Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen

namespace:waarom_mensen_zichzelf_verdoven

Waarom mensen zichzelf verdoven

Door Leo Tolstoi

Tolstojs strijdschrift tegen wat hij zag als de “vlucht” in alcohol en roesmiddelen, werd vertaald door Aylmer Maude. Oorspronkelijk werd het in 1890 gepubliceerd als voorwoord bij een boek over dronkenschap, van mijn zwager Dr. Peter Semenovich Alexseyev, met wie Tolstoj drie jaar eerder kennis had gemaakt.

Louise en Aylmer Maude


I

Wat is de verklaring van het feit dat mensen dingen gebruiken om zich te verdoven: wodka, wijn, bier, hasjiesj, opium, tabak en andere, minder gebruikelijke zaken: ether, morfine, vliegenzwam, enz.? Wanneer zijn ze daarmee begonnen? Waarom heeft zich dat zo snel verbreid en verbreidt het zich nog steeds onder allerlei mensen, ontwikkelde en onontwikkelde? Hoe komt het dat waar geen wodka, wijn of bier voorhanden zijn, opium, hasjiesj, vliegenzwam en dergelijke worden aangetroffen en dat tabak overal gebruikt wordt?

Waarom willen mensen zichzelf verdoven?

Vraag iemand waarom hij wijn is gaan drinken en waarom hij dat nog steeds doet. Hij zal antwoorden, “O, dat vind ik lekker en iedereen drinkt,” en misschien zegt hij ook nog, “ik word er vrolijk van.” Sommige mensen — zij die zich nooit de moeite getroost hebben om erover na te denken of wijn drinken al dan niet goed voor hen is — zullen daaraan toevoegen dat wijn goed voor de gezondheid is en dat je daar sterker van wordt; dat wil zeggen dat ze iets beweren waarvan al lang bewezen is dat het niet steekhoudend is.

Vraag een roker waarom hij tabak is gaan gebruiken en waarom hij nog steeds rookt, en ook hij zal antwoorden: “om de tijd te verdrijven; iedereen rookt.”

Door mensen die opium, hasjiesj, morfine of vliegenzwam gebruiken zullen waarschijnlijk soortgelijke antwoorden gegeven worden.

'Om de tijd te verdrijven, jezelf op te vrolijken, iedereen doet het.’ Maar ‘om de tijd te verdrijven,’ ‘jezelf op te vrolijken,’ of ‘omdat iedereen het doet,’ is duimen draaien, fluiten, een deuntje neuriën, fluit spelen of iets dergelijks misschien wel te verontschuldigen — dat wil zeggen, het is misschien wel te verontschuldigen om iets te doen dat niets te maken heeft met het verspillen van de rijkdommen van de Natuur, iets te verbruiken waarvan de productie grote inspanningen kost, of iets te doen wat onmiskenbaar schade toebrengt aan jezelf en anderen.

Maar het vervaardigen van tabak, wijn, hasjiesj en opium vereist het werk van miljoenen mensen en daarvoor worden miljoenen en miljoenen morgens van het beste land (vaak te midden van een bevolking die land tekort komt) gebruikt om aardappels, hennep, slaapbollen, druiven en tabak te telen.

Bovendien brengen deze onmiskenbaar schadelijke dingen vreselijke ellende teweeg, die door iedereen gekend en erkend wordt en richten meer mensen te gronde dan alle oorlogen en besmettelijke ziekten samen. En iedereen weet dat, zodat ze die dingen eigenlijk niet kunnen gebruiken om ‘de tijd te verdrijven,’ ‘zichzelf op te vrolijken’ of omdat ‘iedereen het doet.’

Er moet een andere reden voor zijn. Doorlopend komen wij overal mensen tegen die van hun kinderen houden en allerlei offers voor hen brengen, maar die toch aan wodka, wijn en bier, of aan opium, hasjiesj of zelfs tabak, uitgeven wat ruim voldoende zou zijn om hun hongerige en armetierige kinderen te voeden, of hen op zijn minst voor ellende te behoeden.

Als iemand, die de keuze heeft tussen enerzijds nood en ellende van een gezin waar hij van houdt, en anderzijds het afzien van verdovende middelen, toch voor het eerste kiest — moet hij daar kennelijk toe aangezet worden door iets dat sterker is, dan omdat iedereen het doet of het plezierig is. Het is duidelijk dat dat dan niet gedaan wordt ‘om de tijd te verdrijven,’ en ook niet louter ‘om zichzelf op te vrolijken.’ Hij wordt daar door een krachtigere reden toe aangezet.

Deze reden — voor zover ik ontdekt heb door over dit onderwerp te lezen, andere mensen gade te slaan en vooral door steeds mijzelf te observeren als ik wijn dronk of tabak rookte — deze reden kan, denk ik, als volgt verhelderd worden.

Iemand die zijn eigen leven gadeslaat, kan in zichzelf vaak twee verschillende wezens opmerken: het ene is blind en lichamelijk, het andere kijkt en is geestelijk. Het blinde, instinctieve wezen eet, drinkt, rust, slaapt, plant zich voort en beweegt, als een opwindapparaat. Het ziende, geestelijke wezen, dat innig verbonden is met het instinctieve, doet niets uit zichzelf, maar beoordeelt alleen de verrichtingen van het instinctieve wezen. Het valt daarmee samen als het instemt met zijn verrichtingen en wijkt daar van af als het die afkeurt.

Dit gadeslaan valt te vergelijken met een kompasnaald, die met de ene kant naar het Noorden en met de andere kant naar het Zuiden wijst, maar over zijn hele lengte verborgen wordt door iets onopvallends dat even lang is en dezelfde richting op wijst als de naald. Dat wordt pas duidelijk als ze beiden een andere kant op wijzen.

Op dezelfde manier wijst het ziende, geestelijke wezen, waarvan wij het optreden doorgaans het geweten noemen, altijd met de ene kant naar wat juist en met de andere naar het wat onjuist is. Zolang wij de richting die het aanwijst — de richting van onjuist naar juist — volgen, merken wij het niet op. Maar je hoeft maar iets te doen dat strijdig is met de aanwijzing van het geweten, of je wordt je bewust van dit geestelijke wezen, dat dan laat zien hoe de instinctieve bezigheden zijn afgedwaald van de richting die door het geweten wordt gewezen.

En zoals een stuurman, die beseft dat hij op de verkeerde koers zit, pas verder kan gaan met het bedienen van roeiriemen, machine of zeilen, als hij zijn koers aangepast heeft aan de aanwijzingen van het kompas, of zijn besef van die koersafwijking heeft verdrongen — kan iedereen die de tweespalt opgemerkt heeft tussen zijn instinctief bezig zijn en zijn geweten, dat alleen maar voortzetten door het aan te passen aan de eisen van zijn geweten, of zichzelf af te sluiten voor de aanwijzingen die zijn geweten hem levert over de onjuistheid van zijn instinctieve leven.

We zouden dus kunnen zeggen dat het hele leven uitsluitend bestaat uit de volgende bezigheden:

  • Je handelen in overeenstemming brengen met het geweten, of
  • Jezelf afsluiten voor de stem van het geweten, ten einde op dezelfde manier door te kunnen leven.

Er bestaat maar één manier om het eerste te bereiken: morele verlichting — de toename van het licht in jezelf en aandacht schenken aan wat daardoor onthuld wordt. Om het tweede te bereiken — je afsluiten voor de stem van je geweten — bestaan er twee manieren: een uiterlijke en een innerlijke. De uiterlijke manier bestaat uit bezigheden die je aandacht afleiden van de door het geweten gegeven aanwijzingen; de innerlijke manier bestaat uit het vervagen van het geweten zelf.

Zoals iemand op twee manieren kan vermijden een voorwerp te zien dat zich vóór hem bevindt: of door zijn blik af te wenden naar andere, opvallendere voorwerpen, of door zelf het zicht van zijn eigen ogen te blokkeren — zo kan iemand zich ook op twee manieren afsluiten voor de stem van zijn geweten: of op de uiterlijke manier, door zijn aandacht te richten op allerlei bezigheden, beslommeringen, vermaak of spelletjes; of op de innerlijke manier, door het aandachtsorgaan zelf te blokkeren.[1]

Voor mensen met een afgestompt, beperkt moreel gevoel, is uiterlijke afleiding vaak geheel toereikend om hen in staat te stellen de door hun geweten gegeven aanwijzingen over hun verkeerde levenswandel niet te horen. Maar voor moreel-gevoelige mensen is dat middel vaak onvoldoende.

De uiterlijke manieren leiden niet helemaal de aandacht af van het besef van de tweespalt tussen iemands leven en de eisen van het geweten. Dat besef verstoort zijn leven en om op dezelfde manier als voorheen verder te kunnen leven, nemen mensen dan hun toevlucht tot de beproefde, innerlijke manier, namelijk door het geweten zelf te verduisteren door hun hersenen te vergiftigen met verdovende stoffen.

Mensen leven niet naar hun geweten, maar missen de kracht om hun leven een nieuwe vorm te geven die in overeenstemming is met de eisen die het geweten hen stelt. Alle vermaak dat de aandacht zou kunnen afleiden van het besef van deze tweespalt is ontoereikend of afgezaagd geworden en — om door te kunnen leven, zonder acht te slaan op de door het geweten gegeven tekens over hun verkeerde levenswandel — stoppen mensen (door ze tijdelijk te vergiftigen) de activiteit van hun hersenen, door middel waarvan het geweten zich kenbaar maakt, zoals iemand door zijn ogen te bedekken zich afsluit voor wat hij niet wil zien.

II

De reden voor de wereldwijde consumptie van hasjiesj, opium, wijn en tabak ligt niet in de smaak en evenmin in enig plezier, ontspanning of vrolijkheid die ze teweegbrengen, maar eenvoudigweg in de behoefte van de mens om zich af te sluiten voor de eisen van zijn geweten.

Ik liep eens op straat en hoorde toen ik langs een paar huurkoetsiers liep, een van hen zeggen: ‘Als iemand nuchter is zou hij zich daar natuurlijk over schamen!’

Als iemand nuchter is schaamt hij zich over iets wat normaal lijkt als hij dronken is. In deze woorden hebben we de wezenlijke onderliggende reden, waardoor mensen ertoe komen hun toevlucht te nemen tot verdoving. Zij geven zich daaraan over, of omdat ze zich schamen nadat ze iets gedaan hebben dat in tegenspraak is met hun geweten, of om zichzelf vooraf in een toestand te brengen waarin zij strijdig met hun geweten kunnen handelen, maar waartoe zij door hun zinnelijke aard aangezet worden.

Iemand die nuchter is schaamt zich om naar een prostituee te gaan, schaamt zich om te stelen, schaamt zich om te doden. Iemand die dronken is schaamt zich voor geen van die dingen en dat is de reden waarom iemand, die iets wil doen wat zijn geweten veroordeelt, zich verdooft.

Ik herinner me dat ik geschokt was door de getuigenis van een kok die verhoord werd voor het vermoorden van een van mijn kennissen, een oude dame bij wie hij in betrekking was. Hij vertelde dat hij, toen hij zijn minnares, het dienstmeisje, weg had gestuurd en het moment was aangebroken om te handelen, met een mes de slaapkamer binnen wilde gaan, maar besefte dat hij in nuchtere toestand de daad, die hij zich had voorgenomen, niet kon begaan… ‘iemand die nuchter is schaamt zich daarvoor.’ Hij liep terug, dronk twee glazen wodka die hij tevoren had klaargezet, voelde zich er toen pas toe in staat en beging de misdaad.

Negentiende van de misdaden wordt op die manier bedreven: ‘Drink jezelf moed in.’

De helft van de gevallen vrouwen zijn zover gekomen onder invloed van wijn. Bijna alle bezoeken aan bordelen worden afgelegd door mannen die beneveld zijn. Mensen zijn op de hoogte van het vermogen van wijn om de stem van het geweten te sussen en gebruiken het met voorbedachten rade voor dat doel.

Mensen verdoven zichzelf niet alleen om hun eigen geweten te sussen maar, omdat ze weten hoe wijn werkt, verdoven opzettelijk ook anderen, als ze willen dat zij dingen doen die tegen hun geweten indruisen — dat wil zeggen dat ze moeite doen om mensen te verdoven ten einde hen te beroven van hun geweten.

Tijdens een oorlog worden soldaten, voorafgaande aan een gevecht van man tegen man, verdoofd. Bij de aanvallen op Sebastopol waren alle Franse soldaten dronken.

Als een versterkte stad is ingenomen, maar de soldaten niet tot plunderen overgaan en de weerloze oude mensen en kinderen niet afslachten, wordt vaak het bevel gegeven ze dronken te voeren en dan doen ze wat er van hen verwacht wordt.[2]

Iedereen kent wel mensen die zijn gaan drinken ten gevolge van een of ander vergrijp dat hun geweten plaagde. Iedereen kan zien dat mensen die een immoreel leven leiden, meer dan anderen verlokt worden door verdovende middelen. Rovers- of dievenbendes en prostituees kunnen niet zonder roesmiddelen leven.

Iedereen weet en geeft toe dat het gebruik van verdovende middelen een gevolg is van gewetenswroeging en dat bij bepaalde immorele levenswijzen verdovende middelen gebruikt worden om het geweten te sussen. Iedereen weet en geeft ook toe dat het gebruik van verdovende middelen het geweten sust: dat iemand die dronken is dingen kan doen die, als hij nuchter is, geen moment in hem op zouden komen.

Iedereen is het daarmee eens, maar als het gebruik van verdovende middelen niet leidt tot misdrijven als diefstal, moord, verkrachting enzovoort — als verdovende middelen niet ingenomen worden na vreselijke misdaden, maar door mensen die beroepen uitoefenen die niet als misdadig te boek staan en als de middelen niet in grote hoeveelheden tegelijk worden ingenomen, maar in een matige dosering — wordt vreemd genoeg aangenomen dat verdovende middelen dus niet leiden tot het sussen van het geweten.

Er wordt dus verondersteld dat het glas wodka van een welgestelde Rus vóór en een groot glas wijn tijdens elke maaltijd, de absint van een Fransman, de port en het bruin bier van de Engelsman, het lagerbier van de Duitser, de matige dosis opium van een welgestelde Chinees of het roken van tabak — alleen voor het plezier worden ingenomen en geen enkele uitwerking hebben op het geweten van die mensen.

Er wordt verondersteld dat na deze gebruikelijke verdoving geen misdaad wordt bedreven — geen diefstal of moord, maar alleen de geijkte slechte en domme daden — dat wil dus zeggen dat deze daden uit zichzelf plaatsgevonden hebben en niet zijn uitgelokt door de verdoving. Er wordt verondersteld dat als deze mensen geen overtreding begaan hebben tegen het strafrecht, ze ook niet de stem van het geweten hoeven te sussen en dat het leven zoals dat geleid wordt door mensen die zich uit gewoonte verdoven een heel goed leven is en precies hetzelfde zou zijn als zij zichzelf niet zouden verdoven. Er wordt verondersteld dat het doorlopend gebruik van verdovende middelen op geen enkele manier hun geweten verduistert.

Hoewel iedereen uit ervaring weet dat door het gebruik van wijn of tabak iemands gemoedsgesteldheid verandert, dat hij zich niet schaamt voor dingen waarvoor hij zich vóór het innemen van het opwekkende middel wel zou hebben geschaamd, dat hij bij elke gewetenswroeging, hoe gering ook, de neiging heeft om zijn toevlucht te zoeken bij enig verdovend middel, dat het onder invloed van verdovende middelen moeilijk is om na te denken over je leven en de toestand waarin je verkeert en dat het doorlopend en regelmatig gebruik van die middelen dezelfde lichamelijke effecten teweegbrengt als het af en toe overmatig gebruik ervan — denken mensen die matig drinken en roken ondanks dit alles, dat ze verdovende middelen helemaal niet gebruiken om hun geweten te sussen, maar alleen voor de smaak en het plezier.

Maar je hoeft de zaak alleen maar serieus en onpartijdig te bekijken — en jezelf niet proberen te verontschuldigen — om te begrijpen:

Ten eerste, dat als het af en toe in grote hoeveelheden gebruiken van verdovende middelen iemands geweten sust, regelmatig gebruik een soortgelijke uitwerking moet hebben (steeds eerst een toename en daarna een verdoving van de hersenactiviteit) of ze nu ingenomen worden in een grote of in een kleine hoeveelheid. Ten tweede, dat alle verdovende middelen het vermogen hebben om het geweten te sussen, en dat in principe altijd hebben — zowel wanneer onder invloed ervan moorden, berovingen en verkrachtingen worden gepleegd, als wanneer onder invloed ervan woorden gesproken worden die niet gesproken zouden moeten worden, of dingen gedacht en gevoeld worden die zonder die middelen niet gedacht of gevoeld zouden zijn. Ten derde, als het gebruik van verdovende middelen nodig is om het geweten van dieven, rovers en prostituees tot rust te brengen en te sussen, hebben daar ook mensen behoefte aan die zich bezighouden met activiteiten die door hun eigen geweten veroordeeld worden, zelfs als die activiteiten door andere mensen juist en eerzaam gevonden worden.

Kortom, er valt onmogelijk aan te ontkomen in te zien dat het gebruik van verdovende middelen, in het groot of in het klein, af en toe of regelmatig en in de hogere of lagere klassen van de maatschappij, wordt uitgelokt door een en dezelfde reden, namelijk het smoren van de stem van het geweten, met de bedoeling zich niet bewust te zijn van de tweespalt tussen iemands manier van leven en de eisen van zijn geweten.

III

Daarin alleen ligt de reden van het wijdverbreide gebruik van alle verdovende middelen en onder andere van tabak — waarschijnlijk het meest algemeen gebruikt en het schadelijkst.

Er wordt verondersteld dat tabak iemand opvrolijkt, het denken verheldert en, niet meer dan elke andere gewoonte, iemand voor zich wint — zonder ook maar enigszins te leiden tot verzwakking van het geweten, zoals dat door wijn teweeggebracht wordt.

Maar je hoeft alleen maar aandachtig te kijken naar de omstandigheden waaronder een buitengewoon verlangen naar roken optreedt en je zult ervan overtuigd zijn dat verdoven met tabak op dezelfde manier op het geweten inwerkt als wijn en dat mensen bewust hun toevlucht tot die manier van verdoving zoeken, als zij dat voor dat doel nodig hebben.

Als tabak alleen gedachten zou verhelderen en iemand op zou vrolijken, zouden mensen er niet zo hartstochtelijk naar hunkeren, een hunkering die duidelijk blijkt in bepaalde, welomschreven omstandigheden. Anders zouden mensen niet zeggen, zoals ze doen, dat ze het liever zonder brood dan zonder tabak zouden willen stellen en niet daadwerkelijk tabak boven brood verkiezen.

Die kok die zijn bazin vermoordde, vertelde dat, nadat hij de slaapkamer binnengegaan was en haar met zijn mes de keel had doorgesneden, zij reutelend neergevallen was en het bloed uit haar keel gutste —hem de moed in de schoenen gezakt was. “Ik kon haar niet afmaken,” zei hij, “maar ik liep terug van de slaapkamer naar de zitkamer, ging zitten en stak een sigaret op.”

Pas nadat hij zichzelf verdoofd had met tabak, kon hij teruggaan naar de slaapkamer, het kelen van de oude dame afmaken en beginnen met het doorzoeken van haar spullen.

Het verlangen om te roken werd bij hem op dat moment duidelijk niet opgewekt omdat hij helder wilde denken en zich prettig wilde voelen, maar door de behoefte iets de kop in te drukken dat hem belemmerde af te maken wat hij van plan was.

Elke roker zou bij zichzelf eenzelfde uitgesproken verlangen kunnen opmerken om zich op bepaalde, in het bijzonder moeilijke momenten met tabak te verdoven.

Ik kijk terug naar de tijd waarin ik nog rookte: wanneer merkte ik toen een speciale behoefte aan tabak? Dat was altijd op momenten waarin ik niet wilde denken aan bepaalde dingen die in mijn herinnering opkwamen, wanneer ik wilde vergeten — niet wilde denken.

Ik zit niets te doen en besef dat ik aan het werk zou moeten, maar merk dat ik er geen zin in heb, dus rook ik en blijf zitten. Ik heb iemand beloofd dat ik om vijf uur bij hem thuis zal zijn, maar ik ben ergens anders te lang blijven hangen. Ik bedenk dat ik de afspraak vergeten ben, maar ik wil daar niet aan denken, dus rook ik. Ik raak geïrriteerd en zeg onaangename dingen tegen iemand. Ik weet dat ik daar geen goed aan doe en besef dat ik daarmee op zou moeten houden, maar ik wil lucht geven aan mijn ergernis, dus rook ik en blijf geprikkeld. Ik speel een kaartspel en verlies meer dan ik mij voorgenomen heb op het spel te zette, dus rook ik. Ik heb mijzelf in een moeilijk parket gebracht, heb verkeerd gehandeld, heb me vergist en zou de puinhoop moeten erkennen waarin ik verkeer en daar uit moeten komen, maar ik heb geen zin omdat te erkennen, dus geef ik anderen de schuld, en rook. Ik schrijf iets op en ben niet helemaal tevreden met wat ik geschreven heb. Ik zou ermee moeten stoppen, maar ik wil afmaken wat ik me heb voorgenomen, dus rook ik. Ik discussieer en merk dat mijn tegenstander en ik elkaar niet begrijpen en niet kunnen begrijpen, maar ik wil toch mijn mening geven, dus blijf ik praten, en rook ik.

Wat tabak onderscheidt van de meeste andere verdovende middelen, afgezien van het gemak waarmee iemand zichzelf daarmee kan verdoven en haar ogenschijnlijke onschadelijkheid, is dat het eenvoudig meegenomen kan worden en de mogelijkheid het toe te passen bij geringe, afzonderlijke gebeurtenissen die iemand kunnen ontregelen. Afgezien van het feit dat het gebruik van opium, wijn en hasjiesj bepaalde hulpmiddelen vereist die niet altijd bij de hand zijn, terwijl iemand altijd tabak en papier bij zich kan hebben en dat de opiumschuiver en dronkaard afschuw oproepen terwijl een tabaksroker helemaal niet afstotend lijkt — is het voordeel van tabak boven andere verdovende middelen, dat de verdoving door opium, hasjiesj of wijn zich uitstrekt tot alle gewaarwordingen en handelingen, die opgevangen of verricht worden gedurende een bepaalde, wat langere tijdspanne — terwijl verdoving door tabak voor elke afzonderlijke gebeurtenis kan dienen.

Je wilt iets doen wat je niet zou moeten doen, dus steek je een sigaret op en verdooft jezelf zodanig dat je in staat bent te doen wat niet gedaan zou moeten worden en daarna ben je (zogenaamd) weer in orde en kunt helder denken en spreken. Of je hebt het gevoel dat je gedaan hebt wat je niet had moeten doen — en weer rook je een sigaret en is het onaangename besef van de verkeerde of onbeholpen handeling verdwenen en kun je je bezighouden met andere dingen en het vergeten.

Maar afgezien van afzonderlijke gevallen, waarin elke roker zijn toevlucht tot roken neemt, niet om te voldoen aan een gewoonte of de tijd te verdrijven, maar als een manier om zijn geweten te sussen naar aanleiding van iets wat hij op het punt staat te doen of al heeft gedaan, is het dan niet volkomen duidelijk dat er een strikt en welomschreven verband bestaat tussen de manier van leven van mensen en hun zucht naar roken?

Wanneer beginnen jongens te roken? Doorgaans als zij hun kinderlijke onschuld verliezen. Hoe komt het dat rokers stoppen met roken als zij in deugdzamere levensomstandigheden terechtkomen en weer beginnen te roken zodra die omstandigheden verslechteren? Waarom roken gokkers bijna allemaal? Waarom roken onder vrouwen, zij die een regelmatig leven leiden het minst? Waarom roken prostituees en gekken allemaal?

Een gewoonte is een gewoonte, maar kennelijk bestaat er een uitgesproken verband tussen roken en de zucht om het geweten te sussen en daarmee wordt dat beoogde doel bereikt.

Bij vrijwel iedere roker is te zien in hoeverre roken de stem van zijn geweten overstemt. Als hij aan zijn verlangen toegeeft, vergeet of veronachtzaamt elke roker de allereerste eisen van het maatschappelijke leven — eisen waarvan hij verwacht dat anderen die wel in acht nemen en die hij zelf ook altijd in acht neemt, totdat zijn geweten door tabak gesust is.

Ieder redelijk ontwikkeld mens vindt het onaanvaardbaar, onopgevoed en onmenselijk als iemand voor zijn eigen plezier inbreuk doet op de rust, genoegens en nog meer op de gezondheid van anderen. Niemand zou zichzelf veroorloven te plassen in een ruimte waar mensen zitten, of daar kabaal te maken, te schreeuwen, koude, hete of stinkende lucht binnen te laten of iets te doen dat anderen ontrieft of schaadt. Maar van de duizend rokers zal niemand ervoor terugdeinzen om ongezonde rook voort te brengen in een ruimte waarin lucht ingeademd wordt door niet-rokende vrouwen en kinderen.

Iedereen weet dat als rokers gewoonlijk tegen de aanwezigen zeggen: “Hebt u bezwaar?” het gebruikelijke antwoord “Helemaal niet” is (hoewel het voor een niet-roker niet aangenaam kan zijn om bedorven lucht in te ademen en stinkende sigarenpeuken te vinden in glazen, kopjes of op borden en kandelaars, zelfs niet in asbakken).[3]

Maar zelfs als niet-rokende volwassenen geen bezwaar zouden maken tegen tabaksrook, dan is het toch niet prettig of goed voor de kinderen, aan wie niemand toestemming vraagt. Toch roken mensen, die verder in alle opzichten eerbaar en menslievend zijn, in aanwezigheid van kinderen in kleine ruimten, waarbij ze, zonder ook maar enige gewetenswroeging, de lucht verontreinigen met tabaksrook.

Doorgaans wordt beweerd (en ik zei dat zelf ook meestal) dat roken geestelijke arbeid vergemakkelijkt. En dat is ontegenzeglijk waar als alleen de hoeveelheid van iemands geestelijke prestaties in acht worden genomen. Voor iemand die rookt en derhalve niet langer zijn gedachten nauwkeurig inschat en afweegt, lijkt het alsof hij opeens een overvloed aan gedachten heeft. Maar dat komt niet omdat hij echt veel gedachten heeft, maar alleen omdat hij de controle over zijn gedachten kwijt is.

Als iemand aan het werk is, is hij zich er steeds van bewust dat er twee wezens in hem aanwezig zijn: het ene werkt en het andere ziet toe op het werk. Hoe strikter dat toezien gebeurt, hoe langzamer het werk vordert en hoe beter het is. En omgekeerd, als de toezichthouder onder invloed is van iets dat hem verdooft, wordt er meer werk verricht, maar is de kwaliteit daarvan minder.

“Als ik niet rook kan ik niet schrijven. Ik kan niet opschieten; ik begin wel, maar kom niet verder,” wordt er gewoonlijk gezegd en dat zei ik ook meestal. Wat betekent dat eigenlijk? Dat betekent dat je of niets te schrijven hebt, of dat wat je wilt schrijven in je bewustzijn nog niet gerijpt is, maar pas vaag in je begint op te komen en de toeziende criticus in je vertelt je dat, als hij niet verdoofd is door tabak. Als je niet gerookt hebt, zou je of ophouden met waaraan je begonnen bent, of wachten totdat de gedachten in je hoofd helder zijn geworden. Je zou proberen door te dringen in wat zich nog vaag aan je voordoet, de bezwaren die zichzelf aanbieden onder ogen zien, en je hele aandacht richten op het verhelderen van je gedachten.

Maar je rookt, de innerlijke criticus is verdoofd en de belemmering om door te werken is opgeheven. Wat je onbelangrijk leek toen je niet verdoofd was door de tabak, lijkt weer belangrijk; wat duister leek, lijkt dat niet langer; de bezwaren die zichzelf aandienden verdwijnen en je gaat verder met schrijven, en schrijft veel en snel.

IV

Maar kan een zo bescheiden — zo onbeduidende — verandering als de geringe beneveling die door matig gebruik van wijn of tabak veroorzaakt wordt, dan belangrijke gevolgen teweegbrengen?

“Als iemand opium of hasjiesj rookt, of zichzelf bedwelmt met wijn tot hij neervalt en buiten bewustzijn raakt, kunnen de gevolgen natuurlijk ernstig zijn, maar als iemand slechts bescheiden onder invloed raakt van bier of tabak, kan dat vast geen enkel ernstig gevolg hebben,” wordt er doorgaans gezegd.

Mensen denken dat een geringe verdoving, een kleine vertroebeling van het oordeelsvermogen, geen enkele belangrijke invloed kan hebben. Maar zo denken is als veronderstellen dat een horloge tegen een steen slaan misschien wel tot schade kan leiden, maar dat een kleine verontreiniging binnenin niet schadelijk kan zijn.

Maar bedenkt dat het belangrijkste werk waardoor iemands hele leven in beweging gezet wordt, niet wordt verricht door zijn handen, voeten of zijn rug, maar door zijn bewustzijn. Voordat iemand iets kan doen met zijn voeten of handen, moet er eerst een bepaalde verandering plaatsvinden in zijn bewustzijn. En die verandering bepaalt al zijn daaropvolgende bewegingen. Maar die veranderingen zijn altijd miniem en vrijwel onmerkbaar.

Op een dag bracht Brjoellov wijzigingen aan op een oefentekening van een leerling. Nadat de leerling een blik had geworpen op de veranderde tekening, riep hij uit: “Hoe kan dat? U hebt het maar een heel klein beetje aangeraakt, maar het is iets heel anders geworden!” Brjoellov antwoordde: “Kunst begint met dat hele kleine beetje.”

Die uitspraak is ontzettend waar, niet alleen voor kunst, maar voor het hele leven. Je zou kunnen zeggen dat het echte leven begint waar dat hele kleine beetje begint — waar wat in onze ogen minieme en oneindig kleine veranderingen plaatsvinden. Het echte leven wordt niet geleefd waar grote uiterlijke veranderingen plaatsvinden — waar mensen voortdurend in beweging zijn, slaags raken, vechten en elkaar afmaken — het wordt alleen geleefd waar deze hele minieme, oneindig kleine veranderingen optreden.

Raskólnikov leefde niet zijn echte leven toen hij de oude vrouw en haar zuster vermoordde. Toen hij de oude vrouw vermoordde en nog meer toen hij haar zuster vermoordde, leefde hij niet zijn echte leven, maar handelde als een machine, die deed wat hij niet kon laten — die vuurde de kogel af die hij lang daarvoor geladen had. De ene oude vrouw werd gedood, de andere stond vóór hem, hij had de bijl in zijn hand.

Toen hij op de zuster van de oude vrouw stuitte leefde Raskólnikov niet zijn echte leven, maar wel in de tijd dat hij nog geen enkele oude vrouw gedood had, niet het logement van een ander was binnengegaan met de opzet te doden, geen bijl in zijn hand had of de lus in zijn overjas waaraan de bijl hing.

Hij leefde zijn echte leven toen hij in zijn kamer op de sofa lag, helemaal niet nadacht over de oude vrouw, en evenmin of het al dan niet toegestaan is dat iemand naar eigen goeddunken onnodig en kwaadwillend een ander van de aardbodem veegt, maar of hij al dan niet in Peterburg zou moeten blijven wonen, of hij al dan niet geld van zijn moeder zou moeten aannemen en ander vragen die helemaal niets te maken hadden met de oude vrouw.

En toen werd — in het gebied dat volstrekt onafhankelijk is van instinctieve bezigheden — de knoop doorgehakt over of hij de oude vrouw al dan niet zou doden.

Dat besluit werd genomen — niet toen hij, nadat hij de oude vrouw had gedood, met de bijl in de hand voor die andere vrouw stond — maar toen hij niets deed en alleen maar lag te denken, toen alleen zijn bewustzijn bezig was: en in dat bewustzijn vonden hele, hele kleine veranderingen plaats.

Op dergelijke momenten is de grootste helderheid nodig om een juiste beslissing te nemen over ontstane problemen en juist dan zou een enkel glas bier of een enkele sigaret de oplossing kunnen verhinderen, het besluit uitstellen, de stem van het geweten sussen en de knoop doorhakken ten gunste van de lagere, instinctieve natuur — zoals het geval was bij Raskolnikov.

Hele, hele kleine veranderingen — maar daar hangen de grootste en vreselijkste gevolgen van af. Veel materiële veranderingen kunnen voortvloeien uit wat er gebeurt als iemand een beslissing heeft genomen en aan het werk is gegaan: huizen, rijkdommen en menselijke lichamen kunnen te gronde gaan, maar er kan niets belangrijkers gebeuren, dan wat verborgen was in het bewustzijn van de mens. De grenzen van wat er kan gebeuren worden bepaald door het bewustzijn.

En ongelofelijk belangrijke, grenzeloze gevolgen kunnen voortkomen uit de miniemste veranderingen die in het gebied van het bewustzijn plaatsvinden.

Denk nu niet dat wat ik zeg iets te maken heeft met het vraagstuk van de vrije wil of met determinisme. Voor mijn opzet, of voor elke andere wat dat betreft, is een discussie over dat onderwerp overbodig.

Ik doe geen uitspraak over de vraag of iemand al dan niet kan handelen zoals hij wil (een vraag die naar mijn mening onjuist gesteld is), ik zeg alleen dat, omdat het menselijk handelen bepaald wordt door oneindig kleine veranderingen in het bewustzijn, daaruit volgt (het maakt niet uit of we al dan niet het bestaan van een vrije wil aanvaarden) dat wij bijzondere aandacht moeten schenken aan de toestand waarin deze minieme veranderingen plaatsvinden, net zoals er bijzondere aandacht moet worden besteed aan de weegschaal waarop andere dingen gewogen worden.

Voor zover het van ons zelf afhangt, moeten wij proberen onszelf en anderen in een toestand te brengen, die het heldere en subtiele denken, dat nodig is voor de juiste werking van het geweten, niet zal verstoren en niet op een tegenovergestelde manier handelen — de werking van het geweten proberen te belemmeren en te verwarren door het gebruik van verdovende middelen.

De mens is immers zowel een geestelijk als een instinctief wezen. Hij kan in beweging gezet worden door dingen die zijn geestelijke natuur beïnvloeden, of door dingen die invloed uitoefenen op zijn instinctieve natuur, zoals een klok met de hand in beweging gezet kan worden of door het raderwerk. En net zozeer als de beweging van een klok het best geregeld kan worden door middel van haar inwendige mechaniek, kan een mens — hijzelf of een ander — het best geregeld worden door middel van zijn bewustzijn. En zoals bij de klok speciale zorg besteed moet worden aan het onderdeel waarmee het inwendige mechaniek het best bewogen kan worden, moet bij de mens speciale zorg besteed worden aan de zuiverheid en helderheid van het bewustzijn, het gedeelte dat de hele mens het best doet bewegen.

Daar valt onmogelijk aan te twijfelen. Iedereen weet het. Maar dan doet zich bij de mens de behoefte voor om zichzelf voor de gek te houden. Mensen maken zich er niet zozeer zorgen om of hun bewustzijn wel juist werkt, maar of wat ze doen in hun ogen juist is, en maken welbewust gebruik van middelen die de juiste werking van hun bewustzijn verstoren.

V

Mensen drinken en roken niet toevallig, niet uit verveling, niet om zichzelf op te vrolijken, niet omdat het prettig is, maar om bij zichzelf de stem van het geweten te sussen.

En als dat zo is, wat moeten de gevolgen dan niet vreselijk zijn!

Stel je voor hoe een gebouw er uit zou zien, als het gebouwd zou worden door mensen die geen schietlood gebruiken om loodrechte muren te krijgen en geen winkelhaak om rechte hoeken te maken, maar een slappe duimstok die buigt om alle onregelmatigheden van de muren te volgen en een winkelhaak die kan veranderen om op elke hoek, scherp of stomp, te passen.

Toch is dat precies wat, dankzij zelf-verdoving, in het leven gedaan wordt. Het leven stemt niet overeen met het geweten, dus moet het geweten zich voegen naar het leven.

Dat gebeurt in het leven van het individu en in het leven van de mensheid als geheel, dat gevormd wordt door de levens van de individuen samen.

Om de volledige draagwijdte te vatten van dit verdoven van het bewustzijn, moet iedereen maar eens zorgvuldig terugdenken aan de gemoedstoestanden die hij in elke periode van zijn leven heeft doorgemaakt. Hij zal ontdekken dat hij in elke periode van zijn leven geconfronteerd werd met bepaalde morele vraagstukken die hij moest oplossen en van de oplossing waarvan het hele welzijn van zijn leven afhing. Voor de oplossing van de vraagstukken was een grote aandachtsconcentratie nodig. Die aandachtsconcentratie is een krachtsinspanning. Bij elke krachtsinspanning, vooral in het begin, is er een periode waarin het werk moeilijk en pijnlijk lijkt en de menselijke zwakheid een verlangen oproept om ermee uit te scheiden.

Lichamelijke arbeid lijkt aanvankelijk moeizaam; geestelijke arbeid nog veel meer. Zoals Lessing zegt: “mensen zijn geneigd op te houden met denken op het moment waarop dat moeilijk begint te worden,” maar ik zou daaraan toe willen voegen dat juist dan het denken vruchten af begint te werpen.

Iemand merkt dat een uitspraak doen over vragen, waarvoor hij gesteld wordt, inspanningen kost —vaak pijnlijke inspanningen — en hij wil daaraan ontkomen. Als hij geen manier zou hebben om zijn vermogens te verdoven, zou hij de vragen waarvoor hij gesteld wordt, niet uit zijn bewustzijn kunnen verdrijven en zou de noodzaak ze te beantwoorden zich aan hem opdringen.

Maar de mens ontdekt dat er een manier bestaat om deze vragen te verdrijven, steeds als ze zich aan hem voordoen — en hij maakt daar gebruik van.

Zodra de vragen die op een antwoord wachten hem beginnen te kwellen, neemt hij zijn toevlucht tot deze manier en ontwijkt daarmee de onrust die door de lastige vragen teweeg wordt gebracht. Het bewustzijn vraagt niet langer op hun beantwoording en de onbeantwoorde vragen blijven onbeantwoord tot het volgende heldere moment.

Maar als dat moment komt, gebeurt weer hetzelfde en iemand gaat dan maanden, jaren of zelfs zijn hele leven zo verder, oog in oog met dezelfde morele vraagstukken zonder ook maar één stap naar de oplossing ervan te zetten. Toch bestaat de hele beweging van het leven uit het oplossen van morele vraagstukken.

Wat er gebeurt, is alsof iemand, die de bodem van een modderpoel wil zien om een kostbare steen te pakken, maar geen zin heeft om het water in te gaan, het water steeds weer in beweging brengt op het moment dat het begint te bezinken en helder te worden. Menigeen blijft zichzelf zijn leven lang verdoven en onbeweeglijk vasthouden aan een eenmaal aanvaarde, vage en innerlijk tegenstrijdige levensopvatting — waarbij hij, steeds als er een helder moment aanbreekt, tegen een en dezelfde muur aan duwt, waartegen hij dat tien of twintig jaar geleden ook al deed, en waar hij niet doorheen kan breken omdat hij opzettelijk de scherpe punt van het denken, de enige die de muur zou kunnen doorboren, stomp maakt.

Als iedereen bedenkt hoe hij geweest is in de tijd dat hij dronk en rookte, en als hij de zaak onderzoekt in zijn ervaring met andere mensen, zal hij een duidelijke en onveranderlijke scheidslijn ontdekken, tussen mensen die verslaafd zijn aan verdovende middelen en zij die daar vrij van zijn. Hoe meer iemand zichzelf verdooft, hoe meer hij moreel onbeweeglijk is.

VI

Vreselijk zijn, zoals ze ons beschreven worden, de gevolgen van opium en hasjiesj voor het individu; vreselijk zijn, zoals wij ze kennen, de gevolgen van alcohol voor verstokte dronkaards, maar onvergelijkelijk veel vreselijker voor onze maatschappij zijn de gevolgen van wat wordt gezien als het onschadelijke, matige gebruik van sterke drank, wijn, bier en tabak, waaraan het merendeel van de mensen en vooral onze zogenaamde ontwikkelde klassen, verslaafd zijn.

De gevolgen moeten natuurlijk vreselijk zijn, als aangenomen wordt en dat kan niet anders, dat de sturende activiteiten in de maatschappij — politieke, ambtelijke, wetenschappelijke, literaire en artistieke — grotendeels uitgevoerd worden door mensen die in een abnormale toestand verkeren: door mensen die dronken zijn.

Doorgaans wordt aangenomen dat iemand die, zoals de meeste mensen uit onze welgestelde klasse, vrijwel elke keer als hij eet een alcoholhoudende drank tot zich neemt, de dag daarop tijdens werktijd in een volstrekt normale en nuchtere toestand verkeert. Maar dat is een grote vergissing. Iemand die gisteren een fles wijn, een glas sterke drank of twee glazen bier heeft gedronken, verkeert nu in de gebruikelijke toestand van sufheid of neerslachtigheid die op opwinding volgt en derhalve in een toestand van geestelijke uitputting, die nog verergerd wordt door roken.

Iemand die matig rookt en drinkt zou zich minstens een week of nog langer van wijn en tabak moeten onthouden, om zijn hersenen weer in een normale toestand te brengen. Maar dat gebeurt nauwelijks.

Dat wil zeggen dat het meeste dat zich rond ons afspeelt, of dat nu gedaan wordt door mensen die anderen besturen of onderrichten, of door hen die bestuurd en onderricht worden, wordt gedaan door mensen die niet nuchter zijn.

En dat moet niet opgevat worden als een grap of overdrijving. De verwarring en vooral de dwaasheid van ons leven komen vooral voort uit de doorlopende toestand van bedwelming waarin de meeste mensen leven. Zouden mensen die niet dronken zijn alles kunnen doen wat er bij ons gedaan wordt — van het bouwen van de Eiffeltoren tot het aanvaarden van militaire dienst?

Zonder enige noodzaak wordt een onderneming opgericht, geld bijeengebracht, spannen mensen zich in, maken berekeningen en plannen; miljoenen arbeidsdagen en duizenden tonnen ijzer worden besteed…………(gedeelte van de tekst ontbreekt).

Het antwoord is, ten eerste, dat wij niet weten welke hoogte mensen die roken en drinken zouden hebben bereikt als ze niet gedronken en gerookt hadden.

En ten tweede, uit het feit dat moreel begiftigde mensen grote dingen tot stand brengen, ondanks het schadelijke effect van verdovende middelen, kunnen we alleen maar opmaken dat ze nog veel grotere dingen tot stand gebracht zouden hebben als ze zichzelf niet verdoofd hadden. Een vriend wees mij erop dat de werken van Kant zeer waarschijnlijk niet in een zo merkwaardige en slechte stijl geschreven zouden zijn, als hij niet zoveel gerookt had.

Tot slot, hoe lager iemands geestelijke en morele niveau is, hoe minder besef hij heeft van de tweespalt tussen zijn geweten en leven en hoe minder behoefte hij daardoor voelt om zichzelf te verdoven. Een soortgelijke reden verklaart waarom de gevoeligste karakters — zij die de tweespalt tussen geweten en leven rechtstreeks en ziekelijk voelen — zich zo vaak te buiten gaan aan roesmiddelen en daaraan ten onder gaan.

Bouw een toren en miljoenen mensen zien het als hun plicht die te beklimmen, bovenop even te verwijlen en weer naar beneden te klimmen. En het bouwen en bezoeken van die toren roept geen andere gedachte op dan de wens en het voornemen andere torens te bouwen, op andere plekken en nog hoger. Zouden nuchtere mensen zoiets kunnen doen?

Of neem een ander geval. Al tientallen jaren zijn alle Europese volkeren bezig geweest de beste manieren te bedenken om mensen te vermoorden en zoveel mogelijk jongemannen, zodra ze volwassen waren, te leren hoe ze moesten moorden. Iedereen weet dat er geen sprake kan zijn van een inval van barbaren, maar dat deze voorbereidingen, die getroffen werden door de verschillende beschaafde en christelijke naties, tegen elkaar gericht waren. Iedereen weet dat dit lastig, pijnlijk, moeizaam, rampzalig, goddeloos en irrationeel is — maar iedereen gaat door met de voorbereiding voor wederzijdse moord.

Sommigen bedenken politieke bondgenootschappen om uit te maken wie wie moet doden en met welke bondgenoten, anderen voeren het bevel over hen die geleerd wordt te moorden en weer anderen zwichten — tegen hun wil, tegen hun geweten en tegen hun gezond verstand in — voor deze voorbereidingen tot moord.

Zouden nuchtere mensen zoiets kunnen? Alleen dronkaards, die nooit nuchter worden zouden dat kunnen en kunnen doorleven in de afschuwelijke toestand van tweespalt tussen leven en geweten waarin de mensen, niet alleen in dit maar in alle opzichten, in onze maatschappij nu leven.

Ik denk dat er nooit eerder mensen geleefd hebben, bij wie de eisen van hun geweten zo duidelijk in tegenspraak zijn geweest met hun daden.

De mensheid is op dit moment als het ware volledig vastgelopen. Het is alsof een of andere oorzaak van buitenaf haar verhindert een positie in te nemen die van nature in overeenstemming is met haar inzichten. En de oorzaak — zo niet de enige, dan in ieder geval de belangrijkste — is deze lichamelijke toestand van verdoving, teweeggebracht door wijn en tabak, waartoe het merendeel van de mensen in onze maatschappij zich verlaagd hebben.

Bevrijding van dit afschuwelijke kwaad zal een keerpunt betekenen in het bestaan van de mensheid en dat keerpunt lijkt op handen te zijn. Het kwaad is bekend. Er heeft al een verandering plaatsgevonden in het beeld over het gebruik van verdovende middelen. Mensen hebben begrepen hoe schadelijk deze dingen zijn en beginnen er aandacht voor te vragen en deze vrijwel onopgemerkte verandering in inzicht zal onvermijdelijk leiden tot de bevrijding van mensen van het gebruik van verdovende middelen — zal hen in staat stellen hun ogen te openen voor de eisen van hun geweten en dan zullen zij hun leven inrichten in overeenstemming met hun inzichten.

En dit lijkt al te beginnen. Maar zoals altijd begint het pas in de hogere kringen, nadat de hele arbeidersstand al is besmet.

Noten

  • [1] Een verwijzing naar de hersenen.
  • [2] Aylmer Maud voegt de voetnoot toe: “Zie de zinspeling op het optreden van Skóbelev bij het beleg van Geok-Tepe, op de laatste bladzijden van Tolstojs Verhalen over het leven in het Leger.”
  • [3] Aylmer Maud voegt de voetnoot toe: “In de gevallen waarop gezinspeeld wordt zijn de Russische gewoonten erger dan de Engelse, deels omdat in Rusland de stank van muffe tabak vanwege het drogere klimaat minder stuitend is dan in Engeland.”

christen-anarchisme straight-edge

namespace/waarom_mensen_zichzelf_verdoven.txt · Laatst gewijzigd: 30/03/17 02:12 door autonomia