor hen, die de macht in handen hebben, dat de mannen, op wie het nageslacht eens grootsch zal zijn, gedurende hun leven gedwongen werden om òf het land te verlaten en hun betrekking vaarwel te zeggen om in meerdere of mindere mate in den vreemde een armzalig bestaan voort te slepen òf elders een loopbaan te zoeken, die hun ontzegd was in hun vaderland. 
 + 
 +Ten gevolge van den Vloekzang, een profetie waarin hij den laatsten dag der Hollanders op Java aankondigde,​ een zeldzaam krachtig en scherp gedicht dat opgenomen is in den Max Havelaar achter in de Noten, werd hij door den liberalen gouverneur-generaal Sloet van de Beele uit Indië verbannen. ‘Niet-eervol ontslagen ingenieur’ - zoo betitelde hij zich bij voorkeur, omdat zijn hoogste eer was om door zoo'n regeering niet-eervol te worden ontslagen en de getuigenis van zijn Javaanschen bediende, die 13 jaar in zijn dienst was en snikkend zijn goeden meester verliet met de woorden: ‘Mijnheer is te goed voor den kleinen man’ was hem meer waard dan een ridderorde van de regeering eens lands, dat zoo terecht door Multatuli gesignaleerd werd als een roofstaat tusschen Schelde en Eems. Ik wijdde aan zijn nagedachtenis een kort woord om zijn leven eenigzins bekend te maken, wat men vindt achter zijn Verspreide Stukken, een reeks artikelen uit Recht voor Allen, die afzonderlijk onder dien titel door de partij zijn uitgegeven als bewijs van hulde voor zijn openlijk en rondborstig partij trekken voor de kleinen en onterfden. 
 + 
 +Hij vatte na mijn veroordeeling de pen op om nu ook als medewerker van mijn blad op te treden en zijn gepeperde artikelen, waarin hij niemand en niets ontzag en die getuigden van een scherpen blik en een verbazende belezenheid,​ werden met graagte gelezen, evenals het als brochure verschenen Leven van koning Gorilla, dat in duizenden exemplaren onder de menigte werd verspreid en veel bijdroeg om het laatste vonkje liefde voor den toenmaligen koning Willem III bij het volk weg te nemen. 
 + 
 +Roorda was evenmin als zijn vriend Douwes Dekker een partijman, hij was een franc-tireur die op eigen risiko en voor eigen verantwoordelijkheid zijn schoten richtte op de machthebbers onzer maatschappij. Hij ging door voor wat men in den regel noemt een ‘lastig mensch’, maar dat kwam omdat hij niets over zijn kant liet gaan en waar hij onrecht zag, daar trad hij ertegen op zonder aanzien des persoons. Maar hij was een trouw vriend, die onrecht wist te bekennen wanneer hij overtuigd werd iemand onrecht te hebben aangedaan. Rondborstig en eerlijk van karakter moest hij elkeen aantrekken, die deze eigenschappen zelf bezat en ten toon spreidde. En hoe fijngevoelig hij was, dat bleek uit de wraakneming,​ die hij zijn vijanden toewenschte. Eenmaal aan zijn gastvrijen disch zittende met de vroolijke gezichtjes zijner kinderen voor zich, voegde hij mij uit de volheid des harten toe: ‘wilt ge wel gelooven, dat ik één ding wenschte, nl. dat mijn vijanden, die steeds mijn ongeluk wilden, eens hier kwamen en zagen hoe gelukkig ik ben te midden der mijnen, dat zou de beste straf zijn, die ze kregen voor al wat ze mij aandeden’. 
 + 
 +Niemand heeft Roorda ook goed gekend, die hem niet gezien heeft in zijn huiselijke omgeving, te midden der zijnen. 
 + 
 +Mijn veroordeeling trof hem bizonder en in volle verontwaardiging greep hij naar de pen om in mijn blad de regeerders te geeselen op vlijmende wijze. Wat zijn standpunt aangaat, hij behoorde tot die vrijgeesten,​ die eigenlijk afkeerig zijn van elke partij en omdat hij buiten de beweging stond, begreep hij te weinig hoe het ongeorganiseerde proletariaat het moest verliezen tegen de georganiseerde macht van het kapitalisme. ‘Ik ben niet in elk opzicht anarchist, vooral niet communist, maar nog veel minder ‘étatiste’. Maar ieder kan socialist zijn onder de leuze van Littré: ‘het socialisme is het streven naar een beteren, nu nog onbekenden vorm der maatschappij’ - zoo schreef hij mij, zonder te begrijpen dat men aan zoo'n bepaling niets heeft, want op die wijze is zoo wat elkeen socialist. Een bepaling moet toch dienst doen om iets te bepalen en nu voldoet Littré heelemaal niet aan die voorwaarde. 
 + 
 +Te Clarens woonde toen ter tijd ook Elysée Reclus en deze beide mannen kwamen meermalen met elkander in aanraking en waardeerden elkander ten volle. Ik kwam daar ook voor het eerst in persoonlijke aanraking met dezen sympathieken,​ zachtzinnigen man, wiens vriendschap ik tot aan zijn dood mocht behouden. Van dezen kreeg Roorda de opdracht om in diens wereldberoemde Géographie Universelle dat deel te bewerken, waarin de Indische Archipel een plaats zou vinden. Reeds had hij de voorbereidende studiën achter den rug en met groot welgevallen deelde hij mij mede, hoe gelukkig hij was met die opdracht. Immers dat werk zou de kroon zetten op zijn leven, daar hij nu in de gelegenheid was om in een taal - het Fransch - die algemeen gelezen werd en in een werk zoo algemeen verbreid als dat van Reclus aan de wereld te vertellen, op hoe 'n schandelijke wijze de Nederlandsche regeering had huis gehouden in Indië, een land op zichzelf zoo rijk aan hulpbronnen,​ dat bij goed beheer die eilandengroep schier alleen in staat zou zijn door haar onuitputtelijken rijkdom de geheele wereld van alles te voorzien wat men noodig had. Helaas! het mocht niet zoo zijn, want vóórdat hij zijn werk begon, rukte de dood hem uit ons midden weg. Juist even vóór zijn dood had ik hem nog een bezoek gebracht, dat de aangenaamste herinneringen achterliet, nadat ik hem ook reeds in 1886 vóór mijn gevangenschap had bezocht, toen ik mijn oudsten zoon naar Zwitserland bracht, om te Lausanne onder zijn toezicht zijn studiën voort te zetten. Roorda was een man van een hoog karakter, en de fouten, die hem eigen waren, kan men beschouwen als de gebreken zijner goede hoedanigheden. Hij bezat hart en dat mag in onze hartelooze maatschappij wel een zeldzaamheid heeten. Daarom trad hij op als de vriend der proletariërs en ofschoon uitgeworpen uit de kringen, waarin hij èn door afkomst èn door opvoeding behoorde, stichtte hij zich een eerzuil in de harten van duizenden verdrukten, die wisten dat hij lijden moest omdat hij te goed was voor de kleinen. 
 + 
 +Op den grafsteen, die zijn graf dekt op de lieflijke begraafplaats te Clarens, staan de woorden gegrift: 
 + 
 +//Exilé. - Courage, Justice, Bonté.// 
 + 
 +(Balling. - Moed, rechtvaardigheid,​ goedheid). 
 + 
 +Deze woorden drukken zeer juist uit wat de mensch Roorda was en toen ik later weer eens te Lausanne kwam, voldeed ik aan zekeren drang des harten, om naar dat graf van mijn waardigen vriend een stille beevaart te doen en te denken aan de uren, daar met hem doorgebracht,​ ziende op dat onvergelijkelijk schoone Lac Léman met de Alpen aan de kust van de overzijde in 't verschiet. 
 + 
 +In datzelfde jaar kwam ik ook voor het eerst in persoonlijke aanraking met Douwes Dekker. Tijdens een verblijf in den Haag kwam hij mij opzoeken aan de drukkerij, maar vond mij helaas! niet, alleenlijk liet hij een visitekaartje achter met zijn naam en daarachter geschreven:​ 
 + 
 +‘Voor 'n paar dagen in Holland zijnde, kom ik u even de hand drukken. Wat uw en mijn streven aangaat, och, wat 'n getob! Moedeloos ben ik niet, maar krachtig opgewekt kan ik me na jarenlange mislukking ook niet noemen. Ik ben suf van drukte en had toch maar kort kunnen blijven. Geheel en al sta ik niet op uw standpunt. Ja toch wel in oprechtheid. Dat is hoofdzaak’. 
 + 
 +Reeds vroeger waren wij schriftelijk in aanraking, want na den dood mijner vrouw in 1884 bood hij mij aan om een mijner kinderen bij zich te nemen, welk vriendelijk aanbod ik afsloeg, omdat ik mijn troepje liefst bij elkaar hield in mijn omgeving. En aan zijn verzoek om hem te komen opzoeken heb ik pas in het jaar 1886 voldaan. Eigenlijk heb ik er altijd tegen opgezien en wel ik had zoo ontzaggelijk veel genoten van zijn geschriften,​ ik had ze zoo innig lief gekregen en nu was ik bang dat de persoonlijke kennismaking mij vele illusies omtrent hem zou ontnemen. Dat is veelal het geval en psychologisch gezien kan het ook niet anders. De lust om godheidjes te hebben waartegen wij opzien, is bij ons menschen in den regel zoo sterk, dat we ze onszelven maken, ook dan wanneer we gebroken hebben met alle goden. Een schrijver, een denker dien wij liefhebben, wordt door ons op een voetstuk gezet, onze fantasie vult aan wat wij niet weten. Nu komt men met zoo iemand in aanraking en dan valt hij ons tegen, want het was toch een mensch van gelijke bewegingen als wij. De schuld van het tegenvallen schuilt dus voor een groot gedeelte bij onszelven door de overdreven voorstellingen die wij ons vooraf gemaakt hebben. En voor de rest heeft elk mensch zijn eigenaardigheden,​ zijn hebbelijkheden en wij stuiten bij persoonlijke aanraking op allerlei zwakheden, kleine en groote zelfs misschien, die ons hinderen en doen zeggen: zoo iets hadden wij van een man als hij niet verwacht. Slechts weinigen zijn er, die daaraan ontkomen - misschien wel niemand. 
 + 
 +Douwes Dekker nu was ongetwijfeld een neurasthenicus en wij kunnen nog de woede niet begrijpen van zijn vrienden, toen indertijd dr. Swart Abrahamsz dit konstateerde,​ want in de eerste plaats moet elkeen dit bespeurd hebben, die ooit met hem in aanraking is gekomen en in de tweede plaats is dat toch geen reden om er zich boos over te maken. Neurasthenie is een ziekte en nu kan men erover twisten of iemand al dan niet die ziekte heeft, maar zich daarover boos te maken is eenvoudig bespottelijk. Verbeeldt u dat iemand boos wordt omdat men van hem zegt dat hij de koorts heeft! Waarschijnlijk zag men in die beschuldiging een poging om zijn denkbeelden in een verkeerd licht te plaatsen, alsof men zeggen wilde dat ze als afkomstig van een heelen of halven gek niets waard zijn. Maar al is iemand gek, dan vertelt hij nog niet altijd gekkenpraat en wij begrijpen zoo volkomen de opmerking van prof. Quack, die sprekende over prof. M. des Amorie van der Hoeven getuigde: ‘o mijn meester! Heb ik u den eenigen niet geheel gewaardeerd,​ ik heb toch altijd wel sterk het gevoel gehad dat uw “waanzin” zooveel heerlijker was dan het verstand van allen die mij omringen’. Zijn niet de meeste groote baanbrekers uitgemaakt voor heele of halve krankzinnigen?​ Zijn zelfs genie en krankzinnigheid niet zoo nauw aan elkander verwant, dat zij dikwijls niet onderscheiden kunnen worden? 
 + 
 +Douwes Dekker was een uiterst prikkelbaar man, die niet de minste tegenspraak kon verdragen. En dit vond alweer zijn oorsprong in het feit dat hij nooit flink was tegengesproken. Of hij werd kortweg doodgezwegen en vermeden, òf hij was te midden van aanbidders, die alles even mooi vonden wat hij zei en die tot hem opzagen als een orakel. 
 + 
 +Toen ik hem in den zomer van 1886 opzocht en eenige dagen bij hem logeerde in zijn prachtig gelegen villa te Nieder-Ingelheim,​ waar men een onvergetelijk uitzicht had over de geheele Rheingau met de Loreley op den achtergrond en het Niederwald met het bekende monument aan de overzijde van den Rijn, toen werd ik op de vriendschappelijkste wijze opgenomen. Het was alsof wij oude vrienden waren. En hoewel het mij eenerzijds weldadig aandeed te mogen verkeeren met een man, die met zijn rijken geest mij zooveel te genieten had gegeven, anderzijds werd mijn vrees bewaarheid en overviel mij een gevoel van groote teleurstelling. O, als ik hem nooit gekend had, was hij voor mij grooter gebleven! Ik heb mij nooit kunnen begrijpen dat een zoo veelzijdige geest b.v. de socialistische arbeidersbeweging aan zich voorbij heeft laten gaan zonder er feitelijk notitie van te nemen. Zoo b.v. was hij toch tijdens de jaren 1863 en 1864, dat is tijdens de kampagne van Lassalle in Duitschland en nooit heb ik gemerkt dat hij zich met deze heeft bezig gehouden of dat hij kennis had genomen van diens geschriften. En toch bestonden er tuschen beide mannen trekken van verwantschap genoeg, om te vermoeden dat hij zich voor Lassalle en diens dramatisch uiteinde moest interesseeren. 
 +  
 + 
 +Toen ik hem vroeg of hij het Kapitaal van Marx had gelezen, gaf hij mij ten antwoord: ik ben er aan begonnen, maar het was taaie kost en ik bemerkte heel spoedig, dat die man niets van de ekonomie afwist. Dat was toch wel een beetje kras en oppervlakkig uitgedrukt. Dekker was ook de man niet om dit te kunnen beoordeelen,​ en het zal verwondering baren dat hij den moed bezat zoo ‘herablassend’ te spreken over een man als Marx. Mij viel het ten minste sterk tegen, want wat men Marx ook kan verwijten, onkunde op ekonomisch gebied zeker niet. In 't algemeen kon hij het maar slecht vinden met de sociaaldemokratie. Zijn meermalen gebleken ongeveinsde sympathie voor mij was strikt persoonlijk en betrof grootendeels het onrecht mij aangedaan, maar vooral niet de beginselen die ik voorstond. Zoo liet hij mij door zijn vrouw schrijven:​ 
 + 
 +    ‘Zeg toch aan Nieuwenhuis dat ik hem hartelijk ben toegedaan en dat ik zeker ben dat wanneer de gelegenheid zich aanbood ik meer voor hem zou overhebben dan de meesten zijner aanhangers. Hij zegt dat het gehalte uwer geestverwanten u niet bekend kan zijn, omdat ge finantieel onafhankelijk zijt. Indien dit anders ware zoudt gij u bedroeven en dit zou invloed op uw meeningen hebben. Want meeningen zijn altijd voor een deel slechts indrukken en die indrukken worden versterkt door weerklank. Zoodra men bemerkt, dat deze weerklank onzuiver was, vervalt een der aanleidingen die ons een slotsom voor gegrond deden houden’. 
 + 
 +Hij had niet op met de massa en elke massale beweging stond hem tegen. Hij was zoo naïf om te meenen het socialisme weerlegd te hebben met het gewone ‘deelpraatje’ en keek heel verbaasd op, toen ik hem vragenderwijs zei: maar wie van ons wil dat? Zoo dom zult gij ons toch wel niet aanzien, dat wij niet eens zouden begrijpen dat als van daag iedereen gelijk had door een algemeene deeling, het morgen weer ongelijk zou zijn. Maar is het niet karakteristiek uit den mond van zoo'n verstandig man zulke onnoozele dingen te hooren? Het zou mij ongelooflijk toeschijnen als ik het niet zelf ervaren had. Nu heb ik later zijn afkeer van het socialisme beter begrepen. Wat 'n gejuich ging er onder allerlei menschen op, toen Dekker in het Rotterdamsch Nieuwsblad per advertentie bekend maakte, dat naar zijn oordeel de meeningen der sociaal-demokraten over de middelen ter verbetering van den treurigen toestand in hoofdzaak onjuist waren. Maar in de eerste plaats: wij hadden Dekker nooit uitgegeven of uitgemaakt voor 'n sociaaldemokraat,​ in de tweede: wat heeft men aan dergelijke verklaringen,​ als zij niet gepaard gaan met een uiteenzetting der redenen waarom die meeningen onjuist zijn, en in de derde: alleen autoriteitsmannen,​ lieden die zweren bij het woord des meesters, zullen zeggen: ziet ge wel, Multatuli heeft zich verklaard tegen de sociaaldemokratie en dus zij is veroordeeld. Bovendien de plaatsing in zoo'n blad en niet in een min of meer neutraal blad als de Haarlemmer, levert het voldingende bewijs, dat Multatuli als balling slecht op de hoogte was van de toestanden. 
 + 
 +De fout van Multatuli was dat hij alleen de eene strooming van het socialisme kende, de sociaaldemokratie met haar tucht en gereglementeer en geparlementeer. Vandaar den hekel dien hij eraan had. Was hij echter op de hoogte geweest van de anarchie, van het vrijheidlievend socialisme, hij zou er heel anders over gedacht hebben. Nu ontzag hij feitelijk het socialisme ter wille van zijn sympathie voor mij, den sociaaldemokraat,​ dien hij niet kwetsen wilde, maar dan zou hij met die sympathie voor den persoon tevens ingenomenheid hebben gehad met de zaak zelve. Zoo geheel naar waarheid zei zijn vrouw jaren later, toen ik anarchist was: gij zoudt elkander nu heel wat beter begrepen hebben! 
 + 
 +Intusschen men kan elkander best waardeeren en hoogachten, al is men het niet met elkander eens en het kan niet beter worden uitgedrukt dan Croll het deed bij Multatuli'​s afsterven op 19 Februari 1887: ‘hij was niet van de onzen, zoo verklaarde hij enkele maanden nog slechts geleden. Het zij zoo ... Wij gevoelen ons niettemin wel van de zijnen, de dankbare geesteskinderen van den man die zijn Ideeën gaf, “opdat er niet gezegd zou kunnen worden dat niemand beproefde den vloek te bezweren die er rust op het volk”: de leugen’. 
 + 
 +Toch verwonderde het mij wel eens dat zoo'n machtige strooming als het socialisme is, over een man als Multatuli heen is kunnen gaan zonder hem eigenlijk te raken. Want als het mij gelukt is binnen zoo korten tijd het socialisme te doen ingang vinden in een land, welks bevolking niet gemakkelijk is in beweging te brengen, dan komt dit mede door Multatuli, ‘den zaaier die uitging om te zaaien’. Hij had geestelijk den bodem losgemaakt, hij had de geesten gerevolutioneerd en men ziet weer hoe de geestelijke revolutie elke andere is voorafgegaan. 
 + 
 +Met wien kunnen wij Multatuli vergelijken?​ Wij weten het niet, want hij was heelemaal zichzelf. Soms doet hij denken aan Voltaire, aan Heine, aan Lassalle, een bewijs dat hij van allen iets had, maar toch niet voldoende met deze te vergelijken,​ maar wij zijn overtuigd dat als hij niet het ongeluk had gehad geboren te worden in een klein land, welks taal door weinigen wordt begrepen, hij zou ongetwijfeld een grooten naam hebben in de wereldliteratuur. Nu hij in Duitschland bekend is geworden door de verdienstelijke vertaling, die Wilhelm Spohr van zijn werken heeft gegeven en in Frankrijk door de bloemlezing van Alexander Cohen, met een zeer waardeerend en aanbevelend woord van Anatole France, nu ziet men dan ook de hooge ingenomenheid met zijn werken. En deze zal stijgen naarmate men hem beter leert kennen, want er zijn parelen in verborgen van de echtste soort en ongetwijfeld behoort Multatuli tot die weinige Nederlanders,​ wier naam zal blijven voortleven bij het nageslacht en die als alle anderen, onder wie zoovelen die nu de schouders over hem ophalen of heel wat op hem hebben af te geven, reeds lang dood en begraven zijn, zal schitteren als een glanzende ster aan den letterkundigen en wijsgeerigen hemel. 
 + 
 +Als mensch was hij minder groot dan als denker en schrijver, maar veel is te verklaren uit zijn neurasthenie,​ zoowel het groote als het kleine en dikwijls wil het ons voorkomen, alsof men aan iemand als Multatuli niet denzelfden gewonen maatstaf mag aanleggen als aan anderen. Ik weet wel dat dit gevaarlijk is, omdat het zoo licht een dekmantel wordt waaronder het laagste en smerigste kan worden verborgen, maar het neemt niet weg dat men in dezen uiterst voorzichtig moet zijn en dat alles te weten zooveel is als alles te verklaren en te vergeven. Zulke mannen hebben zelf zooveel gegeven, dat het ons toch ten slotte past dankbaar te zijn. De miskenning, waaraan hij heeft blootgestaan,​ stemde hem tot ongewone bitterheid, maar werd ook oorzaak dat zijn geest is gebracht tot zijn allergrootste hoogte. 
 + 
 +Er zat in hem een heerscher en hij gevoelde dit best. Eens vroeg men hem waarom hij zich niet aansloot bij de Internationale;​ hij antwoordde dit wel te willen doen, maar dan moest hij als een diktator zijn bevelen kunnen geven en dat kon moeilijk toegelaten worden in een vereeniging die berustte op demokratischen grondslag. De uren met hem doorgebracht,​ zijn uren die men nooit vergeet. Nog zie ik ons in mijn verbeelding zitten op een kleine verhevenheid,​ waar een steen stond ter herinnering aan Karel den Groote en aan Napoleon, die beiden langs den grooten heirweg waren getrokken, die naar ik meen reeds door de Romeinen was aangelegd. Dat was met alle herinneringen daaraan verbonden, zijn lievelingsplekje. En dan gevoelde ik hoe iets van die mannen, den drang naar daden, ook in hem sluimerde, maar dat de weg daartoe voor hem was afgesloten. Uit mijn geheugen is die kombinatie van Karel den Groote, Napoleon en Multatuli nooit verdwenen. 
 + 
 +Uit zijn later in 10 deelen verschenen Briefwisseling heeft mij als een donderslag één ding getroffen. Toen hij nl. bezig was te onderhandelen over de uitgave van zijn Max Havelaar, werd hem aangeraden met het manuskript te gaan naar den heer Rochussen, zoo wat den eenigen man die niet door hem in zijn geschriften aangevallen wordt, en hij helde daar sterk toe over, maar ... dan zou hij kondities stellen en die waren: 1o. resident op Java, speciaal Passaroeang om zijn schulden te betalen; 2o. herstel van diensttijd, voor 't pensioen; 3o. een ruim voorschot; 4o. de Nederlandsche leeuw. (Brieven 1859). Nog herinner ik mij den indruk, dien dit op mij maakte. Ik had het boek wel in den hoek willen trappen en ik kon niet voortlezen. Hoe nu? Zijn noodkreet ter wille der Javaansche bevolking, voor wier vertrapte rechten hij op zoo'n wegslepende wijze was opgekomen, zou gesmoord zijn geworden, als aan die kondities zou zijn voldaan! Het was dus gekrenkte ijdelheid, die hem zoo welsprekend had gemaakt! O, dacht ik, wat hebben ze hem toch een slechten dienst bewezen door die briefwisseling openbaar te maken! Ik althans had er een lief ding voor gegeven als ik dat nooit geweten had. Maar het is nu eenmaal niet anders, men moet een mensch nemen met zijn zwakheden en met zijn kracht en vergeten wij nooit dat de omstandigheden waarin wij verkeeren, zoo'n verbazenden invloed op iemands doen en laten hebben. Er moet een Spaansch spreekwoord bestaan, dat zegt: niemand is altijd moedig. Volkomen waar! Wij stellen ons den man, die een heldhaftige daad eenmaal in zijn leven heeft gedaan, voor als iemand die nu nooit anders dan zulke daden doet en toch hoe hebben wij het zelf meermalen ondervonden,​ dat dezelfde persoon, die het eene oogenblik een daad van buitengewonen moed bedreef, later handelingen pleegde, die hem stempelden tot een lafaard eerste klas! Het is al wel als iemand eenmaal een heldendaad verrichtte, want van de meesten kan dat niet worden getuigd. Elk heeft zwakke oogenblikken,​ waarover hij zichzelf eigenlijk schaamt en ook die zwakheden moeten wij op den koop toe meenemen, daar valt niets aan te veranderen. 
 + 
 +Multatuli interesseerde zich bizonder voor mijn proces. Wat was hij boos over mijn verdediger voor den Hoogen Raad, mr. van Houten, die heel leuk zei: ‘de vraag van de waarheid of onwaarheid van het feit door het hof uitgemaakt, dat hij (D.N.) de schrijver zou zijn van het stuk, liet spreker ter zij’. - Groote goden! En die man had zijn opdracht toch van u, wordt door u betaald, stond daar als uw dienaar - en hij laat ter zijde of gij de dader zijt van het vergrijp - het is om woedend te worden’! 
 + 
 +Hij wilde in mijn plaats gaan zitten, want aan hem was toch niets meer verbeurd, en hij heeft bepaald de laatste dagen zijns levens voortdurend over mij getobt. Deze belangstelling in mij heeft mij altijd bizonder getroffen en toen zijn vrouw mij bij het doodsbericht in de gevangenis schreef, dat ‘Dekker geleden heeft om hetgeen gij thans ondergaat, hij heeft het zoo smartelijk gevoeld’, toen gevoelde ik omgekeerd hoe waar het was. 
 + 
 +Ja, wel is zijn leven één strijd, één voortdurende strijd geweest en toen hij zich Multatuli (ik heb veel geleden) noemde, toen kon hij nog niet beseffen hoe die naam een profetie was, want hij heeft daarna nog oneindig meer geleden dan tevoren. Hij was een zeldzaam man en al was de aureool dien ik om hem gemaakt had grooter gebleven als ik hem nooit persoonlijk had gekend, toch ben ik alles bijeengenomen blij hem gekend te hebben en zijn herinnering zal nooit verloren gaan. 
 + 
 +Maar het wordt tijd om na deze persoonlijke herinneringen weer terug te keeren tot dat belangrijke jaar 1886, dat zoo vol, haast te vol is geweest aan gebeurtenissen. Mijn proces, dat ik afzonderlijk wil behandelen, de dood van Gerhard, het schot van Geel op den beruchten kommissaris van politie Stork tijdens een vergadering in het Volkspark waar ik sprak juist na mijn eerste veroordeeling,​ het zoogenaamde Palingoproer,​ dat alles nam ons allen zoodanig in beslag, dat wij niet lang konden stilstaan bij het een of het andere. 
 + 
 +Bij het Palingoproer moet ik een oogenblik langer stilstaan, want daar heeft men ons, socialisten,​ en vooral mij persoonlijk met alle geweld in willen betrekken. Het heeft toen aan een zijden draadje gehangen of men had mij preventief gevangen gezet. Dat is een der gemeenste middelen, die de justitie in handen heeft om iemand een tijdlang onschadelijk te maken. Op verdenking zoogenaamd zet men iemand gevangen en men houdt hem eenigen tijd, om hem daarna te ontslaan zeggende: wij hebben niets tegen u gevonden. Men kan daar niets tegen doen, ja zelfs geen schadevergoeding eischen, daar reeds meermalen bij vonnis is uitgemaakt dat de staat niet verantwoordelijk is voor de fouten zijner ambtenaren. Elkeen staat dus feitelijk aan dit gevaar bloot en al geschiedt dit nu niet in gewone tijden, het blijft een zeer gevaarlijk middel. De sobstituut-officier mr. Pape te 's Hage toch moet na het Palingoproer mijn inhechtenisneming verlangd hebben en toen de officier van Justitie mr. v.d. Kemp daar niet aan wilde en verstandig genoeg was om zich niet onder den indruk van het oogenblik te laten vervoeren tot zulk een onzinnige daad, moet de eerste ambtenaar daarover zoo gebelgd zijn geweest, dat hij ontslag heeft genomen uit zijn betrekking. Gelukkig voor de justitie, want aan zulke handen zou een hoogere verantwoordelijke betrekking beslist niet toe te vertrouwen zijn geweest. 
 + 
 +Palingtrekken is een van die ruwe spelen, zooals zij veelal in alle landen nog voorkomen. Het bestaat hierin dat men een levende paling bevestigt aan een touw, dat over een gracht wordt gespannen. De deelnemers nemen dan plaats in een bootje, dat onder het touw doorvaart en grijpen dan beurt om beurt naar den gladden paling. Wie hem afrukt, krijgt den prijs die dikwijls bestaat in den paling. De politie kwam daartegen - en met recht! - op, want zulk dierenmartelen kan als volksspel moeilijk geduld worden. En helaas! datzelfde volk, dat zoo zeldzaam is warm te krijgen voor zijn rechten en zich op de smadelijkste wijze verstoken ziet van alles, komt in opstand voor zulke onwaardige dingen. Wat het socialisme hiermede te maken zou hebben gehad, dat is moeilijk te begrijpen, want elkeen kan best begrijpen dat wij zoo'n spelletje zelfs streng afkeurden. Reeds zeiden wij dat de politie vreeselijk gehaat was en deze haat was in de laatste jaren niet weinig aangewakkerd,​ ja deze was geklommen met de vorderingen,​ die het socialisme maakte. Stellig is het waar, dat de geest van verzet sterker was geworden en daaraan hadden de socialisten wel schuld, wanneer men het ten minste schuld kan noemen, als men de menschen wakker schudt om zich maar niet alles te laten welgevallen. De politie delfde het onderspit, het volk wierp barrikades op en de autoriteiten verloren, als meestal in kritieke oogenblikken,​ het hoofd. De soldaten werden erop afgezonden en in plaats van de menigte met behulp der geweren uiteen te drijven, werd er maar dadelijk op ingeschoten met het gevolg dat er 22 dooden vielen en meer dan 100 gewonden, waarvan er nog 4 stierven, zoodat het aantal dooden in het geheel steeg tot 26. Een wonder mag het heeten dat het aantal dooden en gewonden niet veel grooter was, want in die nauwe straten moest elk schot op een saamgepakte massa haast treffen. Maar dit levert ons het bewijs dat vele soldaten in de hoogte hebben geschoten, hetgeen ook bevestigd is door de kogels die men hoog in de muren heeft gevonden. De ophitsing in de pers tegen de sociaaldemokratie was zoo erg, dat enkele bladen als het Vaderland en de Middelburgsche Ct. daartegen meenden te moeten opkomen. Het artikel in Recht voor Allen, dat daarna verscheen, is zeker met adelaarsoogen bekeken door de rechterlijke macht, en o wee als er slechts de geringste aanleiding was gegeven, ik zou er direkt bij zijn geweest. Wij schreven: ‘met dit oproer op zichzelf heeft het socialisme niets gemeen; als men zoekt naar de ware schuldigen, dan gelooven wij, dat die elders zijn te vinden dan waar men ze gewoonlijk zoekt’. Ik wees erop, dat het palingtrekken zeer zeker afkeuring verdient, maar evenzeer de jacht, de liefhebberij der rijken, de hardrijderijen en wedrennen, de vertooningen bij Carré, waarbij niet alleen beesten, maar ook menschen worden mishandeld en vermoord om de grooten eenige oogenblikken van genot te verschaffen. En toch daarbij treden wel politie en miltairen op, niet echter om het te verbieden, maar juist om het ongestoord zijn gang te laten gaan. Ik wees er verder op, dat bij zulke gelegenheden het volk altijd de schuldige heet en de overheid steeds korrekt handelt en den steun en de achting verdient van alle weldenkenden,​ om ten slotte eraan te herinneren dat regeeren met geweld en geweren wel het gemakkelijkste maar niet het verstandigste is, en dat men, daar het geslacht der Fariseërs nog op lang ena niet is uitgestorven,​ waarschijnlijk wel als echte menschen van dat ras de verantwoording van zich op ons zal schuiven om dankzeggend te bidden: ik dank u dat ik niet ben als die slechte socialisten! 
 + 
 +De buitenlandsche pers hield zich druk bezig met dit oproer en er waren bladen genoeg, die het in de socialisten afkeurden om op die wijze propaganda te maken. Wij lachten daar wat mede, want wij wisten dat dit opzettelijke verdachtmaking was. Zelfs kwam hier en daar de aap uit de mouw en het balletje werd opgeworpen om uitzonderingswetten te maken zooals zij in Duitschland reeds bestonden. Ook drong men hier en daar aan op een internationale samenwerking tot bekamping van het socialisme. 
 + 
 +Maar deze heele historie wierp een treurig licht op de politie en toen de zaak wat achter den rug was, werd zelfs de houding der politie bij deze gelegenheid door een hoog rechterlijk ambtenaar, mr. Kist, aan een scherpe kritiek onderworpen,​ hierdoor uiting gevende aan hetgeen bijna iedereen toen dacht. Het gevolg hiervan was, dat geen jaar daarna alle personen, die tot gevangenisstraffen van 1½ tot 3 jaar waren veroordeeld,​ gratie kregen en de 22 dooden blijven ten allen tijde beschouwd als zoovele slachtoffers van politie-willekeur. 
 + 
 +Nog één gebeurtenis dient vermeld, die hier te lande een zeer diepen indruk heeft achtergelaten en die ook op mij persoonlijk een zeer sterken invloed uitoefende, om niet te spreken over de groote werkloozen-beweging in Engeland die geheel dezelfde trekken en denzelfden omvang had als hier. Ik bedoel het drama dat te Chicago is afgespeeld. Men herinnert zich de algemeene werkstaking,​ die tegen 1 Mei 1886 was afgekondigd in Amerika ter verkrijging van den achturendag,​ het brutale optreden der politie tegen de stakers en het ontploffen van een bom op de Hooimarkt te Chicago, ten gevolge waarvan 8 politiemannen werden gedood. Uitgaande van het oud-testamentische:​ oog om oog, tand om tand eischte de bourgeoisie in ruil ook acht slachtoffers en koos daartoe op goed geluk acht mannen die geacht werden de ziel uit te maken van de arbeidersbeweging aldaar. Het waren August Spies, Albert Parsons, Herman Lingg, Engel, Fischer, Fielden, Schwab en Neebe, die ten slotte allen ter dood werden veroordeeld behalve laatstgenoemde,​ die 15 jaar kreeg. Na hen anderhalf jaar tusschen hoop en vrees te hebben gelaten in de gevangenis, heeft men de 5 eerstgenoemden ter dood gebracht op 11 November 1887 of liever 4 hunner, daar Lingg zichzelf van kant wist te maken in de gevangenis, terwijl twee (Fielden en Schwab) zoogenaamd begenadigd werden, dat wil zeggen veroordeeld tot een langzaam vermoorden, een straf veel erger dan die voltrokken wordt op het schavot. 
 + 
 +Dit heele proces werd hier met de grootste spanning gevolgd, de redevoeringen dier mannen, die alle acht een voorbeeldige houding aannamen voor de rechtbank, werden hier vertaald onder den titel Woorden voor 'n rechter(?​)stoel verspreid op een wijze, alsof het onder ons plaats vond. Die acht waren anarchisten en in het heele proces bleek het dat de anarchie voor het gerecht was. Dit alles moest tot nadenken brengen en vervulde de arbeiders met sympathie voor de anarchisten en wij zijn buiten Amerika het eenige land, waar tot op den huidigen tijd de 11e November, de sterfdag dier mannen, gevierd wordt om hun nagedachtenis in eere te houden onder de menschen. Ofschoon sociaaldemokraten ontzagen wij ons niet om jaarlijks in stillen eerbied onze bedevaart te doen naar de galgen van Chicago en wij durven gerust zeggen dat die acht bij ons steeds beschouwd werden, alsof zij ons allen bekend waren en onder ons hadden gewerkt. Nooit, nooit zal ik dat alles vergeten en een vloek over zoo'n maatschappij,​ die de besten harer kinderen foltert en doodt, is alleszins gerechtvaardigd. Hun sterven had mij alweer een stapje dichter gebracht bij het anarchisme, zonder het zelf te willen of te weten. Want ben ik ten slotte daartoe gekomen, zoo gemakkelijk is dit niet gegaan, want ik ben geen man van 't oogenblik die zich door geestdrift dadelijk laat meeslepen voor een idee, maar veeleer iemand die alles goed wikt en weegt, vóórdat hij tot een besluit komt, maar die als het besluit eenmaal genomen is, daarin volhardt ondanks alle tegenwerking,​ smaad en laster. Verlaat ik ooit een standpunt, dan doe ik dat omdat alle steunselen ervan een voor een eronder zijn weggetrokken. Het is de rede die mij ten slotte steeds tot richtsnoer was, om mij te leiden in deze of gene richting. 
 + 
 +===== VII. Mijn proces en veroordeeling. ===== 
 + 
 +Gelijk men weet, was het van oudsher af de gewoonte dat het koningspaar na Paschen altijd zijn jaarlijksch bezoek aan de hoofdstad brengt en het volk zei daarvan altijd dat de koning zijn centen kwam halen. Nu had koning Willem III wel zoo wat al het mogelijke gedaan om zijn populariteit bij het volk te verliezen. In binnenen buitenland had hij zich een alles behalve eervollen naam verworven. Kort vóór dit bezoek in 1886 verscheen in Recht voor Allen een zeer onschuldig artikel: ‘De Koning komt!’ waarin een beetje spottend gesproken wordt over hetgeen de groote bladen zullen schrijven en liegen over de liefde van het huis van Oranje voor 't Nederlandsche volk en de geestdrift van genoemd volk voor zijn vorst. En dan wordt woordelijk gezegd: ‘maar waarom zoude men ook zooveel sympathie voor dezen laatsten Oranjevorst gevoelen? Door zijn handelingen?​ Maar wat ook de groote bladen zoeken en snuffelen, berichten van eenig belang omtrent Z.M. vindt men niet. Wel wordt ons medegedeeld dat Z.M. jonge vogeltjes heeft gekocht, ook dat hij groote wandelingen doet, een blakende gezondheid geniet en toch ieder jaar tot herstel van die blakende(?) gezondheid een lange kuur in een buitenlandsche badplaats doet, dat hij de nieuwe paardenstallen te Baarn heeft geïnspekteerd en een gouden medaille aan de tooneelspeelster Frenkel-Bouwmeester heeft gegeven; waarom zij juist die verdiende met achterstelling van zooveel andere verdienstelijke tooneelspelers weet ik niet, ik heb haar nooit zien spelen, wel weet ik dat zij veel met heeren speelde, somtijds met twee tegelijk, zij denkt zeker: jij doe maar of liever je laat het maar doen ... maar nimmer lezen wij: de koning gelast, dat eindelijk de herziening der grondwet flink zal worden aangepakt of Z.M. wenscht aan het treurig verschil tusschen herders en leeraren der Herv. Kerk te Amsterdam een einde gemaakt te zien; neen niets van dat alles, slechts zinnelooze en zoutelooze berichten omtrent handelingen van Z.M. die noch eerbied, noch toewijding, noch eenige geestdrift kunnen uitlokken voor iemand die zoo weinig werk van zijn baantje maakt. Toch gaan velen weder naar den Dam en zien de liefde van 't Vorstelijk huis voor 't Nederlandsche volk; n.b. de koningin kan niet eens zien of er op den Dam menschen dan wel schapen staan en de koning heeft, naar mij meermalen verzekerd is, maling aan die malle vertooning, maar wanneer nu Z.M. de koning H.M. de koningin op 't balcon omhelst en een van beiden of beiden tegelijk 't prinsesje kussen, dan beginnen velen weder als mallen te gillen en te brullen en maken de geestdrift klaar, die den anderen dag in de couranten wordt gemeld’. 
 + 
 +Reeds lang had men er op geloerd om mij een vervolging op den hals te schuiven en zelfs beweerde men dat op last van den minister Heemskerk nauwkeurig gelet moest worden door de politie op de opruiende redevoeringen,​ die door mij gehouden werden. Nu heb ik zoo dikwijls opgemerkt dat de pers veelal de aanbrengster is, die de justitie aanport om tot vervolging over te gaan. Dit was ook hier het geval. Ik meen dat het balletje werd opgeworpen door het Handelsblad en als dit voortgaat, volgen de anderen wel. Zoo schreef het Rotterdamsch Nieuwsblad: ‘wij zijn niet gewoon de schandelijke taal van Domela Nieuwenhuis in ons blad over te nemen, maar dit maal maken wij een uitzondering. Wie een vorst beleedigt, beleedigt het volk dat door dien vorst wordt geregeerd. De smadelijke taal van Domela Nieuwenhuis treft dus het geheele volk en wij vragen opnieuw - zooals wij reeds eenmaal vroegen - moeten wij, Nederlanders,​ ons gedwee laten beleedigen, bedreigen en grieven door een man, die onder het masker van onbaatzuchtigheid de vuigste zelfzucht en zelfverheffing op het oog heeft’? 
 + 
 +Dat is duidelijk genoeg een direkte aansporing aan de justitie om een vervolging tegen mij te beginnen. 
 + 
 +En jawel, het duurde niet lang of ik werd aangeklaagd ‘wegens boosaardiglijk en openbaar smaden, honen en lasteren van den persoon des konings’. 
 + 
 +Ja, dat stond er inderdaad. Men zal moeten toestemmen dat die zaak wel wat heel erg werd opgeblazen, want nog heden ten dage lezen wij in dat artikel meer een bespottelijk maken van de pers en het publiek dan van den koning. Vooral de woorden ‘zoo weinig werk maakt van zijn baantje’ schijnen de ergste te zijn geweest en toch onschuldiger kon het moeilijk gezegd worden. 
 + 
 +Mijn antwoord hierop was het geregeld leveren van den Weekstaat van het door Burger Willem geleverde werk en het daarvoor door hem genoten loon in den volgenden vorm: 
 + 
 +**15-22 Mei.** 
 + 
 +^ Geleverd werk ^ Genoten loon ^ 
 +|? ? ? ? | f 20.000 | 
 +|('s Lands geld verteerd in het buitenland, uit wandelen geweest en uit rijden, gegeten, gedronken en geslapen, |enz. minstens met vrije woning en toebehooren. | | 
 + 
 +**23-30 Mei.** 
 + 
 +|? ? ? ? | f 20.000 | 
 +|('s Lands geld verteerd in het buitenland, flinke wandelingen gemaakt, uit gereden, gegeten, gedronken en geslapen, enz. enz. minstens met vrije woning en toebehooren.| | 
 + 
 +En zoo ging het steeds wekelijks voort. 
 + 
 +Later verscheen een in verschillende nummers vervolgd artikel: Het leven van koning Willem III, dat bestond uit een heel stuk onbedrukt wit papier om te kennen te geven dat er niets belangrijks in verteld kon worden. 
 + 
 +Een en ander droeg natuurlijk veel bij om den koning bij het volk bespottelijk te maken en heeft beslist niet zacht gestemd voor het vonnis over mij. 
 + 
 +Karakteristiek zijn over deze zaak een paar uitspraken van bekende juristen. Toen ik met de dagvaarding ging naar den scherpzinnigen advokaat mr. S. Katz, zei deze na lezing van het artikel: maar dat is bespottelijk,​ daar wordt iedereen op vrijgesproken behalve gij. En de heer mr. S. van Houten, die mijn verdediger was voor den Hoogen Raad, zei mij dat hij het dom vond om mij voor dit onschuldig artikeltje te vervolgen, want elk nummer van mijn blad leverde veel beter stof op tot een vervolging. 
 + 
 +Nu was het gekke van het geval dat het artikel niet van mij was, maar van iemand, die zich onderteekend had W. J(ansen) te Amsterdam. Dadelijk na de dagvaarding ging ik aan het onderzoeken en toen bleek het mij dat het opgegeven adres onjuist was en waar de naam Jansen zoo algemeen voorkomt, daar is het onmogelijk een onderzoek in te stellen. In de korrespondentie van het blad (No. 21) stond dan ook: W.J. te A. ‘Uw stuk zal geplaatst worden, maar in het Zaterdagnummer voor de komst van het personaadje. Verzoeken uw adres’. Echter daaraan is nooit gevolg gegeven. 
 + 
 +Nu had ik mij wel aan de vervolging kunnen onttrekken door den rechter te zeggen dat ik de schrijver niet was, maar dan zou de uitgever Liebers ervoor zijn opgedraaid en dat vond ik onedel, want die had er toch heelemaal geen schuld aan. Ik heb het altijd een gemeene taktiek gevonden, door de sociaaldemokraten in Duitschland gevolgd, om bepaalde ‘Sperr’-redakteurs of zit-redakteurs te hebben, stroopoppen die zelven niet schreven maar die tegen een goed salaris de verantwoordelijkheid op zich namen van den inhoud, om bij vervolging te gaan zitten. Zoo iets is onzedelijk, want elkeen moet de volle verantwoordelijkheid dragen voor hetgeen hij doet of schrijft. 
 + 
 +Den werkelijken schrijver noemen kon ik dus niet, want ik wist zijn naam zelf niet, zooals later gebleken is en gaf ik mij niet als schrijver op aan den rechter, dan zou een ander er tegen aanloopen. Zietdaar de eenvoudige, voor de hand liggende reden waarom ik de aansprakelijkheid op mij nam en niet zooals anderen wel eens vermoed hebben, om mijn positie te versterken door het bijvoegen van een gezochte martelaarskroon. Dat was heelemaal niet noodig, want die positie was zonder dat sterk genoeg. 
 + 
 +Op Donderdag 10 Juni kwam mijn zaak in behandeling voor de rechtbank te 's Gravenhage. Dat was weer een dier onvergetelijke dagen, zooals ik er meerderen heb beleefd. Reeds vroegtijdig verzamelde zich voor het gerechtsgebouw een groote menigte, die tegen 10 uur niet was te overzien. Een belachelijk machtsvertoon werd ontwikkeld. Het leek wel alsof er een revolutie zou losbarsten. Hoofd- en andere kommissarissen van politie, inspekteurs,​ geheime en geuniformde politie-agenten,​ rijksveldwachters,​ ook van buiten, marechaussées te paard, enz., alles was op de been. 
 + 
 +Toen de zitting begon, bespeurde ik al spoedig dat ik op alle manieren werd tegengewerkt. Zoo weigerde de president de vragen te doen aan de getuigen à décharge ter bevestiging van de feiten waarop beklaagde zich beriep, zoodat deze ervan afzag zeggende: als mij geen vrijheid wordt verleend om getuigen aan te voeren, die bewijzen wat ik gezegd heb en dus dit middel tot verdediging mij wordt ontzegd, zie ik af van het hooren van de getuigen. 
 + 
 +Toen dan ook eindelijk na een lang requisitoir van den officier van Justitie, mr. van der Kemp, den eisch uitsprak: twee jaar celstraf, toen ging er een rilling door het publiek en met verbaasde en verontwaardigde blikken zag men elkander aan. 
 + 
 +Eindelijk kreeg ik het woord om mijn verdediging voor te dragen. Ik had geen advokaat genomen in eerste instantie, omdat ik meende dat het voor de propaganda beter was dat ik het zelf deed en de zaak niet zou worden verlaagd tot juristische haarkloverijen. Misschien was dat een fout van mij, maar ik beschouwde de zaak vooral uit propagandistisch oogpunt. Eerst was ik van plan mij niet te verdedigen, zooals blijkt uit de korrespondentie met Roorda van Eysinga, die mij schreef: ‘het is mooglijk dat gij gelijk hadt. Reclus was ook van plan, toen hij dacht, door den rechter naar Lyon te zullen worden opgeroepen, om te verklaren dat verdediging monnikenwerk was, maar niettemin tevens te betoogen, dat hij niet veroordeelen mocht. Ziehier mijn inzicht: òf men moet zeggen: gijl. zijt werktuigen der willekeur, dus ik zal mijn tijd niet vermorsen, òf men moet de rechters houden voor kortzichtige,​ maar niet-slechte menschen en dus een pleidooi houden, zoo goed mooglijk’ en hij gaf mij den raad toch vooral een advokaat te nemen, want ‘men is meestal een slecht advocaat in zijn eigen zaak. Uw welsprekendheid is als zwavelzuur, dat droppelsgewijze de rots der rechterlijke macht uitbijt. Maar een pleidooi voor drukpersvrijheid moet ook gedeelten bevatten voor het volk, gelijken op een alles meesleepende,​ verwoestende lava à la Mirabeau’. 
 + 
 +Het was spoedig te zien dat de president alles behalve op zijn gemak en in elk geval zeer vooringenomen was. Telkens viel hij mij in de rede, totdat ik daarover kwaad wordende zei van verdere verdediging af te zien, daar het mij bleek dat in het vrije(?) Nederland zelfs niet de gelegenheid werd gegeven aan een beklaagde tot zijn verdediging alles aan te voeren, wat hij meende dat daartoe dienstig was. Het recht van verdediging,​ een recht dat in alle beschaafde landen is toegestaan, zelfs aan den ergsten misdadiger, werd hier in dit geval door den vice-president der rechtbank, mr. Laman Trip, schandelijk verkort tegenover den socialist. 
 + 
 +Mijn pleidooi verscheen als bijvoegsel in Recht voor Allen en later in brochurevorm. Het droeg nog al wat bij om de rechterlijke macht in de oogen des volks te ondermijnen. Ik toonde voornamelijk aan, dat het gewraakte artikel onmogelijk aanleiding gegeven kon hebben tot een vervolging en zeker zonder deze zou gepasseerd zijn als het elders was gezegd en door een ander. De vervolging kon geen plaats hebben om hetgeen gezegd is zelf, maar omdat het door mij gezegd is. De argumentatie is dus niet zakelijk, maar met recht een argumentum ad hominem, een geheel persoonlijk argument. Ik ben schuldig omdat ik het ben. En waarom heeft men het tegen mij? Omdat ik socialist ben. Dat zegt de officier van justitie zelf in zijn betoog: men moet hier letten op den persoon, die het geschreven heeft en op de plaats waar het geschreven werd. Dus een socialistenvervolging,​ een tendenz-proces,​ een politiek proces en dezulken hebben alleen dan plaats als een regeering den grond onder haar voeten voelt wegzakken. Persdelikten geven altijd een bewijs van zwakte. Elke veroordeeling in zulk een proces is niets anders dan het vonnis eener moderne inquisitie-rechtbank. En ik eindigde aldus: ‘Mijne heeren! Gij kunt mij veroordeelen,​ gij kunt mij naar de gevangenis zenden, maar de sociaal-demokratie niet, zij blijft bestaan en wordt niet getroffen door vonnissen en rechtspraak. En weet dit: vrijgesproken of veroordeeld,​ wij leven in de zekerheid dat de dag niet verre meer is waarop het onderdrukte volk zijn ketenen zal verbreken. 
 + 
 +Spreekt gij mij vrij - gij toont gevoel te hebben voor de vrijheid van pers en kritiek, waarop onze voorvaderen steeds trotsch waren. 
 + 
 +Veroordeelt gij mij - gij veroordeelt uzelven, daar gij gevolg geeft aan een voorwendsel om mij te vervolgen en verhoogt daardoor zeker niet het denkbeeld dat er nog rechters zijn in Nederland, die recht durven spreken zonder invloed van boven. 
 + 
 +Aan u de keuze en wat mijn lot moge wezen, ik hoop trouw te blijven aan 't beginsel der sociaaldemokratie,​ dat zegevieren zal, al vereischt de verwezenlijking ook offers. 
 + 
 +De sociaaldemokraat gaat met even blijmoedig gezicht de gevangenis in als de zoon van den bourgeois met het meisje zijner keuze de balzaal betreedt, onder den kreet: leve het socialisme!’ (Lassalle). 
 + 
 +In diezelfde zitting had ik nog een tweede proces en wel wegens beleediging van den heer Stork, kommissaris van politie te Amsterdam, denzelfden man die mij indertijd, toen ik hem in zijn leugenachtig karakter zoodanig ten toon stelde dat zelfs het Paleis van Justitie hem afviel, toeriep: onthoud uw dag! Hij meende dat nu zijn dag was gekomen. Nu Majesteitsbeleediging en Storkbeleediging op één en denzelfden dag en dus in één en denzelfden adem genoemd - dat klonk nog al voornaam. En waarom? Om het volgende bericht dat hij zich nog al scheen aangetrokken te hebben: 
 + 
 +    Een tegenvaller! - Het is alsof wij het wisten, dat Stork ridder zou worden, maar terwijl de man zich verheugde in het vooruitzicht van den Ned. Leeuw is hij afgescheept met een Eikenkroon, evenals een pasteibakker die een lekkere taart voor Z.M. bakt. Wat zal dat den man tegenvallen! En daarvoor heeft hij nog wel zoo zijn best gedaan! Daarvoor hield hij de venters van ons blad van den Dam af. Het is om razend te worden. 
 +     
 +    Toch als het naar verdienste ging, dan kreeg hij niet alleen niets, maar dan zou hem ontnomen worden wat hij had, nl. zijn baantje, want wie zoo de wetten verkracht, die past niet op zoo'n post. 
 + 
 +Mijn verdediging,​ die niet uitgesproken werd, omdat de president het niet eens de moeite waard achtte den beklaagde te vragen, of hij zich op deze aanklacht wenschte te verdedigen, was een persifflage van den persoon van Stork en een betoog, dat deze heer, dien ik niet kende en naar wiens nadere kennismaking ik niet verlangde, mij niet gewichtig genoeg toescheen om hem met opzet te willen beleedigen. 
 + 
 +Na afloop der zitting was het een ware demonstratie van de overtalrijke menigte. Het was alsof de politie het erop had aangelegd om de orde opzettelijk te verstoren in plaats van haar te bewaren, want nauwelijks was ik buiten gekomen of men trok den stok en wilde er op inslaan. Ik bleef kalm staan en zei: ‘sla me maar dood ook’, waarop een inspekteur van politie toeschoot, die beval de stokken op te bergen. 
 + 
 +De stoet volgde onder het zingen van het Vrijheidslied en groeide al gaande aan en zoozeer was de politie overtuigd dat mijn invloed op de menigte grooter was dan de hare, dat een inspekteur van politie, de heer Dietz, erg zenuwachtig naar mij toekwam om te verzoeken of ik het volk wilde aanmanen kalm en rustig te blijven, waarop ik antwoordde dat alles wel goed zou afloopen, indien de politie zelve niet provoceerde. Ofschoon men alle moeite deed om het volk te verhinderen het Noordeinde op te gaan, dit gelukte niet en ter hoogte van de woning van minister Heemskerk, die gelegen was naast het paleis des konings, scheen het de politie te bang om het hart te worden en de heer Dietz keerde zich om en roepende: in naam des konings! maakte zij een charge op het volk. Dit kreeg op die manier een praktische les ter bevordering van koningsliefde,​ daar het in naam des konings ransel kreeg. Wij gingen door naar Walhalla, ons vergaderlokaal in de Westerbaenstraat,​ waar ik tot de groote menigte - de zaal stroomde op eens vol - het woord voerde. 
 + 
 +Mijn vonnis was: 1 jaar celstraf wegens Majesteitsbeleediging en 50 gulden boete, subsidiair 3 dagen hechtenis wegens Storkbeleediging. De eer en goede naam van dezen laatste waren de rechtbank dus al heel weinig waard. 
 + 
 +De groote pers was voldaan, zij braakte letterlijk artikelen vol scheldwoorden en om den geest van die dagen weer te geven, kan ik niet beter doen dan de volgende satire, die ik in Recht voor Allen gaf. Ziethier een artikel uit een der grrroote bladen: ... socialisten ... volksmisleiding ... dupes maken ... leugen ... bedrog ... valsche leuzen ... rampzalige verblinding ... domheid ... moedwillige misleiding ... verderf van het vaderland ... geweldige proklamatie ... petroleum ... dynamiet ... rand des afgronds ... gehuicheld ... buit ... hondenmaaltijd ... dieven en moordenaars ... rooie lappen ... te laat ... ontzettend ontwaken ... helsch stelsel van leugen en bedrog ... leugengeest ... rampzalig vaderland ... verarming ... vreeselijk ontwaken ... ondergang ... verraad aan het algemeen belang ... valsche politiek ... weergalooze verblinding ... berouw ... Oranje boven! 
 + 
 +Gewapend met dit schema kan men nu gemakkelijk een artikel samenflansen,​ gelijk men ze toen veel in de bladen kon vinden. 
 + 
 +Gunstig stak daartegenover af de houding van een zeer gematigd republikeinsch blad als de Temps, die mij een socialist noemde van het meest gematigde type, algemeen geacht door de werklieden, wiens artikelen in het blad Recht voor Allen niets heftigs of demagogisch hadden. Hij bepaalde er zich toe bepaald te beweren dat het Nederlandsche volk geen geestdrift kon hebben voor een zoo werkeloos en nutteloos vorst als de tegenwoordige koning was. 
 + 
 +Liebknecht schreef mij: ‘mit grossem Bedauern erfuhr ich von Ihrer skandalösen Verurtheilung. Ihr Vertheidigungsrede habe ich gelesen, sie war muthig, aber - nicht sehr geschickt. Verzeihen Sie mir meine Offenheit. Ein Prozess ist ein Duell, in dem man gedeckt schlagen muss. Treffen, ohne sich Blössen zu geben.Getroffen haben Sie wohl, aber auch sich Blössen gegeben. Wenn Sie einen Rath von mir annehmen wollen, so verweisen Sie bei der Verhandlung einfach auf das, was sie früher gesagt; und überlassen das Uebrige Ihrem Anwalt. Das Urtheil gegen Sie ist juristisch anfechtbar und bei guter juristischer Argumentation kann es, glaube ich, umgeworfen werden’. 
 + 
 +Ik heb zijn raad opgevolgd en in hooger beroep een advokaat genomen. Ook zag ik later de juistheid zijner opmerking in, dat mijn verdedigingsrede niet handig was, maar men vergete niet dat ik feitelijk alleen gelet had op de propaganda en heelemaal niet gedacht aan de werking ervan op de rechters. 
 + 
 +Op den vroegen morgen na de uitspraak van mijn vonnis vervoegde zich bij mij een heer, dien ik niet kende, maar die mij eenigzins bedremmeld zei: ik ben Boelens en ik ben de schrijver van het stuk, waarom gij zoo streng zijt gevonnist. Wat kan ik doen om de zaak in het reine te brengen? Ik antwoordde hem: niets, het is nu te laat. Gij begrijpt toch dat als ik daar nu mee aankom, niemand het zal gelooven, maar ieder het houden zal voor een doorgestoken kaart om mij te onttrekken aan de straf. Verder doorpratende kwam het mij voor, dat ik geenszins te doen had met iemand, die er mij in had willen laten loopen, maar die eens een grap wilde uithalen. Hij meende altijd dat het met een boete zou zijn afgeloopen en die had hij dan betaald, maar toen hij dit vonnis las in de bladen was hij geschrikt en zijn geweten had hem er toe gebracht om direkt op reis te gaan - ik meen dat hij te Zwolle of te Kampen woonde - en zich aan mij als schrijver bekend te maken. In elk geval spraken wij af hier nog geen ruchtbaarheid aan te geven, want ik zou er dan toch eerst met mijn advokaat over spreken, hoe wij hier mede aan moesten. Maar hoe het loopen mocht, zei ik, gij moet zelf aktief optreden en het verklaren, ik geef u nooit in der eeuwigheid aan.  
 + 
 +Uit alles bleek mij dat de man te goeder trouw was en trachtte het kwaad, wat hij mij berokkend had, weer goed te maken. 
 + 
 +Ofschoon de meerderheid dit nu wel weet, zijn er toch altijd nog menschen genoeg die meenen dat ik werkelijk de schrijver was, maar eens en voor goed hoop ik nu dat er een einde wordt gemaakt aan deze legende, want zoo en niet anders was de zuivere toedracht der zaak. 
 + 
 +De gebeurtenissen volgden toen elkander zoo snel op, dat zij elkander verdrongen en men voortdurend leefde in een zekere spanning-Reken maar eens na:14 Juni mijn veroordeeling tot een jaar celstraf, 4 Juli 's morgens monstervergadering te Amsterdam bij welke gelegenheid Geel zijn beruchte schot loste op den politiekommissaris Stork en des avonds mijn schitterende ontvangst te Rotterdam, op 5 Juli stierf mijn oude trouwe vriend H. Gerhard om op 8 Juli in alle stilte begraven te worden door zijn familie en een paar oude vrienden, onder wie ook ik, op dienzelfden dag het van de beurs dringen van v.d. Goes onder het geschreeuw: Jij hoort hier niet, ga naar Domela Nieuwenhuis! omdat deze in een brochure het vonnis der Haagsche rechtbank sterk afkeurde, 26 Juli het Palingoproer en al de ophitserij tegen mij ten gevolge daarvan en te midden van dat alles een onverpoosde propaganda, nu hier en dan daar optredende onder ontzaggelijke geestdrift des volks, daar het uitgesproken vonnis eigenlijk eens duidelijk toonde hoe lief het volk mij had. Treffende staaltjes zou ik daarvan kunnen meedeelen, die allen een illustratie waren op de woorden, geschreven op den krans van roode bladeren, mij te Amsterdam aangeboden door de sociaaldemokratische vrouwenvereeniging:​ ‘Veroordeeld door de kapitalisten,​ toegejuicht door het volk’. 
 + 
 +Nog vergat ik de vermelding van een uiterst willekeurige daad van den hoofdkommissaris van politie te 's Gravenhage. Op den avond vóór het vonnis hield men weer een dier vergaderingen aldaar, die ware manifestaties waren. In die dagen waren alle vergaderingen daar gebeurtenissen die met vrees en beven werden te gemoet gezien. Meermalen was de Westerbaenstraat,​ waarin ons lokaal Walhalla gelegen was, aan beide zijden afgezet door huzaren, zoodat alleen zij er door mochten die naar de vergadering gingen. En de politie zoo in als buiten de zaal was niet te tellen. Alom een hevige agitatie. Op dien avond sprak van der Stad en deze deed dit op zijn gewone uittartende wijze, misschien sterker dan ooit omdat ook hij verkeerde onder den indruk van den zwaren eisch, toen plotseling de kommissaris de hand omhoog hief en met de woorden: Nu is het genoeg! de vergadering ontbond. Dit was in ons land iets ongehoords en het was in strijd met de wet, daar deze alleen dan van ontbinding eener vergadering spreekt, als er materieele rustverstoring plaats vindt. En dit was hier heelemaal het geval niet. Men had proces-verbaal moeten opmaken tegen den spreker maar een ontbinding was onwettig. Geen wonder dat ik in Recht voor Allen voorstelde een vereenvoudiging van ons rechtswezen,​ daar men alle wetten gerust kon verscheuren,​ alle rechters zonder wachtgeld op stal kon zetten, alle rechtbanken kortweg kon afschaffen, want men had voortaan aan twee artikelen genoeg, te weten: Artikel I. De politie is almachtig. Artikel II. De justitie is de dienares der politie. En het woord: Nu is het genoeg! wordt dan het wetboek waarnaar de aanvoerders der stok- en sabelheerschappij recht(?) spreken of handelen. 
 + 
 +Te midden der herrie, die hierdoor ontstond, ontfutselde een stille smeris op slinksche wijze de rede van v.d. Stad en op een klacht wegens diefstal, ingesteld tegen den hoofdkommissaris,​ is nooit eenig antwoord gevolgd. 
 + 
 +De gemoederen begonnen langzamerhand het kookpunt te bereiken en men moet die dagen mee doorleefd hebben om er over te kunnen oordeelen. Men zou heusch niet meenen dat dit uiterlijk zoo kalme en bedaarde Nederlandsche volk zou zijn op te voeren tot zulk een warmte en geestdrift. 
 + 
 +De dag van 4 Juli was weer een van die merkwaardige dagen, die onvergetelijk zijn. Toen ik - het was de eerste vergadering na mijn veroordeeling - te Amsterdam aankwam, was er een groote menigte die mij aan het station opwachtte en achter mij aan meeliep naar het Volkspark. Plotseling in de Heerenstraat verscheen een inspekteur van politie met 12 agenten, die direkt de sabel trokken, om mij in naam der wet te sommeeren terug te gaan. In naam van welke wet vergat men te zeggen en men kon dat ook niet, want zoo'n wet bestaat niet. Ik weigerde pertinent, daar de straat vrij was. De massa menschen was zoo groot, dat de politie het maar geraden achtte in te binden. Zoo bereikten wij het Volkspark, waar tusschen de 7 en 8000 menschen bijeen waren. Een ware volksmanifestatie! Men weet hoe die vergadering gestoord werd door het schot, dat Geel buiten loste op Stork en hoe het niet dan met de grootste inspanning gelukte om de vergadering tot kalmte te brengen, zoodat zij kon voortgaan en geregeld eindigen. 
 + 
 +Maar wat ik ondervond na den afloop der vergadering,​ overtrof alles wat ik tot nog toe beleefd had. De politie was de kluts totaal kwijt en stelde zich eenvoudig aan als wilde beesten, die dol geworden de menigte maakten tot doelwit van hun laagheden. Tusschen een kordon van agenten - er liepen er wel honderd - werd ik naar het station gebracht met Fortuyn en nog een ander naast mij, onder het uitbraken van de smerigste en ruwste taal die ik ooit gehoord heb. Het was er blijkbaar op aangelegd om ons te provoceeren tot een of andere onvoorzichtige uitlating, om dan dadelijk ons te arresteeren. Maar natuurlijk met zulk rapailje praat men niet, als men eenig gevoel van eigenwaarde bezit, daar acht men zich toch te voornaam voor. Maar wij werden omstuwd door een onafzienbare menschenmassa,​ waaronder als altijd de noodige kwajongens, die bij elk relletje zijn. Telkens werd de menigte uiteengeranseld,​ maar dan liep men een paar straten gauw om en kwam uit de volgende straat weer te voorschijn. En zoo liepen wij de Marnixstraat af. Eerst werd plotseling die andere persoon weggesleurd en van den eenen agent naar den anderen gekaatst, zooals men met Edammer kaasjes doet, en in een ommezien was hij uit onze oogen. Fortuyn liet men met vrede tot bij het station, toen de politiemacht nog versterkt was, en ook hij van mijn zijde werd weggerukt. Het stationsplein werd afgezet en niemand mocht het gebouw binnen zonder voorzien te zijn van een kaartje. Zoo kwam ik op het perron en het was mij een weldadige verademing toen ik rustig en wel in den trein zat. Vele dagen lang werd ik in mijn verbeelding vervolgd door de verdierlijkte tronies der agenten, die tot alles in staat zouden zijn geweest, het waren geen menschen meer. Het socialisme was de overheid naar het hoofd geslagen en de internationale ziekte, die als de cholera de ronde doet, is vervolgingswaanzin. Zeer terecht vermoedde een enkel blad als de Arnhemsche Ct., hierin geruggesteund door de Amsterdammer,​ dat het hier was de uitvoering van een last van hoogerhand, zoodat de eigenlijke schuldigen waren de ministers te 's Gravenhage en wel voornamelijk Heemskerk en de hofbeambte-minister van Justitie du Tour van Bellinckhave. Op mij scheen toen toepasselijk,​ wat Corneille in zijn Polyeucte het polytheïsme laat zeggen van den christen Polyeucte:​ 
 +  
 +een booswicht en een schelm, een rebel en een laaghartige,​ 
 +  
 +een verrader, een misdadiger, een lafaard, een vadermoorder,​ 
 +  
 +een verfoeilijke pestilentie voor alle goedgezinden,​ 
 +  
 +een goddelooze heiligschenner,​ in één woord een christen. 
 + 
 +Vervang hier het woord ‘christen’ door ‘socialist’ en het is heelemaal toepasselijk. En het waren de hedendaagsche christenen, hun verleden geheel vergetende, die hierin van harte instemden en de rol vervulden van de Joden, toen Jezus naar Golgotha werd geleid. 
 + 
 +Een groot kontrast met de politie te Amsterdam, vormde die te Rotterdam, waarheen ik dienzelfden dag stoomde om des avonds het woord te voeren. Wij gingen in optocht en al zingende de stad door naar het vergaderlokaal en de politie, die daarbij was, gedroeg zich zeer behoorlijk. Met rozen bestrooid in de vergadering door de vrouwen en vereerd met een schoone bloemenkrans,​ die namens Rotterdam door Helsdingen mij werd overhandigd,​ was de tocht in die stad een ware triomftocht. 
 + 
 +Toen ik een weinig later naar Antwerpen ging om het kongres der Vlaamsche sociaaldemokraten bij te wonen en een voordracht te houden te Gent, zooals ik dit gewoon was te doen, overkwam mij weer een nieuwe verrassing, nl. ik werd aan het grensstation Esschen gearresteerd en tusschen twee gendarmes gebracht naar de gendarmerie. Daar vernam ik dat dit geschiedde op last van den Belgischen minister van Justitie, die mij namens den koning een bevelschrift deed geworden, waarin mij verboden werd den heiligen grond van België nu en in de toekomst te betreden. Na mij een uur of vier verveeld te hebben op de gendarmerie,​ werd ik op nieuw onder geleide naar het station gebracht en in den trein naar Holland terug geëxpedieerd. Dit geschiedde zeker om de Nederlandsche regeering een kleinen vriendendienst te doen. Wat 'n kleingeestige manier van bestrijding toch! Alsof het socialisme uit België geweerd kon worden door mij te beletten aldaar het woord te voeren. Zoo'n minister begrijpt heelemaal niet hoe 'n mal figuur hij door zoo'n daad maakt. Was men soms bevreesd, omdat de Gentsche arbeiders op hun gewone ostentatieve wijze in hun bladen hadden bekend gemaakt, dat zij mij met muziek en roode vaandels zouden komen afhalen van het station? Ik weet het niet, maar voortaan was mij nu de weg naar België versperd. 
 + 
 +Verder betuigde de Socialist League te Londen mij haar sympathie naar aanleiding van het tegen mij uitgesproken vonnis, daaraan verbindende een betuiging van minachting voor een regeering die door zulke minne daden haar eigen zwakheid verraadde. 
 + 
 +Onder den indruk der veroordeeling greep Roorda van Eysinga naar de pen, om voortaan als vast medewerker aan Recht voor Allen zijn gepeperde artikelen het publiek voor te zetten. 
 + 
 +Ik ging natuurlijk in hooger beroep en vond in mr. Jacques de Witt Hamer, advokaat te Middelburg, den man die als pleitbezorger mijn zaak verdedigde. 
 + 
 +Op 23 Juli zou de zaak voor het Hof te 's Gravenhage worden behandeld, maar wegens ongesteldheid van den advokaat werd zij onbepaald uitgesteld. Ook deze zitting gaf aanleiding tot een demonstratie,​ want bij het verlaten van het gebouw werd mij door eenige jonge meisjes een schoon bouquet ter hand gesteld. Wij gingen toen in optocht naar Walhalla, waar de uitslag der zitting door mij werd bekend gemaakt. Na een toespraak van mij ontving ik een schoone krans waarop stond geschreven: ‘Als blijk van hulde en dankbaarheid’ op het eene en: ‘Aan den vriend des Volks. Leve het socialisme’! op het andere roode lint. Van Walhalla wapperde fier de roode vlag. 
 + 
 +Enkele bladen begonnen toen in te zien dat dit mijntje verkeerd ontploft was en dat deze vervolging op ontzettende wijze bijdroeg om mijn populariteit te vermeerderen. Een der bladen, de Middelburgsche Ct., schreef: ‘als D.N. gevonnist wordt door een hoogere rechtbank, dan zal de agitatie eer vermeerderen dan afnemen! Als daarna de gevangenispoort voor hem geopend wordt, wacht hem nog grooter ovaties dan er nu plaats hadden, maar het toppunt van opgewondenheid zal eerst bereikt zijn, als hij terugkeert uit zijn kerker en hij nog meer poseeren kan als martelaar. Zijne ideeën zullen in den betrekkelijk korten tijd dat hij afwezig was, winnen in kracht. Niemand toch kan denken, dat door zijn afwezigheid zijn aanhang iets verminderen zal. De ervaring leerde steeds dat bij zulke zaken een gevangen man meer invloed uitoefent dan een vrij man. En in de XIXe eeuw mag niemand meer zoo onnoozel zijn te gelooven, dat door vervolging nadeel berokkend wordt aan eene partij of een persoon, die een politieke strekking heeft of een staatkundige richting vertegenwoordigt’. 
 + 
 +De verstandiger lieden begonnen te begrijpen dat men zich eigenlijk leelijk in de vingers had gesneden, zij begrepen dat de vervolging van majesteitsschennis op zulk een nietigheid was gegrond, dat het koningschap daarboven verheven moest worden geacht. 
 + 
 +Op 16 September kwam mijn zaak voor het Hof voor. 
 + 
 +Plotseling trad de zaak een nieuwe, een andere fase in, want als nieuw getuige trad de heer Boelens op, die verklaarde de schrijver te zijn van het geïnkrimineerde artikel en getuigende dat hij onder een gefingeerden naam had geschreven en zich aanvankelijk schuil had gehouden in de onderstelling dat een lichte straf zou worden geëischt, maar zoodra hij vernam dat het vonnis zoo zwaar was, wilde hij de verantwoordelijkheid van het door hem geschreven stuk niet langer op mij laten rusten maar die zelf dragen. 
 + 
 +Men had de gezichten van die heeren rechters eens moeten zien! Zij dachten mij zoo zeker te hebben en nu zou ik hun nog ontkomen! Neen, dat kon niet, dat mocht tegen geen prijs. 
 + 
 +Hierover ondervraagd lichtte ik toe dat ik verklaard had de schrijver te zijn, omdat anders bij onbekendheid van den werkelijken schrijver ten gevolge onzer irrationeele wetgeving een onschuldige,​ namelijk de drukker, zou zijn gestraft. Nu echter de werkelijke schrijver uit eigen beweging de verantwoordelijkheid van het stuk op zich wilde nemen, nu nam ik mijn in eerste instantie afgelegde verklaring en bekentenis terug. 
 + 
 +De advokaat bewees nu dat ik de schrijver niet was en, zei hij, mocht men het in mij afkeuren dat ik in eerste instantie niet had getuigd overeenkomstig de waarheid, dan wenschte hij in herinnering te brengen dat er onwaarheden zijn die hooger staan dan waarheden. De heer Boelens had zich zelfs tegen den wensch van den heer Domela Nieuwenhuis bekend gemaakt en hij (de Witt Hamer) juicht het toe dat deze bereid was de verantwoordelijkheid te dragen voor zijn eigen daden. 
 +  
 +Hij vroeg dan ook schorsing der zitting aan. Fatsoenshalve gingen de heeren in Raadkamer, maar men kon wel zien dat dit slechts voor den vorm geschiedde. Neen, de heeren zouden hun prooi niet loslaten. Nu begrijp ik zeer goed dat men niet dadelijk geloof schonk aan deze verklaring en dat men zelfs gepraedisponeerd was om er geen geloof aan te hechten, maar al was het om den schijn te redden, had men een nieuw onderzoek moeten gelasten en dan zou het gebleken zijn dat deze indedaad de dader was. Maar men vreesde juist dit onderzoek en nog herinner ik mij een der geslepenste advokaten te hebben hooren zeggen: dat doen ze niet, dat nieuwe onderzoek willen ze niet, want dan komt Nieuwenhuis vrij! Juist en dat moest nu tegen elken prijs verhinderd worden. Eigenaardig was weer de stem des volks. Zoo riep iemand uit de zaal: ze moeten eerst aan Heemskerk vragen of het mag! Na eenigen tijd keerden de heeren terug en het luidde dan ook dat de schorsing niet werd toegestaan. Men wilde niet eens een onderzoek, al was het ook voor den schijn. 
 + 
 +Thans was dus weer het woord aan mijn advokaat, nadat het openbaar ministerie bevestiging van het vonnis had voorgesteld. Dit pleidooi was juridisch zeer goed en hield tevens een pleidooi in voor de politieke rechten die ons heeten gewaarborgd te zijn. 
 + 
 +Na afloop der zitting had weer een demonstratie plaats en depolitie, aan wie zulks een doorn in het oog was, hield weer de gebruikelijke ranselpartij. In Walhalla werd een vergadering gehouden waar de zaak nog eens besproken werd. Over het algemeen was de pers natuurlijk tegen mij. 
 + 
 +Het einde van het lied was dat het vonnis bevestigd werd en ik dus mijn jaar hield. 
 + 
 +Deze rechters hadden wel eens vooraf kennis mogen nemen van het gedicht van hun kollega rechter, den bekenden dichter Bilderdijk, die tusschen twee haakjes te eerlijk was om rechter te blijven en zijn ontslag als zoodanig nam, opgedragen aan zijn Nederlandsche mederechters! waarin hij zegt: 
 +  
 +is 't feit u reeds gebleken? 
 +  
 +Bestaat het, o mijn vriend, beslis toch niet zoo ligt; 
 +  
 +Niets kost het om de deugd de hartaar af te steken. 
 +  
 +Te weten eer hij doemt, - ziedaar eens rechters plicht. 
 +  
 +Ik meen, ik denk, ik hoor, men heeft mij doen gelooven, 
 +  
 +'k Ben overreed in 't hart, dat al voldoet hier niet. 
 +  
 +'t Geldt hier uw 's naasten eer en hem die eer t' ontrooven 
 +  
 +Is mog'​lijk meer dan bloed dat uit een doodwond vloeit. 
 + 
 +En toch werd de heer Boelens niet vervolgd wegens het afleggen van een meineed, wat toch de noodzakelijke konsekwentie had moeten zijn na mijn veroordeeling. Zelfs trachtte deze een vervolging uit te lokken, maar men liet hem stilletjes praten. 
 + 
 +Heel het socialistische Europa nam op de hartelijkste wijze deel aan dit mijn proces, zooals ik bij het nasnuffelen onder oude brieven vond. 
 + 
 +Zoo schreef Elysée Reclus: 
 + 
 +    ‘Ik sluip tusschen de menigte uwer vrienden om u al mijn erkentelijkheid te betuigen. Als een mensch zijn plicht doet, ben ik zeer gelukkig. Moge ik het geluk hebben hem na te volgen als de gelegenheid zich zal voordoen’. 
 +    Die goede, nederige Reclus, die nooit vergat zijn plicht te doen en die ons hierin allen ten voorbeeld was! 
 +     
 +Friedrich Engels schreef mij: 
 +     
 +    ‘Uit de bladen zie ik dat het Hof het vonnis heeft bevestigd en gij dus spoedig naar de gevangenis moet gaan. Ik kan u niet daarheen laten gaan zonder afscheid van u te nemen en u te verzekeren dat mijn geheele sympathie u in uw cel vergezelt en dat ik hoop dat gij onbeschadigd van lichaam en ongebroken van geest uit de eenzame opsluiting tot uw werkzaamheid moogt terugkeeren’. 
 + 
 +William Morris: 
 + 
 +    ‘Gij kunt u verbeelden hoe het brutale vonnis der regeering mij geërgerd heeft en zult begrijpen hoe gij onze sympathie geheel wegdraagt en zeker die van elk eerlijk mensch die niet door klassenvooroordeel hoogst verblind is’. 
 +     
 +Cesar de Paepe: 
 +     
 +    ‘en gij, Nieuwenhuis,​ een jaar celstraf voor een artikel door een ander geschreven, een ander die zich schuldig erkent; de schuldige (als er schuld in bestaat) erkent zijne daad; de wet is klaar, is er schuld hij en niet een ander moet gestraft worden.  
 + 
 +    Maar neen, de justicie zoekt geen schuldigen te straffen, dat is hare zaak niet; hare zaak is het hoofd der socialistische beweging te raken, al moest zij te zelver tijd de wet en het recht raken. Maar dit zijn geen rechters meer, dit zijn beulen! Wat zeg ik, beulen? Maar de beul doet immers anders niet als eene wet toepassen, en zij handelen tegen de wet! Dus nog lager als de beul liggen die mannen gevallen. Geen rechters, geen beulen zelfs, wat dan? Booswichten en anders niets. Maar booswichten van den 2den rang, want zij zijn slechts de dienaren van andere booswichten,​ de maatschappelijke kopstukken op politiek en ekonomisch gebied, 't is te zeggen de hooge bourgeoisie. O die hatelijke bourgeoisie! Wie te fier is om zich te laten koopen, zoekt zij te verpletteren met den honger en de armoede en wie zij niet kan overwinnen met den honger omdat hij soms persoonlijke middelen bezit om onafhankelijk te zijn, verplettert zij met het ruw geweld. Gij zijt onder deze laatste. Ik, vriend, ik die maar een proletariër ben en overlast van kinderen, zoekt zij, van over vele jaren, door den honger te dwingen en zij gelukt er maar te wel aan, door mij, stilletjes aan, al mijn cliënten te ontnemen en mij de deur te sluiten voor alle geneeskundige ambten in de hospitaals, het professoraat,​ enz. Zoo wordt iedereen die onafhankelijk is van geest en bijzonder die zich socialist verklaart en als zoodanig handelt en propaganda maakt, overrompeld op de eene of de andere wijze. Gij hebt het schoonste deel, de roemrijkste soort dezer vervolgingen,​ anderen worden vervolgd met min glans en lijden en bezwijken in de duisternis en de vergetelheid. En doch ben ik wel zeker dat al die vervolgingen,​ die laster tegen u in de bourgeoisbladen,​ en dit jaar celstraf, enz. u minder, veel minder treffen als het verlies uwer goede Johanna. Dus ik treur niet voor dit jaar gevang, dat kan uwen moed niet overwinnen, dat kan een man als gij slechts wat meer verbitterd maken tegen de oude en verrotte maatschappij’. 
 + 
 +Kautsky: 
 + 
 +    ‘Toen wij hier (te Londen) het eerste bericht ontvingen van uw schaamtelooze veroordeeling,​ hoopten wij, dat deze geen definitieve was en gij in hooger beroep zoudt gaan. Wij hebben helaas! sints niets meer daarvan gehoord en moeten dus wel gelooven, dat de afschuwelijke straf u werkelijk ten deel zal vallen. 
 +     
 +    Dat wij ten zeerste met u sympathiseeren,​ behoeven wij u ter nauwernood te verzekeren. Wij hopen dat de opsluiting althans niet streng zal zijn en dat gij u naar den geest moogt bezig houden. De gevangenis is althans voor de Duitsche socialisten de universiteit,​ waar zij tijd en rust vinden voor de studie. Bebel'​s beste geschriften,​ b.v. zijn “De vrouw” werden in de gevangenis geschreven. Indien letterkundige arbeid u toegestaan is, verzoek ik u om de Neue Zeit niet te vergeten en ons af en toe een artikel te doen toekomen. De Duitsche arbeiders lezen uw geschriften zeer gaarne’. 
 + 
 +Multatuli was bedroefd en verontwaardigd. Roorda woedend. Hij schreef mij: ‘gij hebt u zeer edel tegenover Boelens gedragen. Het ware zeker het toppunt van infamie u voor zijn artikel gevangen te zetten, maar de vrees der bourgeois, iets van het hunne te zullen verliezen, is grenzenloos wreed. Het pleidooi van de Witt Hamer bevalt mij maar half, althans te oordeelen naar uw verslag. Men hoort er den naderenden donder der maatschappelijke omwenteling niet in. Dat ware goed geweest voor 't publiek. Appeleer zoo zij u veroordeelen,​ niet wegens kans van winnen, maar om hen te traîteren’. 
 + 
 +Kort daarna ging ik naar hem toe, om mijn oudsten zoon, die te Lausanne zijn studies zou voortzetten,​ onder zijn zorg en toezicht te stellen. 
 + 
 +Ik had dus alle gelegenheid mij aan mijn straf te onttrekken door buitenslands te blijven, zelfs vele vrienden raadden het mij sterk aan, erop wijzende dat ik buiten de gevangenis toch meer nut kon doen dan daar binnen die dikke muren, maar ik moet eerlijk zeggen dat ik daar nooit aan gedacht heb.[16] Ik had eenmaal die taak aanvaard, wetende hoe die weg meer een van lijden dan van eer en roem zou wezen, en dus ik aanvaardde ook al de gevolgen, die uit het bewandelen van dien weg voortvloeiden. Zelfs kwam het mij voor, wat de regeering wel graag had gezien dat ik weg bleef, want dan wist zij dat ik een deel van mijn populariteit zou inboeten. Waarom liet zij mij anders niet bewaken om mij bij de eerste poging de beste om het land te verlaten telaten opsluiten? Zij begreep dat ik in de gevangenis gevaarlijker voor haar was dan daarbuiten en had niets liever gezien dan dat ik er van door was gegaan, daarvan ben ik vast overtuigd. 
 + 
 +Op 29 November werd mijn zaak voor den Hoogen Raad bepleit door den heer van Houten, maar ook dit baatte niet, het vonnis werd bekrachtigd op 10 Januari 1887 en mijn mederedakteur Croll kondigde dit feit aldus aan: 
 + 
 +‘Het is volbracht! Langs den weg van “rechten”,​ dat wil in Nederland zeggen, van haat, kuiperij, eer en winstbejag, zijn de lakeien van den hofbeambte du Tour eindelijk aangeland waar ze op hoog bevel heen moesten en hebben ze onzen vriend Domela Nieuwenhuis eindelijk als prooi voorgeworpen aan het hof- en beurs-roofgedierte,​ dat als hongerige raven op hem aasde, omdat hij hen bemoeilijkte in het plunderen en vermoorden des volks. 
 + 
 +Zij zullen hem nu een vol jaar van zijn ons zoo dierbaar leven ontnemen ... en misschien ... ja misschien ... de woorden kunnen ons niet over de lippen, maar ze zijn tot alles, alles in staat. 
 + 
 +Arbeiders, schroeft uwe harten dicht, want zij zijn zelfs te gemeen om onze smart te aanschouwen en de tranen te zien, die worden geweend over den vriend en de vrijheid. 
 + 
 +Slechts één ding mogen ze lezen in onzen blik, dat is hun val en uwe verlossing’! 
 + 
 +Uit elken regel spreekt een grenzenlooze verbittering,​ een gloeiende verontwaardiging en ook een gevoel van vriendschappelijke vereering. 
 + 
 +De tijd, die verliep tusschen dit vonnis van den Hoogen Raad en mijn gevangenneming (acht dagen) was er een van geduchte spanning en opwinding. Men kan gerust zeggen dat de geheele sociaaldemokratische partij in den lande zoodanig verkeerde onder dit alles overweldigende feit mijner aanstaande gevangenschap,​ dat men schier voor niets anders oor en oog had en als het waar is, dat ik mij toen schuldig maakte aan overschatting - Vliegen die mij zeker alles behalve vriendschappelijk gezind is, schrijft in zijn Dageraad der Volksbevrijding,​ dat dit de eenige maal waarschijnlijk is dat ik in 't publiek eenig gevoel van gewone menschelijke overschatting vertoonde - dan is dat werkelijk niet te verwonderen. 
 + 
 +Op 7 Januari kwam van Ommeren vrij en op 9 Januari had te Amsterdam een openbare vergadering plaats, waar ook door mij namens den Centralen Raad het woord gevoerd werd om hem een hartelijk welkom in onze gelederen toe te roepen. Was dit een dag van vreugde geweest, er lag toch een waas van droefheid over, want al was de uitspraak van den Hoogen Raad in mijn proces nog niet bekend, men verkeerde toch in groote vreeze. Op Maandag 10 Januari, dus op den avond van de bekrachtiging van het vonnis, nam ik afscheid van de Haagsche vrienden en den volgenden avond te Amsterdam in het Volkspark. Reeds om half zeven was het zoo vol dat er geen plaats meer was te vinden en men kan zich ter nauwernood een voorstelling maken van de ontzettende menigte, die op de been was. Tranen vloeiden in menigte en daarnaast werden stille verzuchtingen en krachtige vloeken gehoord. De menschen waren zoodanig opgevoerd dat zij toen werkelijk tot alles in staat waren geweest. Mijn Afscheidsgroet aan de arbeiders, in druk verschenen, gaf uitdrukking aan hetgeen toen in mijn ziel woonde. Ik wees erop hoe de geheele geschiedenis den stempel der waarheid afdrukt op het woord van Goethe: 
 +  
 +  * de weinigen, die hun verlicht verstand, 
 +  * Hun rijk gemoed, niet voor zich-zelf bewaarden,​ 
 +  * Maar 't grauw hun meening en gevoelens openbaarden,​ 
 +  * Zij zijn van ouds gekruisigd en verbrand. 
 + 
 +Elk hervormer heeft zijn via dolorosa evengoed als Jezus, en dan teekende ik Jezus, die ziende het geween der vrouwen haar toeriep: Weent niet over mij, maar weent over uzelven en over uw kinderen. Aan die woorden vastknoopende wees ik erop dat de lijdensweg van het proletariaat oneindig veel zwaarder is dan die van Jezus, een eeuwenlange pijniging en marteling, plaats hebbende op de meest geraffineerde wijze. Wie daaraan denkt, weent van smart over de ongelukkige individuen, die hij voor zijn oogen ziet ondergaan zonder er iets aan te kunnen doen, van toorn over de bevoorrechten,​ die zelven een handjevol uitmakende alles zoo hebben ingericht dat zij ongestraft den baas kunnen spelen over de groote massa om haar er onder te houden. En ik eindigde met te zeggen: ‘ik vraag geen medelijden, geen betraande oogen, maar ik vraag veerkrachtig handelen, ernstige toewijding, aktieve deelneming. Over mij behoeft gij niet te weenen, want ik voel mij gelukkig in 't bewustzijn mijn plicht gedaan te hebben. Waarlijk ik ruil niet met mijn vervolgers, ook al draag ik de straf die mij wacht. Wij hopen elkaar weer te zien te dezer plaatse en mocht het al zijn dat het einde van mijn leven is de cel eener gevangenis, weest overtuigd dat ik mij daarom nooit zal beklagen over de taak door mij aanvaard en door u met mij gedeeld. Wat beteekent het leven van één, tien of meer menschen in verhouding tot de menschheid? Wat zijn enkele jaren in den stroom des tijds? Personen verschijnen en verdwijnen, maar de beginselen blijven en zoolang zij niet in vervulling zijn gebracht, zoolang nog één mensch gebrek lijdt op onze rijke aarde, zoolang nog één mensch verstoken blijft van de noodige kennis om mensch te worden, zoolang nog één mensch niet is erkend in zijn gelijk recht met alle anderen, zoolang is onze taak nog niet afgeloopen. Aanvaarden wij met opgewektheid en ernst onzen arbeid, scharen wij ons als één man onder onze roode banier, waarop met zwarte letters staat gegrift: brood, kennis, recht voor allen’. Ik herinnerde aan dat schoone stukje van Turgenieff, getiteld: Op den drempel, om een voorbeeld te geven van toewijding, gelijk zij in Rusland gevonden werd onder die mannen en vrouwen, die alles, tot zelfs hun leven gaven voor hun heilige zaak en daarom dwazen werden geacht, maar heiligen waren. Ik wees erop, dat wij kruisdragers moesten zijn evenals die jongeling, van wie Longfellow zoo schoon zong in zijn lied Excelsior, die jongeling die trots alle moeilijkheden van weer en wind, trots de vleiende roepstem der liefde, trots het voorspiegelen van de wachtende gevaren zijn weg vervolgt met de banier in zijn hand, waarop Excelsior stond geschreven. Hij hield vol, want men vond zijn lijk onder de sneeuw bedolven, maar in zijn handen hield hij zijn banier omklemd. ‘Zoo ook wij. Excelsior! Al hooger - dat zij onze leuze. Het proletariaat heeft een wereldbeschavende roeping te volbrengen, nl. om de menschheid te bevrijden van onrecht en onderdrukking en een nieuwe wereld te openen, waarin vrijheid, gelijkheid en broederschap den schepter zullen zwaaien ten zegen van de geheele menschheid’. 
 + 
 +Nu ik na zoovele jaren die toespraak nog eens overlees en er dus meer objektief tegenover sta, nu doet zij mij denken aan de redevoeringen van Lassalle, nl. als afkomstig van iemand die zich zijn roeping ten volle bewust is en bereid is de gevolgen daarvan te dragen. 
 + 
 +Een enorm machtsvertoon was daarbuiten en wat ze van zins waren, is mij natuurlijk onbekend, maar het had allen schijn alsof men mij toen reeds had willen arresteeren,​ ofschoon dit niet mocht. Echter er gebeurde niets. 
 + 
 +Des Zondagsavonds vóór mijn arrestatie verrastte men mij in mijn vooral toen ter tijde verbazend stille woning in de Malakkastraat door mij een serenade te brengen. Dit was mogelijk door het groepenstelsel wat wij ingevoerd hadden, zoodat binnen een uur tijds op een bepaalde plaats de geheele talrijke afdeeling op de been kon worden gebracht. Wel een paar duizend menschen waren spoedig bijeen verzameld, een ongewone drukte in die buurt. Uit het raam spraken van der Stad en ik de menigte toe. Het behoeft ter nauwernood vermelding, dat deze verrassing eindigde met een hakpartij der politie, want daar was men toen zoo aan gewend dat men niet beter wist of het hoorde erbij. 
 + 
 +Hoe bevreesd men was, blijkt ook wel hieruit, dat ik des avonds om half twaalf een bevelschrift kreeg om mij den volgenden morgen om 10 uur ter beschikking te stellen van de justitie, ten einde mijn ‘straf’ te ondergaan. 
 + 
 +Men was blijkbaar bang voor een demonstratie,​ die misschien een gewelddadig karakter zou dragen. 
 + 
 +Ik wilde niet in mijn huis gearresteerd worden, wat natuurlijk plaats zou hebben gehad, als ik niet had voldaan aan die verraderlijke nachtelijke oproeping en begaf mij dus na afscheid genomen te hebben van mijn kinderen naar Walhalla, om daar te midden mijner geestverwanten mijn arrestatie af te wachten. Men had gezorgd in de vroegte een bulletin te verspreiden,​ zoodat tal van belangstellenden nog de gelegenheid hadden mij daar de hand te drukken. Omstreeks elf uur verscheen de kommissaris van politie Kloppers met witte das en zijn lint om, trad Walhalla binnen en bleek als een doode verzocht hij mij, hem te willen volgen. Mijn korte antwoord was: welzeker! 
 + 
 +Een rijtuig stond voor en in gezelschap van twee stille smerissen reden wij naar het Huis van bewaring op de Prinsengracht. Ik had nog de gelegenheid op straat te zien welk een politiemacht men had ontwikkeld en dus hoe bevreesd men was dat er iets bizonders zou plaats vinden. Daar bleef ik overnachten om den volgenden morgen vroeg per rijtuig vervoerd te worden naar het toenmalige station van de Rijnspoor. Wezenlijk daar waren nog vrienden op de been, die den geheelen nacht rondom de gevangenis hadden gezworven, om te zien waarheen ze mij zouden vervoeren. Zij liepen in draf achter het rijtuig aan om mij een laatsten groet te kunnen brengen. Nog herinner ik mij een vrouw, die in een flesch melk had meegenomen om mij die aan te bieden en hoe gelukkig zij was mij dien laatsten kleinen liefdedienst te kunnen bewijzen. In Utrecht, waar ik nog zeer in de vroegte aankwam - het was half Januari en dus in de kortste dagen - stond de dievenwagen klaar, waarmede ik vervoerd werd naar de cellulaire gevangenis aldaar. Zoo was ik dus achter de dikke kerkermuren,​ waar men mij een jaar van mijn leven ging ontstelen. 
 + 
 +Als afscheid had ik achtergelaten een kleine waarschuwing aan de partijgenooten,​ om hun attent te maken dat men waarschijnlijk een meer vriendschappelijken toon tegenover de arbeiders zou aanslaan en zich voordoen als werkmansvrienden. Men zal zeggen: ziet ge, wij willen wel wat doen voor de arbeiders, wij dragen het werkvolk een goed hart toe. Reeds vroeger hadden wij dat getoond en gedaan, maar die volksmisleider bedierf alles, hij ontnam door zijn scherpe kritiek alle lust aan de ware volksvrienden om iets voor het volk te doen, daar hij alles afbrak en verdacht maakte wat wij deden. Gij ziet onze goede gezindheid en het was dus die vermeende volksvriend die uw vijand was.  
 + 
 +Ik waarschuwde dat men zich vooral niet in den val zou laten lokken door kleine koncessies, door het lijmen met schoone woorden als sociale gerechtigheid en met allen ernst drong ik erop aan om vooral nooit te vergeten dat de verlossing der arbeiders het werk moest zijn van de arbeiders zelven, tegenover wie als het er op aankomt, alle andere klassen zullen staan als één reaktionaire massa. En mijn mederedakteur Croll, die zoo meesterlijk de kunst verstond om de gemoederen op te zweepen, gaf op deze wijze uitdrukking aan zijn van haat overkropt gemoed: 
 + 
 +‘Een jaar cel ... dat wil zeggen dat hij geheel alleen tusschen vier kerkermuren zucht ..., eerst als de lieve lente de geheele natuur opwekt tot nieuw leven ..., dan als de zomer alles vervult met heerlijkheid en pracht ...., ook nog als de herfst alles weer schijnt te sloopen ... en eindelijk als in den winter alles sluimert en rust ... Gedurende al dien tijd gedwongen werkeloosheid,​ moedwillige afsluiting van het wereldtooneel,​ waarop zijn werkzame geest zich onafgebroken bewoog, moedwillige,​ gewelddadige scheiding uit den kring der geliefden en de partij der verdrukten waarvoor het hem lief was te lijden en te strijden. “Maar de arbeiders genieten van dit alles ook niets, ik blijf dus met hen vereenigd, zij het dan niet in den strijd dan toch in de ellende”, zoo troostte hij zich bij het heengaan. 
 + 
 +En nu .... ze hebben hem in hun klauwen, onzen vriend. Partijgenooten,​ op ons allen rust thans de plicht van verdubbelden ijver en van eensgezindheid,​ die alle tweedracht moet weren en uitroeien uit liefde voor ons beginsel. Wij zijn overtuigd dit alles niet te vergeefs van u te vragen. En gij, tegenpartij - ook aan u een woord: gij hebt den man des volks geheel onschuldig, zelfs aan het feit waarvoor hij veroordeeld is, in uwe macht. Wee uwer indien gij hem een haar op het hoofd durft krenken! Wee u, indien ge hem ons niet geheel ongedeerd weer uitlevert’! 
 + 
 +Men meende zeker het socialisme gesmoord te hebben, want het was de tijd van internationale vervolging bij uitnemendheid. In het begin van Januari 1886 kwam Kropotkine vrij uit de gevangenis te Clairveaux, waar hij drie van de vijf jaar had doorgebracht waartoe hij in het beroemde Anarchistenproces te Lyon in 1883 was veroordeeld,​ maar om dadelijk plaats te maken voor anderen, die veroordeeld waren tot langer of korter straffen. Cipriani zat gevangen in Italië. Johann Most werd opgesloten op Blackwell Island bij New York. Louise Michel, Jules Guesde, Paul Lafargue en dr. Susini waren in Frankrijk gevangen genomen. Vollmar, Bebel, Auer, Frohme, Ulrich en Viereck waren tot 9 maanden veroordeeld in Duitschland. In Engeland hadden zelfs vervolgingen plaats. Anseele zat te Gent. Van Ommeren en Geel, die wegens een mislukten aanslag op een politiekommissaris 8 jaar opliep, Fortuyn en van der Stad en nu eindelijk de aartsopruier Nieuwenhuis zelf vielen als slachtoffers der justitie in Nederland. 
 + 
 +Wat 'n rustig jaar zou dat jaar 1887 worden, nu zooveel van die opruiers achter slot en grendel waren opgeborgen! Het socialisme zou nu wel dood gaan, het woord van dien onnoozelen inspekteur van politie te Amsterdam zou wel bewaarheid worden, die zei: wat zal die Nieuwenhuis raar opkijken als hij uit de kast komt en geen socialisten meer vindt. Onnoozele halzen, alsof men een beweging doodt door haar woordvoerders te treffen en onschadelijk te maken! Wij durven gerust verklaren dat er nooit beter propaganda is gemaakt voor het socialisme dan in die jaren, toen de furie van de vervolging als een ware manie den regeerders naar het hoofd was gestegen. 
 + 
 +===== VIII. Mijn gevangenschap. ===== 
 + 
 +Daar zat ik nu alleen in mijn cel, levend opgesloten in een steenen grafspelonk! Alleen en dat gedurende een geheel jaar! Weg gerukt van de mijnen, van mijn vrienden, van mijn werk! 
 + 
 +Wel een tegenstelling met het woelige en rustelooze leven, waaraan ik gewend was! 
 + 
 +Ik had dus ruimschoots gelegenheid te leven met mijzelven. Ik kon mij overgeven aan alle overpeinzingen over het mij beschoren lot. Ik had de volle gelegenheid om in gedachten mijn leven nog eens over te leven en te komen tot zelfonderzoek,​ om mijzelven de vraag voor te leggen of en waarin ik gedwaald had. 
 + 
 +Soms had ik wel eens verlangd naar zoo'n tijd van rustige zelfbeschouwing,​ maar spoedig ervoer ik dat deze plaats daar niet de geschikte voor was. De afzondering,​ de vrijwillige afzondering van den heremiet, meestal in de natuur ergens achteraf, is geheel iets anders dan deze gedwongen opsluiting, die een mensch innerlijk gejaagd en onrustig maakt. 
 + 
 +Multatuli vertelt ergens dat hij bij het schrijven van z'n Ideën stoornis ondervond door een vlag, die telkens tegen z'n raam fladderde en hem afleidde van zijn werk. Hij kreeg toen lust om een horloge te stelen, ten einde een maand of zes celstraf te krijgen en dan zijn werk te kunnen voltooien zonder stoornis. 
 + 
 +Men kan hieruit direkt bemerken hoe hij niet het minste begrip had van het leven in de cel, want geen plaats is meer storend voor hersenwerk, voor denken dan juist deze. Dat akelige geluid van de voetstappen der bewaarders in die holle gangen, dat telkens herhaald gerammel van sleutels, dat openen en sluiten der celdeuren - men hoort het nog, als men reeds een heelen tijd uit de gevangenis is. Behalve dat zij hem alle middelen ontnomen zouden hebben, als de waakzame oogen van het toezicht ze ontdekt hadden, nooit zou hij zoover gekomen zijn om zijn gedachten op te schrijven, zijn gedachten zouden als in rook zijn opgegaan en verdroogd en verschrompeld op papier zijn gekomen, want wel heeft men rust noodig om te kunnen denken, maar de doodende, doovende rust der cel is daarvoor alles behalve geschikt. 
 + 
 +De positie, waarin ik mij bevond, was zoo nieuw, zoo geheel anders, dat ik feitelijk moeite had er mij in te denken. Eén ding echter zal ik nooit vergeten, namelijk het oogenblik dat de zware deur achter den bewaarder dicht sloeg, de sleutel in het gat werd omgedraaid en ik nu werkelijk heelemaal alleen was. 
 + 
 +Maar keeren wij terug tot de geschiedenis. 
 + 
 +De gebeurtenissen hadden zich wederom zoo snel afgespeeld, dat het was alsof ik in een droom verkeerde. 
 + 
 +Na mijn rit in den celwagen, den zoogenaamden boevenwagen,​ een uitvinding zoo geraffineerd dat men daardoor alleen het recht reeds mist om te zeggen dat de tijd der folteringwerktuigen voorbij is, werd ik overgeleverd aan den direkteur der gevangenis te Utrecht, die in zijn bureau gezeten natuurlijk alles moest boeken. Toen hij mij vroeg naar mijn godsdienst, antwoordde ik: geen. Dat kwam hem zeer vreemd voor, het geval had zich zeker nog nooit voorgedaan, maar niettemin hij schreef het zoo op en later bemerkte ik dat dit ook boven de deur van mijn cel stond geschreven evenals het misdrijf waaraan ik mij had schuldig gemaakt. Die direkteur maakte een onaangenamen indruk, zoo iets van een ingeslikt wetsartikel,​ geheel en al man van het reglement en zooals mij later bleek, had men mij opzettelijk daarom naar Utrecht gebracht, want hij was een der onmeedogendsten,​ die in het geheele land werden gevonden, een man die de stem der menschelijkheid steeds zoodanig wist te smoren en zoo exceptioneel streng handelde, dat zijn eigen ambtgenooten hem den naam van éénling gaven. 
 + 
 +Geen vernedering werd mij dan ook bespaard, ofschoon ik niet hem daarvoor aansprakelijk stelde, want hij was slechts de uitvoerder van hetgeen hem van bovenaf werd bevolen - instrukties uit den Haag zullen hem wel precies hebben voorgeschreven hoe hij zich tegenover mij had te houden -, ik was een gewoon gevangene daar men hier geen onderscheid kent tusschen misdadigers van het gemeene recht en politieke gevangenen. Ik moest dus eerst in het bad, later werd mij baard en hoofdhaar afgesneden, gelijk het voorschrift eischte en werd ik gestoken in het ‘boevenpak’,​ bestaande in 'n broek en buis van bruinkleurige stof, de eerste zonder zak, want die had men daar niet noodig en de tweede met een grooten borstzak voor een groffen reuzenzakdoek van dito kleur en stof als het geel katoenen hemd, en de voeten voorzien van klompen. Alles wat men bij zich heeft, wordt zorgvuldig opgeborgen, zelfs geen portret mag men behouden, ja zoover ging men dat men zelfs dreigde den trouwring, dien ik droeg, te zullen doorknippen,​ als ik dien niet af kon krijgen. 
 + 
 +Ridderlijk is zoo'n behandeling nu bepaald niet, want zelfs in andere landen, zooals in Frankrijk, België en Duitschland,​ beschouwt men politieke gevangenen zooveel als krijgsgevangenen,​ die men wel is waar van de vrijheid berooft maar die men overigens behoorlijk behandelt. Een beschaafd oorlogvoerend volk zou zich schamen een krijgsgevangene te krenken, maar met zulke kleinigheden houdt een regeering als de Nederlandsche zich niet op. ‘We zijn hier allemaal gelijk, dus precies zooals u het wilt’ - zoo voegde de direkteur mij eens smalend lachend toe, waarop ik antwoordde: ‘zeker, met dit onderscheid dat hier allen gelijk zijn in de ellende, terwijl wij allen gelijk willen wezen in geluk en welstand’. 
 + 
 +Ik heb er dikwijls over nagedacht, evenals overigens over de geheele straftheorie en het strafstelsel,​ maar hoewel ik mij best kan begrijpen, dat men iemand uit de gemeenschap neemt om hem op te sluiten, als men zulks noodig acht voor eigen rust en veiligheid, ik kan mij niet goed voorstellen waarom men iemand ook nog op allerlei wijzen moet plagen, als men hem eens in zijn macht heeft. En dat doet men door hem op te sluiten in zoo'n cel, waar men geen zon- of maanlicht ziet, door hem in zoo'n kale, dorre omgeving te plaatsen, door hem te verbieden arbeid naar zijn smaak te verrichten, ja door hem dikwijls te doemen tot volslagen werkeloosheid. Waarom kan men zich niet beperken tot een tijdelijke vrijheidsberooving?​ Benoît Malon, de eenvoudige Fransche herdersjongen,​ die pas op lateren leeftijd leerde lezen, heeft mij dikwijls verteld dat bijna al wat hij wist, hij te danken had aan de gevangenis, waarin hij tijdens de regeering van Napoleon III had gezeten, ja dat men in de gevangenis meer vrijheid bezat dan in de maatschappij daarbuiten, zoodat de gevangenen b.v. gezamenlijk de Marseillaise zongen binnen de muren, terwijl dit daarbuiten als een misdaad werd aangerekend. 
 + 
 +Hoe ik de eerste paar dagen en voornamelijk den eersten Zondag heb doorgemaakt,​ ik kan het mij totaal niet meer indenken. Verbeeldt u dat ik eerst heelemaal niets te doen had en uit wanhoop telkens maar door mijn cel ging ijsbeeren, totdat ik van vermoeidheid niet meer kon, en later een boek kreeg, dat ik binnen een dag uitlas en dat bestemd was voor een heele week. Als ik de lengte mijner dagelijksche wandelingen kon uitmeten, het zou blijken dat ik minstens eenmaal de wereld ben omgeloopen, echter op de wijze der gevangen eekhoorns, die in hun kooitje ook altijd trappen zonder vooruit te komen. 
 + 
 +Niets is in de cel erger dan gedoemd te zijn tot werkeloosheid,​ alle werk is goed als men maar bezig kan zijn en het is mij een raadsel, hoe iemand het b.v. elf maanden heeft uitgehouden zonder iets te hebben om zich mee bezig te houden. Mij dunkt dat men dan krankzinnig moet worden van verveling. 
 + 
 +Zeker, de arbeid dien men te doen krijgt, is eentonig en geestdoodend,​ maar vergeet niet dat alle arbeid, zelfs de aangenaamste,​ onder die omstandigheden gaat vervelen. Ik weet het bij ondervinding,​ want ik had het ten slotte zoover gebracht dat ik permissie kreeg de Géographie universelle,​ het belangwekkende meesterwerk van Elysée Reclus te bewerken in het Hollandsch. Dit was een bizonder leerzaam en ook onderhoudend werk en toch verveelde het mij. Ik begon met lust, maar langzamerhand dwaalden mijn gedachten af en ik was er ten slotte heelemaal niet meer bij. Nog sterker was dit het geval met lezen, ik kon mijn aandacht niet bepalen bij hetgeen ik las. Alle gevangenen zullen waarschijnlijk hetzelfde kunnen getuigen. 
 + 
 +Gaarne erken ik dat het vraagstuk van den gevangenisarbeid een zeer lastig is, daar men op die wijze een leelijke konkurrentie aandoet aan den gewonen, zoogenaamd vrijen arbeid in de maatschappij,​ maar in de eerste plaats is het de vraag of het geproduceerde in de gevangenis wel dien omvang bereikt, dat het invloed kan uitoefenen op de wereldmarkt en in de tweede of het ondanks alles niet een misdadige, ongeoorloofde verzwaring van straf zou zijn, als men de gevangenen doemt tot nietsdoen. Als alle bestrijders van gevangenisarbeid eens aan den lijve ondervonden hadden, door zelven eenige maanden werkeloos in de cel door te brengen, wat dit zeggen wil, ik ben overtuigd dat zij over dit vraagstuk heel anders zouden oordeelen. Dat zouden zij overigens evenzeer doen over het geheele zoo hoog opgevijzelde cellulaire stelsel. 
 + 
 +Door een eigenaardige speling van het lot, zooals ze veel voorkomen in het leven, is het juist mijn familie die zich verdienstelijk(!) gemaakt heeft bij de invoering van het cellenstelsel in ons land. Ik had een oom, die raadsheer was in het Hof te Utrecht en jarenlang regent van de gevangenis aldaar en die zoo lang gewerkt heeft dat te Utrecht meen ik de eerste cellulaire gevangenis, zijn ideaal, tot stand kwam. 
 + 
 +Jammer dat de goede man dood was, anders had hij er zijn neef kunnen ontmoeten, die uit eigen ondervinding daarover kon meespreken! Verder was het mijn oudste broeder, de hoogleeraar in het Strafrecht te Groningen, die indertijd promoveerde op een dissertatie over dat stelsel en die met zijn vriend, professor Modderman, veel heeft bijgedragen tot de invoering daarvan. 
 + 
 +Maar de fout van zulke theoretici is dat zij het in den regel weten zonder zich op de hoogte te stellen bij menschen, die uit ondervinding veel beter over de zaak kunnen oordeelen dan zij. Zoo zou het oordeel van een Johann Most, die door een verblijf in gevangenissen van Oostenrijk, Pruisen, Engeland en Amerika aan den lijve een vergelijkende studie heeft kunnen maken over het strafstelsel in onderscheidene landen, voor hen van groote waarde moeten zijn, maar neen, zij nemen daar geen notitie van en blijven lustig hun stokpaardje berijden. 
 + 
 +Ik pleit heelemaal niet voor gemeenschappelijke opsluiting, die evenzeer groote nadeelen heeft en voor een eenigzins ontwikkeld mensch een ontzettende plaag moet zijn, maar ik meen dat de toepassing van het cellenstelsel met zijn absolute isoleering, waarvan men overigens hier en daar reeds terugkomt, een bewijs oplevert van een onoordeelkundige toepassing en dat is de hoofdfout. In plaats van algemeen ontwikkelde personen als gevangenisdirekteuren aan te stellen neemt men veelal oud-militairen,​ die nu ja wel in staat zijn de tucht erin te houden, maar die zoo onpedagogisch mogelijk te werk gaan. Wat zou er b.v. op tegen zijn, om een behoorlijke wandelplaats met boomen en planten te hebben in plaats van de nu bestaande luchtplaats,​ die zoo geraffineerd mogelijk is ingericht. Verbeeldt u een halve cirkel-vormig portaaltje, waarop acht glazen deuren uitkomen. Elke deur geeft toegang tot een luchthok, dat aan 't begin de breedte van de deur heeft en aan 't eind misschien een paar meter breed is. Elk dezer hokken is gescheiden van het volgende door hooge muren. Zij vormen met het portaal'​n waaier en in dat portaal bevindt zich nu de bewaarder, die als een groote spin daar zit om met strengen blik de acht mannen te bewaken, die elk in zoo'n hok moeten ijsbeeren. Geen bloem, geen struik, niets is er in, men kan alleen de lucht zien en den enkelen vogel met zijn blikken volgen, die door het luchtruim vliegt als het symbool der vrijheid. Men hoort zijn lotgenoot klossen langs den muur van z'n kooi, evenals een wild dier dat in den dierentuin is opgesloten in z'n hok. Spreken met z'n buurman zou een gewaagde expditie zijn, want de bewaarder ziet niet alleen dat achttal wandelaars, maar door openstaande luikjes in de deuren kan hij ook alles hooren. Toch kan men zelfs daar nog proeven krijgen van den bekenden galgenhumor. Zoo hoorde ik den eersten dag den besten mijn buurman neuriën: en je komt van daag de deur niet meer uit! Men noemt dit half uurtje loopen dan ook zeer eigenaardig ‘luchten’,​ want iets anders dan versche lucht happen is het niet. Toch verlangt elk gevangene naar deze afwisseling in zijn eentonig leven. Na afloop worden de gevangenen met een muilkorf op 't hoofd weer naar hun cellen gedreven, om plaats te maken voor acht anderen. 
 + 
 +Welk menschenhater heeft dat wreede luchtbad bedacht? Waarom kan men nu niet doen, zooals voorheen geschiedde in Plötzensee,​ de groote gevangenis bij Berlijn, waarvan Most vertelt in zijn boekje: Die Bastille am Plötzensee?​ Toen hij daar zat, waren daar ook de beroemde romanschrijver Paul Lindau, wiens misdrijf bestond in godslastering en Majunke, de redakteur van het groote katholieke blad de Germania. Deze drie nu mochten tezamen wandelen en redeneeren. Men kan zich voorstellen hoe zulke heterogene persoonlijkheden van dat verlof een gretig gebruik maakten. Is het niet veel menschkundiger,​ dat een direkteur zoo wat menschen van gelijke ontwikkeling bij elkaar brengt om ze zooveel zij dat zelven verkiezen, met elkander te laten konverseeren gedurende zekeren tijd op een behoorlijke wandelplaats,​ dan hen zoo als wilde dieren geïsoleerd te houden? Men schijnt er heelemaal niet aan gedacht te hebben dat men beter doet de menschen op te heffen dan door ze maar steeds lager neer te drukken. 
 + 
 +Zoo'n cel - heeft men daar wel een voorstelling van? Zij gelijkt het meest op een grafkelder, hoogstens 3 meter lang bij 2 meter breed met een kantelend raampje boven in den muur, voorzien van dikke ijzeren staven, waardoor men echter niet zien kan, want het is van dik matglas, zoodat het zonlicht niet eens kan binnendringen. De inventaris beperkt zich tot het allernoodzakelijkste. Een ijzeren krib, met scharnieren aan den wand verbonden, overdag opgeslagen en 's avonds neergelaten om tot slaapplaats te dienen. Aan den anderen wand een ruw houten klaptafeltje met een driepotig krukje om op te zitten en daarboven een steeds flikkerend gaslicht, een zoogenaamde zwaluw. Aan den eenen kant van de deur heeft men een paar plankjes, waarop een blikken waschbak, dito etenspan en drinkbeker, een kleerborstel,​ haarkam, een zoutvaatje en een koperen genummerde plaat, want van 't oogenblik dat men in de gevangenis komt, houdt men op een persoon te zijn, wordt men een nummer. Aan den anderen kant een emmer of wel een draagbaar privaat met deksel, dat om de twee dagen geledigd wordt. Men bemerkt niet hoe 'n verpestende lucht in de cel is, omdat men eraan gewent, maar als men van 't luchten terugkeert, komt de stank een mensch reeds te gemoet, zoodat men bij het sluiten der deur kan denken: en in die lucht mag ik nu den geheelen dag zitten! De bewaarders verklaarden mij dikwijls dat als zij 's ochtends de deur opendeden, de verpestende lucht hun te gemoet kwam, zoodat zij soms haast bedwelmden. Op de plankjes vindt men ook het Volksonderwijs over Alkohol door Richardson en een ingebonden exemplaar van den bijbel of als men roomsch is een gebedenboek met paternoster. 
 + 
 +In zoo'n spelonk, kaal en doodsch, sluit men de slachtoffers van de wraak- en strafzucht onzer maatschappij,​ weken, maanden, jaren op. Een denkend mensch kan het daarin ter nauwernood uithouden, ofschoon menigeen er versuft, maar de niet-denkende wordt er licht idioot. De bedorven lucht sloopt het lichaam, het totale gebrek aan indrukken sloopt den geest en al geven de heeren der officieele statistiek nog zulke gunstige statistieken,​ het sloopingswerk is aldaar schandelijk. 
 + 
 +Voeg hierbij de manier van voeden en gij zult toestemmen dat niet menschen hier bewaard en verpleegd worden, maar beesten zijn opgesloten, die op geen behoorlijke behandeling eenig recht meer hebben. In de deur is een luikje dat naar binnen openslaat en daarop worden des ochtends en des avonds twee dikke hompen droog roggebrood neergelegd, zoo iets als de beren krijgen in den dierentuin en daaraan moet men nu maar knagen tot het gevoel van honger is verdreven. Als drinken krijgt men een soort van warm spoelsel dat men koffie noemt, waarboven echter koud water verre te verkiezen is. En als middagmaal krijgt men in een blikken keteltje een kostelijk(!) bereid maal, dat men dan met een houten lepeltje naar binnen mag slaan. 
 + 
 +Kan het meer vernedeernd,​ meer hondsch gedaan worden? Het is om alle menschelijk gevoel, dat er nog in is, er uit te schudden. Zóo de spijzen, die op zichzelf al niet veel zijn, voor te zetten, dat maakt het beter om te spreken van voedering dan van voeding. En dan de hoeveelheid?​ Wetenschappelijk heeft men uitgerekend,​ dat de mensch bij het voorgediende rantsoen niet zal sterven en zoo is men op een minimum gezet, maar praktisch is het een marteling voor de meesten. Laat de bewaarders, die het meest ondervinding hebben van de gevangenen, omdat zij direkt met hen omgaan, maar eens spreken en allen zullen als uit één mond verklaren dat de voeding te gering is. Een der bewaarders, wien ik er naar vroeg, zei mij: neen, meneer, ze krijgen hier niet genoeg, als ze hier weggaan, hebben zij geen gat meer in hun broek. Als ik de dokter was, zou ik althans elkeen die langer zat, de laatste drie maanden op ziekevoedsel zetten, dan bezaten de menschen, als zij weer in de maatschappij kwamen, meer weerstandsvermogen. Zelf heb ik er geen klagen over gehad, integendeel ik liet steeds eten over, wat dan ten goede kwam aan den ganglooper, ook een gevangene, die het voorrecht heeft huisdienst te doen. 
 + 
 +Mijn bewaarder was een goede, domme, orthodoxe man, een eenvoudige ziel, die mij bij mijn vertrek vroeg of hij mij wel eens wat onaangenaams had aangedaan en zoo ja dan vroeg hij daarvoor vergiffenis. Ik weet niet hoe hij jegens anderen was, maar ik kan mij niet voorstellen dat hij iemand plaagde, tenzij er soms aanleiding toe werd gegeven, want de gevangenen verhalen hun woede natuurlijk het meest op de bewaarders, de eenigen met wie zij regelmatig in aanraking komen. Gevangenbewaarder is een van de ontzettendste baantjes die men zich denken kan. In den regel zijn het arbeiders, die zich hebben laten verlokken door de mooie voorwaarden en de vastheid der betrekking en eenmaal erin dan zitten zij vast. Een hunner zei mij eens droefgeestig:​ och, meneer, u komt er weer uit, als uw tijd om is, maar wij, wij zitten hier levenslang. Allen krijgen zij dan ook iets stugs, iets achterdochtigs,​ op hun ruggen komen dan ook alle slagen neer. Hoofdbewaarder,​ adjunkt-direkteur,​ direkteur, regenten der gevangenis en dan nog op den koop toe de heeren der zedelijke verbetering - die allen hebben zij te ontzien. En aan den anderen kant hebben zij dikwijls heel wat te stellen met de gevangenen, voor wier verzuim of nalatigheid zij aansprakelijk worden gesteld. Schuw werpen zij de blikken rondom zich en als zij een oogenblik in de cel zijn, dan zetten zij als 't ware de ooren op om te luisteren naar elk verdacht geluid. Want het ergst is het wantrouwen, dat daar tot stelsel is verheven, zoodat men weet steeds van alle kanten bespionneerd te worden, terwijl hij kans loopt bij eenige toegeeflijkheid nog verraden te worden door de gevangenen zelven. Iemand die gevangenbewaarder is, moet wel ondergaan als mensch. 
 + 
 +Om een voorbeeld te geven van de bekrompenheid van mijn bewaarder: ik heb steeds onthouden een vergelijking die hij maakte, ontleend aan zijn bedrijf, de eenige wereld die hij kent, want de buitenwereld is voor deze menschen zoo goed als afgesloten. Hij had boven mijn cel zien staan: Godsdienst: geen. Op 'n goeden dag kwam hij bij mij en zei: he, meneer, hoe kan dat, dat gij geen godsdienst hebt? O, antwoordde ik, dat gaat best, ik voel mij veel gelukkiger, nu ik bevrijd ben van dat godsgeloof. - Dus u gelooft niet aan God? - Neen, heelemaal niet. - Maar hoe kan dat? Er moet toch iemand zijn die de orde in alles houdt. Verbeeldt u een gevangenis zonder een direkteur! Ik moest toch lachen om de naïveteit van den man en antwoordde: gij maakt geen vleiende vergelijking,​ door God te vergelijken met een gevangenisdirekteur,​ want dan zou de wereld zooveel als een groote gevangenis zijn. 
 + 
 +Is die vergelijking echter niet aardig? 
 + 
 +Toen ik in de Tweede Kamer was, heb ik dan ook - wat nog nooit gedaan was - gesproken over het lot der gevangenbewaarders en een tafreel opgehangen van het ontzettende lot dier kategorie van menschen en ik heb de voldoening gesmaakt, zooals mij later werd meegedeeld, dat er toch een heel klein beetje verbetering in hun lot is gebracht. Zoo hebben zij aan een gevangene hun lotsverbetering te danken, wat voor hen, naar ik hoop, een spoorslag zal zijn om nu ook begaan met het lot der gevangenen deze vooral niet slecht te behandelen, maar te bedenken dat hun lot al hard genoeg is. 
 + 
 +De eerste brief, dien ik aan mijn familie schreef, moet al heel sarkastisch geweest zijn, althans ik werd daarover op het bureau geroepen en gewaarschuwd dat als ik op die manier voortging, het schrijven van brieven mij verboden zou worden. 
 + 
 +Wat had ik dan misdaan? 
 + 
 +Ik gaf een beschrijving van mijn overtocht en zei o.a. dat hoe hard de dievenwagen ook zat, ik liever daarin reed dan in het van zachte kussens voorziene rijtuig van minister du Tour van Bellinkhave,​ maar dat ging wel meer zoo in de wereld, dat de grootste schurken in weelde en overdaad leefden, terwijl zij zorg droegen dat menschen, die het volk daarop wezen, in den dievenwagen naar de gevangenis werden gezonden. Vooral was de regent der week boos over een amendement, dat ik voorgesteld had te voegen achter de spreuk, die in mijn cel hing en die wekelijks werd verwisseld. De eerste spreuk luidde: ‘wie in oprechtheid wandelt, wandelt zeker’. Ik schreef dat deze spreuk niet af was, maar een paar woorden waren weggevallen,​ zoodat men lezen moest: die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker in de gevangenis! 
 + 
 +Zoo iets vond dat heer zeer ongepast en een berisping hierover viel mij ten deel. Voortaan gebruikte ik veelal bijbelteksten of psalmen. Zoo schreef ik op 19 Februari, den verjaardag des konings: mijn dag begonnen met een toepasselijken psalm, nl. 146, waar men lezen kan: Vest op prinsen geen vertrouwen, Daar men nimmer heil bij vindt. Dan eens zei ik naar aanleiding van het recht spreken door zoogenaamde rechtbanken:​ heden las ik psalm 58, die wel ter harte mag worden genomen door sommige personen, waar de psalmdichter zegt: O gij vergadering! gezeten Om recht te doen, spreekt gij het recht? Wordt alles billijk aangelegd? Kwijt ieder zich naar zijn geweten? En vonnist gij wel in der daad Zooals met recht en wet bestaat? - Neen! gij smeedt ongerechtigheden In 't harte, dat van boosheid zwelt; Gij weegt op aarde uw snood geweld, In schijn van billijkheid en reden. 
 +  
 +Buitendien zoolang de bijbel in de cel ligt, vindt men stof genoeg, want in den grond der zaak is dit een revolutionair boek, waarin de man die in verzet komt tegen de maatschappij,​ veel vindt van zijn gading. 
 + 
 +Het werk, wat ik te verrichten kreeg, bestond in het plakken van doosjes voor den bekenden stijfselfabrikant Duijvis te Utrecht, ook een zoogenaamden modelfabrikant.[17] Verkeerdelijk was uit mijn brieven begrepen dat ik zakjes moest plakken. En zoo is in de wereld gekomen het op alle nationale feesten nog steeds gebruikelijke lied: 
 +  
 +Nieuwenhuis moet zakkies plakken, 
 +  
 +hi, ha, ho! 
 + 
 +Eigenlijk had het dus moeten wezen: N. moet doosjes plakken. 
 + 
 +Het ergste is dat de staat de gevangenen besteelt op hun arbeid, want de maximum-verdienste is 25 cent en er zijn slechts zeer weinigen, die met hard werken dit maximum halen. De gevangene, onmachtig als hij is, ondervindt hier de uitzuigerij in den meest geraffineerden vorm. Eerst neemt hem de werkgever, die hem niet uit medelijden maar om den goedkooperen gevangenisarbeid werk verschaft en daarna wordt hij nog eens genomen door den staat, die er ook wat aan verdienen wil. Later kreeg ik diktaten over te schrijven en eindelijk bracht ik het zoover dat ik vertaalwerk kreeg. 
 + 
 +Mijn zoogenaamd vrijen tijd, d.w.z. na zeven uur 's avonds tot bedtijd om halftien, besteedde ik om Deensch te leeren volgens de methode van zelfonderricht en toen ik dit voldoende kende, begon ik met Russisch, wat mij echter zonder eenige hulp te veel bezwaren opleverde om er mede door te gaan. 
 + 
 +Ik had mij vast voorgenomen over niets te klagen, om den heeren de voldoening te ontnemen, alsof ik leed onder die behandeling en ik nam ook heelemaal niets uit de cantine als aanvulling. Op de steeds herhaalde vragen der heeren regenten of ik wat te klagen had, was mijn stereotiep antwoord: neen, niets! Bizonder vriendelijk was ik niet, zoodat de heeren meestal gauw vertrokken. Maar de natuur was mij te sterk en eindelijk kwam de reaktie. Na twee maanden werd ik ziek. Er kwam ontspanning na zooveel inspanning en ik moest het bezuren met ongesteldheid. Te Utrecht was geen ziekenzaal en dus ik moest in mijn cel verpleegd worden of liever van verpleging kwam niet veel, alleen ik mocht den geheelen dag op bed liggen en kreeg ziekenvoedsel. 
 + 
 +Ofschoon nog bedlegerig stond ik op den bezoekdag op, toen mijn familie er was, maar ik schijn er toen vreeselijk vervallen en verzwakt te hebben uitgezien, want in Recht voor Allen stond na dat bezoek het volgende: ‘hij, de altijd vaardige strijder voor de vrijheid en het recht der armen stond daar als een wild beest achter de dubbele rij tralies, in het grauwe pak, op kousen, ellendig vervallen en schrikkelijk vermagerd, zóó, dat één der familieleden die hem voor het eerst zag, er letterlijk verslagen van was. Wat 'n heldendaad, o bourgeoisie,​ den man dien ge in 't openbaar nooit aandorst, thans tusschen vier muren te sloopen! De minister van Justitie is verantwoordelijk voor de gezondheid en het leven van onzen partijgenoot en vriend’. 
 + 
 +Nu mij was het goed geweest toen gestorven te zijn, zelfs heb ik er wel naar verlangd, maar de regeering mag blij zijn geweest dat ik toen niet ben gestorven, want dat zou nooit goed zijn afgeloopen. Terecht of ten onrechte, men zou algemeen geloofd hebben dat ik daar in stilte van kant was gemaakt. Ik kon ook aan alles bemerken dat men zich niet erg op zijn gemak voelde. Maar taai als ik was, knapte ik weer op en dit gevaar was dus voorbij. 
 + 
 +Daarbuiten was men woest en Croll deed het zijne om de volkswoede aan te wakkeren. Nadat hij in een vergadering de behandeling had geschetst, die ik ondergaan had, werd de volgende motie toegezonden aan den minister van Justitie: 
 + 
 +    ‘de groote volksvergadering te Amsterdam, optredende als Plebejisch Hof van Cassatie, vervloekt het land waar kinderverkrachters[18] worden geëerd en de vrienden des volks worden gehoond en mishandeld’. 
 + 
 +    Dit teekent den geest, dien het volk toen bezielde. 
 + 
 +In de kamerzitting van 20 Februari was het de heer Keuchenius, de bekende antirevolutionair,​ die den moed had een woord ten mijnen gunste te spreken. Terwijl hij ‘èn de richting èn het drijven van den heer Domela Nieuwenhuis’ veroordeelde,​ durfde hij daar zeggen, dat hij mij had leeren kennen ‘als van een hoog zedelijkheidsbeginsel,​ te goeder trouw overtuigd van de dwaling die hij verkondigt’. Toen hij de regeering de belangen van dien man op het hart drukte, weerklonk het van verschillende kanten: buiten de orde! Buiten de orde! Wat het vonnis betreft, zei hij: ‘ik schaam mij niet het te zeggen dat ik bij het lezen van het artikel waarvoor hij vervolgd is, het heb uitgesproken dat ik als rechter niet den moed zou gehad hebben hem deswege te veroordeelen. Ik ben in dat gevoelen bevestigd geworden na zeer hooge magistraatspersonen hetzelfde gevoelen te hebben hooren uiten’. Steeds werd de stemming in de kamer onrustiger en weer klonk het: buiten de orde! en toen hij niettemin voortging en zei: ‘voor dit artikel een jaar lang in de cel te moeten doorbrengen en als een boef zich ...’, toen werd hij door den liberalen voorzitter in de rede gevallen en hem verzocht binnen de orde te blijven. 
 + 
 +Er begon dus reeds eenige kentering te komen. 
 + 
 +Het is hier de plaats niet de plundertochten te beschrijven die vier dagen lang plaats hadden te Amsterdam door een troep omgekochte woestelingen,​ gedekt door de kleuren van Oranje en van Nederlands vlag, beschermd en bijgestaan door de politie. Evenmin de Oranjefurie te Leiden, waaraan de socialisten blootstonden. De tegenstelling,​ hoe dom ook, werd gemaakt: Oranje of Nieuwenhuis,​ omdat daardoor Oranje kwam te staan tegenover de volksbeweging. De Oranjevrienden bewezen daardoor al een heelen slechten dienst aan het Oranjehuis. Croll maakte daar gebruik van in een artikel, getiteld: 
 + 
 +    ‘Zakkiesplakker’ òf koningschap!  
 + 
 +waarin hij de tegenstelling aldus nader toelichtte:​ 
 + 
 +Socialisme òf Koningschap! 
 +  
 +Verbetering òf Behoud! 
 +  
 +Erkenning òf Miskenning! 
 +  
 +Verlossing òf Verdrukking! 
 +  
 +Vrijheid òf Dwang! 
 +  
 +Rechts-heerschappij òf Geld-heerschappij! 
 +  
 +Volksstaat òf klassenstaat! 
 +  
 +Volksgeluk òf Volksellende! 
 +  
 +De arbeider mensch òf De arbeider slaaf! 
 +  
 +De arbeider beloond òf De arbeider uitgezogen! 
 + 
 +Daar op eens verscheen in het Handelsblad,​ het blad dat de aanleiding had gegeven tot mijn vervolging, een kort briefje van professor Allard Pierson van den volgenden inhoud: 
 + 
 +    ‘Amsterdam,​ 29 April 1887. 
 +     
 +    Verstand en hart nopen mij niet langer te wachten met openlijk te verklaren, dat ik kwijtschelding van straf aan Domela Nieuwenhuis een daad acht, die door de billijkheid wordt gevorderd. 
 +     
 +    Moge de overtuiging hieromtrent algemeen en de beteekenis van mijn woord eerlang versterkt worden door vele soortgelijke verklaringen’. 
 + 
 +De ‘moedige daad’ van een man zoo bekend als dr. A. Pierson vond bij velen toejuiching,​ daar hij ‘zijn goeden naam waagde om Domela Nieuwenhuis uit de gevangenis te verlossen’,​ maar bij anderen sterke afkeuring. 
 + 
 +Na Keuchenius dus dr. A. Pierson. 
 + 
 +Het publiek geweten begon te ontwaken. 
 + 
 +Ook had zekere Clemens zijn stem verheven om erop te wijzen dat ‘er ook velen zijn, die in stilte hem (D.N.) achten, die eerbied gevoelen voor zijn inborst, zijn moed, zijn ontzaggelijke toewijding aan de zaak des volks. Er beginnen betere, mannen van karakter, te klagen over het onrecht hem aangedaan’. Hij wees op Multatuli en zijn miskenning, op Buskent Huët en den haat tegen hem en vroeg: ‘wat zal er geschieden met den gevangen apostel der werklieden, Domela Nieuwenhuis?​ Zal ook zijne nagedachtenis door onze kinderen gevierd worden “om den adel van zijn karakter”?​ Zal ook aan hem een “diep gevoelde schuld” gekweten moeten worden? Wij weten het niet, maar de mishandeling van zijn persoon door het Nederlandsche ratjetoe is er toch al’. 
 +  
 +Deze Clemens was een der leeraren aan de Rijkskweekschool te Middelburg, genaamd Cornelissen,​ de man wiens naam ik toen voor het eerst aantrof in het blad Recht voor Allen en die later op mijn verzoek mederedakteur van dat blad werd. 
 + 
 +Eigenaardig is het dat de letter C in mijn leven nog al een voorname rol speelt door de personen wier naam met die letter begint. Zoo was Croll mijn eerste, Cornelissen mijn tweede mederedakteur. Een dergenen, die tot heden ondanks de groote verscheidenheid van karakter een goede vriend van mij is gebleven - kan het ook zijn daardoor? - heet Alexander Cohen, den bekenden anarchist. En een mijner trouwste medehelpers was Sam Coltof. Dus vier mannen uit mijn naasten kring hadden een naam, welks aanvangletter de niet zoo veelvuldig voorkomende letter C was. 
 + 
 +Een adres van verschillende notabelen, onder wie hoogleeraren in de rechten, was ingediend om gratie te vragen in naam van wet en billijkheid en dat te meer omdat ik daar zat krachtens een uitzonderingswetje van 1830, dat voor deze gelegenheid uit de snippermand te voorschijn was gehaald, maar ook daarop werd afwijzend beschikt. 
 + 
 +Uit dit alles blijkt dat er roering begon te komen. 
 + 
 +De vereeniging De Unie pakte nu de zaak op en wist een vergadering te beleggen, waar prof. A. Pierson als spreker optrad. Deze vergadering,​ gehouden op 1 Augustus in Maison Stroucken te Amsterdam, was een demonstratie en zelf betuigde deze mij later in het bizonder getroffen te zijn geweest door de teedere blijken van liefde voor mijn persoon, die hij had kunnen opmerken bij zoovelen der hoorders. Het was in die vergadering van der Stad, die na het gesprokene uitdrukking gaf aan hetgeen woonde in de ziel der partijgenooten,​ toen hij de fiere verklaring aflegde dat wij geen genade wenschten, maar recht eischten, want de persoon van Domela Nieuwenhuis stond voor gratie veel te hoog, was veel te rein en zijn naam zou een te groote plaats in de wereldgeschiedenis innemen om gratie te dulden. D.N. zou de cel niet verlaten dan onder protest en hij was er fier op in zijn naam te hebben geprotesteerd. Een motie om mijne onmiddelijke invrijheidstelling te verzoeken, werd met eenparige stemmen aangenomen, zonder de bijvoeging echter, die werd voorgesteld en die inhield het oogenblikkelijk ontslag van den hofbediende du Tour van Bellinckhave,​ minister van Justitie. 
 + 
 +Dit had plaats buiten de cel, maar daarbinnen bleef het koud en dor. Niets drong er bijna door tot den gevangene van hetgeen daarbuiten geschiedde. Daarbinnen heerschte de akelige, verlammende regelmaat van een leven dat in alle onderdeelen is geregeld door een onveranderlijk reglement, dat stipt ten uitvoer wordt gelegd naar de letter, een regelmaat waardoor elke nieuwe dag zoo precies op den anderen gelijkt als twee druppels water en met al zijn verschrikkingen tot in de kleinste bizonderheden voor ons staat. Juist dat volslagen gemis aan indrukken, waardoor de kleinste gebeurtenis zooals een vlieg die bij ongeluk verdwaald is in de cel een belangrijk iets wordt, dat de aandacht bezig houdt, is het ergste wat zich laat denken. Zooals terecht gezegd is: de tijd gaat voor gevangenen niet voort, hij kruipt. Hij wendt zich om en om en schijnt te draaien om één middenpunt: de smart. Men leeft daar niet, men vegeteert. Men verkeert in een staat van verdooving, zoodat men onverschillig wordt voor alles. Reeds had ik mij voorgenomen mijn kinderen, mijn familie maar te verzoeken, om niet weer op bezoek te komen, want ik gevoelde hoe ik onverschillig voor hen begon te worden. Zoo'n bezoek was geen opwekking, maar een marteling, waardoor men de rest van den dag van streek was. Men sterft daar eigenlijk van alles af, zoodat men ten slotte den dood gaat begroeten als een redder, een verlosser. Voor gevangenen bestaat slechts één jaargetijde - dat van het lijden. Zelfs zon en maan heeft men hun ontnomen. Meermalen bemerkte ik pas bij het luchten, wat voor weer het was. In de cel heerscht zoo wat altijd schemerlicht en dat is te erger, omdat het in het hart stikdonkere nacht is. Ik heb het bij donkere dagen wel gehad, dat ik gedwongen was om half drie 's namiddags mijn pen neer te leggen, omdat ik niet meer kon zien te schrijven. Uren en uren verliepen dan tot het licht werd opgestoken en al dien tijd liep men maar rond in zijn cel van het eene einde naar het andere, totdat men letterlijk van vermoeidheid neerzeeg op zijn kruk, om in stille sombere gepeinzen te verzinken. 
 + 
 +Nog herinner ik mij hoe op een allersombersten dag een klein mannetje binnenkwam, die mij aldus aansprak: gij behoeft mijn bezoek niet te dulden, want gij behoort tot geen kerkgenootschap,​ en ik ben hier de godsdienstonderwijzer,​ maar misschien is het u wel eens aangenaam een bezoek te ontvangen en zoo ja, dan ben ik bereid van tijd tot tijd bij u te komen. Ik antwoordde dat dit heel vriendelijk van hem was en toen hij mij vroeg of hij mij misschien van dienst kon zijn door mij andere lektuur te verschaffen dan die mij daar verstrekt werd, omdat ik toch iemand van meer ontwikkeling was, toen nam ik dat aanbod gretig aan en ik moet zeggen dat hij woord hield en mij heel wat boeken ter lezing heeft bezorgd. Nooit sprak hij ook maar met één woord over den godsdienst of trachtte hij een bekeeringspoging te wagen. Zelf hield hij van lezen en hij begreep wat iemand die gewoon was te studeeren, moest missen, nu hij van alles verstoken was en in dat opzicht had hij heel wat beter begrip, dan de direkteur der gevangenis, een gewezen onderofficier,​ die één of twee boeken uit zoo'n gevangenisbibliotheek,​ die niet veel soeps is, al meer dan voldoende vond. Ik heb van dien godsdienstonderwijzer,​ wiens naam ik vergeten heb, de aangenaamste herinneringen bewaard, omdat hij zich tegenover mij althans als mensch heeft gedragen. 
 + 
 +Ook in dit opzicht toonde men zich onverbiddelijk,​ want een mijner broeders, die in Duitschland leeft en die wist hoe b.v. verschillende professoren te Halle aan gevangen sociaaldemokraten goede lektuur verschaften met dien gevolge dat menigeen daardoor beter gewapend in de maatschappij terugkwam, had geschreven aan het kollege van regenten of het geoorloofd was mij boeken te sturen. Het antwoord was afwijzend, men had zelf een bibliotheek die de gevangenen van lektuur voorzag. Wie echter de boeken dier bibliotheek doorziet, bemerkt zeer spoedig dat het gehalte niet van dien aard is dat men eigenlijk van 'n bibliotheek kan spreken, het is een verzameling uitschot, zeer inkompleet en in den regel zeer vies. 
 + 
 +In alle opzichten dus is het leven in de gevangenis één groote plagerij, het is alsof men erop uit is geweest om zijn geest schrap te zetten ten einde te bedenken hoe men iemand het leven zoo eentonig, geestdoodend en verlammend mogelijk kan maken. Elkeen wordt dan ook bestormd door sombere overwegingen. Heeft men iets gedaan waarvoor men zich schamen moet, dan is het in één woord ontzettend, want zonder de geringste afleiding is men totaal overgeleverd aan zichzelf dien men niet ontloopen kan. Maar hoevelen zijn dat eigenlijk? Welk karakter dragen de begane misdrijven? Bijna allen begingen vergrijpen tegen het heilige heiligdomsrecht en dat kan ook moeilijk anders, want wat zijn onze wetboeken anders dan een codex ter bescherming van het privaateigendom,​ waarop onze maatschappij is opgebouwd en wat zijn onze rechters anders dan de uitleggers en handhavers dier wetten? Plaats die menschen die nu misdadigers zijn in andere verhoudingen en gij zult zien dat zij de hand niet uitsteken naar hetgeen eens andermans goed heet. Gelooft gij dat iemand die het voornemen heeft om in te breken of in 't algemeen iets weg te nemen, door het een of ander toeval in het bezit komt van een som van duizend gulden, gelooft gij dat zoo iemand zijn voornemen onder die veranderde omstandigheden toch ten uitvoer zal brengen? Immers neen! Maar dit is de proef op de som dat mijn verklaringen de juiste zijn. Die daar zitten, zijn dus voor verreweg het grootste gedeelte slachtoffers van het heerschende stelsel van privaateigendom. De drank speelt hierin ook helaas! een groote rol, zelfs een verbazend groote, maar moet het drankmisbruik ook niet beschouwd worden als een gevolg en niet als een oorzaak van het kwaad? Gevangenissen zijn feitelijk groote armenhuizen,​ waarin de bovendrijvende klassen opsluiten degenen, die in verzet komen tegen de zoogenaamd maatschappelijke orde, d.i. de orde van het privaateigendom. Als ik spreuken moest plaatsen in de cellen, ze zouden dan ook heel anders luiden. Ziethier een paar voorbeelden:​ 
 +  
 +Sei im Besitze und Du wohnst im Recht, 
 +  
 +Und heilig wird 's die Menge Dir bewahren. 
 +  
 +(Schiller'​s Wallenstein). 
 +  
 +denn ein Recht zum Leben haben 
 +  
 +Nur wer etwas haben. 
 +  
 +Hast du viel, so wirst du bald, 
 +  
 +Noch viel mehr dazu bekommen, 
 +  
 +Und wer wenig hat, dem wird 
 +  
 +Auch das Wen'ge noch genommen.[19] 
 +  
 +(Heine). 
 +  
 +    Scheltet doch nicht so viel auf Unrecht oder Gewaltthat:​ 
 +     
 +    Heute heisst es Besitz - einstens war es nur Raub. 
 + 
 +Zoo zou men uit de klassieken een heel aardige bloemlezing bijeen kunnen garen ten bewijze dat deze best wisten waar de schoen 'm wrong! 
 + 
 +Ik had hierover eens een gesprek met een der regenten. Ik vroeg hem of hij over 't algemeen de menschen die in de gevangenis zaten, slechter zou durven noemen dan die daar buiten waren. 
 + 
 +- O neen - antwoordde hij, maar de omstandigheden waren hun ongunstiger. 
 + 
 +- U geeft dus toe dat zij meer ongelukkig dan slecht zijn? 
 + 
 +- Zeker, het zijn meestentijds arme menschen. 
 + 
 +- Dus dan is de gevangenis eigenlijk een groot armenhuis?​ 
 + 
 +- Ja, eigenlijk wel, want het zijn de zwaksten, de armsten die hier komen, maar blijft ons iets anders over dan ze op te sluiten, daar zij toch de maatschappelijke orde in gevaar brengen? 
 + 
 +- Uw maatschappelijke orde, maar is dit de maatschappelijke orde die gelden zal voor alle tijden en alle volkeren? 
 + 
 +- Dat wil ik niet zeggen, maar op het oogenblik hebben wij alleen te maken met het heden. 
 + 
 +- Dus omdat gij nu de sterkste zijt, sluit gij hen op. 
 + 
 +- Ja, want wij weten niet wat anders met hen te doen. 
 + 
 +Uit dit gesprek blijkt dat zij zeer goed weten dat de gevangenissen de verblijfplaatsen zijn van de schipbreukelingen eener maatschappij,​ die berust op het privaateigendom en waarin feitelijk geen plaats is aan den maaltijd des levens dan voor de bevoorrechten door geboorte en voor hen, die zich door brutaliteit aldaar een plaats hebben weten te veroveren. 
 + 
 +Hoe iemand de onnoozelheid kan hebben te meenen dat de gevangenis iemand verbeteren kan, dat gaat mijn verstand te boven. Zeker men kweekt daar huichelaars,​ die zich mooi voordoen maar die eenmaal weer vrij geworden zich niets meer bekommeren om hetgeen zij geleerd hebben in de gevangenis. Daartoe dragen veel bij de heeren der zedelijke verbetering,​ die misschien meenen een goed werk te doen door de gevangenen te bezoeken maar die in den regel op de liederlijkste wijze worden bedrogen en om den tuin geleid. De gevangenis kan wel verbitteren maar niet verbeteren en hoogstens vat men het voornemen op, om voortaan zijn streken op slimmer wijze ten uitvoer te brengen, zoodat men er niet meer inloopt. Echter in dezelfde omstandigheden geplaatst gelukt dit maar zelden, vandaar dat het aantal recidivisten zoo groot is. De bewaarders weten dit zoo goed, dat zij van menig ontslagene zeggen: o, wij zien jou wel spoedig weer hier terug. 
 + 
 +Bezit de gevangene nog eenige liefde voor vrouw en kinderen en weet hij dat deze in armoede zijn, dan wordt hij bovendien gekweld door deze gedachte, die hem het materieel lijden verzwaart. 
 + 
 +Is iemand zoogenaamd onschuldig, dan wordt de haat aangekweekt tegen de rechters, die zich òf hebben laten gebruiken door de regeerende kliek zooals in mijn geval en dus handelden op last van hooger hand, òf zich hebben laten leiden om de wraak der maatschappij met alle zwaarte te koelen op een slachtoffer dat in hun handen is gevallen. Ik voor mij had het bewustzijn dat mijn straf geweldig bijdroeg tot de propaganda voor ons beginsel en dit werkte mede, om als mijn gemoed in opstand kwam, mij te kalmeeren door mij te overreden dat deze tijd van opsluiting niet vruchteloos zou zijn. 
 + 
 +De vraag of ik schuldig dan wel onschuldig was, hield mij nooit bezig, ik wist voor mijzelf dat ik zat voor een ander, maar die ander zou door zijn zitten lang niet dezelfde propaganda hebben gemaakt. Mijn zwijgen in de gevangenis maakte meer propaganda dan mijn spreken daarbuiten. 
 + 
 +Sokrates werd bizonder beklaagd, omdat hij onschuldig zat in de gevangenis, maar hij antwoordde zeer juist: maar hadt gij dan werkelijk liever dat ik hier schuldig zat? 
 + 
 +Maar in neerslachtige buien, zooals elk gevangene ze heeft, dacht ik aan al de mannen en vrouwen, die heel wat meer hadden uitgestaan en dan keerde de noodige moed weer terug. O wat is de som van lijden voor de verlossing der arbeidende klasse uit het juk van slavernij en tirannie toch ontzettend groot! Bovenal dacht ik dan aan de Russische nihilisten, die in lijden hun weergade niet vinden, aan dat achttal te Chicago, van wie zeven toch anderhalf jaar lang tusschen hoop en vrees geleefd hebben om ten slotte opgehangen te worden, een lijden in vergelijking waarvan de korte lijdensweg van Jezus slechts kinderspel was; aan die duizenden mannen en vrouwen der Kommune, wier namen zelfs niet bekend zijn, maar die hun lijdenstijd volbrachten met een voorbeeldelooze taaiheid en volharding. Wat was in vergelijking daarmede mijn kleine, nietige straf? Wat beteekende mijn lijden, als ik dat van hen daarbij in aanmerking nam? Veel troost heb ik gevonden in een versje van de Génestet, dat ik vooral in droefgeestige oogenblikken net zoo lang reciteerde tot de bui voorbij was. Het is getiteld: ‘De beste vriend’ en luidt aldus: 
 +  
 +  * Ik heb een vriend met ijzeren hand 
 +  * En koel gebiedend oog; 
 +  * Met recht gevoel en kloek verstand, 
 +  * Doch vaak wel norsch en droog. 
 + 
 +  * Zijn woord voor mij, zijn wil is wet, 
 +  * Zijn wenken is gebod; 
 +  * Wee! zoo mijn ziele zich verzet - 
 +  * Hij rooft mij elk genot. 
 +  
 +  * Hij stoort mij soms in 't zaligst uur, 
 +  * Bij lust en feest en lied; 
 +  * Als in de weelde der natuur 
 +  * Mijn droomend hart geniet. 
 +  
 +  * Hij jaagt mij van de liefste plek, 
 +  * Hoe zoet de morgen lacht, 
 +  * En sluit mij op in 't eng vertrek 
 +  * Daar lastige arbeid wacht. 
 +  
 +  * Hij dwingt mij kalm te zijn en sterk, 
 +  * Terwijl mij 't harte bloedt; 
 +  * En als ik ween, dan zegt hij: werk 
 +  * Als ik niet kan: gij moet! 
 + 
 +  * Hij baart mij strijd, hij geeft mij rust 
 +  * In zorg of zweet verdiend; 
 +  * Hij is mijn Last, hij is mijn Lust, 
 +  * Mijn Plaag en toch - mijn vriend. 
 +  
 +  * Want volg ik hem, dan rondom mij, 
 +  * Schept hij mij vrede en licht, 
 +  * En stemt mij 't hart zoo ruim, zoo vrij ... 
 +  * Hoe is zijn naam? - De Plicht. 
 + 
 +Ik raad elkeen aan, die brieven schrijft aan gevangenen - en daar doet men altijd wel aan, daar brieven een der grootste verkwikkingen zijn op die plaats der eenzaamheid - om daarin een gedicht of een aanhaling uit den eenen of naderen schrijver in te lasschen, want dan heeft men iets, wat men herhaaldelijk kan lezen en overdenken. Eveneens raad ik elken gevangene aan regelmatig tweemalen per dag kamergymnastiek te doen, ik geloof dat dit bizonder goed meewerkt ter bevordering van de gezondheid. Vooral vóór het naar bed gaan, om een gezonde doorstraling van het bloed te krijgen. Want al wordt er 's winters ook op temperatuur gestookt, men lijdt beslist koude in de gevangenis en zelfs bij de geringe dekking die men heeft, wordt men niet warm in bed. Ik ben dikwijls van de koude wakker geworden en hoewel heel niet koûelijk van natuur kan ik gerust verklaren dat ik veel van de koude heb geleden. In den regel werd het pas warm, als 's avonds het gas werd aangestoken en gedurende den voornacht genoot men nog van de warmte, die het in de cel had gebracht. 
 + 
 +Wat al bizonder erg moet zijn, is het ontvangen van slechte berichten van huis, want onmachtig als men is moet men die narigheid verduwen en men heeft allen tijd haar door zijn fantasie te maken tot de ontzettendste dingen. Nog herinner ik mij den indruk, dien het bericht van het afsterven van Multatuli op 19 Februari op mij gemaakt heeft. Nooit zal ik daardoor dien dag vergeten, want ik ging zoo dat geheele leven van dien grooten denker na, wiens naam Multatuli (ik heb veel geleden) zoo geheel en al de uitdrukking was van zijn leven. Met niemand te kunnen praten over hetgeen onze ziel vervult, dat is een groote marteling en hier moet men natuurlijk alle indrukken van dien aard opkroppen. Te trotsch om iets te toonen tegenover zijn omgeving moet men uitwendig welgemoed zijn, terwijl het daarbinnen kookt en gist. Juist zulk een inspanning draagt het meeste bij om iemand te doen verouderen in zoo'n tijd. 
 + 
 +Neemt men alle plagerijen bij elkander, dan kan men zich voorstellen hoe een man als Liebknecht, die toch ook wist wat het gevangenisleven is, toen hij dit alles vernam, verontwaardigd uitriep: aber das ist reine Barbarei! (maar dat is eenvoudig barbaarsch). De gevangenschap van personen, die als politieke gevangenen behandeld zijn in Duitschland of Frankrijk, valt dan ook heelemaal niet te vergelijken met die van hen, die behandeld zijn als gewone gevangenen. En dan mag het eigenaardig heeten dat naarmate de vrijheid betrekkelijkerwijze in eenig land grooter is, de behandeling van gevangenen slechter wordt. Zoo b.v. zegt Johann Most, die uit ondervinding kon meespreken, dat de gevangenis in Oostenrijk gemoedelijker en beter was dan die in Pruisen, maar deze heilig was bij die in Engeland, terwijl het record geslagen wordt in de Vereenigde Staten van Noord Amerika. Daar gaat men zelfs zoo ver, dat de gevangenen aan nieuwsgierigen ten toon worden gesteld als wilde beesten achter de tralies. 
 + 
 +Ik heb mij altijd het best daarbij bevonden, om mij het leven in de omstandigheden waarin ik geplaatst werd, zoo dragelijk en behagelijk mogelijk te maken. Wat baat het al om in een gevangenis te morren en te brommen, men maakt daardoor zichzelf het leven ondragelijk en stoot alle anderen af, met wie men in zijn eenzaam leven nog in aanraking komt. Ik ben dan ook overtuigd dat mijn gelijkmoedigheid allen getroffen zal hebben, allereerst mijn bewaarder die dagelijks met mij in aanraking kwam en mij zelfs omgekeerd de vertrouwde maakte van zijn klachten. 
 + 
 +Had ik in den beginne de vaste meening dat ik wel gratie zou krijgen, langzamerhand was die gedachte geheel verdrongen en ik had mij volkomen vertrouwd gemaakt met de gedachte dat ik mijn tijd wel zou afzitten. In mijn onafgebroken werken zocht ik dan ook mijn eenige troost. Als dan ook iemand in de hoogste mate verrast werd door de tijding zijner gratie, dan was ik het. 
 + 
 +Nog herinner ik mij hoe ik volgens gewoonte zat te werken, toen tegen 4 uur op den 31sten Augustus de bewaarder binnen kwam om mij te zeggen dat ik hem volgen moest naar de kamer van de regenten. Ofschoon dit alleen in buitengewone gevallen plaats heeft, dacht ik eigenlijk minder aan gratie dan wel dat ik de gedachte had: wat hebben ze nu weer voor? 
 + 
 +Ik kwam binnen en daar vond ik den president van het kollegie, mr. Besier, president van de Munt te Utrecht, die een papier in zijn handen had en zeer beleefd, gelijk hij overigens altijd was geweest evenals alle regenten, met wie ik in aanraking was gekomen, tot mij zeide: meneer Nieuwenhuis,​ ik heb u een blijde tijding mede te deelen, het heeft Z.M. den koning behaagd u gratie te verleenen van uw verderen straftijd. Ofschoon elkeen begrijpen kan welk gevoel mij toen overweldigde,​ wist ik mij zoodanig te beheerschen dat het hem opviel hoe koel ik dat bericht opnam. Hij kon dan ook niet nalaten te zeggen: ik geloof dat ik in uw geval verkeerende een grooter gevoel van blijdschap zou hebben, waarop ik antwoordde: dat komt omdat u geen socialist is. Wij, socialisten,​ weten wat ons te wachten staat in den strijd en daarom zijn wij even kalm als wij de gevangenis binnengaan als wanneer wij haar verlaten. 
 + 
 +Dat was nu wel een beetje grootspraak,​ maar och, dat is in zulke oogenblikken toch nog al gepast. 
 + 
 +Daarop zei hij tot mij: het is nu bijna half vijf en gij moet beslist met den trein van zes uur afreizen. Er was dus haast bij het werk. Ik begreep zeer goed waarom. Het mocht in geen geval bekend worden, om alle demonstraties te voorkomen. Ik antwoordde: dat zal moeilijk gaan, want mijn kleeren zijn indertijd naar mijn huis teruggezonden en dus ik heb geen kleeren, want in dit pak - wijzende op mijn boevenkleeren - kan ik toch moeilijk de reis aanvaarden. - Dat is gekker, zei hij, maar mij aanziende hernam hij: wij hebben zoo wat één postuur, als gij er niet op tegen hebt, zal ik u een pak kleeren van mij toezenden, die kunt gij dan aantrekken en mij terugzenden. 
 + 
 +Ik antwoordde dat mij dit goed was. 
 + 
 +En zoo geschiedde het dat een boef uit de gevangenis ging, gekleed in een pak van den president van het kollege van regenten! 
 + 
 +Ik moest nu alles in der haast klaarmaken. Een schoenmaker leverde mij schoenen, een hoedemaker een hoed en zoo kwam ik na de regeling mijner zaken en na afscheid van mijn bewaarder, die gelukkig was als een kind, klaar. Een rijtuig werd besteld en ik naar het station. Het duizelde mij, want er was in dien tijd zoo heel veel gebeurd. Aan het station was mijn eerste werk om naar huis te telegrafeeren. 
 + 
 +En wie zag ik daar op het perron naar mij toekomen? De heer Besier en mr. de Kok, sekretaris van het kollege en griffier van de Staten. Zij spraken mij aan en daar wandelden als de beste vrienden naast elkander de ex-boef naast den president en sekretaris van het kollege van regenten. Jammer, dat hiervan niet ter vereeuwiging een kiekje is genomen! 
 + 
 +De heer de Kok vroeg mij nog welke klasse ik reisde, waarop ik hem antwoordde: de derde. Goedig zei hij: dat hadt ge toch niet moeten doen! Ik wilde den heeren geen kamp geven en antwoordde: daar hooren wij toch, buitendien de heeren hebben mij maandenlang op een harde kruk laten zitten, de banken der derde klasse zullen mij dus niet hard vallen. 
 + 
 +De trein kwam, de heeren geleidden mij naar den wagon en schudden mij de hand alsof wij de beste vrienden waren. 
 + 
 +Niemand kende mij natuurlijk, zoo als men mij daar had toegetakeld,​ zonder baard en met kort gesneden hoofdhaar. In den trein zat een veldwachter,​ die mij scherp zat aan te kijken en eindelijk zei hij aarzelend: neem me niet kwalijk, meneer, maar mag ik u wat vragen? - Zeker, gaf ik hem ten antwoord. - Welnu, zijt gij niet meneer Nieuwenhuis?​ - Ja, luidde mijn antwoord. - Wel, dan ben ik het geweest die het bericht uwer invrijheidstelling moest overbrengen naar Utrecht. Ik wist niet wat er in stond, maar ik had zoo'n gevoel dat het uw gratie was en nu ben ik blij dat ik u betuigen kan hoe verheugd wij zijn dat gij weer vrij zijt. 
 + 
 +De man zei het op zoo'n eenvoudigen en welmeenenden toon, dat ik niet anders kan aannemen of hij meende ook wat hij zei. 
 + 
 +Aan den trein stond niemand op mij te wachten, mijn telegram was te laat aangekomen. Buitendien er leefde zulk een twijfel aan de mogelijkheid,​ dat men het aanvankelijk voor een grap, een lage grap hield, die de een of ander uithaalde op dezen verjaardag der prinses. Mijn tweede zoon echter vloog toch zoo spoedig mogelijk naar den trein en gelukkig dat hij geen anderen weg had genomen, want op het Kanaal kwamen wij elkander tegen. Welk een ontmoeting dat was, laat zich beter gevoelen dan beschrijven!  
 + 
 +Toen naar huis en binnen enkele minuten zat ik te midden der mijnen, die mij overstelpten met bewijzen hunner liefde, alsof ik nooit weg was geweest. Wij wisten haast niet wat wij deden, zoozeer waren wij allen verrast, maar aan de verrassing der blijdschap went men eerder dan aan die der smart. Hartelijk lachten zij allen, toen ik hun vertelde dat ik gekleed was in de kleeren van den president van regenten, wat dan ook zeker een zeldzaam geval mag heeten. 
 + 
 +Het was de de verjaardag van het princesje en zij moest bij het volk doorgaan voor de persoon, die mij in vrijheid deed stellen. Zelfs is het sprookje algemeen verteld, dat toen de koning haar vroeg wat zij op haar verjaardag hebben wilde, zij natuurlijk op aanstoken van haar moeder gezegd zou hebben: de invrijheidstelling van meneer Nieuwenhuis. En de koning, die niets van gratie had willen weten, zwichtte voor het verzoek van zijn aanvallig bijna zesjarig dochtertje. 
 + 
 +Mijn eerste tocht was dienzelfden avond nog naar Walhalla; waar zich reeds enkele personen bevonden en naar gelang het gerucht zich verbreidde, klom het aantal menschen, zoodat ten slotte de zaal geheel gevuld was en ik een korten welkomstgroet bracht aan de vrienden. De letters F.D.N., die als illuminatie dienst hadden moeten doen dien avond in de Maliebaan, werden nu voor Walhalla aangebracht. Het was een gejoel en een blijdschap, een handen drukken en tranen schreien, vooral ook omdat ik onkenbaar was en er vervallen uitzag. Menige vloek werd gericht aan het adres van de regeering en de machthebbenden. 
 + 
 +Des nachts schreef Croll weer een dier vlammende artikelen, dat in het blad Recht voor Allen verscheen, en getiteld was: Te laat!!! Daarin leest men o.a. de volgende zinsneden: ‘het was niet om Nieuwenhuis,​ maar om Oranje, dat men eindelijk voor den in adressen en meetings kenbaar gemaakten eisch des volks heeft gemeend te moeten zwichten. Niet uit rechtsbesef,​ want dan hadden ze hem niet onschuldig veroordeeld;​ niet uit humaniteit, want dan hadden ze hem niet mishandeld en vernederd, maar uit berekening, hoewel domme berekening, hebben ze den man, den vriend des volks de vrijheid hergeven in de hoop dat daardoor Oranje'​s verloren populariteit mocht worden herwonnen, 's volks helsch gloeienden haat mocht worden getemperd om daardoor opnieuw invloed en macht te krijgen ten einde dat volk nog enkele jaren langer te kunnen trappen en uitzuigen. Te laat, Oranje, te laat, gij hebt gedwaald! 
 + 
 +Wel zijn de socialisten begeerlijke vrienden, machtige vrienden, mannen van wie ge mocht wenschen dat ze uwen troon of den troon van uw kind wilden of liever konden steunen, maar die mannen, de kern der zelfbewuste arbeiders, het zuurdeesem dat uw rijk zal doortrekken van Oost tot West, van Noord tot Zuid, die mannen zijn door uwe regeering diep, diep gekrenkt, vertrapt, omdat hun beginsel, hun leven, hun hoop, hun ideaal werd gekruisigd in Domela Nieuwenhuis,​ den onschuldig veroordeelde,​ den passagier van den boevenwagen,​ den naakt uitgeschudde,​ den van zijn dierbaarste kleinooden beroofde, den kaalgeschorene,​ den edelman in 't boevenpak en op klompen, den vader dien ge aan zijn moederlooze kinderen vertoonde als een wild beest achter een dubbele rij tralies, Domela Nieuwenhuis den zakkiesplakker door uwen afschuwelijken verdierlijkten aanhang in het openbaar gelasterd en gehoond ...... Neen, wij danken de Regeering niet die hem 5 maanden vrij gaf, maar wij verachten de Regeering die hem 7 maanden onschuldig heeft gemarteld en ons nu 5 maanden korting aanbiedt, in de hoop daarvoor wat “soberder taal”, dat is wat minder waarheid, van ons te mogen hooren. Te laat, regeering, gij hebt ons recht geschonden en dat wordt door geen ongevraagde gunst weer goedgemaakt’! 
 + 
 +En dan eindigt het artikel met deze woorden, aan mij gericht: 
 + 
 +‘En thans tot U een woord, edele vriend, een woord van dankbare hulde voor het zware offer door u gebracht op het altaar des volks en der vrijheid, en voor de bereidwilligheid waarmede gij den drinkbeker tot op den bodem zoudt hebben geledigd. 
 + 
 +Gij hebt door uw lijden uw liefde bezegeld tot het volk, welks ellende u vooraan drong in de gelederen van het vrijheidsleger der proletariërs. Herneem de plaats in het heir der onverzoenlijken,​ onverzoenlijk zoolang geen recht, onverbiddelijk recht is gedaan aan de vertrapte arbeiders, die heer moeten zijn in plaats van knechten’! 
 + 
 +Welsprekend gaf Croll in die van verontwaardiging en haat gloeiende woorden uitdrukking aan hetgeen woonde in de ziel der proletariërs. Uit deze woorden spraken ook een warme vriendschap en een oprechte gezindheid tegenover mij, evenals uit de levensbeschrijving,​ die hij toen van mij leverde in den juist verschijnenden almanak Vooruit te Gent, zoodat men zich moeilijk kan begrijpen dat die gezindheid zoo spoedig veranderde en dat de persoon, die eerst zoo'n vleiende beschrijving van iemand geeft en kort daarna hem op de schandelijkste wijze toetakelt en voorstelt als een tiran en een ijdeltuit eerste klasse, niet door heel andere motieven gedreven is geworden. 
 + 
 +Wij zullen de feestelijke ontvangst te 's Gravenhage op 2 September in het in een bloementuin herschapen Walhalla en te Amsterdam op 4 September in het Volkspark niet uitvoerig behandelen, zij was in één woord onbeschrijfelijk en men kan er gerust van getuigen, wat het algemeene oordeel was: nog nimmer is een koning ontvangen zooals hij. Uit het verslag nemen wij alleen dit over: ‘geheel het Volkspark door strooide een rij meisjes hem bloemen voor de voeten, een jubelgeschal dat haast tot in de wijken der bourgeoisie kon worden gehoord, vervulde de lucht, slechts afgewisseld door het snikken van vrouwen en de vloeken van verontwaardiging der mannen, waarvan wij er één zagen die zich krampachtig de haren uit den baard rukte, terwijl hij zijn verbittering lucht gaf in de woorden: God ... ver ... domme, is dat Nieuwenhuis?​ Die tranen’ - zoo voegt de redaktie eraan toe, ‘die tranen golden hem ... die vloek gold u, regeering, die door dien man uit wraakzucht te kerkeren, te mishandelen en te schenden, het volk hebt bezield met een afschuw en een haat, die geen grenzen kent en die nimmer, nimmer, nimmer zal worden gebluscht’. 
 + 
 +Het is bij deze gelegenheden dat woorden zijn gesproken, die jarenlang onthouden en dikwijls tegen ons uitgespeeld zijn, nl. het woord van van der Stad: Ontziet vrouw noch kind en dat van Croll: wat mij betreft, ik heb geen honger geleden. Ware dat het geval geweest, ik zou niet naar de pen maar naar den dolk gegrepen hebben. Een mooie partij, zoo riep men ons toe, een partij die in haar devies heeft dat men noch vrouw noch kind moet ontzien! Maar als men de bourgeoisie hierop antwoordt, dat zij zulke woorden wel niet zegt, maar dat zij ze dagelijks in praktijk brengt tegenover de arbeiders, dan staat zij verlegen met het antwoord. 
 + 
 +De ontvangst was te schitterend geweest, de bourgeoisie was er verslagen van. Er moest noodig een domper op gezet worden en dat geschiedde bij de ontvangst te Rotterdam in diezelfde week. Op Woensdag 7 September zouden wij naar die stad gaan en reeds den avond tevoren hadden voor het gebouw dreigende samenscholingen plaats en toen Helsdingen den middag van dien dag naar den hoofdkommissaris van politie was gegaan om hierover te spreken, zei deze te zullen zorgen dat niets of niemand werd gedeerd, aangezien de mariniers gereed zouden staan om zoo noodig onmiddelijk hulp te bieden. 
 + 
 +Bij onze aankomst aan het station begon het lieve leven. Met moeite bereikten wij per rijtuig het lokaal, dat wil zeggen het eene rijtuig waarin ik zat met een paar leden van den Centralen Raad, want het tweede werd geheel vernield en de daarin zittende leden van den Centralen Raad eruit gesleurd. Nauwelijks waren wij in de rijk versierde zaal binnen of het bombardement begon. Geen ruit bleef er heel, de samengestroomde dronken massa, die vrij drinken had in de naastbijgelegen kroegen, - wel 'n bewijs dat deze herrie van bovenaf was aangestookt - bedroeg duizenden. Eindelijk werd het gebouw bestormd, maar daar achter ook een uitgang was, wisten velen langs dien weg te ontsnappen, terwijl het gaslicht werd uitgedaan, zoodat men niets of niemand kon onderscheiden. Had men mij toen te pakken gekregen, ik zou zonder twijfel vermoord zijn geworden, maar ik had mijn redding te danken aan den gevangenismaatregel,​ dat hoofdhaar en baard weggenomen moesten worden. Daardoor was ik totaal onkenbaar en met een pet op het hoofd liep ik door de razende menigte heen zonder dat iemand mij iets deed. Zoo bereikten wij Schiedam en gingen vandaar huiswaarts. 
 + 
 +In Rotterdam werden nu geregeld 's avonds plundertochten gehouden tegen de socialisten,​ zonder dat de politie er zich iets van aantrok en dit duurde zoo lang tot onze partijgenooten verstandig genoeg waren om ook op dezelfde wijze huis te gaan houden in de bourgeoiswijken. Toen kwam de politie met behulp der mariniers er spoedig bij en de orde werd weldra hersteld. 
 + 
 +Zondag daarop had de feestelijke ontvangst te Groningen plaats en deze geleek weer op hetgeen wij te 's Gravenhage en Amsterdam gehad hadden. Geen wanklank werd daar gehoord en een echt feestelijke stemming heerschte in die stad. 
 + 
 +Nu was het gedaan met die ontvangsten,​ want ik had geen lust mij het heele land te laten doorslepen en had dus direkt het besluit opgevat en kenbaar gemaakt, dat het nu gedaan was en spoedig na de Groninger reis begaf ik mij dan ook naar Zwitserland bij mijn vriend Roorda van Eysinga, om weer een beetje op mijn verhaal te komen na mijn verblijf in de gevangenis en ook om mij te onttrekken aan verdere ovaties. 
 + 
 +Natuurlijk dat de pers direkt weer begon te stoken tegen mij, want ondanks dat zij het deed voorkomen, alsof zij zoo'n razend plezier had dat ik eindelijk vrij kwam, nauwelijks was ik vrij of het lieve leventje was weer gaande. 
 + 
 +Mr. Kerdijk vroeg in het Sociaal Weekblad: Wat nu? en in dat artikel eindigde hij met de hoop uit te spreken, dat ik nu zou hebben ingezien, dat ik ‘ten aanzien van de middelen tot nu toe was op den verkeerden weg’. Maar waardoor? Door de gevangenis? Maar geweld tegen iemand te plegen en hem achter slot en grendel te zetten, dat is toch geen argument! Of had hij soms verwacht, dat ik door de bewezen gratie eenige verplichting gevoelde, om nu mijn strijd op te geven? Al te naïf, om zoo iets te verwachten, want die gratie werd meer geschonken, omdat men meer en meer verlegen begon te zitten met de zaak, dan dat zulks geschiedde uit sympathie voor mijn persoon of voor de zaak die ik voorstond. Men wachtte niet eens af hoe ik zou optreden, neen, mijn verschijning alleen gaf weer het sein tot nieuwe aanhitsing. Men gunde mij niet eens de gelegenheid om mijn vrienden te bezoeken en toen de tegenpartij al haar best deed opstootjes te verwekken, stelde zij er mij aansprakelijk voor. Waarschijnlijk ergerden haar de vele bewijzen van sympathie, mij van allerlei kanten betoond - dat had zij niet in die mate verwacht - en daarom moest er voor gezorgd worden dat er stemming tegen mij gemaakt werd. In elk geval zullen velen, die met dien inspekteur van politie te Amsterdam gemeend hebben dat ik bij mijn ontslag verbaasd zou staan te kijken omdat er geen socialisten waren, nu al heel raar hebben opgekeken, nu zij het bewijs kregen hoe het socialisme, wel verre van dood te zijn, zich in blakenden welstand bevond, ja dat de gevangenschap het tegendeel had gegeven van hetgeen men beoogd had en een uitstekende propaganda voor het socialisme geweest was. 
 + 
 +===== IX. Uit den Kerker in de Kamer. ===== 
 + 
 +Toen ik na een aangename en liefderlijke verpleging in het gezin van Roorda van Eysinga en genietende van de heerlijke najaarslucht in Clarens spoedig weer de oude was, keerde ik huiswaarts om mijn taak te hervatten. En dat niet als een bekeerde, die door de hem toegediende straf terugkwam van de dwaling zijns weegs, maar als iemand die nog meer geestdrift bezat, nu hij er voor geleden had, dan ooit te voren. 
 + 
 +In die dagen kwam ik in aanraking met een jong mensch, die bleek een opstandeling van natuur te zijn en pas uit Indië was teruggekeerd. Hij was als koloniaal naar den Oost gegaan, nadat hij reeds vroeger het ouderlijk huis was ontvlucht, bracht daar 3 jaar van de zes in de gevangenis door, altijd wegens insubordinatie. Zijn naam was Alexander Cohen. Wij konden hem een plaats geven aan de drukkerij en misschien nog onder den indruk van mijn terugkomst ging hij een daad verrichten, die ernstige gevolgen voor hem had en toch voor de propaganda niets beteekende. De koning kwam terug in de residentie, om de opening der Staten-Generaal op de gebruikelijke wijze bij te wonen. Toen het rijtuig des konings hem op den Stationsweg voorbijreed,​ riep hij zoo luid als hij kon: Leve Domela Nieuwenhuis! Leve het socialisme! Weg met Gorilla![20] 
 + 
 +Dadelijk werd hij gepakt en meegenomen naar het bureau, maar na een verhoor liet men hem weer weggaan. De officier van Justitie moet zijn gevangenneming gevraagd hebben, maar dit verzoek werd niet toegestaan. Niet om het feit zelf, want nu zal Cohen de eerste zijn om die grap te beschouwen als een echte kwajongensstreek,​ deelen wij dit mede, maar om zijn verdediging voor de rechtbank, die toonde dat er van hem wel wat te verwachten was. Die aardigheid kwam hem duur te staan, nl. op 6 maanden, de eisch was zelfs een jaar. Hij toonde aan, dat zelfs de onderstelling,​ dat Z.M. de koning beleedigd kon worden door het woord ‘Gorilla’,​ door den officier van Justitie gedaan, reeds majesteitsschennis mag genoemd worden, onverklaarbaar in den mond van zoo'n geacht ambtenaar. En dan ging hij voort: ‘ik zou wel eens willen weten welke overeenkomst er toch bestaat tusschen het geëerbiedigd hoofd van onzen gezegenden staat en 'n Gorilla. Eilieve, edelachtbare heeren, m'n zoölogische kennis strekt zich waarschijnlijk niet zoover uit als die van het openbaar ministerie, maar toch meen ik me te herinneren, dat het apenras zich hoofdzakelijk van het genus homo onderscheidt,​ doordien de vertegenwoordigers van dat eerste ras op vier handen loopen. Dit nu zag ik nooit van Willem III ... en 't openbaar ministerie?​ 
 + 
 +Behoort niet de Gorilla thuis in Afrika, het zwarte werelddeel, en ligt niet ons gezegend vaderland, het dierbare plekje grond, waar volgens het populaire liedje ieder “vrij en blij leeft”, in Europa? Ik smeek het Openbaar Ministerie m'n geringe zoölogische en geografische kennis ter hulp te komen; ik dorst naar kennis. Zag het ooit 'n Gorilla in 'n staatsiekoets zitten, met 'n koetsier op den bok, die op 'n met goud omzet rood, ja rood kleedje zat? Heeft het ooit gehoord dat men 'n aap in 'n paleis huisvestte, en dat men 'n paardenstal voor hem bouwde, die honderdduizenden guldens kostte, terwijl 't volk omkwam in de bitterste ellende? Deed ooit 'n aap z'n feestelijken intocht in 'n stad, waar men dan sommen uitgaf aan jenever, om 't verknochte volk kunstmatig te begeesteren en tot alkoholische liefdesbetuigingen te dwingen? Zag het ooit - doch waartoe meer; 't zal overbodig zijn nog meer bewijzen bij te brengen, om u te overtuigen (indien gij er ooit aan getwijfeld mocht hebben, wat ik niet denk) dat 'n Gorilla geen koning en allerminst onze nobele, uitstekende koning kan zijn. Door slechts te beweren dat hij beleedigd zou kunnen zijn door den uitroep: Weg met Gorilla! beleedigt het Openbaar Ministerie zelf onzen vorst en van dat oogenblik af heb ik en heeft ieder het recht datzelfde Openbaar Ministerie aan te klagen van majesteitsschennis’. 
 + 
 +Indedaad deze geestige verdediging,​ waarvan ons alleen verwondert dat zij zonder interruptie kon uitgesproken worden, tenzij de heeren in hun baard zaten te grijnzen, geeft voldoende bewijs dat in dat levendige jonge mensch wat schuilde en later toen hij o.a. in zijn Paradox tot volle kracht was gekomen, is dan ook gebleken dat wij niet zonder reden iets, ja veel in hem hadden gezien. 
 + 
 +Veroordeeld,​ week hij uit naar Parijs, waar hij zich metterwoon vestigde. Betrokken in het ‘proces der dertig’ in Augustus 1904, liep hij 20 jaar dwangarbeid op. In bizondere omstandigheden:​ als vreemdeling verbannen was het hem 1o. onmogelijk zich te verdedigen en 2o. vervolgd krachtens een strafwet na zijn verbanning tot stand gekomen, was zijn veroordeeling een rechtskundige ketterij. Na een 2-jarig verblijf te Londen, waar hij niet aarden kon, keerde hij in 1906 naar Holland terug. Aldaar ontdekt en gearresteerd moest hij zijn straf van 1887 ondergaan. In den tusschentijd was hij naar Parijs teruggekeerd om in verzet te komen tegen het vonnis aldaar, bij verstek gewezen, en na contradictoir debat werd hij door de jury vrijgesproken,​ maar direkt ‘administratief’ het land uitgezet. Sints 1899 leeft hij steeds te Parijs. Wij bleven tot heden altijd in vriendschappelijk verkeer. 
 + 
 +Een mijner eerste bezoeken na mijn invrijheidstelling gold prof. A. Pierson, den man die den moed had gehad om tegenover de heerschende bende een woord te spreken te mijnen gunste. Ofschoon ik aan hem als schrijver veel te danken had, daar hij ontzaggelijk meewerkte om mij los te maken van vele theologische wanbegrippen en dogma'​s,​ had ik hem nooit weer gezien, nadat ik indertijd in 't jaar 1872 bij hem was geweest te Heidelberg, waar hij woonde om later als privaat-docent aldaar kollege te geven. Hij was een eigenaardig man met veel gevoel, die trachtte het standpunt van zijn felste bestrijders te begrijpen en te verdragen, een aristokraat naar den geest in de goede beteekenis des woords, van wiens persoonlijke aanraking veel invloed uitging, zooals menigeen kan getuigen die het voorrecht smaakte met hem te verkeeren. 
 + 
 +Hij ontving mij zeer hartelijk en nog herinner ik mij duidelijk het gesprek dat wij hadden. Zoo zei hij hoe het hem getroffen had, dat men eigenlijk zoo weinig wist van het volk. Men leefde nu ja naast elkander in dezelfde stad en toch men was geheel vreemd aan elkaar. Althans de wereld waarin hij leefde, was zoo'n geheel andere, dan die waarin de meerderheid verkeerde. En die volksvergadering van de Unie, waarin hij gesproken had, was voor hem een openbaring geweest en twee dingen hadden hem daar bizonder getroffen, te weten: 1o. dat dat deel des volks, dat hij daar ontmoette, veel hooger stond dan hij gedacht had, want dat men hem met groote aandacht aanhoorde en hem blijkbaar zeer goed kon volgen, terwijl de woordvoerders der arbeiders hun gedachten zeer korrekt en in goede vormen wisten uit te drukken en 2o. dat dat volk mij zoo'n bizondere liefde toedroeg, die hem getroffen had. Ja, zei hij, ik heb daar op dien éénen avond meer geleerd dan uit vele boeken die men leest en ik was blij dat ik het had aangenomen om daar te spreken, want het was feitelijk de eerste maal, dat ik in aanraking kwam met dat volkje, waarvan ik onder voorlichting der pers, om u de waarheid te zeggen, geen al te besten indruk had. 
 + 
 +- Dat wil ik wel gelooven, antwoordde ik, want hoogstwaarschijnlijk krijgt gij uw voorlichting uit het Handelsblad. 
 + 
 +- Ja, dat is zoo! Ik houd niet erg van kranten lezen, maar het Handelsblad lees ik om op de hoogte te blijven. Overigens ligt mijn studie op zoo'n geheel ander terrein en dus het was mij alles vreemd en nieuw, wat ik daar ervoer. 
 + 
 +- Dat is 't ongeluk. U weet veel beter hoe die oude Joden te Jeruzalem en de Grieken in Athene leefden in hun tijd dan uw eigen stad- en landgenooten in den uwen. 
 + 
 +- Zeker, daar hebt u gelijk aan, maar hoewel ik dat betreur, kan ik er niets aan doen, want al mijn tijd wordt door mijn studie in beslag genomen. 
 + 
 +Allard Pierson was een fijn beschaafd man, innemend en aangenaam causeur, maar bovenal was hij een man met een hart, dat warm klopte voor waarheid en recht, maar hij stond totaal vreemd, als zoovelen, tegenover het groote sociale vraagstuk dat zich toch ondanks alles aan allen opdrong. 
 + 
 +Later bracht hij mij een bezoek te 's Gravenhage en toen bemerkte ik ook hoe naïf hij feitelijk was. Hij gevoelde hoe hij eigenlijk te kort was gekomen in zijn plichten door zich niets aan te trekken van den strijd onzer dagen, want hij had toch ook plichten tegenover zijn medemenschen. Het was alsof hem de oogen eenigzins waren opengegaan en hij vroeg mij: maar wat zou ik dan in dezen moeten doen? Ik antwoordde hem: ik begrijp heel goed, dat gij op uw leeftijd en bij uw positie u niet volop kunt werpen in de propaganda en toch is het reeds veel als gij door uw naam en door uw stem soms te doen hooren, ons een grooten moreelen steun wilt verschaffen. Zoudt gij niet meenen dat dit grooten indruk zou maken op de bezittende klasse? En dat dit ook een groote zegenrijke werking zou hebben op dat verdrukte volk, als het zag hoe een man als Pierson zich hun lot aantrok? 
 + 
 +Ik heb later niets meer van hem gemerkt, maar de dood rukte hem ook niet lang daarna weg. Hij was te sterk vastgegroeid,​ misschien wel vastgeroest in de denkbeelden van zijn broeder, den bekenden staathuishoudkundige,​ mr. N.G. Pierson, wiens boek over de Staathuishoudkunde zoo wat zijn eenige wijsheid bleek te zijn, dan dat hij zich daaraan kon ontworstelen. Zijn hart was met ons, zijn geest was elders. Zijn ‘verteedering der harten’, waarop hij nog al den nadruk legde, bewijst dit voldoende. 
 + 
 +Zonder invloed is die aanraking met mij niet geweest, want vrij kort daarna, nl. in het Meinummer van De Gids (1890) wijdde Pierson een artikel aan de nagelaten Brieven van Cd. Busken Huët, waarin hij schrijft: 
 + 
 +    ‘de sociale kwestie is bij ons nog niet boven den gezichtseinder. Er is een samenleving;​ er zijn duizenden weinig beter dan slaven; onterfden, ten prooi aan altijd grooter verbastering,​ niet ontevreden - misschien! - maar dan alleen omdat zij zelfs het besef van een menschwaardig bestaan hebben verloren. Onze jonge man - hij spreekt over de aanstaande predikanten - heeft er niet van gehoord. Er zijn heeren en meesters, die hun plichten vergeten of verkrachten;​ fatsoenlijke,​ kerksche menschen, op wier geweten niet brandt, dat zij in gemoedelijke zelfzucht toestanden helpen bestendigen of dulden, die alleen daarom geen bloedigen opstand uitlokken, omdat de ontzenuwde kracht der lijders niet meer hoopt, en de uitgedoofde verbeelding het betere niet meer aanschouwt. Dit alles weet onze student in de theologie slechts van hooren zeggen; ongeveer zooals men weet, dat de aarde draait; het leeft niet in hem; het kwelt hem niet. Hij kan zijn partij billard spelen en zijn bittertje drinken, en als hij inkeert tot zichzelf en iets wil aangrijpen, waarvoor het de moeite loont te leven, wil hij de prediker worden van godsdienst dien hij nog niet kent, in een taal, die zijn volk niet verstaat. Als hij aan dat plan gevolg geeft, zal hij elken Zondag ten beste geven een belangwekkend en stichtelijk vertoog, maar zonder veel actualiteit;​ knapen en jonge meisjes eenige kennis bijbrengen van een Bijbel, welks forschheid en verpletterenden ernst hij evenwel niet kan aandurven, zonder hem ongeschikt te maken voor de bestaande maatschappelijke orde; kranken en armen troosten met bedeeling en voorts met een voor hem zelf problematisch of althans raadselachtig Hiernamaals;​ in zijn vrije uren een boek samenstellen betreffende den Bijbel[21] waarvan hij het eerste deel met eenige moeite en het tweede deel met in geen geval filologische kennis van het Grieksch in het oorspronkelijke leest; en ten slotte een welverdiende rust genieten op kósten van een Staat, in de hoofden van welks Excellentiën en Hoogmogenden het niet opkomt, een onbezorgden ouderdom te verzekeren aan zijn metselaars en timmerlieden’. 
 +     
 +En dan vervolgt hij: 
 +     
 +    ‘hoeveel sneller ware de emancipatie gekomen, wanneer reeds het socialisme, dat belangrijkst verschijnsel onzer belangrijke eeuw, het hart had geopend voor die “question vitale”, om met Huët te spreken, die Levenskwestie,​ die alle andere in de schaduw stelt: omschepping der maatschappelijke orde, naar den maatstaf van een waarachtig gemeenschapsgevoel,​ de overwinning behalende over de zelfzucht en hoogmoed, die thans hare grondslagen zijn! 
 +     
 +    Ten aanzien van een auteur, die zoovele Fantasiën schreef, is fantaseeren niet ongeoorloofd. Als, daags na dien treurigen Julidag, een verderziende Genius dan de welwillendheid van ds. L'​Ange[22] den ontmoedigden jongeling eens achter de Kerk, de eenige schuilplaats die hij kende, plotseling de groote werkplaats der Maatschappij had getoond; hem gezegd had: Laat aan anderen de vraag: hoe word ik zalig? daarop vindt gij toch nooit antwoord; laat aan de geleerden de bestudeering van het Christendom,​ een theoloog steekt er toch niet in u; laat aan de Henochs het wandelen met God; aan uw mystiek zal men toch nooit gelooven! Maar gij, wandel inmiddels alle dagen met dien schooier daar; volg hem naar zijn kelder of zolderkamer;​ zie wat hij eet en niet eet, waar hij slaapt met vrouw en kinderen, en vertel eens - want gij zijt niet zonder eenig letterkundig talent! - aan uwe medestudenten,​ straks aan uwe medeburgers gelijk gij het alleen doen kunt, de dingen die gij gezien en gehoord, geroken en vermoed hebt, en schud de slapenden wakker en geesel de zelfzuchtigen en jaag op de Jan Salies die zich met “eerbiediging van het historisch gewordene” paaien, en stel uw weergalooze pen en uw gevoelvol stemgeluid ter beschikking van alle martelaren der maatschappelijke orde, van alle stumpers en onrechtvaardig vervolgden. 
 +     
 +    Indien dit alles gebeurd was, ja, dan hadden wij geen Brieven over den Bijbel gehad. Maar wie weet of wij niet Brieven over het Volk hadden gelezen; over dat Volk, dat wij, die alles kennen - God beter 't - nog altoos niet kennen’. 
 + 
 +Het is mij altijd bij het lezen dier woorden uit het hart tot het hart voortgekomen,​ alsof ik daaraan eenig aandeel heb gehad, alsof door mijn gevangenschap en wat daarop volgde hem de openbaring gewerd, die hem zoo deed spreken. 
 + 
 +Geen wonder dat ik hem toen zelf opriep om ‘zijn weergalooze pen en gevoelvol stemgeluid’ ter beschikking te stellen van ‘alle martelaren der maatschappelijke orde, van alle stumpers en onrechtvaardig vervolgden’,​ om naast mij plaats te nemen in de rijen der strijders, die zich in dienst stelden van het lijdend en onterfde proletariaat. 
 + 
 +‘Daal af van uw hoogte’, zoo riep ik hem toe, ‘om mede te leven met dat volk, dat men nog altoos niet kent en dat toch vlak naast u leeft in dezelfde stad en in dezelfde omgeving en tracht dat op te heffen opdat er voor hen ook ontsta aandeel aan levensgenot. 
 + 
 +Prof. Pierson, neem uw plaats in de gelederen der proletariërs,​ gij zult uzelven daardoor niet vernederen, neen, maar het volk verhoogen, dat van u veel leeren kan evenals gij van dat volk. Het zou pleiten voor uw hart en in onze hartelooze maatschappij doet zoo iets op zichzelf reeds goed’. 
 + 
 +Toen meer en meer de beperking van den werktijd aan de orde kwam, achtte ik het dienstig om hierover de arbeiders beter in te lichten en daar ik er niet van hield om als de dingen goed gezegd waren, ze nog eens met andere woorden over te zeggen, nam ik het Kapitaal van Marx ter hand, die dit onderwerp op meesterlijke wijze daarin had behandeld. De eerste zeven hoofdstukken van het boekje, dat ik onder den titel De normale arbeidsdag uitgaf, zijn dan ook een bewerking van Marx. Zij bevatten voornamelijk een historisch overzicht over de beperking van den arbeidsdag in Engeland. Maar daarna ging ik mijn eigen weg en voegde eraan toe een Hoofdstuk over den Strijd om den normalen arbeidsdag van 8 uur in de Vereenigde Staten van Noord Amerika, een dito over den Vrouwen- en Kinderarbeid op de arbeidsmarkt,​ een dito over Arbeidsdag en Arbeidsloon,​ een dito over den Arbeidsdag en de produktie, een dito over den Graad van exploitatie van den arbeid, de grootte van het nationaal inkomen, de voedingsstoffen der aarde, het Minimumloon in verband met voeding, gezondheid en levensbestaan,​ de Risiko der arbeiders, om in een Slotwoord mijn konklusie te trekken, die hierop neerkwam dat uit praktisch oogpunt èn wat de produktiviteit van den arbeid èn wat den arbeider in zijn belang aangaat, de Engelsche formule voor verwezenlijking vatbaar is, die wordt saamgevat in dit tweeregelig versje: 
 +  
 +  * Eight hours to work,  
 +  * eight hours to play;  
 +  * eight hours to sleep  
 +  * and eight shilling a day. 
 + 
 +(acht uur arbeid, acht uur vrij, acht uur slaap en acht shilling (1 shilling = 60 cents) erbij). 
 + 
 +Ik had het voltooid voordat ik in de gevangenis ging en het ter hand gesteld aan Croll om voor de publikatie te zorgen, wat hij ook gedaan heeft. Het is eigenaardig hoe dikwijls ik nu nog gebruik zie gemaakt van de vele statistieke gegevens, die ik daarin bijeengezameld had, zoodat het over dit vraagstuk nog een kostelijk materiaal geeft, natuurlijk zonder mij te noemen, want de hedendaagsche sociaaldemokraten zijn te wetenschappelijk (in eigen oogen) dan dat zij zich zouden beroepen op zulk een utopistischen arbeid. Het is bij hen een hebbelijkheid geworden om allen vroegeren arbeid steeds te bestempelen met den dooddoener: utopistisch. Dat klinkt voornaam en geleerd. Overigens daarin praten zij Friedrich Engels na, die ook de gewoonte had om allen arbeid met dien naam te bestempelen en alleen Marx te beschouwen als de eenige vuurbaak in de woelige zee van utopistische golven. 
 + 
 +Van Engels gesproken, ik weet niet meer of ik vóór dan na mijn gevangenschap gevolg gaf aan een vriendelijke uitnoodiging van hem om bij hem te komen logeeren. Ik deed dit gaarne om kennis te maken met een man van zoo groote beteekenis als de vriend van Marx was. In zijn gastvrije woning heb ik dan ook een week lang doorgebracht en ik moet zeggen dat ik van dit bezoek de aangenaamste herinneringen bewaard heb. Engels was een bizonder veelzijdig mensch, die bijna op elk gebied van het menschelijk weten thuis was en zeer onderhoudend in zijn praten. Hij leidde een vrij eenzaam leven, geheel gewijd aan de studie, rondom zich verzamelende de overblijfselen van den Marxkring, want zelden heb ik zulk een vereering gezien als Engels bezat voor Marx. Hij leefde geheel in en met Marx, wiens werken hij telkens uitgaf, veelal voorzien van een voorwoord van zijn hand ter toelichting en verklaring. Toen was hij juist bezig met de bewerking van het manuskript van de verdere, nagelaten deelen van Das Kapital van Marx, een soort van reuzenarbeid,​ zooals hij mij liet zien, want alles moest gerangschikt worden en elkeen, die het kleine, alles behalve duidelijke schrift van Marx kent, zal begrijpen wat dit zeggen wil. Maar wie was voor dien arbeid beter geschikt dan Engels, die als 't ware met Marx was opgegroeid en zoodanig in zijn geest was doorgedrongen dat als hij de eerste helft van een zin las, hij de tweede reeds begreep? 
 + 
 +Kautsky was toen ook naar Londen gekomen, om onder de schaduw van Engels te leven en te werken. Toen reeds kon ik opmerken, dat deze, met zekeren aureool omhangen door den intiemen omgang met Engels, later den profetenmantel zou oprapen, die Engels bij zijn verscheiden zou wegwerpen. Met hem verkeerde ik toen vriendschappelijk,​ evenals met Eleanor Marx, de zeer begaafde jongste dochter van Marx, die tot haar ongeluk leefde met een wel knap maar zedelijk zeer laag staand individu als dr. Aveling was. Men wist in Engeland te goed wie hij was en het feit alleen dat deze in den Marx-kring een rol speelde, was voldoende om de Engelsche bekende mannen op een afstand te houden. Men kent het treurig, dramatisch uiteinde van Eleanor Marx, dat door Aveling bewerkt is en ofschoon hij sints dien tijd had afgedaan, zijn vrij spoedig daarop gevolgde dood bevrijdde de beweging van 'n mensch, die door zijn weergalooze brutaliteit en zekere onmiskenbare behendigheid te onzaliger ure zich daar had ingedrongen,​ zonder dat een dier mannen, noch Engels, noch Kautsky, noch ook Liebknecht of anderen, had opgemerkt wat voor soort mensch dit was. En toch moest hij op elk een ongunstigen indruk maken, althans hij deed dit op mij ten zeerste. Ik schrijf deze verblinding daaraan toe, dat men in dien kring te verheugd was een bekwaam Engelschman te hebben gevonden, die in Engelsche kringen het Marxisme vooral moest binnenvoeren. Want eigenaardig mag het heeten dat Marx gedurende zijn leven absoluut geen invloed uitoefende op de arbeidersbeweging op het terrein waarop hij leefde, ja zoo goed als een onbekende was onder de Engelsche arbeiders. Hij, de man die op een groot gedeelte der arbeiders in de wereld een overwegenden invloed bezat, hij bleef steeds vreemd aan de Engelsche. Misschien moet dit daaraan worden toegeschreven,​ dat men van de zijde der Marxisten absolute onderwerping aan den wil des meesters verlangde, zoodat er heelemaal geen plaats overbleef voor eigen initiatief en eigen oordeel. Engeland is voor zulk een slaafsheid een veel minder gunstige bodem dan Duitschland. 
 + 
 +Toen ik in Engeland was, wenschte ik toch ook in aanraking te komen met Engelsche socialisten en zoo bezocht ik William Morris en gaf aan Kautsky te kennen dat ik ook van plan was een bezoek te maken bij Hyndman, die toen ter tijd en ook later een der hoofdleiders was van de sociaaldemokratische partij in Engeland. Maar Kautsky zei mij: dat moogt ge wel niet aan den ouden heer zeggen, want dan is hij uit zijn humeur. Nu, dat deed ik dan ook niet, ofschoon het voor mij geen reden was om van mijn bezoek aan Hyndman af te zien. Deze ontving mij zeer aardig, maar ik bemerkte dat de verstandhouding tusschen hem en Engels nu ja naar het uiterlijk wel goed was, maar in den grond der zaak alles behalve vriendschappelijk. Als men in den vreemde is en buitendien een onderzoekenden,​ kritischen geest bezit zooals ik, dan wil men zich niet gaarne opsluiten in één bepaald kringetje om dan de dingen eenzijdig te bezien door de brilleglazen die u daar worden opgezet. En dat is soms zeer lastig, daar de mannen der verschillende frakties in den regel niet graag zien dat men ook in betrekking komt met personen buiten hun kring. Maar om een goed overzicht te krijgen over de geheele beweging van een land is het juist zoo nuttig met allen te verkeeren en zoo het innerlijke der beweging te leeren kennen. Men hoeft toch niet beslist partij te kiezen voor den een of den ander, wat ook meestal zeer moeilijk is, daar men in dat geval alle omstandigheden precies en in haar onderling verband zou moeten kennen. 
 + 
 +Vooral was Engels op zijn stokpaardje,​ als hij sprak over de beweging van 1848 in Baden, waarin hij een aktief aandeel had gehad en was hij eenmaal aan 't vertellen, dan wist hij van geen tijd en uur, zoodat wij meestentijds tot laat in den nacht zaten te praten. Er wordt zoo dikwijls verteld dat hij de menschen zoo uit de hoogte kon afsnauwen; ik kan daarover niet meepraten, daar hij mij op de innemendste en hartelijkste wijze ontving, maar ik kon toen ook gerekend worden tot de zijnen te behooren. Wij bleven steeds in briefwisseling en vooral waar ik zelfs soms in twijfel verkeerde omtrent het een of ander, wendde ik mij tot hem om voorlichting en nooit bleef hij in gebreke om mij zijn oordeel steeds spoedig kenbaar te maken. Toen wij scheidden, moest ik hem beloven het volgende jaar weer terug te komen. 
 + 
 +Gedurende mijn verblijf bij Roorda kwam ik ook in aanraking met Elysée Reclus en zijn sekretaris, Metchnikoff,​ een Rus, en de invloed die van Reclus uitging en die elkeen zal ervaren hebben, welke het voorrecht had met dezen grooten man in aanraking te zijn geweest, zal ik hier niet beschrijven. Och, welk een bescheidenheid en vriendelijkheid! Niets was hem te veel als hij iemand van dienst k on zijn en hoe groot hij ook was als man der wetenschap - hij wordt altijd geschat als de eerste geograaf van zijn tijd - toch was hij misschien nog grooter als man van karakter. Niemand zou gedacht hebben, als men dit kleine mannetje zag loopen, levendig en eenvoudig, dat dit de groote man was en nog minder als men met hem sprak, want nooit drong hij zich op den voorgrond. Anarchist van natuur, wist hij elk zijn vrijheid te laten, mits men de zijne niet aanrandde. En hoe hij dien naam boven alles plaatste en liefhad, bleek uit een ontmoeting, die hij eens met iemand had. Hij werd namelijk voorgesteld aan een ander als den beroemden geograaf Elysée Reclus en daarna met de ironische bijvoeging: en ... anarchist. 
 + 
 +Pardon, zeide hij, allereerst moet gij zeggen:​anarchist en daarna: geograaf, want ziet u een bekwaam geograaf kan elkeen worden, die ijverig werkt, maar een anarchist niet, dat is een zaak van karakter. 
 + 
 +Ik behoef niet te zeggen dat hij veel werkte, want zijn boeken leveren daarvan de welsprekendste bewijzen. Men staat wel eens versteld over hetgeen één mensch doen kan, als men die statige rij boekdeelen van zijn hand voor zich ziet en dan bedenkt hoeveel voorstudie er noodig geweest moet zijn, voordat hij overging tot het schrijven ervan. En waar een man als Kropotkine getuigt dat ‘zijn geschriften behooren tot het allerbeste der eeuw, wier aangrijpend schoone stijl den geest en het geweten treft’, daar kan men ervan verzekerd zijn te doen te hebben met een man van den eersten rang. Hoe verheugd was ik dan ook, dat hij mijn boek Le Socialisme en danger waardig keurde om het te voorzien van een inleidend woord van zijn hand. Alleen daarom bijna zou ik verheugd zijn dit boek geschreven te hebben. Zelden verrichtte ik dan ook een droeviger maar te gelijkertijd meer uit het hart geweld werk dan door hem een woord van dankbare hulde te wijden in het maandschrift Ontwaking (1905), een woord dat slechts op gebrekkige wijze uitdrukking gaf aan hetgeen er in mij woonde en dat verre bleef beneden de groote beteekenis van dezen mensch bij uitnemendheid. 
 + 
 +Ook genoemde Metchnikoff was een dier eigenaardige typen, gelijk Rusland ze in grooten getale oplevert. Dweeper met de vrijheid, was hij er overal bij, waar de vrijheid te bevechten was. Zoo streed hij mee op Kreta tegen de Turken en liet hij zich later opnemen in het vrijkorps van Garibaldi in Italië, totdat hij gewond werd aan zijn been en met een zwakke gezondheid te Clarens kwam, waar hij een gewaardeerd medewerker werd van Reclus. Hij was de man die de lijkrede uitsprak aan het graf van Roorda, dien hij echter niet lang overleefde. Nederig en bescheiden als zijn leermeester toonde hij in zijn boek La civilisation et les grand fleuves (De beschaving en de groote rivieren) dat hij een man van groote kennis en helder oordeel was. 
 + 
 +Een gebeurtenis - reeds genoemd - die een ontzaggelijken indruk bij mij achterliet, als 't ware een schok in mijn leven, was de terechtstelling der ‘martelaren’ van Chicago. Het was daar duidelijk wat ons te wachten staat, als het kapitalisme zich bedreigd gevoelt in zijn bestaan. Zeven mannen werden daar na een proces van anderhalf jaar ter dood gebracht. Vier, te weten: Spies, Parsons, Engel en Fischer, werden werkelijk opgehangen, terwijl een hunner, Lingg, zich aan zich aan de straf wist te onttrekken door zichzelf in de cel van kant te maken, en twee anderen, Samuel Fielden en Michaël Schwab, ‘begenadigd’ werden met levenslange opsluiting in de gevangenis. De achtste, Neebe, was veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf. Wij hadden toen geloofd dat men zoo brutaal niet had durven zijn, want de bourgeoisie wist heel goed dat deze mannen ook volgens de bestaande wetten onschuldig waren aan het hun ten laste gelegde feit, wat later dan ook door een nieuw onderzoek van gouverneur Altgelt gebleken is, zoodat hier een gerechtelijke moord plaats had. Het was de anarchie, die in hun personen gesmoord moest worden, want het is duidelijk gezegd door den rechter: anarchy is on trial! De verdedigingsredevoeringen van deze acht vormen een aanklacht tegen de hedendaagsche maatschappij. Ik schreef toen: ‘de geschiedenis der beschaving zal eenmaal vermelden, hoe in de hooggeroemde XIXe eeuw eenige mannen zijn opgehangen, omdat hun denkbeelden hinderlijk en lastig waren voor de bestaande machten, die de vertegenwoordigsters zijn der moderne drievuldigheid:​ Mammon, Bacchus en Venus. 
 + 
 +Er zullen zeven mannen worden gehangen, omdat zij optraden voor de volkszaak, voor de verdrukten tegen de verdrukkers,​ voor de uitgezogenen tegen de uitzuigers. Misschien hebben zij gedwaald. Wij zijn het zelfs in menig opzicht niet eens, noch met hun denkbeelden,​ noch met hun taktiek, maar zij handelden naar hun overtuiging,​ en zoo zij geen vrijheid hadden om hun denkbeelden op hun wijze te verkondigen,​ dan is het gedaan met de vrijheid van gedachten. 
 + 
 +Het is een aanslag tegen de vrijheid van denken en spreken, die van overheidswege wordt aangerand in de vrije Amerikaansche republiek! Men wil de moderne, socialistische denkbeelden ophangen door died zeven mannen den galg te bereiden. 
 + 
 +Men wil dus ideën vermoorden, men wil de waarheid beteugelen door den beul. 
 + 
 +Arbeiders! Onthoudt dien datum. Vergeet den 11en November niet. Het is uw ontvoogding,​ die misdaad wordt geacht. Het is om uw bevrijding dat het handelt. Zweert plechtig en ernstig wraak, opdat uit de asch der martelaren uw vrijmaking opkome’. 
 + 
 +Nu, wij hebben dien datum niet vergeten, maar herdenken hem nog jaarlijks, omdat wij meenen dat zulke dagen diep geprent moeten worden in het gemoed van alle arbeiders. En typisch is het zeker, dat wij deze acht anarchistische martelaren altijd beschouwd hebben als onze mannen, dus als behoorende tot het groote leger der socialistische strijders. 
 + 
 +Ik had mijn werk en in de allereerste plaats de redaktie van het blad weer op mij genomen, maar met het nieuwe jaar begon ik pas weer de gewone mondelinge propaganda. Het schijnt dat de toon van het blad velen niet bevallen had, ofschoon ik meermalen bemerkte dat de arbeiders over 't algemeen het blad met genoegen gelezen hadden. Althans Nellie van Kol schreef mij dat zij blij was te zien hoe ik de redaktie weer had overgenomen,​ want ‘de invloed van Roorda op Recht voor Allen was niet goed, er is nooit zooveel straattaal in voorgekomen dan sedert de beschaafde Roorda de platste uitdrukkingen gebruikte. Ik vond de “ingezonden stukken” van de geringste arbeiders in R.v.A. veel beschaafder,​ veel gemoedelijker en hierdoor veel invloedrijker dan de Brieven uit Clarens. Ik begrijp tot op dit oogenblik nog niet de kracht van vieze straatwoorden en van platte scheldwoorden,​ mijns inziens spreekt de meest edele verontwaardiging de meest edele, zij het dan ook krasse, ja zelfs bittere taal. Gij zijt een veel onbaatzuchtiger volksvriend dan Roorda, die zijn “verbanning” nooit heeft kunnen verkroppen, terwijl gij nooit rept van wat men u heeft aangedaan en doet en gij spreekt niet vies en scheldt niet. Gij zijt en blijft in alles de beschaafde man en des te meer jammer vind ik het dat uwe naaste helpers zoo veel goeds van u afzien, maar niet uw gekuischte taal’. 
 + 
 +Het jaar 1888 was ook, hoewel in andere opzichten, een merkwaardig jaar voor mij. Immers door het vergroote aantal kiezers ten gevolge van de grondwetsherziening,​ die tot stand was gekomen, wilde de partij een kansje wagen, om eenigen der onzen in de kamer van honderd te brengen. Wel is waar bleven de meeste arbeiders nog buitengesloten van het kiesrecht, maar niettemin men wilde eens zien hoever men het brengen zou. 
 + 
 +De tijd voor de verkiezingen is een voor de propaganda bij uitstek gunstige en er is in die dagen door onze lui met een inspanning en energie gewerkt zonder voorbeeld. Ofschoon ik mij nooit erg aangetrokken gevoelde tot het parlementaire stelsel, had ik moeten toegeven aan den wensch der onzen en werd ik kandidaat gesteld in verschillende plaatsen, zooals Schoterland,​ Groningen, Amsterdam. Al bleef de uitslag beneden de hoog opgeschroefde verwachtingen,​ die menigeen ervan had, mij viel hij eigenlijk gezegd mede en ik was uitermate verrast dat ik het in Schoterland tot herstemming bracht. De verkiezing in dat distrikt was te merkwaardiger,​ omdat hier tegenover elkander stonden Heldt, de voorzitter van het Werkliedenverbond en mijn persoon, de drager van het socialistisch beginsel. Want alleen als zoodanig wilde ik verkozen worden en om alle dubbelzinnigheid weg te nemen had ik op elke vergadering herhaald dat ik socialist was en als zoodanig wenschte gekozen te worden. Kapitaal en arbeid stonden dus vlak tegenover elkander. En als vertegenwoordiger van het kapitaal trad op de arbeider Heldt, terwijl als vertegenwoordiger van den arbeid de kapitalist Domela Nieuwenhuis stond. 
 + 
 +Alle groot-grondeigenaren en bezitters, alle notarissen met hun trawanten, de mannen der pers, die steeds de gewillige dienares is van het kapitaal, het altaar, hier bovenal vertegenwoordigd door de moderne dominees, die met de liberale onderwijzers als liberale verkiezingsagenten uitstekende diensten verrichtten,​ al die menschen stonden als één man geschaard om Heldt, niet uit sympathie voor dezen persoon, want ook hij ging hun nog te ver, maar alleen om mij te weren. De leus was minder: Heldt erin dan wel: Nieuwenhuis eruit. De kleine, nijvere burgerij en de zoogenaamd gezeten arbeiders, voor zooverre zij kiesgerechtigd waren, stonden daarentegen aan mijn zijde. 
 + 
 +Als de werkmansziel nog niet geheel was uitgeschud bij Heldt, dan moet er toch wel wat vreemds in zijn ziel hebben omgegaan. Immers hij, gesteund door de bankkliek, hij de werkman logeerende bij de notabelen, hij de Dageraadsman geholpen door de dominees - als deze tegenstellingen hem niet tot nadenken brachten, dan kunnen wij gerust zeggen dat niets meer daartoe in staat was, dat hij zich vastklemmende aan den zetel waarop men hem gezet had, nu aan niets anders dacht dan aan het behoud ervan tegen elken prijs. 
 + 
 +En toch was het lot hem ongunstig, hij viel en ik werd gekozen. 
 + 
 +De antirevolutionairen gaven hierbij den doorslag en hoe moeilijk de keuze ook was, de Standaard, het hoofdorgaan der antirevolutionaire partij, gaf als advies: in geen geval een kandidaat helpen kiezen, die eens gekozen, in de kamer tegen ons stemt. En daarom geen stem op den liberaal. Zelfs op Heldt en Zylker onzerzijds geen stem. Moeten Mansholt (in Winschoten) en Domela Nieuwenhuis tegengestaan,​ het zij zoo. Maar middel daartoe mag nooit zijn, om Heldt of Zylker te stemmen; want eens gekozen, stemmen deze beide mannen beslist en in alles tegen ons. 
 + 
 +Hierdoor waren de antirevolutionairen vrij en waar onze geestverwanten het lot in handen hadden van den antirevolutionair tegenover den liberaal in het aangrenzende distrikt Wolvega, daar spreekt het vanzelf, dat van beide zijden gehoopt werd, dat het stemmen op mij in Schoterland zou voeren tot het stemmen onzerzijds op den antirevolutionair in Wolvega. 
 + 
 +Van onderhandelingen,​ die gevoerd zouden zijn, van een stemmenhandel is mij niets bekend en ik zou mij daartoe nooit en onder geenerlei voorwaarde hebben laten vinden. 
 + 
 +Na mijn verkiezing schreef Croll weer een geestdriftig artikel: Uit den kerker in de Kamer, waarin hij terecht zei: 
 + 
 +    ‘Domela Nieuwenhuis werd gekozen als sociaaldemokraat,​ onder een kiesrecht dat van de stembus weert het overgroote deel der arbeidende klasse, juist de klasse dus waaronder wij onze krachten vinden. 
 +     
 +    Hierin ligt de groote beteekenis van het feit, dat de bourgeoisie met zoo groote onrust vervult. 
 +     
 +    Overal verklaarde D.N. uitdrukkelijk slechts als socialist in aanmerking te willen komen en nergens verzuimden de woordvoerders der liberalen dit feit in al zijn beteekenis op den voorgrond te stellen’. 
 + 
 +En dan was het merkwaardige,​ dat de ‘boef’ van gisteren, door de justitie als een misdadiger beschouwd, door het volk werd gekozen tot zijn afgevaardigde en dus tot kontroleur van diezelfde regeering, die hem had doen vervolgen. 
 + 
 +Maar tevens werd er de nadruk op gelegd dat men niet te veel moest verwachten, want het was hier één tegenöver negen en negentig. 
 + 
 +Verder was het door deze verkiezing gebleken dat het Werkliedenverbond had opgehouden een zelfstandige arbeidersvereeniging te zijn, maar de lage slippendrager van de liberalen was geworden. Geen mannelijke verklaring: wij, arbeiders, zijn er en wij zullen u dwingen te erkennen dat wij er zijn, maar een afhankelijkheid,​ die afwacht wie de beste brokken toewerpt. Geen fiere houding meer, al wordt men verslagen, maar een hielenlikker der liberalen, die Heldt, den gevallen kandidaat, dan ook opraapten om hem te Amsterdam een kamerzetel te bezorgen en zoover kwam het dat hij een tijdlang de lieveling was, die het grootste aantal liberale stemmen op zich vereenigde. Het was de sociaaldemokratische partij, die het Werkliedenverbond zoo naar rechts drong, zoodat de arbeiders duidelijk zagen, hoe voor hen van dien kant niets te verwachten was. Later zouden het de anarchisten zijn, die de nieuwe sociaaldemokraten,​ vooral niet te verwarren met de oude, ook alweer naar rechts van den bodem van het socialisme afdrongen. 
 + 
 +De stemmen die ik kreeg, waren lang niet allen van socialistisch denkende menschen - dat zij verre! - maar er waren er zeer velen die het wel goed vonden dat er eens iemand in de kamer was, die het hun zeggen durfde en die daarom op mij stemden. Een boertje in dat distrikt gaf het mij persoonlijk te kennen door te zeggen: hoor eens, of jij het wint in de bus of niet, jij behaalt eigenlijk de mooiste overwinning. Want al die 99 anderen lijken zoo bang voor jou te zijn, dat zij alles in 't werk stellen, om jou er buiten te houden. Advokaten als de antirevolutionair Huber en de liberaal Binnerts, dominees en schoolmeesters en dikke boeren, zij lijken allemaal bang voor jou. Maar juist daarom geef ik je mijn stem, want zij zouden niet bang voor je zijn, als er geen reden voor was. 
 + 
 +Hoezeer de bladen ook raasden en tierden over de krankzinnige keuze der Schoterlanders (stijl Handelsblad),​ toch drukte een blad (de Echo), dat te Amsterdam veel gelezen werd, het zeer juist en bij uitzondering zeer waardeerend uit door te schrijven: ‘op D.N. heeft de bekoring van een gravenkroontje,​ de stralenkrans van een Doctorstitel,​ het aureool van het Meesterschap,​ geen vat en hij staat dus heel wat vaster in zijn schoenen dan de werkman-afgevaardigde Heldt, toen deze de statige hallen van het Binnenhof betrad en met nederbuigende vriendelijkheid door 's lands vroede mannen werd verwelkomd. Van welwillendheid,​ van vriendelijkheid,​ door zijn mede-afgevaardigden te zijnen opzichte aan den dag te leggen, zal D.N. waarschijnlijk weinig last hebben. Zijn positie is dan ook verre van verleidelijk. Elk woord, elke daad van hem zal worden opgevangen en gadegeslagen door honderden en duizenden, begeerig om hem op een inkonsekwentie te betrappen. Geheel alleen te midden van 99 tegenstanders zal zijn taak bij uitstek zwaar en moeilijk zijn, maar wij gelooven, afgaande op hetgeen wij tot dusver van hem hoorden en zagen, dat hij voor zijn taak berekend is. In elk geval durven wij voorspellen,​ dat menig afgevaardigde zich den leider der “socialen”,​ den man van het “Volkspark” en “Walhalla” anders, geheel anders zal hebben voorgesteld - afgaande op waarnemingen door de doorgaans tamelijk beslagen brilleglazen der groote liberale kranten - dan hij, bij nadere kennismaking,​ zal blijken te zijn. Laat ons dus afwachten wat de sociaaldemokratische afgevaardigde in de Kamer zal tot stand brengen. Al ware het alleen maar, dat zijn tegenwoordigheid de heeren uit den slaap hield, dan zouden wij reeds veel gewonnen achten’. 
 + 
 +Onder onze partijgenooten in den engeren zin nu ja was wel vreugde, maar toch niet zoo geheel volkomen van harte. Echt parlementair gezind is men daar nooit geweest, zelfs niet nu men successievelijk den parlementairen weg was opgegaan en van nu aan steeds meer opging; velen beschouwden het bij wijze van proefneming om te zien of het wat geven zou. 
 + 
 +Dit bleek ook duidelijk uit den brief, dien ik na mijn verkiezing kreeg van mijn toenmaligen vriend van Kol en die te merkwaardig is om hem hier geen plaats in te ruimen. Hij luidde aldus: ‘Een telegram meldde ons uwe benoeming tot Lid van de 2e kamer. U daarmede gelukwenschen kan ik niet, rechtuit gezegd werd het door ons, misschen ook door u zelf, geenszins met uitbundige vreugde vernomen. Men juicht niet als men een vriend een verpeste woning ziet binnentreden,​ men hoopt alleen dat hij er onbesmet weer uit te voorschijn zal komen. Hem aan den drempel tegenhouden?​ Dat mag niet, daar plicht het ingaan gebiedt. Of ik vrees dat het bederf ook u zal aantasten? Voor elk ander Nederlander zou ik dat doen, voor u niet, vooral niet na uw kerkerstraf. Maar mocht ook gij, zelfs gij, door “le virus parlementaire” worden aangetast, dan - is op dat gebied voortaan de taktiek der anarchisten de mijne, en bestrijd ik het parlementarisme in al zijn vormen. Of de gevaren voor u groot zijn? dat zal afhangen van uwe tegenstanders. Schuwt men u “als een melaatsche” (welk blad in Holland gaf dien edelen raad?) dan hebt gij niets te duchten. Hun haat en hunne vijandschap eerden u reeds jaren, zij zullen u niet tot onberaden handelen, ongepast heftig optreden kunnen verleiden, maar hunne medewerking is te vreezen. Ga alléén uw weg, alsof gij in Walhalla stondt, niet in de “spreekkamer”;​ maak vooraf een vast plan, vraag doortastende hervormingen in kalme woorden (je prêche au converti!) en wijk geen duimbreed van ons beginsel. Zoo ooit, is in dit geval, het weigeren van elk compromis noodzakelijk. Want gij vleit u toch zeker niet eene enkele, zij het ook nog zóó gering, hervorming te zullen tot stand brengen? En dan nog wat zou het baten? De bourgeoisie zou door concessies olie in het vuur der ontevredenheid werpen, het proletariaat zou ze aannemen om méér te eischen in afwachting van het groote uur, dat het zwaard van het socialisme zal zien zegevieren. Men moge het betreuren en dat doen wij niet waar? maar de wettige weg werd voor ons afgesloten en vernield. En al zou, par impossible, Nederland al onze “onmiddelijke” eischen morgen ten uitvoer brengen, zoo zou het toch niet meer kunnen ontsnappen aan den Nemesis.’[23] 
 + 
 +In een woord aan de Kiezers van Schoterland waarschuwde ik hun de verwachtingen vooral niet te hoog te spannen, omdat één enkel persoon niet veel anders kan doen dan zijn stem te doen hooren bij wijze van protest. Al wordt dan het lijden wel is waar niet weggenomen, er wordt dan toch niet langer zwijgend geleden. 
 + 
 +Een paar nieuwigheden voerde ik in: **1.** dat ik jaarlijks verslag zou geven van de werkzaamheden der kamer en rekenschap en verantwoording van mijn aandeel daarin; **2.** dat ik mij bij voorbaat bereid verklaarde bij ontevredenheid over het waarnemen van mijn mandaat, het weer te stellen in handen der kiezers; en 3o. dat ik een informatiebureau opende voor de grieven en wenschen des volks, waar men zijn klachten kon heenzenden om ze dan ernstig in overweging te nemen. 
 + 
 +===== X. Mijn intrede in de Kamer. ===== 
 + 
 +**Een woelige dag (14 Mei 1888) en zijn gevolgen.** 
 + 
 +Ik was dus in de Kamer! 
 + 
 +Dat was aan den eenen kant een groote voldoening. Ik, de verworpene door de regeeringspartij,​ ik was opgeraapt door het kiezersvolk en dat had mij dus opgedragen om op te komen voor de belangen der ‘kleine luyden’. Ik, die ‘gezeten’ had wegens schennis van de Majesteit van den persoon des konings, ik moest de eer hoog houden van de eenige Majesteit, die ik kende, de Majesteit des volks. 
 + 
 +Het volk had wraak genomen op het onrechtvaardige vonnis, over mij gewezen en in wraak schuilt altijd een zeker gevoel van voldoening. De bourgeoisie kon denken aan Schillers woord: alle Schuld rächt sich auf Erde (alle kwaad wreekt zich op aarde). 
 + 
 +Maar aan den anderen kant gevoelde ik hoe ik een moeilijken tijd van strijd tegemoet ging. Ik alleen in de kamer van honderd! Wat zou ik daar vermogen? En hoe moesten de hoog gespannen verwachtingen van het volk niet noodzakelijk teleurstelling ondervinden! En toch ik voor mij wist dat ik daar een wanhopigen strijd zou moeten voeren, want dat ik daar niets, absoluut niets kon doen. Ik kon voor mij zelven zeggen: het volk zal nu niet langer zwijgend lijden, er zal geprotesteerd worden, maar daar houdt het ook mede op. 
 + 
 +Al het gewicht der taak die op mij drukte werd met loodzware last door mij gevoeld en ik ging daaronder dikwijls gebukt. 
 + 
 +Croll schreef na de verkiezing een dier gepeperde artikelen in Recht voor Allen, zooals hij ze zoo goed en zoo pakkend leveren kon. Het was getiteld: Uit den kerker in de kamer, reeds in het vorige hoofdstuk aangehaald en daaraan ontleenen wij hier het volgende: 
 + 
 +‘De liberale partij - die vleeschwording van vuig eigenbelang - gevallen en de gehate volksman Domela Nieuwenhuis lid der wetgevende macht! 't Moet den heeren als een donderslag bij helderen hemel in de ooren hebben geklonken. Wij, die volgens hen, niets waren dan “een handjevol” schuim, zien bij de eerste verkiezing de beste onzen vriend reeds afgevaardigd door kiezers, die zelfs door een Heemskerk niet “gevaarlijk” werden geacht! De “boef”, die de regeering nog slechts ettelijke maanden geleden als een gevaarlijk beest achter een dubbele rij tralies vertoonde aan zijn kinderen, de man dien de regeering zóó diep vernederde als zij maar bij mogelijkheid kon, die man staat nu tegenover diezelfde regeering als kontroleur’! 
 + 
 +En duidelijk deed Croll uitkomen, zooals het overigens ook was, dat Domela Nieuwenhuis overal uitdrukkelijk verklaarde ‘slechts als socialist in aanmerking te willen komen’. 
 + 
 +De verslagenheid was groot bij de tegenpartij en dat te meer omdat de liberalen het onderspit hadden gedolven, zoodat de komst eener antirevolutionaire of liever gemengd katholieke en antirevolutionaire regeering verwacht kon worden. Men zou er de pers uit die dagen eens op na moeten lezen om goed na te gaan welken indruk die verkiezing maakte. De koning was woedend, zoodat hij gezegd moet hebben de Staten-Generaal nooit meer te openen, zoolang die ‘kerel in de kamer’ was. Nu moet ik zeggen dat het voor hem ook een bittere pil was om te slikken, want het was toch in zekeren zin een slag hem in 't gezicht gegeven. Hij heeft woord gehouden ook, want gedurende den tijd dat ik zitting had in de kamer, heeft hij haar nooit persoonlijk geopend. De haat was echter zoo groot, dat hij hem liet neerdalen op dat arme Friesche volk in 't algemeen. Jaarlijks hadden te Leeuwarden harddraverijen plaats en nu was het de gewoonte dat de koning als eersten prijs een gouden zweep gaf. Uit woede over den uitslag der verkiezing in Schoterland hield hij dien zweep in, natuurlijk bij wijze van bestraffing. Dit droeg er echter niet toe bij om zijn populariteit in Friesland te verhoogen, want al was het de bedoeling om de bevolking dier provincie tegen mij in het harnas te jagen, men vond het toch wel wat ver getrokken en dus de inhouding van dien zweep viel op zijn eigen hoofd terug. 
 + 
 +En anderen, die toch intellektueel heel wat hooger stonden, volgden dat voorbeeld. Zoo is het b.v. al heel kenschetsend,​ dat een onzer eerste letterkundigen,​ dr. Jan ten Brink, later hoogleeraar in de Nederlandsche taal en letterkunde te Leiden, zich zelfs liet verleiden tot het volgende rijmpje in een der bladen: 
 +  
 +Ik heb u lief, o Nederland,​ 
 +  
 +Behalve één plekje: Schoterland. 
 + 
 +Het is toch wel erg dat iemand zich vergeten kan uit politieke hartstocht om als letterkundige zulke kreupeldichtjes de wereld in te zenden! 
 + 
 +Het Dagblad van Zuid-Holland en 's Gravenhage, het orgaan van minister Heemskerk en van de Haagsche aristokratische wereld, raadde de pers aan om uit de verslagen van de Kamer weg te laten wat de afgevaardigde van Schoterland daar sprak. Men wilde mij boykotten, men beschouwde mij als een melaatsche, die geschuwd moest worden. En dat blad volgde zelf die gedragslijn,​ zoodat de kamerverslagen er soms heel raar uitzagen, daar wel het antwoord van den minister volgde, maar niet dat gedeelte der redevoering van Schoterlands afgevaardigde,​ waarop het antwoord sloeg. 
 + 
 +Natuurlijk zag men met zekere spanning het samenkomen der kamer tegemoet en niet het minst om te weten hoe men zich zou gedragen tegenover dien nieuwen afgevaardigde. 
 + 
 +Toen ik de eerste maal in de kamer kwam, had ik mij een plaats gekozen, die vrij was. Men weet waarschijnlijk dat de kamer verdeeld is in 'n aantal bekleede banken, elk bestemd voor twee personen en dat de leden zichzelven een plaats uitkiezen, maar uit beleefdheid tegenover elkander gaat men niet zitten op de plaats van iemand, die er vroeger gezeten heeft, tenzij deze zichzelf een andere plaats heeft uitgekozen. Niemand nam plaats naast mij in hetzelfde bankje. Men scheen dit als besmet te beschouwen en als 'n kuriositeit - zoo is mij dikwijls verteld door menschen die de kamer bezichtigden - werd door den kamerbewaarder aan vreemdelingen het bankje getoond met de woorden: hier is de plaats van den afgevaardigde uit Schoterland. 
 + 
 +Geen enkel kamerlid kwam mij begroeten of liet zich aan mij voorstellen,​ zooals het anders gebruikelijk is. Zelfs verschillenden,​ die ik van vroeger kende en van wie er waren die wel bij mij gelogeerd hadden, deden precies alsof ze mij heelemaal niet kenden. De een durfde niet om den ander, allen schuwden mij als de pest. 
 + 
 +Niemand kan zich een voorstelling vormen van zulk een isolement, want men is toch gedurende een zeker aantal uren opgesloten in hetzelfde lokaal. 
 + 
 +Kwam ik in de koffiekamer,​ dadelijk hielden de gesprekken op en er heerschte een plotselinge stilte als van menschen, die in hun konversatie gestoord worden. 
 + 
 +Nog herinner ik mij zeer goed een eigenaardig incident bij de eerste zitting. Natuurlijk waren zoo wat alle leden tegenwoordig. Ook het nieuwe ministerie met Mackay als voorzitter zat voltallig aan de groene tafel. Op eens zag men een klein, nietig mannetje zijn zetel aan de groene tafel verlaten, om met een ietwat slependen gang zoo wat dwars door de vergaderzaal te loopen en rechtaan op mij, den afgevaardigde van Schoterland,​ toe te treden, om tot groote verbazing en niet minder groote verontwaardiging van de zijde der mede-ministers en tot verwondering van de andere kamerleden, alsook van de tribunes, mij de hand te reiken. Tot zulk een demonstratieve daad is een zekere mate van moed en karakter noodig. En de man, die zich niet ontzag dit te doen, was de heer Keuchenius, toen minister van koloniën, dezelfde die vroeger ook reeds bewijzen had gegeven een man van karakter te zijn, door de manier waarop hij in de kamer tijdens mijn gevangenschap over mij had gesproken. 
 + 
 +In een brochure van een Staatsman in ruste, die kort daarna te 's Gravenhage verscheen bij M.v.d. Beek en getiteld: De Interpellatie van den heer F. Domela Nieuwenhuis naar aanleiding van de werkstakingen in de venen, werd hierop gewezen in de volgende woorden: 
 + 
 +    ‘met uitzondering van den heer Keuchenius had niemand het zich ten plicht gerekend den afgevaardigde van Schoterland met een teeken van belangstelling te verwaardigen,​ maar integendeel scheen ieder het erop te hebben toegelegd hem stelselmatig te ignoreeren’. 
 + 
 +Later zei men, zeker om zich te verontschuldigen over een houding, waarover men zich begon te schamen, hoe ik mijn isolement aan mijzelven had te danken, want dat ik mij aan niemand had laten voorstellen. Dit was slechts een voorwendsel. Immers was het, in aanmerking genomen de vijandige houding overal tegen mij aangenomen, raadzaam geweest om mij bloot te stellen aan een minder heusche bejegening van den een of ander, die mij den rug toedraaide of een andere onbeschoftheid uit te halen, waartoe de heeren best in staat zouden zijn geweest? Ik weet niet of ik in dat geval voldoende zelfbeheersching zou hebben gehad, om zoo iemand geen slag in het gezicht te geven. En feitelijk zou ik mij dan verlaagd hebben, want dat waren ze mij niet waard. 
 + 
 +Er waren buitendien leden genoeg, die ik van vroeger kende en aan wie ik dus niet behoefde te worden voorgesteld. Geen hunner bezat den moed mij te komen begroeten, ja erger nog zij deden allen alsof zij mij niet kenden. Toch waren zij als oude leden de aangewezen personen om den nieuweling te wijzen op den gebruikelijken vorm en zich aan te bieden om mij aan de anderen voor te stellen. 
 + 
 +Aan den voorzitter, mr. Beelaerts van Blokland, had ik mijzelf voorgesteld en deze was genoeg man van de wereld om mij beleefd te ontvangen, maar ook hij deed geen poging om mij aan anderen voor te stellen. Ik meen mij in dezen aan geen fout of opzettelijke onbeleefdheid te hebben schuldig gemaakt. Maar wat ik later vernam van geestverwanten in andere landen, die aldaar als volksvertegenwoordigers zitting hadden in de wetgevende lichamen, nooit heeft een hunner blootgestaan aan zulk een onbeschofte en onwellevende behandeling zijner medeleden, als mij is te beurt gevallen. Mijn positie was dus alles behalve benijdenswaardig en zeker behoort die tijd van kamerlidmaatschap tot de onaangenaamste van mijn leven. 
 + 
 +Mijn entrée in de kamer was een interpellatie. 
 + 
 +Er was namelijk een werkstaking uitgebroken in de veenen in Friesland en militant als ik was, bracht deze mij dadelijk in het vuur. Ik vroeg namelijk direkt verlof om de regeering te mogen interpelleeren naar aanleiding van de werkstaking in de veenen. 
 + 
 +Dit verlof werd natuurlijk gegeven. 
 + 
 +Nooit zal ik die merkwaardige zitting vergeten, want het zou de eerste gelegenheid zijn om dien ‘rooien’ in de kamer te zien en te hooren. Zelden was er zooveel publiek in de zaal. De tribunes, zoowel de gereserveerde als de openbare, waren tot barstens toe vol en zeer velen moesten teleurgesteld heengaan, omdat er geen plaatsje meer was te krijgen. Ook hiermede haalde men een truc uit, waardoor de openbaarheid der zittingen vrijwel tot een wassen neus werd gemaakt. Vooreerst is die tribune zoo klein dat het aantal menschen zeer beperkt is, maar nu bezette de regeering haar voor een groot deel met stille politie, zoodat er geen plaats was voor anderen. Maar ondanks den wenk van het Dagblad, om geen notitie te nemen van hetgeen die afgevaardigde zou zeggen, waren ook al de andere loges geheel gevuld. Gezanten en hun dames, ministersvrouwen waren erheen gegaan om dit nieuwe schouwspel eens te zien. 
 + 
 +Alweer geen benijdenswaardige positie voor een interpellant,​ die alleen staat tegenover allen en zoo door alles gedragen wordt behalve door de sympathie van zijn auditorium. Daar zaten ze allemaal: acht ministers, gesteund door hun ambtenaren, om den interpellant tot zwijgen te brengen, verder ongeveer 99 kamerleden, die elk woord op een weegschaaltje zouden leggen, om de geringste fout, die gemaakt zou worden, in de lengte en in de breedte uit te meten. Bovendien een voorzitter met den hamer in de hand, om den interpellant niet alleen binnen de perken te houden, die hij stelde, maar zoo mogelijk hem van zijn stuk te brengen. Zelden heeft iemand in een moeilijker positie gestaan dan mijn persoon bij die interpellatie. Weinige zittingen zijn dan ook in den lande met zooveel spanning en belangstelling verbeid als deze. 
 + 
 +Op het bestemde uur klonk het woord van den voorzitter: het woord is aan den afgevaardigde van Schoterland. 
 + 
 +Alle blikken waren op mij gevestigd en toen ik tegen de gewoonte in begon met: Mijne Heeren! toen gevoelde men reeds zoo iets als een nieuwen geest, die in deze ‘heilige hallen’ was binnengedrongen. 
 + 
 +Men moet namelijk weten dat men in de kamer de dwaze gewoonte heeft om steeds te spreken tot den voorzitter en niet tot zijn medeleden. Ik begon met een poging om daaraan een einde te maken. Het mocht mij niet gelukken. Want bleef ik hardnekkig volhouden tot het einde toe, ik was en bleef de eenige die dit deed. En opmerkelijk dat in lateren tijd toen er nieuwe sociaaldemokraten in de kamer kwamen, deze zich aanpasten aan die dwaze gewoonte, zoodat ook zij evenals de anderen altijd op de oude manier beginnen. 
 + 
 +Mij dunkt dat men tot in de kleinigheden toe moet trachten korrekt te wezen en rationeel in zijn handelen. 
 + 
 +Met aandacht en zonder eenige stoornis werd ik aangehoord en men kon hier en daar zien, dat het meeviel dat ik niet op ruwen toon en in onbehoorlijke woorden, maar in gekuischte taal het woord voerde ten einde toe. 
 + 
 +Men maakt zich zulke bespottelijke voorstellingen van een volksredenaar,​ dat hij wel mee moet vallen, als men hem hoort. 
 + 
 +Over de interpellatie zelve uit te weiden, kan gevoegelijk achterwege worden gelaten. 
 + 
 +Na afloop klonk weer deftig uit den mond des voorzitters:​ is de regeering bereid terstond de gedane vragen te beantwoorden?​ 
 + 
 +En daar verrees de minister van Justitie van zijn zetel. 
 + 
 +Waarom deze en niet die van Binnenlandsche Zaken? - zou menigeen vragen. En indedaad daar bestaat reden voor. Wat toch heeft de arbeidswetgeving,​ wat werkstakingen te maken met Justitie? Dat zijn toch geen justitiezaken! Of wil men daardoor te kennen geven dat zij daaronder ressorteeren?​ Het zijn de burgemeesters,​ die als hoofd der gemeente en als zoodanig ook hoofd der politie, in de gemeenten het hoogste gezag uitoefenen en die behooren onder Binnenlandsche Zaken. Het eenige verband met Justitie is dat de maréchaussées onder dezen minister staan, maar is dit reden genoeg om deze zaken daar onder dak te brengen? In alle gevallen het is zoo, terecht of ten onrechte, de arbeidswetgeving ressorteerde onder Justitie. 
 + 
 +De minister van Justitie dan antwoordde: Ja, mijnheer de voorzitter. 
 + 
 +En toen begon deze, mr. Ruys van Beerenbroek (later noemde hij zich Ruys de Beerenbroek;​ de Fransche benaming, ofschoon slecht passende bij dat Beerenbroek,​ klonk hem zeker voornamer in de ooren!) op drogen, afgemeten toon en zeer uit de hoogte zijn betoog. 
 + 
 +Zijn eerste woorden waren evenzeer een afwijking van den gewonen vorm als de mijnen. Hij zei namelijk: ‘de interpellant heeft de oorzaken’,​ enz. Nu is het in de kamer de gewoonte om elkaar steeds te betitelen met het epitheton ‘geacht’. De weglating van dit woordje geschiedde niet toevallig, maar opzettelijk en hoewel ik nooit rouwig ben geweest door de heeren niet aldus te zijn aangesproken - ik zou het toch niet gereciproceerd hebben, daar ik niet de minste achting gevoelde voor dit kollege van volksonderdrukkers - hunnerzijds was het een teekenend feit. Verbeeldt u dat een minister van Justitie den man, die een jaar nog pas geleden als een ‘boef’ in een gevangenispak liep, aansprak met het woord ‘geacht’! 
 + 
 +De bovengenoemde Staatsman in ruste noemde dit een ‘gevaarlijken misslag der regeering, daarin gevolgd door de kamerleden, die over de interpellatie het woord voerden’. En dan voegt hij er de zeer juiste opmerkingen aan toe: ‘dat overigens dergelijke manoeuvres op niets anders uitloopen dan om de zoo gevreesde populariteit van den heer D.N. in de hand te werken, is zoo duidelijk dat een kind het vatten kan. Bovendien wordt door dergelijke “kleinachting” schade toegebracht aan het ambt. En dat door ambtgenooten in eigen persoon - het kan gaan! Eerst dan alleen zou zulk een wijze van handelen kunnen worden gebillijkt, indien den heer D.N. een en ander ten laste kon worden gelegd, wat op zijn waardigheid als Afgevaardigde eene smet had geworpen. Maar te dien aanzien is zijn verleden zoo vlekkeloos rein, dat hij, tegenover de meesten zijner ambtgenooten,​ in een hoogst benijdenswaardigen toestand verkeert’. 
 + 
 +Alweer was het de heer Keuchenius, die hierop een uitzondering maakte en der oude gewoonte getrouw bleef. 
 + 
 +Uit de ontvangst, die mij in de kamer te beurt viel, wordt het beweren van Multatuli en Roorda van Eysinga bevestigd, dat er geen walgelijker parlement bestaat op de heele beschaafde wereld dan het Nederlandsche. 
 + 
 +De minister gaf een grooten omhaal van woorden, hengelde naar een woord van hulde en lof, erop wijzende dat de regeering, door het zenden van soldaten en rijksveldwachters,​ de orde had weten te handhaven, zoodat er ... geen dooden waren gevallen en deelde ten slotte mede dat wat de hoofdzaak betrof, hij niet van plan was een wetsontwerp op de gedwongen winkelnering in te dienen, zooals een der vragen luidde, die ik den minister stelde. 
 + 
 +De diskussie verhief zich niet op een hoog peil. 
 + 
 +Maar ik was tevreden, want ik had bereikt wat ik wenschte.  
 + 
 +Ik had deze (christelijke) regeering aan den tand gevoeld en wist nu dat er geen kans bestond om van deze regeering zelfs zoo'n betrekkelijke kleinigheid op sociaal gebied te verkrijgen. Het stokstijve konservatisme was aan het woord geweest. En ik eindigde dan ook met de woorden: ‘ik ben volkomen tevreden, omdat ik nu weet welke 's Ministers houding is en welke houding dus de mijne moet zijn’. 
 + 
 +De zitting werd gesloten, de groote parlementaire dag was voorbij. 
 + 
 +Maar welk 'n agitatie en beweging heerschte er in zoowel als buiten het gebouw! De boden hadden schier hun hoofd verloren, zij liepen heen en weer zonder te weten waarhenen. Men vreesde blijkbaar voor 'n demonstratie als ik het gebouw uitkwam, want daarbuiten op het Binnenhof had zich 'n groote menigte verzameld. De politie was in zeer sterken getale aanwezig. Toen ik het gebouw verlaten wilde, kwam in zeer zenuwachtigen toestand een bode op mij af om mij te vragen of ik eruit wilde en zeker op last van hooger hand en gebruik makende van de omstandigheid dat ik niet zoo goed op de hoogte was van de inrichting van het gebouw, bracht hij mij door eenige gangen heen en deed een deur open, waardoor ik op het Buitenhof uitkwam. Daar was het natuurlijk stil, want allen wachtten zij aan den ingang der kamer, meenende dat ik daar uit zou komen. De list was gelukt, elke demonstratie was vermeden en spoedig keerde de gewone, doodsche stilte op het Binnenhof en in de geheele residentie terug. 
 + 
 +Dit staat voor mij vast dat de heeren ministers dien middag heel wat rustiger hun maal gebruikten, dankbaar dat deze dag zoo zonder bizondere stoornis was voorbijgegaan. 
 + 
 +En de pers? 
 + 
 +Ja, die deed wat te verwachten was. Ik wist dat zij als de dienaresse van het kapitaal mij op de gebruikelijke wijze zou nakeffen. Ik was overtuigd dat ik het in de oogen der persridders leelijk afgelegd had en verwachtte meer een uitjouwen en uitschelden dan een onpartijdige en onbevooroordeelde kritiek. Maar het is mij steeds een eer geweest door haar te worden uitgemaakt voor al wat leelijk is, want geprezen te worden van die zijde, is altijd bedenkelijk voor 'n socialist. 
 + 
 +De N.R. Ct. begon in dezer voege: ‘het recept voor een goede interpellatie in 's lands raadzaal is, volgens de meest gezaghebbende parlementaire kookboeken, drieledig: een substantieele inhoud, eene smakelijke saus en een tijdige toebereiding’. Natuurlijk had ik aan geen dezer voorwaarden voldaan. 
 + 
 +Het had dan ook ‘zeer weinig van een triomf, hoe betrekkelijk gematigd de toon ook was’. 
 + 
 +Verbeeldt u ook dat ik volgens dat blad als triomphator uit dit strijdperk was getreden! Te belachelijk om het zelfs ook maar een oogenblik te onderstellen. Al ware een engel uit den hemel neergedaald en al had deze ook in alle opzichten gelijk, het zou onmogelijk geweest zijn om zulke dooven hoorende en zulke blinden ziende te maken. 
 + 
 +Het eigenaardigste was hier alweer dat niemand ontkende 1o. dat de gedwongen winkelnering bestond en 2o. dat deze een schromelijk misbruik was. 
 + 
 +Nu zou men meenen dat als die twee zaken algemeen toegegeven werden, een vergadering die zich tooit met den naam van volksvertegenwoordiging,​ direkt aan 't werk zou gaan om als één man dat misbruik op te ruimen. 
 + 
 +Het Dagblad van Zuid-Holland en 's Gravenhage bleef goed in zijn rol en was verontwaardigd over de belangstelling,​ den afgevaardigde van Schoterland ten deel gevallen. Hoe laakte men die nieuwsgierige dames, die zich ‘verlaagd’ hadden om naar hem te komen luisteren! In één woord men was woedend dat lieden uit de hoogste kringen niet geluisterd hadden naar de waarschuwing om mij te vermijden en te negeeren. 
 + 
 +Maar aan den anderen kant was het eigenaardig dat de Handelingen der Staten-Generaal nooit zoo sterk verkocht zijn als in die dagen. Het is mij zelfs overkomen, dat ik eens stuurde om eenige exemplaren en ze niet kon krijgen, omdat zij uitverkocht waren, wat, zooals men op het bureau der Staatscourant zei, nog nooit gebeurd was sints menschenheugenis. Werd ik dus in de kamer als een melaatsche geschuwd en vermeden, eenige vergoeding vond ik toch in de verbazende belangstelling,​ die ik daarbuiten aantrof. Dit vermeerderde slechts den nijd van de heeren daarbinnen, want over die 99 anderen tezamen werd niet zooveel gepraat als over dien éénen. 
 + 
 +Wat stond mij nu te doen? 
 + 
 +De minister had geweigerd om een wetsontwerp tegen de gedwongen winkelnering voor te stellen. 
 + 
 +Moest ik dat kwaad rustig laten voortwoekeren of zelf een poging doen om het te verhelpen?​ 
 + 
 +Ik meende niet anders te kunnen doen dan mij te begeven op het glibberige terrein der wettenmakerij. Ik voelde wel al de bezwaren daaraan verbonden, maar eenmaal a gezegd, moest ik ook b, c tot de z toe zeggen. 
 + 
 +En zoo ging ik met Croll aan het bewerken van zoo'n wetsontwerp. Al heb ik er niet veel plezier van beleefd, toch heb ik ook daaruit veel geleerd. Men kan daar nu over oordeelen zooals men wil, maar wat bleef mij anders over dan daartoe mijn toevlucht te nemen? Immers deed ik het niet, de pers zou ongetwijfeld geroepen hebben: waar blijft hij nu met al zijn grootspraak?​ Allemaal praatjes, dat ziet ge weer! Hij maakt niet eens gebruik van zijn recht om een wetsontwerp in te dienen, 't is laf! En diende ik er een in, zooals ik ook gedaan heb, dan zou het natuurlijk heeten: het lijkt naar niets, prullewerk, de man is slecht op de hoogte en vreeselijk onpraktisch,​ het is brutaal om zulk broddelwerk te leveren, waardoor de nationale tijd slechts wordt verspild. 
 + 
 +Even zeker als voor mij tweemaal twee vier was, even zeker was ik overtuigd, dat ik het natuurlijk niet goed kon maken naar der heeren zin. Echter het is ook een eigenaardigheid van mij, noem het een fout als ge wilt, maar ik ben steeds mijn eigen weg gegaan zonder mij boven alles te bekommeren om het oordeel van anderen. Steeds vroeg ik wat mijn plicht mij voorschreef. Zei ik dat ik niets hechtte aan het oordeel van anderen, dan zou ik onwaarheid spreken. Het zou ook dwaas en dom zijn. Een verstandig mensch overweegt het oordeel van anderen, keert dan tot zichzelven in om het na te gaan en neemt ten slotte zijn konklusie. Het is dus niet de vraag of men niets hechten zou aan het oordeel van anderen, maar wel of men er zich geheel naar richten wil. 
 + 
 +Bij die poging tot kodifikatie heb ik ook veel geleerd. En voornamelijk dit, dat ik stuitte op het privaateigendom,​ zoodat ik bij de bewerking bemerkte dat het halfwerk was, dat men de patroons toch niet treffen kon, daar zij telkens door de mazen van de wet konden heenkruipen. Het misbruik dat ik wilde wegnemen, wortelde toch in het privaateigendom en dit kon ik niet aantasten op één punt. Dit nu zal het geval zijn met elk wetsontwerp dat een socialist vervaardigt binnen het raam dezer maatschappij. Juist door het nemen van zulk een proeve leert hij dus dat het voor een socialist onbegonnen werk is om eenige wet te maken bij de bestaande eigendomsregeling. Zij zal hem nooit voldoen, nooit kunnen voldoen, omdat hij het kwaad niet in den hartader kan treffen. Deze opmerking echter is nooit gemaakt en toch daaraan is het te wijten dat men zelf niet tevreden is met zijn werk. 
 + 
 +Nauwelijks had ik mijn ontwerp klaar of daar stak een ware storm tegen mij op. Ziethier een kleine bloemlezing van benamingen, die mij naar het hoofd werden geslingerd: onbetrouwbaar idealist; beklagenswaardig zenuwlijder;​ oppervlakkig;​ onbeduidend;​ onzinnig; beunhaas; hardschreeuwer;​ nulliteit; men kan hem als maatschappelijk hervormer niet meer au sérieux (als ernstig man) nemen; misbaksel; het is hem alleen te doen om een roode pluim, om iets opzichtelijks,​ om den staart van Alcibiades'​ hond; gewetenloos volksmenner;​ dolle dweeper; Schoterland,​ Schoterland,​ wat hebt gij ons een bizonder soort van afgevaardigde op het lijf gezonden; zoo kan een Laplander het wel; hij zou de menschen, wien hij een weldaad wil bewijzen, in de grootste ellende brengen; de leer van D.N. is evenmin vertrouwbaar als zijn wet aannemelijk;​ een leerling-wetgever,​ die zelf gevoelt, dat hij op dit gebied nog slechts een leerling is, onbeholpen in het hanteeren van zijn werktuig en niet opgewassen tegen de weerspannigheid der stof, welke hij te verwerken heeft; een onrijpe vrucht; half werk; een mislukte poging; hij zal van zijn eigen vrienden: de werklieden, het verwijt niet kunnen ontgaan, dat ‘mijnheer’ slecht werk heeft geleverd. 
 + 
 +Gewapend met dit woordenboek kent men nu de pers van die dagen. Genoeg om mij onder den last te doen bezwijken en om voor goed weg te kruipen in de vergetelheid! 
 + 
 +Nu zal ik niet zeggen dat al die toevoegingen onjuist waren en heelemaal mijn eerste (en laatste) proeve van wetgevenden arbeid geen kunststuk noemen, maar hier geldt de vraag of zij werkelijk zoodanig beneden kritiek was als het werd voorgesteld. Ik herinner mij zekeren professor Opzoomer, die in een heldere brochure ons, Nederlanders,​ onze achterlijkheid in het maken van wetten verweet en daarvan staaltjes gaf die zeer vermakelijk waren. 
 + 
 +Hieruit kan men voldoende afleiden dat slechte wetsontwerpen een zeer algemeen verschijnsel zijn. Bovendien wie een oorspronkelijk wetsontwerp vergelijkt met de wet, die ten slotte uit den smeltkroes van het onderzoek te voorschijn komt, die zal moeten erkennen dat het meestal iets geheel anders is geworden. Neem b.v. de drankwet van dr. Kuyper of de arbeidswet van het ministerie de Meester en men zal zich herinneren hoe het ten slotte zoo'n warwinkel was, dat ongeveer niemand er uit wijs kon worden. En dan staat een kamerlid, als hij een wetsontwerp indient, altijd verre ten achter bij een minister, die immers achter zich heeft een heel departement van ambtenaren en die overal de noodige gegevens kan krijgen ter plaatse waar hij de beste inlichtingen kan ontvangen. 
 + 
 +Croll, strijdvaardig als altijd, was dadelijk bij de hand om de heeren van antwoord te dienen en op zijn pittige wijze gaf hij een artikel, getiteld: Rechtsgeleerde keffertjes, waarin wij o.a. het volgende lezen: 
 + 
 +‘Wat God doet is welgedaan .... en wat Nieuwenhuis doet is kwaad gedaan, dat staat allebei als een paal boven water! Nu, wij hopen dat het voor de bourgeois altijd zoo mag blijven. Door de bourgeois geprezen te worden is toch altijd een veeg teeken, adres aan van Houten, die thans afgesleten is als een oue cent en ten slotte verdwaald raakte bij de “liberale” Amsterdamsche grondwetters! Verbeeld u ook eens, dat een socialist als Domela Nieuwenhuis zou geprezen worden door de bourgeoisie! Dan konden we gerust naar huis gaan, want dat zou een doorslaand bewijs zijn, dat we de bourgeois-belangen niet meer aantastten, maar dat we speelden in hun kaart! En dàt kunnen we natuurlijk gerust overlaten aan de negen en negentig andere bourgeois-afgevaardigden,​ die daarvoor naar het Binnenhof zijn gestuurd ...’ En dan vervolgt hij: ‘arme Domela! arme socialisten! Eén troost blijft u echter nog over, deze dat er nog menschen genoeg gevonden worden, die de zaak, het keeren van het misbruik hoofdzaak vinden; die terwille van de zaak enkele ondergeschikte en zoo noodig te wijzigen vormkwesties over het hoofd zien; die het een zegen voor de arbeiders blijven vinden, dat de zaak niet alleen ter sprake is gebracht in het algemeen, maar zóó dat een oplossing moet volgen; en die toch niet kunnen ontkennen dat de eer daarvan toekomt aan de socialisten,​ omdat zonder hen de kwestie zou zijn gebleven bij... het zenden- van soldaten onder uitbundige toejuiching der kamerleden, wat tot nog toe de eenige maatregel is geweest die wij ter oplossing der maatschappelijke kwestie te aanschouwen kregen van “de maatschappelijke hervormingen aux sérieux” in Nederland’:​ Duidelijk zette hij daarna uiteen hoe wij, socialisten,​ meer dan iemand de onvolkomenheid van dergelijke voorgestelde maatregelen inzien, hoe de man gelijk heeft die zei: ‘als je het misbruik radikaal den kop wil indrukken, je zou moeten voorstellen de afschaffing van ... de werkgevers’,​ hoe men door zulke noodwetjes niet anders kan bereiken dan dat de al te scherpe kanten worden weggenomen en dat dit ook het eenige was wat Domela Nieuwenhuis meende te kunnen bereiken in zake de gedwongen winkelnering. 
 + 
 +De tweede storm stak op, toen het voorloopig verslag van de kommissie van rapporteurs in de Tweede Kamer verscheen. Uit dat verslag nemen wij één uitdrukking die de kamer teekent en die nu bijna niemand meer voor zijn rekening zou nemen - ook al een bewijs hoe men vooruitgaat,​ al is het schuivende, op de manier der slakken - en wel deze: ‘de wetgever is niet gewoon bijzonder maatregelen van bescherming te verordenen voor volwassen personen, die voor zichzelven kunnen zorgen en niet tot de personae miserabiles (de ellendige personen) behooren’. 
 + 
 +De spijker werd op den kop geslagen door iemand uit de veenstreken die ons schreef: ‘dat iemand hunner (nl. de persridders) eerlijk genoeg zou geweest zijn met ronde woorden te getuigen: och, we moeten wel afkeuren, want zekere onmisbare handteekening (nl. die des konings) komt toch nooit onder eenig ontwerp van D.N., zie dat zou meer zijn dan een mensch met een beetje ondervinding recht had te verwachten’. 
 + 
 +Het is natuurlijk dat ik al de aan- en opmerkingen die gemaakt waren, goed overwoog - waarvoor diende anders het gemeenschappelijk werk in de afdeelingen?​ - om er mijn voordeel mee te doen en het gevolg hiervan was de indiening van een gewijzigd wetsontwerp. Dit is geen uitzondering,​ want er is bijna nooit of liever nooit een wetsontwerp geweest, dat niet na dat onderzoek werd gewijzigd. 
 + 
 +Buitendien had mijn ontwerp nog een anderen invloed. Ondanks de gedecideerde weigering des ministers om in dezen iets te doen, verscheen van hem een wetsontwerp tegen de gedwongen winkelnering. Zoo drijft men de onwilligen toch voorwaarts! 
 + 
 +Wij hadden dus twee wetsontwerpen ter keuze van de kamer. Echter de onwil der kamer bleek ten duidelijkste,​ want wat er ook aan de orde kwam, mijn ontwerp niet. Natuurlijk gingen alle andere zaken voor. En ten slotte werden door mijn verdwijning uit de kamer en de aftreding van het ministerie beide ontwerpen ten pleziere der kamer, die eigenlijk geen van beiden wilde slikken, begraven om niet weer uit het stof der paperassen te worden opgedolven, want sints dien tijd is de zaak gebleven zooals zij was. 
 + 
 +Hieruit blijkt de onmacht om langs dezen weg onwillige kamerleden tot eenigen arbeid in die richting te dwingen. 
 + 
 +Maar al deze ervaringen gingen niet zonder leering voorbij en steeds meer vond ik mij bevestigd in de meening, dat er langs parlementairen weg geen beterschap was te verkrijgen. 
 + 
 +Het is een merkwaardige afdwaling des geestes, dat menschen die zich Marxisten noemen dit niet beter inzien. Immers de groote wetenschappelijke daad van Marx bestaat hierin, dat hij bewijst hoe de ekonomische struktuur van een maatschappelijken toestand den grondslag, de oorzaak vormt van de heerschende politieke toestanden in zekere periode. Zelfs de wijsgeerige,​ godsdienstige,​ aesthetische meeningen zijn volgens die leer terug te voeren op de ekonomie als de eigenlijke grondoorzaak. Dus volgens hem is de ekonomie de grondslag, de basis van het gebouw en al het andere de bovenbouw, die op dien grondslag is opgetrokken. Logisch gevolg hiervan is, dat de ekonomie der burgerlijke maatschappij het punt van aanval moet zijn. Alleen dan wanneer de ekonomie door de proletarische aktie omvergeworpen is, kan er gerekend worden op een terzijdestelling van de wijsgeerige en godsdienstige anachronismen en vooroordeelen. En nu is het een dier raadselachtigheden,​ waarmede de wereld overigens vol is, dat de sociaaldemokratie,​ die beweert op zuiver Marxistisch standpunt te staan, in de praktijk precies de tegenovergestelde methode volgt. Zij toch stelt de politiek op den voorgrond en wil door politieke middelen de burgerlijke ekonomie omverwerpen,​ wat precies hetzelfde is als dat men de oorzaak wil vernietigen door het bestrijden en opheffen der gevolgen. In haar taktiek werpt zij dus haar eigen beginsel overboord. Het parlement toch met zijn verschillende belangengroepen,​ wien het erom te doen is, om te weten in welke mate elk hunner deel kan nemen aan de ekonomische uitzuiging der massa, is de politieke weerkaatsing van het materieel en geestelijk bedrog, dat aan die massa gepleegd wordt. Men bestrijdt dus de schaduw in plaats van de werkelijkheid. De oorzaak van de slavernij van den arbeid, het bezitsrecht der minderheid over de meerderheid,​ kan door de parlementen onmogelijk aangetast worden, want deze zijn in het wezen der zaak niets anders dan lichamen die den burgerlijken uitzuigersstaat beheeren. Men kan het daarom betreuren hoeveel goede krachten nutteloos verbruikt worden in dezen schijnstrijd of zooals Liebknecht het zoo terecht noemde: in deze komedievertooning. De ervaring is de beste leermeesteres - zoo roept elkeen den ander toe, maar het is bepaald merkwaardig om te zien hoe dikwijls men de opgedane ervaring aan zich voorbij laat gaan zonder er zijn voordeel mee te doen. 
 + 
 +Maar wat zeker treurig mag heeten: reeds in 1888 werd deze zaak van de gedwongen winkelnering ter sprake gebracht in de kamer, van alle kanten werd het misbruik erkend en hoeveel jaren heeft het geduurd - ongeveer 20 jaar - zonder dat iemand zich erom bekommerd heeft daaraan paal en perk te stellen. Ofschoon er later sociaaldemokraten in de kamer zitting hebben gekregen, geen enkel hunner bracht deze zaak op nieuw ter sprake en pas de arbeidswet heeft de kwestie eventjes aangeraakt, meer niet. 
 + 
 +Vreemd hoe zoo'n zaak heelemaal kan insluimeren. Toen schreef en sprak iedereen erover, later hoorde men er haast niet over. Toen diende zelfs de minister een wetsontwerp in om het misbruik tant soi peu te beteugelen en natuurlijk vooral met het doel om mijn ontwerp van de baan te dringen. In 1891 werd ik niet herkozen als kamerlid en dus mijn wetsontwerp ging in den doofpot. De kamermeerderheid was weer ‘om’, het ministerie trad af en de opvolger van den minister van Justitie trok ook het wetsontwerp van zijn voorganger in. Alles was dus teruggekeerd tot den ouden toestand. De gedwongen winkelnering bloeide weer op en niemand scheen zich van deze zaak iets meer aan te trekken. 
 + 
 +===== XI. Mijn Kamerlidmaatschap. ===== 
 + 
 +De tijd van mijn kamerlidmaatschap was voor mij een hoogst onaangename,​ want men krijgt een onbevredigend gevoel in dat milieu. Ik was voortdurend in strijd met mijzelven en deze innerlijke strijd is ontegenzeggelijk veel afmattender,​ veel drukkender dan de felste tegen zijn vijanden. Men wordt heen en weer geslingerd. Nu eens meende ik dat het goed was wanneer een woord van protest werd gehoord in dien kring, maar straks overviel mij een gevoel, dat men nog beter spreken kon tegen de boomen in het bosch dan tegen menschen die niet hooren wilden. Steeds was ik onvoldaan over mijzelven. Meermalen ging ik boos op mijzelven de kamer uit, omdat ik het woord niet gevraagd had en soms dacht ik: dit of dat hadt gij nog kunnen en moeten zeggen. Ik was dan wrevelig omdat ik meende niet gedaan te hebben wat ik moest doen. 
 + 
 +Spreekt men te veel - en als socialist kan men altijd wel spreken, want geen voorstel, geen wetsontwerp,​ geen verzoek of er zit iets achter en er bestaat reden om het op te nemen voor verongelijkten of verongelukten - dan luistert er niemand meer naar u en het heet spoedig: die man moet ook altijd het woord voeren, niemand of niets deugt er bij hem behalve hij zelf. 
 + 
 +Spreekt men te weinig, dan zou het spoedig heeten: waar blijft hij nu? Hij had altijd zooveel praats buiten de kamer en nu hij erin zit, nu laat hij zich niet hooren. 
 + 
 +En waar is nu de grens tusschen te veel en te weinig? 
 + 
 +Eigenaardig is de tegenstelling tusschen het Binnenhof, de plaats waar de vergaderzalen van Eerste en Tweede Kamer zijn, en het Buitenhof, omdat zij zoo treffend die lichamen karakteriseeren. Het Binnenhof is geheel afgescheiden van het Buitenhof. 
 + 
 +Zoo ook zijn de vertegenwoordigende lichamen afgezonderd en zij leven en werken geheel afgescheiden van de frissche buitenwereld,​ waarmede zij zeldzaam of niet in aanraking komen. Proudhon omschrijft het zoo goed in zijn Confessions d'un révolutionnaire:​ 
 + 
 +‘De herinnering aan de Junidagen zal eeuwig op mij drukken als een verwijt. Ik beken het met smart: tot 25 Juni heb ik niets voorzien en niets gevoeld. Sints 14 dagen gekozen tot vertegenwoordiger des volks was ik de Nationale Vergadering binnengekomen met de schroomvalligheid van een kind en den ijver van een nieuweling. Onafgebroken van 9 uur af in de vergaderingen der bureaux en komitees verliet ik het gebouw pas 's avonds, uitgeput van vermoeienis en walging. Sints ik den voet had gezet op den parlementairen Sinaï, had ik opgehouden in verbinding te zijn met de massa; daar ik geheel werd ingenomen door mijn wetgevenden arbeid, had ik de loopende zaken geheel uit het oog verloren. Ik wist niets, noch de positie der nationale werkplaatsen,​ noch de politiek der regeering, noch de intrigues die in de vergadering werden afgespeeld. Men moet geleefd hebben in dit isoleerlichaam dat men Nationale Vergadering noemt, om te begrijpen hoe de menschen die den toestand van het land het minst kennen, bijna altijd zijn degenen die het vertegenwoordigen’. 
 + 
 +Dit drukt zoo geheel de waarheid uit en ik heb precies datzelfde gevoel gehad. En in haar haat was de meerderheid zoo blind dat niet eens gebruik maakte van de haar ten dienste staande middelen om iemand kapot te maken. Waren zij slim geweest, zij hadden mij in alle kommissies moeten benoemen, ze hadden mij dan totaal dood gemaakt voor de propaganda. In de kamer kan men niet bedanken als men benoemd wordt in een kommissie. Zoo krijgen de jongste leden veelal een plaats in de kommissie voor de verzoekschriften. Daar is ontzaggelijk veel werk aan verbonden, als men het goed wil doen, want steeds komen er stapels bezwaar- en verzoekschriften bij de kamer in. Had men mij daarin een plaats gegeven, ik zou grootendeels in beslag zijn genomen en mijn tijd zou ik onmogelijk op andere wijze hebben kunnen besteden. Maar men sloot mij van alles uit en ik was daar zeer verblijd over. 
 + 
 +Ook de afdeelingsvergaderingen bezocht ik niet, sints ik gezien had hoe het daar toeging.. De kamer nl. wordt verdeeld in 5 afdeelingen,​ elk dus bestaande uit 20 leden - een der vijf telde feitelijk 19 leden, omdat de voorzitter der kamer daarin geen zitting neemt - en door het lot aangewezen. Daar worden nu alle ontwerpen en voorstellen eerst onderzocht. Maar die vergaderingen zijn niet openbaar. Dat was de reden waarom ik ze niet bezocht. Want deed ik dit wel, dan zouden de heeren hebben kunnen zeggen: in de afdeelingen daar hadt ge hem moeten zien, daar hebben wij hem totaal tot zwijgen gebracht. En ik, alleen zijnde, zou totaal onmachtig zijn geweest dit tegen te spreken. Men zou de anderen en niet mij hebben geloofd. Daarom begreep ik verstandig te doen er heelemaal niet te komen en toen ik eens in de Kamer hierover werd hard gevallen, verantwoordde ik mij, zeggende dat zoodra de afdeelingen publiek werden en dus onder de kontrôle der pers stonden, ik de vergaderingen zou bezoeken, maar nu niet. 
 + 
 +En ik ben blij geweest dit gedaan te hebben. 
 + 
 +Het parlementarisme is als het ware een der kunstigste stelsels voor een lichaam, om te maken dat het niets uitvoert en juist de proefondervindelijke ervaring, die men daar opdoet, is de beste wijze om te zien hoe het weinig en slecht afdoen der zaken niet ligt aan de personen, maar aan het stelsel zelf. 
 + 
 +Zoo wees ik er eens op bij de Indische begrooting, dat wij, kamerleden, die toch eigenlijk niets wisten van de koloniën, door onze stem de zaken van Indië moesten behandelen. Men is gedwongen om zich over te geven aan de leiding van den een of ander, die als specialiteit bekend stond. Waren er nu twee specialiteiten in de kamer, dan werd het geval moeilijker, want het is nu eenmaal de eigenaardigheid,​ dat deze het nooit eens is met een andere van denzelfden aard. 
 + 
 +De eisch van het parlementarisme is, dat men zoo wat van alles op de hoogte moet zijn, want men moet zijn stem geven aan de meest uiteenloopende dingen en dat is zulk een dwaze en onzinnige eisch, dat men niet begrijpt hoe hij heeft kunnen opkomen in het brein van eenig verstandig mensch. 
 + 
 +Minister Keuchenius vroeg mij waarom ik dan eigenlijk zitting had in de kamer, als ik dit stelsel zoo bespottelijk vond, waarop ik antwoordde dat dit bezwaar alleen betrekking had op het parlementaire stelsel, ‘zooals het nu toegepast werd’. 
 + 
 +Ik leefde nog in de naïve onderstelling dat dit stelsel vatbaar was voor verbetering en zei dat ik trachten zou hier te ijveren voor de verbetering van dat stelsel en intusschen mijn best zou doen mijn taak zoo goed mogelijk te vervullen. 
 + 
 +Dat in een vergadering van 100 personen 51 hunner meer verstand zouden hebben dan 49, dat is zulk een ongerijmde bewering, dat men erom zou lachen, als niet de toepassing van dit beginsel in de praktijk plaats vond, voerende tot allerpotsierlijkste resultaten. Daarom zeggen wij niet dat 49 menschen meer verstand zouden hebben dan 51, want dat zou even ongerijmd zijn, maar men beginne met te erkennen dat deze oplossing geen redelijke is en dat dus de gevolgen van het parlementarisme,​ dat op dien grondslag berust, onmogelijk gezond en vruchtdragend kunnen zijn. Overigens de socialist, die is voor de vervanging van het stelsel van privaateigendom door het gemeenschappelijk,​ kan niet werken in een licham dat geheel berust op het privaateigendom zonder de kansen te hebben het aldaar afgeschaft te krijgen. Hij moet - en dat kan niet anders - werken aan de bevestiging en handhaving van dit stelsel. Hij is en moet zijn in zijn werken staatssocialistisch. Ziet ook de werkzaamheden der socialisten in alle parlementen en ge zult ontdekken dat zij nergens iets anders hebben gedaan en dat om de heel natuurlijke reden dat zij niet anders werken kunnen. Ik pleitte voor een staatsbank, voor staatssporen,​ voor staatstelefoon,​ enz. en ik beweer dat geen enkel socialist in een parlement hieraan ontsnappen kan. 
 + 
 +Ik sta nu na 20 jaar objektief genoeg tegenover hetgeen ik daar toen heb gedaan om het onpartijdig te kunnen beoordeelen en lees ik mijn redevoeringen,​ aldaar gehouden, nog eens na, dan durf ik gerust zeggen, dat ondanks vele fouten, door mij gemaakt, over 't geheel door mij is gedaan wat redelijkerwijze van mij verwacht kon worden. 
 + 
 +Maar hoe haat verblindt, kan men hier ook zien. Dezelfde personen, die mij tijdens mijn tegenwoordigheid in de kamer meermalen blijken van sympathie gaven, zooals een Troelstra en een van Kol, zij zijn het die nu met voorliefde wijzen op het fiasko, door mij aldaar gemaakt, waar ik èn door mijn persoonlijk optreden èn door mijn ongeschiktheid voor het parlementair debat in de kamer geen kracht heb kunnen uitoefenen. Ik had hen wel eens in mijn plaats willen zien optreden om op te merken of zij het ook er zoo afgebracht hadden, dat zelfs een van Kol mij betuigde hoe ik als socialist onbedorven ben gebleven in die bedorven atmosfeer. 
 + 
 +Was ik zooveel beter? Stond ik zooveel hooger dan al die anderen, die in de verschillende landen zoo leelijk afgleden van den socialistischen weg? 
 + 
 +Zietdaar een moeilijke vraag. 
 + 
 +Men wijst mij zoo dikwijls, als ik beweer dat socialisten noodzakelijk in het parlement verwateren, op mij zelven en vraagt dan: En gij? 
 + 
 +Mijn antwoord is dan dat als het waar is dat ik onbedorven ben gebleven, dit te wijten is aan de geheel exceptioneele omstandigheden waaronder ik daar was. 
 + 
 +In de eerste plaats stond ik daar geheel alleen en was dus een quantité négligeable. Ik bezat geen waarde voor de partijen, die in de politiek altijd vragen: do ut des (voor wat, hoort wat) en dus men trachtte niet met mij te onderhandelen. En waar men niet met mij onderhandelde,​ liep ik geen gevaar iets te hoeven prijsgeven van mijn standpunt. Bovendien ik stond totaal geïsoleerd,​ zoodat zelfs niemand met mij sprak. Het oude Hollandsche spreekwoord zegt dat men vliegen eer vangt met stroop dan met azijn en had men dit tegenover mij toegepast, het was ontegenzeggelijk gevaarlijker voor mij geweest dan door mij te schuwen als een schurftig schaap. Zelfs de burgerlijke beleefdheid werd door de meesten niet in acht genomen en alweer moest ik in dit opzicht ervaren, hoe de geboren aristokraten zich fatsoenlijker betoonden dan de parvenus, daar zij mij ten minste b.v. op straat groetten, wat de anderen niet deden. Zoo ver strekte deze vijandelijke houding zich uit, dat als ik de koffiekamer betrad, plotseling een stilte als van 'n graf intrad en alleen hoorde men dan fluisteren. 
 + 
 +In de tweede plaats was ik zelf niet erg tot toenadering gezind en toen men dus zoo gereserveerd was tegenover mij, was ik er van mijn kant gereserveerd tegen in. Buitendien ik beschouwde het parlementswerk niet als een komedie, waarin men het eene oogenblik elkander heftig bestrijdt, om straks al lachende samen weg te gaan naar de Witte Societeit en daar heel vriendschappelijk met elkander te verkeeren. Ik meende wat ik zei en dan kan men als vertegenwoordiger der verdrukten onmogelijk vriendschappelijk omgaan met de onderdrukkers. 
 + 
 +Alle pionierswerk is moeilijk en als het is afgeloopen en de paden zijn wat gebaand, dan kan men ze heel gemakkelijk bewandelen zeggende: och, dat andere werk beteekende toch zooveel niet, wat wij doen is heel wat belangrijker. 
 + 
 +Wanneer ik de tegenwoordige redevoeringen der sociaaldemokraten lees, dan hoor ik daarin dikwijls den nagalm der redevoeringen,​ door mij aldaar gehouden. Alleen waren de mijnen veel principieeler. In geen enkel opzicht ben ik in gebreke gebleven mijn man te staan. Men heeft mij wel eens verweten dat ik vermeden heb het socialisme te bespreken en onkundig als het tegenwoordige geslacht is en van sommige zijden opzettelijk wordt gehouden over dat tijdvak, praten velen gemakkelijk na wat anderen hun voorzeggen. Immers het is niet waar. 
 + 
 +Vooreerst heb ik er diskussies over gehad met de heeren S. van Houten en H. Goeman Borgesius en zelfs daagde ik bij de algemeene beschouwingen der Staatsbegrooting van 1891 allen uit tot een diskussie over het socialisme of het eigendomsrecht,​ zeggende: ‘bij voorbaat verklaar ik mij bereid over deze zaak in diskussie te willen treden en meent niet dat dit verloren tijd zou zijn, want de broodvraag beheerscht ontegenzeggelijk alle andere vragen en is veel belangrijker dan eenige andere die hier te berde kan worden gebracht en ieder, die een steentje aanbrengt om haar tot oplossing te brengen, heeft ontegenzeggelijk een goed werk verricht’. 
 + 
 +Dat niemand dezen hem toegeworpen handschoen opraapte, dat is toch mijn schuld niet! De heeren ontweken de diskussie. Een onvruchtbaar debat over den toekomststaat trok mij niet aan, want zulk praten ‘ins Blaue hinein’ over dingen, waar niemand met kennis van zaken iets over kan zeggen, wat zijn het anders dan bespiegelingen en daarvoor is het parlement nu niet bepaald de aangewezen plaats. 
 + 
 +De heeren hebben overigens dikwijls harde pillen te slikken gehad en tal van vraagstukken zijn door mij ter sprake gebracht, die sints dien tijd, ook niet door de nieuwerwetsche sociaaldemokraten,​ met den vinger zijn aangeraakt, b.v. de scheiding van kerk en staat, terwijl anderen, die ik telkens in de kamer opwierp, later zijn opgevat en tot oplossing gebracht, zooals b.v. de oprichting van een Centraal Bureau voor Statistiek. Drie jaar achtereen stelde ik de oprichting van zoo'n bureau voor en zelfs de kamerleden, die leden waren van de Vereeniging van Statistiek, waarin de wenschelijkheid hiervan was uitgesproken,​ stemden tegen, alleen uit haat tegen mijn persoon of uit vrees dat de eer dier oprichting mij zou worden toegekend. 
 + 
 +Dergelijke staaltjes van kleinzieligheid en bekrompenheid zou ik er velen kunnen mededeelen. Soms wisten zij zelven niet hoe zich in bochten te wringen om er toch aan te ontkomen dat zij met mij meegingen. Vooral de liberale heeren zijn meermalen in het nauw gebracht, want van de anderen verwachtte ik niets, maar juist deze toonden zich telkens ontrouw aan hun eigen beginselen. 
 + 
 +Eén zeer sterk sprekend staaltje. Daar was een heel klubje liberale kamerleden, dat had afgesproken nooit met mij in debat te komen of notitie te nemen van hetgeen ik zei. Tot deze respektabele(?​) klub weet ik dat behoorden de heeren Verniers van der Loeff, Gleichmann, Mees, Rutgers van Rozenburg en anderen. Eens werd het laatstgenoemde wat sterk, zoodat hij zich niet hield aan de afspraak. Het was bij de begrooting van Justitie, toen ik de eigendomskwestie in het debat had gebracht. De heer Rutgers zei aan het eind zijner rede: ‘thans nog een woord over een wanklank, dien wij in deze diskussie gehoord hebben’. (Zie de begrootingsdebatten over Justitie voor 1889). Toevallig stond ik in de buurt van dien spreker te luisteren, die soms nog al raak van wal kon steken, en nauwelijks had hij die woorden gezegd, of de heer Verniers van der Loeff, die naast hem was gaan zitten, trok hem aan zijn jas en zei: ‘antwoord dien beroerden kerel niet’. Maar de heer Rutgers was te zeer geprikkeld en met het hoofd schuddend zei hij zachtjes: ‘neen, laat mij begaan, ik moet er wat van zeggen’. 
 + 
 +Is dat niet een kras staaltje? Voeg hierbij, dat een man als de gesjeesde Delftsche student Geertsema, - die omdat hij voor niets deugde en zijn vader geen weg met hem wist, naar Indië ging, daar een rijke plantersdochter trouwde en toen terugkeerde om te poseeren als Indische specialiteit -, ofschoon hij geen vijf woorden zonder stotteren kon uitbrengen, de gewoonte had mij steeds den rug toe te draaien, wat te meer in het oog viel, omdat zijn plaats toevalligerwijze vlak voor mij was, zoodat ik het genoegen had telkens op dat dom-brutale en stuitende gezicht van dien parvenu te zien - gelukkig dus meestal op zijn rug - en men zal begrijpen hoe 'n onaangenamen tijd ik in de kamer heb doorgebracht. Niemand van de tegenwoordige sociaaldemokratische kamerleden kan zich daarvan een voorstelling maken. Ik weet wel dat b.v. Bebel en Liebknecht ook in den beginne als wilde beesten werden beschouwd in den Rijksdag, maar vooreerst zij waren tezamen met enkele anderen en dus zij konden elkander steunen en ten tweede hadden zij zich volgens het zeggen van Liebknecht zelf toch niet te beklagen over zoo'n kleinzielige,​ alles behalve kollegiale behandeling hunner medeleden, zoodat hij toen ik hem dit vertelde, zei: aber das ist abscheulich! (maar dat is afschuwelijk!) 
 + 
 +Het beste middel om alle respekt voor de kamer te verliezen, bestaat daarin dat men eens een kamerzitting bijwoont. Ofschoon men door de schandelijke tooneelen, die ons af en toe worden meegedeeld over parlementen in het buitenland, reeds minder eerbied heeft voor zoo'n parlement dan voorheen, toch verbindt men hier te lande aan het begrip van ‘kamer’ zekere deftigheid. En als men eenmaal zoo'n zitting heeft bijgewoond, dan verdwijnt dit begrip geheel, want een ongeregelder en onordelijker vergadering dan deze bestaat er niet. Hier zitten ze te praten alsof ze in de societeit zijn, dáár te lachen, soms zelfs kwajongensstreken uit te halen en intusschen voert een spreker het woord zonder dat er iemand naar luistert behalve de stenografen,​ die de redevoering van den ‘geachten’ spreker vereeuwigen of liever begraven in de Handelingen. 
 + 
 +In den beginne is dit 'n punt van ergernis, maar men went aan alles en zoo duurt het niet lang of het valt niet eens meer op. Maar de bezoeker, die van boven dat gewoel en gekrioel ziet, gaat in den regel verontwaardigd heen. 
 + 
 +Door luidruchtig en druk praten trachten zij ook wel iemand van zijn stuk te brengen en dat middeltje dacht men zeker ook op mij toe te passen, maar ik heb het hun spoedig afgeleerd. Eenmaal maakten zij het mij bijna onmogelijk te spreken en toen verzocht ik den heeren althans zoo wellevend te zijn, om als het hun niet beviel naar de koffiekamer te gaan, waar vergunning was en mij niet te storen, want dat ik vele vergaderingen had bijgewoond van personen uit de zoogenaamd laagste klassen der maatschappij,​ maar nooit een vergadering,​ waar men zich zoo wanordelijk aanstelde als in de zoogenaamde volksvertegenwoordiging. Woedend waren de heeren, die zoo in hun fatsoen werden aangetast en toch zij konden er niets tegen zeggen. En in 't vervolg herhaalden zij dat spelletje niet, ja ik kan zelfs zeggen dat ik een van de weinigen was, naar wien men luisterde. Een der intelligentste leden, mr. Farncombe Sanders, kwam als ik sprak steeds op een bankje vlak in mijn nabijheid zitten en luisterde met de meeste aandacht. Later kwam ik eens met hem in aanraking en toen betuigde hij mij dat hij steeds met de meeste belangstelling luisterde en dat mijn beschouwingen,​ al was men het er niet altijd over eens, hem zeerlogisch toeschenen. Onder den invloed daarvan was hij begonnen met het boek van Henry George ‘Vooruitgang en armoede’, dat hem totaal onbekend was, te lezen en toen hij veel later in de kamer de stelling durfde verkondigen,​ dat ‘de allereerste oorsprong van alle grondbezit is dat men den man, die op het land zat, er heeft afgegooid of althans iemand, die er even goed recht op had, er van geweerd heeft’, toen dacht ik onwillekeurig dat mijn redevoeringen op hem niet zonder invloed waren gebleven. 
 + 
 +Over het algemeen staat men versteld over de vreeselijke onkunde, die bij de heeren bestaat op sociaal gebied en als dan de intelligentsten nog zoo achterlijk zijn, dat zij een 15 tal jaren na de verschijning aan het lezen zijn van een boek, dat een zeldzamen opgang in de wereld maakte, dan vraagt men zich af, hoe het wel gesteld zal zijn met de anderen. 
 + 
 +Zelfs bij kritieke onderwerpen zooals het rouwbeklag bij gelegenheid van den dood van koning Willem III, het vaststellen van het inkomen der kroon bij gelegenheid van het regentschap van koningin Emma, trad ik op met mijn bezwaren en tot groote ergernis verzocht ik stemming. Natuurlijk werden al die voorstellen geregeld aangenomen met allen tegen één, maar ze waren toch aan stemming onderworpen en het protest daartegen ging het land in. De pers was dan de trouwe echo van de boosheid der heeren, maar daar was nu eenmaal niets aan te doen. 
 + 
 +Om eens in 't kort samen te vatten wat ik in de kamer ter sprake had gebracht, heb ik tegen de verkiezingen van 1891 een kleine brochure samengesteld,​ getiteld: Vier jaren klasseregeering of Wat men met Algemeen Kiesrecht had kunnen gedaan krijgen, en men zal, wil men onpartijdig zijn, moeten erkennen, dat de toestand des lands een geheel andere geweest zou zijn, als men wat meer geluisterd had naar den afgevaardigde van Schoterland. Later verscheen er een tegenbrochure van de hand van Croll, die mijn vijand was geworden, om mij te verwijten dat ik het deed voorkomen, alsof al die zaken door mij als een nieuwigheid ter sprake waren gebracht en met grooten omhaal van woorden werd uit de oude Handelingen en uit andere bronnen opgedolven, hoe dit kamerlid het eene en dat het andere reeds lang vóór mij had behandeld. Maar dat had ik nooit gezegd, ik wilde alleen aantoonen hoeveel dingen tot stand zouden hebben kunnen komen, als men mij niet als een roepende in de woestijn had laten staan. 
 + 
 +Van sociaaldemokratische zijde heeft men mij verweten dat ik de kiesrechtkwestie niet warm had weten te houden. Maar ook dat is onjuist. Meermalen drong ik daarop aan, maar waar de grondwet de grootste hinderpaal was, daar zou ik den onmogelijken eisch van grondwetsherziening hebben moeten stellen. Als men nu ziet hoe men na een 20 tal jaren nog te kampen heeft met groote moeilijkheden - en de omstandigheden zijn toch heel wat anders en heel wat gunstiger geworden - dan zal men begrijpen hoe onbillijk het is om van den éénling onder die verhoudingen te eischen dat hij meer zou gedaan hebben dan hij deed. 
 + 
 +Voor de aardigheid lasch ik hier de opsomming in van al wat er gedaan had kunnen worden. 
 + 
 +Op koloniaal gebied: geen inkomsten uit opiumpacht, omdat het geld slaan uit zonde is (volgens dr. Kuyper), pacifikatie in Atjeh, besparing op het inkomen der kroon. 
 + 
 +  * Buitenlandsche zaken: afschaffing der gezanten. 
 +  * Binnenlandsche zaken: 
 +  * Afschaffing van de wet op jacht en visscherij. 
 +  * Schadeloosstelling aan preventief gevangenen. 
 +  * Voorwaardelijke invrijheidstelling. 
 +  * Afschaffing van het verbod van het onderzoek naar het vaderschap. 
 +  * Afschaffing der wet op het dragen van verboden wapenen. 
 +  * Afschaffing van alle sluis-, tol- en havengelden. 
 +  * Afschaffing der tolgelden op de rijkswegen. 
 +  * Verplicht kosteloos onderwijs. 
 +  * Scheiding van kerk en staat. 
 +  * Vermindering van de begrootingen van oorlog en marine. 
 +  * Afschaffing van de personeele belasting.  
 +  * Afschaffing van de patentbelasting. 
 +  * Afschaffing van de accijnzen. 
 +  * Afschaffing van de staatsloterij. 
 +  * Invoering eener algemeene progressieve inkomstenbelasting. 
 +  * Invoering eener progressieve successiebelasting met inbegrip van de rechte lijn. 
 +  * Invoering van een staatsbank. 
 +  * Naasting van alle verkeersmiddelen door den staat. 
 +  * Telefoon rijkszaak. 
 +  * Op sociaal terrein: een maximaal arbeidsdag van 8 uur met minimaal-loon overeenkomstig de plaatselijke gesteldheid. 
 +  * Verbod van arbeid voor kinderen beneden 15 jaar. 
 +  * Arbeidstijd van 4 uur voor jongelieden zoowel van het mannelijk als van het vrouwelijk geslacht en daarnaast 4 uur voor onderwijs. 
 +  * Arbeidstijd van vrouwen hoogstens gedurende 6 uur en verbod van arbeid in sommige takken van industrie en onder zekere omstandigheden. 
 +  * Een wekelijksche rusttijd van minstens 24 uur achter elkaar. 
 +  * Verbod van arbeid der vrouw 6 weken vóór en 6 weken na de bevalling met behoud van loon. 
 +  * Toezicht op de werkplaatsen met het oog op de gezondheid en veiligheid. 
 +  * Minstens 1 inspekteur voor elke provincie, gekozen door de arbeiders, zoo mannen als vrouwen, gedurende een vastgestelden tijd. 
 +  * Regeling van het leerlingstelsel. 
 +  * Regeling van pensioen- en ziekenfondsen onder beheer der arbeiders. 
 +  * Bepaling omtrent de vergoeding bij ongevallen. 
 +  * Regeling van de wijze van uitbetaling der loonen. 
 +  * Bepalingen tegen den gedwongen winkelnering. 
 +  * Opheffing der verbodsbepalingen,​ waarbij de patroon op zijn woord wordt geloofd. 
 + 
 +Wat de werkloosheid betrof, ik wees op eenige groote werken, zooals de veelbesproken droogmaking der Zuiderzee, de inpoldering der Wadden, de ontginning van woeste gronden. 
 + 
 +Als men dat lijstje zoo eens nagaat en in aanmerking neemt dat het ongeveer 20 jaren oud is, dan ziet men hoeveel er nu nog gedaan kan worden en hoe ontzettend weinig er van dit program is uitgevoerd. 
 + 
 +Zie ik er nu op terug, dan verbaas ik mij wel eens over de naïveteit van toen. Want ja, op papier kunnen zulke dingen neergeschreven en nagestreefd worden, maar in de praktijk is dit heel wat anders. Immers door wetten zal men de gewenschte verbeteringen niet krijgen, want òf het volk is er rijp voor en dan weet het die dingen wel af te dwingen op fabrieken en in werkplaatsen,​ zonder dat daarvoor een wettelijke regeling noodig is, òf het volk is er niet rijp voor en dan zullen wetten niet in staat zijn ze door te voeren, omdat de toepassing ervan uiterst gebrekkig, ja eigenlijk geheel denkbeeldig zal blijken te zijn. 
 + 
 +Maar toen leefde ik nog in de meening: dwingt ze om in te gaan en met denzelfden ernst als een Robespierre bezielde zou ik zonder aarzelen de menschen die hun eigen geluk volgens mijn opvatting niet begrepen, met geweld gedwongen hebben het geluk deelachtig te worden zooals ik het mij voorstelde. Robespierre,​ een alles behalve wreed mensch, ging zoover dat hij de menschen in hun eigen belang onder de guillotine bracht, alleen omdat zij het geluk niet deelachtig wenschten te worden op de wijze, die hij noodzakelijk achtte. 
 + 
 +Juist naarmate iemands overtuiging ernstiger is, naar die mate dreigt het gevaar dat hij onverdraagzaam zal zijn. Het is een dwaling om te meenen dat de groot-inquisiteurs,​ geloofsvervolgers en dergelijken altemaal slechte menschen waren, die het er met geraffineerde wreedheid op toelegden om hun medemenschen te vervolgen en te mishandelen. Van verschillenden hunner is het bekend dat zij zelven een streng en sober leven leidden, dat zij vol toewijding waren in de vervulling hunner plichten, dat zij zelfs veel overhadden voor hun medemenschen. Menigeen vervulde zijn plicht met tranen in de oogen, maar zij waren vast overtuigd dat er maar één weg bestond, die tot de zaligheid voerde en dat was hun weg en elkeen die een anderen weg bewandelde, voerde zijn medemenschen ten verderve en om deze te redden gingen zij er met een gerust geweten en zonder eenige aarzeling toe over, om die dwaalleeraren met geweld te vervolgen en op te ruimen. Wat zij deden, verrichtten zij dus uit liefde, nl. om hun medemenschen voor nog grooter ongeluk te behoeden. Het is nog altijd het standpunt van Kajafas: ‘wij hebben een wet en naar die wet moet hij sterven’. De gedachte zelfs dat die wet niet goed zou kunnen zijn, is reeds heiligschennis in zijn oogen. De wet bestaat en dus zij is goed. Twijfel daaraan is de eerste voorwaarde om te vallen. Zoodra de mensch den mantel der letterknechterij,​ van het dogmatisme heeft omgedaan, gelijkt het wel of hij gepantserd is en de gevoelens van menschelijkheid kunnen er niet doorheendringen. Hoe menig voorbeeld kan met name worden genoemd van menschen, die de zachtheid en voorkomendheid in persoon waren, maar niet zoodra gold het't gebied des geloofs, of diezelfde menschen werden de hatelijkste en wreedste ketterjagers,​ die men zich ter wereld kan voorstellen. De zucht om andersdenkenden te vervolgen vloeit veelal voort uit de inbeelding van eigen onfeilbaarheid,​ die het vrije onderzoek aan anderen verbiedt en zoodra de twijfel aan eigen onfeilbaarheid oprijst, is de grond ondermijnd, waarop zij kan groeien. De mensch gaat onder in het dogma en door zijn vast geloof wordt hij een beul voor anderen en juist naarmate men het ernstiger opvat, naar die mate wordt men te fanatieker tegenover anderen. 
 + 
 +En gelijk ik toen was, zoo zijn er onder de sociaaldemokraten nog velen. Vandaar dat geen sekte onverdraagzamer is dan de hunne, veel gelijkende op de katholieken,​ wien zij in bekrompenheid en vrees voor zelfstandig onderzoek evenaren, zoodat men hen niet ten onrechte de nieuw-katholieken heeft genoemd. 
 + 
 +Een keer of drie werd het mij al te sterk en ik stond op het punt mijn kamerlidmaatschap weg te gooien, maar even dikwijls was het de Centrale Raad der partij, die mij wist over te halen om dit niet te doen. Hier ondervond ik de schaduwzijde van een partijverband,​ want tegen mijn zin onderwierp ik mij aan hetgeen toch eigenlijk streed met mijn overtuiging ter wille van de partij. En dit ging zelfs zoo ver, dat toen de tijd van aftreding kwam, ik mij wezenlijk heb laten bepraten om toch weer de kandidatuur aan te nemen, alweer ter wille van de partij. 
 + 
 +En toch kan ik met alle eerlijkheid getuigen dat ik mij ontheven voelde van een drukkenden last, toen ik niet herkozen was, evenals toen ik de kerk vaarwel zeide. 
 + 
 +De laatste poging om mij toch te noodzaken een plaats in de kamer in te nemen, toen de gekozene, prof. mr. Treub bedankte om aan de sociaaldemokratische partij de gelegenheid te geven toch ook een afgevaardigde te hebben in de kamer, wees ik met fierheid af. En toch als ik had toegehapt, ik zou beslist tegenover den heer Pyttersen, den nieuw gestelden kandidaat in dit distrikt, gekozen zijn geworden. 
 + 
 +Ik gevoelde toen dat ik niet alleen met de kerk maar ook met den staat had gebroken en geen beschuldiging klonk mij vreemder in de ooren dan toen Croll mij beschuldigde van vijandigheid tegenover het anarchisme. Van aanleg en persoonlijkheid was Croll beslist veel meer parlementair dan ik. 
 + 
 +En hij ging toen niet eerlijk te werk, want het wetsontwerp tegen de gedwongen winkelnering,​ waarover hij mij toen ook ging aanvallen, hadden wij samen uitgewerkt en hij was de trouwe kampioen geweest, die mij verdedigde tegen alle aanvallen. Maar later zou deze kwestie veel sterker op den voorgrond dringen dan nu nog. 
 + 
 +Feitelijk was ik de partij altijd een manslengte vooruit. Of dit goed was? Ik weet het niet, ik konstateer alleen een feit. Maar meermalen hoorde ik mij verwijten, dat de partij mij niet kon bijhouden. Heel wel mogelijk, maar was dit voor mij een reden om stil te staan en mijn eigen ontwikkelingsgang in te toomen? 
 + 
 +Ook dient hier nog vermeld te worden uit de periode van mijn kamerlidmaatschap een gebeurtenis,​ waarvan nog al wat ophef werd gemaakt, zoodat zij zelfs per telegraaf naar alle einden der wereld werd overgeseind. Natuurlijk heette het dat ik dit deed om reklame te maken, maar dit is zoo weinig waar, dat ik zelf de heele zaak het allerlaatst mededeelde. Evenals alle andere leden der kamer kreeg ik een uitnoodiging van de koningin-regentes,​ om aan het Hof te komen dineeren. Ik bedankte in een gemotiveerd schrijven, maar achtte dit niet zoo belangrijk, althans ik vermeldde het niet eens in mijn blad. Andere bladen deelden het echter mede, maar wat het ergste was, het bericht, door mij des middags om 12 uur gezonden aan den voorzitter der kamer, stond 's avonds reeds in de bladen, zoodat deze het nieuwtje gehad moeten hebben uit het bureau van den voorzitter. 
 + 
 +De brief, waarin ik bedankte, luidde aldus: 
 + 
 +    Mevrouw! 
 + 
 +    Verleden week ontving ik door bemiddeling van den voorzitter der Tweede Kamer namens u een uitnoodiging om aan den ‘koninklijken disch’ te komen. 
 +    Ik heb daarvoor bedankt, gelijk u misschien ter oore is gekomen. En de reden daarvan lag niet alleen in de voorwaarde om in kostuum te verschijnen,​ ofschoon ik niet ontveinzen kan, dat waar een kostuum wordt voorgeschreven - alsof men anders niet in gepast kostuum zou komen! - dat misschien goed is voor hoflakeien, maar niet voor volksvertegenwoordigers,​ dit op zichzelf voldoende zou geweest zijn om te bedanken. Neen, de reden is deze dat ik niet gaarne zou aanzitten aan een weelderigen disch, terwijl ik weet dat duizenden het allernoodzakelijkste missen om den mond open te houden van vrouw en kinderen, zonder dat er iets gedaan wordt om in dien nood te voorzien, terwijl ik weet dat velen van H.M.'s onderdanen zich zouden verheugen als zij mochten deelen in de zooveel grootere zorg, die besteed wordt aan H.M.'s paarden, honden en herten. Ik, die weet wat het volk lijdt, en nog maar bij benadering, ik zou het van mijzelven een laagheid geacht hebben aan een weelderigen disch te verschijnen,​ terwijl zulke ellende wordt geleden en een laagheid zoudt gij, naar ik hoop, niet van mij verlangen. 
 +     
 +    
 +    Indien het u, Mevrouw, behagen mocht om op de hoogte te worden gesteld van de ellende des volks, dan zult gij mij bereid vinden, om, als zulks door u verlangd wordt, ten uwent te verschijnen,​ opdat ook gij weet wat er onder 't volk leeft en omgaat, wat nu niet het geval is, waar uw omgeving wel zorgt dat dit voor u verborgen blijft. Niet dus om bij u te eten ben ik bereid, maar wel en ten allen tijde om met u te spreken over hetgeen gedaan kon en moest worden om de ellende des volks te lenigen. 
 + 
 +    't Welk doende 
 +         
 +    F. DOMELA NIEUWENHUIS,​ 
 +     
 +    Lid der Tweede Kamer van de Staten-Generaal. 
 + 
 +Alweer stak een storm van verontwaardiging tegen mij op, als zoo wat met alles wat ik deed. Het heette een beleediging der koningin-regentes aangedaan! Ik moest mij schamen en ik weet al niet wat voor fraaiïgheden meer die mij naar het hoofd werden geworpen. 
 + 
 +Zekere meneer Troelstra te Leeuwarden, een der kopstukken van de liberale partij in Friesland, de vader van den bekenden sociaaldemokratischen partijleider - men ziet dat hem de antipathie tegen mij als een erfstuk is meegegeven - ging zoover om te zeggen, dat het wel eens had kunnen gebeuren, dat geen der andere kamerleden, die zooveel fatsoenlijker en geachter waren, naast zulk een ‘brutalen,​ onbeschoften reklamemaker’ had willen zitten, ‘zelfs niet aan zijn linkerzijde’. En wat dan? Een hofschandaal of liever een schandaal aan het hof zou daarvan het gevolg zijn geweest. Maar moest men dan niet zeer blijde zijn, dat ik dit door mijn bedanken heb voorkomen?​ 
 + 
 +Mij dunkt dat ik in zeer hoffelijke termen bedankt heb voor ‘de eer’, om aan te zitten aan de koninklijke tafel en vind het op mijn beurt zeer onhoffelijk en onwellevend,​ dat ik op mijn vriendelijk aanbod om de koningin-regentes in te lichten omtrent den toestand des volks - zij toonde in dit opzicht veel te verschillen van koningin Louise uit Multatuli'​s Vorstenschool,​ die zelfs haar nachtrust opofferde om op de hoogte te komen van de levensvoorwaarden waaronder het volk leefde - nooit eenig antwoord heb ontvangen. Zou ik daaruit niet het gevolg mogen trekken, dat de koningin-regentes niet op de hoogte wilde komen van dien toestand? 
 + 
 +Ofschoon niet onmiddelijk samenhangende met mijn kamerlidmaatschap moet ik een paar dwalingen herstellen, die Vliegen propageert in zijn boek ‘De Dageraad der Volksbevrijding’. Hij stelt het namelijk voor, alsof het denkbeeld van een belasting-agitatie,​ in kombinatie met het Werkliedenverbond,​ door de sociaaldemokraten ondernomen, van mij was uitgegaan en alsof Croll zich vierkant daartegenover heeft geplaatst. Dit nu is geheel onjuist en het is eigenaardig dat de vergaderingen ter bespreking van die zaak met afgevaardigden van het Werkliedenverbond door Croll geregeld werden en door mij slechts zelden zijn bijgewoond. 
 + 
 +Ook ten opzichte van mijn standpunt tegenover de koôperatie geeft hij een verkeerde voorstelling. Ik had reeds vóór de verschijning van Croll'​s brochure: ‘De Coöperatie. Het paard van Troje’, die in 1888 verscheen, een polemiek over de koöperatie in de Voix du Peuple van Brussel met mijn vriend César de Paepe, waarin ik wees op de gevaren, daaraan verbonden. En zelfs had er bij Croll wel wat heel spoedig een zwenking plaats. Immers in het laatste nummer van Recht voor Allen van het jaar 1887 leverde hij nog een artikel: In wiens zakken? waarin hij de vraag: zullen wij koöpereeren voor uitkeering bij overlijden of bij ziekte en voor bakkerijen? terugbrengt tot deze nuchtere kwestie: zullen wij de enorme winsten, die daardoor te verkrijgen zijn, afstaan aan onze vijanden, de kapitalisten,​ welke die gebruiken om ons te tiranniseeren of zullen wij ze zelf naasten om ze te gebruiken in den strijd tegen hen? Met andere woorden, alles kwam neer op de vraag in wiens zakken de winsten terecht moesten komen en hij leverde toen een pleidooi om de koöperatie als strijdmiddel niet te verwerpen, integendeel de voordeelen ervan ten beste te laten komen voor de partij. En in 1888 leverde hij plotseling een pleidooi tegen de koöperatie! Het is waar dat de ondervinding daarin opgedaan, doordat wij verschillenden der besten zagen opgaan in krenten wegen en brood bakken, veel bijdroeg tot die verandering,​ maar bij hem sloeg het oordeel wel wat heel gauw en te absoluut over naar den anderen kant. Het is dus onjuist om het te doen voorkomen, alsof ik een voorstander en Croll een tegenstander daarvan was, daar in de eerste plaats mijn twijfel aan de voortreffelijkheid der koöperatie reeds eerder was opgekomen en openbaar gemaakt dan bij hem en in de tweede plaats bij Croll, als het erop aankwam, meer voorliefde voor haar bestond dan bij mij. 
 + 
 +Maar in bovengenoemd werk bezigt Vliegen een opmerking, zoo losjes daarheen geworpen, en die toch het geheim bevat van vele dingen. Hij schrijft namelijk: ‘een politiek leider moet een zekere plooibaarheid bezitten, moet bij veranderde omstandigheden,​ zijn taktiek weten te wijzigen naar die omstandigheden. Dat nu heeft Nieuwenhuis nooit gekund’. 
 + 
 +In deze opmerking schuilt heel veel waarheid en evenzeer in de gevolgtrekking,​ die hij maakt, alleen in plaats van haar als verwijt op te nemen, beschouw ik het als een kompliment, als een loftuiting. Ik was namelijk niet in de wieg gelegd voor politiek leider, omdat mijn karakter mij niet toeliet om telkenmale naardat de omstandigheden het voorschrijven,​ te knoeien en te konkelen. Geen enkel politiek leider ontkomt hieraan. 
 +  
 +Beginselen naar belangen te plooien, dat is de groote vaardigheid waarover een politiek leider moet beschikken en dat is - ik erken het volgaarne - door mij nooit gedaan. Hoeveel verder zal ik in de wereld hebben kunnen komen, als ik dat had kunnen doen! Is dat dus een fout, ik heb deze begaan en terugziende op mijn geheele leven verheug ik mij hierover, want al ging ik dan ook onder als politiek leider, ik bleef gespaard als mensch en dat staat nog steeds hooger bij mij. 
 + 
 +Dan maakt Vliegen een andere opmerking, die ook volkomen juist is. Ondanks mijn kamerlidmaatschap heeft het zwaartepunt der sociaaldemokratische partij nooit in de kamer gelegen of zoo zij het al een oogenblik deed onder den invloed der hoog gestemde verwachtingen,​ die velen, vooral in het noorden des lands, hiervan hadden, toch werd dit in elk geval spoedig verplaatst. De vakbeweging begon grooter verhoudingen aan te nemen en tal van werkstakingen bewezen, dat de arbeiders begonnen te ontwaken. Dit nu openbaart zich altijd in verzet tegen ondergaan onrecht en tegen de droeve levensvoorwaarden,​ waarin men geplaatst is. De Spoorwegvereeniging,​ de Diamantwerkersbond ontstonden, onder de Haven- en Dokwerkers te Rotterdam had een groote werkstaking plaats. Telkens hoorde men van werkstakingen,​ zooals te Goor, te Enschedé, te Almelo, te Hoogezand, te St. Jacobi-Parochie,​ te Appelscha en elders. En waar men mij riep, daar was ik erbij om de arbeiders met raad en daad terzijde te staan. Ik drong mij echter nooit ongevraagd op, daar ik meende dat de arbeiders liefst hun zaken zelven moesten opknappen. 
 + 
 +Onder die vele werkstakingen is er eene, die ik nooit vergeten zal om de bizondere omstandigheden,​ dat is die der veenarbeiders te Beets in 1890. Ongeveer 'n 1500 man staakten het werk en met Stienstra en van Zinderen Bakker ging ik tezamen daarheen op verlangen der arbeiders. Gelijk gebruikelijk was, werd er dagelijks appèl gehouden, dat was een vergadering in de open lucht, waar de aangewezen appèlmeester de zaken besprak en waar besluiten genomen werden. 
 + 
 +Nog levendig, als de dag van gisteren, herinner ik mij dat appèl, want nooit nog had ik onder zulke omstandigheden tot het volk gesproken en zoo ik iets betreur, dan is het dat van dat tooneel niet een kiekje is genomen. Verbeeldt u een plein voor een herberg, die vrij wel alleen stond behalve een andere herberg daarover op vrij grooten afstand. Op een stoel of een ton staande te midden van de stakers, sprak ik hen toe, maar vlak tegenover mij stonden ongeveer 100 man infanterie met geladen geweren, aan elk der vier hoeken stonden twee maréchaussées te paard, met geladen karabijnen en achter mij stonden 10 à 12 veldwachters,​ ook met geladen karabijnen. Het was dus wel een kritiek oogenblik en vooral toen ik hen voor de keuze stelde om rechts of links te gaan, en daardoor zelven te zeggen of men aan 't werk wilde gaan al dan niet. Gelukkig liep alles goed af, daar de overgroote meerderheid weigerde. Wij onderhandelden met de veenbazen in gezelschap van een luitenant en een oogenblik scheen het alsof het toch mis zou loopen, want plotseling ging er een gerucht dat enkelen aan het werk gingen. De verbittering was zoo groot, dat het te bezien was geweest of wij in staat zouden geweest zijn de menigte in toom te houden, als dit waar was gebleken. Maar het was gelukkig niet zoo. Een slachting was anders te voorzien geweest, daar die veenarbeiders,​ door wanhoop en honger gedreven, toen tot alles in staat waren geweest. 
 + 
 +Toch mocht men door toedoen van Patrimonium,​ de christelijke arbeidersvereeniging,​ geen overwinning behalen, daar zij haar eigen leden had bewerkt om het werk te hervatten en toen was er geen tegenhouden meer aan, het pleit was verloren en allen hervatten het werk. Heel zalvend en vroom luidde toen een advertentie in den Standaard van 12 Mei: ‘Door Gods hulp is het Patrimonium gelukt, de werkstaking te Beets tot een goed einde te brengen, tevens betuigen wij onzen hartelijken dank, voor de hulp ons alzoo mildelijk bewezen’. 
 + 
 +Het waren dus de christelijken,​ die als zoo dikwijls den boel bedierven. De arbeiders zouden dit in latere tijden maar al te dikwijls ondervinden. 
 + 
 +In 1889 veranderde ons blad Recht voor Allen, dat tweemalen 's weeks verscheen, in een dagblad. Dit toonde den groei der partij, maar aan een dagblad worden heel andere eischen gesteld en het propagandistisch karakter van 'n blad gaat daardoor te gronde. 
 + 
 +Ook hadden er nog al eens vervolgingen plaats nu tegen dezen, dan tegen genen en er is een tijd geweest waarin ik bijna elke week voor den rechter van instruktie verscheen en het aantal dagvaardingen door mij ontvangen zoo groot was dat ik er wel een kamer mee kon behangen. 
 + 
 +Een groote propaganda maakte ook een meeting te 's Gravenhage ter bespreking van de toen in de kamer behandelde arbeidswet, belegd natuurlijk 1o. om de stem der arbeiders te laten hooren naast die der kamerleden en 2o. om mij als kamerlid een flinken steun in den rug te geven. Vier arbeiders voerden aldaar het woord, te weten: van Zinderen Bakker, de bezadigde Fries, die namens de arbeiders van het platteland optrad, Helsdingen als stadsarbeider,​ Bennink als vertegenwoordiger der Twentsche industrie en Vliegen als vertegenwoordiger van de zuidelijke provincies. Vooral maakte veel indruk het aanschouwelijk onderwijs door Bennink gegeven, die een tenger, zwak fabrieksmeisje had meegebracht ter vergadering,​ als toonbeeld der Twentsche fabriekskinderen en dus als levende aanklacht tegen de fabrikanten. Op zijn gewone, ietwat theatrale wijze, wist hij vooral de vrouwen tot tranen toe te bewegen. 
 + 
 +Het was dus alweer een woelige periode, waarin tal van gebeurtenissen plaats vonden. Algemeen was er leven gewekt, zooals overal was te bemerken. 
 + 
 +Zelfs onder de vrouwen kwam beweging. Mejuffrouw Drucker trachtte dit het eerst te doen. In den beginne was zij socialistisch getint, terwijl zij alle zaken met mij besprak, maar plotseling, onder welke invloeden weet ik niet precies, kwam hierin verandering. Wel weet ik dat zij, die haar broeder, prof. Drucker, niet heel vleiend teekende in een boekje van haar hand, getiteld: George David van G. en E. Prezcier, in geheel andere finantieele omstandigheden kwam na een verzoening met dezen haren schatrijken broeder en dat zij zich later, na haar draai genomen te hebben, vijandig plaatste tegenover de socialisten. 
 + 
 +Maar hoe woelig ook, het was een plezierige tijd, want wij werkten allen eendrachtig tezamen, geleid door hetzelfde schoone ideaal, dat ons veel deed verdragen, en wij ontwikkelden een ongelooflijke mate van aktiviteit. Met reuzenschreden wonnen onze denkbeelden veld, zoowel in de steden als op het platteland. Wij wisten zelfs bres te schieten te Maastricht, een der hoofdplaatsen van het klerikalisme,​ waar Vliegen met zijn Volkstribuun een zeer nuttig werk verrichtte. 
 + 
 +De vrije ontwikkeling stond in onze Nederlandsche beweging veel sterker op den voorgrond dan in andere landen en als ik het leiderschap in de partij heb gehad - en dat valt niet te ontkennen - dan heb ik dat gebruikt om de leiders en dus ook mijzelf zooveel mogelijk overbodig te maken. Het was mij veel meer te doen om zelfstandige,​ onafhankelijke mannen en vrouwen te vormen dan om koninkje te spelen in een kring van dienaren, die niets anders deden dan uitvoering geven aan de bevelen die van mij uitgingen. En hebben niet allen dit begrepen en schaarden zij zich om mij als de leerlingen om hun meester, dit geschiedde meer ondanks dan door mijzelven. 
 + 
 +Zelfs Vliegen laat dit doorschemeren,​ waar hij zegt dat men nooit wist of ik de bewijzen van hulde en vereering, die men mij toebracht, beschouwde als een corvée dan wel of ze mij aangenaam waren. Nooit deed ik volgens hem de minste poging om ze uit te lokken, al deed ik evenmin een poging om er mij aan te onttrekken. Uit die woorden van een tegenstander kan men genoeg afleiden, dat ik mijzelf nooit heb gemaakt tot een centrum van vereering en dus de persoonsvereering,​ mij ten deel gevallen, minder het werk was van mij dan van anderen, die zoo dwaas waren zich daaraan schuldig te maken. 
 + 
 +Eén ding verheugt mij, als ik aan dit alles terugdenk. Het Dagblad van Zuid-Holland en 's Gravenhage schreef in die dagen: ‘als D.N. een transformatie ondergaat, zooals Heldt, dan zal hij fatsoenlijker worden’. Welnu, de transformatie,​ die het blad bedoelt heb ik nooit ondergaan, niemand maakte mij daar ooit een verwijt van en gaarne laat ik den onpartijdige ter beoordeeling over of ik daarbij mijn fatsoen heb ingeboet. 
 + 
 +===== XII. De verkiezing in 1891 en haar gevolgen. ===== 
 + 
 +In den zomer van 1891 moesten de periodieke verkiezingen voor de Tweede Kamer plaats vinden en het was te voorzien, dat de strijd het heftigst zou zijn in de noordelijke provincies in het algemeen, maar in het distrikt Schoterland in het bizonder. Die gehate afgevaardigde moest er tegen elken prijs uit. Had hij zich kneedbaar betoond, zooals meestentijds het geval is, dan zou het wel gegaan hebben, maar hij was even onhandelbaar als toen hij zijn plaats in de kamer innam. Maar zijn vrienden hoopten integendeel niet alleen dat ze hem zouden behouden, neen zij wilden er naast hem nog anderen inbrengen en de kansen stonden zoo slecht niet. Wel spanden allen samen, maar was dit in 1888 ook niet het geval geweest? 
 + 
 +Hoofdzaak was om een geschikten tegenkandidaat te krijgen. Nam men een oud-liberaal,​ dan had men alle kans dat de vooruitstrevenden toch zouden stemmen op den aftredende. Het moest dus iemand zijn, die radikaal getint was. Eindelijk vond men na lang zoeken zijn man in den Amsterdamschen wethouder, mr. Treub, den mede-oprichter van de radikale partij. Het heeft mij altijd bevreemd dat deze zich hiertoe heeft geleend, maar misschien speelde de lust om ook in de kamer te komen, hem leelijke parten. De geheele verkiezing in Schoterland werd beheerscht door geen andere kwestie dan deze: den sociaaldemokraat eruit! 
 + 
 +Zoo'n verkiezingstijd is zeer afwisselend,​ maar ook zeer afmattend. De vrienden te Heerenveen hadden juist een eigen gebouwtje weten machtig te worden, Aurora geheeten. Voor aan de straat had men twee kamers aan beide zijden van een gang, een zit en een slaapkamer, bestemd als woning voor den kastelein. Echter men had nog niemand en nu was dit verblijf klaar gemaakt voor mij en mijn vrouw - ik was juist even te voren getrouwd met mejuffrouw Godthelp, weduwe van den heer Feith, en met een toespeling op den naam mijner vrouw zei men toen in Friesland: nu kan Nieuwenhuis het zeker alleen niet meer af en heeft hij er de hulp van God bijgehaald! - en wij hebben daar in dat gebouwtje onze wittebroodsweken doorgebracht,​ niet in kalmte en afzondering maar te midden van de grootste drukte. Zeker wel een zeldzame wijze van viering! Avond aan avond was er vergadering in het distrikt en meestentijds gingen wij daar in groot gezelschap heen vanuit Heerenveen, om in den nacht terug te keeren. In allerlei herbergen hadden de vergaderingen plaats. Ook de tegenpartij was druk in de weer om te vergaderen en er werd aan beiden zijden gewerkt met voorbeeldeloozen ijver. 
 + 
 +Het kwam tot herstemming met Treub en al was het te voorzien dat ik nu de nederlaag zou lijden, daar allen tegenover mij kwamen, wij hielden den moed erin en dachten: het is in elk geval een uitstekende propagandatijd. 
 + 
 +En zoo kwam het ook uit, de gehate afgevaardigde werd eruit gegooid en Treub gekozen. 
 + 
 +Nu was Treub een voorstander van proportioneele verkiezing en in een groote vergadering te Heerenveen liet hij zich de belofte afpersen, dat als er een radikaal werd gekozen te Winschoten en hier in Schoterland ook, hij het veld zou ruimen voor den sociaaldemokraat,​ daar anders de radikale partij zou vertegenwoordigd zijn door twee personen en de sociaaldemokratische heelemaal niet. 
 + 
 +Daar dit geval nu werkelijk intrad, moest Treub zijn woord wel gestand doen en hoewel het bekend was dat hij dolgraag naar de kamer zou zijn gegaan, wederom zag hij deze kans zijn neus voorbijgaan. Men heeft Treub geprezen om dit bedanken, maar is het peil reeds zoo laag gezonken, dat men iemand moet prijzen, als hij zich houdt aan zijn eenmaal gegeven woord? 
 + 
 +De weg om in de kamer te komen stond nu vrij wel open voor den aftredende en dit te meer, toen hij tegenover zich kreeg een man, die veel minder beteekende dan Treub, te weten den liberalen uitgever Pyttersen. 
 + 
 +Maar nu had men heelemaal gerekend buiten den aftredende, die onder deze omstandigheden vriendelijk bedankte om in de kamer te komen bij de gratie van Treub. Vliegen drukte toen in een 
 +  
 + 
 +artikel van Recht voor Allen geheel het denkbeeld van den aftredende uit, toen hij schreef dat ‘D.N. zedelijk dood ware, indien deze thans nog voor Schoterland werd gekozen en wat men aan anderen niet vraagt, namelijk op welke wijze zij aan hun zetel zijn gekomen, dat zou hem voortdurend voor de voeten worden geworpen’. En hij deed uitkomen dat de eer van onzen afgevaardigde (d.i. den soc- demokratischen) voor de partij meer waard is dan een afgevaardigde in de kamer te hebben. Ja, hij was van oordeel dat ‘men al een parlementair knoeier in hart en nieren moet zijn geworden, om thans nog, na al het gebeurde, te verkondigen dat het doen innemen van den kamerzetel voor Schoterland door 'n socialist, geen eerloosheid zou wezen’. 
 + 
 +Zoo dachten de meeste sociaaldemokraten erover, maar in Friesland had men een andere partij, met name de Friesche Volkspartij,​ onder leiding van dr. Vitus Bruinsma als voorzitter en O. Stellingwerf,​ den redakteur van het Friesche Volksblad, als sekretaris, die een tijdlang grooten invloed in deze provincie uitoefende. Misschien dat later de geschiedenis dier partij eens beschreven zal worden. In Friesland houdt men in alle opzichten van iets dat zich tooit met den naam van Friesch en dit zag men ook hierin. Wat zij eigenlijk was, is moeilijk te zeggen. Immers als zij socialistisch was, waarom dan niet zich geheel aangesloten bij den sociaaldemokratischen bond? En toch anti-socialistisch was zij ook niet. Er bestond altijd een zekere naijver bij de leiders van die partij tegenover de sociaaldemokraten uit Holland en men zag de propaganda van die zijde met leede oogen aan. Friesland werd toen ijverig bewerkt, veelal door jongelieden zooals Luitjes, v.d. Veer, Zwart e.a. Met zekere minachting werden zij door Stellingwerf aangeduid als ‘warmemaalloopers’,​ een zinspeling op de afgescheidenen in vroegere jaren, die het land al predikende afliepen en zich tevreden stelden met een warm maal eten. Hij wilde daarmede te kennen geven dat ze zooveel als klaploopers waren, maar die benaming was zeer slecht gekozen. Immers menschen die daarmede tevreden zijn en geen hooger eischen stellen, kan man moeilijk van klaplooperij beschuldigen,​ neen, die verrichten hun werk uit overtuiging,​ zonder eenig winstbejag, wat van latere sprekers niet altijd gezegd kon worden, vooral niet toen sommigen er een soort van kostwinning van maakten. Het scheldwoord van Stellingwerf was dus een eeretitel. Maar in het gebruik maken van die benaming spiegelt zich een zekere vijandelijke stemming af, die dan ook bestond. 
 + 
 +Nu had men in Schoterland het kieskomitee der Volkspartij,​ het eenige waar ik eigenlijk mee te maken had, want dat waren de lieden die mij als kandidaat stelden. Dit was het met mij eens dat onder deze omstandigheden geen kandidaatstelling moest plaats vinden. Het vaardigde dan ook een manifest uit van den volgenden inhoud: 
 + 
 +Aan de Kiezers! 
 +     
 +    Het Kieskomité der Volkspartij in het distrikt Schoterland heeft besloten onder de gegeven omstandigheden niet mede te doen aan de aanstaande verkiezing. In overleg met haar kandidaat acht de Volkspartij dat het haar eer te na zou zijn, om eventueel een zetel in de Tweede Kamer te krijgen bij de gratie van haar tegenstanders die geen middelen ontzien hebben om de kiezers te misleiden alleen ten einde het aftredend lid, den heer F. Domela Nieuwenhuis,​ te weren. 
 +     
 +    Deze toeleg is gelukt en nu mogen de gevolgen daarvan neerkomen op hen, die dit plan beraamden en ten uitvoer brachten. 
 +     
 +    Achtten de liberaal-radikalen of radikaal-liberalen het nuttig om den eenigen persoon, die de band was tusschen de Kamer en het niet-kiezend proletariaat,​ te doen vallen en dus dien band te verbreken, zij mogen de verantwoordelijkheid dragen van deze hun daad. De verbittering,​ daardoor onder het proletariaat verwekt, komt geheel op hun rekening. 
 +     
 +    De geeuwhonger naar een kamerzetel is noch bij onze partij noch bij onzen kandidaat groot genoeg om alle middelen te gebruiken, ten einde hem te verkrijgen. 
 +     
 +    Hebben de liberalen bij de stembus, vooral in dit distrikt, vooropgeplaatst,​ dat uitbreiding van kiesrecht moet voorgaan aan alle andere dingen, het zal aan hen staan te bewijzen dat het hun hiermede ernst was dan wel of dit gerangschikt moet worden onder de beloften, die vóór de verkiezing gedaan en daarna vergeten worden. 
 +     
 +    Hebben de liberalen zich zelven verlaagd door als kandidaat iemand te stellen, die hen in het openbaar uitschold en zich van hen afscheidde; gooide hun kandidaat zijn eer te grabbelen door een kandidatuur aan te nemen uit de hand eener partij, die hij zelf betitelde met den naam van ‘oude jongejuffrouw’,​ beiden toonden daardoor elkander waardig te zijn. 
 +     
 +    Kiezen zij boven een man, die 3 jaar lang zijn plicht heeft gedaan op een wijze, dat zelfs zijn tegenstanders hem niet bestreden om zijn houding in de Kamer, een dier vele kranige figuren, wier onbekendheid in den lande vergoed wordt door zijn goed stemmen met de liberalen, wij zullen hun dit niet betwisten en laten het terrein vrij om te zien wat er terecht komt van het hervormingswerk,​ dat beloofd werd en waarnaar het volk met reikhalzend verlangen uitziet. 
 +     
 +    De eer van ons beginsel gaat ons boven een kamerzetel en daarom zien wij ditmaal af van het meedoen aan de verkiezing. 
 +     
 +    Wij brengen onzen dank aan de velen die ons steunden en die het bewijs leverden, hoe wij de sterkste partij in het distrikt zijn, die alleen door vereeniging van andere partijen verslagen kan worden. 
 +    Nu zal de gekozene zitten bij de gratie van de Volkspartij. 
 +     
 +    Tot later dus! Immers wij aanvaarden den strijd later en rekenen dan op uw steun. 
 +     
 +    Veler oogen zullen nu geopend worden voor de misleiding waaraan zij blootstonden en zich beklagen dat zij meegingen met een partij die steeds rijk was in beloften maar arm in daden. 
 +     
 +    Wie niet hooren wil, moet maar voelen. Zoo zal deze nederlaag voor ons de weg worden tot een latere zegepraal. 
 +    Namens het Comité. 
 + 
 +Deze onthouding was echter niet naar den zin van het Friesch Comité der Volkspartij,​ dat te Leeuwarden zetelde. Dit schreef heel eigendunkelijk een vergadering uit te Heerenveen en men besloot aldaar om ‘het zoogenaamd kieskomitee in Schoterland onwettig te verklaren’ en het Friesch komitee ‘in de plaats tredende van het Kieskomitee in Schoterland’ noodigde mij uit om alsnog de kandidatuur te aanvaarden. Op een telegram met de moties, aldaar aangenomen en ter mijner kennisse gebracht, antwoordde ik dan ook: ‘ken alleen kieskomitee Schoterland,​ blijf weigeren’. 
 + 
 +Het eigenaardige in deze zaak was, dat het kieskomitee door de verschillende afdeelingen van het distrikt wettig gekozen was ter regeling van de verkiezing, zonder dat iemand òf tegen de samenstelling zelve òf tegen de aktie ervan eenig bezwaar had opgeworpen tijdens de eerste verkiezing en wordt ditzelfde komitee plotseling bestempeld met den naam van ‘zoogenaamd komitee’. En dat door het Friesch komitee te Leeuwarden, dat heelemaal niets met de zaak had uit te staan! Wie had den kandidaat gesteld? Het kieskomitee. Maar heeft dan een komitee, dat een kandidaat stelt, niet evenzeer het recht om te besluiten geen kandidaat te stellen? Een zoo gematigd man als van Zinderen Bakker sprak dan ook in dat komitee aldus: ‘Wie onzer zou zoo laag zijn, om in deze omstandigheden,​ waar het de eer geldt niet van Domela Nieuwenhuis,​ maar van de socialistische Partij, een kandidatuur aan te nemen, als D.N. weigert?​’ 
 + 
 +Later heeft J. van der Wijk uit Oldelamer de zaak precies op haar poten gezet, nadat het Friesche komitee haar op den kop had gesteld en wees aan, dat D.N. ‘in dezen volkomen korrekt is te werk gegaan’ en dat ook ‘het kieskomitee geen meer schuld mag aangerekend worden dan het heeft’. En hij zei terecht: ‘beken het maar ronduit, want daar zit de knoop: het speet ulieden persoonlijk allergeduchtst dat D.N. thans niet weder in de Kamer zou gekozen worden, wat ge in 't belang der volkszaak erg noodig vondt. Daarvoor sloofdet gij u af langs een glad verkeerden weg, nu ge meendet - en terecht! -, dat de kans bij de kiezers schooner stond dan ooit tevoren. Dit heeft uw blik beneveld’. 
 + 
 +De besliste sociaaldemokraten waren het er allen over eens, dat in de gegeven omstandigheden het besluit tot onthouding bij de verkiezingen het beste was en zelfs de Werker te Antwerpen schreef: ‘dat is een flink besluit, dat onzen noordelijken vrienden alle eer aandoet’. Alleen de rechtervleugel,​ de zoogenaamd Friesche Volkspartij-leiders waren ertegen. 
 + 
 +Het mooiste was dat het bestuur der Volkspartij trots de weigering van D.N., dezen toch kandidaat stelde. Molière heeft indertijd den ‘médécin malgré lui’ (den geneesheer tegen wil en dank) geteekend, hier kregen wij den ‘député malgré lui’ (den afgevaardigde tegen wil en dank). 
 + 
 +In een aanbevelingsbiljet dier partij wordt gezegd, dat ‘de eer van D.N. ongekrenkt is gebleven’,​ dat ‘de zetel voor Schoterland rechtmatig aan hem toekomt’, dat ‘hij niets gedaan heeft om hem dien in het minst onwaardig te maken’. Integendeel ‘zoo ooit eenig kamerlid trouw en eerlijk, met ijver en bekwaamheid de belangen van het volk in de Tweede Kamer heeft behartigd, dan is dat D.N.’ 
 + 
 +Daaraan was toegevoegd een aanbeveling van eenige personen, allen leden der Volkspartij in het distrikt Schoterland,​ waarin gezegd wordt, dat ‘onze afgevaardigde met zeldzamen moed, buitengewone volharding en ten opzichte onzer parlementaire wereld met ongeëvenaard talent de rechten en belangen van het volk heeft voorgestaan’. En verder: ‘wie toonde ooit zóó een volksvertegenwoordiger in den goeden zin te zijn als hij? Gij weet het, zelfs zijn hevigste tegenstanders kunnen niets aanwijzen, waarin hij, zelfs in hun oogen, als kamerlid heeft gedwaald. Zelfs in den heftigen verkiezingsstrijd,​ die achter ons ligt, heeft niemand ook maar beproefd onzen kandidaat als kamerlid aan te vallen. Dat kan men niet’! 
 + 
 +Dus aan loftuitingen geen gebrek. En dat uit den mond van menschen, die het optreden van mij in Friesland altijd met ietwat scheeve gezichten gezien hebben, want al was de verhouding van de meesten der bestuurders van de Volkspartij en mij schijnbaar goed en vriendschappelijk,​ men wist hoeveel invloed ik had op de Friesche arbeiders, hoevelen mij beschouwden als hun verlosser - ja, de heer Stellingwerf vertelde eens met verbeten spijt, hoe een arbeider hem eens bij de aanstaande komst van mij in Friesland gezegd had: ‘uus verlosser komt’ - toch wisten de ingewijden ook dat men dit met leede oogen zag en dat die vriendschap niet oprecht gemeend was. 
 + 
 +Deze vereering had voor mij steeds iets drukkends, en toen een arbeider eens zei: meneer, als we maar weten dat u op Frieslands bodem is, dan voelen we onze ellende minder, - trachtte ik hem uit dezen waan te helpen, door te zeggen: maar, vriend, vergeet nooit dat ik jullie niet kan verlossen, al wilde ik het ook, maar dat gij het ten slotte zelven moet doen. 
 + 
 +Het was een uiterst stille verkiezing. Vergaderingen werden niet gehouden. Toch brachten nog 215 kiezers hun stem op mij uit, dus menschen die mij tegen mijn zin op mijn zetel in het Binnenhof wilden zetten ten gevolge van het drijven van het bestuur der Friesche Volkspartij. 
 + 
 +Na een herstemming werd de heer Pyttersen verkozen en deze heeft ondanks alle verschil van meening bij zijn eerste optreden in de Kamer een eeresaluut toegebracht aan den man, wiens plaats hij innam, den heer Domela Nieuwenhuis. 
 + 
 +Ik heb mijzelf dikwijls afgevraagd wat toch wel de reden kon zijn dat het bestuur der Volkspartij mij zoo graag in de kamer zag, totdat mij een oplossing van dit raadsel werd gegeven, die mij nu zeer plausibel voorkomt, door een eenvoudigen Frieschen man, die mij zei. wel, begrijp je dat niet? Dan zal ik het je zeggen. Jij was de deur waardoor zij in de kamer hoopten te komen. Het was dus voor hen van het grootste belang dat die deur openbleef. Nu heb jij haar dichtgedaan en daarom zijn zij boos, want zij vreezen, dat de toegang thans voor hen versperd is. 
 + 
 +Zou deze man niet de spijker op den kop hebben geslagen? Niet om mijnent-, maar om hunnentwil trachtten zij mij in de kamer te brengen en verhieven ze mij hemelhoog. 
 + 
 +In elk geval, het doel der tegenpartij was bereikt. Het was haar te doen, om mij tegen elken prijs uit de kamer te wippen en die toeleg was gelukt. Echter door mijn schuld, want elkeen was het er over eens, dat als ik toen gewild had, mijn verkiezing zoo goed als zeker was geweest. 
 + 
 +Wat mij persoonlijk betreft, ik was gelukkig het Binnenhof den rug te kunnen toekeeren, want ik had er mij nooit thuis gevoeld, omdat ik er niet thuis behoorde. En het is voornamelijk door deze proefondervindelijke methode, door het aanschouwelijk onderwijs, aldaar door mij genoten, dat ik voor goed genezen ben van den waan, dat een sociaaldemokraat in die omgeving iets nuttigs kan doen in het belang van de arbeiders. Als op de vraag of wij op praktische gronden aan het parlement moeten meedoen, de oude Liebknecht in zijn brochure: ‘Die politische Stellung der Sozialdemokratie’ antwoordt: ‘alleen het verraad of de kortzichtigheid kan dit van ons verlangen’,​ dan zeg ik volmondig dat die woorden een diepen indruk op mij maakten. Een verrader noch een kortzichtige wilde ik zijn en dus ik was blijde een plaats te verlaten, die mij tot het een of het andere zou hebben gemaakt. 
 + 
 +Nu heeft men later een legende aangekweekt,​ die nationaal zoowel als internationaal werd verspreid, nl. dat mijn niet-herkiezing de oorzaak is van mijn antiparlementarisme en dat dit dus in den grond der zaak aan niets anders te wijten is dan aan gekwetste ijdelheid. De feiten spreken te duidelijk en dus de vermelding daarvan is de beste weerlegging. 
 + 
 +Op het Internationaal Socialistenkongres te Parijs in 1889, dus toen ik nog hoog en droog als kamerlid zitting had, verklaarde ik mij onverholen tegen het parlementarisme en liep daarover een berisping op van Liebknecht. Van nature ben ik niet parlementair aangelegd en zoo weinig lachte mij het kamerlidmaatschap toe, dat ik er nooit sterk naar verlangd heb. Toen ik dan ook voor de eerste maal (1888) een aanzoek kreeg uit Weststellingwerf om een kandidatuur te aanvaarden, antwoordde ik haar liever niet aan te nemen en verwees tevens naar Croll, die naar mijn meening veel meer geschiktheid bezat voor een parlement dan ik. Later ben ik gezwicht en wel voor een zeer praktisch argument, waarvan ik de juistheid niet kon loochenen. Op een onzer kongressen - ik meen te Heerenveen - kwam de vraag der kandidaturen ter sprake en toen niet alleen ik maar ook anderen bedankten, zei een der afgevaardigden uit Friesland: maar nu wordt het voor ons toch gekker om ons zoo warm te maken voor algemeen kiesrecht. Eerst hebben onze voormannen als D.N. al hun best gedaan, om ons die zaak met geestdrift te doen aanpakken en nu het erop aankomt om over te gaan tot de toepassing, tot de praktijk en ons in de verkiezingen te werpen, nu laat gijlieden ons in den steek. Zoo gaat bij ons de liefhebberij er ook af. Dit argument was zoo pakkend, dat er niet veel tegen viel in te brengen en het gevolg daarvan is geweest dat ik de kandidatuur voor Schoterland aannam, met het bekende gevolg dat ik verkozen werd. 
 + 
 +Zeker, mijn verblijf in de kamer heeft mijn afkeer van het parlementarisme verscherpt en is het niet natuurlijk, dat waar de ervaring de beste leermeesteres is, mijn ervaring mij afkeerig maakte van een stelsel, dat zoo irrationeel is? Welk verstandig mensch kan beweren dat in een vergadering van 100 personen 51, dat is de helft plus één, het bij het rechte einde heeft en het recht heeft een wet op te leggen aan de helft min één? Dat 51 van de 100 menschen het altijd beter weten, is zoo'n ongerijmdheid,​ dat men die stelling in geen vergadering van verstandige helft min één het bij het rechte eind heeft. Dat zou natuurlijk even ongerijmd zijn. Het kan zelfs best gebeuren dat geen van beiden gelijk hebben. Maar waar het parlementarisme tot grondslag een dergelijke ongerijmdheid heeft, daar kan een verstandig mensch zich daarmede moeilijk homogeen verklaren. Geen wonder dat de gevolgen van zoo'n stelsel zoo allergebrekkigst zijn en bovendien de deuren wijd opengesteld worden voor intrigues, omkooperij en korruptie. 
 + 
 +* * * 
 + 
 +Hier ter plaatse kan ik het best inlasschen een aardige episode uit mijn leven, ongeveer in dezen tijd, ietwat later eigenlijk, afgespeeld - het was in 1893 -, die een eigenaardig licht werpt op de katholieken en die bij mij altijd een gunstigen indruk heeft achtergelaten. 
 + 
 +Te Heerlen, toen nog een heel landelijk dorp, dat niet aan de spoorlijn gelegen was, een zeer klerikaal middenpunt, leefde toen broeder Aloysius, een geliefde leerling van den beroemden pastoor Kneipp, den man van de waterkuur en die daar in het klooster ook een zeer druk bezochte inrichting had, geheel op den leest geschoeid van die van genoemden pastoor. 
 + 
 +Ik kwam daarheen voor de gezondheid van mijn vrouw, maar vreezende dat als men wist wie ik was, men de bevolking tegen mij zou ophitsen, zoodat wij genoodzaakt zouden worden om weer heen te gaan en dus de kuur niet kon worden gedaan, verkeerde ik daar onder den naam van mijn vrouw en noemde mij dus Godthelp èn bij den broeder èn bij de menschen waar wij kamers hadden èn ook bij de post. 
 + 
 +Dit is ongeveer zes weken goed gegaan en wij waren daar heelemaal ingeburgerd,​ zoodat wij bij de gastvrije, eenvoudige bevolking goed stonden aangeschreven. Bij den een dronken wij eens een kop koffie, bij den ander aten wij de bekende Limburgsche ‘vla'​s’,​ meestentijds gevuld met vruchten. Eens dat wij voor een paar dagen naar Maastricht waren geweest en wij dus het plaatselijke blad van Heerlen, de Limburger Koerier niet gelezen hadden, kwam mijn vrouw volgens gewoonte op het spreekuur bij den broeder. Hij zei lachend tot haar: nu, dat is 'n mooi stukje in de krant. 
 +  
 +- Wat bedoelt u? vroeg mijn vrouw. 
 + 
 +- Nu, gij zoudt niet gelezen hebben wat er in de krant staat! 
 + 
 +- Heusch, neen, gaf zij ten antwoord. 
 + 
 +En toen haalde hij de krant te voorschijn en liet aan mijn vrouw het volgende bericht lezen: 
 + 
 +EEN HOOGE GAST. 
 + 
 +    Heerlen, 8 Juli. Naar wij uit goede bron vernemen bevinden zich sedert een paar weken in ons midden de heer en mevrouw F. Domela Nieuwenhuis. Het hoofd der socialistische partij in Nederland vertoeft hier incognito, onder den naam zijner echtgenoote,​ Godhelp. Hij houdt zijne vrouw gezelschap, die zich onder behandeling heeft gesteld van Br. Aloysius en sedert een maand de Kneippkuur volgt. 
 +     
 +    Ook de heer Nieuwenhuis draagt Kneipp-sandalen,​ doch doet overigens aan de kuur niet mede. Behalve op een wandeling met zijn vrouw ontmoet men den heer Nieuwenhuis niet en hij leidt blijkbaar een zeer bezig leven. Zelfs tijdens de korte oogenblikken,​ dat een Zuster zijne vrouw een ‘Guss’ toedient, wacht hij haar buiten met het notitieboek in de hand, daarin zijn gedachten af en toe neerschrijvend. 
 +     
 +    Vooral voert hij een zeer drukke correspondentie - en 't schijnt aan deze te wijten, dat zijn incognito thans is opgeheven. Zeer trok het de aandacht der buren, dat de telegrambesteller hem zoo dikwijls een bezoek bracht; soms kreeg hij, naar men zegt, wel tien, twaalf telegrammen op één dag. En daarbij was de gang naar postkantoor en brievenbus haast zijn eenig onverzeld uitstapje. 
 +     
 +    Zoo veel buitengewoons trok de aandacht en daar waren er spoedig, die den typischen Christus-kop van Domela Nieuwenhuis in 's mans hoofd meenden te herkennen. Alleen vonden zij, die den hoofdman der socialisten wel eens gezien hadden, dat zijn baard zeer vergrijsd was. 
 +     
 +    Nader onderzoek bevestigde de vermoedens. 
 + 
 +Daar kwam uit goede bron bericht als volgt: 
 +     
 +    ‘Mevrouw Nieuwenhuis volgt op 't oogenblik, onder haar eigen naam, Godhelp, de Kneipp-kuur te Heerlen. Zij is een knappe vrouw, doch gaat eenigszins mank, aan welk euvel zij lijdt tengevolge van een val, reeds vóór haar huwelijk met den heer Domela Nieuwenhuis gedaan.’ 
 +     
 +    ‘De heer Nieuwenhuis houdt haar gezelschap, en voert, om onbekend te blijven, den naam zijner vrouw. Wie Domela Nieuwenhuis sedert een paar jaren niet meer zagen, zullen bemerken, dat zijn baard grijzer is geworden. Hij laat thans zijn haar, dat hij tijdens zijn Kamer-lidmaatschap geknipt droeg, weer lang groeien.’ 
 +     
 +    Deze inlichtingen komen, ook wat de persoonsbeschrijving betreft, geheel uit. Het lijdt dus geen twijfel meer, of wij kennen thans het interessante paar Kneipp-kuur-gasten bij hun ware namen. Wij houden ons evenwel overtuigd, dat zij ook thans en in den vervolge dezelfde gastvrijheid zullen genieten, welke hun tot dusver werd verleend. En moge de heer Nieuwenhuis dan voor zijn echtgenoote hier vinden wat hij zoekt! 
 +     
 +    P.S. Naar we zooeven vernemen, aanvaardde de heer Domela Nieuwenhuis gisteren een reis naar het buitenland. 
 + 
 +Toen zij dit stukje gelezen had, zei de broeder tot haar: nu het zal mij een groote eer zijn, als het mij gelukt de vrouw van den heer Domela Nieuwenhuis te genezen. 
 + 
 +Daarbij kwam dat ik thuis komende een briefje vond van den heer Weyenhorst, den uitgever van den Koerier, een gemoedelijken Limburger, waarin deze mij schreef dat als ik soms last mocht hebben in mijn verblijf, hij zijn huis voor mij openstelde en het hem een eer zou zijn mij te herbergen. 
 + 
 +Ik ondervond niet de minste teekenen van boosheid, maar het zou, nu bevolking ons eenmaal kende, ook niet gelukt zijn haar tegen ons op te zetten. 
 + 
 +Zoo gaat het meestentijds. Als de menschen elkaar wat nader kennen en dus weten dat zij niet zulke baarlijke duivels zijn, als zij worden afgeteekend,​ och dan leven de menschen vreedzaam naast en met elkaar. Alleen dan wanneer geloofshaat en fanatisme de menschen tegen elkaar opzetten, dan gaan zij elkander vervolgen en weet de haat hen te verdeelen. 
 + 
 +Dit is een bewijs van verdraagzaamheid geweest, dat men niet zou verwacht hebben. 
 + 
 +Bij het vertrek bezocht ik den heer Weyenhorst en deze zei bij het afscheid: nu als gij het ooit noodig hebt, zal het mij een plezier zijn u van dienst te wezen. 
 + 
 +En dat het hem hiermede ernst was, dat toonde hij later. Ik was namelijk op een fietstochtje geweest naar Aken en kwam vandaar te Heerlen. Toen ik bemerkte dat ik geen geld genoeg bij mij had, om naar huis te komen, dacht ik aan hetgeen de heer Weyenhorst mij eens gezegd had. Ik naar hem toe en toen hij mij zag, begroette hij mij op dezelfde joviale wijze. Wel, zei ik tot hem, gij hebt mij indertijd gezegd dat gij mij graag van dienst wilt zijn; nu dat kunt ge en daarom kom ik bij u. Ik heb geen geld genoeg om thuis te komen en nu zoudt ge mij genoegen doen als ge mij wat wildet leenen. - Welzeker, was het antwoord, en hoeveel wilt gij hebben? Ik meen dat ik vijf en twintig gulden vroeg. Hij gaf ze mij direkt, zoodat ik goed thuis kon komen, om hem vandaar met een dankbetuiging het geleende geld terug te zenden. 
 + 
 +Inderdaad een aardige episode, waaruit blijkt hoe de klerikaal en de sociaaldemokraat best met elkander kunnen omgaan, als er geen pastoors tusschen komen. De heer Weyenhorst zei mij nog: ja, ja, ik weet wel hoe pastoor Thissen dikwijls met u kibbelt en hoe gij elkaar te lijf gaat van tijd tot tijd, maar dat doet er niets toe. Dat bepaalt zich alleen tot het blad, maar niet tot het leven. En zoo heb ik van deze klerikalen een gunstigen indruk behouden. Nogmaals, de menschen zijn zoo kwaad niet, alleen wanneer zij tegen elkander worden opgezet door het geloof of de politiek, verscheuren zij elkander als wilde dieren. 
 + 
 +Ik stel mij daarom ook voor, dat als alle kinderen met elkaar in dezelfde school zaten op dezelfde banken, het onmogelijk zou zijn, dat zij zoo vijandig tegenover elkaar kwamen te staan als ‘vervloekte papen’ en ‘smerige geuzen’. Of als men dan later de menschen tegen elkaar wil opzetten, dan gelukt het zeker minder. want dan herinnert men zich hoe men vaak bevriend was juist met zoo'n vervloekten paap of smerigen geus en men zegt: neen, dat maken ze mij niet wijs, dat dat zoo'n slecht mensch is, ik heb hem veel te goed gekend op de school. En wat zou het veel beter wezen in de onderlinge verhoudingen,​ als men elkaar kende en daardoor waardeerde! Maar helaas! stelselmatig is de verdeeldheid aangekweekt en daardoor de haat tusschen burgers onderling bevorderd. 
 + 
 +===== XIII. Het eerste Internationale Socialistenkongres te Parijs (1889). ===== 
 + 
 +**Twee socialistische kongressen te Parijs. - Poging om ze tot eenheid te brengen. Mijn standpunt in zake het parlementarisme. - Protest van Liebknecht. - Boosheid van de ‘Sozialdemokrat’ te Zürich - Geen socialistische eischen werden gesteld. - Besluit tot een internationale agitatie voor den achturendag. - Eerste zwakke poging tot propageering van de algemeene werkstaking.** 
 + 
 +Reeds verschillende malen en in onderscheidene landen waren er stemmen opgegaan, die vroegen of de tijd niet was gekomen om de oude Internationale,​ die zoo jammerlijk te gronde was gegaan door persoonlijke twisten, waaraan echter wel degelijk - en men vergete nooit dat personen- en beginselkwesties moeilijk gescheiden kunnen worden, daar zij ineenvloeien - beginselkwesties ten grondslag lagen, na zulke hoopvolle en grootsche verwachtingen bij het proletariaat gewekt te hebben, weer te herstellen. Maar in Duitschland vonden ze niet veel weerklank bij de leiders en zonder dat land is een werkelijke Internationale onmogelijk. 
 + 
 +Daar kwam in 1888 een uitnoodiging van het Parlementair Komitee der Engelsche Trades Unions aan het proletariaat der geheele wereld, om een internationaal kongres te Londen te komen bijwonen. Twee groote landen, Duitschland en Oostenrijk, werden ten gevolge van de exceptioneele verhoudingen,​ waarin die rijken verkeeren, buitengesloten. Dit was een bekrompen opvatting van dat komitee, want daardoor verloor het kongres van den aanvang af zijn werkelijk internationaal karakter en werd het om zoo te zeggen een rompkongres. 
 + 
 +Maar in alle landen vond die uitnoodiging een gretig onthaal en men zond dan ook afgevaardigden daarheen. Zes natiën waren vertegenwoordigd,​ waaronder Holland met 9 afgevaardigden uit de verschillende vakbonden. Op dat kongres werd met vijf tegen één natie (Engeland) en onder luid gejuich besloten tot de oprichting van een nieuwe Internationale op een zoo breed mogelijken grondslag, zoodat zij het geheele proletariaat kon omvatten. Verder besloot men tot het houden van een Internationaal kongres te Parijs ter herdenking van de groote revolutie van 1789, die in Frankrijk op feestelijke wijze door het houden van een wereldtentoonstelling zou herdacht worden. Aan de Fransche Arbeiderspartij werd de regeling van dit kongres opgedragen. Echter de socialisten waren in Frankrijk jammerlijk verdeeld en het was te voorzien dat nu de zaak in handen was gesteld van de zoogenaamde Possibilisten,​ aan wier hoofd de oud-anarchist dr. Paul Brousse stond, de zoogenaamde Guesdisten of Marxisten, zoo genoemd naar den ex-anarchist Jules Guesde, die met Paul Lafargue, den schoonzoon van Marx, de socialisten heelemaal wilde fatsoeneeren naar Duitsch model, niet zouden meedoen en daar deze de Duitsche sociaaldemokraten achter zich hadden staan, zouden deze hun vrienden niet in den steek laten. De hartstochten waren te sterk opgewekt dan dat een vereeniging van deze frakties denkbaar zou geweest zijn. Verschillende pogingen zijn gedaan, maar zij stuitten allen af op den onwil van beiden. 
 + 
 +De Marxisten beraamden ook een kongres en ten huize van mij te 's Gravenhage had een samenkomst plaats, waaraan Liebknecht en Bebel voor Duitschland,​ Volders en Anseele voor België, Lafargue voor Frankrijk, Scherrer voor Zwitserland en Croll en mijn persoon voor Holland deelnamen, terwijl ook Bernstein, die toen te Londen woonde, tegenwoordig was, ofschoon niet als afgevaardigde. Liebknecht vertelde op het kongres te Parijs, dat de Duitsche sociaaldemokraten reeds van het kongres te St. Gallen de opdracht hadden een internationaal kongres bijeen te roepen. Echter toen men vernam dat de Engelsche Trades Unions een internationaal kongres naar Londen samenriepen in 1888, zagen de Duitschers van alle verdere voorbereiding af om zich aan te sluiten aan het Londensche, in de vaste onderstelling dat het Parlementair Komitee van de Trades Unions voorwaarden zou toelaten, waardoor het mogelijk werd voor de landen die in een exceptioneelen toestand verkeerden, zooals Duitschland en Oostenrijk, om daaraan deel te nemen. In die landen toch mocht men niet officieel deelnemen aan zulk een internationaal kongres zonder dat men een strafvervolging zou oploopen, evenmin als Duitschland officieel kon meedoen aan de oude Internationale. Direkt zouden alle arbeidersorganisaties ontbonden en haar kassen gekonfiskeerd zijn geworden. Ofschoon het Engelsche komitee dit zeer goed wist, bleef het volharden bij het besluit, om geen andere afgevaardigden toe te laten dan die een regelmatig mandaat hadden. Dit stond gelijk met een stelselmatige uitsluiting van beide landen, waartegen Amerika en Zwitserland protesteerden door weg te blijven van het Londensche kongres. Een kongres, op die wijze samengesteld,​ en de besluiten aldaar genomen, hadden dus voor Duitschland niet de minste waarde. Daarbij kwam dat slechts één fraktie in Frankrijk de opdracht had om een internationaal kongres samen te roepen en dat terwijl de andere fraktie ook een internationaal kongres te Parijs had uitgeschreven op de meest liberale grondslagen. Er zouden dus twee kongressen in plaats van één worden gehouden. Nu hadden de Duitschers ook de Possibilisten uitgenoodigd tot de samenkomst in 's Gravenhage, maar zij weigerden om formeele redenen. De konferentie in den Haag stelde slechts twee voorwaarden:​ 1o. dat het kongres soeverein zou zijn in de bepaling zijner dagorde en in het onderzoek der mandaten en 2o. dat de uitnoodiging en de oproeping tot het kongres zou uitgaan van alle socialistische partijen en onderteekend zou worden door de Possibilisten en de gevolmachtigden der kongressen van Bordeaux en Troyes, d.w.z. door de Guesdisten. De Possibilisten weigerden dit en beriepen zich op de opdracht, hun alleen gegeven door het Londensche kongres en meenden dat de Engelschen, die in dit opzicht zeer formeel zijn, hierin wel eens reden konden vinden om niet deel te nemen aan het kongres, waardoor het internationaal karakter geheel zou te loor gaan. Indien de Possibilisten zoo hardnekkig vasthielden aan hun opdracht, dan moet dit oppervlakkig vreemd schijnen, maar het liep hier over de suprematieder frakties. Zij wisten hoe de Marxisten krachtens de traditie dezer omsprongen met de mandaten, getuige het Haagsche kongres der oude Internationale waar mandaten gefabriekt werden om Marx een meerderheid te bezorgen tot uitdrijving van Bakunine en zij vreesden dat allerlei groepen, misschien van twee of drie personen en gevormd alleen met het oog op 't kongres, mandaten zouden geven, waardoor de feitelijke en sterke arbeidersorganisaties,​ gelijkgesteld met deze kunstmatige groepen, evenveel invloed zouden hebben en zij dus door de andere fraktie geheel op den achtergrond zou geplaatst worden. 
 + 
 +Liebknecht stelde de volgende motie op het kongres voor: 
 + 
 +‘Het kongres erkent, dat de leden der Haagsche konferentie en van het Parijsche organisatiekomitee hun oprechten wensch getoond hebben om een samengaan van alle socialistische partijen en arbeidersorganisaties op het internationaal kongres tot stand te brengen en betreurt het, dat de schreden, gedaan om zulk een samengaan te verkrijgen, niet tot het doel hebben geleid. Wij spreken het uit, dat de eenheid de onvoorwaardelijke voorwaarde is voor de bevrijding van het proletariaat en dat het daarom de plicht is van elken sociaaldemokraat geen pogingen na te laten, die kunnen bijdragen tot onderdrukking van de tweedracht. 
 +     
 +Het kongres verklaart, dat het ook nu nog bereid is tot vereeniging,​ aangenomen dat de groepen van het andere kongres een resolutie aannemen in dien zin, die aanneembaar is voor alle leden van ons kongres. 
 + 
 +Wij dienen hier te zeggen dat het standpunt in verschillende landen hierop neerkwam: wij hebben niets te maken en willen ons niet bemoeien met de inwendige twisten der Fransche socialisten,​ maar wij wenschen dat zij deze op dit kongres ter zijde zullen laten om gemeenschappelijk samen te komen. Zoo zonden verschillende landen afgevaardigden met bepaalden last om de eenheid te bevorderen. Holland vaardigde personen of voor het eene zoowel als voor het andere kongrs, die beiden de opdracht hadden elk in zijn kongres die eenheid tot stand te brengen. België desgelijks en wij meenen ook Itälië, dat al zijn best deed de eenheid tot stand te brengen. 
 + 
 +In de diskussie gaf William Morris te kennen, dat de Possibilisten slechts een verkiezings-opportunisme en geen socialisme voorstonden. Als wij, zoo zei hij, overgaan naar het andere kongres, zullen wij slechts een socialistisch cachet afdrukken op een bourgeois-vergadering. Beide kongressen zijn te veel uiteenloopend,​ om samen te kunnen smelten. Hier streeft men naar afschaffing van het arbeidsloon,​ daar naar niets anders dan naar zwakke hervormingen. Wij zijn revolutionaire socialisten en hebben niets te maken met Cadettisten. (Zoo heetten de Possibilisten,​ naar de Rue Cadet waar zij hun zetel hadden opgeslagen). 
 + 
 +Morris, loyaal als hij was, kende de ondergrondsche intrigues niet, die van Marxistische zijde waren aangelegd, en daarom meende hij dat de zaak liep over een min of meer revolutionair en vooruitstrevend karakter van beide kongressen. Maar dat was het geval niet, zooals overtuigend bleek uit de resolutie van beide kongressen op het stuk der arbeidswetgeving. Beiden toonden een zeer opportunistisch en possibilistisch karakter. 
 + 
 +Andrea Costa uit Italië, Volders uit België deden al hun best om de samensmelting tot stand te brengen en Cipriani, de bekende Italiaansche afgevaardigde,​ sloeg den spijker op zijn kop, toen hij zei dat zonder eenheid de proletariërs de slaven blijven van hun broodheeren. Wij behoeven één enkel kongres, waarin geen plaats is voor persoonlijke geraaktheid en ijdelheden der leiders. De eenheid dringt zich op. In denzelfden geest van verzoening sprak ook dr. Cesar de Paepe uit Brussel. Namens Holland werd een poging gedaan de eenheid tot stand te brengen door het voorstellen van de volgende motie, die naar wij meenen ook op het andere kongres is ingediend:​ 
 + 
 +Het kongres, 
 + 
 +  * met droefheid waarnemende,​ dat alle bemoeiïngen om zich tot één eenig kongres te vereenigen, zonder resultaat zijn gebleven, 
 +  * overwegende dat de dagorde van beide kongressen bijna geheei dezelfde is, 
 +  * overwegende dat de eenheid der arbeiders van de geheele wereld de plicht is van allen, 
 +  * besluit, dat de samensmelting van beide kongressen is aangenomen, dat men van weerszijden de mandaten geldig zal verklaren en dat zoodra het andere kongres een gelijkluidende resolutie heeft aangenomen, een kommissie benoemd zal worden, om tot overeenstemming te komen over de vereeniging van beiden. 
 + 
 +Werkelijk scheen het een oogenblik alsof deze poging zou gelukken, vooral toen ik gewezen had op het woord van onzen doorluchten vriend en meester Karl Marx, met groote letteren geschreven op een doek in de zaal: Proletariërs van alle landen, vereenigt u. Marx, zoo zei ik, heeft niet gezegd: Socialisten van alle landen, maar Proletariërs van alle landen. Welaan, dit evangelie verkondigen wij. Wij mogen deze leer geen doode letter laten blijven, wij moeten haar in toepassing brengen. Men zegge niet: er bestaat slechts ééne werkelijk katholieke kerk en alle anderen zijn ketters en afvalligen. Ik bezwoer allen dat wij op dat oogenblik waarop het oog der geheele wereld op Parijs en op de houding der socialisten was gericht, niet het genoegen te gunnen aan de bourgeoisie om een verdeeldheid te zien in het leger der socialisten. De verdeeldheid van ons is haar triomf en onze schande. Wanneer de afgevaardigden,​ van overal hierheen gekomen, eenparig zeggen: ‘wij vieren den verjaardag der Fransche revolutie! Wij achten het een voortreffelijk denkbeeld, dat op dit feest de socialisten der geheele wereld zich aan elkander aaneensluiten’ - dan hebben wij het recht te verlangen, dat de beide socialistische partijen van Frankrijk voor dit oogenblik een wapenstilstand sluiten, zoodat wij tot onze vreugde en tot heil van het gezamenlijk proletariaat aan de geheele wereld het schouwspel bewaren van twee kongressen op denzelfden tijd in dezelfde stad met hetzelfde doel en met bijna dezelfde dagorde samengekomen. Het kapitalisme zal sidderen, als het de vereenigde socialisten gemeenschappelijk tegen zich ziet opmarscheeren. Onze krijgsleuze moet zijn: Weg met het kapitalisme! Leve het revolutionair socialisme! 
 + 
 +Zelfs het verslag zegt, dat deze rede met lang en aanhoudend applaus begroet werd en eindigde onder levendigen bijval. 
 + 
 +Maar niets mocht helpen. De motie van mij werd verworpen en die van Liebknecht aangenomen. 
 + 
 +Een persoonlijk gesprek met Lafargue had mij vooraf de overtuiging geschonken dat men geen samensmelting verlangde, ja zelfs dat bij aanneming ervan de Guesdisten het kongres verlaten zouden hebben. Zelfs ontdekte ik sints dien tijd een verkoeling bij Lafargue, die vóór dien tijd in alles zoo vriendelijk en tegemoetkomend tegen mij was. 
 + 
 +Overigens ofschoon Marxist was ik niet verblind en keek ik uit mijn eigen oogen hier zoowel als altijd. 
 + 
 +Later ontdekte ik dat er eigenlijk een Marxistische kliek bestond, waartoe ook ik werd gerekend, en deze zou het socialisme in alle landen precies naar hetzelfde, d.i. het Duitsche model fatsoeneeren. Onder de ingewijden behoorende, vernam ik dan ook velerlei wat anderen niet te weten kwamen, want men vertrouwde mij. Het kongres te Parijs maakte in dat vertrouwen de eerste scheur en deze is steeds grooter en grooter geworden. 
 + 
 +Idealist als ik was, moest ik heel wat teleurstellingen ondervinden en mijn ongeluk of mijn geluk is geweest dat ik mij nooit zoodanig gesnoerd heb in eenig partijverband,​ om daaraan alles ondergeschikt te maken. Het partijleven oefent steeds een bedervenden invloed uit, daar men de oogen sluit voor zooveel verkeerds in de partij om ze dubbel en dwars open te zetten voor de kleinste afwijkingen in andere partijen. 
 + 
 +Juist dat meten met twee maten, waartoe het partijleven leidt, is zoo verderfelijk. 
 + 
 +Zoo maakte nog een andere, schijnbaar kleine gebeurtenis een diepen indruk op mij. Vóór het kongres werden de zoogenaamde toongevers uitgenoodigd aan een maaltijd bij het Parijzer gemeenteraadslid Daumas, een rijk man, die leefde in een zeer weelderige omgeving. Het heette dat men enkele personen had gevraagd om tezamen te komen en met elkaar de regeling van het kongres te bespreken. Ik bemerkte dat daar alles moest klaar gemaakt worden, wat aan het kongres eenvoudig ter slikking werd voorgezet. De verschillende partijleiders uit de onderscheidene landen waren daar bijeen. Een schitterend diner werd ons daar voorgezet, dat gerust den toets kon doorstaan met de diplomatische diners in de regeeringskringen,​ die door ons zoo worden afgekeurd. Wij zaten daar met 20 à 25 personen en achter tafel werd gediend door twee knechts met rok en witte das. Ik weet mij nog goed te herinneren dat ik mij schaamde tegenover hen. Zoo naïf was ik nog! Immers bij mij rees de gedachte: wat moeten die mannen bij zichzelven wel denken, als zij de leiders der socialisten zoo precies dezelfde allures zien aannemen van de bourgeois? Hier als overal: de leiders, de regeerders aan het smullen te midden van rijkdom en weelde en elders de geregeerden in kommer, zorg en gebrek. En het scheen dat niemand dit gevoelde. Maar ik gevoelde het wèl. En nooit werd de herinnering aan dit diner, dat ik zoo plechtstatig niet verwacht had en waaraan ik zeker geen aandeel zou hebben genomen als ik den aard ervan had kunnen vermoeden, geheel bij mij uitgewischt. Ik zag er iets huichelachtigs in, dat mij deed denken aan Heine'​s satire op de geestelijken,​ die in het openbaar water predikten maar in 't geheim wijn dronken. Mijn straf - als ik straf verdiend had -, bleef trouwens niet uit: de opgedragen gerechten waren allen vleeschspijzen,​ waarvan ik als vegetariër geen gebruik maakte. En met een hongerige maag en een bitter gemoed verliet ik het festijn. 
 + 
 +Het geheele kongres te behandelen ligt niet in mijn bestek. Alleen zij vermeld dat men evenals zulks gebruikelijk is op alle kongressen zijn besten tijd verloren deed gaan, zoodat er eigenlijk geen tijd overbleef voor de punten van 't kongres. Of dit met opzet geschiedt, om des te meer kans te hebben de vooraf opgemaakte resoluties te doen aannemen dan wel dat het een zekere vloek is die rust op alle kongressen, zal ik onbesproken laten. Bij het punt Internationale Arbeidswetgeving hield ik een redevoering,​ die volgens het verslag aldus luidde: 
 + 
 +‘Burger Domela Nieuwenhuis,​ Hollandsch afgevaardigde,​ begint te konstateeren dat naar het hem voorkomt, het kongres een groot succes is zooverre dat het de eenheid der socialisten in de geheele wereld doet zien maar gebrekkig ten opzichte van de orde van den dag, waarmede men pas den laatsten dag begonnen is, en waar niemand, behalve enkele bevoorrechten,​ langer dan vijf minuten mag spreken. Welnu, ik verklaar geen toovenaar te zijn, in staat om zulk een gewichtig en moeilijk vraagstuk in zoo korten tijd af te handelen. Daarom zie ik van het woord af, wat de vraag zelve betreft. Maar ik vraag uw aandacht om eenige opmerkingen te maken naar aanleiding der rede van mijn vriend de Paepe. 
 + 
 +Ik verwacht niets van het parlementarisme juist omdat ik lid ben van een parlement, omdat ik de heele komedie gezien heb. Allen die leden zijn van een parlement, vraag ik door onzen voorzitter Cunningham Graham, lid van het Engelsche parlement, of gij al dan niet iets verwacht van het parlementarisme. Het woord ‘parlement’ is samengesteld uit twee woorden, die volgens een geestig schrijver het karakter ervan geheel kenmerken, nl. uit parle (parlare = spreken) en ment (mentire = liegen). De parlementen zijn dus vergaderingen waarin men spreekt en liegt. Wie kan de parlementen duidelijker en korter teekenen? De parlementen zijn pratende vergaderingen en dat ligt niet alleen aan de personen, maar aan het stelsel. Wij hebben het hier gezien. 
 + 
 +Ons kongres is samengesteld uit uitverkorenen;​ geen parlement der wereld kan vergeleken worden bij dit hier en toch vraag ik u of het niet dezelfde fouten gemaakt heeft? Men heeft veel gepraat, zelfs te veel en ten slotte is men gedwongen tot stemming over te gaan en resoluties aan te nemen, die vooraf zijn klaar gemaakt, zonder den tijd of de gelegenheid te hebben ze ernstig te behandelen. De fout ligt dus in het stelsel. Maar nemen wij voor een oogenblik aan, dat wij over de geheele linie getriomfeerd hadden; nemen wij aan, dat wij een arbeiderswetgeving hadden, zooals wij die wenschen, zegt mij eens of ge gelooft dat er veel zou veranderen in den algemeenen toestand ten gunste der arbeiders? Als men mij die vraag voorlegt, dan zal ik vrijmoedig zeggen dat de ergste streek, die de regeeringen ons kunnen spelen, hierin bestaan zou, dat zij al onze voorstellen aannam, want voor 20 à 25 jaren zou elke revolutionaire socialistische beweging met lamheid zijn geslagen. Gelukkig dat de regeeringen blind zijn en den toestand niet begrijpen. Voor mij bestaat het grootste gevaar wat de invoering van den achturendag betreft hierin dat zij voor de arbeiders in elk geval een geduchte teleurstelling zal zijn, want de arbeiders kunnen doen wat zij willen, zij kunnen den achturendag invoeren, zij kunnen landverhuizen,​ zij kunnen zich onthouden van trouwen of het Nieuw Malthusianisme toepassen, ja heelemaal geen kinderen voortbrengen - het kapitaal zal altijd middelen vinden om zich te behoeden voor een loonsverhooging,​ die op 't kapitaal neerkomt en zal zich zijn buit zoo gemakkelijk niet laten ontgaan; alleen met geweld zal men er dezen aan kunnen ontrukken. 
 + 
 +Zoolang de kapitalistische produktiewijze bestaan blijft, zal het loon zich niet verheffen boven hetgeen noodig is voor het behoud der produktieve kracht. De kapitalisten,​ die meesters zijn van de regeering, zullen den achturendag geven, als zij zullen zien dat dit het eenige middel is om zich staande te houden en zoolang zij de meesters zullen blijven, zullen de arbeiders slaven zijn. Het hoogste wat de arbeiders zullen bereiken, zal hierin bestaan dat de slavenketenen gewikkeld zullen worden in zijde of fluweel, maar de ketenen zullen ketenen blijven. Dan zullen de arbeiders zien, dat het kwaad niet schuilt in den arbeidstijd en niet in het loon, anders zouden de nadeelige gevolgen moeten uitblijven bij het wegvallen van de oorzaken, maar dat de oorzaak van het kwaad de geheel onrechtvaardige en onvoldoende verdeeling van het arbeidsprodukt is. Zonder deze oorzaak weg te nemen, zal men de ellende en de slavernij nooit doen verdwijnen. 
 + 
 +Caroll Wright, sekretaris van het statistisch bureau in de Vereenigde Staten, heeft dit zeer goed begrepen, toen hij zei: ‘een der belangrijkste vragen, die een oplossing vragen, is de vraag hoe de steeds toenemende arbeidsprodukten onder de producenten op een evenredige en rechtvaardiger wijze te verdeelen, want de onvoldoende verdeeling en niet de overproduktie is het groote kwaad, waaraan het sociale lichaam lijdt. Het kapitaal neemt nu het leeuwenaandeel en daarom worden de arbeiders gedwongen zich te organiseeren en dreigen zij te agiteeren tegen het kapitalisme. Het konflikt tusschen kapitaal en arbeid kan slechts opgelost worden door de afschaffing van het loonstelsel en de vervanging ervan door den gemeenschappelijken arbeid’. 
 + 
 +Ziethier het kwaad en ziethier het middel ter redding. Als wij als hardnekkige socialisten ons maken tot de voorvechters van een arbeidswetgeving,​ dan moet men inzien, dat dit onzerzijds een koncessie is. Daarom zijn wij met den Engelschen fabrieksinspekteur van meening, dat er niet met eenig goed gevolg stappen gezet kunnen worden op den weg ter hervorming der maatschappij,​ als de arbeidsdag niet vóór alle dingen beperkt is en als de wettelijke grenzen niet met gestrengheid worden vastgehouden. Wij zullen ons van deze verkorting van den arbeidsdag bedienen als een hefboom, opdat de proletarische reus, die op den grond ligt geworpen en zich niet kan beschermen tegen de schoppen zijner tirannen, zich op zijn voeten verheft en gebruik maakt van zijn kracht. Dat is de eenige reden waarvoor ik mij kan voorstellen dat een overtuigd socialist zich inspant om deze theorie door te zetten; het komt mij voor het ultimatum te zijn dat de arbeidersklasse stelt aan de heerschers en dat niet beter en korter kan worden uitgedrukt dan in die vier achten, door de Engelschen gesteld: 
 +  
 +  * Eight hours to work, eight hours to play, 
 +  * Eight hours to sleep and eight shilling a day. 
 + 
 +(acht uur werken, acht uren ontspanning,​ acht uren slaap en 8 shilling (ƒ 4.80) per dag), al weet hij ook vooruit dat de vervulling dezer eischen geen grondige verbetering kan geven. 
 + 
 +In het evangelie vindt gij een gelijkenis, die mij altijd voor den geest komt, als men de arbeidswetgeving ter sprake brengt: ‘niemand zet een nieuwen lap op een oud kleed, want deze scheurt af en de scheur wordt erger’. Welnu, geldt dit ook niet van de vraag, die wij behandelen? Het kapitalisme is onze vijand en zooals Cato steeds herhaalde: ceterum censeo Carthaginem esse delendam (verder meen ik dat Karthago verwoest moet worden), zoo moeten ook wij steeds en overal zeggen: het kapitalisme moet vernietigd worden. 
 + 
 +Als wij een arbeidsdag willen van 8 uren, dan is dit slechts een middel en geen doel. Een trein kan niet altijd rijden, hij moet meermalen stoppen om water in te nemen; hoe minder hij onder weg stopt, hoe beter en wij zoeken de middelen om hem zoo min mogelijk te doen stoppen. Voor ons is de achturendag een halte, waar men een oogenblik ophoudt om zich te verfrisschen en dan den strijd weer met meer kracht en beter gewapend te kunnen begin nen. De achturendag is niets dan een oorlogswapen en een voorloopige maatregel. De arbeiders moeten weten dat zij niet aan het einde van den strijd zijn, als zij een wet ter vaststelling van den normalen arbeidsdag hebben verkregen, ja dat dan de eigenlijke strijd pas begint. 
 + 
 +Het is heelemaal niet noodig socialist te zijn om met ons dat doel na te streven en ons socialistisch kongres is zeer bescheiden, als het slechts dezen eisch stelt. Dat is de reden, waarom het noodig is, als wij zulk een wetgeving eischen, er bij te voegen: zulk een wetgeving op socialistischen grondslag is als een plant in een moeras. Wij moeten zeggen: het privaateigendom is het grootste kwaad en zonder de vernietiging daarvan krijgen wij de verlangde redding niet. Als men mij een plaats aanbood in een ministerie - ik hoop niet en ik vrees ook niet dat men het doen zal - dan stel ik één enkele voorwaarde, namelijk deze: wil men het privaateigendom aantasten? Antwoordt men: Ja, dan zou ik hoewel aarzelend aannemen, meenende dat het mijn plicht was, maar antwoordde men mij: neen, dan zou ik zeggen: ga weg van mij, satan, gij wilt mij verleiden! 
 + 
 +Men verlangde van Plato, dat hij modelinrichtingen zou maken, wetten voor een Grieksche stad. De wijsgeer antwoordde: graag, maar zullen er onder u eigenaren zijn? Men antwoordde hem: zeker, elk van ons zal zijn eigen land in bezit hebben en het met muren kunnen omgeven. Plato zei toen: dan heb ik u niets meer te zeggen; bouwt uw stad, anderen zullen haar met den bodem gelijk maken en gij zult u niet kunnen verdedigen. 
 + 
 +Dit antwoord van den wijsgeer zegt alles. Als het privaateigendom de grondslag blijft van onze maatschappij,​ zullen armoede, slavernij, ellende met al haar gevolgen blijven bestaan en de vierde stand die niets is en alles moet worden, kan zijn recht en zijn plaats niet anders innemen dan door het vernietigen van dien eigendomsvorm,​ die zich overleefd heeft. Elk voorstel voor een internationale arbeidswetgeving wordt met sympathie ontvangen, maar wij antwoorden steeds dat zij niet voldoende is, zij is maar een eerste stap: celerum censeo - overigens meen ik, dat het privaateigendom moet vernietigd worden. 
 + 
 +Wij nemen de resolutie van Bebel aan, maar onder deze beide voorwaarden:​ 1o. dat bij den maximaal-arbeidsdag een minimaal arbeidsloon zal worden gevoegd en 2o. dat in de overwegingen gezet zal worden, dat de arbeidswetgeving slechts een voorloopige maatregel is en het lot der arbeiders nooit verbeterd kan worden, als men niet uit het raam van het persoonlijk eigendom der maatschappij gaat en dat ons doel is en blijft: de verandering van het privaat- in maatschappelijk eigendom. (Bijval.)’ 
 + 
 +Dadelijk na deze redevoering nam Liebknecht het woord om namens de Duitsche afgevaardigden te verklaren dat hij niet zou treden in een diskussie over het nut van het parlementarisme. Wij weten, zei hij, wat wij aan het parlementarisme hebben, maar uit ons stilzwijgen mag niet worden opgemaakt, dat wij het eens zijn met de absolute verwerping ervan, die Domela Nieuwenhuis daareven heeft uitgesproken. Onze houding tot het parlementarisme is scherp bepaald op onze kongressen, ik verwijs dus enkel naar de verhandelingen daarover. 
 + 
 +Wat de gevolgen eener arbeidswetgeving aangaat, spreker is overtuigd dat de verwezenlijking der beschermende wetten, wel verre daarvandaan dat zij de arbeidersbeweging zullen tegenhouden,​ haar begunstigen zullen en er veel toe bijdragen om haar een machtigen stoot te geven. 
 + 
 +Eigenaardig staat hierbij in het officieele verslag: bijval en teekenen van instemming van de zijde der Duitsche afgevaardigden,​ alsof men zeggen wilde dat hij alleen bijval inoogstte bij zijn getrouwe Duitschers. 
 + 
 +Deze redevoering heeft Liebknecht en met hem den Duitschers in 't algemeen altijd heel erg hoog gezeten, want na dien tijd nam Liebknecht een gereserveerde houding aan, die later overging in een besliste vijandelijke stemming, zooals deze zich tallooze malen openbaarde door den smalenden toon, waarop hij over mij sprak. 
 + 
 +Tegelijkertijd kenmerkte zij den geest, die mij toen reeds bezielde en die zeker heel wat radikaler is dan men vooral in latere tijden op de kongressen hoorde. Ik stond blijkbaar zeer skeptisch tegenover het parlementarisme en ook tegen de arbeidswetgeving,​ noch in het eene noch in het andere eenig, laat staan veel vertrouwen hebbende. Er woonde toen reeds een andere geest in mij dan in den gemiddelden sociaaldemokraat,​ want het waren eigenlijk ketterijen, die door mij gepredikt werden. 
 + 
 +Daarop volgden twee artikelen in Recht voor Allen, waarin kritiek op het kongres te Parijs werd uitgeoefend,​ artikelen waarvan men de herkomst echter niet toeschreef aan mij in den Sozialdemokraat,​ het te Zürich verschijnende officiëele blad der Duitsche sociaaldemokraten,​ maar aan Fortuyn, een mijner mede-afgevaardigden,​ met de bijvoeging dat het daarom minder pijnlijk had getroffen. Nu was het artikel niet van mij, ook niet van Fortuyn, maar van den waarnemenden redakteur Croll, die het echter schreef naar de gegevens, door hem ontvangen van de drie zeer verontwaardigde Hollandsche afgevaardigden (Fortuyn, Vliegen en Helsdingen, alle drie later sociaaldemokraten,​ leden van de Sociaal Demokratische Arbeiders Partij, geheel gevormd naar Duitsch model) maar ik gaf te kennen dat ik mij met dat oordeel volkomen vereenigde. Dat oordeel was ongunstig over het kongres en zietdaar de groote fout. De Duitschers waren zeer tevreden met den afloop en dus allen moesten tevreden zijn, evenals wanneer de Duitsche keizer genoeg gegeten en gedronken heeft, alle onderdanen tevreden moesten zijn, alsof zij nu ook genoeg hadden gehad! 
 + 
 +De stram gedisciplineerde Duitschers, die in grooten getale opgekomen waren, oefenden voortdurend pressie uit en ontzagen zich niet een Italiaansch afgevaardigde,​ die zijn rede en recht niet gevangen wilde geven en aanhoudend het woord had gevraagd zonder het te krijgen, met geweld van zijn plaats te sleuren op bevel van het bestuur op de tribune en de zaal uit te smijten. De andere vreemde afgevaardigden,​ die niet wisten wat er aan de hand was, zagen toe, maar hadden zij het geweten, menigeen onder hen zou de hand ter verdediging van hem hebben uitgestoken. 
 + 
 +Het mooiste van alles was dat wij van verschillende zijden in 't gelijk werden gesteld. De Commonweal schreef: ‘wij moeten erkennen dat het verslag over het Parijsche kongres, openbaar gemaakt door Recht voor Allen van 4 Augustus, het zuiverste rapport is dat wij in een sociaaldemokratisch orgaan aantroffen en dat het in veel scherper woorden dan de Engelsche rapporten de misgrepen die begaan werden, aan de kaak stelde’. 
 + 
 +Ook de Peuple, onder redaktie van Volders, ofschoon het blad liever had gezwegen, kwam flink uit den hoek met het volgende protest: ‘op het zoogenaamde Marxisten-kongres heeft het heel wat gekost om de samensmelting der beide kongressen aan de orde te krijgen. Over die samensmelting,​ die noodzakelijkheid voor de minst helderzienden,​ te spreken was reeds een gruwel in de oogen van eenige mannen wier talent zeer groot is, maar wier gezichtskring ongetwijfeld zeer beperkt moet zijn. Eindelijk slaagde men er in een motie tot samensmelting aangenomen te krijgen, aanneembaar voor beide kongressen, maar een veel ruimer, veel verzoeningsgezinder voorstel van Holland was verworpen. Van den anderen kant op het zoogenaamde Possibilistenkongres waar België, Holland en Italië dezelfde verzoenende rol vervulden en waar men waarschijnlijk de beslissing van het andere kongres had afgewacht alvorens een besluit te nemen, bevond men zich voor een zeer ruim en aannemelijk voorstel; in plaats van het met geestdrift aan te grijpen gaat men aan 't haarkloven en men eindigt met een besluit dat elk der beide kongressen de mandaten van de afgevaardigden van het andere zal onderzoeken. Voor deze formaliteit,​ die een schijn van wantrouwen bevatte, omdat van weerszijden de geloofsbrieven waren nagezien en de bureaux gekonstitueerd verwierp men - want deze voorwaarde stond met verwerpen gelijk - de zoo gewichtige samensmelting die werd voorgesteld en werd de schepping der Internationale tot later verdaagd. Het kleinste steentje kan de machtigste lokomotief doen ontsporen en daarmede den trein dien hij zij achter zich heeft. De kleingeestigheid en bekrompenheid van enkele personen hebben de samensmelting der werkliedenorganisaties doen mislukken’. 
 + 
 +Dat is nog al een krasse akte van beschuldiging,​ in hoofdzaak niets anders dan 'n herhaling van hetgeen wij schreven, een bewijs dus dat wij niet alleen stonden in ons oordeel, maar uitspraken wat ook in anderen leefde, die het echter om welke redenen dan ook verzwegen. In elk geval ons is het steeds kwalijk genomen en van dien tijd werd ik beschouwd als spellebreker in de Marxistische groep van mannen, die de internationale beweging onder den duim moesten hebben en houden. 
 + 
 +De belangrijkste resolutie, die volgens het verslag werd aangenomen, betrof de arbeidswetgeving. Eerst waren er verschillende voorstellen,​ zooals van Bebel en van Guesde, maar deze werden samengesmolten met enkele wijzigingen van William Morris, Keir Hardie, Scherrer en anderen en daarop aangenomen met alle stemmen op drie na, te weten: België, Holland en Oostenrijk. Zij luidt aldus: 
 + 
 +  * Overwegende dat de kapitalistische produktiewijze in haar snelle ontwikkeling langzamerhand alle landen met moderne beschaving omvat; 
 +  * dat deze ontwikkeling der kapitalistische produktiewijze een toenemende uitbuiting der arbeiders beteekent;​ 
 +  * dat de steeds intensiever wordende uitbuiting de politieke onderdrukking,​ de ekonomische afhankelijkheid en de fysieke zoowel als moreele ontaarding der arbeidersklasse veroorzaakt;​ 
 +  * dat ten gevolge hiervan het de plicht is van alle landen met al hun ten dienste staande middelen een sociale organisatie te bestrijden, die hen onderdrukt en in 't algemeen elke vrije ontwikkeling der menschheid bedreigt; 
 +  * dat het vóór alle dingen er om te doen is de verwoestende gevolgen van de tegenwoordige ekonomische orde een werkdadigen tegenstand te bieden, 
 + 
 +besluit het kongres:  
 + 
 +  * een werkdadige wetgeving tot bescherming der arbeiders in alle landen, die beheerscht worden door de kapitalistische produktiewijze,​ absoluut noodzakelijk. 
 + 
 +Als grondslag voor deze wetgeving eischt het kongres: 
 + 
 +  * a) de vaststelling van een maximaal arbeidsdag van acht uren voor jonge arbeiders;​ 
 +  * b) verbod van kinderarbeid beneden 14 jaar en verlaging van den arbeidsdag op 6 uur voor beide geslachten;​ 
 +  * c) verbod van nachtarbeid,​ behalve in enkele bepaalde takken van industrie, wier aard een onafgebroken bedrijf eischen; 
 +  * d) verbod van vrouwenarbeid in alle takken van industrie, wier bedrijf zeer schadelijk inwerkt op het organisme der vrouwen; 
 +  * e) verbod van nachtarbeid voor vrouwen en voor jeugdige arbeiders beneden de 18 jaar; 
 +  * f) onafgebroken rusttijd van minstens 36 uren per week voor alle arbeiders;​ 
 +  * g) verbod van die takken van industrie, waarvan de schadelijkheid voor de gezondheid voor de arbeiders voorzien kan worden; 
 +  * h) verbod van de gedwongen winkelnering;​ 
 +  * i) verbod van loonbetaling in levensmiddelen zoowel als in winkels der patroons; 
 +  * k) verbod van tusschenpersonen (zweetstelsel);​ 
 +  * l) verbod van private bureaux van werkverschaffing;​ 
 +  * m) toezicht over alle werkplaatsen en industrieele inrichtingen met inbegrip der huisindustrie door fabrieksinspekteurs,​ betaald door den staat en minstens voor de helft gekozen door de arbeiders. 
 +     
 +Het kongres verklaart, dat al deze maatregelen,​ noodig voor de gezondheid der sociale verhoudingen,​ gemaakt moeten worden tot een onderwerp van internationale wetten en verdragen en roept de proletariërs van alle landen op in dien geest te werken op de regeeringen. Zijn zulke wetten en verdragen verkregen, dan moet er gezorgd worden voor een grondige toepassing en voltrekking ervan. 
 +     
 +Het kongres verklaart verder, dat het de plicht is van de arbeiders de arbeidsters in hun rijen op te nemen als gelijk gerechtigden en eischt principieel:​ gelijk loon voor gelijken arbeid voor de arbeiders van beide geslachten en zonder onderscheid van nationaliteit. 
 + 
 +Om de algeheele vrijmaking van het proletariaat te bereiken, acht het kongres het noodzakelijk,​ dat de arbeiders zich overal organiseeren en eisch als gevolg hiervan het onbeperkte, geheel vrije recht van vereenigen en koalitie. 
 + 
 +Nu zal elkeen toestemmen dat hier geen enkele specifiek socialistische eisch wordt gesteld, dat hier een burgerlijk werkprogram aan de hand wordt gedaan, door elken radikaal of vooruitstrevende direkt te aanvaarden. Voor zoo iets was toch geen socialistisch kongres noodig. Het is een stuk praktische politiek aan de verwerkelijking waarvan alle regeeringen,​ zelfs de meest reaktionaire,​ bezig zijn. 
 + 
 +Legt daarnaast eens de resoluties der kongressen van de oude Internationale,​ die dit eigenaardige karakter droegen dat elk jaar de resoluties een stap verder gingen in vergelijking met die van het vorige en bedenkt dan dat er een heel tijdsverloop ligt tusschen 1872, toen de Internationale voor 't laatst in haar geheel samenkwam te 's Gravenhage, en 1889, en elkeen zal moeten erkennen dat hier onmogelijk sprake kan zijn van eenigen vooruitgang. Integendeel hij zal moeten konstateeren dat naarmate het socialisme gewonnen had in omvang en getal, het veel verloren had in inhoud en diepte. 
 + 
 +En als men deze resolutie vergelijkt met die, welke aangenomen is op het andere kongres der zoogenaamde Possibilisten,​ dan komt men tot de konklusie dat niet een verschil van beginsel, maar een twist van personen de oorzaak is geweest, dat beiden zich niet vereenigden tot één Arbeidsparlement,​ dat in grootschheid alle kongressen der oude Internationale geheel in de schaduw had gesteld en der wereld getoond, welke ontzettende vorderingen het socialisme gemaakt had ondanks de adrelating door Thiers toegebracht aan het Fransche proletariaat en de kneveling van het Duitsche door uitzonderingswetten en vervolgingen. 
 + 
 +Dat beiden hetzelfde wilden, blijkt juist uit de vergelijking van de eischen op het punt der arbeidswetgeving. 
 + 
 +Ziethier wat het andere kongres als eischen stelde: 
 + 
 +  * a) maximaal arbeidsdag van 8 uur door een internationale wet; 
 +  * b) een rustdag per week en geen werk op feestdagen;​ 
 +  * c) afschaffing van nachtarbeid zooveel mogelijk voor mannen, geheel voor vrouwen en kinderen; 
 +  * d) opheffing van allen kinderarbeid beneden den leeftijd van 14 jaar en bescherming der kindsheid tot 18 jaar; 
 +  * e) algemeene, technische en beroepsopvoeding;​ 
 +  * f) overuren mogen niet boven de 4 uur gaan per 24 uren en worden dubbel betaald; 
 +  * g) burgerlijke en krimineele verantwoordelijkheid van de patroons in geval van ongelukken;​ 
 +  * h) benoeming van een voldoend aantal inspekteurs,​ betaald door den staat door de arbeiders met volledige macht om ten allen tijde te kunnen binnengaan in alle arbeidsinrichtingen en huisbezoek te doen bij de leerlingen;​ 
 +  * i) oprichting van werkplaatsen door de arbeiders met subsidie van gemeente of staat; 
 +  * j) het werk in werkhuizen en gevangenissen onderworpen aan dezelfde voorwaarden als de vrije arbeid en zooveel mogelijk aangewend voor publieke groote werken; 
 +  * k) geen vreemdeling mag aangenomen worden beneden het vastgestelde loon, dat bepaald is door de vakvereeniging;​ 
 +  * l)vaststelling van een minimaal loon in elke streek in verhouding tot den prijs van onderhoud, die redelijkerwijze noodzakelijk wordt geacht voor het leven; 
 +  * m) afschaffing van alle wetten tegen de internationale arbeidersorganisatie;​ 
 +  * n) gelijk loon en gelijk gemak van arbeiden voor mannen en vrouwen voor gelijken arbeid. 
 + 
 +Men zal moeten toestemmen dat beiden in hoofdzaak hetzelfde willen, ja als men nog iets vinden wil, dan neigt het laatstgenoemde met zijn oprichting van werkplaatsen met subsidie van gemeente of staat onder eigen beheer nog altijd iets meer over tot het socialisme dan het eerstgenoemde. Maar de hoofdzaak is dat beide kongressen in den grond der zaak hetzelfde wilden en dat men nooit met een beroep op hetgeen besloten werd op beide kongressen het recht heeft te spreken van een beginselverschil,​ waardoor een vereeniging van beiden onmogelijk was. Ook waren er afgevaardigden die zoowel het een als het ander bezochten, omdat zij zich op beiden evenzeer thuis gevoelden. 
 + 
 +Dit kongres te Parijs is ook belangrijk omdat het besloot tot de Internationale 1 Mei-beweging voor het jaar 1890. De resolutie luidt aldus: 
 + 
 +Het kongres besluit op een bepaalden tijd tot een groote internationale manifestatie en wel in dier voege, dat gelijktijdig in alle landen en in alle steden op een bepaalden dag de arbeiders aan de openbare machten den eisch stellen den arbeidsdag vast te stellen op 8 uur en de overige besluiten van het internationaal kongres van Parijs ten uitvoer te leggen. 
 +     
 +Met het oog op het feit, dat zulk een manifestatie reeds door den Amerikaanschen Werkliedenbond (Federation of Labor) op zijn kongres, gehouden te St. Louis in December 1888, besloten is voor den 1sten Mei 1890, wordt dit tijdstip aangenomen als dag voor de internationale manifestatie. De arbeiders der verschillende landen zullen de manifestatie op die wijze ten uitvoer brengen, als de verhoudingen van hun land zulks voorschrijven. 
 + 
 +En eindelijk dient ook vermeld dat door den Franschman Tressaud een eerste zwakke poging gedaan is om de algemeene werkstaking te gebruiken als middel wanneer de manifestatie van 1 Mei niet hielp en als ‘aanvang der revolutie’. 
 + 
 +Dit voorstel werd met ironisch geroep ontvangen en Liebknecht maakte het af met een paar woorden. Hij noemde haar een onmogelijkheid,​ daar zij zulk een eendrachtige en sterke organisatie onderstelt als nog niet bestaat en in de burgerlijke maatschappij niet bestaan kan. Heeft men zulk een sterke organisatie dat men een algemeene werkstaking met goed gevolg kan doorzetten, dan zullen de arbeiders, naar hij hoopte, een beter gebruik ervan maken, dan zijn zij de meesters der wereld en alsdan het werk neer teleggen, dat zou een grenzenlooze dwaasheid zijn. 
 + 
 +Hiermede was het voorstel doodgedrukt. 
 + 
 +Het is eigenaardig hoe intusschen dat denkbeeld meer en meer heeft post gevat in de hoofden der arbeiders en wel verre van een dwaasheid of onmogelijkheid te zijn, zooals Liebknecht onderstelde,​ is het gebleken een machtig middel te zijn in den strijd, hier en daar niet zonder succès toegepast. En zoo aanstekelijk is het geworden, dat zelfs de Duitschers, die steeds het standpunt van Liebknecht als volgzame schapen innamen, gedwongen zijn geworden zich op den partijdag te Jena in 1905 te verklaren ten gunste van de politieke massa-staking,​ een zusje van de algemeene werkstaking,​ daar het ons niet is mogen gelukken, ondanks veel woordenomhaal,​ het onderscheid tusschen deze beiden te mogen snappen. 
 + 
 +===== XIV. De Internationale Kongressen te Brussel, Zürich en Londen. ===== 
 + 
 +**Strijd over de toelating van anarchlsten. - Houding der socialisten in geval van oorlog. - Liebknecht en mijn persoon tegenover elkander. - In de Duitsche pers direkt beschuldigd van anarchisme. - Mijn houding door de Hollandsche partij éénstemmig goedgekeurd. - Herhaling te Zürich - Deelneming aan het tegenkongres aldaar. - Apotheose door de verschijning van Friedrich Engels. - Londensch Kongres. - Parlementarisme of antiparlementarisme. - Aangenomen de formule tot uitsluiting der anarchisten. Ons protest en vertrek van het Kongres. - Tegenkongres. - Ten tweeden male struikelt het Internationalisme over de verovering der politieke macht.** 
 + 
 +Het tweede internationale kongres werd in 1891 gehouden te Brussel en dit was eigenlijk het eerste, dat alle richtingen en scholen van het socialisme omvatte. Echter de deur werd dichtgeslagen voor den neus der anarchisten,​ daar men besloot hen als zoodanig niet toe te laten, maar alleen wanneer zij waren afgevaardigd door vakvereenigingen. De bedoeling was om die anarchisten,​ die tegen elke organisatie waren, te weren in een kongres dat bijeenkwam om zich internationaal te organiseeren,​ maar niet dezulken die als Merlino b.v. afgevaardigd werden door georganiseerde groepen van arbeiders. Op dat kongres is besloten dat men in elk land een soort van sekretariaat zou oprichten en daarvan is het gevolg geweest de oprichting van het Nationaal Arbeidssekretariaat hier te lande en evenzeer in verschillende andere landen, die onderling met elkaar in verbinding staan. 
 + 
 +De hoofdschotel op het kongres is zonder twijfel in aller oogen geweest het punt, dat de houding en de plichten der arbeidersklasse tegenover het militarisme besprak. 
 +  
 +Liebknecht en Vaillant als Duitsch en Fransch rapporteur vroegen eenstemmige aanneming eener resolutie, die aldus luidde: 
 + 
 +Het kongres, 
 + 
 +overwegende,​ dat het militarisme,​ dat op dit oogenblik op Europa drukt, het onvermijdelijk resultaat is van den blijvenden staat van oorlog, openlijk of bedekt, dien der maatschappij wordt opgedrongen door het stelsel van exploitatie van den mensch door den mensch en van den klassenstrijd,​ die er het gevolg van is; 
 + 
 +verklaart dat alle pogingen ten doel hebbende de afschaffing van het militarisme en de bevestiging van den vrede onder de volken - hoe edelmoedig deze ook zijn mogen - vergeefsch zullen zijn, indien zij niet de ekonomische bron van het kwaad aantasten;​ 
 + 
 +dat slechts het tot stand komen eener socialistische regeling van den staat, door een einde te maken aan de exploitatie van den eenen mensch door den anderen het militarisme zal kunnen opheffen en den vrede bevestigen;​ 
 + 
 +dat het bijgevolg de plicht en het belang is van al degenen, die aan den oorlog een einde willen maken, toe te treden tot de internationale socialistische partij, die de waarachtige en eenige partij van den vrede is; 
 + 
 +//​besluit//​ 
 + 
 +tegenover den toestand in Europa, die met elken dag dreigender wordt en tegenover de chauvinistische ophitsingen der regeerende klassen in de verschillende landen een beroep te doen op de arbeiders der geheele wereld om energiek en voortdurend te protesteeren tegen alle oorlogzuchtigheid en tegen de bondgenootschappen,​ die daartoe gebezigd worden, en om te bewerken dat door de voltooiïng der internationale organisatie van het proletariaat de triomf van het socialisme verhaast worde. 
 + 
 +Het kongres verklaart, dat dit het eenige middel is om de vreeselijke katastrofe van een wereldoorlog af te wenden, waarvan de onafzienbare noodlottige gevolgen door de arbeidersklasse in de eerste plaats gedragen zouden moeten worden,  
 + 
 +en dat de verantwoording voor een dergelijke katastrofe voor de menschheid en de geschiedenis eenig en alleen terugvalt op de heerschende klasse’. 
 + 
 + 
 +Wij plaatsten daartegenover een andere resolutie namens de Hollandsche afgevaardigden,​ die aldus luidde: 
 + 
 +Het kongres, 
 +  
 +overwegende dat de nationale geschilpunten nooit in het belang zijn van het proletariaat maar in dat zijner onderdrukkers;​ 
 + 
 +overwegende dat alle moderne oorlogen, uitsluitend veroorzaakt door de kapitalistische klasse in haar belang, een middel zijn in haar handen om de kracht der revolutionaire beweging te breken en de heerschappij der bourgeoisie te bevestigen door de voortzetting der meest schaamtelooze uitbuiting;​ 
 + 
 +overwegende dat geen regeering als verontschuldiging kan aanvoeren geprovoceerd te zijn, omdat de oorlog het resultaat is van den internationalen wil van het kapitalisme,​ besluit het Internationaal Socialistisch Arbeiderskongres van Brussel dat de socialisten van alle landen de oorlogsverklaring zullen beantwoorden met een beroep op het volk, ten einde de algemeene werkstaking te proklameeren. 
 + 
 +Wetende hoe men op zoo'n internationaal kongres meesterlijk de kunst verstaat om alles weg te moffelen wat niet welgevallig is, om zoo zijn zin des te beter te kunnen doorvoeren, hadden wij onze resolutie laten drukken en vooraf doen ronddeelen, zoodat men niet zeggen kon, dat men er niets van afwist. Gelukkig dat wij zulks gedaan hadden, want er was anders niets van terecht gekomen. Nu zelfs deed men nog een poging om haar in den doofpot te stoppen. Aan de bestuurstafel beweerde men haar niet te kennen en men hoorde zeggen: ‘c'​est une erreur’ (dat is een dwaling) en ‘nicht distribuirt’ (niet rondgedeeld),​ maar er waren er te velen die haar in hun handen hadden en het bleek een onmogelijkheid haar dood te zwijgen. Een hevig tumult in de zaal, totdat ik het woord kreeg, om te spreken over het voorstel om de diskussie te sluiten en de voorgestelde eerste resolutie aan te nemen. 
 + 
 +Dit voorstel tot sluiting werd dan ook verworpen en nu kreeg ik onder groote spanning der vergadering het woord, om onzeresolutie te verdedigen tegenover de voorgestelde. 
 + 
 +Ik rafelde de voorgestelde resolutie in al haar vaagheid en algemeenheid uiteen. Als gij het woord ‘socialistisch’ of ‘sociaaldemokratisch’ vervangt door ‘christelijk’,​ dan kan zij aanvaard worden door elke christelijke partij. Dit toont hoe zij niet deugt. Deze resolutie is van het begin tot het einde één groote frase, die niets zegt. Bespottelijk is het om de schuld der rampen, door den oorlog veroorzaakt,​ te werpen op de heerschende klassen voor de geschiedenis en de menschheid, want daar zullen deze niet veel om geven, zij lachen daarmede. En zich belachelijk maken, dat is het ergste wat men doen kan. 
 + 
 +Wij verklaren ons tegen alle chauvinisme en wij zien, als wij letten op de redevoering van Vollmar, hoe het chauvinisme tiert onder de Duitsche sociaaldemokraten,​ want zonder protest kon Vollmar zeggen dat de meerderheid der rijksdagfraktie zijn meening over het militarisme deelt. Welnu, de volkeren moeten zich krachtig verzetten tegen den oorlog. 
 + 
 +Ik herinnerde aan de Polsbroekers in ons land, op wier beginselvastheid zelfs de pogingen van 'n Napoleon, die hen wilde indeelen, schipbreuk leden. Zij weigerden de wapens te dragen en men was gedwongen hen allen in de ambulance te gebruiken. 
 + 
 +De triomf van het proletariaat zal zijn de algemeene internationale vrede. De algemeene werkstaking moet het antwoord der arbeiders zijn op een oorlogsverklaring. Voor dat denkbeeld moeten wij geestdrift trachten te kweeken. 
 + 
 +Was het nu gebleven bij het antwoord van Vaillant, die zei dat er volkeren waren die zich bevonden in bizondere omstandigheden en die hoewel besliste tegenstanders van den oorlog dit niet in alle vormen konden verklaren zonder zich bij hun terugkeer bloot te stellen aan moeilijkheden en onaangenaamheden,​ alles was goed afgeloopen, want het was onze bedoeling niet om kameraden er in te laten loopen door een onvoorzichtige resolutie. In de afdeeling had ik reeds gezegd dat als dat de reden was om zich tegen mijn resolutie te verklaren, ik mij er best bij kon neerleggen als Duitschland zich onthield bij de stemming, maar nog herinner ik mij het woord van Singer: nous nous soumettons pas (wij onderwerpen ons niet), waarop ik hem ten antwoord gaf dat het wel nuttig was om zulke kongressen te houden, als elkeen toch deed wat hem beviel en zich niet stoorde aan de besluiten. Echter Liebknecht trok op zijn gewone wijze tegen mij van leer. Hij noemde de algemeene werkstaking een frase zonder zin. Mijn voorstel was utopistisch,​ want zij die zulk een oproeping deden, zouden geen tijd hebben er uitvoering aan te geven, daar zij gepakt en gefusileerd zouden worden. De Duitsche partij was niet chauvinistisch,​ zij toonde dit in 1870 tijdens den oorlog. In Holland kan men wel makkelijk praten over zulke dingen, want dat staat erbuiten, maar het is heel wat anders in landen als Frankrijk en Duitschland. En hij liet zich zoodanig vervoeren dat hij mij wilde brandmerken door te zeggen, dat toen de Duitsche socialisten in 1870 den oorlog trachtten te beletten en velen hunner zich leelijk kompromitteerden,​ een Hollandsch blad, geredigeerd door mij, de Duitsche sociaaldemokraten heftig aanviel en daarin stak verderfelijk chauvinisme. Men moest zoeken naar een formule die aannemelijk was voor allen en dat was die welke door hem en Vaillant was voorgesteld. 
 + 
 +Het mooiste is dat dit laatste heelemaal onwaar was. Immers in 1870 was ik nog hoog en droog predikant, zonder te denken aan socialisme, laat staan dat ik socialist zou zijn geweest. Nog minder redigeerde ik toen ter tijd een blad en dus de feiten die hij noemde, waren parlementair gesproken bezijden de waarheid en waar dit de bewijzen waren waarop mijn chauvinisme zou berusten, viel dit heelemaal weg. 
 + 
 +Ik beantwoordde hem door te wijzen op zijn onjuistheden en bracht hem onder het oog dat het beneden de waardigheid van iemand als Liebknecht was zoo te antwoorden en dat ik het beneden mijn waardigheid achtte de diskussie op gelijke wijze voort te zetten. Een beroep op hetgeen men geleden had voor het socialisme, was ongepast, daar wij allen op onze beurt offers hadden gebracht en als iemand in 1870 een verdienstelijke daad had verricht, dan schonk hem dit nog geen vrijbrief om voortaan onverdienstelijke dingen te doen. Men kan nu heel goed chauvinist zijn zonder het in 1870 te zijn geweest. 
 + 
 +Een Engelsch amendement voegde aan onze resolutie de volgende verklaring toe: het kongres beveelt den arbeiders der verschillende landen aan een oorlogsverklaring te beantwoorden met een algemeene werkstaking,​ in afwachting dat men een regeling krijgt der internationale arbitrage en noodigt de parlementsleden uit om voorstellen te doen tot vermindering van de oorlogsbegrootingen. 
 + 
 +Natuurlijk viel mijn voorstel, maar toch stemden Engeland en Frankrijk met ons mede en toen men nog even een poging deed om het te doen voorkomen alsof men eenstemmig was geweest, verklaarde ik uitdrukkelijk dat dit niet het geval was. 
 + 
 +Zietdaar het groote konflikt uitgebroken,​ dat later aanleiding heeft gegeven tot zooveel hatelijkheden,​ want Liebknecht was haatdragend en kon zoo iets nooit vergeten, nog veel minder vergeven en het mooiste was dat ik veel meer reden had boos op hem te zijn dan omgekeerd. Maar ik had ook in zijn oogen de grootstmogelijke misdaad begaan, een crimen laesae majestatis der alleenzaligmakende Duitsche sociaaldemokratische partij en alle zonden zullen den menschen vergeven worden, behalve die tegen deze partij. 
 + 
 +In de Duitsche partijbladen heette het direkt dat ik door het anarchisme was aangestoken,​ ofschoon deze heele kwestie over het militarisme niets had uit te staan met het anarchisme. Maar nog erger maakte het de Socialiste, het orgaan van Jules Guesde, gelijk overigens de kopie altijd erger is dan het origineel. Deze ging zoo ver om te zeggen dat de Hollanders hoogverraad gepleegd hadden tegen het socialisme. Hij vergat heelemaal dat Frankrijk als land met ons gestemd had, want de groep van Guesde behoorde tot de minderheid. Maar zoo sterk werkt het anarchisme dat zelfs zijn grootste tegenstanders,​ de sociaaldemkoraten,​ telkenmale als zij in de minderheid zijn, door datzelfde anarchisme blijken aangestoken te worden, zoodat zij liever zooals in Holland een nieuwe partij gaan stichten dan zich te onderwerpen aan kongresbesluiten,​ die hun niet bevallen. Wij zeggen niet - dat zou van ons standpunt ook zeer inkonsekwent zijn - dat dit verkeerd is, maar eenmaal op hun - het demokratische - standpunt staande, mogen zij dit niet doen. 
 + 
 +In de Neue Zeit zette Liebknecht zijn ‘Abfertigungs’ werk voort. Daarin schreef hij over het kongres: 
 + 
 +‘De eenige dissonant bij de behandeling der militaire vraag kwam - en dat is karakteristiek - van het lid eener natie, die bij die vraag heelemaal niet geïnteresseerd is en haar in alle gemoedelijkheid kan bezien uit “Wolkenkukuksheim”. Het plan van de “militaire werkstaking” - want de “algemeene werkstaking” was niet voldoende in het program van Wolkenkukuksheim - kon alleen opkomen in het hoofd van een dweeper, die zoo gelukkig is geweest het militarisme alleen te leeren kennen uit de nevelachtige verte’. 
 + 
 +Wat 'n domme redeneering! En hoe ruim van blik! Dus alleen een natie, die bij een vraagstuk geïnteresseerd is, kan en mag erover meepraten! Zulk een enormiteit toont wel aan, hoe de gevoerde oppositie hem in 't hoofd is geslagen, zoodat hij puren onzin vertelt. En buitendien is zelfs dat niet waar. Immers Holland zou niet geïnteresseerd zijn bij de militaire vraag, maar juist dat land en België zijn er misschien het meest bij geïnteresseerd,​ omdat zij bij een oorlog tusschen Engeland en Duitschland,​ die niet uit kan blijven of tusschen Frankrijk en Duitschland,​ die ook komen moet - welk een heerlijk vooruitzicht!! - als buffer tusschen in liggen en dus kans hebben alle stooten van beide kanten te zullen moeten opvangen. 
 + 
 +In mijn brieven snuffelend vond ik daarentegen een schrijven van een anderen Duitscher, die er blijkbaar heel anders over dacht. Dr. Hans Müller (sociaaldemokratisch redakteur van een blad te Magdeburg) schreef mij: 
 + 
 +‘veroorloof mij mijn warmste hulde en volledige instemming aan u te betuigen voor uw dappere houding bij de militaire vraag op het Brusselsch kongres. Sint 2 jaren houd ik mij degelijk bezig met het militarisme en ben eveneens tot de meening gekomen, dat een aanval daartegen in geval van oorlog alleen door een algemeene werkstaking kan worden gericht. Dat de Duitsche afgevaardigden zich verzet hebben tegen uw resolutie, dat Liebknecht u op de laagste wijze aangevallen heeft, dat heeft mij na de ervaringen die ik in een jaar tijds heb opgedaan als redakteur der Volksstimme te Magdeburg heelemaal niet verrast. Dat Liebknecht uw redevoering niet meedeelde in de Vorwärts, bewijst dat hij den slag gevoeld heeft’. 
 + 
 +Maar vermakelijk was de ondervinding die ik opdeed, toen na het kongres een der Duitsche afgevaardigden mij zei: ‘gij moogt blij zijn dat de officieele Duitsche sociaaldemokratie de macht nog niet in handen heeft’. Op mijn vraag: ‘waarom?​’ luidde het veelbeteekenende antwoord: ‘omdat anders uw hoofd zonder genade onder de guillotine zou gevallen zijn, want een meeningsverschil,​ zooals gij dit voorstaat, is een misdaad, die iemand het hoofd kost’. Ik voegde hem toe: en dan zou Bernstein best als groot-inquisiteur en scherprechter dienst kunnen doen! 
 + 
 +Intusschen was men in Duitschland boos over die Hollandsche spellebrekers,​ in Holland was men verontwaardigd en verbitterd over het voorgevallene en zelfs werden er moties van afkeuring in sommige afdeelingen aangenomen en opgezonden. 
 + 
 +De Vorwärts kon niet goed verkroppen dat buiten Duitschland de meening heerschte dat de Duitschers zeer ‘gemässigt’ waren. Mis, zegt Liebknecht, men verwisselt ‘gemässigt’ met ‘logisch’ en ‘radikal’ met ‘fantastisch’. Maar is dat een tegenstelling?​ Zeker de motie van het bureau was logisch, maar dit verhinderde haar niet een frase te zijn, ik wil haar zelfs den lof geven een logische frase te zijn. 
 + 
 +Verbeeldt u dat een troep hongerlijders in een vergadering samenkomt om met elkaar te beramen hoe het best en het spoedigst te voorzien in de behoeften van de maag. Na veel diskussie neemt men aan: 
 + 
 +de vergadering,​ overwegende dat tegen honger het beste middel is om de maag van voedsel te voorzien, besluit: dat men moet trachten aan eten te komen en stelt degenen die overvloed hebben, voor de geschiedenis en de menschheid verantwoordelijk voor hetgeen anders kan gebeuren. 
 + 
 +Deze motie is volkomen logisch, maar ... hebben de hongerlijders er iets aan? Verkrijgen zij daardoor voedsel? 
 + 
 +Een ander wil dat men naar de met levensmiddelen gevulde winkels zal gaan om daar het voedsel te halen wat men behoeft. 
 + 
 +Is dat soms niet logisch? 
 + 
 +Zoo niet, dan bestaan er alweer twee soorten van logika, die van den hongerlijder,​ die alleen het laatste logisch vindt en die van den verzadigde, die het fantastisch vindt om zoo iets te besluiten. 
 + 
 +En wat doet de laatste? 
 + 
 +Hij schetst de gevaren die aan zoo'n stap verbonden zijn, hij wijst op de politie, die met kracht zal optreden tegen een ieder, zoodra hij zijn hand uitstrekt naar die levensmiddelen,​ hij herinnert eraan hoe het leger zal komen om hem neer te schieten, enz. 
 + 
 +Maar nu komt de logika van de wanhoop en die zegt: laat u niet bang maken door al die woorden, ze lachen wat met uw bedreiging van verantwoordelijk stellen voor de geschiedenis en de menschheid, de bezitters, neen, ziethier de keuze waartusschen gij staat: doet gij naar het logisch besluit der tweeden, dan kunt gij terugkeeren naar uw krotten om daar met vrouw en kinderen, levende geraamten die gij voor uw oogen ziet wegsterven om ze ten slotte dood te vinden, te gaan wegkwijnen en doet gij het andere, zeker, gij hebt de kans om neergeschoten te worden, maar wat beteekent uw leven als het niets anders is dan ontbering en zorg? Maar daartegenover staat de kans om uw maag te vullen en geen honger meer te lijden. 
 + 
 +Is die logika der wanhoop zoo dwaas, zoo fantastisch?​ 
 + 
 +Neen, laat men eerlijk zeggen: wij durven niets wagen en daarom noemen wij zulke dingen fantastisch en dwaas. Maar als wij een plaats innamen in de rijen der hongerlijders,​ we zijn verzekerd dat men anders zou spreken. 
 + 
 +De wereld behoort aan de durvers en als men nooit iets waagt, nooit iets durft, men komt geen stap verder. 
 + 
 +Zeker fantastisch is elke poging, die oppervlakkig bezien onvoorzichtig is en een waagstuk mag heeten, maar juist daardoor is men, de geschiedenis bewijst het, vooruitgegaan. 
 + 
 +Ons trof een woord van Vaillant op het kongres: wij hebben gezocht naar een vorm, waaruit het minste gevaar zou voortspruiten in de verschillende landen. Merkwaardige bekentenis! Waarom niet gezocht naar een vorm, waarin heelemaal geen gevaar schuilt? Het socialisme zelf is een gevaar en als het ons dus te doen is alle gevaren te vermijden, laat ons dan maar liefst het socialisme zelf op zij zetten. Had de kommune, waaraan toch Vaillant meedeed, even opportunistisch gehandeld, zij zou nooit zijn uitgeroepen. 
 + 
 +In Nederland waren allen, tot zelfs van der Goes, het eens met de door mij voorgestelde resolutie en pas later zei hij door Liebknecht bekeerd te zijn. Wel eigenaardig,​ waar deze geen argumenten aanvoerde! 
 + 
 +Maar dit kongres was nog maar een voorspel in vergelijking van het volgende, dat in 1893 plaats vond te Zürich. 
 + 
 +Vooraf was gegaan een konferentie te Brussel om te bepalen de voorwaarden van toelating. Van onze zijde was Cornelissen daarheen gezonden en deze kreeg daar reeds verschil over de beteekenis van de woorden: ‘deelneming aan de politieke aktie’, die als noodzakelijke voorwaarde werden gesteld om toegelaten te worden. Bedoelde men daaronder ‘parlementaire aktie’? Eigenlijk wel, maar men durfde het niet rondweg zeggen. Door dubbelzinnige woorden heeft men niet voorkomen dat er anarchisten waren op het kongres te Zürich, want deze zijn niet tegen de politieke-, maar wel tegen de parlementaire aktie. Het ‘onder-onsje’ te Brussel, gehouden door ‘de familie’, d.w.z. de Marx-partij,​ want de Fransche en Engelsche anti-parlementairen namen er geen deel aan, heeft dus niets geholpen. In een artikel van Cornelissen in de Société Nouvelle, getiteld: Les diverses tendances du parti ouvrier international. A propos de l'​ordre du jour du Congrès international ouvrier socialiste de Zürich (De verschillende stroomingen der internationale arbeiderspartij. Naar aanleiding van de dagorde van het Internationaal Socialistisch Arbeiderskongres te Zürich) heeft deze reeds medegedeeld,​ hoe hij gewezen heeft op die twee stroomingen en hoe Bebel en Liebknecht daar erop stonden dat alleen zouden worden toegelaten degenen die de noodzakelijkheid der politieke aktie erkennen, met uitsluiting van alle anderen. De botsing kon niet uitblijven, vooral niet toen men vernam dat de ‘Jongen’ te Berlijn afgevaardigden zouden zenden en de ‘ouden’ zouden eischen, dat zij niet zouden worden toegelaten, ja zelfs als het kongres tot toelating besloot, dan zouden de Duitschers bij wijze van protest weggaan. 
 + 
 +Te Zürich was dan ook duidelijk te zien hoe er twee stroomingen waren en eenige deelnemers zooals Bebel, Kautsky, Adler en Edwards wisten door te drijven, dat men deze bepaling aannam: ‘onder politieke aktie wordt verstaan het gebruik maken der politieke rechten en der wetgevingsmachine (vertegenwoordiging en direkte wetgeving) van den kant der arbeiderspartijen,​ ter bevordering van de belangen van het proletariaat en in het bizonder van de verovering der politieke macht’. Een poging om te verklaren dat alle vakvereenigingen en alle socialistische partijen en vereenigingen,​ die de noodzakelijkheid van arbeidersorganisatie erkennen zullen worden toegelaten, mislukte en onder een oorverdoovend tumult en protesten uit het midden van het kongres, behaalden Bebel c.s. de overwinning. Maar den volgenden dag kwam ik op tegen dat goochelspel,​ want nadat men de menschen heeft opgeroepen om naar Zürich op te komen zonder te verklaren wat onder politieke aktie verstaan moest worden, geeft men op het kongres zelf een uitlegging, waardoor men buitensluit personen, die men eerst heeft uitgenoodigd. 
 + 
 +Op den wand, zei ik, staat het woord van Marx: ‘Proletariërs van alle landen, vereenigt u!’ en hier is men bezig ze van elkaar te vervreemden en daarom als men blijft bij die uitsluiting,​ dan zou men het beste doen de beeltenis van Marx met een rouwrand te omgeven. Maar het hielp niet; wat wij gedaan hebben, dat hebben wij gedaan, dat blijft zoo - evenals Pilatus indertijd zei: wat ik geschreven heb, dat blijft geschreven. 
 + 
 +Intusschen had de Duitsche delegatie besloten de ‘Jongen’[24] niet toe te laten en ondanks een protest van Landauer, een der Jongen, die zelfs op de laagste wijze door Bebel werd uitgemaakt voor een politiespion en die verklaarde dat hij en zijn vrienden precies op dezelfde wijze tot afgevaardigden waren verkozen in een openbare volksvergadering als alle anderen, werden zij niet toegelaten. Alleen Frankrijk en Holland verklaarden er zich tegen. Het tumult bereikte een duizelingwekkende hoogte en onder allerlei geroep, als: Vive la liberté! ging de vergadering uiteen. 
 + 
 +Gevolg hiervan was dat men een tegenkongres hield, uitgaande van de uitgeslotenen en het is bepaald merkwaardig te moeten konstateeren dat het op dit kongres, waar volkomen vrijheid van spreken werd verleend, veel kalmer en beter toeging dan op het officieele kongres, waar men banden smeedde. 
 + 
 +Verschillende leden van het kongres namen daar deel aan, zooals o.a. ook Cornelissen en mijn persoon. Daarover zijn wij vreeselijk hard gevallen door Bernstein in de Neue Zeit: 
 + 
 +‘In 't voorbijgaan zij gezegd, dat als de heeren Landauer, Werner en kompagnie na hun uitsluiting uit het socialistenkongres een eigen, “vrij” kongres hielden, dan waren zij, ofschoon het plan daartoe naar mijn meening vooraf klaar was gemaakt, althans formeel in hun recht. Eveneens degenen, die zich aansloten aan hun uittocht. Maar wanneer meneer Nieuwenhuis en zijn vrienden dagelijks deelnamen eerst aan de beraadslagingen van het eigenlijke kongres, om dan 's avonds naar het pseudo-kongres te gaan en met de oproepers daarvan als in wedstrijd te schimpen op het eerste, dan is dit een handeling, waarvoor mij de letterkundig geoorloofde uitdrukking ontbreekt. Zelfs onder bandieten zou men dit als onbehoorlijk stempelen’. 
 + 
 +Dus wij waren minder dan bandieten! Gelukkig dat wij dit gemeen hadden met verschillende sociaaldemokraten,​ zooals Hunter Watts uit Engeland en anderen. Maar buitendien is het de vraag wie meer bandiet-achtig optraden, wij die meededen aan dat tweede kongres of zij die anderen buitensloten,​ als geloofsvervolgers,​ van het eerste officieele kongres. 
 + 
 +Toen de militaire vraag aan de orde kwam, hadden allen zich blijkbaar schrap gezet, want dit was het groote strijdpunt, waarbij het heftig zou toegaan en waarop aller aandacht gespannen was. Weer stonden het Duitsche en het Hollandsche voorstel tegenover elkander. Het eerste luidde ditmaal: 
 + 
 +‘De stelling der arbeiders tegenover den oorlog is door het besluit van het Brusselsch kongres over het militarisme scherp aangewezen. De internationale revolutionaire sociaaldemokratie moet in alle landen met alle kracht optreden tegen de chauvinistische hartstochten der heerschende klasse, den band der solidariteit om de arbeiders van alle landen steeds vaster slingeren en onophoudelijk werken op de afschaffing van het kapitalisme,​ dat de menschheid in twee vijandelijke kampen verdeeld heeft en de volkeren tegen elkander opzet. Met de opheffing der klasseheerschappij verdwijnt ook de oorlog. De val van het kapitalisme is de wereldvrede’. 
 + 
 +En daarnaast of daartegenover stond ons voorstel, dat luidde: 
 + 
 +‘Het kongres besluit de internationale arbeiderspartij op te vorderen zich gereed te houden, om een oorlogsverklaring van den kant der regeering onmiddelijk te beantwoorden met de algemeene werkstaking,​ overal waar de arbeiders eenigen invloed kunnen uitoefenen op den oorlog en in de betreffende landen met de militaire dienstweigering’. 
 + 
 +Plechanow, een Rus uit Genève, plus Marxiste que Marx, was rapporteur en noemde mijn voorstel onaanneembaar,​ omdat het onuitvoerbaar was en zelfs noemde hij het niet revolutionair,​ want wanneer men een militaire werkstaking proklameerde in Duitschland,​ met zijn sterke, goed georganiseerde arbeiderspartij,​ de Kozakken zouden Europa direkt overstroomen en dat zou zijn de heerschappij van het despotisme. 
 + 
 +Ik kreeg het woord tot toelichting en verdediging van ons voorstel, mijn rede vindt men in zijn geheel in den Almanach de la Question sociale van Argyriadès van 1894. 
 + 
 +Ik begon eraan te herinneren dat wat ik voorstelde, niet nieuw was, want wat ik nog niet wist tijdens het kongres te Brussel, dat heb ik nu ontdekt en wel dat een dergelijk voorstel, dat op het kongres der Internationale te Brussel in 1868 is voorgesteld door Louguet en César de Paepe, alleen met dit onderscheid dat men toen met algemeene stemmen aannam, wat men nu verwierp. Wat men in 1868 flinkweg aandurfde, daar is men in 1891 voor teruggedeinsd. Ik bestreed verder de Duitsche motie als een groote, nietszeggende frase, maar deed nog sterker dan den vorigen keer uitkomen dat het dwaas was Rusland te noemen het middenpunt van wreedheid en barbaarschheid,​ alsof het onderscheid tusschen Rusland en Duitschland zoo groot was, ja zelfs in alle landen geldt het slechts een verschil in graad, niet in wezen. De vrijheid der Hohenzollerns trok mij niets meer aan dan die der Romanoff'​s. En dan wees ik erop, dat Bebel de hand toestak aan het militarisme,​ toen hij in den Rijksdag een leening voor een beter en donkerder uniform voordeelig noemde ter bescherming van het leven der soldaten. Dat klinkt anders dan het vroeger: geen man en geen cent voor het militarisme! Waarom dan niet voor betere geweren, verder dragende kanonnen, goede pantserschepen?​ Als men eenmaal den vinger geeft aan het militarisme,​ weldra neemt het de hand, den arm, het geheele lichaam. 
 + 
 +Verder ontwikkelde ik mijn voorstel nader en deed uitkomen dat alle revoluties begonnen zijn met een militaire werkstaking,​ b.v. op Montmartre in 1871, toen de soldaten zich verbroederden met het proletariaat. En eindelijk zei ik dat het denkbeeld zijn weg wel zou vinden ondanks alle gevaren en bezwaren, die men ertegen aanvoert en al is het ook niet dadelijk voor verwezenlijking vatbaar. Als ons voorstel, zoo eindigde ik, wordt aangenomen, zullen de vorsten sidderen op hun tronen en zich wel tweemalen beden ken voordat zij een oorlog beginnen zullen. 
 + 
 +Daar vielen zij nu allen op mij aan, de heele familie zooals Liebknecht, Adler, Aveling, Plechanow, welke laatste zich zoodanig verloor in persoonlijke hatelijkheden in plaats van bestrijding,​ dat er een lawaai als een oordeel ontstond en hij zelfs gedwongen werd de tribune te verlaten zonder te hebben uitgesproken. Wel heette het dat men sympathiseerde met het voorstel, zelfs Liebknecht zei dat als zij konden, zij voor het Hollandsche voorstel zouden zijn, maar het was onpraktisch,​ onuitvoerbaar,​ enz. Alsof men niet propaganda kon maken voor het denkbeeld, want zoo praktisch waren wij, nuchtere Hollanders nog wel, dat wij heel goed begrepen dat de tijd nog niet daar was om het praktisch toe te passen. Maar moet niet een denkbeeld de wereld worden ingeslingerd om de geesten te veroveren, moet het niet rijpen bij velen, voordat het kan toegepast worden? En nu nog terug ziende op die jaren tusschen 1891, toen het 't eerst werd voorgesteld en nu 1907 kunnen wij met weemoed zeggen: als wij eens allen gedurende die 16 jaar flink propaganda hadden gemaakt voor dat denkbeeld, zouden wij dan niet veel verder zijn dan nu? Maar het heeft niet zoo mogen zijn. Wederom werd het verworpen met alle stemmen (nationaliteiten) tegen vier (Frankrijk, Noorwegen, Australië en Holland). 
 + 
 +In Holland hadden wij ook een minderheid gekregen, die tegen stemde, te weten: van Kol en J.W. Gerhard, de eerste afgevaardigde op eigen kosten door een vakvereeniging van suikerbewerkers ‘Door Vereeniging Verbetering’,​ wier bestaan problematisch was en de tweede voor de soc. dem. Onderwijzersvereeniging. Het was den Duitschers gelukt den baccil der verdeeldheid te brengen in de anders zoo eendrachtige Hollandsche beweging en hoe snel zij daar zou voortwoekeren,​ ook door den goed voorzienen geldbuidel van van Kol, dat zou later blijken. 
 + 
 +Al meende men op 't kongres, zooals sommigen zeiden: ‘de muur der parlementairen is gebroken’,​ toch was dit nog zoo heel erg niet het geval. Wel werden zelfs de Duitschers vooruitgeschoven,​ zoodat zij in de kwestie over het parlementarisme verder gingen dan zij oorspronkelijk bedoelden, maar toch duidelijk was de afscheiding gebleken, als men leest de verhandelingen van het officieele kongres om ze te vergelijken met die van het kongres der afgescheidenen. 
 + 
 +Kort vóór het kongres was er van de hand van den anarchist Merlino een kleine brochure verschenen, getiteld: Nécessité et bases d'une entente (Noodzakelijkheid en grondslagen van een overeenstemming),​ waarin hij aangeeft dat sociaaldemokraten en anarchisten het eens zijn omtrent den gemeenschappelijken vijand: het privaateigendom,​ ook ten opzichte van een organisatie der produktie en eindelijk dat zij de onteigening der bourgeoisie zich alleen kunnen voorstellen langs den weg des gewelds. Maar sints Liebknecht, in tegenstelling met zijn meester, Marx, die ‘het geweld de vroedmeester noemt eener nieuwe maatschappij’,​ gezegd heeft, dat ‘het geweld een reaktionaire faktor is’, schijnt men meer en meer over te hellen naar het worden van een hervormingspartij,​ gevolg van de parlementaire mikrobe, die onder de voormalige socialisten groote verwoestingen heeft aangericht. Deze brochure bleef niet zonder invloed. 
 + 
 +Op het andere kongres vond dan ook een resolutie instemming die door den Engelschen sociaaldemokraat Hunter Watts, Cornelissen en mij aldus was geformuleerd:​ 
 + 
 +‘Overwegende 
 + 
 +dat al degenen, die meenen dat de oorzaak van alle maatschappelijk kwaad gelegen is in het privaateigendom en dat slechts door de vernietiging van dit privaateigendom de verlossing der arbeidersklasse mogelijk is; 
 + 
 +dat diegenen die meenen dat de organisatie der voortbrenging moet zijn plicht, dat wij noodzakelijkerwijze moeten arbeiden en daardoor ook een recht hebben op ons aandeel in de opbrengst van den gemeenzamen arbeid; 
 + 
 +dat diegenen, welke meenen dat wij moeten streven naar de vernietiging van het kapitalisme met alle ons ten dienste staande, wettelijke of onwettelijke,​ vredelievende of gewelddadige middelen, 
 + 
 +verklaren wij 
 + 
 +dat diegenen die hier ook van overtuigd zijn en zich hetzij revolutionaire socialisten of kommunistische anarchisten noemen, samen kunnen werken en geen onverzoenlijke vijanden zijn’. 
 + 
 +Van een dergelijke samenwerking wilden de Marxisten niets weten en al deden zij heel wat water in den wijn, het ongeluk van zulk ‘kompromiseln’,​ zooals Liebknecht het uitdrukte, is wel geweest dat men zoo wat eenstemmig een resolutie aannam, maar dat er geen klaarheid is gekomen. 
 + 
 +De Duitsche partij stelde oorspronkelijk voor: ‘de strijd tegen de klasseheerschapij en uitzuigerij moet een politieke zijn en de verovering van de politieke macht ten doel hebben’ (niet ik kursiveer hier, maar de voorstellers zelven). Ja, men ging zelfs zoover om te zeggen: ‘alleen wie deelneemt aan dezen politieken klassenstrijd en daarbij gebruik maakt van alle politieke strijdmiddelen,​ die toegankelijk zijn voor de arbeidersklasse,​ wordt erkend als aktief lid van de internationale revolutionaire sociaaldemokratie’. 
 + 
 +Dus na het nationaal ‘hinausfliegen’ - de klassieke uitdrukking voor het uitwerpen uit de Duitsche partij - werd het vooruitzicht geopend op een internationaal ‘hinausfliegen’. De ketterjacht zou dan direkt al begonnen zijn. Tot toetreding tot het kongres zou dan een geloofsbelijdenis noodig zijn geworden, waarin elkeen moest verklaren te gelooven aan de alleenzaligmakende kracht der politieke macht. 
 + 
 +Daartegenover stond ons Hollandsch voorstel, dat aldus luidde: 
 + 
 +  * **1.** het kongres, overwegende dat de klassenstrijd niet kan worden uitgevochten door parlementaire aktie, roept de arbeiderspartijen van alle landen op: 
 +**a.** zich van de verkiezingen alleen als agitatiemiddel te bedienen; 
 +**b.** hun afgevaardigden alleen dan in de parlementen te laten komen om aldaar te protesteeren tegen de kapitalistische maatschappelijke orde, maar niet om hun toe te staan deel te nemen aan den parlementairen arbeid, door wetsvoorstellen,​ enz. in te dienen; 
 +  * **2.** Het kongres spreke zich uit over het streven van die socialisten die, terwijl zij in principe voor een wetgeving ter bescherming der arbeiders agiteeren, die mogelijk is in de burgerlijke maatschappij,​ van het socialisme slechts een regeling van den loonarbeid en niet meer, dus alleen een soort van staatssocialisme onder een nieuwen vorm willen maken.  
 +  * **3.** Het kongres onderzoeke, of er geen overeenstemming mogelijk is tusschen de revolutionaire socialisten en de kommunistische anarchisten’. 
 + 
 +Maar nu het mooiste. Noch het een noch het andere werd aangenomen, maar in den heksenketel heeft men alle voorstellen zoo lang door elkaar geklutst tot er iets uitkwam dat aanneembaar zou zijn voor den een zoowel als voor den ander. 
 + 
 +Aangenomen werd: de politieke werkzaamheid is slechts een middel ter verkrijging van de ekonomische vrijmaking van het proletariaat. 
 + 
 +Dit staat lijnrecht tegenover het Duitsche voorstel, dat immers de verovering van de politieke macht als doel stelde. Zoolang middel en doel niet hetzelfde zijn, zoolang is deze motie zoo verschillend,​ dat logisch gesproken de Duitschers haar nooit konden aanvaarden. 
 + 
 +Maar straks voegde men eraan toe, dat ‘de politieke werkzaamheid noodzakelijk is zoowel voor het doel van agiteeren en het konsekwent bepleiten der beginselen van het socialisme, alsook met het doel om dringend noodige hervormingen te krijgen’. 
 + 
 +Met ‘doel’ en ‘middel’ wordt hier aardig gegoocheld, zooals Liebknecht dit zoo treffend kon doen met ‘beginsel’ en ‘taktiek’,​ wat ons altijd doet denken aan de geestige onderscheiding van den hoveling van Huisde in Multatuli'​s Vorstenschool:​ 
 +  
 +Men moet de dingen logisch onderscheiden 
 +  
 +En diplomatisch ziften. Met beleid 
 +  
 +Maakt men een blijk tot schijn, en schijn tot blijk. 
 +  
 +Het schijnend blijken, blijkend schijnend, blijkt - 
 +  
 +Mits met beleid te-werk gaand! - schijn. Neen ... minder! 
 +  
 +Het blijft niet eenmaal schijn, want - met beleid 
 +  
 +Altoos ... let op! - verandert men het blijk 
 +  
 +In een bewijs ... zie, zoo! 
 +  
 +(Hij strekt de hand voor Miralde'​s oogen uit) 
 +  
 +van heel wat anders! 
 +  
 +Men schuift - mits met beleid! - iets tusschen 't oog 
 +  
 +En 't voorwerp dat zoo duidelijk scheen, Miralde ... 
 + 
 +En dit heb ik gedaan! 
 +  
 +Het resultaat?​ 
 + 
 +Dat men niets oploste, men heeft om de hoofdzaak heengedraaid door de kool en de geit te sparen. 
 + 
 +Bebel zei op den partijdag te Erfurt, zonder tegenspraak te vinden: ‘in de eerste plaats hebben wij de politieke macht te veroveren en deze te gebruiken ten einde ook de ekonomische door de onteigening der burgerlijke maatschappij te bereiken. Is de politieke macht in onze handen, dan vindt de rest zich wel vanzelf’. Ja, te Zürich zei Liebknecht: ‘de staatsmachine is een wapen ter onderdrukking der arbeidersklasse. Ontrukken wij hun dit wapen en gebruiken wij het’ en toen had dit aardige tooneeltje plaats. Cornelissen toch kon zich niet langer bedwingen en riep hem toe: lees dan toch het Kommunistenmanifest! 
 + 
 +Liebknecht, ten hoogste verbolgen over die rake onderbreking,​ antwoordde: dat hebben wij gelezen, toen ge nog niet geboren waart. 
 + 
 +Cornelissen:​ dat is de kwestie niet, maar dan hebt gij het nooit goed gelezen. 
 + 
 +Een ander riep: lees uw eigen brochure ‘Die politische Stellung’. 
 + 
 +Liebknecht meende ten slotte NB. dat wij het allen eens waren, het eenige wat ons scheidde was de revolutionaire frase en daarvan moest men zich emancipeeren. 
 + 
 +Maar alweer: had Liebknecht niet volkomen ongelijk, dwaalde hij niet van zijn leermeester Engels af, waar deze toch zoo duidelijk mogelijk het tegenovergestelde schreef in zijn voorwoord tot dit manifest, waarin staat: ‘de arbeidersklasse kan de gereedstaande staatsmachine niet eenvoudig in bezit nemen, om haar voor eigen doeleinden in beweging te brengen’. 
 + 
 +Vliegen sprak namens Holland, hij had daar op gestaan, want Cornelissen had het willen doen en zou het zeker veel beter en principieeler gedaan hebben, maar hij liet het hem over op voorwaarde dat hij eerst aan ons zou voorlezen wat hij zou zeggen. Hij heeft den halven nacht opgezeten om zijn rede klaar te maken en ofschoon hij toch nog in konflikt kwam met Liebknecht, toen hij wees op het verwateren der sociaaldemokraten in de kamer, en aan onze zijde stond, geloof ik dat dit in werkelijkheid niet het geval was, maar dat zijn lust om namens Holland als woordvoerder op te treden hem, den eigenlijken parlementair,​ leelijk parten heeft gespeeld. Want in de partij heb ik Vliegen altijd gekend als een dergenen, die steeds sterk overhelden tot de parlementairen. Het einde was dat wij ons van stemmen onthielden. 
 + 
 +Vliegen erkent zelf in dat mooie gedenkschrift ‘Na tien jaren’, dat hij toen voor het eerst de diepe klove bespeurde die hem scheidde van mij en dat hij alleen daarom niet naast van Kol ging staan omdat deze verdeeldheid bracht in de partij. 
 + 
 +Ofschoon de parlementairen de zegepraal behaalden, althans grootendeels,​ toch schenen zij het noodig te achten dat het gezag van Engels er bij kwam om zijn zegen erover uit te spreken. Ik vermoed dat zij hem zelfs daarvoor opzettelijk hebben laten overkomen, want wie schetst onze verbazing, toen tegen het einde van het kongres de voorzitter verklaarde, dat Friedrich Engels het kongres zou sluiten. Voor de tweede maal was de anarchie verpletterd door de Internationale,​ eenmaal in 1872 en nu in 1893. 
 + 
 +Deze apotheose was eigenlijk een treurige komedievertooning. Door het oproepen van de schim van den dooden Marx en door het optreden van den levenden Engels moest de opkomende oppositie beteugeld worden. Voor ons een bewijs dat men haar vreesde, want anders zou men zoo'n middel, een man van de verdienste van Engels onwaardig, niet hebben gebruikt. 
 + 
 +De Engelsche sociaaldemokraat Hunter Watts, die met ons gestemd had, schetste op afkeurende wijze de sluiting van den Rijksdag - ik vergis me, zei hij onder algemeen gelach, ik bedoel het kongres - waar men Engels gebruikte bijwijze van vertooning tegen de anarchisten. Immers in Engeland ziet men Engels nooit. Niemand kent hem daar en de Engelsche arbeiders krijgen genoeg van de internationale heilige familie. 
 + 
 +Nog vermakelijker was wat een Franschman ervan zei. Om dit te begrijpen moet men weten dat op het kongres een Zwitsersche afgevaardigde,​ Fauquet, een zeldzaam dik man, zooals wij er weinigen gezien hebben, aanwezig was. Als lid van den Nationalen Raad van het kanton de Vaud heeft hij twee stoelen stuk gezeten door zijn zwaarte en was men gedwongen een bizonderen ijzeren stoel voor hem te laten maken. Nu zei die Franschman: ze zijn toch nog niet genoeg bij de hand om reklame voor hun zaak te maken. Weet ge wat zij hadden moeten doen? Zij hadden een uitgemergelden mijnwerker en daarnaast den afgevaardigde Fauquet ten tooneele moeten voeren en dan zeggen: de proletariër van heden en de burger van den toekomststaat,​ als de sociaaldemokratie zal zijn verwerkelijkt. 
 + 
 +Op mij liet het kongres een treurigen indruk achter en wij begrijpen de woede van Cipriani, die niet eens aan het woord kon komen om te protesteeren tegen de uitdrijving van eenige socialisten en daarom een brief van protest schreef aan het kongres, die echter niet is voorgelezen en die in mijn bezit kwam, doordat Cipriani hem mij gaf. Daarin schrijft hij: 
 + 
 +‘Van den eersten dag af hebt gij een betreurenswaardige onverdraagzaamheid ontwikkeld, menschen die zich socialisten noemen onwaardig. Een onverdraagzaamheid,​ opgevoerd tot zulk een hoogte dat gij het woord hebt geweigerd, dat door mij was gevraagd, om de afgevaardigden te verdedigen, die op brutale wijze uit de zaal van het kongres zijn verdreven zonder eenige reden en om te protesteeren tegen deze uitdrijving,​ onwaardig de denkbeelden die gij zegt te belijden. Want de uitgedrevenen werden er alleen buitengehouden omdat zij revolutionairen waren. Wanneer een kongres, dat zich socialistisch noemt, de onverdraagzaamheid zoover drijft om denkbeelden te vervolgen, houdt het op dien naam te dragen en wordt het even reaktionair als de regeeringen die ons gevangen nemen en worgen. Weet dus, heeren verdrijvers,​ dat deze roode vlag, rondom welke gij u groepeert, afkomstig is van het graf van 35.000 Fransche proletariërs,​ geslacht door de autoritaire republikeinen van Versailles, gestorven voor de vrijheid van allen, voor het welzijn van allen en niet voor dat van een kleine kaste. Het socialisme onzer dooden sluit niemand uit; het beteekent eenheid en niet verdeeldheid,​ liefde en niet haat, vrijheid en niet onderdrukking. Gij hebt dit alles gedurende drie jaren met de voeten getreden, gij hebt de Internationale vermoord en gij zult voor de menschheid en voor de geschiedenis verantwoordelijk zijn wegens deze misdaad’. 
 + 
 +Dat flinke en fiere woord van den ouden revolutionair brandmerkt het kongres voor eeuwig en in onderscheiding met de oude Internationale,​ waarvan getuigd kan worden dat elk kongres een stap voorwaarts aanwees, was nu elk kongres een schrede achterwaarts,​ totdat in 1896 op het Londensche kongres de deur voor goed werd gesloten voor alle revolutionaire elementen. 
 + 
 +Kenschetsend voor het kongres waren de opschriften op de tribune. Aan de eene zijde stond: Staatliche Kranken- und Unfallversicherung (Verzekering in geval van ziekte en ongeluk van staatswege) en aan de andere: Hoch der Banknotenmonopol! (Leve het bankmonopolie!) 
 + 
 +Niemand zou, het kongres naar het uiterlijk beziende, ook meenen dat men met een arbeiderskongres te doen had en inderdaad het arbeiderselement ontbrak ook zoo wat geheel. Er werd hier over de arbeidersbelangen gesproken zonder de arbeiders zelven. 
 + 
 +Onlangs lazen we dat Annie Besant in een artikel van haar hand vertelde, hoe de menschen na 15 eeuwen weer in andere vormen op de wereld verschijnen. Ons hedendaagsch geslacht zou dus de reïnkarnatie (nieuwe vleeschwording) zijn van het geslacht, dat leefde zoo ongeveer in de IVe eeuw na Christus, dus omstreeks den tijd van keizer Konstantijn. 
 + 
 +Wij konden niet nalaten bij de lezing daarvan te glimlachen; maar toen wij weer goed en wel tehuis zaten na het kongres en in gedachten nog eens alles de revue lieten passeeren van wat daar verhandeld en gebeurd was, hoe men daar medestrijders uit het socialistisch kamp buitensloot,​ omdat zij over de middelen ter verkrijging van den gemeenschappelijken wensch verschilden van de zoogenaamde toongevers, ziet toen dachten wij verplaatst te zijn in de IVe eeuw en de onderstelling van Annie Besant komt ons, zoo beschouwd, wat minder zonderling voor. 
 + 
 +Immers ook toen vergaderden de bisschoppen der christelijke kerk in zoogenaamde koncilies. Men twistte met elkander over een enkele letter[25], men verketterde elkander en wie op 't oogenblik de baas was, die wist met behulp der overheid alle andersdenkenden te verjagen, ja somwijlen te vervolgen ten doode toe. En wij dachten bij onszelven: Gaat men dan nooit vooruit? Wordt men dan nooit wijzer? Zijn die 15 eeuwen nu wezenlijk over de hoofden der menschen heengegaan zonder eenige leering achter te laten? 
 + 
 +Sluit de oogen, verandert het woord koncilie in kongres, zet in plaats van het woord christelijk dat van socialist en de te fabula narratur, d.w.z. de geschiedenis der ekonomische koncilies met al hun armzalige en bekrompen twisten over letters en woorden en zinnen herhaalt zich voor onze oogen. 
 + 
 +Zeker wij waren verslagen, maar overtuigd waren we niet en het zal waar blijken, wat een der medewerkers van de Justice naar aanleiding van onze voorstellen schreef in dat blad, nl. dat ‘de beginselen, door de Hollanders voorgestaan,​ onbetwistbaar de belangrijkste zijn, omdat zij een richting aangeven, die - ik ben daarvan overtuigd - de socialistische beweging der geheele wereld binnen korten tijd gedwongen zal zijn te volgen’. 
 + 
 +De scheiding was nog niet kompleet. 
 + 
 +Dezelfde kwestie, waarover eenmaal Marx en Bakunine tegenover elkander stonden, was op nieuw aan de dagorde. Sociaaldemokratie en anarchie, gezag en vrijheid botsten wederom op elkander. 
 + 
 +Londen, waar in 1896 het kongres werd gehouden, zou het einde wezen dezer tragedie. 
 + 
 +Reeds vooraf werden alle toebereidselen gemaakt. Liebknecht ging in Engeland voordrachten houden om stemming te maken. Maar door de dubbelzinnige formule van Zürich hadden de antiparlementairen evenveel recht om aldaar te verschijnen als de parlementairen. Ten onzent was sints Zürich heel wat veranderd, want in de jaren na het kongres was de Soc. Dem. Arbeiders Partij ontstaan onder hooge bescherming van de Duitsche partij en deze zond natuurlijk ook haar afgevaardigden naar Londen, maar daar de verschillende afgevaardigden der vakvereenigingen op onze hand waren, stonden zij geheel geïsoleerd. De lieden der Onafhankelijke Arbeiderspartij,​ zooals Keir Hardie, Tom Mann en anderen, waren heel wat minder bekrompen en onpartijdiger dan de sociaaldemokratische Federatie met Hyndman aan het hoofd, die geheel was geraakt in Duitsch vaarwater. Keir Hardie bepleitte de toelating van alle socialisten die het beginsel van gemeenschappelijk eigendom aanvaarden. ‘Alle schijn van onverdraagzaamheid of diktatuur behoort flink afgewezen te worden door de vergadering van lieden, die uit alle oorden der wereld zijn gekomen om de heilige zaak van den arbeid te vertegenwoordigen’. 
 + 
 +Reeds den eersten dag van het kongres bereikte het lawaai zulk een hoogte, dat men zelfs slaags raakte en toen de voorzitter dreigde de zaal te laten ontruimen door de politie, steeg de woede ten top. ‘Sociaaldemokratische politie’! - zoo werd er geroepen en aan de andere zijde hoorde men zeggen: ‘haalt de kavallerie als ze niet willen’ en onder een oorverdoovend geraas eindigde de eerste dag van het kongres. Oude strijders als Malatesta, die levenslang moedig op de bres gestaan hadden, werden buitengesloten,​ om nog niet te spreken van Landauer uit Berlijn en meerdere afgevaardigden der Jongen. 
 + 
 +De kwestie der toelating zou den volgenden dag beslist worden en men had besloten twee sprekers van beide zijden het woord te laten voeren en dan door stemming een einde te maken aan de zaak. Tegen de toelating zouden Jaurès en Hyndman spreken, ervoor Tom Mann en mijn persoon. Tegenover de verdraagzaamheid van Tom Mann, die zelf geen anarchist het goed recht bepleitte van alle richtingen, ten einde alle meeningen vrij tot haar recht te laten komen, stak de bekrompenheid van Hyndman ongunstig af, die zoo ver ging om te zeggen, dat men niets te maken had met de anarchisten,​ met menschen die zelven verklaren niet vertegenwoordigd te kunnen zijn op een kongres. Hij lokte daardoor zelfs een protest uit van Louise Michel. Toen ik aan het woord kwam, liet ik duidelijk uitkomen, dat er verwarring bestond doordat de verklaring van Bebel te Zürich, die aangenomen was, precies het tegenovergestelde behelst van de aldaar aangenomen resolutie. Geen fraktie van het socialisme heeft het recht het socialisme voor zich te monopoliseeren en niemand kan mij het bewijs leveren dat een kommunistisch anarchist geen socialist is. Toen Hyndman mij toeriep dat het kongres niet anarchistisch was, had ik alle recht hem te antwoorden, zooals ik deed: maar evenmin een sociaaldemokratisch. - Men kan het beweren, maar dan heb ik minstens evengoed het recht te zeggen dat Liebknecht geen socialist is. Gij kunt mij een ‘uilskuiken’ of ‘gek’ noemen, zooals Guesde een man als Kropotkine noemde een ‘hurluberlu dont les travaux sont sans valeur’.[26] 
 + 
 +En toen volgde een grappig tooneel, dat Guérard in zijn brochure: Le Congrès de Londres aldus weergeeft:​ 
 +  
 +- Je proteste, dit le citoyen Jules Guesde. 
 + 
 +- Niez vous? interroge Nieuwenhuis. 
 + 
 +- Apportez-moi des preuves. 
 + 
 +- Niez vouz? réitère le socialiste hollandais. 
 + 
 +- Donnez des preuves, répète Guesde. 
 + 
 +- Niez vous? insiste l'​orateur. 
 + 
 +Et Jules Guesde, n'​osant pas recevoir un démenti public, ne répond plus.[27] 
 + 
 +En merkwaardigerwijze heeft men Guesde daarna niet meer op het kongres gezien. Hij was leelijk ontmaskerd. 
 + 
 +Na dit intermezzo zei ik nog: iedereen heeft het recht om met geestverwanten een kongres samen te roepen en ik zou de laatste zijn, om iemand hierin te willen hinderen. Maar dan moet helder en duidelijk het doel worden omschreven. Als gij hier verklaart dat gij een kongres hebt van parlementaire socialisten,​ dan zult gij voortaan nooit meer last van mij hebben, want dan is de oproeping tot het kongres niet aan mij gericht. Verklaar dit en de zaak is opgelost. 
 + 
 +Met groote meerderheid werd de resolutie van Zürich bekrachtigd. 
 + 
 +Min was in dezen de houding van Bebel, die als voorsteller der verklaring te Zürich alle licht op de zaak had kunnen werpen en ofschoon hij anders zoo graag praat, nu scheen hij het beter te achten om het zwijgen te bewaren. ‘Also sprach Bebel’ - zoo luidt de titel van een boek; men kon toen van hem getuigen: also schwieg Bebel. 
 + 
 +Het mooiste was dat men het ondanks alles niet aandurfde om het rondweg te zeggen, want toen Cornelissen na de gevallen beslissing vroeg of nu de revolutionaire kommunisten al dan niet waren uitgesloten,​ kon hij geen beslist antwoord van het bureau afdwingen. 
 + 
 +Wij hadden een verbindende opdracht het kongres te verlaten, als er besloten was tot uitsluiting van de een of andere groep en dienovereenkomstig handelden wij. Ik verklaarde namens 20 van de 21 vertegenwoordigde Hollandsche organisaties,​ dat nu het kongres de grondslagen der oude Internationale had verlaten en een politieke partij was geworden, de Hollandsche arbeidersbeweging niet meer deel zou nemen aan den onverdraagzamen,​ sektarischen arbeid van het kongres en dus alleen de parlementaire groep, die niet het recht had zich voor te doen als de vertegenwoordigster der Nederlandsche arbeidersbeweging,​ zou overblijven. Treurig stemde het applaus, dat op deze verklaring volgde van de zijde der Duitschers en hun trawanten. En toen Vliegen namens de parlementaire groep verklaarde, dat zij bleef, volgde nog een sterker applaus. Natuurlijk nadat ik deze groep gesignaleerd had als ‘une succursale des Allemands, payée par la caisse allemande'​[28] en Vliegen zei er trotsch op te zijn een depot van Duitschland te wezen, toen wisten de Duitschers van geestdrift niet hoe hard zij in de handen zouden klappen. Men had niet gezocht naar wat eenheid bracht, neen men was gekomen met het voornemen van uitsluiting. 
 + 
 +Maar wij hadden ons doel bereikt, want het was ons te doen om het kongres te noodzaken kleur te bekennen; voortaan had men geen internationale socialistenkongressen,​ maar internationale parlementair-socialistische kongressen, dus van een fraktie der socialisten. Immers uitdrukkelijk is bepaald dat voor het vervolg werden buitengesloten de anarchisten en al die vakvereenigingen,​ die niet gelooven aan de alleenzaligmakende parlementaire aktie. 
 + 
 +Zelfs had men een andere resolutie klaar gemaakt, onderteekend o.a. door Bebel, Liebknecht en Singer voor Duitschland,​ door Adler en Kautsky voor Oostenrijk, door Greulich en Brandt voor Zwitserland,​ door Troelstra en van Kol voor Holland, door Bertrand voor België, door Plechanoff voor Rusland, door Branting voor Zweden, door Olden en Spensen voor Denemarken, maar die men niet heeft durven voorstellen ter laatster instantie. 
 + 
 +Zij luidde aldus: 
 + 
 +‘het kongres 
 + 
 +besluit tot het houden van het aanstaande internationale kongres in 1900.  
 + 
 +Toegang zullen hebben de vertegenwoordigers van de socialistische partijen en arbeidersorganisaties,​ die zich stellen op het standpunt van den klassenstrijd,​ die erkennen de verovering van de politieke macht door de arbeidersklasse als noodzakelijk voor haar bevrijding. Om tot dit doel te geraken beschouwen zij als een der wezenlijkste middelen de wetgevende en parlementaire aktie. Zij die het algemeen kiesrecht niet bezitten, moeten alle pogingen aanwenden om het te verkrijgen. 
 + 
 +De anarchisten en hun bondgenooten,​ zelfs al noemen zij zich antiparlementaire kommunisten,​ kunnen geen deel nemen aan dit kongres, onverschillig tot welke organisatie zij ook behooren’. 
 + 
 +In den Duitschen en Engelschen tekst - zonder tekstvervalsching kunnen de Duitschers het niet stellen sints Marx het voorbeeld daarvan heeft gegeven in de statuten der Internationale - luidt het: ‘zelfs wanneer zij zich antiparlementaire kommunisten noemen of elke andere benaming’. 
 + 
 +Bijna alle Engelsche bladen beschouwden het kongres als een mislukking. Alleen Hyndman jubelde in de Justice en noemde het een triomf. Nu ja dat was het, voor zoover hij en de zijnen hun zin kregen, maar nog één zoo'​ntriomf en men is voor goed verslagen. 
 + 
 +Zelfs de Vorwärts moest getuigen, dat het ‘mooiververij zou zijn, als men wilde beweren dat het zooeven gesloten kongres een volkomen bevredigenden indruk heeft achtergelaten’. 
 + 
 +De scheiding is voltrokken sints het Londensche kongres: hier de parlementairen die de politieke vrijmaking hebben verklaard tot hoofddoel, waaraan de ekonomische beweging ondergeschikt moet zijn en dáár de libertairen,​ die staan op het standpunt der oude Internationale,​ wier hoofddoel was de ekonomische vrijmaking, waaraan elke politieke beweging ondergeschikt moet zijn. 
 + 
 +Het is merkwaardig dat sints dien tijd de internationale socialistenkongressen zich nooit meer hebben kunnen verheugen in zoo groote belangstelling. Sints de stoute anarchisten eruit verwijderd zijn, wordt daar over alles gesproken behalve over het socialisme en evenals de zegepraal over Bakunine op het kongres te 's Gravenhage in 1872 de doodsteek was voor de Internationale,​ evenzoo zal deze triomf geen blijde gevolgen hebben voor het internationaal socialisme. Als hervormingspartij toch heeft men het socialisme laten vallen, dat opgeraapt is door de anarchisten,​ die nu feitelijk de eenige waarlijk socialistische partij uitmaken. 
 + 
 +Wij hebben naast dit kongres te Londen ook een samenkomst van anarchisten en anti-parlementaire socialisten gehouden en zeker was het een eigenaardige speling van het lot dat wij dit deden in dezelfde Martin'​s Hall, waar eenmaal in 1864 de oude Internationale werd gesticht. Elkeen kon daar binnenkomen zonder eenig mandaat en hoeveel ordelijker en zakelijker ging het daar toe, zoodat zelfs de Engelschen, die er zoo van houden ‘businesslike’ te zijn, weldra moesten bespeuren, dat men zijn ‘business’ heel wat beter kan doen, als men de vrijheid laat aan allen, dan als men allerlei staketsels en hindernissen opwerpt. 
 + 
 +Enkele karakteristieke bizonderheden van dit kongres moeten wij hier ter loops meedeelen. 
 + 
 +In de eerste plaats waren er vier Fransche afgevaardigden,​ te weten: Millerand, Jaurès, Viviani en Gérault-Richard,​ die zonder mandaat wenschten toegelaten te worden, omdat zij volksafgevaardigden waren. Millerand zei: ‘onze kiezers hebben ons een mandaat gegeven dat boven elk ander staat en ten gevolge daarvan komen wij hier deelnemen aan de internationale socialistische aktie. 
 + 
 +Zij wilden een precedent stellen, zoodat voortaan op alle arbeiderskongressen de afgevaardigden in kamer, gemeenteraad of staten in groot aantal zouden kunnen opkomen om hun wil op te leggen aan de afgevaardigden der vakvereenigingen. 
 + 
 +Een eigenaardig staaltje van tucht onder de Duitschers was dit: een Saksisch afgevaardigde,​ zelf lid van den Landdag, had gesproken met Landauer, Alexander Cohen, mij en anderen. Dat hadden de heeren chefs gezien of het was hun door gewillige dienaren overgebracht en hij werd daarover door Singer, Bernstein en anderen op de ruwste wijze onderhouden en afgestraft. Zoo ondeugend had hij niet mogen zijn! 
 + 
 +Toen wij als afgevaardigden het kongres hadden verlaten, namen wij plaats aan de tafel der pers, waar o.a. ook Singer en Liebknecht zaten. Daar werden soms aardige tooneeltjes afgespeeld. Nog herinner ik mij de woede van Liebknecht tegen Alexander Cohen, die daar ook voor de pers zat. Wat er vooraf was gegaan, weet ik niet precies meer, maar ik zag Liebknecht met zijn vinger omhoog, zooals hij dit doen kon alsof hij als meester voor de klas stond en ik hoorde hem tot Cohen zeggen: ik zal zorgen, dat als wij weer een kongres hebben, jij er niet inkomt. 
 + 
 +- Dat kunt gij niet, luidde het antwoord, tenzij gij de pers buitensluit,​ maar zoolang de pers wordt toegelaten - en dat kunt gij niet verhinderen - zoolang zult gij het genoegen hebben mij hier voor de pers te zien zitten. 
 + 
 +- Maar wij laten ons niet door u belachelijk maken. 
 + 
 +- Zoo, doe ik dat? 
 + 
 +- Zeker, gij doet niets anders dan dat. 
 + 
 +- Pardon, belachelijk maakt gij alleen uzelf en wij zijn de lui die het opteekenen en wereldkundig maken, voilà tout. 
 + 
 +Woedend wendde Liebknecht zich af onder het gelach van verschillende journalisten,​ die dit gesprek aanhoorden. 
 + 
 +Het mooiste was dat op het kongres een protest inkwam van 16 afgevaardigden van Engelsche vakvereenigingen om te protesteeren tegen de uitsluiting van hen, die revolutionaire denkbeelden belijden en zich kommunistische anarchisten of antiparlementaire kommunisten noemen, maar die toch gelooven in de direkte aktie der arbeidersorganisaties voor de ekonomische bevrijding van den arbeid. ‘Door die uitsluiting meenen wij, dat dit kongres aan de socialistische beweging die zuiverheid en solidariteit heeft ontnomen die er tot heden de groote aantrekkelijkheid van waren, door één soort van socialisme aan te nemen, dat noodzakelijk de socialistische beweging moet omzetten in een zuivere parlementaire hervormingspartij,​ zonder eenige revolutionaire aktie’. 
 + 
 +Het behoeft niet vermeld te worden dat het bureau deze verklaring wegmoffelde,​ maar door haar gedrukt te verspreiden is zij toch in handen der deelnemers gekomen. 
 + 
 +Als wij verder zeggen dat dr. Aveling, de beruchte man van Eleanor Marx, op dit kongres een hoofdrol speelde, terwijl de meeste deelnemers, zooals b.v. een Liebknecht en anderen zeer goed wisten wat voor sujet dat was, dan is dit reeds teekenend. Aan het diner op den laatsten dag was hij NB. de voorzitter. Toen wij even een kijkje in de zaal kwamen nemen en daar allen vreedzaam en vreetzaam zagen eten en drinken, toen dachten wij: gij neemt toch geheel en al de manieren over van de bourgeois, gij zit daar te eten en te drinken op de gezondheid der arbeiders, gij stelt u aan alsof gij heel wat voor hen doet en de arbeider zelf staat van verre en mag niet binnenkomen. 
 + 
 +Een vuurwerk was het einde ook van dit feest en nog herinner ik mij een der nummers, waarbij men een drietal mannetjes zag, die akrobatische kunsten maakte aan den rekstok. Het leek mij alsof de vervaardiger in dien vorm een bittere satire leverde door een afbeelding te geven van de akrobatische toeren, die de sociaaldemokratische afgevaardigden aan het volk te aanschouwen geven in de verschillende parlementen. Hoe geestig het ook zou zijn, bedoeld was dit zeker niet, maar het trof toch alleraardigst samen. 
 + 
 +Keir Hardie noemde na den afloop een kongres, op deze manier gehouden, een grap. Hij vergeleek de houding van mij en mijn vrienden bij William Morris en de Socialist League in 1889 en vond het ongepast om ‘mannen als D.N. te behandelen als vijanden’ en eindigde met deverklaring dat ‘zoolang elkeen door zijn buurman kan worden uitgewipt, onbevooroordeelde overweging van de meening van een ander onmogelijk is, daar persoonlijk getwist de plaats inneemt van vrij debat’. En beweert men dat het onmogelijk is met anarchisten te redeneeren, omdat zij komen met het vooropgezette doel om herrie te maken, dan is ook dat onwaar, alleen dan wanneer zij bemerken dat er onrecht wordt gedaan of het vrije woord verkort, dan laten zij zich gelden, zooals Keir Hardie ook getuigt: ‘toen de “anarchistische” sektie bemerkte dat zij niet alleen werd gelaten om op eigen houtje te strijden, maar dat een gedeelte der Britsche sektie besloten had te zorgen dat er tegenover hen eerlijk spel werd gespeeld, werden zij een der meest ordelijke afdeelingen van het kongres’. 
 + 
 +En hetzelfde getuigen allen die onpartijdig verslag gaven van het kongres en geen woord is te veel gezegd in de opmerkingen over het kongres in de Temps Nouveaux: 
 + 
 +‘Nu Marx dood is, zet zijn familie het werk van overheersching op de kongressen voort. “De familie”, vertegenwoordigd te Londen door meneer en mevrouw Aveling, schoonzoon en dochter van Marx, door hun bondgenooten in Duitschland Bebel-Singer-Liebknecht,​ door Lafargue, schoonzoon van Marx, gevolgd door de Fransche kollektivisten,​ heeft haar reputatie op dit kongres niet verloochend. Zij hebben er de rol gespeeld van regeering en ons het schouwspel vertoond van een regeering meer onverdraagzaam en autoritair dan welke bourgeoisregeering ook. Gedurende den geheelen loop van het kongres hebben zij het zoo geschikt dat zij de debatten altijd regelden’. 
 + 
 +Inderdaad in alle landen ziet men hetzelfde en de sociaaldemokraten toonen zich overal als een nieuwerwetsche katholieke sekte, die in bekrompenheid en onverdraagzaamheid voor de oude, officieele katholieken in geen enkel opzicht onderdoet. Wee den anarchisten als de sociaaldemokraten eens de baas worden, zij zullen het hard te verantwoorden hebben. Wat eenmaal een Fransch sociaaldemokraat - wij meenen dat hij Chauvin heette, een zeer passende naam voor zoo iemand - in de eerlijkheid des harten uitsprak, dat woont in stilte bij allen. Op de vraag van een anarchist, wat de sociaaldemokraten na de revolutie met de anarchisten zouden doen als zij de overwinning hadden behaald, antwoordde hij: ja, hoezeer het ons zou spijten, wij zouden beginnen met jullie allemaal dood te schieten, want jullie zoudt het ons te lastig maken! Of het mannen als Liebknecht gespeten zou hebben om de anarchisten te zien dooden, dat betwijfelen wij, integendeel hij zou er zeer goed het bevel voor hebben kunnen geven, want hoe groot zijn haat tegen Bismarck ook was, deze werd minstens bij hem geëvenaard door dien tegen de anarchisten. 
 + 
 +Is het daarom te verwonderen dat de anarchisten met alle middelen de sociaaldemokratie bestrijden?​ 
 + 
 +Ten tweeden male was dus de strijd bevochten, de vrijheid werd wederom onderdrukt, maar zij groeit tegen de verdrukking in, zoodat zij niets vreest voor de toekomst. 
 + 
 +===== XV. Mijn betrekkingen tot de Duitsche beweging. ===== 
 + 
 +**De verkiezingen voor den Rijksdag te Berlijn bijgewoond in 1890 en mijn indrukken. - Arrestatie en uitwijzing uit Berliju. - Het oordeel van Marx over het Duitsche partijprogram in de ‘Neue Zeit’ meegedeeld, en de invloed dien dit op mij uitoefende. - Mijn bijwonen van den partijdag te Halle. - Verhinderd een voordrachtenreis te houden door mijn arrestatie te Bielefeld. - Duitsche brochures op verzoek geschreven. - Konflikt met Ed. Bernstein. - De Jongen in Duitschland. Mijn artikelen over de Duitsche partij. - Mijn verhouding tot John Most.** 
 + 
 +Ofschoon elk jaar zijn belangrijke zijde had in de socialistische beweging, was toch de periode van 1880 tot 1890 bizonder rijk aan allerlei gebeurtenissen. Had Bismarck het na den aanslag van dr. Nobiling op den ouden keizer Wilhelm I zoover klaar gekregen, dat hij de socialistenwet er door had gehaald, naast dit negatieve middel van geweld, altijd een onmachtsbetuiging om een beweging langs den weg der rede te bestrijden naar het woord van den Sardinischen staatsman Cavour: ‘met den staat van beleg kan elke ezel regeeren’,​ maakte hij ook gebruik van positieve middelen, nl. om door praktische hervormingen om zoo te zeggen het werk den sociaaldemokraten uit de handen te nemen. Zoo verscheen in 1881 de keizerlijke boodschap, waarin gezegd werd dat ook het positief welzijn van de arbeiders bevorderd moest worden. Zoo herinneren wij ons het woord van Bismarck in de zitting van den Rijksdag van 9 Mei 1884: ‘geef den arbeider het recht op arbeid, zoolang hij gezond is, verzeker hem verpleging wanneer hij ziek is, verzeker hem verzorging, wanneer hij oud is’. Er kwam dus konkurrentie in ‘praktische hervormingen’ en de sociaaldemokraten begrepen niet dat men alsdan als socialist verloren is. Men gelijkt op den man, die aan het eene einde van een touw trekt, terwijl aan het andere regeering en bourgeoisie trekken. Geven deze laatsten toe, dan valt men immers op den rug. Zoo nu ging het met de regeering en bourgeoisie eener-, de sociaaldemokratie anderzijds, beiden trokken aan de lijn der praktische hervormingen,​ de regeering gaf wat toe met het gevolg dat de sociaaldemokratie op den rug viel, waarop zij feitelijk nog altijd ligt te spartelen. Bismarck begreep, dat het ‘zonder een zekere maat socialisme niet meer ging’ en de sociaaldemokraten riepen dat ‘onze Duitsche keizer in zijn keizerlijke boodschap van 17 November 1881 het socialistische gronddenkbeeld meedeelde aan zijn volk, dat aan den ekonomisch zwakke bescherming moet worden gewaarborgd,​ dus bescherming der armoede tegen de macht van het uitbuitende kapitaal, zoodat het bleek hoe juist Bismarck had gezien, toen hij eens in den Rijksdag den sociaaldemokraten toeriep: ‘ja, ziet ge, op sommige punten zijn wij het samen toch wel eens’. 
 + 
 +Toen de socialistenwet in 1890 werd ingetrokken,​ riepen wij - ja, ik heb er zelf aan meegedaan - dat zelfs de ijzeren kanselier zijn harde hoofd had stuk geloopen tegen de sociaaldemokratie,​ maar bij nader inzien heb ik het anders leeren beoordeelen en kan men die periode beschouwen als de opvoering van het beroemde stuk van Shakespeare:​ Taming of the shrew (die Widerspenstige gezähmt), want wie zal nu nog durven beweren dat de sociaaldemokratie na die twaalf jaren socialistenwet als dezelfde te voorschijn kwam uit den strijd? Bismarck heeft feitelijk zijn doel bereikt, nl. de kapitulatie en afzwering van de revolutionaire,​ in de oogen der heerschende klasse gevaarlijke denkbeelden door de sociaaldemokraten,​ die sints dien tijd eigenlijk zijn opgetreden als een doodgewone hervormingspartij. 
 + 
 +In het vroege voorjaar van 1890 moesten in Duitschland de verkiezingen voor den Rijksdag plaats hebben en om de toepassing van dat kiesrecht eens te zien, ging ik tezamen met Edmond van Beveren uit Gent en een Hollandsch socialist naar Berlijn, dat toen nog in den kleinen staat van beleg verkeerde. Ik woonde tal van vergaderingen bij en wist weerstand te bieden aan alle verleiding, door nooit in een dier vergaderingen het woord te voeren, zooals men het mij verscheidene malen vroeg. Ik was toeschouwer en moest dat blijven, wilde ik niet een, twee, drie over de grenzen gezet worden. Later heb ik ook een verkiezing meegemaakt te Parijs en te Londen, zoodat ik mij een goede voorstelling daarvan kon maken. 
 + 
 +Wat mij opviel, dat was het aandeel dat het bierzuipen - ja drinken was het niet meer, maar zuipen - had aan de verkiezingen en de kroeghouders waren dan ook in den regel de ijverigste en aktiefste verkiezingsagenten. Het was bedroevend te zien hoe het daar toeging en nooit hoorde men tegen den verdierlijkenden invloed van het drinken ook maar één woord zeggen. Wij waren in hun oogen dan ook rari aves (zeldzame vogels) en meermalen werd ons door leiders gezegd: wij zouden niet graag zien dat gij hier werktet, want zulke Temperenzler kunnen wij niet gebruiken. 
 + 
 +Op den avond der verkiezing waren wij uitgenoodigd op het bureau van het Berliner Volksblatt, waar wij reeds meermalen geweest waren om kennis te maken met de redaktie en met den eigenaar der drukkerij, zekeren heer Bading, om den uitslag der verkiezingen te vernemen. Om den aandrang niet te sterk te maken werden alleen personen toegelaten die een toegangskaart hadden. Daar had men toen reeds een waarschuwing gekregen, dat wij gevolgd werden. Maar hoe groot was onze verbazing, toen wij daar op dat bureau heel wat heeren met pelsjassen, meerendeels Joden, zagen, die met spanning de telegrammen van elders afwachtten. Verbaasd - want wij waren niet gewoon zulke lieden bij ons op 't bureau te zien - vroegen wij of dat allemaal partijgenooten waren. Neen, luidde het antwoord, dat nu wel niet, het zijn voor het meerendeel vrienden van den heer Bading. 
 + 
 +Toen wij het bureau verlieten, gaven wij tegenover elkaar onze verwondering te kennen; wij hadden alle drie zoo'n gevoel alsof de zaak verloren was, want als de bankiers in een partij de hoofdrol spelen, al is het achter de schermen, dan kan daaruit voor het arbeidende volk niet veel goeds worden. Het stemde ons zeer treurig en nooit ging de indruk van deze ontmoeting geheel verloren. 
 + 
 +Den volgenden morgen aan het ontbijt zaten wij juist plannen te maken waar wij heen wilden, toen de kellner ons kwam zeggen, dat er iemand van de politie was, die ons wenschte te spreken. Wij vonden in een ander vertrek een heer, die zich bekend maakte als kommissaris van politie met een paar geheime politiemannen bij zich, terwijl een paar dito's den gang van het hotel bewaakten. Hij vroeg onze namen en of wij een pas hadden. Ik had een anderen naam ingeschreven,​ maar gaf den mijnen direkt op aan den kommissaris,​ die ons verzocht hem te volgen naar het Polizei-Presidium. Elk onzer ging in een apart rijtuig met een paar geheime politiemannen,​ alsof wij gevaarlijke misdadigers waren. De kommissaris in een afzonderlijk rijtuig, zoodat dit den staat 4 rijtuigen kostte. Aldaar aangekomen werden wij elk in een afzonderlijk vertrek gebracht, waar wij 3 uur moesten wachten en ons vervelen, voordat wij in verhoor werden genomen. Het had den schijn alsof men een hoogst gevaarlijk komplot had ontdekt en dus met de grootste omzichtigheid gehandeld moest worden. 
 + 
 +De behandeling was beleefd. Ik kon een paar kranten laten halen en toen het twaalf uur was, konden wij op eigen kosten wat bestellen en gebruiken. De zaak werd nog al breed opgezet, althans ten opzichte van mij, die als hoofd van het ‘komplot’ werd beschouwd, omdat men mijn naam kende en omdat ik door een valschen naam op te geven mij had schuldig gemaakt, zooals de kommissaris zei, aan valschheid in geschrifte, waar een zware straf op stond. 
 + 
 +Ik antwoordde hem: dat is geen valsche naam in den gewonen zin des woords, ik reis alleen maar incognito. 
 + 
 +- Nu ja, zei hij, het is toch in alle gevallen een valsche naam, want uw naam is het niet. 
 + 
 +Ik zei: ik heb altijd gehoord dat een goed onderdaan het voorbeeld volgt van zijn vorst en onze koning reist altijd onder een anderen naam, als graaf van Buren, zonder dat de politie hem daar ergens lastig over valt. 
 + 
 +De kommissaris toonde zich ietwat geraakt en antwoordde:​ 
 + 
 +- Das ist eine ganz andere Sache. (Dat is iets heel anders). 
 + 
 +Dit ontlokte mij het antwoord: das sehe ich gar nicht ein. (Dat zie ik niet in). 
 + 
 +Daarop maakte hij een einde aan het ietwat pijnlijke gesprek zeggende: nu ja, ik behoef u de gronden van het bevel van den Polizei-President ook niet te zeggen. Maar vóór 12 uur vannacht moet gij Berlijn verlaten hebben, en indien wij dit niet deden zouden wij door de politie de stad worden uitgezet. En dan nog iets, voegde hij eraan toe, gij zult mij moeten toestaan, dat ik met u naar het hotel ga, om uw pakkage te onderzoeken. 
 + 
 +Dus ook nog huiszoeking. 
 + 
 +Na een verblijf van 5 uren gingen wij wederom in optocht naar het hotel evenals wij gekomen waren. Dus alweer de kosten van 4 rijtuigen. In ons hotel werd alles nauwkeurig onderzocht om te zien of we geen dynamietbommen bij ons hadden. Men vond niets en na een plechtstatige herhaling dat wij zorgen moesten vóór 12 uur 's nachts Berlijn verlaten te hebben, maar dat wij vóór dien tijd ons vrij overal konden bewegen, verlieten die heeren ons om elders hun belangrijk werk op andere wijze voort te zetten. 
 + 
 +Wij werden verwijderd niet omdat wij sociaaldemokraten waren op grond der socialistenwet,​ ofschoon wij wel degelijk naar de afdeeling Politieke Politie waren gebracht, maar omdat wij geen pas hadden, zooals het ten minste heette. 
 + 
 +Toen wij ons hotel verlieten, bemerkten wij zeer spoedig dat wij in den vorm van geheime politiemannen een eeregeleide mee kregen van den kommissaris. Wij op een tram, zij ook; wij in een restauratie,​ zij ook; wij in een rijtuig, zij ook. Daarop gingen wij naar het redaktiebureau van het Berliner Volksblatt - zij vatten dadelijk post vlak over den ingang - waar wij ons avontuur vertelden. Ik zei naar den Hollandschen gezant te willen gaan, daar het toch niet aanging dat een volksvertegenwoordiger door een bevriende regeering zoo maar mir nichts dir nichts over de grenzen werd gezet. Een der redakteuren zou ons vergezellen en toen had er een vermakelijke drijfjacht plaats. Toen wij nl. een rijtuig zagen staan, stapten wij er met de noodige snelheid in en wij er vandoor zoo hard als wij konden. De politiemannen ook direkt in een rijtuig ons achterna. Wij namen omwegen, zij volgden ons. Eindelijk hielden wij stil, zij ook. Ik vroeg naar den gezant, die afwezig was, maar de attaché, de heer Citters ontving mij zeer beleefd en beloofde mij den gezant op te zoeken en mij zoo mogelijk dien avond nog een pas te bezorgen. Onder ons eeregeleide reden wij weer hollende terug naar het redaktiebureau,​ waar hetzelfde spelletje zich herhaalde. Zij waren niet van ons af te slaan. Des avonds om half tien kwam de attaché nog een pas brengen aan ons hotel van wege den gezant. 
 + 
 +Aan het station gekomen namen wij plaats naar Hamburg, zij bleven staan op het perron en toen de trein zich in beweging stelde, bedankten wij hen genadig voor hun vriendelijk geleide en voor de bewaring onzer kostelijke personen. 
 + 
 +Berlijn behoefde niet meer te vreezen, Berlijn was door de voortreffelijke zorg van de politie gered! 
 + 
 +Behalve de 5 uur verveling hadden wij dus een vermakelijken dag door de stille drijfjacht, die de politie op ons maakte. De 33.000 stemmen meer, uitgebracht op de sociaaldemokraten,​ waren den heeren zeker naar 't hoofd geslagen. Maar even ondenkbaar als het is, dat er geen vogels in de lucht vliegen, even ondenkbaar en inkompleet is het Berlijn in grootheid te zien zonder politie en Pickelhaube. 
 + 
 +Mijn reisgenooten gingen na een kort verblijf te Hamburg direkt vandaar huiswaarts, ik ging met mijn pas gewapend weer naar Berlijn om te probeeren of de politie de domheid zou hebben mij nogmaals op te pakken, nu ik voldeed aan de gestelde eischen. Maar er gebeurde niets en na een zeer kort verblijf verliet ik de rijkshoofdstad met de herinnering aan het dwaze avontuur, daar beleefd. 
 + 
 +Een tweede omstandigheid,​ na de ontmoeting der pelsjassen op het redaktiebureau,​ die grooten invloed uitoefende op mijn verdere ontwikkeling,​ was het artikel van Marx over het Duitsche partijprogram,​ dat door Engels even vóór den partijdag te Halle in 1890, waar de diskussie over het program van Gotha op de dagorde was geplaatst, in de Neue Zeit werd gepubliceerd. (Zie Jaargang IX, deel 1). 
 + 
 +Ik had altijd gemeend en verreweg de meerderheid der sociaaldemokraten met mij, dat Marx en Engels de autores spirituales (de geestelijke makers) van dat program waren en nu bleek plotseling dat dit niet alleen niet waar was, maar dat Marx eigenlijk vierkant stond tegenover dat program. 
 + 
 +De openbaarmaking van dezen brief van Marx aan Bracke geschiedde door de redaktie der Neue Zeit ‘zonder voorkennis der fraktie en partijleiding,​ die de publiceering in den onderhavigen vorm niet zou gebillijkt hebben’, dus blijkbaar tegen den zin van deze, maar voor de juiste kennis van zaken en voor de waarheid is het een geluk, dat dit stuk bekend is geworden. De Vorwärts schreef toen: 
 + 
 +‘Toen Bebel de kopie van het artikel van Marx onder de oogen kreeg, was het nummer van de Neue Zeit reeds klaar en een telegram, den volgenden dag na overleg met Dietz afgezonden, dat de uitgave trachtte te beletten, kwam te laat. Wij kunnen in opdracht van Bebel uitdrukkelijk verklaren, dat als dit aktenstuk hem tijdig was toegezonden,​ het in den openbaar gemaakten vorm hoogstwaarschijnlijk niet zou zijn opgenomen.’ 
 + 
 +Dus het artikel van Marx uit diens nalatenschap door Engels meegedeeld onder den titel ‘Zu Kritik des sozialdemokratischen Parteiprogramms’ ontkwam slechts door een dier gelukkige toevalligheden,​ die overal nog al een groote rol spelen, aan de sociaaldemokratische censuur of verminking. 
 + 
 +Of Engels den Duitschen partijleiders daardoor een poets wilde spelen dan wel of hij er iets anders mee heeft voorgehad, dat is mij niet bekend, maar al achtte hij het een ‘Unterschlagung’,​ om dit stuk langer te verzwijgen, het kon niet anders dan een vreemdsoortig licht werpen op hen, die een groote partij 16 jaar lang in den waan lieten een program te bezitten in den geest althans van Marx, terwijl het bij slot van rekening bleek dat niemand dit program fijner uiteenrafelde dan Marx het gedaan heeft. Ja, wel kon Engels spreken van de ‘weergalooze scherpte, waarmede hier het partijprogram uiteengerafeld,​ de onverbiddelijkheid waarmede de verkregen resultaten uitgesproken,​ de leemten van het ontwerp blootgelegd’ werden. Men moet eigenlijk dat geheele artikel lezen met de noodige onbevooroordeeldheid en kritisch oordeel, om de portée ervan te begrijpen en als men het dan eens vergelijkt met hetgeen de sociaaldemokratische partij nu doet, zou men zoo zeggen, dat Marx zich in zijn kist zou omdraaien als hij weten kon wat er tegenwoordig onder den naam van socialisme op de markt wordt gebracht. Marx meende dat de vereeniging der Lassalleanen en Eisenacher op den partijdag te Gotha op deze wijze, dat wil zeggen: door de aanneming van dit program een fout is geweest, dat ‘men dwaalt, als men meent, dat dit oogenblikkelijk resultaat niet te duur gekocht is’. Hij zegt, dat dit program ‘van het begin tot het einde behebt is met het fetischisme jegens den staat’ en dat ‘ondanks al het demokratisch geklingklang het geheele program verpest is door het onderdanengeloof der Lassalleaansche sekte aan den staat, of wat niet beter is, door het demokratisch wondergeloof,​ of veeleer een kompromis is tusschen deze beide soorten van wondergeloof,​ die beide evenzeer verwijderd zijn van het socialisme’. 
 + 
 +(Ik kursiveer). Wat wil dit in 's hemelsnaam anders zeggen dan dat het program staats-socialistisch is? Hij achtte dus het program niet socialistisch,​ maar ... ‘van het socialisme verwijderd’ en al noemt hij het zijn plicht ‘een naar mijn overtuiging geheel verwerpelijk en der partij demoraliseerend program ook niet door een diplomatisch stilzwijgen te erkennen’,​ toch heeft hij zulk een stilzwijgen bewaard tot aan zijn dood, anders had hij dit artikel eerder uitgegeven tot waarschuwing en leiddraad voor alle werkelijke socialisten en toch hebben Auer, Bebel, Bracke en Liebknecht, die dezen brief kenden, hem 16 jaar lang kunnen verzwijgen. 
 + 
 +Heel hoog schat hij noch de partij zelve noch haar afgevaardigden op het kongres, waar hij van de eerste zegt: ‘de Duitsche arbeiderspartij - althans, wanneer zij dit program tot het hare maakte (en dat heeft zij gedaan. D.N.) - toont hoe de socialistische denkbeelden er niet eens tot de diepte van de huid inzitten; daar zij in plaats van de bestaande maatschappij (en dit geldt van elke toekomstige) als grondslag van den bestaanden staat (of van den toekomstigen staat voor de toekomstige maatschappij) te behandelen, den staat veeleer beschouwt als een zelfstandig wezen, dat zijn eigen geestelijke,​ zedelijke, vrijheidsgrondslagen bezit’ en van de tweeden getuigt: ‘het enkele feit dat de vertegenwoordigers onzer partij in staat waren zulk een ongehoorden aanslag op het in de massa der partij verbreide oordeel te begaan, bewijst het niet alleen reeds, met welke ..... lichtzinnige .....[29] zij te werk gingen bij de vervaardiging van het kompromisprogram’! 
 + 
 +En wat het praktische, het werkprogram der partij aangaat, hoe haalt hij het met alle scherpte uiteen om ervan te getuigen: ‘zijn politieke eischen bevatten niets anders dan de oude, wereldbekende demokratische litanie: algemeen stemrecht, direkte wetgeving, volksrechtspraak,​ volksweer, enz. Zij zijn louter de echo van de burgerlijke volkspartij,​ van den Vrede- en Vrijheidsbond,​ het zijn louter eischen, die voor zoover ze niet in fantastische voorstelling overdreven moeten heeten, bereids tot werkelijkheid zijn gemaakt. Alleen ligt de staat, waarin ze tehuis behooren, niet binnen de Duitsche rijksgrens, maar in Zwitserland,​ de Vereenigde Staten, enz. Deze soort “toekomststaat” is de huidige, ofschoon buiten “het raam” van het Duitsche rijk bestaande’. 
 + 
 +Hier is dus een bedrog gepleegd van de ergste soort en laat ons aannemen dat het een pia fraus (vroom bedrog) was, het bleef toch een bedrog en elk bedrog jegens de arbeiders is een soort van verraad. Mijn vertouwen in de mannen, die ik hoogachtte als de dragers der nieuwe denkbeelden,​ kreeg een geduchten schok, het leek mij zoo toe dat zij demagogen waren in de slechte beteekenis des woords. Marx en Engels maakten er zich evenzeer schuldig aan als de ontvangers van den brief. En nam de partij den schijn aan in het nieuwe program van Erfurt, in 1891 aangenomen en dat nog geldig is tot op heden, deze klippen onder voorlichting van de kritiek van Marx omzeild te hebben, men vindt daarin toch weer de heele oude litanie terug, zoodat radikalen er van getuigen konden, zooals zij deden, dat het geen socialistisch,​ maar een doodeenvoudig radikaal program was en de Italiaansche toenmalige anarchist Merlino ervan zeggen kon: ‘ziedaar de vrucht van 15 jaar socialistische reaktie en verkiezingsagitatie op den grondslag van algemeen kiesrecht, toegekend aan de arbeidersklasse om haar te bedriegen, te verdeelen en af te voeren van den revolutionairen weg’. 
 + 
 +Het begin der regeering van keizer Wilhelm II was in vele opzichten een gevaarlijke tijd. Immers deze ging ook zoodanig in socialisme doen, dat het den schijn had, alsof hij wenschte op te treden als een tweeden Konstantijn. Men heeft wel eens gezegd dat hij vermomd het internationaal socialistenkongres te Parijs zou hebben bijgewoond en hij, ziende dat de machtigste strooming der socialisten zich bewoog in de richting der sociale hervormingen,​ een poging wilde doen om het revolutionair socialisme in te dammen door zelf in die richting te gaan werken. Ofschoon het wel wat avontuurlijk is, kan het heel goed waar zijn. Wie zal het zeggen? Nadat hij Bismarck op zij had gezet, wat hoe men ook over dien stap oordeele toch in elk geval een daad was van iemand die wat durfde en de noodige mate van zelfvertrouwen bezat, riep hij de afgevaardigden der verschillende staten te Berlijn bijeen. De konferentie te Berlijn, door hem bijeengeroepen,​ hoe bescheiden de wenschen waren die daar werden uitgesproken[30],​ toonde toch hoe er een heel andere geest was begonnen te waaien en was de keizer op dien weg voortgegaan en had hij der sociaaldemokratie de volle vrijheid van ontwikkeling gegeven, hoe geheel anders zouden de zaken er nu uitzien! Maar onder welke invloeden ook, de keizer die eenigzins als sociale keizer optrad, ging plotseling den weg der reaktie op, dien hij tot nu toe niet heeft opgehouden te bewandelen. 
 + 
 +In het najaar had de eerste sociaaldemokratische partijdag plaats na de opheffing der socialistenwet en wel te Halle. Ofschoon ik een kleine wrijving had gehad met Liebknecht op het internationaal kongres te Parijs, toch was onze verstandhouding nog vrij vriendschappelijk,​ zooals o.a. blijkt uit een brief van hem, die veel geleek op een uitnoodiging om daar te komen. Hij schreef: ‘op het kongres zult gij ons van harte welkom zijn en ik ben verheugd na de kleine botsing, die ik met u had, u de hand weer te kunnen drukken’. Ik had echter aan niemand geschreven dat ik zou komen en ik vermoed dat men van zekere zijde de stille hoop koesterde dat ik weg zou blijven. 
 + 
 +Verrast zag ik op, toen van der Goes daar aanwezig was en uit gesprekken die mijn broeder met Bahlmann aldaar had, kon ik voldoende afleiden wat deze tegen mij in den zin had. Na het Parijzer kongres had ik met Bahlmann een heftige korrespondentie gehad, daar ik hem het recht ontzegde om te oordeelen en zich blindelings te scharen aan de zijde der Duitschers, zonder dat hij er bij was geweest en zijn oordeel grondde op behoorlijke motieven. Zoo liet hij zich - zeer onvoorzichtig voor zoo'n sluw man - tegenover mijn broer, dien hij niet kende en die geen deel nam aan de beweging, ontvallen, dat als ik mij niet schikken wilde, men best van uit Duitschland een blad kon oprichten tegenover het mijne en een paar mannetjes naar Nederland zenden, die het zaakje zouden opknappen. Hoe ongelooflijk het ook schijne, toch kan ik verzekeren dat hij dit gezegd heeft. Ik kon daaruit afleiden hoe v.d. Goes door hem gebruikt werd bij wijze van bliksemafleider en ook in Nederland gesteld zou worden als de man die mij moest bestrijden, wat later ook gebleken is waar te zijn, want de geheele propaganda van v.d. Goes heeft steeds bestaan in een bestrijding van mij en was er nooit op gericht om de partij zelve zoo krachtig mogelijk te maken. Meermalen heb ik hem verweten dat als hij het blad Recht voor Allen niet goed geredigeerd achtte, wat zijn recht was, hij door toezending van artikelen moest meehelpen het zoo goed mogelijk te maken en het mij aangenaam zou zijn zijn medewerking te mogen genieten. Nooit deed hij daartoe ook maar de minste poging en toch had hij dit moeten beproeven en had hij pas na weigering zijner artikelen recht van spreken gekregen. Bahlmann bekostigde zelfs zijn reis en ziet het had zoo aardig kunnen gaan, als ik er niet geweest was. Immers dan had hij wel niet in opdracht van den Centralen Raad maar toch als Nederlander een groet kunnen overbrengen aan de Duitsche broederen. Nu verviel dit, want ik voerde het woord namens Holland en wenschte de partij geluk op dezen eersten partijdag na de opheffing der socialistenwet. Over het algemeen kon ik best bemerken dat de gezindheid niet zoo hartelijk was als voorheen, vooral van de partijhoofden. Men kan zoo iets gevoelen ook zonder het te kunnen omschrijven. 
 + 
 +Die partijdag te Halle was van bizonder belang, omdat men elkaar voor 't eerst weer eens onder de oogen kon zien en er waren kenteekenen genoeg, dat er wat broeide, al was men naar 't uiterlijk nog zoo eensgezind. Vooral te Berlijn heerschte toen nog al ontstemming tegen het Partijbestuur. Door eigen aanschouwing kan men beter oordeelen dan door verslagen. Werner uit Berlijn, een typograaf, was het die namens de oppositie sprak, maar hij moest het afleggen tegen de mannen die zoodanig doorkneed waren in het doodmaken van alle oppositie als Liebknecht en Bebel. Zoo terecht werd door een der afgevaardigden gezegd, dat de lichtgeraaktheid van het partijbestuur voldoende toonde, dat men nog niet ontgroeid was aan den uitzonderingstoestand en eraan zou moeten gewennen om kritiek te hooren en te verdragen. Uit de houding van v. Vollmar zou men hebben afgeleid dat deze misschien het hoofd der oppositie zou worden en dan zouden de oude partijleiders een leelijken tegenpartijder gehad hebben, maar juist hij ging later naar rechts en had de partij veel met hem te stellen, alleen in tegenovergestelde richting dan men verwacht had. 
 + 
 +Treurig was toen de houding van Max Schippel, die aangewezen was om Werner te steunen en hem, toen 't vuur hem na aan de schenen werd gelegd, leelijk in den steek liet. Deze kundige man miste de zoo gewenschte karaktersterkte en speelde daarom zoo'n geheel andere, in den grond der zaak misselijke rol, dan men van hem verwacht had en onthield Werner den steun, waarop hij zeker gerekend had. Daar zijn in elke partij al wat menschen doodgedrukt,​ die wat beloofden, omdat zij niet op konden tegen de leiders en ten slotte zoolang gerold en gesold werden, tot al wat er frisch was en edel in hun borst was gestold. 
 + 
 +Wij konden toen reeds de machinaties zien en de intrigues, die er plaats vonden en het slot van het kongres gaf een minder gunstigen indruk, want men voelde dat de twist nog niet uit zou zijn maar later noodzakelijk zou worden voortgezet. 
 + 
 +Ook de manier, waarop het partijbestuur den 1 Meidag feitelijk had doodgedrukt en daardoor de oorzaak werd van de internationale mislukking van dien dag, nadat Schippel in zijn goed geredigeerde Volkstribüne,​ die te Berlijn verscheen, met enkele anderen getracht had dien dag tot een grootsche demonstratie te maken, gelijk zij dit te Parijs en vooral te Weenen is geweest. Alles stuitte af op den onwil van het Partijbestuur en Schippel verklaarde dan ook, na de scherpe oppositie die een buiten de partij staande man, de beruchte Franz Mehring[31],​ redakteur van de Volkszeitung voerde tegen de ‘Schippeleien und Narretheien’,​ dat hij zich terugtrok en ‘na de verklaring uit partijkringen heelemaal niets meer verwachtte van den eersten Mei’. 
 +  
 +Wanneer ik deze dingen hier bespreek, dan is het omdat zij de verklaring geven hoe ik voortdurend opgeschoven en gedrongen werd naar de anarchie. Troelstra zei in dat prachtige Gedenkschrift bij het tienjarig bestaan der Soc. Dem. Arbeiders Partij, welk boek in plaats van een geschiedenis dier partij één groot strijdschrift tegen mij werd, zoodat men aan de drukkerij zeker verlegen zat met het aantal letters, waaruit mijn naam is samengesteld,​ om de vele malen dat die naam daarin voorkomt, niet geheel ten onrechte: ‘D.N. heeft sedert 1889, in den aanvang - maar voor zijne eerlijkheid is te hopen - onbewust, later meer stelselmatig,​ het parlementarisme,​ daarna de politieke aktie, ten slotte de sociaaldemokratie afgebroken. Daarmede ging gepaard een toenemende nadering tot het anarchisme, dat eertijds principieel bestreden, daarna gevleid en onder de hand bevorderd en ten slotte openlijk omhelsd werd’. Hij had ook kunnen zeggen, dat ik aan de sociaaldemokratie ontgroeide evenals de knaap, die den volwassen leeftijd bereikt en tot rijpheid komt als man. 
 + 
 +Evenmin als het mij makkelijk viel om mij los te worstelen van de banden, die mij voorheen vasthielden aan de kerk, evenmin was dit het geval met de sociaaldemokratie. Met haar opgegroeid heeft het mij veel strijd gekost om met haar te breken en dat kan iedereen begrijpen, die weet hoe moeilijk het valt het werk zijner handen in andere banen te leiden. En dan met hoeveel vriendschapsbanden was ik gehecht aan zoovelen die ik lief had gekregen als medestrijders voor dezelfde heilige zaak, waaraan wij, elk op zijn terrein, werkten! 
 + 
 +Ik ben niet iemand, die zich spoedig hecht aan een persoon of zich direkt vol geestdrift op een zaak werpt, neen, maar ben ik eenmaal gehecht of gevoel ik mij tot iets aangetrokken,​ dan valt het mij zwaar om mij daaraan te ontworstelen. Geen wonder dan ook dat ik jarenlang noodig heb gehad, voordat ik met mijzelven volkomen in het reine was. En dat ontwikkelingsproces leert men kennen door al die zaken, die ik ondervond en die mij telkens een nieuwen schok gaven, steeds afwaarts van de sociaaldemokratie. 
 + 
 +In dat jaar was ik uitgenoodigd om eenige voordrachten te komen houden en wel te Bielefeld, Herford en Dortmund in Westphalen. Ik begaf mij op Zaterdag 29 November op reis en vreemd genoeg noch de partijgenooten aldaar noch ik hebben er een oogenblik aan gedacht dat ik in moeilijkheden zou geraken. Toen ik te Bielefeld uitstapte, zag ik het perron vol Pickelhauben en toen pas begreep ik wat er gaande was. Een der partijgenooten fluisterde mij toe: sind sie Herrn Nieuwenhuis?​ Op mijn bevestiging zei hij: folgen Sie mich denn. Daar ik achter hem geheel alleen liep, heeft men zeker geen erg in mij gehad, althans ik kwam door het cordon van politiemannen heen en toen mijn begeleider, die vooraan liep, een beetje gevorderd was, keerde hij zich om en wij liepen tezamen. De weg bleek evenwel nog niet veilig, al scheen het dat wij ontkomen waren, want na ongeveer 20 minuten geloopen te hebben, werd ik op den schouder getikt met verzoek om mij te legitimeeren. Ik gaf mijn visitekaartje aan den politieman, die mij verzocht hem te volgen naar het stadhuis. Aldaar gekomen werd ik gebracht bij den tweeden burgemeester,​ die mij meedeelde dat hij een ‘Ausweisungsbefehl’ had gekregen voor mij en dat ik met den eerstvolgenden trein moest vertrekken. Hij schelde en daar verscheen de kommissaris van politie, die mij werd toegevoegd om mij over de grenzen te brengen. Op mijn vraag, waarom ik eigenlijk werd uitgewezen, daar ik toch niets gedaan had wat dit wettigde, antwoordde die ambtenaar zeer zenuwachtig,​ dat hij mij dienaangaande niets kon zeggen en dadelijk erover heen, als om zich te redden uit een moeilijk parket, zei hij echt Duitsch: ‘und hiemit ist die Sache erörfert’ (en hiermede is de zaak afgedaan). 
 + 
 +Aan het station ontmoetten wij eenige partijgenooten,​ die vrij met mij mochten praten en die mij wisten te vertellen, dat de voorzitter der vereeniging Vrijdag reeds bericht had ontvangen, dat de koninklijke regeering te Minden bevel had gegeven om den Hollandschen socialist Domela Nieuwenhuis niet in de belegde volksvergadering aan het woord te laten komen, maar hem het spreken te beletten en over de grenzen te zetten. Daarop verzond men het volgende telegram aan den minister: 
 + 
 +Minister Binnenlandsche Zaken - Berlijn. 
 + 
 +Zaterdagavond is door de sociaaldemokratische vereeniging een volksvergadering uitgeschreven,​ waarin Domela Nieuwenhuis uit Holland zal spreken over de eischen der sociaaldemokratie. Volgens mededeeling der politie is bevel ontvangen van de regeering te Minden om D.N. bij zijn verschijning het spreken te beletten en hem een bevel te overhandigen tot uitzetting over de Duitsche grenzen. De minister wordt verzocht de regeering te Minden telegrafisch te bevelen het bevel tot over de grenzen zetten en het verbod tot spreken (Mundsperre) tegen Domela Nieuwenhuis dadelijk in te trekken. 
 + 
 +Op dit telegram is nooit antwoord ingekomen. 
 + 
 +Wij vernamen verder dat de pers weer stemming tegen mij had gemaakt en onder anderen het Bielefelder Tageblatt herinnerde hoe ik in de kamer een brandrede had gehouden tegen het zenden van een adres van rouwbeklag aan de koningin-weduwe bij gelegenheid van den dood van koning Willem III. ‘Een man die geen respekt heeft voor de majesteit des doods en voor de smart der weduwe, die zich niet ontziet elk menschelijk gevoel te kwetsen, die zal ons hier den weg aanwijzen tot het ware geluk. Wij kunnen niet aannemen dat onze eerlijke Duitsche arbeiders zich zullen laten leeren door dien Hollander, maar gelooven veeleer, dat zij zich, zelfs wanneer zij een verandering in de sociale verhoudingen noodzakelijk achten, met afschuw zullen afwenden van zulk een volksweldoener. Onze Duitsche sociaaldemokratische leiders hebben zich bij den dood van de keizers Wilhelm 1 en Friedrich niet laten meeslepen tot zulk een erbarmelijkheid als deze Hollander’. De Kölnische Ztg. legde er nog wat op en de regeering wist nu wat haar te doen stond. 
 + 
 +In gezelschap van den kommissaris van politie ging ik tot Emmerik, omdat wij dien avond niet verder konden komen. Wij namen onzen intrek in een hôtel en den volgenden dag werd ik door dien kommissaris tot Zevenaar gebracht. Het was een gemoedelijk man, die beleefd en bescheiden was en aan alles voldeed wat ik wenschte. Hoe gemoedelijk het daar soms toegaat, kan men hieruit opmaken, dat hij bij de aankomst te Zevenaar afscheid van mij nam, terwijl hij mij een Auf Wiedersehen! toeriep met de verzekering dat als het bevel werd ingetrokken en ik te Bielefeld terugkwam, ik als een vorst aldaar zou worden ingehaald. 
 + 
 +Bespottelijk was deze uitzetting uit een land waar zooveel sociaaldemokraten zijn en dus welk gevaar kon er in schuilen dat ik aldaar een voordracht zou houden? Dat machtige Duitsche rijk zal toch niet schudden op zijn grondslagen,​ wanneer een buitenlander aldaar eens een redevoering ten beste geeft! Maar het dwaaste is dat men iemand uit het land zet als een misdadiger zonder dat men weet of hij iets kwaads zal doen. Dat men nauwkeurig toeluistert en hem belet verder te spreken, zoodra hij iets zegt wat dan zoo bizonder gevaarlijk is voor de gemoedsrust der brave Duitsche arbeiders, dat is te begrijpen als men in aanmerking neemt de moederlijke zorg van de Duitsche regeering voor haar onderdanen, maar dat men dit doet vóórdat men gesproken heeft, ja hem zelfs het spreken belet, dat is alleen te begrijpen in een zoo achterlijk land als Duitschland. In elk geval toen deze lastige buitenlander weer over de grenzen was, kon de regeering weer rustig slapen en aanheffen het: Lieb Vaterland, kannst ruhig sein! 
 + 
 +Een half jaar daarna verscheen te Bielefeld bij Slomke, een sociaaldemokratisch boekhandelaar,​ de vertaling van ‘Mijn afscheid van de kerk’ en de vertalers zeiden terecht: ‘al is aan de Duitsche sociaaldemokraten van Westfalen de persoon van Nieuwenhuis ontrukt, zijn denkbeelden kunnen hun niet ontnomen worden’. Juist in dien tijd stak de kerk het hoofd nog al stout op en dikwijls verschenen er predikanten op de sociaaldemokratische vergaderingen,​ om in debat te komen en zoo de arbeiders te bekeeren van de dwaling huns weegs. Tegen het gif der kerk wenschte men tegengif te geven en zoo wendde men zich tot mij als oud-theoloog,​ om den Duitschen arbeiders gezond voedsel voor te zetten en tevens materiaal in de handen te drukken, waarmede zij gewapend waren om alle aanvallen der kerk te weerstaan. 
 + 
 +Zoo verschenen behalve het genoemde boekje, dat in duizenden exemplaren verkocht is, achter elkaar: die Bibel Mei 1892, Das Leben Jesu December 1892, Der Gottesbegriff Juni 1895. 
 + 
 +Ook met deze werkjes deed ik weer een ondervinding op, die doet zien hoe het er met de vrijheid zou uitzien in den sociaaldemokratischen staat der toekomst. 
 + 
 +De beide eersten werden vertaald door Harders te Bünde en dr. Diederich te Dortmund en beiden werden door de vertalers ingeleid met een voorwoord, waarin het werk van ‘onzen vriend’ werd geprezen en gezegd, ‘dat de Duitsche arbeiders Nieuwenhuis,​ den strijdbaren voorvechter der volkszaak, gaarne zullen toegeven, dat hij hun een nieuw goed wapen heeft gesmeed. Mogen zij met dit wapen naar hun kracht flink toeslaan’! 
 + 
 +Het eerste liep uitstekend en werd warm aanbevolen in de Vorwärts, het tweede ging ook nog goed maar toch minder, want de aanbeveling was niet zeer warm, maar het derde, dat ook niet meer verscheen met een voorwoord van de vertalers, wier namen evenmin op het titelblad staan, ofschoon ik vermoed dat het dezelfde personen zijn, kreeg alleen een voorwoord van den uitgever. 
 + 
 +Maar juist in dien tijd verscherpte het konflikt met Liebknecht. Tijdens de verschijning dier twee eersten ging het nog zoo'n beetje, vandaar de aanbeveling,​ maar toen het derde boekje verscheen, was het uit en de uitgever schreef mij dan ook, dat wegens mijn konflikt met ‘den oude’ - zoo noemde men Liebknecht in Duitschland en dat schijnt een vrij algemeene benaming, althans mij noemt men ook zoo in Nederland - de verkoop zoo goed niet ging en ofschoon ik mij bereid had verklaard in dergelijke boekjes ook grepen te doen uit de beschavingsgeschiedenis,​ hij schreef mij dat hoe gaarne hij dit ook zou doen en hoe goed mijn boekjes ook bij het publiek stonden aangeschreven,​ hij er niet mee durfde voortgaan. 
 + 
 +Zietdaar een eigenaardig stukje censuur, dat alweer zeer leerzaam voor mij was. 
 + 
 +Door ons debat in zake het Militarisme op het kongres te Brussel, namelijk tusschen Liebknecht en mij, accentueerde zich het verschil aanmerkelijk en was men in ongenade gevallen bij Liebknecht, dan wist men de geheele Duitsche partij tegen zich te hebben, want al was hij niet geliefd, gevreesd was hij zeer.[32] 
 + 
 +Spoedig daarna kwam ik in konflikt met Bernstein in de Neue Zeit. Naar aanleiding toch van een te Brussel in der haast genomen resolutie ter veroordeeling van het stukwerk schreef ik een artikeltje in dat tijdschrift,​ om aan te toonen dat men dwaas deed om te agiteeren tegen het stukwerk, daar dit feitelijk toch niets anders was dan een gewijzigde vorm van het tijdloon, maar dat men zorgen moest dat de prijsbepaling van het stukwerk voldoende was, en daarover ontspon zich een heele diskussie. Ik wist natuurlijk wel, dat ik in strijd kwam met de meeste loonarbeiders,​ want geen ding is onder hen meer gehaat dan stukwerk, wat zich uit in een bekend gezegde: op stuk werken dat is zich stuk werken. Maar nadat twee werklieden Förstler en Bringmann mij bestreden hadden, moest Bernstein mij theoretisch verpletteren en mij in mijn onkunde van Marx ten toon stellen. Ik wist dat ik toen een ketterij verkondigde,​ maar mij beroepende met Marx op de wetenschap en ook op de ervaring, had ik aangeraden het woord toe te passen: beproeft alle dingen en behoudt het beste. In plaats nu van onwaar te maken dat Marx het stukloon genoemd had ‘de vorm van arbeidsloon die het meest aan de kapitalistische produktiewijze beantwoordt’,​ vertelt hij heel leuk dat Marx daarom nog niet gezegd heeft ‘dat het kapitalisme tot aan zijn zalig uiteinde alles zoo moet hebben, als het hem het best in zijn kraam te pas komt’. Dat was geen antwoord, want daarover liep de kwestie niet en hij eindigt met brutaalweg te zeggen dat mijn bestrijding niet met Marx op de wetenschap en op de ervaring steunt, maar veelmeer ‘haar steun vindt alleen in de burgerlijke gewone ekonomie en van haar standpunt beschouwd, echte onvervalschte orthodoxie is’. 
 + 
 +Ik bleef hem het antwoord niet schuldig en wees hem erop dat hij toch eens de slechte gewoonte moest afleggen om zijn tegenstanders steeds burgerlijke ‘Vulgär-Oekonomen’ te noemen, want dat een ander hem dit met hetzelfde recht kon doen. Als hij beweert dat Marx mij in zijn Kapital 6 Abschnitt. Kap. 17 punt voor punt weerlegd heeft, dan blijf ik dit loochenen en ik zei niet te begrijpen hoe hij dit zeggen kon, waar elke lezer van Marx aan mijn zijde zal moeten staan; ik beriep mij ten overvloede op Marx, waar deze zegt dat ‘de vorm van het stukloon even irrationeel is als de vorm van het tijdloon’,​ dat ‘het stukloon niets anders is dan een gewijzigde vorm van het tijdloon’ en ‘dat het op zichzelf duidelijk is, dat het vormverschil in de uitbetaling van het arbeidsloon aan zijn wezen niets verandert, al is ook de eene vorm aan de ontwikkeling van de kapitalistische produktie gunstiger dan de andere’. Hieruit blijkt afdoende 1o. dat Marx de vraag van stukof tijdloon beschouwt als een vormvraag en 2o. dat Marx die vraag niet zoo belangrijk acht, maar beide vormen als schakeeringen beschouwt van hetzelfde vloekwaardige stelsel van loonarbeid en het stukwerk slechts als die vorm van loon, die het meest overeenkomt met de kapitalistische produktiewijze. Bernstein heeft dan ook nooit meer getracht deze twee zaken, zoo helder als glas, te bestrijden. En daarom komt het mij voor, dat de resolutie op een onzer Hollandsche kongressen over dit punt de zaak klaar en duidelijk stelt: het kongres, overwegende dat de sociaaldemokraten tegen het bestaande loonstelsel zelf en niet tegen de verschillende vormen binnen het raam van het loonstelsel strijden, gaat over tot de orde van den dag. 
 + 
 +In dezen strijd stond Vliegen als arbeider geheel aan mijn zijde, zooals blijkt uit een artikel van hem in de Neue Zeit. 
 + 
 +Dit zette alweer kwaad bloed, maar de bom kwam pas goed los, toen ik na het kongres der Duitsche partij te Erfurt en den strijd tusschen ‘ouden’ en ‘jongen’ in Duitschland een artikel schreef in de Société Nouvelle, getiteld: Les divers courants de la démocratie socialiste allemande, dat door Auerbach vertaald in het Duitsch verscheen onder den titel: Die verschiedenen Strömungen in der deutschen Socialdemokratie. 
 + 
 +Nu begon er een strijd tegen mij, die op de meest perfide wijze is gevoerd. Het was wederom Bernstein die mij in de Neue Zeit bestreed en wel, om een enkel voorbeeld te geven, op deze wijze. Hij noemt mijn brochure ‘een uit het buitenland terug geïmporteerd Duitsch fabrikaat’ en een ‘pamflet gedikteerd door haat en vooringenomenheid tegen zekere personen en van eerroovende onderstellingen tegen hen’. En dat terwijl een ander tijdschrift,​ Lichtstrahlen zegt, dat ik mij ‘strikt aan de feiten’ heb gehouden en Argyriadès in zijn tijdschrift La Question sociale mijn kritiek noemt ‘aussi juste que judicieuse’ (even rechtvaardig als weloverwogen). 
 + 
 +Ik bleef echter het antwoord wederom niet schuldig, maar daagde Bernstein uit om het bewijs te leveren dat ik ‘ook maar één enkele zinsnede had aangevoerd, die ik ontleend had aan een literatuur, die ten tijde van de vervaardiging mijner brochure nog heelemaal niet bestond’, terwijl ik juist de grootstmogelijke objektiviteit betrachtte, door de personen met hun eigen woorden te laten spreken, en in de tweede plaats aan te toonen dat ik een ‘lasteraar’ was, zooals hij mij verweet. Aan het slot zei ik: ‘toen de polemiek tusschen Vollmar en Liebknecht over het staatssocialisme uitbrak, meende iemand, die principieel meer tot het standpunt van laatstgenoemde overhelde: “de manier, waarop deze strijd wordt uitgevochten,​ toont het onderscheid tusschen een beschaafd en fatsoenlijk man en een vlegel”. Ditzelfde heb ik ook zoo gevonden, toen ik uw kritiek had gelezen, die het tijdschrift niet tot sieraad verstrekt, waarin zij werd openbaar gemaakt’. 
 + 
 +Maar de Duitsche partij is een kruidje-roer-me-niet. Wee dengenen die aan haar durft tornen of haar zelfs met den vinger durft aanraken. Want wel verklaart Bebel niets te hebben tegen het kritiseeren en het recht daarop te erkennen tot in zijn uiterste konsekwentie,​ maar ‘dat eeuwig gemopper en dat eeuwige onrust stichten in de partij, waardoor men naar buiten de meening opwekt, alsof de partij oneenig was, daaraan moet eindelijk een einde komen en ik zal er op het volgende kongres zorg voor dragen, dat eindelijk een duidelijke afscheiding tot stand kome tusschen de partij en de oppositie en dat als zij niet tevreden is met de houding en taktiek der partij zij gelegenheid krijgt een eigen partij te grondvesten’. Daar hebben wij het al. Kritiek is goed, is best, maar als zij ons niet bevalt, dan zetten wij u buiten de partij of om het klassieke woord van Liebknecht te gebruiken, ‘der fliegt hinaus’ (die vliegt eruit). Eigenaardig de overeenkomst tusschen keizer Wilhelm II en Bebel, wier sterk impulsief temperament een grooten trek van gemeenschap openbaart, om niet te gewagen van beider praatlievendheid. Tot op het woord toe (Nörgelei)[33] zeiden beiden hetzelfde. 
 + 
 +Als het den Nörgler niet bevalt, welnu dat zij Duitschland dan verlaten - zoo keizer Wilhelm. 
 + 
 +Als het den Nörgler niet bevalt in de partij, welnu dat zij er uitvliegen en een zelfstandige partij vormen - zoo Bebel. 
 + 
 +Ik, Wilhelm II bij de gratie Gods, ik duld geen Nörgelei. 
 + 
 +Ik, Bebel bij de gratie des volks, ik duld geen Nörgelei. 
 +  
 +De twee ‘feindliche Brüder’ drukken elkaar de hand. 
 + 
 +Met geen enkel woord zelfs maakt Bernstein gewag van mijn schrijven aan Auerbach, dat als voorwoord van de Duitsche brochure dienst deed en waaruit toch een gevoel van weemoed spreekt. 
 + 
 +‘Ik heb te veel van de Duitsche partijgenooten geleerd, ik heb te goede vrienden gehad onder de zoogenaamde leiders, dan dat ik zulke zwenkingen niet met weemoed moest konstateeren. Maar - amicus Plato, magis amica veritas! (Plato is mijn vriend, maar de waarheid nog meer!) Ik ben in de oude school van het Kommunistenmanifest van Marx en Engels opgevoed en ik meen, als men de scherpe kirtiek van Marx op het partijprogram nauwkeurig naleest en daarmede de houding in den laatsten tijd vergelijkt, dan kan men het uitspreken, dat Marx zelf daarin geen vreugde zou scheppen’. En verder: ‘als men in deze revolutionaire school is grootgebracht,​ moet men zich bevreemden als men hoort hoe het in den laatsten tijd toegaat. Ik vrees dan, dat de grootsche sociaaldemokratische beweging eenzelfde verloop zal nemen als haar voorgangster,​ de Chartistenbeweging in Engeland. Misschien komen het kleinburgerdom en de aristokratie der arbeiders aan het roer, om een vijfden stand in 't leven te roepen, die dan denzelfden strijd moet doormaken als nu de vierde. Het voorteeken hiervan zie ik in de houding, die de sociaaldemokratie tegenover het lompenproletariaat heeft ingenomen. Dreigt dan het gevaar niet, dat door de meer volkomen mechaniek een groot deel van het proletariaat geslingerd wordt in de rijen van het lompenproletariaat?​ Is dit eenmaal het noodzakelijk verloop der dingen, dan moeten wij dezen toestand accepteeren,​ maar wij moeten alles doen, om hem zooveel mogelijk te verhinderen’. 
 + 
 +En zelfs voorzag ik het verwijt van Verleumdung - dit was overigens niet moeilijk na mijn ondervinding met Bernstein in onze polemiek over stukwerk - toen ik schreef dat het den schijn had, alsof men geen kritiek kon verdragen, want elke kritiek wordt direkt bestempeld met den naam van laster, zooals ik heb opgemerkt in mijn verschil over het stukwerk in de Neue Zeit. Dit is echter mijn doel niet geweest en zal het nooit zijn, maar ik heb gehoopt iets bij te dragen tot verheldering van den staat van zaken. 
 + 
 +Ofschoon het persoonlijke element nooit geheel afgescheiden kan worden van het zakelijke, daar beiden ineenvloeien,​ toch trachtte ik alle persoonlijke vragen op den achtergrond te schuiven. Als ik vooringenomen was, zooals men mij verweet, dan zou het geweest zijn voor de ‘ouden’,​ want deze kende ik sints jaren en ik had hoog tegen hen opgezien wegens hun staat van dienst en van de zoogenaamd jongeren kende ik toen zoo wat niemand. 
 + 
 +Waarover liep de strijd? 
 + 
 +Vollmar had in een rede gezegd, dat de geheele agitatie in den eerstvolgenden tijd moest gekoncentreerd worden op 5 punten, te weten: 1o. doorvoering van de bescherming der arbeiders; 2o. het verwerven van een werkelijk recht van vereenigen; 3o. het onthouden van tusschenkomst van overheidswege bij geschillen tusschen werkgevers en werklieden; 4o. verbod van trusts en kartellen; 5o. afschaffing van invoerrechten op levensmiddelen. Een nieuwe taktiek wil Vollmar de partij doen volgen - zoo luidde het van alle kanten, maar deze antwoordde even leuk als waar: ‘de door mij aanbevolen taktiek is sints den val van den uitzonderingstoestand reeds in talrijke gevallen in en buiten den Rijksdag opgevolgd’. En hij geeft eenige aanhaligen uit redevoeringen van Bebel en Liebknecht ten beste. 
 + 
 +Groote strijd! Alle kopstukken stonden tegenover hem en hoe revolutionair Bebel en Liebknecht zich ook aanstelden tegenover dezen rechts gaanden broeder, te ontkennen viel het niet dat Vollmar eenvoudig uitgesproken had, wat de heele fraktie in den Rijksdag tot nu toe gedaan had en een was er die den spijker op den kop sloeg, toen hij zei: ‘de praktische werkzaamheid in den Rijksdag voert noodzakelijk tot de taktiek van Vollmar’. Met andere woorden men kon het grootendeels eens zijn met hetgeen Bebel en Liebknecht zeiden, maar de partij handelde niet naar deze taktiek. 
 + 
 +Een resolutie werd voorgesteld met een aanhangsel, waarin het standpunt von Vollmar werd afgekeurd en alle kopstukken achtten de aanneming ervan zoo noodzakelijk,​ dat Liebknecht zelfs zoover ging om te zeggen: ‘als zij niet doorgaat, zou de oppositie (nl. der Jongen) juist zijn en dan ging ik ook over tot de oppositie’. Maar toen Vollmar dreigend den vinger opstak en zei: ‘als dat voorstel wordt aangenomen, heb ik u alleen maar te zeggen, dat ik in dat geval voor het laatst tot u heb gesproken’,​ toen durfde men het toch niet aan en nadat er wat water in den wijn was gedaan, liet men het vallen en de zaak was op een akkoordje geworpen, zoodat èn Vollmar in de partij bleef èn Liebknecht niet tot de oppositie overliep. 
 + 
 +Maar dezelfde konsideratie had men niet naar links en het was vermakelijk hoe de rollen plotseling omkeerden en hoe de tegenover Vollmar radikale Bebel en Liebknecht plotseling de konservatieven werden tegenover de Jongen en ongeveer dezelfde argumenten bezigden, die Vollmar tegenover hen zelven had gebruikt. 
 + 
 +En met een herinnering aan het verleden resumeerde ik mijn oordeel aldus: ‘onze indruk is, dat de partijleiding op opportuniteitsgronden het heeft verkozen naar rechts te gaan (ten einde den steun niet te verliezen van Vollmar en de zijnen, wier aantal grooter was dan zij gemeend had) in plaats van naar links en dat zij de oppositie ten offer heeft gebracht aan haar persoonlijke redding. Robespierre handelde eveneens. Eerst heeft hij de uiterste linkerzijde,​ de Hébertisten met behulp van Danton en Desmoulins verpletterd,​ om daarop de rechterzijde,​ die onder anderen vertegenwoordigd werd door de beide laatsten, te vernietigen en dat alles, om alleen als overwinnaar uit den strijd te komen. Maar toen de reaktie haar hoofd opstak, bemerkte hij, dat hij zijn natuurlijke beschermers gedood, dat hij zijn eigen graf gegraven had’. 
 + 
 +Zeker, de Duitsche partij is groot in aantal, maar gerust kan men van haar zeggen, dat wat zij won in breedte, zij verloor in de diepte. Wie ter wereld zal dan ook verwachten dat Duitschland eenmaal de traditioneele rol van bevrijder zal overnemen van Frankrijk? Neen, nog altijd is de kans veel grooter, dat Marx in het gelijk wordt gesteld, toen hij zei dat ‘de revolutie zou uitbreken op het gekraai van den Gallischen haan’. 
 + 
 +In het Duitsche volk zelf zit nog altijd het oude onderdanengevoel. Men moet maar eens met elkaar vergelijken de manier waarop de Duitsche ambtenaar optreedt tegen de menschen met die van den Hollandschen. Dit is een hemelsbreed onderscheid. Men moet maar eens zien hoe de schoolmeester in Duitschland staat tegenover de kinderen zijner school in vergelijking alweer met den Hollandschen. Dag en nacht is het verschil. 
 + 
 +En de Duitsche sociaaldemokratie in plaats van den revolutionairen geest in de bevolking te blazen, heeft zelve de tucht overgenomen uit den staat, om haar over te planten in de partij. Geen partij waar de discipline sterker is en als gevolg daarvan is elk vrij initiatief, elk onafhankelijk optreden gesmoord. Men kijkt altijd naar boven en is het niet eigenaardig en tevens kenschetsend dat in partijkringen het Partijbestuur wordt aangeduid met den naam van ‘regeering’?​ Wat keek ik raar op, toen ik dit voor het eerst hoorde. 
 + 
 +Wat 'n onderscheid alweer tusschen Frankrijk en Duitschland! Ondanks de 3¼ millioen stemmen, uitgebracht in Duitschland op sociaaldemokraten,​ hebben deze feitelijk niet den minsten invloed op den algemeenen gang van zaken. Men vreest hen eigenlijk niet eens. Geen wonder dat Jaurès hun op het Internationaal kongres te Amsterdam in 1904 verweet: wat hebt gij gedaan met uw drie millioen stemmen? Gij zit er eigenlijk verlegen mee. Daarentegen oefent de socialistische partij in Frankrijk met haar kleiner aantal stemmen zooveel invloed uit, dat zij den toestand vrijwel beheerscht en men een ministerie heeft met twee socialisten erin: Briand en Viviani en zelfs Clémenceau als premier, die zich in den senaat de vrijheid veroorloofde zich ook socialist te noemen. Maar de leiding van een groep, waarin zulk een discipline is, moet eindigen in despotisme. Dit is de macht der logika, waaraan niemand ontkomen kan. Daarom als er sprake is van schuld, dan werpen wij haar veel minder op de leiders die tot tirannen gekweekt zijn ten gevolge van den slaafschen geest der massa dan op die massa, die eerst zelve tirannen in het leven roept om zich daarna daarover te beklagen. Want vergeten we nooit dat het niet de despoten zijn die een volk gehoorzaam en slaafsch maken, maar dat het ontbreken van elk vrijheidsgevoel in de massa de oorzaak is van het opkomen van tirannen. Te midden van een indedaad vrij volk is de grond ongeschikt om den tiran te laten opkomen. Als een handjevol menschen een gevaar kunnen opleveren voor een geheel volk, dan bevindt dit zich beslist in een beklagenswaardigen toestand. 
 + 
 +De overdreven discipline, die heerscht onder de Duitsche sociaaldemokraten,​ wordt langs natuurlijken weg verklaard uit het nationale leven van het Duitsche volk zelf. 
 + 
 +Of wordt daar niet alles van de vroegste jeugd af op militaire wijze ingericht? Als men Rusland het land van den knoet noemt, dan kan men Duitschland met hetzelfde recht als het land van den stok aanduiden. Of vormt dit instrument in Duitschland niet een opvoedingselement bij uitnemendheid?​ In het familieleven heeft de stok zijn plaats naast den spiegel en in 't algemeen bedienen de ouders zich daarvan op nogal vrijgevige manier. In de school maakt de onderwijzer er gebruik van en hij heeft daartoe het recht, de stok behoort tot den inventaris der school. Is het dan te verwonderen dat de kinderen de school verlatende en op werkplaats of in fabriek komende, het de natuurlijkste zaak ter wereld vinden dit instrument ook aldaar toegepast te zien? En in het leger behaalt de stok zijn hoogsten triomf. Gevolg hiervan is dat elke vrijheidlievende gewaarwording reeds van jongsaan verstikt wordt. Nu komen zulke militair afgerichte personen in de partij en onderwerpen zich ook daar gemakkelijk aan een sterke discipline, zooals men haar te vergeefs zal zoeken in eenig ander land, waar sints eeuwen een grootere mate van vrijheid heerscht en waar men het brutaal optreden der overheid niet met zooveel kalmte en onderdanigheid zou opnemen, als zulks in Duitschland noodig schijnt. 
 + 
 +Reeds Bakunine had dit opgemerkt, toen hij schreef: 
 + 
 +‘Het Duitsche volk bezit veel andere degelijke eigenschappen,​ die er een heel respektabel volk van maken: het is arbeidzaam, zuinig, redeneerend,​ studie-zuchtig,​ nadenkend, verstandig, zeer gehecht aan de hierarchische tucht en toegerust meteen groote mate van weerstandsvermogen;​ de Duitschers, weinig gehecht aan hun eigen land, gaan hun bestaansmiddelen overal zoeken en zooals ik reeds opmerkte, zij nemen gemakkelijk,​ ofschoon niet altijd op gelukkige wijze, de zeden en gebruiken over van de vreemde landen die zij bewonen. Maar naast zooveel ontwijfelbare voordeelen, ontbreekt er hun één, te weten: de liefde tot de vrijheid, het instinkt van verzet. Zij zijn het onderworpenste en gehoorzaamste volk der wereld. Daarbij hebben zij een ander gebrek: de geest van verovering, van stelselmatige en langzame opslurping, van overheersching,​ welke eigenschap hen op dit oogenblik vooral maakt tot het gevaarlijkste volk voor de vrijheid der wereld’. 
 + 
 +En hier komen wij tot de hoofdzaak en dat is deze, dat het de oude strijd is tusschen Marx en Bakunine, de strijd tusschen gezag en vrijheid, die onder andere vormen telkens en telkens herhaald wordt. Het autoritair en het libertair socialisme staan weer tegenover elkaar. 
 + 
 +De haat tegen de anarchisten is minstens even groot als voorheen en steeds had men in Duitschland de gewoonte om elken oppositieman te verpletteren door hem uit te maken voor een anarchist, want dan was hij afgemaakt onder de Duitsche arbeiders. 
 + 
 +Toen Most Duitschland verliet, was hij een revolutionair socialist en geen anarchist; direkt werd hij bestempeld door de partijleiders met dien laatsten naam, om hem verdacht te maken. 
 + 
 +De partij der Jongen was aanvankelijk geen anarchistische beweging, maar zij werd er direkt voor uitgemaakt om haar allen invloed onder de arbeiders te ontnemen. 
 + 
 +Toen ik zoo vrij was het hervormingssocialisme der Duitsche leiders te bestrijden en mij zooals straks bleek uit een aanhaling als revolutionair socialist voordeed uit de oude school van Marx en Engels, heette het dadelijk: anarchist. En het mooiste hierbij is dat men steeds verzekert dat de anarchisten niets te beteekenen hebben. Men kon volgens Liebknecht ‘alle anarchisten van Europa best opbergen in een paar politiewagens’. Hij zegt de anarchisten te kennen in de oude zoowel als in de nieuwe wereld en ‘op uitzondering na van eenige droomers en enthousiasten,​ heb ik geen enkelen anarchist gekend, die onze zaken niet in de war trachtte te schoppen, die ons niet lasterde en ons hindernissen op den weg legde’. 
 + 
 +Op den partijdag te St. Gallen onderscheidde hij drie soorten onder de anarchisten,​ te weten: 1o. agents provocateurs,​ 2o. misdadigers tegen het gemeene recht, die om hun misdaad een anarchistisch manteltje hangen en 3o. de zoogenaamde verdedigers van de propaganda der daad, de aanhangers der leer dat door individueele,​ op zichzelf staande daden, door individueele aanwending van geweld, door aanslagen en opstootjes een revolutie gemaakt en de bevrijding der menschheid verkregen kan worden. 
 + 
 +Zoodra men van hem verschilde, heette men anarchist en niet lang duurde het of ‘Polizeispitzel’ volgde. Deze benaming stond bij hem altijd op den achtergrond van den anarchist en toch al ware het alleen ter wille van de martelaren van Chicago, van een Elysée Reclus, een Kropotkine, om slechts een paar namen te noemen, deed men beter wat spaarzamer te zijn met die benamingen. Eenmaal voegde hij ons toe - het was op den partijdag te Erfurt - de volgende woorden: ‘en wat hebben de anarchisten in Holland. Frankrijk, Italië, Spanje, België gedaan? Niets, heelemaal niets! 
 +  
 +Zij hebben bedorven wat zij ondernomen hebben en overal de beweging schade berokkend. En de arbeiders hebben zich van hen afgewend’. 
 + 
 +Maar zoo gedachteloos ging hij te werk, dat hij in diezelfde rede een oogenblik te voren gezegd had: ‘het feit dat wij tot hiertoe niets hebben verwerkelijkt door het parlement moet niet toegeschreven worden aan het parlementarisme,​ maar daaraan dat wij nog niet de noodige macht bezitten onder het volk, in het land’. 
 + 
 +Ik antwoordde hem: maar, mijn goede vriend, waaruit blijkt dan de voortreffelijkheid der Duitsche methode? Nemen wij aan dat gij gelijk hebt, dan krijgen wij de volgende rekensom: 
 + 
 +  * werkzaamheid der anarchisten = 0; 
 +  * werkzaamheden der sociaaldemokraten in het parlement = 0; 
 +  * En tot nu toe was en is nog altijd 0 = 0. 
 +  * Maar is een anarchist al dan niet socialist?​ 
 + 
 +Velen durven zelfs dat ontkennen. Toch komt alles hierbij neer op de vraag: waarin bestaat de kern, het wezen van het socialisme? Toch in de al- dan niet erkenning van het privaateigendom. Ik vind daarom de benaming anarchie onvolledig, omdat zij alleen bevat wat wij op politiek gebied willen en stelde daarom voor[34] om het woord sociaal-anarchie te gebruiken, welk voorstel blijkbaar door dr. Friedeberg geaccepteerd is, want die noemt zich anarchosocialist,​ wat hetzelfde is, alleen een omzetting der beide woorden. Dit zou te beter zijn tegenover de sociaaldemokratie,​ welke naam wel volledig is. Beiden zijn wij dan socialisten,​ maar de een is voor de demo-kratie of volksregeering,​ de andere voor de a-kratie (=anarchie) of regeeringloosheid. Want socialisten zijn, met uitzondering der kleine groep individualisten,​ de anarchisten ook. Het gaat hiermede als met het christendom. Er bestaan katholieken,​ Lutherschen,​ Evangelischen,​ Hervormden, Methodisten,​ Anabaptisten,​ enz. Allen noemen zich christenen. Nu is een katholiek wel een christen, maar daarom nog niet elk christen een katholiek. Evenzoo is elk anarchist wel socialist, maar daarom nog niet elk socialist een anarchist. Wij meenen dat deze vergelijking de zaak voldoende opheldert. 
 + 
 +Dit eerste artikel is in 1894 gevolgd door een tweede: Le socialisme en danger, waarvan in 't kort de konklusie is dat door de zwenking naar rechts het socialisme in gevaar is, want waar Duitschland voorgaat, daar volgen verreweg de meeste landen. Het socialisme toch is vergermaniseerd en al ziet de Engelschman Belfort Bax in de Duitschers de ‘natuurlijke leiders van de internationale socialistische beweging’,​ ik kan niet inzien in de eerste plaats dat er een algemeene leiding noodig is en in de tweede dat zoo er al leiding is, deze kan toevertrouwd worden aan een der oostelijke volkeren, terwijl de westersche deze toch een heel eind vooruit zijn. Het socialisme verliest meer en meer zijn revolutionair karakter en zijn leiderschap en dit is voor een groot deel ook toe te schrijven aan de omstandigheid dat een steeds grooter aantal aanhangers der partij iets te verliezen hebben bij een gewelddadigen omkeer der maatschappij,​ terwijl de arbeiders gerust veel kunnen wagen, want volgens het juiste woord van Marx: ‘zij hebben niets te verlieven dan hun slavenketenen maar een geheele wereld te winnen’. Onwillekeurig is daardoor de sociaaldemokratie gematigder, verstandiger,​ praktischer geworden, want wat Bebel zei van Vollmar: ‘op het oogenblik dat een man, die een groote rol speelt in de partij, de gestadige voeling met de massa verliest, omdat hij in een andere sociale positie komt, is het gevaar voorhanden, dat hij op zijpaden geraakt en het gevoel van samenhang met de partij verliest. Vollmar is sints jaren min of meer geïsoleerd,​ deels ten gevolge van zijn lichamelijke gesteldheid,​ maar meer nog ten gevolge van zijn persoonlijke,​ sociaal aangename omstandigheden. Evenals nu volgens onze materialistische opvatting bij geheele klassen de bestaansvoorwaarden haar gedachtengang beheerschen,​ geldt dit zeer dikwijls ook bij de individuen onder ons. Het gebeurt maar al te dikwijze, als men zelf in een positie verkeert, die men een verzadigde kan noemen, dat men zich laat verlokken dezelfde gevoelens ook te onderstellen bij de hongerende massa en te denken: er is geen haast bij de vervorming, laat ons voorzichtig zijn en zorgen, dat wij althans langzaam tot het doel komen. Wij hebben den tijd’ - dat woord geldt evenzeer van hemzelf en van velen. 
 + 
 +Het zal bewaarheid worden, ja wordt het reeds dagelijks meer, dat ‘de sociaaldemokratie nog veel stemmen zal krijgen, ofschoon de vermeerdering niet zoo snel zal gaan als Engels[35] en Bebel haar droomen; er zullen meer afgevaardigden,​ meer gemeenteraadsleden en andere socialistische dignitarissen komen; meer bladen en boekhandels en drukkerijen;​ in landen als België en Denemarken zullen er meer koöperatieve bakkerijen, apotheken, enz. verrijzen; Duitschland zal meer sigarenhandelaars,​ kroeghouders,​ enz. tellen; in één woord een groot aantal personen zal ekonomisch afhankelijk zijn van de toekomstige ‘vreedzame en kalme ontwikkeling’ der beweging, d.w.z. dat er geen revolutionaire schok kan komen die geen gevaar voor hen is. En zij juist zijn de leiders der partij en ten gevolge van de discipline bijna almachtig. Hier zijn het eveneens de ekonomische verhoudingen die hun politiek leiden. Als men de Duitsche partij ziet toegejuicht door de bourgeoispers,​ die haar stelt tegenover de gemeene revolutionaire socialisten,​ dan geeft dit reeds stof tot nadenken. Een onzer grootste bladen schreef onlangs hierover als volgt: ‘onze socialisten hebben in den laatsten tijd zulke nette manieren aangenomen, zijn zoo parlementair gefriseerd en gepomadeerd,​ dat men kan zeggen te staan voor de langzame vervorming van een revolutionair begonnen partij tot een partij die nu ja wel niet bepaald radikaal is, maar die het kader der bestaande maatschappij beschouwt als elastiek en voldoende om zelfs die partij te omvatten, al is het met eenigen weerstand. De hedendaagsche ontwikkeling van het Duitsche socialisme is een zeer belangrijk onderwerp, waarmede wij ons voor het oogenblik niet behoeven bezig te houden. Zelfs als het aantal socialistische afgevaardigden klimt tot 60 à 70 bestaat er nog geen politiek gevaar waarover het Duitsche rijk zich angstig behoeft te maken. Vooreerst toont het socialisme zijn zwakheid door een sterke parlementaire partij te worden, want zijn aanhangers verwachten dan meer positieve resultaten dan deze parlementaire fraktie hun zal kunnen geven tenzij zij meer tam en inschikkelijk wordt. In de tweede plaats kan men onderstellen dat de niet socialistische partijen menig punt van oppositie dat nu onder haar bestaat, zullen vereffenen en dat wel naar de mate dat het socialisme haar levendiger zal bestrijden als een partij die invloed heeft op de wetgeving’ (Nieuwe Rotterdamsche Courant). 
 + 
 +Dit artikel werd weer gevolgd door een ander: Le socialisme libertaire et le socialisme autoritaire (Het libertair en autoritair socialisme),​ waarin ik de kwestie van gezag en vrijheid besprak, om op die wijze de ontwikkeling van het socialisme verder na te gaan. Daarna voegde ik er nog een hoofdstuk aan toe: Le socialisme d'​état des social-démocrates et la liberté du socialisme anti-autoritaire (Het staatssocialisme der sociaaldemokraten en de vrijheid van het anti-autoritair socialisme). En met een klein slothoofdstuk:​ Un revirement dans les idées morales (Een omkeer in de zedelijke denkbeelden) gaf ik deze artikelen tezamen uit in de zoogenaamde roode bibliotheek van Stock te Parijs, onder den algemeenen titel: Le socialisme en danger! en voorzien met een voorwoord van Elisée Reclus, waarin deze zegt dat zij getuigen van een doorgemaakten ontwikkelingsgang en dat ‘de aangehaalde dokumenten een groote historische waarde hebben’, terwijl hij eindigt met te zeggen: ‘ons vast, formeel en onwrikbaar ideaal is de omverhaling van den staat en van alle beletselen die ons scheiden van het doel naar gelijkheid. Laat ons niet spelen in de kaart onzer vijanden. Als men tracht anderen te bedriegen wordt men zelf bedrogen. Zietdaar de moraal die wij vinden in het boek van Nieuwenhuis. Leest het, gij allen die de hartstocht bezit voor de waarheid en die haar niet zoekt in het proklameeren van een diktatuur of in een program, geschreven door een geheelen raad van groote mannen’. 
 + 
 +In 1900 gaf ik er nog een aanhangsel bij in de Humanité Nouvelle, het tijdschrift dat een voortzetting was van de Société Nouvelle, getiteld: La débacle du Marxisme (De stuiptrekkingen van het Marxisme) en dat wel naar aanleiding van de Bernsteiniade. Dit geheel van artikelen geeft een overzicht van den strijd in de gelederen van het socialisme en teekent tevens op duidelijke wijze den gang mijner evolutie aan. Daaruit leert men hoe de triomf van de sociaaldemokratie zal zijn de nederlaag van het socialisme, evenals de triomf der christelijke kerk de val is geweest van het christelijk beginsel en terwijl de sociaaldemokratische partij ten slotte vervormd zal worden in een doodgewone hervormingspartij,​ die het socialisme heeft laten schieten, zijn het de anarchisten die dit hebben opgeraapt en die daarom de dragers zijn geworden van het socialistische denkbeeld.[36] 
 +  
 +Volgt aandachtig de verhandelingen van de Internationale socialistische,​ lees: sociaaldemokratische kongressen, leest de verhandelingen op de nationale kongressen in de verschillende landen en gij zult weldra tot de overtuiging komen dat er over alles gesproken wordt behalve over socialisme. Hoogstens doet dit dienst bij de opening en sluiting bij wijze van een paradepaard,​ dat bij feestelijke gelegenheden mooi opgetuigd en versierd wordt om het eens rond te voeren maar tevens om het daarna stilletjes weer op stal te zetten, waar 't blijft tot het straks weer op dezelfde wijze dienst komt doen.