Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen

namespace:met_de_landbouw_kwam_het_einde_van_de_onschuld

Met de komst van de landbouw kwam het einde van de onschuld

Door John Zerzan

  • Originele titel: Agriculture
  • Verschenen: 1988
  • Bron: De As #130-131 (); Agriculture, Elements of Refusal. Essays by John Zerzan, Left Bank Books, Seattle, 1988, p. 63-76
  • Vertaling: Sies van Raaij

In uitgebreidere vorm oorspronkelijk verschenen als 'Agriculture' in Elements of Refusal. Essays by John Zerzan. Het hier gepubliceerde artikel omvat een deel (p. 68-73) van het originele essay.


Met de komst van de landbouw kwam het einde van de onschuld

Hoewel het produceren van voedsel van nature een latente bereidheid met zich meebrengt tot politieke overheersing en hoewel het cultureel civilisatieproces van meet af aan zijn eigen propagandamachine was, vormde de overschakeling naar landbouw een kolossaal gevecht. Wat dit betreft is er geen beter bode dan Against Leviathan! Against Hisstory! van Fredy Perlman. Langs de lijn die loopt van het bedrijven van landbouw door een stek in de grond te steken, via het gebruik van ploegen, tot volledig gedifferentieerde irrigatiesystemen, moest een vrijwel volledige genocide plaatsvinden van jagers en verzamelaars.

Het vormen en opslaan van landbouw-overschotten zijn onderdeel van de domesticerende wil te controleren en statisch te maken, een aspect van de neiging tot symboliseren. Overschotten nemen de vorm aan van kudden dieren en van graanschuren, als om een verdedigingswal op te werpen tegen de natuurlijke overvloed. Opgeslagen graan was de vroegste expressie van ongelijkwaardigheid, de oudste vorm van kapitaal. Slechts met het verschijnen van rijkdom in de vorm van graansoorten die opgeslagen konden worden, kunnen de verschillen in arbeid en maatschappelijke klassen voortschrijden. Hoewel er zonder twijfel wilde graansoorten bestonden voor dit alles begon (overigens bevat wilde tarwe 24 procent eiwit tegen veredelde tarwe 12 procent) maakte de culturele vooringenomenheid het grote verschil. Civilisatie en steden waren net zo gegrondvest op graanschuren als op symboliseren.

Het mysterie van de oorsprong van landbouw lijkt zelfs nog ondoordringbaarder in het licht van de recente omkering van lange tijd aangehangen opvattingen dat het voorafgaand tijdperk er een was van vijandigheid ten opzichte van de natuur en van het ontbreken van vrije tijd en ontspanning. “Men kan niet langer aannemen”, schreef Arme, “dat de vroege mensheid planten en dieren ging domesticeren teneinde te ontsnappen aan zware, eentonige arbeid en hongerdood. Veeleer blijkt het tegendeel waar te zijn: met de komst van landbouw kwam het einde van de onschuld”. Lange tijd was de vraag geweest: 'Waarom werd landbouw niet veel eerder in de menselijke evolutie toegepast?' Sinds enige tijd weten we dat landbouw, in Cohens woorden, “niet makkelijker is dan jagen en verzamelen en geen hogere kwaliteit biedt of meer smaak of een zekerder voedsel- basis”. De vraag waar tegenwoordig iedereen het over eens is, is dus: 'Waarom werd er überhaupt overgegaan tot landbouw?'

Hiervoor zijn heel wat theorieën aangedragen, geen enkele overtuigend.

Childe en anderen stellen dat door bevolkingstoename menselijke samenlevingen werden gedwongen tot inniger contact met andere soorten, wat leidde tot domesticatie en de behoefte om te produceren teneinde de toegenomen bevolking te kunnen voeden. Er is echter tamelijk overtuigend aangetoond dat bevolkingstoename niet voorafging aan landbouw, maar erdoor veroorzaakt werd. Flannery concludeerde: “Ik zie nergens op de wereld enig bewijs voor het feit dat bevolkingsdruk verantwoordelijk zou zijn voor het beginnen met landbouw”.

Een andere theorie houdt het erop dat er op het eind van het Pleistoceen (ongeveer 11.000 jaar geleden) grote klimaat-veranderingen plaatsvonden, waardoor de oude levenswereld van jagers en verzamelaars op zijn kop werd gezet, hetwelk direct leidde tot het cultiveren van de belangrijkste producten die veranderingen hadden doorstaan. Recente methoden van datering hebben er echter toe bijgedragen dat deze benadering in de prullenbak kon: er heeft zich geen klimaatverandering voorgedaan die dat veroorzaakt zou kunnen hebben. Bovendien, er zijn meer dan genoeg voorbeelden dat landbouw in elk type klimaat werd toegepast of afgewezen. Een andere belangrijke hypothese is, dat landbouw werd geïntroduceerd via een toevallige ontdekking of uitvinding - alsof dat tevoren nooit zou zijn gebeurd. Bijvoorbeeld dat voedsel ontspruit uit zaad. Het lijkt zeker dat de mensheid tijdens het Paleolithicum een praktisch onuitputtelijke kennis had van flora en fauna gedurende vele tienduizenden jaren voordat de cultivering van planten begon, hetgeen deze theorie extra zwak maakt.

Religieuze oorsprong

Akkoord gaan met Carl Sauers samenvattende conclusie dat “landbouw niet is voortgekomen vanuit een groeiend of chronisch gebrek aan voedsel” volstaat in feite om vrijwel alle oorsprongstheorieën terzijde te schuiven. Een idee dat overblijft, gepresenteerd door Hahn, Isaac en anderen, gaat ervan uit dat voedselproductie oorspronkelijk begon als een religieuze activiteit. Deze hypothese is nog de meest plausibele.

Het is bekend dat de eerste gedomesticeerde dieren (schapen en geiten) wijd en zijd werden geofferd bij religieuze ceremonieën en dat ze voor dat doel werden gefokt op omheinde graslanden. Overigens was de wol van schapen, voordat ze werden gedomesticeerd, niet geschikt om textiel van te maken. Het belangrijkste gebruik van hoenderen in Zuidoost-Azië en het oostelijk deel van het Middellandse Zeegebied - de vroegste centra van civilisatie - “lijkt”, volgens Darby, “veeleer te zijn geweest om te offeren of de toekomst te voorspellen dan om op te eten”. Sauer voegt eraan toe dat de “eierleggende en vleesproducerende kwaliteiten” van tam gevogelte “relatief late gevolgen waren van hun domesticatie”. Wild rundvee was woest en gevaarlijk; de makheid van ossen of de gemodificeerde vleesstructuur van zulke castraten kon niet zijn voorzien. Runderen werden pas eeuwen na het begin van hun gevangenschap gemolken, en afbeeldingen geven aan dat ze in eerste instantie alleen voor voertuigen werden gespannen bij religieuze optochten.

Planten, die vervolgens moesten worden gecontroleerd, vertonen voor zover bekend soortgelijke achtergronden. Kijk naar het Nieuwe Wereld-voorbeeld van pompoenen, oorspronkelijk gebruikt als ceremoniële ratels. Johannesen heeft de religieuze en mystieke motieven besproken die verband houden met de domesticatie van maïs, Mexico's belangrijkste gewas en centrum van zijn inheemse neolithische religie. Op dezelfde wijze heeft Anderson de selectie en ontwikkeling onderzocht van bepaalde soorten planten die gecultiveerd werden omwille van hun magische betekenis. Daar moet wel bijgezegd worden dat sjamanen de machtspositie hadden om landbouw te introduceren via het tam maken van dieren en het planten van gewassen welke gebruikt werden bij religieuze rituelen, zoals hierboven kort is geschetst.

Hoewel de religieuze verklaring voor het ontstaan van landbouw over het algemeen over het hoofd is gezien, brengt het ons volgens mij heel dicht bij de werkelijke verklaring van de geboorte van productie: die niet-rationele, culturele kracht van vervreemding die zich verspreidde in de vorm van tijd, taal, aantal en kunst, teneinde uiteindelijk het materieel en psychisch leven in een landbouwsamenleving te koloniseren. 'Religie' is een te eng begrip om deze infectie en haar groei te conceptualiseren, overheersing is te zwaarwichtig, te alomvattend. Dat kan niet louter zijn teweeggebracht door het pathologisch denken dat religie is.

Echter, de culturele waarden van controle en uniformiteit die bij religie horen, zijn wel degelijk, al vanaf het begin, een onderdeel van landbouw. In het besef dat graanrassen gemakkelijk gekruist kunnen worden, bestudeerde Anderson de zeer primitieve boeren van de Naga-stam in Assam en hun diverse soorten graan, waarvan de planten per soort onderling geen enkel verschil vertoonden. Trouw aan hun cultuur hielden de Naga hun variëteiten zo zuiver “louter door een fanatiek trouw blijven aan een ideaaltype”. Dit kan als voorbeeld dienen voor het huwelijk tussen cultuur en productie in domesticatie en zijn onvermijdelijke nakomelingen: onderdrukking en arbeid. Het angstvallig zorgen voor plantenfamilies lijkt als twee druppels water op het domesticeren van dieren, waardoor natuurlijke selectie wordt getrotseerd en de controleerbare organische wereld wordt hersteld op een verarmd, kunstmatig niveau. Net als planten zijn dieren louter dingen die gemanipuleerd kunnen worden. Een koe bijvoorbeeld wordt gezien als een soort machine om gras om te zetten in melk. Omgevormd vanuit een staat van vrijheid naar die van hulpeloze parasieten, worden deze dieren geheel afhankelijk van de mens. In de regel wordt bij tamme zoogdieren de omvang van de hersenen kleiner wanneer exemplaren worden geproduceerd die meer energie stoppen in groei dan in activiteit. Onbewogen, infantiel geworden, hetgeen misschien het best getypeerd wordt door de schapen, de meest gedomesticeerde van de kuddedieren; de opmerkelijke intelligentie van wilde schapen is volledig verloren gegaan bij hun tamme tegenhangers. De sociale verhoudingen onder tamme dieren worden gereduceerd tot hun meest elementaire essentie. Niet-reproductieve onderdelen van de levenscyclus worden geminimaliseerd, elkaar het hof maken wordt tegengegaan en zelfs de capaciteit van de dieren om eigen soortgenoten te herkennen is verzwakt.

Landbouw creëerde het potentieel voor snelle milieuvernietiging en de overheersing van de natuur begon al snel de groene mantel die de geboorteplaatsen van de beschaving overdekte te veranderen in dorre, levenloze gebieden. Zeuner: “Sinds het begin van het Neolithicum zijn grote oppervlakten volledig van aanblik veranderd, altijd naar een schijnbaar drogere toestand”. De meeste gebieden waar ooit de grote beschavingen bloeiden zijn nu woestijnen en er is veel historisch bewijs dat deze vroege structuren onvermijdelijk hun eigen omgeving ruïneerden. In heel het Middellandse Zeegebied en het aangrenzende Nabije Oosten en Azië, werden weelderige, gastvrije landschappen door landbouw veranderd in uitgeputte, droge, rotsachtige terreinen. Plato beschrijft in zijn Critias Attica als “een skelet, door ziekte weggeteerd”, daarmee doelend op de ontbossing van Griekenland. De begrazing door geiten en schapen, de eerste gedomesticeerde herkauwers, was een belangrijke factor in de kaalslag van Griekenland, Libanon en Noord-Afrika, en in de woestijnvorming van de Romeinse en Mesopotamische imperiums.

Gezondheid en ouderdom

Een andere, meer onmiddellijke invloed van landbouw - de laatste jaren steeds meer aan het licht gebracht - had te maken met het fysieke welzijn van mensen. De onderzoeken van Lee en Devore tonen aan dat “het dieet van verzamelaars stukken beter was dan dat van landbouwers, dat verhongering zelden voorkwam, dat hun gezondheidstoestand over het algemeen beter was en dat chronische ziekten minder vaak voorkwamen”. Daar staat tegenover, zoals Farb samenvat, dat “productie een minderwaardig dieet verschaft, gebaseerd op een beperkt aantal voedingsmiddelen, dat het minder betrouwbaar is vanwege plantenziekten en de grillen van het weer en dat het veel kostbaarder is in termen van menselijke arbeid”.

De nieuwe wetenschap paleopathologie heeft zelfs nog nadrukkelijker geconcludeerd dat er sprake is van een “scherpe terugval in groei en voeding”, veroorzaakt door de omschakeling van voedsel verzamelen naar voedsel produceren. Vroegere opvattingen omtrent levensduur zijn ook herzien. Hoewel Spaanse ooggetuigenverslagen uit de zestiende eeuw vertellen over Indiaanse vaders in Florida die hun vijfde generatie geboren zagen worden, werd lange tijd geloofd dat primitieve mensen stierven als ze dertig of veertig waren. Robson, Boyden en anderen hebben een eind gemaakt aan de verwarring rond hoge ouderdom en levensverwachting toen ze ontdekten dat de huidige jagers-verzamelaars, wanneer verwondingen en ernstige infecties worden uitgesloten, vaak langer leven dan hun geciviliseerde tijdgenoten. Gedurende het industriële tijdperk steeg de levensduur pas sinds kort en momenteel wordt algemeen erkend dat in paleolithische tijden de mensen lang levende dieren waren zodra bepaalde risico’s gepasseerd waren. De Vries is correct in zijn oordeel dat de levensduur scherp daalde bij contact met civilisatie. “Tuberculose en diarree moesten wachten op de opkomst van landbouw, mazelen en de builenpest worden een plaag zodra de grote steden verschijnen”, schreef Jared Diamond. Malaria - in zijn eentje waarschijnlijk de grootste moordenaar van de mensheid - en vrijwel alle andere infectieziekten zijn de erfenis van landbouw. Voedings- en degeneratieziekten verschijnen over het algemeen bij domesticatie en cultuur. 

Het cultiveren van een of meer van slechts zes plantensoorten: tarwe, gerst, gierst, rijst, maïs en aardappelen.

Het is een frappante waarheid dat, zoals Pyke naar voren brengt, de laatste eeuwen “het aantal verschillende, eetbare voedingsmiddelen die daadwerkelijk worden gegeten, gaandeweg is afgenomen”. De wereldbevolking is momenteel grotendeels afhankelijk van zo’n twintig plantengeslachten terwijl de natuurlijke rassen vervangen worden door kunstmatige kruisingen en de genen veel minder gevarieerd zijn.

De diversiteit van voedingsmiddelen verdwijnt of vervlakt naarmate het aandeel van geproduceerde voedingsmiddelen toeneemt Heden ten dage worden wereldwijd exact dezelfde voedingsartikelen gedistribueerd, zodat een Inuit en een Afrikaan zich weldra met poedermelk zullen kunnen voeden die geproduceerd is in Wisconsin of met ingevroren vissticks uit één enkele fabriek in Zweden. Een paar grote multinationals zoals Unilever, 's werelds grootste voedselproducent, staan aan het hoofd van een hooglijk geïntegreerd systeem dat er niet op gericht is mensen te voeden of zelfs te eten te geven, maar om de wereld te dwingen tot een steeds groeiende consumptie van gefabriceerde, bewerkte producten.

Toen Descartes het principe formuleerde dat de mensheid de zuivere plicht had alle dingen ten volle te exploiteren voor elk gebruik, was onze verwijdering van de natuur vrijwel compleet en het toneel klaar voor de industriële revolutie. Driehonderdvijftig jaar later leeft deze gedachte voort in de persoon van Jean Vorst, curator van het Franse Museum voor Natuurlijke Historie, die de uitspraak heeft gedaan dat onze soort “wegens ons intellect” niet langer over een bepaalde beschavingsdrempel kan terugkeren en wederom deel worden van een natuurlijke omgeving. Terwijl hij perfect het oorspronkelijke en hardnekkige imperialisme van landbouw verwoordt, verklaart hij voorts dat “aangezien de aarde in haar primitieve staat niet geschikt is voor onze expansie, de mensheid haar moet ketenen teneinde de menselijke bestemming te bereiken”.

De eerste fabrieken waren letterlijk een nabootsing van het landbouwmodel, daarmee aangevend dat au fond alle massaproductie landbouw is. De natuurlijke wereld moet gebroken worden en gedwongen te werken. Men denke aan de Amerikaanse prairies waar kolonisten zes ossen voor de ploeg moesten spannen teneinde voor het eerst door de grond te kunnen ploegen. Of een scène uit de jaren 1870 in The Octopus van Frank Norris, waarin aan elkaar gekoppelde ploegen als “een grote colonne veldartillerie” door de vallei van San Joaquin werden gedreven, waarmee in één klap 175 voren werden getrokken. Tegenwoordig is wat er overgebleven is van de organische natuur, volledig gemechaniseerd onder het schild van een paar petrochemische bedrijven. Hun kunstmest, pesticiden, onkruidverdelgers en hun bijna-monopolie van de wereldvoorraad zaden bepalen een totaal milieu waarin de voedselproductie geïntegreerd is vanaf het planten tot het consumeren.

namespace/met_de_landbouw_kwam_het_einde_van_de_onschuld.txt · Laatst gewijzigd: 18/09/18 19:19 door autonomia