Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen

namespace:in_het_cafe

In het café - Gesprekken over anarchisme

Door Errico Malatesta

  • Originele titel: Al Caffé, discutendo di rivoluzione e anarchia
  • Verschenen: 1922
  • Bron: In het Café - twistgesprekken over kapitalisme, hervorming en anarchisme, 19??, L. de Boer; N. Leliestraat 107, Amsterdam
  • Vertaling: Gerhard Rijnders
  • Digitalisering: Tommy Ryan

In het Café

I.

Prosper (een dikken bourgeois, die een weinig kennis van politieke economie en andere wetenschappen heeft). Ja… ja… dat weten wij al. Dat zijn de menschen die honger lijden, de vrouwen die zich prostitueeren, de kinderen sterven door slechte verzorging. Gij vertelt altijd hetzelfde, ’t wordt vervelend. Laat ons in vrede ons portie ijs nuttigen! Zeker, daar zijn duizenden kwalen in de maatschappij: de honger, de onwetendheid, de oorlog, de misdaad, de pest, plotselinge ongelukken — maar wat hindert dat jou?

Michel (student, die veel met anarchisten en socialisten omgaat). Wat mij dat alles hindert?! Gij woont in een prachtvol huis, u wacht een rijk voorziene tafel, uw zonen gaan op het gymnasium, gij stuurt uw vrouw naar de badplaatsen. Voor u zijn al de aardsche genietingen te bekomen.

En als het u nu slechts maar goed gaat, hoe anderen het maken, daarom bekommert gij u niet. Maar als ge over een weinig medegevoel beschikte, als…

Prosper. Genoeg, genoeg met je strafpredikatie. Houdt alsjeblieft op om op dezen toon te redeneeren, jonge man. Gij houdt me voor ongevoelig en onverschillig met het lijden van anderen!… Edoch, mijn hart bloedt (kellner, breng mij een cognacje en een havana;) mijn hart bloedt, zeg ik, als ik het leed van anderen gadesla; — maar met bloedende harten worden de sociale vraagstukken niet opgelost.

De wetten der natuur zijn on veranderlijk en worden door declamatie en jongejufTrouwachtige sentimentaliteit niet gewijzigd. Een verstandig mensch schikt zich in zijn lot en geniet van het leven wat er van te genieten is, zonder hersenschimmen na te jagen.

Michel. Ha! Gij spreekt van natuurwetten? Als de armen, de ellendigen, het nu eens in hun hoofd haalden om die beroemde “wetten der natuur” te veranderen? Ik ken menschen, die over deze wetten zeer scherp oordeelen.

Prosper. Ja, ja, wij weten wel met wat voor lieden gij omgaat. Zeg maar tegen dat socialistische en anarchistische kanalje, welks beginselen gij omhelst, dat wij voor hem en al diegenen, die van plan zijn om hun misdadige theorieën in practijk te brengen, goede soldaten en voortreffelijke gendarmen hebben.

Michel. O, als gij soldaten en gendarmen voor den dag gaat halen, dan moet ik zwijgen. Dat is precies als dat gij met mij, om te bewijzen dat ik ongelijk heb, een kloppartij gingt beginnen. Als u geen andere argumenten heeft dan het brutaal geweld — daarop kunt gij u nooit verlaten, want morgen kunt gij de zwakste zijn. En wat dan?

Prosper. Dan? Dan zal er een vreeselijke wanorde ontstaan, alle slechte hartstochten zullen zich ontketenen, bloedbaden, brandstichting, verwoesting — en daarna zal alles weer zijn als vroeger.

Eenige armen zouden rijk geworden zijn, eenige rijken zouden wellicht in ellende zijn gestort, maar over het geheel zou aan den loop. der wereld niets veranderd zijn. Breng mij toch eens een van die anarchistische agitatoren, je zult zien hoe ik hem in een hoek drukken zal. Om jou leeg hoofd vol onzin te stoppen, daarvoor deugen ze wel, maar let eens op of zij hun ongerijmd, dwaas standpunt tegenover mij kunnen verdedigen.

Michel. Zeer gaarne. Ik zal een van mijn vrienden meebrengen, die goed onderlegd is in de socialistische en anarchistische beginselen en ik zal dan met genoegen deze nuttige en leerzame discussie bijworien. Maar discuteer nu voorloopig nog een beetje met mij. Wel heb ik nog geen gevestigde opinie betreffende verschillende dingen, maar zonneklaar is het voor ‘mij, dat de maatschappij, zooals zij tegenwoordig georganiseerd is, indruischt tegen elk menschelijk gevoel en in tegenspraak is met het gezond verstand. U bent zoo dik en welvoldaan een beetje ergernis kan voor u geen kwaad. Dat is een goede vermageringskuur. Prosper. Als ge wilt, dan gaan we door.

Echter, ik geloof, dat gij beter deedt door te studeeren dan in het wild te schermen over dingen, die den meest geleerden en verstandigen mannen van de wereld moeilijkheid bezorgen. Weet gij wel, dat ik 20 jaar ouder ben dan gij?

Michel. Dat bewijst nog niet, dat gij meer gestudeerd hebt ; ik betwijfel het zelfs, als ik afga op hetgeen ik gewoonlijk van u hoor. liet kan zijn, dat gij veel gestudeerd hebt, maar dan is er niet veel van blijven hangen. Prosper. Jongmensch, gij vergeet de noodige beleefdheid!

Michel. Ik vergeet de beleefdheid niet. Maar gij moet den ouderdom niet als argument gaan gebruiken, zooals gij ’t zooeven met de gendarmen deedt. Bewijsgronden zijn noch oud noch jong; ze zijn goed of slecht, daarmee uit. Prosper. Goed, goed, ga maar door. Zeg maar wat je te zeggen hebt.

Michel. Nu dan, ik heb te zeggen, dat ik niet begrijp, waarom de landman, die arbeidt, zaait, ploegt, maait, het vee verzorgt en den wijngaard onderhoudt, vaak nóch brood, noch vleesch, noch wijn tot zijn beschikking heeft; waarom de metselaar, die huizen bouwt, geen onderdak heeft; waarom de schoenmaker met kapotte schoenen loopt, in één woord, diegenen, welke arbeiden en produceeren, gebrek hebben aan het noodigste, terwijl zij, die niets nuttigs ten uitvoer brengen, zich in overvloed wentelen. Ik begrijp niet, dat er menschen zijn die honger lijden, terwijl er toch zooveel onbebouwden grond ligt en er zooveel werkkrachten zijn die zich gelukkig zouden gevoelen als zij het mochten bebouwen.

Waarom er zooveel werklooze metselaars en timmerlieden zijn, wijl toch duizenden in krotten en sloppen wonen; waarom er zooveel werklooze schoenmakers, kleeder- makers enz. zijn, hoewel een groot deel der menschen bijna barrevoets en naakt gaat en leeft in aanhoudend gebrek aan andere voor het leven noodzakelijke dingen. Kunt gij mij zeggen welke natuurwet deze fatale onsin verklaart en rechtvaardigt?

Prosper. Niets is eenvoudiger dan dat. Om te produceeren zijn de armen niet alleen noodig, daarvoor behoeft men land, gereedschappen, machines, lokalen en het middel tot onderhoud der werkkrachten tot de producten aan de markt gebracht zijn; in één woord men heeft kapitaal noodig. En alle burgers en arbeiders bezitten niets dan hun handen en armen ; dientenvolge kunnen zij niet arbeiden als het hUn niet belieft, die grond en kapitaal bezitten. En daar wij met weinigen zijn en niet genoeg bezitten om ons land onbebouwd te laten liggen, terwijl de arbeiders met velen zijn en aangewezen om voortdurend te arbeiden, — zoo verklaart het zich, dat zij werken moeten, zooals wij dit wenschen en onder voorwaarden, zooals wij die stellen. En als wij hun arbeid niet meer noodig hebben of als wij bemerken, dat er niet genoeg winst gemaakt wordt, dan zijn zij genoodzaakt werkloos te zijn, zelfs al hebben zij gebrek aan de dingen, welke zij produceeren konden. Ben je nu tevreden? Kan ik nog duidelijker zijn?

Michel. Ja, dat is zoo duidelijk mogelijk, daar heb niets tegen in te brengen.

Maar…. krachtens welk recht behoort het kapitaal slechts aan enkelen? Hoe komt het, dat enkelen de geheele aarde in bezit hebben en dan nog wel juist diegenen, welke niet arbeiden?

Prosper. Ja, ja, ik weet wel wat je zeggen wilt, ik ken de meer of minder hinkende redeneering, die anderen je voorhouden: Het eigendomsrecht i9 af te leiden van den arbeid, waardoor de bodem is vruchtbaar gemaakt: kapitaal is door den arbeid voortgebracht. Maar ik wil nog duidelijker zijn. Alle dingen, zoo ze zijn, zijn het resultaat van historische daadzaken, producten van eeuwenlange menschelijke ontwikkeling. Het geheele leven der menschheid was, en zal ook altijd zijn, een onophoudelijke strijd. De een treedt uit dit strijdperk als overwinnaar, de ander als overwonnene. Dat is de groote natuurwet, waartegen elk verzet hopeloos is.

Wat zou iij nu van mij verlangen? Dat ik alles wat ik bezit wegsenonk, om in ellende om tc komen, terwijl dan een ander met mijn geld in een goed leven kon zwelgen?

Michel. Dat wil ik nu juist niet. Mnar stel nu eens dat de arbeiders, dank zij het feit dat zij talrijk zijn en steunende op uw theorie, dat het leven een strijd is en dat het recht van den sterkste geldt, het zich in het hoofd zetten om een nieuw “historisch feit” in ’t leven te roepen door in bezitneming van grond en kapitaal en door instelling eener nieuwe maatschappelijke orde?

rrosper. Ja, zeker, dat kon aan onze zaak wel nadeel doen. Maar wij zullen een volgende maal daar eens verder over praten. Thans is het tijd voor den schouwburg. Goeden avond.

II.

Ambrosius (rechter). Hoort eens, mijn waarde heer Prosper, daar wij nu toch als steunpilaren van staat en maatschappij onder elkander zijn. De laatste avond, toen u met dat leeghoofd Michel aan ’t praten was, toen wilde ik mij niet in de discussie mengen. Maar was dat nu een manier om onze staatsinrichting en maatschappij te verdedigen? Men had waarachtig haast kunnen gelooven, dat gij de anarchist waart.

Prosper. Nee, maar! … Waarom?

Ambrosius. Wel, gij stond daar, zonder dat gij er erg in had, te betoogen, dat de tegenwoordige sociale organisatie op geweld gebaseerd is; daarmee gaf je den ander het recht om met geweld verstoring er in te brengen. De werkelijke grondstellingen die onze beschaafde maatschappij beheerschen: het recht, de moraal, de godsdienst, daarover heb. je geen woord gerept.

Prosper. Verduiveld! gij hebt den mond wel een beetje vol met uw “recht”. Dat is een fout die u van uw beroep aankleeft. Als morgen de regeering bijv. het collectivisme decreteerde, dan zoudt gij de aanhanger van het persoonlijk eigendom veroordeelen zooals gij het thans de anarchisten doet en altijd volgens de principen van het eeuwige onveranderlijke “recht’. Het gaat hier maar over een naam.

Gij zegt “Recht“, ik zeg “Geweld”; in den grond der zaak loopt het altijd op de stokken en sabels der politiemannen uit, en wie de politie aan zijn zijde heeft, die heeft recht.

Ambrosius. Maar mijnheer Prosper, het is verbazend, zooals gij door sofisterij in uzelf het staatsbehoudend instinkt doet verstikken. Gij begrijpt blijkbaar niet hoe een slechte indruk het maakt, als een man als gij, een der eerste burgers van ons land, de gevaarlijkste vijanden der orde argumenten in de handen speelt. Geloof mij, wij moeten zoo min mogelijk in het openbaar over deze dingen spreken. Laten wij ons liever aaneensluiten en met elkander de maatschappelijke inrichting verdedigen, die al meer en meer met booze hand bedreigd wordt; laten wij gezamenlijk optreden tot bescherming van onze belangen.

Prosper. Gij hebt gelijk, sluiten wij de rijen. Maar als wij geen doortastende maatregelen nemen ; als wij geen einde maken aan de steeds voortwoekerende libertaire propaganda, dan zullen wij niets bereiken.

Ambrosius. Jawel, dat is zeker. Daar moeten strenge wetten komen, die met alle strengheid worden doorgevoerd. Maar dat niet alleen. Alleen door geweld kan men op den duur het volk niet onderwerpen, ten minste niet in den tegenwoordigen tijd. Het is noodig, dat wij tegenover hun propaganda een andere propaganda zetten. Wij moeten de menschen er van overtuigen, dat wij recht hebben.

Prosper. Maar dan zijt gij op den verkeerden weg! Mijn beste vriend, in naam van onze gemeenschappelijke belangen bid ik u: Begin niet met propaganda, want dat werkt niets uit, zelfs al geschiedde het van staatswege. Die propaganda zal juist in het voordeel der socialisten, anarchisten en andere lieden van dat soort uitvallen. Probeer eens een hongerige er van te overtuigen, dat het “recht“ is, als hij niet te eten heeft, terwijl hij zelf de levensmiddelen produceert! Zoolang hij niet denkt en God en zijn broodheer nog dankt, dat het hem niet nóg beroerder gaat, zoolang is alles goed. Maar op het oogenblik, dat hij begint na te denken, is alles verloren: hij wordt ons een onverzoenlijke vijand. Ja, ja, wij moeten vóór alles de propaganda tegengaan. Daarom moet de drukpers onderdrukt worden, met of zonder wetgeving.

Ambrosius. Jawel, jawel.

Prosper. Alle vergaderingen moeten verboden worden, alle vereenigingen ontbondeu en alle in de gevangenis gestopt, die denken…

Cesar (Koopman). Stil, stil, laat u toch niet door hartstocht meesleepen. Bedenk toch, dat andere regeeringen in andere tijden door het gebruiken van dat middel, juist hun ondergang hebben bewerkstelligd.

Ambrosius. Zwijg, stil! Daar komt Michel aan met een anarchist, die ik het vorige jaar voor U maanden celstraf heb veroordeeld wegens het schrijven van een oproerig manifest. In werkelijkheid onder mis gezegd was dat manifest, zooals het opgesteld was. niet strafbaar: maar wat moet men doen? De misdadige opzet lag voor de hand, en dan moet de maatschappelijke orde verdedigd worden.

Michel. Goeden avond, heeren! Mag ik u voorstellen, een mijner anarchistische vrienden, die gaarne bereid is om op de uitdaging van den heer Prosper in te gun.

Prosper. Welke uitdaging? Men discussieert onder vrienden om den lijd wat te verdrijven. — Zoo, dus u zou ons nu eens duidelijk maken, wat die anarchie eigenlijk is, die wij tot dusver niet begrijpen konden?

Georg (Anarchistisch socialist). Gij moet niet denken dat ik professor ben in de anarchie, ook heb ik geen anarchistische kursus doorloopen; maar ben daarom wel in staat en bereid om mijn idee te verdedigen.

Trouwens, deze heer (zich op ironischen toon tot Ambrosius wendend) zal daarin beter onderlegd zijn dan ik. Hij heeft al zeer veel anarchisten veroordeeld, en daar hij zeker een wetenschappelijk man is, zal hij zulks niet gedaan hebben, zonder vooraf dit principe grondig te hebben bestudeerd.

Cesar. Laat ons nu die persoonlijke kwesties er buiten houden. Wij zouden over de anarchie spreken; beginnen wij nu de diskussie daarover.

Hoor eens, ik erken ook dat de tegenwoordige toestanden erbarmelijk zijn,, en dat het noodzakelijk is om hierin verandering te brengen. Maar men moet zich niet blind staren op utopieën en te onstuimig voortvaren, Zeer zeker, de regeering moest zich veel meer om het lot van den arbeider bekommeren, den werkloozen werk verschaffen de nationale industrie ondersteunen, den handel doen toenemen, maar .. . Georg. Wat verlangt u al niet van de regeering! Echter de regeering bekommert zich niet om het lot var den arbeider, en dat spreekt vanzelf.

Cesar. Wat? Spreekt dat vanzelf? De regeering heeft zich tot nog toe weinig moeite getroost, de kwalen en nooden waaronder het land gebukt gaat, uit den weg te ruimen; maar morgen kunnen wij een vooruitstrevender en ijverigen minister hebben, die volbrengen zal, wat tol heden toe nog niet volbracht is.

Georg. Neen, waarde heer, het ligt niet aan dit of dat ministerie. Het ligt juist aan de regeering in ’t algemeen, aan alle regeeringen, die van heden, die van gisteren en die van morgen.

De door de bezittende klasse geschapen regeering is gedoemd de belangen der bezitters te behartigen op straffe van de eigen ondergang, de leden der regeering zijn zelf bezitters, hoe zouden ze nu de belangen van arbeiders kunnen behartigen?

Anderzijds kan de regeering, al zou zij het willen, de sociale kwestie niet oplossen daar dezelve van oorzaken afhangt die door geen regeering kunnen worden uit den weg geruimd, die integendeel door het bestaan der regeering worden bestendigd. Om het sociale vraagstuk op te lossen, moet het gansche systeem veranderd worden, terwijl het juist de roeping der regeering is om dit te verhinderen.

Gij spreekt er van, dat aan de werkeloozen werk verschaft moet worden? Maar wat kan de regeering doen als er geen werk is? Zal zij onnutte arbeid laten verrichten? En wie zal dan het grapje daarna betalen?

Zal zij laten produceeren om de nooden des volks te bevredigen? Maar dan kunnen de bezitters hun produkten niet verkoopen welke zij den arbeiders ontnomen hebben, zij houden op bezitters te zijn als de regeering, om de arbeiders aan werk te helpen, hun land en kapitaal ontneemt, waarvan zij het monopolie hebben. Dat zou de sociale revolutie zijn, dat ware dê groote afrekening met het verleden en gij begrijpt toch zeker wel, dat, als de arbeider, de arme en onterfde, zelf deze afrekening niet volbrengt, de regeering het nooit doen zal.

Handel en industrie ondersteunen, zegt u?

Maar de regeering kan hoogstens een klasse van industrieëlen begunstigen ten koste der anderen, de kooplieden, van het eene gedeelte des lands ten nadeele van die eener andere streek, En ten slotte zal men niets anders bereikt hebben dan een weinig bevoorrechting, een weinig onrecht meer, en veel onnondige kosten.

Een regeering, die allen beschermt, dat U een idioot idee, daar de regeering zelf niet produceert en dientengevolge kan zij niet anders doen dan den rijkdom van de eene plaats naar de andere te verschuiven.

Cesar. Nu, als de regeering niets doen kan en wil, wat rest ons dan voor een middel?

Zelfs al zoudt gij een revolutie doen plaats grijpen, dan moet er toch weer een regeering benoemd worden en daar gij nu beweert, dat alle regeeringen als een druppel water op elkander gelijken, dan zouden wij na de revolutie nog even ver zijn.

Georg. En juist daarom willen wij in ’t geheel geen regeering!

U weet toch wel, dat ik anarchist ben. Welnu: Anarchie beteekent maatschappij zonder regeering. Cesar. Maar dat is immers onmogelijk! Hoe zal men dan leven? Wie zal de wetten maken en wie zal ze uitvoeren?

Georg. Ik merk wel, dat gij totaal geen begrip hebt van hetgeen wij willen. Om nu doelmatiger te diskuteeren, zal het noodig zijn dat ik u eerst in korte trekken onze inzichten en beginselen uiteen zet. Maar het is nu al geworden, een volgende keer zullen wij daarmee beginnen.

III.

Cesar. Aldus, gij zult ons nu hedenavond eens verklaren, hoe men zonder regeering leven kan?

Georg. Ik zal mijn best doen. Maar dan zullen wij eerst eens onderzoeken, hoe men in de tegenwoordige maatschappij leeft en of het werkelijk noodig is om hierin een verandering te brengen. Als wij een blik werpen op de tegenwoordige maatschappij, dan valt ons dadelijk op de ellende, die de massa neerdrukt, de onzekerheid voor het behoud des levens, waardoor bijna allen met vreeselijken angst worden bezield en de verbitterden strijd, die door allen tegen allen wordt gevoerd om dat leven te kunnen behouden…

Ambrosius. Waarde heer, gij zoudt nog lang door kunnen gaan, met het opsommen van sociale neuvels, aan stof ontbreekt het u ongelukkigerwijze niet. Maar dat alles leidt tot niets en wij krijgen daardoor ook niet de overtuiging dat wij er beter aan toe zouden zijn al* al het bestaande omver geworpen was. Het is niet de armoede alleen, maar wij hebben nog de pest, cholera, aardbevingen, windhozen … en ik zou wel eens willen Heten hoe gij tegen al die plagen revolutie kunt maken.

De fout ligt in de natuur der zaak.

Georg. Maar ik zal u juist bewijzen dat de armoede ontstaat uit den tegenwoordigen vorm der sociale organisatie en dat in een gezonde maatschappij dezelve verdwijnen moet. Zoolang men de oorzaak van een kwaal niet kent, en men niet weet hoe men hulp zal verschaflen, zoolang is men genoodzaakt om alles met geduld te verdragen. Maar op het oogenblik waarop het geneesmiddel is ontdekt, gebiedt ons de plicht en ons belang om het aan te wenden.

Ambrosius. Dat is nu juist uw dwaalbegrip: de ellende hangt van oorzaken af die sterker zijn dan de menschelijke wil of wet. De ellende hangt af van de karigheid der natuur, die nu eenmaal niet genoeg producten levert, om alle menschen van het noodige te voorzien.

Zie eens naar de dierenwereld, waar men niet kan klagen over dat infame kapitaal of een tirannieke regeering; zij kampen aanhoudend om voedsel en sterven dikwijls van honger.

Dé waarheid is, dat er te veel menschen op aarde zijn.

Als de menschen zich maar wisten te beheerschen en slechts dan kinderen voortbrachten als zij er van overtuigd waren dat ze er voedsel voor hadden … Hebt gij Malthus gelezen?

Georg. Ja, zoo’n beetje. Maar het zou op hetzelfde neerkomen al had ik hem niet gelezen. Gij zegt dat de ellende van de karige natuur afhangt, maar gij weet toch zeker wel dat er groote stukken grond braak liggen?

Ambrosius. Ja maar als er zooveel onbebouwde grond ligt dan komt dat doordat het niet mogelijk is het te bebouwen of omdat zulks de moeite niet loont.

Georg. Denkt gij dat? Probeer het eens den tuin- of landman te schenken, gij zult eens zien in welk een rijke akker of tuin hij het zal herscheppen. Dij oordeelt overigens zeer oppervlakkig. Hoeveel woeste grond heeft men vroeger met bebouwd toen men nog niet eens beschikte over de chemie en techniek die men tegenwoordig bij den landbouw aanwendt. Weet gij niet dat men tegenwoordig in staat is om rots-velden in vruchtbare akkers om te zetten? Weet gij niet dat de landbouwkundige — zelfs de minst vooruitstrevende — hebben uitgerekend dat bijv. een land als Italië, bij verstandige cultuur, 100 miljoen menschen kan voeden. De ware oorzaak waarom er zooveel onbebouwde velden liggen en dat van de wel bebouwde nog maar een klein deel van de profijten getrokken wordt, die men zou kunnen trekken bij aanwending der technische hulpmiddelen, ligt daarin, dat de eigenaars er geen belang bij hebben om de productiviteit te verhoogen. Zij bekommeren zich niet om de nooden des volks en laten produceeren om de producten te kunnen verkoopen. Zij weten, dat, als de producten overvloedig voorhanden zijn, de prijs daalt en de voordeelen veel minder zijn dan wanneer er gebrek aan is; immers dan kunnen zij den prijs naar believen bepalen.

Dit geldt niet alleen voor de landbouwproducten.

In alle takken van bedrijf zien wij hetzelfde verschijnsel. Zoo bijvoorbeeld: In alle steden zijn de armen gedwongen om in verpestende holen te wonen, op elkander geperst, nergens is rekening gehouden met hygiëne of moraliteit; alzoo in omstandigheden, waardoor het niet mogelijk is te voldoen aan de eerste vereischten van zindelijkheid en menschelijkheid.

Waardoor komt dat? Omdat er gebrek is aan huizen? Maar waarom bouwt men dan geen gezonde en ruime woningen en in voldoend aantal, zoodat dus een elk onderdak heeft? Steenen, kalk, hout, ijzer en verdere bouwmaterialen zijn ruimschoots voorhanden ; ook is er steeds een groot aantal werklooze timmerlieden, metselaars, smeden en architecten, die niets liever zouden wenschen dan werk te hebben. Waarom laat men nu zooveel kracht ongebruikt. die toch tot voordeel van zooveel duizenden zou kunnen worden aangewend? De reden is zeer eenvoudig. Het geschiedt daarom niet, omdat, zoodra wanneer er veel woningen zijn, de huurprijzen verminderen, De eigenaars der bestaande huizen - en dat zijn dezelfde lieden die de middelen hebben om anderen te laten houwen hebben geen lust om hun renten te zien verminderen terwille van de gezondheid der armen.

Cesar. Er is veel waars in hetgeen ge zegt: maar gij bedriegt u in het aanvoeren der oorzaken waarop ai die treurige feiten zijn gegrondvest. Waarom ligt er zooveel onbebouwd land, waarom een algemeenen stilstand in den handel? Wijl onze bourgeoisie niet ondernemingsgezind is. De kapitalisten zijn te vreesachtig of te onwetend en willen of weten niet de middelen te beramen om de industrie meer te ontwikkelen, de grondeigenaars weten niet anders te doen, als wat door hun grootvader gedaan is, de kooplieden doen geen moeite om nieuwe afzetmarkten voor hun waren te vinden en de regeering, met haar fiskaal systeem en haar domme belastingpolitiek, verstikt het initiatief, inplaats van het te versterken en de hindernissen uit den weg te ruimen.

Georg. Dat onze bezitters lui en onwetend zijn, wil ik niet tegenspreken; maar dit euvel verklaart enkel —- en dan nog maar gedeeltelijk — waarom zij in den strijd op industrieel gebied door andere landen verslagen zijn, maar niet de oorzaak van de verarming des volks.

Ten bewijze daarvan behoeven wij slechts even ér aan te denken, dat ook in die landen waar de bourgeoisie ijverig en inteligent is, de ellende, werkloosheid en andere sociale kwalen evengoed bestaan. Ja, zelfs de verhooging der industrieële werkzaamheid werkt juist genoemde maatschappelijke kwalen in de hand, en als gij in de meest vooruitstrevende landen de armoede en slavernij nog niet ten top gedreven ziet, dan komt zulks door den weerstand welke de arbeiders boden door hunne organisaties, werkstakingen en andere strijdmiddelen.

Het kapitalisme is overal hetzelfde. Om te kunnen bestaan en te groeien moet het den arbeider steeds in half- hongerigen toestand houden, om den prijs der waren op een bepaalde hoogte te houden en om steeds hongerlijders in voorraad te hebben die bereid zijn, om onder elke voorwaarden hun lichaam te verhuren. Wij zien aldus, dat als in een of ander land de productie stijgt, dat dit dan niet geschiedt om de producenten de middelen te verschaffen de producten te kunnen consumeeren, maar w ei om dezelve met meer profijt te kunnen verkoopen. Ah de consumptie onder de arbeiders hier of daar wel toeneemt, dan komt dat omdat zij de gelegenheid hebben aangegrepen het loon te doen verhoogen.

Maar, als dan om een of andere reden liet afvoerkanaal wordt afgesloten, waarvoor men werkt, als er een crisis komt, dan daalt het loon weer, en de ellende staat voor de deur. Als dan in het land de meerderheid der menschen aan alles zoowat gebrek heeft, dan zou het gezond verstand gebieden, dat zij voor eigen behoeften moeten pro- duceeren. Maar waar blijft dan het profijt der kapitalisten?

Ambrosius. Dus gij beweert, dat de schuld van alles ligt bij de kapitalisten?

Georg. Ongetwijfeld, of, in meer algemeenen zin gesproken, in het feit, dat enkele individuen zich den grond en de productiemiddelen hebben toegeëigend en derhalve in de gelegenheid zijn hun wil den arbeider op te dringen, zoodat men, in plaats van te produceeren om in de behoeften des volks te voorzien, in werkelijkheid slechts produceert om den heeren kapitalisten voordeel te bezorgen.

Alle gronden, welke gij aanvoert om de privilegiën der kapitalisten te redden, bevatten leugen of misverstand.

Op het eene oogenblik zeidet gij, dat de oorzaak der ellende lag in het gebrek aan producten, op een ander moment beweerd et gij weer — sprekende over het vraagstuk der werkloosheid — dat de magazijnen gevuld zijn, dat de kapitalisten de producten niet verkoopen kunnen en dat zij niet kunnen laten dóórwerken, omdat er geen afzetmarkten zijn.

En inderdaad, daarin bestaat de onzinnigheid van het systeem: men sterft van honger, terwijl de magazijnen gevuld zijn en terwijl de bezitters het niet noodig achten den grond meer vruchtbaar te maken; de schoenmaker loopt werkloos en vele menschen loopen met kapotte schoenen, wijl er te veel schoenen zijn, enzoovoort.

Ambrosius. Moesten dan de kapitalisten eigenlijk van honger sterven?

Georg. Zeker niet. Zij behoorden te arbeiden zooals anderen. Dat zal u misschien wel gruwzaam toeschijnen. maar geloof mij vrij: als men genoeg te eten heeft en in vrijheid arbeidt, dan is arbeid niets verschrikkelijks.

Ik zou u kunnen bewijzen dat dezelve een behoefte en een voordeel voor het organisme is.

Maar ik bemerk dat het al laat is, en morgen moet ik vroeg aan den arbeid. Dus tot een volgenden keer.

IV.

Cesar. Het, is mij werkelijk een genoegen met u te discussieeren. Gij weet de dingen ons zoo voor te stellen dat ze u een schijn van recht geven, hoewel ik volstrekt niet zeggen wil, dat gij in alles onrecht hebt. Tegenspraak, werkelijke en schijnbare, vinden wij in onze tegenwoordige sociale organisatie. Zoo is b. v. de belasting een moeilijk te begrijpen zaak. Terwijl het volk van honger en ellende bijna omkomt, belemmert de regeering den vrijen invoer van de Afrikaansche graanvelden, waarop het koren in overvloed groeit, en waarvan de bezitters niets liever wenschen dan het te kunnen verkoopen. Wat zou men zeggen van een mensch, die honger heeft en niet eten wil. Want in dit geval is het juist zoo. Immers…

Georg. ja, maar de regeering heeft geen honger, noch zij, noch de bezitters der korenvelden in ons land, in welks belang zij de invoerbelasting heeft gemaakt. Als degenen die honger hebben maar vrij waren, dan zoudt gij eens zien of zij het koren terug wijzen zouden.

Cesar. Ik weet en begrijp wel dat het u gemaklijk valt om met dergelijke argumenten het volk te overtuigen wat zich altijd eenzijdig laat voorlichten. Om echter misverstand te voorkomen is het noodig, dat wij de dingen van alle kanten bezien en dat wilde ik juist doen, toen gij mij in de rede vielt.

Het is volkomen waar, dat de belangen der bezitters grooten invloed hebben op de invoerbelasting. Maar aan den anderen kant, als de grenzen geopend waren, en de Amerikanen konden met hun overvloed onze markt overstroomen, wat zou dat dan nog ons volk baten? De kapitalisten zouden geruïneerd worden ni de toestand der arbeiders nog meer verslechteren. Het baat niets, al is het brood voor 1 cent het pond verkrijgbaar, als men niet in de gelegenheid is deze eene cent te verdienen, dan zal men honger lijden, zooals vroeger. En als de Amerikanen hun waar voor honge of lage prijs verknopen billen en men bij ons niet produceert, waarmede moet men dan betalen?

Gij zult mij wellicht toevoegen dat in ons land de bodem in overvloed kon opleveren? Welnu, zwijgen wij er over dat daarvoor noodig is kapitaal, maar als nu de anderen onze producten niet willen hetzij omdat zij ze zelf hebben, hetzij dat zij er om andere reden geen behoeften aan hebben? En waarvan leeft men dan intusschen?

Georg. Juist! Gij hebt de vinger op de wond gelegd. De vrijhandel kan evenmin als de belasting op invoer iets verbeteren aan de heerschende ellende. De vrijhandel bevoordeelt de consumenten doch benadeelt de producenten en omgekeerd: de invoerbelasting bevoordeelt de producenten doch benadeelt de consumenten, zoodat het voor de arbeiders, die tegelijkertijd producenten en consumenten zijn, lood om oud ijzer is.

En dat zal zoo blijven zoolang het kapitalistisch systeem niet vernietigd is.

Als de arbeider voor zichzelf arbeidt en niet voor het profijt van den ondernemer, dan zal elke landstreek voor eigen behoeften voldoende produceeren, zij hadden zich dan slechts met andere landen te verstaan voor ruiling van produkten, waar wederzijds het meeste behoefte aan is… en de grootst mogelijke welstand voor allen zou kunnen worden bereikt met de minst mogelijke inspanning.

Cesar. Ja, maar dat zijn slechts schoone droomen.

Georg. Dat zijn tegenwoordig nog droomen; maar zoodra het volk begrepen zal hebben dat het op deze manier gelukkig kan leven, dan zullen deze droomen spoedig verwezenlijkt worden. Daar is geen andere hindernis, dan het eigenbelang van enkelen. Cesar. Er is nog een andere hindernis, mijn waarde. Gij verbeeldt u, dat als eenmaal de bezitters weggejaagd zijn, alles zal zwelgen in overvloed.

Georg. Dat zeg ik niet. Integendeel, ik geloof, dat, om uit den ellendigen toestand te geraken, waarin ons het kapitaal gevangen houdt, en om de productie goed te organiseeren, zoodat een elk in zijn behoeften bevredigd wordt, dat er gewerkt moet worden.

Het ontbreekt het volk niet aan den wil om te arbeiden, maar wel aan de mogelijkheid om het te doen.

Wij beklagen ons niet om het tegenwoordige systeem daarom, omdat wij de nietsnutters in hun weelderig leven moeten onderhouden — hoewel dat ons lang niet aanstaat —, maar wel omdat het die zelfde nietsnutters zijn die onzen arbeid regelen en ons derhalve verhinderen om op meer practische en billijke wijze te werken en in het voordeel van allen.

Cesar. Gij overdrijft. Het is wel waar dat de ondernemers vaak niet laten arbeiden omdat hun speculatiën op het gebrek aan producten berust; maar meestentijds laten zij daarom niet arbeiden wijl het hun aan kapitaal ontbreekt. Het land en de grondstoffen zijn niet voldoende om te produceeren. Men heeft ook noodig, zooals gij weet, gereedschappen, machines, werkplaatsen en het middel om den arbeider te betalen, in één woord kapitaal, en dat komt slechts langzaam bij elkaar. Hoeveel ondernemingen blijven projecten of slagen niet uit gebrek aan kapitaal? Bedenk toch eens wat er geschieden zou als, zoo gij dat schijnt te willen, de sociale revolutie ons overviel. Met de vernietiging van het kapitaal en de naamlooze wanorde die dan ontstaan zou, had gij de ellende meer algemeen gemaakt.

Georg. “Het gebrek aan kapitaal”, dat is een leugen of een misverstand van de verdedigers der tegenwoordige stand der dingen. Het kapitaal kan bij de eene onderneming ontbreken, wijl de ander alles naar zich toegehaald heeft; maar in de maatschappij over het geheel genomen zult gij veel doelloos kapitaal en veel ongebruikt land vinden. Ziet gij dan niet hoeveel machines er staan te verroesten, hoeveel fabrieken er gesloten blijven, hoeveel huizen er leeg staan?

De arbeider moet onderhouden worden gedurende zijn arbeid, maar de arbeider moet ook leven als hij zondei arbeid is. De arbeiders eten weinig en slecht, maar zij leven toch en zijn in staat te werken, zondra de ondernemer hen noodig heeft. Het is dus niet het gebrek aan bestaansmiddelen, dat hen verhindert te arbeiden, en als zij ten eigen bate arbeiden konden, zouden zij ook accepteren onder de meest slechte omstandigheden te werken, als zij wisten dat dit oogenblikkelijke offer hen het mogelijk maakte, zich eindelijk uit den toestand van ellende en knechtschap te bevrijden.

Stel u eens voor dat door een aardbeving een geheele stad verwoest werd. In korten tijd zou de geheele stad weer opgebouwd zijn, schooner als te voren, en men zou weldra geen spoor meer van het ongeluk terug zien. De bezitters en kapitalisten toonen in dergelijke omstandigheden, dat, als het hun eigenbelang betreft, er in een minimum van tijd een gansche stad verrijst, terwijl men vroeger beweerde dat er geen middelen waren om goede arbeiderswoningen te bouwen.

Wat de vernietiging van het kapitaal betreft in tijden van revolutie, zoo kunnen wij wel hopen, dat het volk bij zulk een beweging, die ten doel heeft om de sociale rijkdommen een elk ten goede te doen komen, wel nalaten zal datgene te vernietigen, wat voor onze welvaart noodzakelijk is.

Er zouden zeer zeker veel bezwaren zich voordoen, alvorens de gang van zaken voldoende geregeld is. Maar ik ken twee zeer voorname bezwaren, die, om een begin te maken, allereerst moeten worden opgeruimd, n.l.: de onwetendheid des volks en de polities.

Ambrosius. Maar, vertel mij eens; gij spreekt van kapitaal, van arbeid, van productie en consumptie enz. Doch van recht, van gerechtigheid en moraal gewaagt gij geen sylabe. De vraag, wat is het beste middel om de aarde en het kapitaal meer vruchtbaar te maken, is zeer gewichtig; echter, van meer gewicht is de vraag der moraliteit. Ik zou ook wenschen, dat alles goed en volmaakt was; maar… als men, om deze utopie te verwezenlijken, de zedenwetten ging neerhalen, als men de eeuwige principes van het recht ging verloochenen, waarop onze geheele beschaafde maatschappij berust, o, dan voorzie ik, dat duizenden kwalen van tegenwoordig nog vertienvoudigd zouden worden. Houdt toch op, de onwetende massa op te voeren; houdt op, onbereikbare idealen te prenten in de zielen der onterfden, ja houdt toch op, het vuur aan te blazen, dat, helaas, onder de asch gloeit. Wilt gij, moderne barbaren, door een zondvloed de beschaving vernietigen, die de roem van ons en onze voorvaderen is?

Als gij iets edels wilt verrichten, als gij, voor zoover dat mogelijk is, het lijden der armen wilt verzachten, dan zeg ik u, dat gij u in uw lot moet schikken, daar de ware gelukzaligheid in de tevredenheid schuilt. Want ten slotte heeft ieder zijn eigen kruis te dragen, iedere klasse heeft haar leed en haar plichten, en dengene die in overvloed leeft is niet altijd de gelukkigste.

Georg. Edelachtbare heer staatsdienaar, doe mij een genoegen en laat die deklamatie over de “eeuwige rechtsprincipe” en alle konventioneele vertooning terzijde; want wij bevinden ons op het oogenblik niet in de rechtszaal en gij hebt thans geen vonnis over mij te vellen. Als men u hoort spreken, dan bemerkt men direkt wel, dat gij niet tot de onterfden behoort. Hoe nuttig is toch de benutting der armen voor diegenen, welke op kosten derzelven leven.

Hoort eens, als het waar is, dat recht, gerechtigheid en moraal de onderwerping en het ongeluk, al is het ook van een sterveling, vordert en goed praat, dan zeg ik u, dat recht, gerechtigheid en moraal niets dan leugens zijn, schandelijke wapens, gesmeed tot verdediging der bevoorrechten. En zij zijn het inderdaad, als men maar goed oplet hoe ze gebruikt worden. Recht, gerechtigheid en moraal, moeten den grootst mogelijken welstand voor allen beoogen, anders zijn ze gelijk aan onrecht en onderdrukking. En deze opvatting beantwoordt zoo volkomen de ontwikkeling der menschelijke samenleving, dat zij zich vastgeworteld heeft in het menschelijke geweten en dagelijks weer niéuwe kracht verkrijgt, trots de tegenwerking van hen, die tot dusver de wereld gekommandeerd hebben.

Maar gij kunt de tegenwoordige sociale inrichting niet verdedigen — tenzij met armzalige sophismen — als gij de principe van recht en moraal zoo opvat, als gij het doet, wanneer gij daarvan in abstractie spreekt. Ambrosius. Gij zijt waarachtig aanmatigend. Het schijnt, dat het u niet alleen voldoende is, het eigendomsrecht te verloochenen, maar gij beweert ook nog, dat wij onmachtig zijn, om het met onze eigen principes te verdedigen.

Georg. Ja, zoo is het juist. Als gij wilt, dan zal ik dat een volgende maal eens bewijzen.

V.

Georg. Aldus, heer staatsbeschermer, als ik mij niet bedrieg, dan waren wij het laatst bij de eigendomskwestie gebleven.

Ambrosius. Juist. En ik ben werkelijk nieuwsgierig, hoe gij in naam der gerechtigheid en der moraal, uw begrippen van roof en diefstal zult verdedigen. Een maatschappij, waarin voor niemand de verzekering van zijn eigendom gewaarborgd is, houdt op een maatschappij te zijn; het is een horde van wolven geworden, die steeds in staat zijn elkander op te vreten.

Georg. Dat is juist in de tegenwoordige maatschappij het geval. Gij beschuldigt ons ervan dat wij diefstal en roof verheerlijken, maar zijn het niet integendeel de bezitters die voortdurend de arbeiders berooven en hem de vruchten van zijn arbeid ontstelen?

Ambrosius. De bezitters maken van hun eigendom, gebruik zooals hun goeddunkt, zij hebben daartoe het recht, zoo goed als dat de arbeider het recht heeft over zijn arbeidskracht vrij te beschikken. Arbeidgever en arbeider sluiten over de prijs van den arbeid een vrij verdrag en als dit verdrag niet verbroken wordt, dan heeft geen mensch zich te beklagen. De liefdadigheid kan ingrijpen om den grooten nood en het onverdiend lijden te verzachten, maar het recht moet onaangetast blijven.

Georg. Maar wat praat ge toch van “vrij verdrag”. De arbeider is gedwongen te arbeiden wil hij niet verhongeren en zijn vrijheid gelijkt op die van den reiziger die door roovers wordt aangevallen en zijn beurs afstaat om niet zijn leven te verliezen. geen grond om iemand het recht te ontzeggen, mei zij. eigendom te doen wat hem bezielt.

Georg. Zijn eigendom! Eigendom! Maar hoe er waarom kan de landeigenaar zeggen dat de grond aar hem behoort? Hoe en waarom, met welk recht kan de kapitalist zeggen dat de gereedschappen en al de door menschelijke arbeid voortgebrachte schatten hem toe behooren?

Ambrosius. De wet geeft hem dat recht.

Georg. Aha! Als het de wet slechts is – dan kan de struikroover ook wel zeggen, dat hij het recht heeft te rooven en te stelen; hij behoeft dan slechts eenige wet-paragrafen te formuleeren die hem dat recht geven. Dat doet ook in werkelijkheid de heerschende klasse; zij hebben de wet gemaakt, om de reeds begane roof te sanctioneeren en om een zeker middel zich te verschaffen teneinde nieuwe rooverij te kunnen betrachten.

Wanneer al te “verheven principes” op de wet gebaseerd zijn, dan behoeft er morgen slechts een wet te kómen die afschaffing van het eigendom decreteert, en wat gij heden roof en diefstal noemt, is dan een “verheven principe’ geworden.

Ambrosius. Ho, ho, de wet moet rechtvaardig zijn! Zij moet jn overeenstemming zijn met de begrippen der moraal en rechtvaardigheid, en niet het uitvloeisel van willekeur, anders ….

Georg. Dus de wet heeft niet het recht geschapen, maar het recht rechtvaardigt de wet. Krachtens welk recht behooren dan de rijkdommen der aarde aan enkelen, die door dat feit over het leven en bestaan der onterfden beschikten?

Ambrosius. Dat is het recht, wat elk mensch heeft of hebben zal, het recht om vrij over het produkt van zijn werkzaamheid te beschikken.

Georg. Kijk eens aan! Gij zijt de verdediger van het recht van den arbeid geworden? Bravo! Maar wees zoo goed en zeg mij dan eens, hoe komt het dan, dat zij die arbeiden, niets bezitten, terwijl zij die bezitten geen steek uitvoeren noch uitgevoerd hebben?

Is de logische konsekwentie van uw theorie dan niet, dat al de tegenwoordige eigenaars spitsboeven zijn? Ziet gij dan niet in, dal men het volste recht heeft om hun die eigendommen afhandig te maken en te ge\en den rechtmatigen bezitter: den arbeider?

Antbrosius. Als er bezitters zijn, die niet werken, dan hebben zij toch vroeger gearbeid, zij of hun voorvaderen en hebben dan talent gehad om te sparen en het gespaarde weer in waaide te doen toenemen.

Georg. Stel u eens een arbeider voor, die nanwelijks zooveel verdient dat hij zich van het allernoodzakelijkste kan voorzien, en die dan toch spaart en rijkdommen ophoopt.

Gij weet wel, dat de ware oorsprong der rijkdommen is: geweld, roof of wettelijke en onwettelijke diefstal. Maar nemen wij eens aan, dat een mensch de producten van zijn arbeid heeft bespaard, en deze tot zijn eigen genot wil doen dienen. Daar kan men niets tegen hebben. Echter, de zaak krijgt een ander aanzien, zoodra gij begint te spreken van: “het gespaarde in meer waarde te doen toenemen”. Dat beteekent anderen te laten werken en dan hen een deel van het voortgebrachte af te stelen. Dat beteekent levensmiddelen naar zich toe te halen en ze dan voor hooger waarde te verkoopen dan dat zij er oorspronkelijk voor betaald hebben en derhalve kunstmatig de honger in ’t leven te roepen, om daar dan op te speculeeren. Dat beteekent, anderen het middel te ontnemen om naar eigen keus te arbeiden, en ze dan te dwingen om te werken voor een schamel loon, en dat beteekent nog zoovéél andere dingen die met het rechtsgevoel in strijd zijn, welke ons echter zonneklaar bewijzen, dat het eigendom, zoo het al niet van openlijken brutalen diefstal afkomt, dan toch de arbeidsvrucht van anderen is, die de kapitalisten door een of ander middel zich hebben weten toe te eigenen.

Het lijkt u rechtvaardig — stel dat het mogelijk was — als iemand zich door zijn arbeid een, klein kapitaal bespaart en dan daarmee anderen het product van zijn arbeid ontrooft? Ja zelfs, aan al zijn nakomelingen het recht nalaat om in luiheid en nietsdoen te leven ten koste der arbeiders?

Gij noemt het recht, dat — stel maar weer dat het mogelijk was — omdat enkele menschen nu spaarzaam en arbeidzaam zich kapitalen hebben opgehoopt, dat daarom de groote massa genoodzaakt is om in ellende en knechtschap te leven? Maar ik dwaalde, als ik voor een oogenblik aanneem, dat bezitters arbeiders of nakomelingen van arbeiders zijn. Wilt gij dat ik u eens iets vertel over de herkomst der vermogens van onze voornaamste landgenooten?

Ambrosius. Neen, wij moeten persoonlijke dingen buiten de zaak houden. Al zijn er nu onrechtmatig verkregen eigendommen, dan zegt dit toch nog niet dat men daarom het eigendomsrecht moet ontkennen. Wat gebeurt is, is gebeurd. Het leidt tot niets om naar vroegere fouten te zoeken.

Georg. Goed, zooals gij wilt. Voor mij is het volmaakt gelijk. Het persoonlijk eigendom moet afgeschaft worden, daar het uitbuiting en slavernij, ellende en jammer tengevolge heeft.

Maar, zeg mij nu ook eens, hoe kunt gij het privaatbezit van grond en bodem rechtvaardigen? Gij zult toch, hoop ik, niet willen beweren, dat dit het resultaat van den arbeid der grondeigenaren of hun voorvaderen is?

Ambrosius. De kwestie zit zoo: Het onbebouwde, onvruchtbare land heeft geen waarde. De mensch bebouwt het en maakt het vruchtbaar en heeft natuurlijk het recht om zich de vruchten, die door zijn arbeid zijn voortgebracht, toe te eigenen.

Georg. Zeer juist, dat is het recht wat de arbeider heeft op de vruchten van zijn arbeid. Maar dat recht houdt op, als hij ophoudt het land te bebouwen. Niet waar? Dat zult gij toe moeten geven. Welnu, hóe komt het dan dat er menschen zijn, die ontzaggelijk groote stukken grond bezitten, waarop zij of hun voorvaderen nooit een slag werk hebben verricht? Hoe komt het vervolgens, dat de woeste grond, waarop dus nooit door een sterveling gearbeid is, toch ook aan enkelen behoort? Waar is de arbeid, waar blijft hier de bebouwing van het land, waarin, volgens u, de oorsprong van het eigendom ligt? De waarheid is, dat de oorsprong van alle eigendom is het geweld. En nu kunt gij dat wel trachten goed te praten door te zeggen: recht is geweld, en bouwen daarop voort, - ik zeg dan… wee u, als gij avond of morgen de zwakste zijt.

Ambrosius. Maar gij verliest het voordeel voor het sociale leven geheel uit het oog, wat in het privaateigendom schuilt. Bedenk toch, dat bij opheffing van het persoonlijk bezit, de maatschappij in een afschuwelijke chaos zou veranderen.

Georg. (rij spreekt thans over het voordeel voor het socialen leven. Maar reeds in onze eerste besprekingen heb ik aangetoond, de ellende en kwalen die voortvloeien uit het privaat eigendom. Gij wierpt toen de kwestie van het abstracte recht op. Welnu, het is thans voor mij hoog tijd te vertrekken, maar een volgende maal zullen wij daarover spreken, als gij ’t goed vindt.

VI.

Georg. Zal ik u eens zeggen, wat er gebeurd is? Zeker iemand heeft onze gesprekken afgeluisterd en overgebracht aan een courant; deze heeft ze gepubliceerd en nu is het blad in beslag genomen.

Ambrosius. Nee, maar!

Georg. Gij weet natuurlijk van niets! Ik begrijp niet waar ge u zoo benauwd om maakt. Als gij er van verzekerd zijt, het recht en de waarheid aan uw zijde te hebben dan moest gij juist tevreden zijn, dat uw argumenten en de nietige verdediging van uw tegenstanders, openbaar gemaakt worden. Maar integendeel, nu gaat gij beslag leggen op dat blad en de menschen een muilkorf omdoen!

Ambrosius. Dat is niet mijn schuld. Ik behoor niet tot de regeering, ik ben rechter.

Georg. Ja, dat is waar! Maar ge zijt toch allen met hetzelfde sop overgoten, gij zijt toch collega’s. Als mijn gepraat u niet aanstaat, zeg het dan maar, dan ga ik ergens anders mijn praatje maken.

Ambrosius. Neen, neen, integendeel, ik verzeker u, dat uwe uiteenzettingen mij bijzonder interesseeren. Laat ons dus doorgaan; wat die inbeslagneming van dat blad aanbetreft, daarover zal ik wel een woordje met de betrokken autoriteiten spreken. Eindelijk, de bestaande wetten kunnen ons niet verhinderen onderling te discussieeren.

Georg. Vooruit, dan gaan we door. bedrieg ik mij niet, dan verdedigde gij de laatste maal het eigendomsrecht. Eerst had gij u beroepen op de bestaande wetgevig, later op het rechtsgevoel en de moraal, eindelijk op de maatschappelijke orde.

Veroorloof mij, in 't kort even te herhalen hoe ik over die dingen denk. Volgens mijn meening is het privaateigendom onzedelijk en onrechtvaardig, wijl het zijn oorsprong heeft in bruut geweld, bedrog en uitbuiting: het is schadelijk, omdat het de productie belemmert, omdat het verhindert uit de aarde zooveel te putten dat alle menschen in overvloed leven kunnen; het is daarom noodlottig en schadelijk, wijl het de ellende der massa ten gevolge heeft, de haat, de misdaad en tal van andere rampen waarmee onze samenleving geteisterd wordt. Daarom zou ik wenschen, dat het individueele eigendom afgeschaft was en dat in plaats daarvan de rijkdommen der aarde in gemeenschappelijk bezit kwamen en derhalve alle menschen in ruil voor een behoorlijken arbeid, een gelukkig bestaan zouden hebben.

Ambrosius. Maar ik begrijp werkelijk niet, hoe gij, op dit thema doorredeneerende, nog voor de bereiking van het communisme ijveren kunt. Gij hebt het eigendom bestreden, omdat het naar uw meening voortspruit uit geweld en uitbuiting van den arbeid van anderen. Gij beweerde, dat de kapitalisten de productie regelden in hun persoonlijk belang en niet in het belang der gemeenschap. Gij hebt — min of meer juist — het recht bestreden om rente te trekken van het land, waarop men met eigen handen niet gearbeid heeft. Gij hebt buitendien het recht bestreden om geld tegen rente te leenen of om voordeel te trekken door het bouwen van huizen of andere ondernemingen. Maar gij hebt erkend, dat de arbeider recht heeft op de producten van zijn eigen arbeid, ja zelfs u als de verdediger van dit recht opgeworpen.

Konsekwenterwijs kunt gij — volgens uwe ideeën — de aanspraak op het eigendom onderzoeken, de afschaffing van rente en winsten verlangen. Gij kunt de likwidatie der maatschappij vorderen en den grond en de arbeidsinstrumenten verdeelen onder hen die er gebruik van wenschen te maken. Van communisme kunt gij echter niet spreken. Met bezit van de producten van den persoonlijken arbeid moet toch altijd bestaan blijven en als gij wilt, dat uw vrijgeworden arbeider verzekerd zij van zijn bestaan zonder welke verzekering hij geen arbeid verrichten zou dan moet gij ook het persoonlijk bezit van eigendom, van grond en gereedschappen erkennen, tenminste zoolang hij het in gebruik heelt.

Georg. Volkomen juist. Ga zoo maar door: men zo waarachtig gaan gelooven, dat gij een klap van het socialisme te pakken had. Het is dan trouwens een richting die met mijn inzicht niet overeenstemt, maar ’t is toet socialisme. Een socialistische rechter, dat is een interessant luchtverschijnsel.

Ambrosius. Neen, neen, geen sprake van socialisme. Ik wilde u slechts aantoonen, dat, ofschoon gij u communist noemt, gij slechts een aanhanger zijt van het oude beginsel van verdeeling der goederen.

Gij weet toch ook wel, dat verdeeling der goederen elke groote onderneming onmogelijk zou maken en de algemeene ellende vermeerderen zou?

Georg. O zeker! Ik weet, dat de verdeeling der goederen de produktie benadeelen zou en ik weet voorts, dat die toestand niet lang zou duren en zeer zeker tot weder herstelling der groote vermogens, tot weder verarming der massa en tot eindelooze uitbuiting voeren zou.

Echter, ik ben ook geen aanhanger der verdeelingsidée, en zoover ik weet heeft deze met het moderne socialisme niets te maken.

Ik erken en verdedig het recht dat de arbeider heelt op de produkten van zijn arbeid; maar dat recht is geen formule van het abstrakte recht; de toepassing er van beteekent, dat er geen uitbuiters meer zullen zijn, dat allen zuilen arbeiden en genieten van de opbrengst, zooals bij onderling overleg zal worden besloten. De arbeider is geen geisoleerd wezen in de wereld, hij leeft niet slechts voor zich zelf, maar hij zoekt de gezelligheid en zal steeds met zijn medearbeiders in overleg moeten treden, omtrent verwisseling of ruiling van produkten enz. Het is overigens onmogelijk om bij de tegenwoordige produktiewijze, juist te bepalen, welk aandeel elk arbeider aan het gemaakte produkt heelt. Het is ook onmogelijk om vast te stellen de produktieve kracht van elk arbeider of arbeidersgroep: voorts is het niet mogelijk om met juistheid vast te stellen het onderscheid in de vruchtbaarheid des bodems, de kwaliteit der gereedschappen, zoo min als de voor- of tegenspoed, die uit de situatie of het milieu voortkomen, met juistheid kan berekend worden.

De oplossing kan dus niet in de vaststelling van het strikte recht van een elk gevonden worden; men moet haar zoeken in de broederlijke overeenkomst, in de solidariteit.

Ambrosius. Maar dan zal er geen sprake van vrijheid zijn!

Georg. Integendeel, dan juist en ook slechts dan, zal de vrijheid bestaan. Gij, die u liberalen noemt, gij noemt vrijheid dat theoretische, abstracte recht om iets te kunnen doen en gij had den treurigen moed om zonder lachen of blozen te zeggen dat de mensch, die van honger 6terft, toch de vrijheid had om te eten.

Wij daarentegen noemen vrijheid de mogelijkheid, om iets te kunnen doen, en deze vrijheid, welke de eenige ware is, zal grooter worden, naarmate de mensch leert om in samenwerking en in wederzijdsch dienstbetoon te leven.

Ambrosius. Gij zeide, dat wanneer men de goederen der aarde verdeelde, men spoedig weer op het oude punt terecht zou komen. Waarom dat?

Georg. Omdat het onmogelijk is om in volle gelijkheid te deelen. Het land is zeer verschillend. Het eene stuk levert veel op met weinig moeite, het ander brengt weinig op met veel moeite. De gebouwen bieden voor- en nadeelen van allerlei aard, het onderscheid in fisieke en moreele kracht tusschen de menschen is niet minder belangrijk.

Het tijdstip der verdeeling was het signaal voor oen opstand en den strijd. De beste werktuigen en liet beste land zou de sterkste ten deel vallen of de intelligenste en listigste. De beste produktiemiddelen zouden zich in handen der meest begaafde menschen bevinden. Deze zouden zich onmiddellijk in een veel betere positie bevinden dan de anderen. Deze bevoorrechten zouden hun macht hij den dag zien toenemen en zouden een nieuw uitbuiting- en onteigeningsproces voltrekken, dat weer voeren moest tot wederoprichting der burgerlijke maatschappij.

Ambrosius. Maar dat kon men voorkomen door middel van goede wetten, die het persoonlijk bezit voor onvervreemdbaar verklaarden en die de zwakken beschermden.

Georg. O wee! Gelooft gij dan dat die wetten bij allen helpen kunnen? Gij zijt niet voor niemendal rechter. De wetten worden gemaakt en veranderd naar den «ril van den sterkste. Zij, die een weinig sterker zijn dan het gemiddelde, zij ontduiken de wetten; zij die veel sterker zijn maken doodgewoon anderen, die meer hun belangen dienen.

Ambrosius. En dus?

Georg. En dus — ik heb het u reeds gezegd — moet in plaats . van strijd tusschen de menschen de onderlinge hulp en solidariteit treden, om dit te bereiken is het voor alles noodig dat individueel eigendom wordt afgeschaft.

Ambrosius. Dus, in ernst, gij zijt kommunist? Alles behoort aan allen, wie wil, die arbeidt en die niet wil doet wat hem bevalt: eten, drinken, zich amuseeren! Wat een luilekkerland! Wat een heerlijk leventje! Wat een gekkenhuis! Ha, ha, ha!

Georg. Als ik denk aan het treurige figuur, wat gij maaktet, toen gij, de op geweld gebaseerde maatschappij trachtte te verdedigen, dan komt het mij voor, dat gij volstrekt geen reden hebt om te lachen! Ja, mijnheer, ik ben communist; maar gij schijnt u een vermakelijke voorstelling van het communisme te maken. De volgende maal zal ik trachten om het u begrijpelijk te maken. Voor vandaag gegroet!

VII.

Ambrosius. Dus gij zult ons uw communisme verklaren? (i e o r g. Heel gaarne. Het communisme is eenn vorm van sociale organisatie, waarbij, inplaats van dat de menschen elkander uitbuiten en wederzijds onderdrukken, de menschen met elkander zullen werken en genieten. Uitgaande van de grondstelling, dat de aarde, met alles wat daar op en in, aan alle generatiën zal toebehoren, zullen de menschen in de communistische maatschappij door gemeenschappelijken arbeid voortbrengen wat voor aller behoeften noodig is.

Ambrosius. Ja, ik snap 't. Gij wilt. zooals ik in een blad gelezen heb, hetwelk ik bij een anarchistenproces onder de oogen kreeg, dat ieder voortbrengt naar zijn krachten en gebruikt naar zijn behoeften: of anders gezegd, dat ieder geeft wat hij kan en neemt wat hij noodig heeft.

Is ’t niet zoo?

Georg. Inderdaad, dat is de grondstelling, die wij gewoon zijn dikwijls te herhalen. Maar het eischt een grondig nadenken bij alle dingen, wil men zich een juiste voorstelling maken van een communistische maatschappi: zooals wij die opvatten.

Het gaat daarbij niet om het absolute recht van een elk, om al zijn behoeften te bevredigen, daar de behoeften zonder eind zijn, en de bevrediging begrensd wordt door de mogelijkheid der producten. Het zou noch nuttig, noch rechtvaardig zijn, als de gemeenschap arbeid op zich laadde, om buitengewone behoeften te bevredigen, of heter gezegd, om aan de grillen van enkelen te voldoen. Het gaat niet daarom, om alle individueele krachten geheel en al voor de productie aan te wenden, daar dat, letterlijk genomen, beduiden zou, zich dood te moeten werken of dat, om de behoeften der menschen tot in het uiterste te bevredigen, de mensch zich tot schande werken moet. Wij willen dat met de geringst mogelijke inspanning, de hoogst mogelijke mate van bevrediging bereikt wordt. Ik kan u geen practisch voorbeeld geven, waarin zulk een stand van zaken juist wordt gekenschetst, en ik geloof ook niet dat het heden ten dage mogelijk is. Maar als eerst maar de tegenwoordige broodheeren verdwenen zijn en de menschen elkander als broeders zullen beschouwen; elkander zullen ondersteunen in plaats van uitzuigen, dan zal het praktische voorbeeld spoedig gevonden vonden. In elk geval men zal naar beste weten kunnen handelen.

Ambrosius. Ik begrijp het. Elk produceert naar eigen goedvinden en brengt het geproduceerde in hel gemeenschappelijke magazijn, waaruit hij weer haalt datgene wat hij noodig heeft of wat hem bevalt. Niet waar?

Georg. Ik merk dat gij u de moeite getroost hebt om de vraag een beetje te bestudeeren en neem aan dat gij de akten der tegen ons verhandelde processen opmerkzamer hebt doorgelezen dan dat gewoonlijk geschiedt, als het er slechts om te doen is om ons in de gevangenis te brengen. Het zou niet ondienstig zijn als alle rechters eens besloten om die vraag wat te bestudeeren.

Maar terzake. Hetgeen gij zoo juist opmerkte is een formule welke wij aannemen, om de strekking van ons bedoelen te kennen te geven, maar deze uitdrukking bedoelt volstrekt niet om een vast omlijnde vorm aan onze sociale organisatie te geven.

Gij zult onder onze kameraden vinden, die deze formule woordelijk nemen; zij gaan uit van de veronderstelling, dat bij vrij willigen arbeid de produkten in groote mate opgestapeld en vermenigvuldigd zullen worden, zoodat liet gaar niet noodig is om een regeling voor consumptie of productie vast te stellen.

Maar ik voor mij denk er zoo niet over; ik geloof, zooals ik gezegd heb, dat de mensch altijd meer behoeften hebben zal, als middelen om ze te bevredigen, wat mij verheugt, wijl het een voorwaarts stuwende factor is; ik geloof ook, dat het een onnutte krachtverbruiking was als men maar in ’t wilde weg ging produceeren; stel, dat het kon, om aan alle mogelijke behoeften te kunnen voldoen, inplaats van de meest noodzakelijke behoeften vast te stellen en daarmee zich te organiseeren om datgene met de minst mogelijke moeite voort te brengen. Aldus, de oplossing der kwestie zit in de samenwerking, in de stilzwijgende of rijp-overlegde overeenkomst, dingen, waartoe de menschen komen zullen, als zij onder gelijke voorwaarden leven en bezield zijn met den geest der solidariteit.

Tracht in den geest van ons program door te dringen, en breek vooral niet te veel het hoofd met formules, die bij ons, zooals bij elke andere partij, slechts korte saamgevatte treffende, maar vage en onzekere uitlegging van ons streven bedoelen.

Ambrosius. Maar merkt gij dan niet, dat het communisme eigenlijk de volkomen onderdrukking der individueele vrijheid is? Misschien had het communisme kunnen bestaan, toen de mensch nog in primitieven toestand leefde, geestelijk en zedelijk zeer laag stond en dus alleen maar zijn honger behoefde te stillen. Wellicht was het ook mogelijk in een samenleving* bestaande uil monniken, waar de tempering der menschelijke hartstochten een voldongen feit is en gehoorzaamheid als eerste plicht geldt. Maar in de moderne maatschappij, in de door het persoonlijk initiatief vergevorderde beschaving, waarin elk wezen is doordrongen met het gevoel van vrijheid en onafhankelijkheid, daar is het communisme, zoo het geen droom was, een terugkeer tot de barbaarschheid. De persoonlijke werkzaamheid, de wedijver in het op den voorgrond brengen van geest en wilskracht, zou worden verlamd en vermoord.

Georg. Enzoovoort.

Gebruik uwe welsprekendheid toch niet ten onnutte. Het is het bekende mengelmoes van frazen en leugens. De vrijheid, de persoonlijke wil om van honger te krepeeren. Welk een gruwzame ironie, wat een huichelarij!

Gij verdedigt een maatschappij, waarin de meerderheid der menschen onder de meest onmenschelijke voorwaarden leeft, een maatschappij waarin de arbeiders van honger langzaam wegteeren, waar de kinderen bij duizenden sterven uit gebrek aan verzorging, waar de vrouwen voor een stuk brood hun lichaam verkoopen; een maatschappij waarin de onwetendheid den geest vermoordt en waar zelfs de geleerde zijn kennis versjacheren moet om in ’t leven te blijven - gij durft van vrijheid en persoonlijke wil te spreken?

Misschien bestaat de vrijheid en de mogelijkheid om zijn eigen persoonlijkheid te ontplooien voor u en voor een klein hoopje bevoorrechten; maar ook die bevoorrechting is het resultaat van den strijd, die aanhoudend tusschen de menschen gestreden wordt en die gansch het sociale leven verwoest en zelfs de bevoorrechten van thans zullen er bij winnen als zij leven in een solidaire maatschappij, als vrije onder vrijen, als gelijke onder gelijke menschen.

Waar blijven voorts uw bewijzen voor de veronderstelling dat in een communistische maatschappij de vrijheid en d< uiting der persoonlijke wil zal worden gesmoord? Als wij eens over de familie gingen spreken straks zullen wij het er over hebben — dan zult gij weer het loflied zingen over deze instelling en een hymne aanheffen over die grondslag van het zedelijk leven, enz enz. Welnu, onder de leden der familie — tenminste die men veel verheerlijkt doch in de werkelijkheid weinig bestaan heerschen liefde en solidariteit. Zoudt gij nu denken dat de broeders en zusters, welke thans in gemeenschappelijk overleg en voor elkanders voordeel leven en werken, beter hun persoonlijke wil konden ontvouwen en vrijer zouden zijn, als zij elkander gingen bestelen, haten en bevechten?

Ambrosius. Maar om een maatschappij in te richten gelijk een familie, om een communistische maatschappij te organiseeren en in stand te houden, daarvoor is ontegen- zeggelijk noodig een centralisatie tot in het oneindige, een ijzer despotisme, een almachtige staat. Bedenk toch over welke ontzaglijke dwang- en geweldmiddelen zoo’n regeering zou moeten beschikken om alle rijkdommen steeds te verdeden, om elk zijn arbeid voor te* schrijven, enz.

Georg. Zeer zeker, als dat ons communisme was, in die autoritaire vorm, dat zou stellig uitloopen op een zeer gecompliceerde tyrannie, waarop een vreeselijke reaktie zou volgen. Echter, in het communisme dat wij willen is geen sprake van dit alles. Wij willen het vrije, het anarchistische communisme. Dat communisme is de vrije groepeering der individuen, welke groepen zich tot federaties vormen die al meer uitgebreid zullen worden, tot zij eindelijk de geheele menschheid zal hebben vereenigd door den band der solidariteit. En als dit communisme door vrijheid is geschapen, dan zal het ook door vrijheid blijven bestaan.

Ambrosius. Maar dan moesten alle menschen engelen zijn; het altruïsme moest bij ieder den boventoon voeren. Terwijl van nature de mensch juist egoïstisch, slecht en traag is.

Georg. De mensch zal, gedreven door de zucht naar gezelligheid en door goed begrepen eigenbelang, inplaats van zijn evenmensch te bekampen hem helpen en steunen; wel verreweg van onmogelijk te zijn ziet men dit thans al als normaal en algemeen verschijnsel, den drang naar wederzijds hulpbetoon.

In de tegenwoordige sociale organisatie ziet men een permanenten strijd, een voortdurend konflict tusschen de klassen en tusschen de individuen, en als trots dit, de mensheid nog niet geheel ontaard is in een horde verscheurende dieren, dan komt zulks, door het menselijke instinkt dat duizende daden van opoffering, solidairiteit, en sympathie voortbrengt. Dat is het wat de maatschappij staande houdt, niettegenstaande de rottende elementen, die zij in haar schoot draagt. De mensch is gelijktijdig egoïst en altruïst. Als hij in de primitieve tijd geen egoïst was geweest en de zucht tot zelfbehoud niet in hem had gewoond, dan zou hij zijn bestaan prijs hebben moeten geven; als hij geen altruïst was geweest en de drang tot opoffering en hulpbetoon niet in hem was geweest, die het meest in de liefde voor de nakomelingschap tot uitdruk komt, dan was van het nageslacht niets terecht gekomen. Als vader of moeder is de mensch steeds opofferend en liefde betoonend geweest. In de tegenwoordige maatschappij is het niet mogelijk om het egoïsme, noch om het altruïsme te bevredigen, vandaar dan ook dat geen mensch zich bevredigd gevoelt, ook niet al verkeert hij in een bevoorrechte positie.

Daarentegen is het communisme een vorm van samenleving, waarin egoïsme en altruïsme zullen vereenigd worden en waar derhalve om het persoonlijk geluk zoowel als om het geluk van anderen zal worden gedacht.

Ambrosius. Ik zou mij daarmee best kunnen vereenigen, maar gelooft gij dan dat elk gewillig en zonder tegenstribbelen de plicht zal volbrengen die de communistische maatschappij hem oplegt? Als er bijv. zijn die niet willen arbeiden? Ja, in uw verbeelding weet gij alles mooi te ordenen en te regelen, net zooals het u belieft, en gij kunt mij vertellen dat arbeid een behoefte en een genot is, waarvan elk mensch zich zooveel mogelijk zal trachten te verschaffen, maar …

George. Ja, bij mij staat vast dat arbeid een noodwendige behoefte is voor geest en lichaam, en daarom een genot. Ik weet wel dat er werkzaamheden zijn die nu juist niet zoo aangenaam zijn; zoo bijv. kool planten en kalk dragen is niet zoo aardig als het maken van een wandeling. Maar ik geloof, dat men dezen arbeid toch zal verrichten, als men weet dat dezelve noodwendig is.

Daar de arbeidsproducten noodig zijn om in de menschelijke behoeften te voorzien en men een ander niet dwingen kan om het werk te verrichten, zoo zal men de noodzakelijkheid van den arbeid moeten erkennen en een vorm van samenwerking zoeken waarin die arbeid het aangenaamst en het vruchtbaarst is. Dij moet bedenken dat, buitendien, in het communisme, het den arbeiders zelf zijn die den arbeid organiseeren en dat zij du» zelf er het grootste belang bij hebben als die organisatie doelmatig en aangenaam is. Bedenk voorts, dat in een dusdanige samenleving de lediggang aan de algemeene verachting zal worden prijs gegeven en gij gevoelt zelf wel, dat, zoo er luiaards mochten zijn, dit te beklagen was, maar dat het toch een onbeduidend aantal zou zijn, die dus geen noemenswaardige invloed uit zullen oefenen op den gang van zaken.

Ambrosius. Maar neem nu eens aan, uw optimistische vooropstellingen loopen mis en dat er dus eens heel veel luiaards zouden zijn. Wat zoudt gij dan doen. Zoudt gij ze toch onderhouden? Maar dan deedt gij hetzelfde met hen, wat gij, volgens uw opvatting, thans met de bourgeoisie doet!

Georg. Neen, dat zou toch verschillen, ja zelfs, het verschil zou zeer groot zijn. Immers, de tegenwoordige bourgeoisie berooft ons niet alleen van hetgeen wij produceeren, maar verhindert ons ook nog om te produceeren wat wij willen en zóó wij willen.

Ik beweer echter niet, dat wij de luiaards zouden voeden en kleeden als zij zoo talrijk waren dat ze ons zouden schaden, en temeer niet als zij hel in hun hoofd gingen halen om ook nog te kommandeeren. Het communisme is een vrij verdrag; hij die het niet accepteert, of wel accepteert maar verbreekt, heeft geen aandeel meer. Ambrosius. Dus dan zou er een nieuwe klasse van onterfden zijn.

Georg. Volstrekt niet. Ieder mensch heeft recht op een deel van den grond, een deel van de gereedschappen en van wat meer de beschaving en de natuur ons geeft te genieten. Als iemand, om de voorwaarden welke er aan gesteld worden, het communisme niet accepteeren wil, dan is dit zijn zaak. Hij zal dan, met behulp van anderen misschien, een vorm van samenwerking zoeken die hem beter toelijkt, gaat dit dan met goed, dan zal hij wellicht tot de erkenning komen dat het communisme de aangewezen vorm van organisatie is.

Ambrosius. Het staat dus een elk vrij om het communisme te accepteeren?

Georg. Zeker, en hij heeft toch op de natuurlijke rijkdommen en op de voortbrengselen van vroegere geslachten, hetzelfde recht als de communisten. Maar verduiveld, heb ik niet geregeld gesproken over vrij communisme en vrij verdrag! Hoe kan er van vrijheid sprake zijn, als het alternatief, het verschil in keuze en wil niet bestaat?

Ambrosius. Gij wilt dus uw ideeën niet met geweld doorvoeren?

Georg. Gij maakt gekheid! Gij ziet ons toch met voor politie of soldaten aan?

Ambrosius. Dan is ’t goed. Dan zie ik er niets slims in. Een elk heeft het recht zijn droomerijen na te jagen, zoo het hem belieft.

Georg. Ja, maar denkt er aan dat gij u niet bedriegt: er is een groot onderscheid tusschen het doorvoeren van ideeën en het zich verdedigen tegen spitsboeven en brutaal geweld en het veroveren van menschenrechten.

Ambrosius. Aha! dus om rechten te veroveren gebruikt gij wel geweld?

Georg. Daarop geef ik u geen antwoord, want dat zou u wel eens aanleiding tot een proces kunnen geven.

Ik wil echter toch even zeggen, dat als het volk zijn rechten begint te erkennen en te vorderen — het er voor u zoo heel mooi niet uitziet. Maar dat hangt geheel af van den tegenstand dien gij biedt. Als gij vrijwillig toegeeft, dan zal alles vreedzaam verloopen. Zijt gij daarentegen hardnekkig — en ik vrees er voor dat gij het zijn zult — des te slimmer dan voor u.

Goeden avond!

VIII.

Ambrosius. Waarde vriend, hoe meer ik over uw communisme nadenk, hoe meer ik tot de conclusie kom dat ge toch een rare snaak zijt.

Georg. Waarom?

Ambrosius. Wel, ge spreekt aanhoudend over “arbeid“, “genot”, “overeenstemming” en “eendracht”, maar met geen enkel woord gewaagt gij van een autoriteit of regeering. Wie zal dan toch het sociale leven regelen? Wie zal regeeren? Hoe zal de regeering ingericht zijn? Hoe zal ze gekozen worden? Wat zijn de middelen waarmee gij de wetten doet gehoorzamen en de overtreder bestraft? Hoe zal de wetgevende en gerechtelijke macht saamgesteld zijn?

Georg. Wij hebben geheel geen machten noodig. Wij willen geen regeering.

Ambrosius. Heb ik niet gezegd dat ge een komische snaak waart? Ik geef toe dat het communisme groote voor- deelen zal geven in een goed georganiseerde Staat onder een wijze regeering, die over de noodige macht beschikt om elk eerbied en achting voor de wet op te dringen. Maar zonder regeering, zonder wetten! Dat zou een chaos, een bespottelijke wirwar worden.

Georg. Dat heb ik wel aan zien komen. Gij waart eerst tegen het communisme, omdat daarvoor, zoo gij zeidet, een ijzeren centralisatie noodig was; thans, nu gij hoort spreken van een communisme zonder regeering, nu zilt ge bereid om het communisme te accepteeren, mits er een goede regeering is. In den grond der zaak is het dus de vrijheid, waar gij het meest van terugschrikt.

Ambrosius. Gij wilt daarmee zeggen dat men zich, om den eenen klip te vermijden, op een anderen moet werpen. Dit is zeker, een maatschappij zonder regeering is niet mogelijk. Hoe zal alles zijn voortgang hebben, zonder regeling, zonder richtsnoer. Het zou spoedig blijken, dat de een naar links, de ander naar rechts zou trekken, dat dus het schip niet van zijn plaats komen zal maar veel eerder zou zinken.

Georg. Maar ik heb u niet gezegd dat ik noch regeling, noch een richtsnoer wil; ik heb u gezegd dat ik geen regeering wil, en onder regeering versta ik een macht die wetten maakt en ons allen opdringt.

Ambrosius. Maar als de regeering nu door het volk gekozen wordt, dan representeert zij den wil van het volk, en waarover wilt gij u dan beklagen?

Georg. Dat is een leugen! Een werkelijken, abstrakte volkswil is een onbereikbaar ideaal. Het volk is uit menschen samengesteld en die menschen hebben duizenden verschillende willen en neigingen, voorts, een grooteverscheidenheid van temparement en om nu van de tooverkracht der stembus te verlangen, dat die wil en die neigingen een worden, is reine onzin. Het is ónmogelijk, dat de eene mensch tot den andere kan zeggen: “volbreng mijn wil in alle kwesties en omstandigheden, welke zich in een gegeven tijd zullen voordoen”, wijl de mensch zelf niet vooruit weten kan, wat zijn wil bij alle voorkomende gelegenheden zijn zal. Hoe kan dus een volk iemand met de uitvoering van zijn wil belasten, daar zelfs bij de afvaardiging al geen eenstemmigheid bestaat?

Denk eens een oogenblik ernstig over deze zaak na en laten wij aannemen dat alle menschen bewust en onafhankelijk waren en dat de stemming geheel vrij en weloverlegd geschiedde. Dan zoudt gij bijv. op hem uw stem uitbrengen, dien gij het meest bekwaam achtte om uw belangen te behartigen en uw ideeën uit te voeren. Dat is al een kolossalen opdracht, dien gij dien man geven zoudt, want uw belangen zijn zoo veelvuldig, en uw ideeën zoo verscheiden, dat het niet mogelijk is om iemand te vinden, die altijd zoo denkt, als gij. Maar is dengene, waarop gij stemt wel de persoon die u regeert? Volstrekt niet. Het zou kunnen zijn dat uw candidaat niet verkozen werd en dan zou uw wil geen aandeel hebben in de zoogenaamde volkswil. Maar laten wij aannemen dat hij verkozen wordt — is hij dan de regeering? Geen denken aan! Hij zou een onder de velen zijn, en. in werkelijkheid zoudt gij geregeerd worden door een meerderheid van personen, welke gij nooit een mandaat gegeven had. En deze meerderheid (welks leden o zooveel aan elkander verschillende mandaten hebben) deze meerderheid zal, daar het onmogelijk is om de geheele wereld tevreden te stellen, zoo handelen als hun zelf goeddunkt. Het is dus maar beter om deze verouderde voorstelling, van een regeering die de volkswil ten uitvoer brengt, van ons af te zetten. Zeker, daar zijn vraagstukken, waarover het volk eenstemmig denkt op een gegeven moment. Maar waarvoor dan een regeering? Als allen het er over eens zijn om een of ander te verrichten — dan zal men het zelf wel ten uit voer brengen.

Ambrosius. Dus gij geeft toe dat regeling noodwendig is. Wie zal die nu vaststellen?

Georg. De belanghebbenden zelf.

Ambrosius. En hoe zal men voor de regeling het noodige respect verkrijgen?

Georg. De regeling is vrijwillig aangenomen en zal vrijwillig worden opgevolgd. Gij moet de regeling, waarvan ik spreek, en die een doeltreffende, op het solidariteitsgevoel gebaseerde overeenkomst is, niet verwarren met de wet welke door eenigen gemaakt wordt en de massa met geweld wordt opgedrongen. Wij willen geen wetten, maar onderlinge overeenkomst.

Ambrosius. En als iemand die overeenkomst verbreekt?

Georg. Maar wie zal een overeenkomst verbreken, waar hij zelf het nut van inziet? Mochten overigens zulke “verbrekingen” zich voordoen, dan bewijst zulks dat de regeling niet allen bevredigd en zal men zoeken naar de middelen om haar te veranderen. Want aller belang is het feitelijk om er naar te zoeken, dat elk bevredigd wordt.

Ambrosius. Dus gij droomt van een primitieve maatschappij, waarin een elk doet wat hij noodig oordeelt, en waar de betrekkingen der menschen tot elkander zeer bepérkt en vereenvoudigd zijn.

Georg. Maar volstrekt niet. Op hetzelfde oogenblik waarop men ziet, dat veelvuldigheid en uitgebreidheid der betrekkingen grootere materieele en geestelijke bevrediging verschaft, zal men zoeken de betrekkingen zoo talrijk en uitgebreid mogelijk te maken.

Ambrosius. Maar dan zal er toch behoefte zijn aan afgevaardigden of zaakgelastigden, welken de opdracht krijgen om die onderlinge betrekkingen aan te knoopen.

Georg. Zeker. Maar denk niet dat zulks gelijk staat met het benoemen van een regeering. De regeering maakt de wetten en voert ze in, terwijl in een vrije maatschappij de gedelegeerden of afgevaardigden voor een bepaalden tijd opgedragen zijn om een zaak ten uitvoer te brengen volgens een omschreven plan, en in dus van hun kant autoritair optreden uitgesloten, daar zij ui hun doen en laten gekontroleerd worden.

Ambrosius. Maar stellen wij nu eens, dat net allen het altijd met elkander eens zijn. Wanneer er nu lieden zijn. welke uw sociale orde niet aanstaat, wat zult gij dan doen?

Georg. Deze menschen zijn vrij om de zaken zoo in te richten, dat het hun naar genoegen is en wij zullen er naar streven elkander niet te benadeelen.

Ambrosius. Maar als die anderen u toch zoeken te benadeelen.

Georg. Dan zullen wij ons verdedigen.

Ambrosius. Ha, maar ziet ge dan niet in, dat uit zulk een. verdediging een nieuwe regeering ontstaan kan?

Georg. Zeker zie ik dat in en juist daarom heb ik u herhaaldelijk gezegd, dat anarchie slechts mogelijk zijn zal, als de hoofdoorzaak van het conflict verdwenen is; als elk zijn eigenbelang goed begrijpt; als de geest der solidariteit zich onder de menschen zal hebben uitgebreid. En daarom ben ik anarchist en bovendien communist. Als gij heden de anarchie ging vestigen en daarbij het privaat eigendom met al zijn noodlottige gevolgen onaangeroerd liet, dan zou onmiddellijk een burgeroorlog uitbreken en wel een zoo verschrikkelijke, dat zelfs de meest tyrannieke regeering daarbij vergeleken een weldaad zou zijn. Als gij echter terzelfder tijd het individueele eigendom gingt afschaffen, dan zouden de nog overblijvende geschillen spoedig verholpen worden. Men zou spoedig tot een algemeene eenheid komen omdat dezelve in aller belang is. Overigens spreekt het vanzelf, dat de inrichting der gemeenschap een afspiegeling zal zijn van de menschen die haar gevormd hebben en dat juist de anarchie, het rijk der vrije gemeenschap, niet bestaan zal, zoolang het solidariteitsbegrip nog niet voldoende is doorgedrongen. Maar daarvoor is onze propaganda.

IX.

Ambrosius. Ik wil toch weer eens op uw anarchistisch communisme terug komen. Eerlijk gezegd, het wil er bij mij niet in.

Georg. Och, dat geloof ik gaarne. Wanneer gij uw geheele leven tusschen de wetboeken en paperassen hebt doorgebracht, die moeten dienen tot verdediging van het recht van den staat en der bezittenden, dan moet een samenleving zonder staat en bezittenden en waarin dus geen arme verdommeling of oproermaker naar het tuchthuis valt te sturen, u als een bovennatuurlijke zaak toeschijnen. Maar als gij de kracht hebt, om u eens van dien sleur en gewoonte los te maken en over de zaak onbevooroordeeld na te denken, dan zult gij spoedig begrijpen, dat het anarchistisch communisme de oplossing der kwestie in zich sluit Tenminste, als gij de meening toegedaan zijt, dat het doel eener samenleving moet zijn, het welzijn van allen te verwezenlijken. Wanneer gij daarentegen denkt dat de maatschappij ten doel heeft enkelen — groote wereld menschen — vet te mesten tenkoste van allen, dan …

Ambrosius. Neen, neen, ik geef toe dat een samenleving zich ten doel moet stellen, het geluk van allen te bevorderen, maar ik kan voor dat doel uw systeem niet accepteeren. Ik heb mijn mogelijke best gedaan de zaak van uw standpunt te bezien, de discussies hebben mij zeer geïnteresseerd en ik heb getracht mij zoo’n duidelijk mogelijke voorstelling te maken van hetgeen gij bedoelt. Maar uw gevolgtrekkingen zijn zoo utopistisch, zoo… Georg. Nu, kort en bondig, wat zijn in de beschouwingen en uiteenzettingen, die ik gegeven heb, de punten welke gij voor onaanneembaar en onmogelijk houdt?

Ambrosius. Ja — ik weet zelf niet — dat heele systeem… Laten wij de rechtskwestie maar ter zijde laten, want daarover worden wij het toch niet eens. Laat ons aannemen dat elk mensch het recht heeft op een gelijkmatig deel der voorhanden zijnde rijkdommen, dan, zeker, zou het communisme de eenvoudigste en wellicht ook de beste sociale organisatie zijn. Maar wat mij absoluut onmogelijk schijnt, dat is een maatschappij zonder regeering.

Gij bouwt een heele samenleving op de vrije wil der menschen…

Georg. Juist.

Ambrosius. En dat is juist uw dwaalbegrip. Maatschappij beteekent orde, rangschikking, discipline, onderwerping van het individu aan de gemeenschap. Zonder autoriteit is geen maatschappij bestaanbaar.

Georg. Juist het tegendeel is waar. Een samenleving, die dezen naam verdient, moet bestaan uit gelijken, en als gelijken moeten de menschen zich onderling verstaan en wederzijdsch behandelen, daar zullen zij genoegen en voordeel van hebben; geen genoegen en vrede zal men vinden als de een zich aan den ander moet onderwerpen.

Uw orde en onderwerping, zonder welke gij geen maatschappij bestaanbaar acht, zijn slechts betrekkingen tusschen slaven en meesters, en billijkheidshalve zult gij toch toe moeten geven dat de slaaf niet de vriend of de kameraad van den meester is, evenmin als een huisdier aan tafel bij de menschen eet en dus in dien zin de vriend of kameraad van den mensch is te noemen, waarvan het behoort.

Ambrosius. Gij gelooft dus in ernst dat een maatschappij mogelijk is waarin elk doet wat hij wil?

Georg. Onder die voorwaarden, wel te verstaan, dat de menschen genoegen nemen met een zoodanige maatschappij en derhalve de voorwaarden van het sociale leven zich aanpassen.

Ambrosius. Maar als zij nu niet willen?

Georg. Dan zullen zij geen samenleving hebben. Maar daar de mensch, tenminste de beschaafde mensch, slechts de voldoening van zijn geestelijke en stoffelijke behoeften kan vinden in een samenleving, dan is het toch moeilijk te veronderstellen, dat hij weigeren zal wat voor hem oeh levensvoorwaarde is. De menschen zullen zich gemakkelijk met elkander verstaan als het geldt een zaak ten uitvoer te brengen die in aller belang is.

Dit spreekt van zelf: niets is mogelijk zonder den wil der menschen en onze taak is deze wil te beschaven door de menschen begrijpelijk te maken, dat, als zij elkander bekampen en dwarsboomen, zij zelf daaronder zullen lijden, en voorts ze overtuigen van de noodwendigheid eener samenleving, welke gegrondvest is op wederzijds dienstbetoon en solidariteit.

Ambrosius. Om dus uw anarchistisch communisme in te kunnen voeren, zoudt gij zoolang moeten wachten tot alle menschen er van overtuigd zijn en den wil hebben om het in te voeren?

Georg. O neen! Dan konden wij lang wachten. De wil is van het grootste deel der omgeving afhankelijk en het is best mogelijk, dat zoolang de tegenwoordige maatschappelijke verhoudingen bestaan, de meerderheid der menschen doorgaat met te gelooven, dat de maatschappij niet anders georganiseerd kan worden als dat zij is.

Ambrosius. Alzoo?

Georg. Alzoo zullen wij onder ons zelf het communisme en de anarchie vestigen, wanneer wij in een voldoend aantal zijn om het te kunnen doen, overtuigd zijnde dat de anderen bij het zien van onzen welvaart, zich bij ons aan zullen sluiten. Of, wij zullen onzen invloed doen gelden op den geest en op den wil van het volk; verandering brengen in de sociale verhoudingen, als het ons niet mogelijk is om het communisme of de anarchie in te voeren.

Gij begrijpt mij zeker goed? Wij willen onzen invloed doen gelden op de omgeving. Wij doen en zullen doen wat wij kunnen om den weg te banen naar ons ideaal.

Versta dus goed: wij willen niemand onzen wil opdringen, evenmin als wij willen, dat een ander ons zijn wil opdringt. Wij revolteeren tegen de minderheid die het volk uitbuit en onderdrukt. Wanneer wij eerst de vrijheid voor ons en voor ons allen verkregen hebben, dan zal de rest gedaan worden door de macht van het woord en van het voorbeeld, om onze ideeën door te voeren.

Ambrosius. Dat is zeer goed; en gij gelooft zoo een maatschappij te verkrijgen, die zich regelt alleen door het gemeenschapsgevoel van haar leden? Dat is nog nooit vertoond.

Georg. Niet geheel zooals gij het u voorstelt, In werkelijkheid zijn zulke gevallen steeds voorgekomen, alleen de slaven, de geknechten en onderdrukten hebben er geen aandeel aan gehad. In despotische staten, waar alle bewoners als soldaten behandeld worden, heeft niemand een wil buiten den heerscher; maar naarmate de anderen zich emancipeeren — hetzij door deel te nemen aan de regeering-, hetzij door het bezit van goederen - zal de maatschappij zich organiseeren naar den wil van hen. Hel geheele apparaat der wetgeving, de heele regeering met haar soldaten, politiemannen en rechters dient slechts om de slaven in bedwang te houden en de uitbuiting te beschermen. Overigens kunnen zij onder elkander de zaken best klaar spelen, en loopen zij de staat voorbij.

Hef op de klasse-heerschappij, zorg dat er geen slaven meer zijn en oogenblikkelijk heeft de staat zijn recht van bestaan verloren.

Bovendien: Reeds thans wordt zeer veel in het sociale leven tot stand gebracht, zoowel in de heerschende klasse als in de klasse der onderdrukten, door vrije wil, uit sympathie, uit eergevoel enz. De wetgeving is slechts noodig in de betrekkingen tusschen slaven en meesters. Onder gelijke menschen roept men zelden om de hulp van een gendarm.

Ambrosius. Gij overdrijft weer. De staat verricht toch veel dingen, die ons alle ten nutte zijn, hij geelt onderwijs, waakt over de gezondheid des volks, verdedigt het leven der burgers, regelt de openbare aangelegenheden — gij zult toch, hoop ik, niet willen beweren dat dit schadelijke of overbodige dingen zijn!

Georg. Ach, men heeft waarlijk geen onrecht om dat te zeggen, als men denkt aan de wijze waarop de staat deze dingen ten uitvoer brengt.

Zooveel is zeker, dat den arbeider gewoonlijk dengene is die al deze dingen verricht en de staat, die zich als regelaar opwerpt, doet niets, als die menschen tevens tot werktuigen ter bescherming der overheersching te maken.

Het onderwijs breidt zich uit, als het volk het verlangen naar onderwijs te kennen geeft; de gezondbeiddienst zal iets uitwerken, als het volk in de gelegenheid is om de voorschriften der hygiène op te volgen. En zoo kan men doorgaan; de staat kan niets doen zonder den wil van het volk, het volk kan alles doen zonder den wil van den staat.

De staat voert niets uit, in het gunstigste geval is hij een overvloedig mechanisme, een onnoodige krachtverspilling.

Ambrosius. Genoeg. Gij hebt dit al herhaaldelijk gezegd, ik wil er eens over nadenken. Maar ik zou m willen dat gij mij eens verteldet, hoe gij over de familie denkt, over de vrijmaking der vrouw, het recht van der vader over zijn kinderen, over de moraal, over de misdaden en straffen.

Eigenlijk zou ik willen dat gij mij een antwoord geeft op alle met de sociale vraag samen gaande kwesties, opdat ik mij een heldere voorstelling kan maken van uw kommunisme of socialisme. Dan wil ik ook over dat praktische middel, wat u wenscht te gebruiken, spreken.

Georg. Goed. Maar het is nu tijd voor mij om heer te gaan. Tot weerzien dus!

X.

Ambrosius. Dus, wij krijgen nu een en ander over de familie. Als gij alle dingen gemeenschappelijk wilt maken, dan zult gij dit zeker ook met vrouwen doen en van de wereld een groot bordeel maken, is ’t niet?

Georg. Hoort eens, gij moet de dingen niet belachelijk gaan maken. De vraag, die wij bespreken is te ernstig om met zulke vulgaire aardigheden te komen aanzetten.

Ambrosius. Nu ja, wat wilt gij met de vrouwen doen? Ik spreek in allen ernst.

Georg. Des te slimmer voor u: het is werkelijk merkwaardig, dat gij de onzinnigheid niet inziet van hetgeen gij daar juist zeidet. De vrouwen tot gemeen goed maken! Waarom zeidet gij ook niet, dat wij de mannen tot gemeengoed willen maken? Dat alleen teekent al uw opvatting: volgens de traditie en ingewortelde gewoontes, beschouwt gij de vrouw als. een wezen van minder waarden, dat alleen als een voorwerp van genot, als een huisdier moet dienen, daarom spreekt gij over haar als over een zaak of voorwerp. Wij daarentegen, die de vrouw beschouwen als een aan ons gelijk menschelijk wezen, dat dezelfde rechten en belangen heeft als de man, wij houden de vraag voor onzinnig: “Wat wilt gij met de vrouwen doen?” Wij vragen liever: “wat zullen de vrouwen doen?” En ik antwoord u, dat de vrouw zal doen wat zij wil en dat zij ook, behoefte hebbende aan gemeenschappelijk leven, zich zal zoeken te verstaan met haar gelijken, zoowel mannen en vrouwen, en zoodoende arbeiden aan haar eigen geluk en aan dat der gemeenschap.

Ambrosius. Ik begrijp u, gij beschouwt de vrouw als gelijkwaardig met de man. Maar vele geleerden beweren, steunende op diepgaande studie der anatomische structuur en de phisieke functiën van het vrouwelijk organisme, dat de vrouw van nature minderwaardig is als de man.

Georg. Dat is bekend. Waar het ook over is — altijd is er een geleerde die bereid is om het te bekrachtigen. Zekere geleerden houden de minderwaardigheid der vrouw voor uitgemaakt, terwijl andere daarentegen betoogen, dat de eigenschappen der vrouw en haar ontwikkelingsvermogen aan die der man gelijk zijn. en dat, als de vrouwen tegenwoordig minder intelligent zijn dan de mannen, zulks komt door de plaats die zij innemen in de maatschappij; door de verhoudingen waaronder zij leven. Ja, gij kunt zoowaar geleerden vinden, welke verklaren, dat de man een minderwaardig wezen is, bestemd om de vrouw den lichmelijken arbeid te ontnemen, opdat zij haar genialiteit kan ontplooien. Ik weet dat deze stelling door een Amerikaan is verkondigd. Maar wat zegt dat? Bet gaat hier niet om een wetenschappelijk probleem op te lossen maar om een menschelijk ideaal te verwezenlijken. Geef de vrouw alle middelen en de volledige vrijheid om zich te ontwikkelen, en er zal uit haar groeien wat uit haar groeien kan. De feiten zullen ons bewijzen of de vrouw meer of minder intelligent is als den man, of dat zij beiden aan elkander gelijk zijn op dat punt. De wetenschap kan uit die ervaring haar nut trekken, daar zij dan haar gevolgtrekkingen op feiten, kan baseeren.

Ambrosius. Dus gij laat de natuurlijke aanleg geheel buiten bespreking?

Georg. Ik meen dat daaruit geen meer of mindere rechten zijn af te leiden. Gij zult in de natuur geen twee gelijke individuen vinden; wij willen gelijkheid, dat beteekent echter: gelijke rechten en gelijke middelen voor allen — en wij gelooven dat deze gelijkheid niet alleen voortspruit uit gevoel van rechtvaardigheid en broederschap, maar dat het ook in het ware voordeel is voor de zwakken zoowel als voor de sterken.

Onder de mannen is de een bekwamer dan de ander, maar daarom behoeft de een niet meer recht dan de ander. Velen beweren, dat de blonde menschen begaafder zijn dan de bruine, of omgekeerd; dat de rassen met langwerpigen schedel die met breeden schedel overtreffen, of omgekeerd, en deze quaestie, als zij een rationeelen grondslag heeft, is voor de wetenschap zeer interessant; maar afgaande op den tegenwoordigen stand van het menschelijke gevoel en ideaal zou het toch onzinnig zijn om te beweren dat de blonden en langhoofdigen op de wereld zijn om over de bruinen en breedhoofdigen te regeeren. Vindt gij ook niet?

Ambrosius. Jawel. Maar keeren wij tot het familie- vraagstuk terug. Wilt gij dezelve totaal opheffen of op een andere grondslag organiseeren?

Georg. Bij de familie is het noodwendig, de economische betrekkingen, de geslachtelijke betrekkingen en de betrekkingen tusschen ouders en kinderen in oogenschouw te houden.

En wat de economische grondslag betreft, zoo is het duidelijk, dat de familie als organisatie geen rede van bestaan meer heeft en onvermijdelijk verdwijnen moet, zoo- dra het individueele eigendom en het erfrecht verdwenen is. In dien zin is overigens de familie bij het meerendeel der menschen, de proletariër, al verdwenen.

Ambrosius. En de geslachtelijke betrekkingen? Gij wilt de vrije liefde, de….

Georg. Houdt toch op! Gelooft gij dat een gedwongen liefde bestaan kan? Men heeft schijnliefde, het gedwongen samenleven, de vereeniging om het belang of de conventioneele echt, daar zijn mannen en vrouwen, die de echtelijke band uit religieuse of moreele overtuiging respecteeren, maar ware liefde kan alleen vrij zijn!

Ambrosius. Dat is juist; maar als ieder de luimen ging volgen die god Amor hem inspireert, dan zijn er geen zeden meer en de wereld zou een groot bordeel zijn.

Georg. Op het stuk van moraal kunt gij waarachtig met de resultaten van uw inrichting niet pochen! I)e echtbreuk, de leugen, steeds meer toenemende uitspattingen, mannen die hun vrouw dooden, vrouwen die hun man vergiftigen, kindermoord, familietwisten, waaronder de kinderen opgroeien… Is dat de moraal dien gij bedreigt ziet door de vrije liefde? In werkelijkheid is thans de wereld een groote hoerentuin, daar de vrouwen gedwongen zijn zich te prostitueeren om te kunnen leven, daar het huwelijk onder den drang van belangen en berekening gesloten wordt en de liefde onbeduidend of totaal absent is.

Geef de vrouw het middel om onafhankelijk te kunnen leven, geef haar de volledige vrijheid om over haar eigen persoonlijkheid te kunnen beschikken, vernietig de religieuze en andere vooroordeelen, welke de mannen en vrouwen tot huichelarij dwingen — en de geslachtelijke vereeniging zal de liefde tot grondslag hebben en duren zoolang de liefde duurt, en het geluk van het individu en het welzijn der echt bevorderen.

Ambrosius. Maar ten slotte — zijt gij een aanhanger der durende of tijdelijke vereeniging? Wilt gij de enkelvoudige of de veelvoudige en afwisselende vereeniging in de geslachtelijke betrekking of een totaal willekeurig geslachtsverkeer?

Georg. Wij willen de vrijheid! Tot dusver hebben de geslachtelijke vereenigingen in die mate den druk van het brut geweld, de economische noodwendigheid der religieuze vooroordeelen en wettelijke voorschriften moeten verdragen, dat het niet mogelijk is, met juistheid te zeggen, welke vorm van huwelijk het meest ten voordeele er menschen kan komen.

Dit is echter zeker, dat, als eerst de dingen opgeruimd zijn, welke thans de betrekking tusschen man en vrouw kunstmatig tezamen houden, een geslachtshygiëne en moraal in het leven zal worden geroepen, die gerespecteerd zal worden, niet door wetten, maar door de overtuiging, gegrond op de ervaring, dat dezelve het algemeen welzijn bewerkstelligt. Dat zal de uitwerking der vrijheid zijn.

Ambrosius. En de kinderen?

Georg. Gij begrijpt toch, dat, bij aldien het individueel eigendom is afgeschaft, solide moreele en materieele grondslagen gelegd zijn en het begrip der maatschappelijke solidariteit zich meer uitgebreid heeft, de opvoeding der kinderen een zaak der gemeenschap en haar voltrekking de taak en het belang van allen is. Het is aan te nemen dat alle mannen en alle vrouwen alle kinderen lief zullen hebben. En wanneer — wat voor mij zeker is — de ouden een bijzondere toegenegenheid zullen hebben voorde kinderer welke zij zelf hebben voortgebracht, zoo kunnen zij ziel: er over verheugen, dat de toekomst van haar kinderer gewaarborgd is, en dat bij de opvoeding en verzorging der kinderen op de ondersteuning der geheele maatschappij gerekend kan worden.

Ambrosius. Maar het recht der ouders op de kinderen zult gij toch zeker wel respekteeren?

Georg. Het recht op de kinderen spruit voort uit den plicht. Elk heeft het recht zijn kinderen op te leiden en te verzorgen, zooals men dat zelf goeddunkt. Wanneer men echter, onder het recht, dat de ouders op hun kinderen hebben, verstaat ze te mogen kwellen of exploiteeren, zoo betwist ik dat recht en ik geloof, dat geen maatschappij, die op dien naam aanspraak maken wil,. dat recht erkennen zou.

Ambrosius. Maar denkt gij er dan niet aan, dat, wanneer men de verantwoordelijkheid der kinderverzorging de gemeenschap toevertrouwt, een zoodanige vermeerdering der bevolking ten gevolge zal hebben, dat weldra niet voldoende voorhanden zal zijn om in aller behoefte te voorzien? En daarbij komt, dat gij ook niets van Malthusianisme wilt weten, wat gij absurd, ongerijmd, onzinnig vindt.

Georg. Ik heb u vroeger eens gezegd, dat het onzinnig is, te beweren, dat de tegenwoordige misère door de overmaat van bevolking voortkomt en te bestrijden is door de toepassing der Malthusiaansche theorieën. Maar ik erken gaarne de gewichtigheid der bevolkingsvermeerderingsvraag en geef toe, dat in de toekomst, als alle kinderen die geboren worden een bestaan verzekerd is, toch de misère weer zou kunnen intreden door overbevolking.

De bevrijde en verlichte menschen zullen daaraan denken, als zij het voor noodig houden, de al te zeer uitbreidende bevolking een grens te trekken. Maar ik voeg er aan toe, dat zij er eerst dan ernstig aan zullen denken, als de woeker, de bevoorrechting en alle andere hindernissen, die door de hebzucht der bezitters hinderlijk zijn aan de voortbrenging, opgeruimd zullen zijn. Wanneer alle sociale oorzaken der ellende verdwenen zijn, dan eerst zal de noodzakelijkheid van de beperking der voortplanting bij onvoldoende productie een elk logisch toeschijnen.

Ambrosius. Maar als de menschen nu niet eens daaraan denken willen?

Georg. Dan des te slimmer voor hen. Gij wilt niet begrijpen. Er is geen goddelijke of natuurlijke voorzienigheid die voor ons zorgt. De menschen moeten zich om hun eigen bekommeren; bij alles wat zij doen moet het doelmatige en nuttige voor o ogen worden gehouden. Gij zegt maar immer: Maar als zij niet willen? In dat geval zal men niets bereiken en altijd aan de blinde krachten onderworpen zijn, die men onderschraagt. Het is heden zoo: de menschen weten niet wat zij te doen hebben om vrij te worden, of als zij het weten, willen zij dat niet doen wat noodzakelijk is. Daarom blijven zij slaven.

Maar wij hopen, dat zij het weten en willen zullen, spoediger dan gij denkt. En dan zullen zij vrij zijn!

Einde.

namespace/in_het_cafe.txt · Laatst gewijzigd: 25/06/17 19:38 door defiance