Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen

namespace:wij_waren_rebellen_wij_waren_bandieten

Wij waren rebellen, wij waren bandieten...

Door Belgrado Pedrini

  • Originele titel: Noi fummo i ribelli, noi fummo i pedroni… - Schegge autobiografiche di uomini contro
  • Verschenen: 2001
  • Bron: Wij waren rebellen, wij waren bandieten…, Typmachine, 2007; Noi fummo i ribelli, noi fummo i pedroni… - Schegge autobiografiche di uomini contro Edizioni Anarchiche Baffardello, 2001
  • Vertaling: Uit het Frans, door Typmachine

Wij waren rebellen, wij waren bandieten...

Autobiografische scherven van Uomini Contro

Voor Koenraad Diederik, oud-partizaan en vriend voor altijd.

Een zekere smaak voor vrijheid

Dit is het verhaal van een 18-jarige autodidact die zich engageert in de revolutionaire strijd. De fascistische partij staat op dat moment al bijna tien jaar aan het roer van de Italiaanse Staat. Dit is het verhaal van een anarchist die zich wapent tegen het fascisme lang voor 1943, het jaar van de Anglo-Amerikaanse landing op Sicilië, de voorlopige val van Mussolini en het officiele begin van het Verzet. Lang voor het einde van het pact tussen het bruine fascisme en het rode fascisme. Zoals bijvoorbeeld de Italiaanse communistische Partij die, schatplichtig aan Togliatti, haar militanten voorstelde om te infiltreren in de onmisbare massastructuren die door de fascisten gecreëerd werden om ze op een dag zelf te gebruiken.

Op een dag… Het wachten in een nacht zonder einde, het wachten in de periode voor de Tweede Wereldoorlog. Nochtans waren er moedige en vastberaden mensen die bereid waren alles te riskeren in plaats van onder zo’n regime verder te overleven. Zoals trouwens onder eender welk ander regime waar de Staat, de uitbuiting of de koopwaar regeert.

Dit is het verhaal van een veroordeelde die samen met alle anderen bevrijd wordt door een groep partizanen in juni 1944. In de gevangenis van Massa wachtte hij zijn executie af omdat zijn groepje fascisten vermoord had. Dit is het verhaal van een strijder die de wapens niet neerlegt na de bevrijding van het nationaal grondgebied. Dit is het verhaal van een ex-partizaan die in mei 1945 gearresteerd werd en vier jaar later veroordeeld werd tot 30 jaar gevangenisstraf op beschuldiging van moord op een politieagent en onteigeningen ten nadele van fascistische industriëlen in Carrara, Milaan en La Spezia. Delicten van gemeen recht, want begaan voor 1943, en door anarchisten. Veroordeeld, net zoals honderden andere ex-partizanen die niet bereid waren om de pleziertjes van de democratie te aanvaarden die opgelegd werden door de communistische Partij en de christelijke of reformistische burgerlijke partijen. Dit is het verhaal van een gevangene dat gaat van ontsnappingspogingen tot collectieve muiterijen. Dit is het verhaal van een gevangene die pas midden jaren 70 vrijkomt nadat hij zijn volledige straf uitgezeten heeft. Dit is tot slot ook het verhaal van een gerevolteerde die nadien alle wapens van de kritiek is blijven gebruiken, van de stichting van de Circolo Culturale Anarchico (bibliotheek) en de Circolo Bruno Filippi, zijn artikels in L’amico del popolo tot zijn steun aan de anarchistische gewapende groep Azione Rivoluzionaria (1976-1979).

Dit verhaal had misschien een samenvatting van het leven van Belgrado Pedrini kunnen zijn, die begonnen was wat autobiografische schreven neer te pennen voor hij in februari 1979 stierf. Jammer genoeg heeft hij ze ons onafgewerkt nagelaten en vertrouwde hij aan een vriend de zorg toe om ermee te doen wat hij wilde. Pedrini was één van die mensen waarvan je graag het parcours wil kennen, die je makkelijk kan citeren als een quasi onwankelbaar voorbeeld tijdens een gesprek over de continuïteit van engagement omwille van zijn radicaliteit, zijn moed en zijn vastberadenheid. Opdat dit verhaal op haar beurt kan stralen op een boekenrek aan deze kant van de Alpen, konden we ons zeker beperken tot zo’n beperkte lectuur van de vertaling van zijn memoires.

Duizenden individuen hebben voor het losbarsten van het mondiale conflict gevochten tijdens de Spaanse klassenoorlog en van hen blijven er alleen nog maar sporen over doorheen de reconstructie van de biografieën van de meest bekenden onder hen. In dezelfde lijn weten we ook erg weinig over de honderden Italiaanse anarchisten die zich blindelings gestort hebben in de strijd voor de vrijheid in de loop van de jaren 20 en de daaropvolgende jaren.

Omdat ze geen tijd hadden. Omdat ze niet konden of wilden schrijven. Omdat het mondelinge een speciale smaak bewaart die geen enkele tekst kan weergeven zonder haar te ontdoen van de intimiteit die eigen is aan een levendig spel. Omdat het altijd moeilijker is om de herinneringen aan de nederlagen over te brengen. Omdat maar weinig oren zin hadden om te luisteren.

Daarom zijn de fragmenten die Pedrini ons heeft nagelaten erg kostbaar. Ze bieden ons de mogelijkheid om voorbij de grenzen en de jaren de ervaring en menselijkheid van een kameraad tot ons te nemen. Een kameraad die met zijn middelen de confrontatie met de wereld aanging. Een wereld die zeker een beetje veranderd is, maar die haar wortels in dezelfde ijswaters van de overheersing heeft.

Zijn fragmenten zijn geen ellenlange opeenvolging van grootse wapenfeiten die ons terugvoeren naar een ver tijdperk waar we de raderwerken van de tegenstanders nog konden verwringen en betekenisvolle slagen aan de vijand konden toebrengen. Deze autobiografie is nog veel minder een zelftevreden mise- en-scène. De auteur is oprecht en volledig genoeg om zijn appreciaties de vrije loop te laten en om aan de hand van de maatstaf van zijn eenzame gerevolteerde leven een korte analyse van enkele mechanismen van de vrijwillige gevangenisslavernij te proberen schetsen.

Dit is tegelijkertijd een getuigenis over vergeten of verdwenen kameraden, over een strijd en een engagement die nog steeds actueel zijn. Niet omdat we de kameraden van vandaag kunstmatig en retorisch willen aanmoedigen om het gevecht verder te zetten, maar omdat Belgrado Pedrini, sinds de jaren 30 tot aan het einde van de jaren 70, zowel binnen als buiten, de strijd zo heeft geleefd en gedeeld.

Het zal je dus niet verbazen dat je in deze tekst het idealisme van een generatie terugvindt die op een levendige manier de bloedige strijden van het proletariaat aan het einde van de vorige eeuw en de verspreiding van anarchistische ideeën uit de tijd van Malatesta in zich draagt. Het zal je dus ook niet verbazen wanneer je soms een strengheid tegenkomt die hem ertoe brengt hard te zijn voor zijn lotgenoten in de gevangenis. Het is een houding die je alleen maar kan begrijpen in de context van die tijd (de gevangenissen van de jaren 50 en 60, voor de grote muiterijen), en alleen maar doorheen het parcours van iemand die koppig revolteerde tegen de compromissen, wiens gevangenschap hem nog barser maakte omdat de algemene onderwerping hem omringde en hij zich in isolatie bevond. Deze situatie maakte hem echter niet wanhopig. Want als er één ding is dat Pedrini al die jarenlang bewaard heeft, dan is het wel de hoop. Niet het religieuze heilsdenken of het wachten op betere tijden, maar de hoop op een totale individuele en collectieve bevrijding ervaren als een mogelijkheid binnen handbereik. Als een veroverbare mogelijkheid. We hebben de oneffenheden niet willen weggommen met een vriendelijke vertaling. We herkenden in de tekst de complexiteiten die van Pedrini geen historisch personage maken, maar wel een individu met alle rijkdommen van zijn onwankelbare menselijkheid. Een reiskameraad waar we bij aanknopen dankzij de mysterieuze banden die soms de ene generatie met de andere kunnen verenigen.

De tijd van de gewapende confrontatie met het fascisme is een onderwerp van een zwarte roman geworden en een gelegenheid om het geluk van de gepacificeerde uitbuiting te vieren. Het democratische kapitalisme gebruikt het enkel als vogelverschrikker om de rangen te doen sluiten. Soms zien we Spaanse oncontroleerbaren of Italiaanse bandieten terug verschijnen, maar dan wel ontdaan van hun revolutionair karakter. Niet in de etymologische of institutionele zin van het woord, maar als aspiratie die hen redenen gaf om te leven en hen de kracht – de woede in het hart en het wapen in de hand – schonk om de confrontatie met de vijand aan te gaan. Zonder af te wachten, met alle middelen die strookten met hun individuele ethiek, voor een vrijheid gebaseerd op autonomie en wederzijdsheid.

Wat een deel van de partizanen kenmerkte, a fortiori de anarchisten, is zeker niet het antifascisme zoals de eeuwige democraten en de stalinisten het tegenwoordig proberen af te schilderen, maar wel een zekere smaak voor vrijheid. De ketenen die ze probeerden te breken waren niet zozeer die van een regime dat voor iedereen die een beetje kritisch is bijzonder gortig is. Ze probeerden daarentegen de ketenen af te werpen die het leven reduceren tot een opeenvolging van uitbuiting en de vrijheid herleiden tot een keuze tussen verschillende onderdrukkingen. Het ging voor hen niet alleen over de bevrijding van een deeltje land dat in handen was van een vreemde bezetter (zoals de gekoloniseerde volkeren dat na 1945 in alle bitterheid ervaren hebben), maar over de vernietiging van alle Staten en hun grenzen, en dit in een internationalistisch perspectief. In dezelfde lijn wilden zij niet alleen de collaborerende uitbuiters aanvallen, maar de klassenverhoudingen vernietigen vanuit een antikapitalistisch perspectief.

Pedrini was in feite alleen maar partizaan omdat het regime zich fascistisch noemde, hij vocht tegen de Staat en de macht. Hij was alleen maar een muiter omdat de muren die hem vasthielden gevangenis heetten, hij vocht tegen alle structuren die de vrijheid opsluiten in naam van de rechtvaardigheid of de rede (zoals de psychiatrische instellingen, waartegen hij meerdere teksten geschreven heeft). Hij was alleen maar onteigenaar van fascistische industriëlen omdat het geld dat hij nodig had zich daar opgestapeld had, hij vocht tegen het kapitalistische systeem zelfs als het haar zwarte hemd had uitgetrokken. Hij was alleen maar terrorist – zoals de Staat in de jaren 70 diegenen die zich met de wapens tegen haar verzetten noemde, alvorens de betekenis van het woord uit te breiden naar alle radicale dissidentie – omdat dat de taal van een praktische kritiek op de overheersing was.

Pedrini heeft nooit een privilege toegekend aan een bepaalde vorm van strijd. Langs de ene kant ontwikkelde hij zijn strijd binnen organisatievormen die altijd gebaseerd waren op autonomie en affiniteit zoals de individuele clandestiene acties voor 1943, de autonome en gecoördineerde groepen partizanen tot 1945, de ontsnappingen met een klein groepje of de collectieve muiterijen (al naargelang de mogelijkheden tijdens zijn lange opsluiting) en de steun die hij tot aan het einde van zijn leven gaf aan de affiniteitsgroepen die gecoördineerd werden in de schoot van Azione Rivoluzionaria. Langs de andere kant vond hij de verdeling van clandestiene pamfletten en het plakken van affiches een noodzakelijke aanvulling op de gewapende acties tegen de fascisten. Hij heeft schrijven – pamfletten voor zijn opsluiting, poëzie in de gevangenis en artikels na zijn vrijlating – bijvoorbeeld nooit beschouwd als een tweederangs activiteit. Het doel van de agitatie was de anarchistische sociale revolutie. Voor de anarchisten betekende dit dat zij op hun manier deelnamen aan de strijden en open stonden tegenover de sociale verschuivingen.

Het antifascisme is een ideologie die erg nuttig is om een deel van de overheersten over te halen tot klassencollaboratie. De antifascistische ideologie dient ook om strijdperspectieven die zich niet beperken tot een bepaald aspect van het fascisme af te stoten. Deze strijdperspectieven proberen immers de macht zelf te analyseren en dus aan te vallen, wat haar historische vormen ook mogen zijn (door bijvoorbeeld te ageren buiten de periodes van een ‘eenheidsfront’ of buiten de ‘desbetreffende dictaturen’). Over het algemeen smelt het antifascistische alibi tegenover zulke praktische perspectieven onmiddellijk als sneeuw voor de zon. Het is een alibi dat tot dan toe weergalmde als een soort morele toelating voor een woeste strijd tegen de macht en haar dienaars. Een aantal antifascisten beginnen dan te twijfelen en vragen zich uiteindelijk af of het wel echt het moment is om aan te vallen en of het niet mogelijk is om een andere vorm van politieke strijd te voeren tegen de macht. Een strijd die dan misschien wel reformistisch zou zijn, maar op z’n minst in staat is om de repressieve stadia in overweging te nemen. Een groot deel van deze antifascisten die plotseling aan het twijfelen geslagen zijn, geeft dan vaak diegenen op die zonder het minste respect voor de officiële historische periodes (na 1945, in het geval van de Italianen, Fransen [en Belgen]) blijven vechten tegen de overheersing.

Vanuit de bladzijden die Pedrini ons heeft nagelaten, borrelen de andere parcours op die ons herinneren aan de continuïteit van de kameraden die hun radicaal engagement niet hebben beperkt tot het getolereerde verzet tegen de fascistische zwenk van het kapitaal. Giovanni Mariga, vice-commandant van de partizanenformatie ‘Elio’ werd in 1946 tot levenslang veroordeeld. Hij werd beschuldigd van de naoorlogse moord op een ex-secretaris van de fascistische partij. Hij werd in 1968 vrijgelaten, op een leeftijd van 69 jaar, na 22 jaar gevangenis. Giovanni Zava, een andere partizaan uit Carrara, kwam vrij in 1974 na 31 jaar gevangenis, veroordeeld voor dezelfde beschuldigingen als Pedrini: moord op een politieagent in 1942 en onteigeningen van fascistische industriëlen. Elio Wochiecevich, de commandant van de partizanenformatie die zijn naam droeg, komt aan het eind van de jaren 60 vrij na een straf van 10 jaar. Hij werd beschuldigd van een aanslag op een kazerne van de oproerpolitie in Carrara kort na de oorlog. Goliardo Fiaschi, een anarchist die zich op 13-jarige leeftijd engageert in het Verzet, wordt op 30 augustus 1957 aangehouden in Barcelona in het gezelschap van de Spanjaard Luis Agustin Vicente. Samen met José Lluis Facerías, die op dezelfde dag door de politie vermoord wordt, maakte hij deel uit van een groep Italiaans- Spaanse stadsguerilleros die teruggekeerd waren om het fascisme aan de andere kant van de Pyreneeën te bevechten. Hij wordt veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf en wordt in 1965 uitgeleverd aan Italië. Daar zal hij een gevangenisstraf van 13 jaar uitzitten op beschuldiging van een bankoverval die dateerde uit 1957, begaan in Casale Monferrato om de antifranquistische acties te financieren. Fiaschi komt pas in 1974 buiten, 17 jaar na zijn expeditie op het Iberisch schiereiland.

Naast deze enkele kameraden die Pedrini is blijven tegenkomen in de verschillende kerkers van zijn land en waar hij de kronkelende weg van de revolte mee afgelegd heeft, zijn er tenslotte nog alle acties die anoniem uitgevoerd werden, door mensen van wie er opzettelijk geen geschreven sporen overblijven. Dit zijn de mensen die in de schaduw van de schijnwerpers van het gerecht gebleven zijn, buiten het bereik van de klauwen van de nieuwe democratische beulen. Van onteigeningen tot explosieve gestes, een deel anarchisten die de mogelijkheid gehad hebben om te vechten tegen de overheersing ten tijde van het fascisme, hebben geen punt gezet achter hun leven als uitzonderingen en hebben geen eind gemaakt aan hun dorst naar vrijheid.

Omtrent de andere kameraden die bij de Italiaanse lezer meer bekend zullen zijn, brengen we hier enkel een paar onder hen in herinnering: zij die beslist hebben toe te slaan van waar ze zich bevonden, in ballingschap. Zij vielen aan, hoewel ze hadden kunnen profiteren van de enkele formele garanties die aangeboden werden door de democratieën die hen eigenlijk niet wilden ontvangen (denk maar aan de duizenden Spaanse republikeinen die opgesloten werden in concentratiekampen in het zuiden van Frankrijk vanaf 1939, en aan de Italianen die gedeporteerd werden). Ze hadden zich evengoed tevreden kunnen stellen met petities, betogingen en eenheidsfronten.

Op 3 september 1923 elimineert Mario Castagna in Parijs de fascist Gino Jeri. In februari 1924 vindt in Frankrijk een reeks aanslagen plaats op kantoren van de fascistische partij en op Italiaanse consulaten. Op 20 februari 1924 kogelt Ernesto Bonomini in een Parijs’ restaurant Nicola Bonservizi neer.

Bonservizi was een buitenlandse verantwoordelijke van de fascistische partij, correspondent van de Popolo d’Italia en redacteur van de fascistische krant in Parijs, L’Italie Nouvelle. In september 1927 pleegt Di Modugno een aanslag tegen de graaf Nardini, consul in Parijs. Op 22 augustus 1928 raakt de markies Di Mauro, consul van Italië, gewond door een anarchistische aanslag in Saint-Raphaël. Op 8 november 1928 schiet Angelo Bartolomei de fascistische priester don Cesare Cavaradossi, vice-consul in Nancy, dood. De priester had hem voorgesteld om verklikker te worden om deportatie te vermijden. In 1928 ontploft een granaat voor het kantoor van de fascistische partij in Juan-les-Pins: Malaspina wordt aangehouden en gefolterd in de gevangenis, daarna wordt hij vrijgesproken door gebrek aan bewijzen. Hij overlijdt het volgende jaar in Parijs aan de gevolgen van dit verplichte verblijf. In 1932 wordt een anarchistische aanslag gepleegd in Marseille tegen de zetel van de unie van Italiaanse oudstrijders.

Buiten deze enkele Italiaanse anarchisten die individueel gehandeld hebben, door keuze of na een analyse van het uitblijven van een reactie van de massa’s (zoals Pedrini zegt), hebben anarchisten ook deelgenomen aan de partizanengroepen die zich vanaf het einde van 1943 aan de andere kant van de Alpen gevormd hadden. Ze waren niet talrijk en over het algemeen geïntegreerd in de Garibaldi-brigades (verbonden met de communistische partij) of de Matteoti-brigades (verbonden met de socialistische partij). Sommigen slaagden er wel in om relatief autonome formaties te vormen. Maar aan het einde van de oorlog hebben deze enkele autonome formaties van Italiaanse anarchistische partizanen op hun beurt moeten ondergaan hoe de stalinistische kaders het geweer van schouder veranderden, net zoals de Spaanse antifascistische formaties die in 1937 gemilitariseerd werden door de communisten. Deze keer wilden ze de revolutionaire strijd omvormen tot een strijd voor nationale bevrijding, om zo uiteindelijk niets meer dan een andere burgerlijke orde te bereiken. Er waren anarchistische groepen binnen de 28ste Brigata Garibaldi in de zone rond Ravenna, binnen de Divisione Garibaldi-Friuli waarvan de eerste kern libertair was, binnen de formatie Silvano Fedi rond Pistoia (53 mensen) binnen de brigades Malatesta-Pietro Bruzzi (1300 mensen) die geïntegreerd waren in de Matteoti-formaties in Milaan, binnen de 23ste autonome divisie Sergio De Vitis in Turijn, binnen de brigades Pisacane en Malatesta (400 mensen) in Genua en binnen de autonome formaties Michele Schirru, Gino Lucetti, Elio en Lunense die gecoördineerd werden in de Brigata Apuana rond Carrara. Daarenboven kunnen we ook nog in herinnering brengen dat bepaalde anarchisten verantwoordelijkheden op nationaal niveau opnamen, zoals Emilio Canzi uit Piacenza die aan het hoofd stond van 3 divisies en 22 brigades (dus meer dan 10 000 mensen) of zoals Giovanni Domaschi die na 11 jaar gevangenis, 9 jaar confino di Polizia en twee ontsnappingen, de stichter wordt van het Nationale Bevrijdingscomité van Verona (het lokale coördinerende orgaan van het Verzet). Daarna wordt hij gearresteerd en sterft tijdens de deportatie naar Dachau.

Na de liquidatie van de sociale storm van de jaren 70 die een onvoltooide maar vruchtbare mogelijkheid in zich droeg (en waarvan de eerste wapens geleverd werden door de voormalige partizanen), is de Staat er vandaag in geslaagd een serieuze voorsprong te nemen op de revolutionairen. We kunnen tot in het oneindige de militaire, technologische en wettelijke instrumenten beschrijven waarmee de Staat zich uitgerust heeft. Desondanks blijft één van haar grootste overwinningen de sociale vrede die ze met geweld aan de rebellen opgedrongen heeft, in het zog van de onderwerping en gedienstigheid van een groot deel van de bevolking.

Maar het is en blijft een reus op lemen voeten. Zelfs de oude holle ordewoorden van links zijn door hun miserabele oppositie uitgeput geraakt. Of anders gezegd: uitgeput door hun uitstekende beheer van de overheersing. Door de ontwikkeling van het kapitalisme wordt het alsmaar moeilijker om de uitbuiting in dit deel van de wereld in stand te houden. Vandaar de opkomst van de veiligheidsideologie die de illegalismen van het overleven en de enkele spectaculaire acties die soms de Staat en haar dienaars raken als excuus gebruikt. Het beste voorbeeld is de politiek tegen immigranten: de bedoeling is noch iedereen werkelijk te proberen uitwijzen, noch te verhinderen dat mensen de omstandigheden waarin ze zich bevinden ontvluchten. Het is juist de bedoeling om ze hier met de matrak en de angst voor controles de precariteit in te duwen, om ze aan het werk te zetten aan voorwaarden die lijken op de omstandigheden die ze ontvlucht zijn (denk maar aan de bouwsector, de textielnijverheid of de horecasector die er rijkelijk op teren). Tenslotte is er de geforceerde terugkeer van het personage ‘terrorist’ met een alsmaar ruimere definitie die nu elke verstoring van de sociale, politieke en economische orde omvat – ook al is die maar miniem, zoals bij een bezetting of een wilde staking. Dit is een symptoom van een repressieve logica die altijd het ultieme wapen zal blijven om de lichamen en hersenen terug te jagen naar het eindeloze geluk van de koopwaar, wanneer het hart er zich niet meer thuis voelt.

De laatste jaren werden voortdurend talrijke Italiaanse anarchisten opgesloten, van het Marini-proces tot de operaties Cervantes en COR (Cellen van het Revolutionair Offensief). Dit gebeurde meer bepaald door de aantijging van ‘subversieve vereniging’ na opgeëiste sabotages die de Staat (gevangenissen, kazernes, gemeentehuizen, kantoren van politieke partijen en vakbonden, zetels van kranten) of de structuren van het kapitalisme (interimkantoren, immobiliënbedrijven, autodealers, elektriciteitsmasten, onderzoekslaboratoria) geraakt hebben en soms hun dienaars verwond hebben. De repressie tegen samenkomsten op straat uit zich met minder tact (denk maar aan Genua en de studentenprotesten), de volkswijken in de grote steden worden door de politie bezet (met haar razzia’s en executies zoals in Turijn), totale isolatie wordt de norm voor alsmaar meer gevangenen (artikel 41bis), wilde stakingen worden zonder toegevingen aangepakt, de fysieke agressie van kaalgeschoren koppen vermenigvuldigt zich. En toch zou het onjuist zijn om te spreken over een terugkeer van het fascisme en bijgevolg over de noodzaak om in het verzet te gaan. Het kapitalisme heeft in feite de valse tegenstelling fascisme/ democratie ruim voorbijgestoken. Het heeft zich omgevormd tot een totaalsysteem waarvan we minder dan ooit één van haar aspecten kunnen bevechten zonder het geheel in vraag te stellen. Echt verzet betekent meer dan ooit zich tegenover alles vijandig opstellen.

Een hagiografische lezing van dit boek zou de makkelijkste weg zijn. En de minst interessante. We leven in feite in een vreemde periode. Het enige mogelijke collectieve perspectief lijkt of het citoyennisme van alternatief links dat aanstuurt op een sociale toe-eigening van de instrumenten van de overheersing, of de desertie. In zo’n context zou het ons amper mogen verbazen dat de gensters van een leven uit het verleden bij voorbaat al dienen om de huidige inertie te rechtvaardigen (door zich op te sluiten in een dodencultus of door zich te verkneukelen dat de objectieve omstandigheden veranderd zijn). Of omgekeerd, om alleen van de feiten (de antagonistische actie op zich) een mythe te maken en opzettelijk de geest te vergeten die haar deed branden.

Een ideologische lezing die van Pedrini’s schrijven een voorbeeld maakt om na te volgen of te bewonderen, eerder dan een parcours van revolte om te delen en te bekritiseren, zou het boek ontdoen van al haar noodzakelijke complexiteit. Ook een lezing die alleen maar oog heeft voor die ene mooie daad, zou onze kameraad alle kracht ontnemen. Altijd heeft hij geprobeerd om geen compromissen te sluiten, altijd heeft hij gehandeld binnen de permanente confrontatie die geleid werd door zijn klassenhaat en zijn anarchistische liefde voor de vrijheid. Wat ons betreft: naast redenen van hart en geest, is het de revolutionaire continuïteit van een kameraad die ons tot op de dag van vandaag inspireert, van een individu dat rebelleert tegen de volledige orde van de wereld, die ons ertoe heeft aangezet dit boekje te publiceren.

En het is misschien wel de levendigheid van zijn streven die de mogelijkheid creëerde om coherent te blijven met zijn ethiek.

Vandaag zoals gisteren

(1) Wat de activiteit van anarchisten tegen het fascisme betreft, zie: Collectief, La resistenza sconosciuta, Zero in condotta, Milaan, 2de editie 2005, 206 p.; en vooral Pietro Bianconi, Gli anarchici italiani nella lotta contro il fascismo, edizioni Archivio Famiglia Berneri, Pistoia, 1988, 200 p.

Nota Bene: Alle noten in dit boek werden toegevoegd door de Franse vertalers. De werken die erin vermeld worden hebben tot doel de nieuwsgierige lezer tevreden te stellen.

Inleiding bij tot de Italiaanse uitgave

Het autobiografisch relaas van Belgrado Pedrini bleef onvoltooid door het vroegtijdig overlijden van de auteur. Daarom vonden wij het noodzakelijk om deze uitgave te laten voorafgaan door een aanvullende noot.

De minister van Binnenlandse Zaken had tijdens de twintig fascistische jaren de gewoonte om opsporingsberichten te publiceren. Die bevatten lange lijsten van subversieve personen die moesten gearresteerd of vervolgd worden. Een aantal onder hen waren anarchisten, en hun namen werden voorafgegaan door een kleine noot. Die omschreef de bandeloze jongeren en rebellen die vochten tegen de strenge discipline die door de dictatuur opgelegd werd als ‘leeglopers’, met ‘aanleg tot ondeugd’ en ‘geneigd tot allerlei gewelddadigheden.’ Zo noemden ze de kameraden Belgrado Pedrini, Giovanni Zava en Gino Giorgi die hun gewapende strijd tegen het fascisme lang voor 8 september 1943 (1) begonnen waren.

Deze kameraden beginnen hun strijd nadat ze vijf fascistische militairen ontwapend en wat ruw behandeld hadden in een bistro van Carrara. De drie duiken de clandestiniteit in en worden actief in het gebied tussen Milaan, La Spezia en Carrara. Ze werpen zich zowel op propaganda-acties als op gewapende aanslagen met explosieven tegen bekende fascistische bazen of kazernes.

Op een nacht in november 1942 worden ze verrast door een patrouille nazifascisten terwijl ze affiches aan het plakken zijn in een straat van Milaan. Op het bevel om zich over te geven antwoorden de drie kameraden met hun wapens. Er volgt een vuurgevecht dat meerdere uren duurt. Hoewel ze omsingeld en uitgeput zijn, slagen ze erin om te ontsnappen en bereiken ze La Spezia. Daar worden ze herkend door een spion van de OVRA (2) en verklikt.

Op een avond botsen ze op een gemengde patrouille van Italiaanse en Duitse politieagenten. Een fascistische brigadier wordt tijdens de uitwisseling van schoten koudgemaakt. De drie kameraden raken zwaargewond, zitten zonder munitie en worden ingerekend. Ze worden van kazerne naar kazerne overgeplaatst, worden geslagen en mishandeld. Uiteindelijk worden ze van La Spezia naar Milaan gezeuld en vandaaruit overgeplaatst naar Massa. In de gevangenis van deze stad wachten ze hun proces af, en het verdict is bijna zeker gefusilleerd worden. De krijgswet voorzag de doodstraf voor deze beschuldigingen (wapenbezit en moord op een fascist).

De fascistische hiërarchie wilt de rebellen onmiddellijk fusilleren om een klap toe te dienen aan het gewapende verzet in Carrara. Maar het toeval wil dat zwaargewonde Giovanni Zava niet kan lopen. En de krijgswet voorzag dat de ter-dood-veroordeelde zich te voet naar het executiepeloton moet begeven. Het beknopte proces en de executie die erop moest volgen werden dus uitgesteld.

Wat verder zullen we zien dat de kameraden bevrijd worden door een groep partizanen in juni 1944. Ze zullen de gewapende strijd tegen het fascisme voortzetten vanuit de bergen van Carrara tot in april 1945 en daarna (3). De Republiek die geboren wordt uit het Verzet zal hen meer dan 30 jaar gevangenisstraf aanbieden als bedanking voor hun bijdrage…

Volgens het opmerkelijke artikel van de kameraad Sergio Ravenna (“1943: dov’è la verità?” dat verscheen in het tweemaandelijkse tijdschrift Il Mensile apuolunense van oktober/november 1984) vond de eerste confrontatie tussen het nazistische bezettingsleger en de anarchisten plaats op 10 september 1943, op de oostelijke helling van Carrara (de zogenaamde Monte d’Armi). De nazistische troepen, geholpen door de fameuze Tiger tanks, voltooiden daar een uitkamoperatie tegen een terugtrekkende groep Italiaanse Alpenjagers van de divisie ‘Val di Fossa’. Hierover vertelt Sergio: “Op enkele stappen van mij werd Marcello Grassi geraakt door een Tiger (de stukken van zijn lichaam vlogen tot op de lager gelegen weg), Mauro Segnanini en Giuseppe Galeotti (Giorgio) werden in de benen geraakt, gelukkig niet al te ernstig…”

Na dit gevecht en de operaties die erop volgden werden veel wapens buitgemaakt. Daarnaast werden er ook nog wapens gestolen uit de kazerne Dogali. Ook het wapendepot van de Breda fabriek in Massa werd geplunderd. De wapens uit Massa werden verborgen in de marmergroeve van Valbona, de rest van de buit in Lorano II, de marmergroeven van Ugo Mazzucchelli.

Ondertussen keerden de eerste overlevenden uit de concentratiekampen van Renicci d’Anghiari terug naar Carrara: ondermeer de kameraden Giuseppe Azzari, Perissino Venturelli, Onofrio Lodovici, Napoleone Vanelli,…

Het nazistische leger en de fascistische milities hingen in het gebied van de Apenijnse Alpen de eerste berichten van verplichte militaire dienst uit. De jongeren antwoordden met een totale weigering en kozen ervoor om de rangen van de partizanen die al in de bergen zaten te vervoegen.

Diegenen die deelnamen aan de operatie van Monte d’Armi keerden enkele dagen later clandestien terug naar het dorp. Deze kameraden begonnen fascisten en geïsoleerde nazi’s gevangen te nemen. Ze brachten de gevangenen naar een lokaal in de via Beccheria, dat gekend stond onder de naam il Buco (het gat). Vervolgens werden ze ’s nachts naar de bergen gebracht.

Ondertussen begonnen meerdere groepen kameraden gewapende gevechten in verschillende delen van de stad en in de omliggende gebieden (Avenza, Fossola, S. Francesco, Miseglia, Gragnana, Torano, Castelpoggio, Campo Cecina,…). Tijdens deze gevechten werden vele fascistische militairen van de Brigate Nere (4) en nazi’s gevangen genomen en naar de bergen gebracht.

Zoals iedereen nu wel weet, waren er in de regio van Carrara meerdere groepen anarchistische partizanen actief: die van de SAP-FAI (Italiaanse anarchistische federatie) en de brigades Lucetti, Lunense en Elio. Sergio Ravenna speelde als sectiecommandant van de brigade Lunense een belangrijke rol in het gewapende verzet tegen het fascisme.

Sergio schrijft in zijn artikel van 1984: “Op een morgen in oktober 1943, toen we nog weinig talrijk waren, zagen we een groep partizanen geleid door Elio Wochiecevich voorbijkomen. Hij was gekleed in een Duits uniform: hij ging de gevangenis van Sarzana aanvallen, waar kameraden die gefusilleerd gingen worden opgesloten zaten. De actie was een succes en de bevrijde kameraden vervoegden hun rangen. […] De brigade Elio met Giovanni Mariga als subcommandant, was de eerste formatie van anarchistische partizanen die opereerden in het gebied van de Apenijnse Alpen. De brigade was volledig autonoom, aangezien ze de eerste was die in het gebied opereerde en aangezien er nog geen enkel CLN [Nationale Bevrijdingscomité] bestond… In die tijd noemde men ons niet partizanen, maar ‘bandieten’.”*

De activiteiten van Elio, van Mariga (Padovan) en hun strijdkameraden kan je nagaan in de archieven van het CLN van Carrara. Dit waren hun meest opvallende acties: in juni 1944 valt de brigade Elio de gevangenis van Massa aan en bevrijdt meer dan vijftig gevangenen, waaronder Pedrini, Zava en Giorgi; tijdens een snel uitstapje op 11 november 1944 blokkeren Elio en Padovan vermomd als Duitsers een colonne camions van de nazi’s op de weg Aurelia. Daar ontwapenen ze vijftien militairen die meerdere gehandboeide gevangenen (waaronder een priester) begeleidden en bevrijden de gevangenen. Ondertussen komen er andere camions aan die volgeladen waren met Duitse militairen. De versterkingen worden bedrogen door de uniformen die de partizanen dragen en moorden uiteindelijk elkaar uit, terwijl het kleine groepje kameraden zich zonder verliezen uit de voeten kan maken.

Om het belang van de anarchistische formatie Elio voor de partizanenstrijd in de Apenijnen te begrijpen, voegen we hier het verslag toe dat geschreven werd door haar commandant. Het komt uit het rapport ‘Costituzione, impiego ed attività della Formazione Gruppo ‘Elio’ nella zona Apuana’ [Samenstelling, werk en activiteit van de formatie Elio in het gebied van de Apenijnen] dat zich bevindt in de archieven van het CLN van Carrara:

“[…] ik heb me verplaatst naar Campo Cecina om de eerste formatie op te richten, die de naam ‘Gruppo Elio’ gekregen heeft. In een klimaat van absolute tactische en administratieve autonomie, heb ik de bewapening van de groep geïnventariseerd:

  • 2 zware mitrailleurs type Breda, kaliber 8, met 20 000 patronen
  • 4 machinegeweren, 5000 [patronen]
  • 2 lichte Duitse machinegeweren met 3000 patronen
  • 7 automatische Duitse pistolen
  • 12 Beretta mitrailleurs
  • 15 Sten
  • 40 Duitse geweren van het type Mauser
  • 50 musketten model 41
  • 15 geweren model 41
  • 200 granaten
  • 200 antitank-mijnen
  • 50 kilo trotyl met lonten
  • 200 000 patronen

JULI 1944

  • 20/7: 400 omhulsels en 6 kwintalen Trotyl gestolen bij TODT
  • 27/7: vuurwerk bij de brug Storto

AUGUSTUS 1944

  • 14/8: vuurwerk op de weg Castelpoggio-Campo Cecina
  • 16/8: aanval op een Duits voertuig, twee soldaten en een hoger officier gedood
  • 23/8: […] onze frontale actie: 15 SS’ers gedood en een Duits commandant gevangengenomen… Aanval van de SS op onze posities om de gevangen commandant te bevrijden. De vijand trekt zich terug, ondergetekende raakt gewond… Succes tijdens het gevecht: 38 gevangenen, 15 doden, 3 mitrailleurs, 3 automatische pistolen, 30 Mauser geweren. Bericht aan de commandant van de SS dat de gevangen SS’ers zullen geëxecuteerd worden in geval van represailles.

SEPTEMBER 1944

  • 9/9: inval in het ziekenhuis van Carrara, bevrijding van twee partizanen die tijdens het gevecht van 7/9/44 gevangen genomen werden.
  • 9/9: ontwapening van het garnizoen van de Brigata Nere.
  • 28/9: ontwapening van 5 SS’ers die gevangen genomen werden in de omgeving van Grazzano.

OKTOBER 1944

  • Patrouilles van onze groep vermomd als SS’ers, uitkamoperatie van de stad overdag.
  • 14/10: vuurwerk bij de posten van eenheden van de Linea Gotica (in M. Sagro, Campo Cecina, Castelpoggio en Torano)
  • 19/10: de volledige formatie verhindert de sabotage van de brug Vara. Het explosief dat door de Duitsers geplaatst was werd in brand gestoken.

NOVEMBER 1944

  • 1/11: actie op de weg Aurelia, overdag, met diefstal van wapens en munitie, ontwapening van 15 militairen, vuurgevecht en aftocht van de vijand…
  • 2/11: op ons initiatief bezetting van de stad Carrara. Vele wapens en voertuigen buitgemaakt, 35 gevangenen…”

In september 1944 voeren het nazistische bezettingsleger en de fascistische Brigate Nere honderden brandstichtingen, uitkamoperaties, massamoorden, vernietigingen van huizen en wreedheden van alle soort uit, vooral in de gebieden van Fivizzano, Carrara, Massa en Terrarossa. Dit was ondermeer mogelijk door de constructie van de Linea Gotica (5), en door het feit dat de Geallieëerden hun belofte om het offensief door te zetten niet hielden. Het geallieëerd offensief werd uitgesteld tot na de winter… Geconfronteerd met de noodzaak om de gewapende acties tegen de nazifascisten te coördineren, vormden de partizanen in deze gebieden een verenigd commando van de Apenijnse brigades om de activiteit van de tot dan toe autonome formaties te disciplineren.

Het proces van militarisering dat door het Verenigd Commando van de Apenijnse Brigade in gang werd gezet vereiste dat elke strijdende formatie een vertegenwoordiger verkoos. Alle verantwoordelijkheid voor militaire acties aan het front werd toegekend aan het CLN. Het CLN besliste ook over de discipline en de militaire en politieke doelen van de formaties. De formaties moesten dus orders ontvangen van het Commando van de Brigade.

Elio, Mariga, Pedrini en hun kameraden hebben zich tegen deze militaristische wending van de partizanenstrijd gekant. Ze werden beschouwd als incontrolados die geen orde en discipline verdroegen. Ze werden gemarginaliseerd en bekritiseerd omwille van hun zin voor autonomie en individuele verantwoordelijkheid.

Bij de Bevrijding ontfermt de sinistere hand van de man van Moskou (Palmiro Togliatti (6), minister van Justitie en Gratie) zich over het lot van de anarchisten. Hij definiëert ze als vijanden. En zo komt het dat Pedrini, Zava en Giorgi opnieuw gearresteerd worden – net zoals de duizenden andere partizanen die een bedreiging vormden voor de nieuwe republikeinse en burgerlijke orde. Ze werden veroordeeld tot 30 jaar gevangenis op basis van een gevecht tegen fascisten dat plaatsvond in La Spezia in 1942.

Giovanni Mariga ondergaat hetzelfde lot als zijn kameraden. Nochtans had de Britse legerleiding hem bijvoorbeeld opgedragen de SS-commandant Walter Reder te elimineren – een beul die verantwoordelijk was voor talloze slachtpartijen van weerloze burgers, zoals in Marzabotto en Vergate. Het Apenijnse CLN heeft vervolgens dit bevel uit angst voor Duitse vergeldingen opgeheven. Mariga wordt eveneens veroordeeld hoewel de Britse Gealliëerde legerleiding van de bezettingsmacht in Italië (het Vijfde Regiment) had voorgesteld om hem te decoreren met een gouden medaille voor Verdiensten als Partizaan omwille van zijn talloze en moedige acties tegen de nazifascisten. Giovanni Mariga, anarchist tot in z’n tenen, weigerde hoe dan ook deze onderscheiding. Hij had daarentegen niet de mogelijkheid om de levenslange gevangenisstraf te weigeren die de Justitie van de Italiaanse Republiek hem ‘met liefde’ toekende. De Republiek die geboren was uit het Verzet, veroordeelde hem op beschuldiging van moord op een bekende fascist en zijn vrouw te Santo Stefano Magra in 1946.

Al deze kameraden hadden zich schuldig gemaakt aan een té radicaal antifascisme dat onverenigbaar was met de belangen van de Republiek en de nieuwe richting van nationale pacificatie die ze wilde uitgaan. De minister van Justitie en Gratie, de communist Palmiro Togliatti, leverde het bewijs. Hij was er als de kippen bij om een algemene amnestie af te kondigen voor alle fascisten, en ‘vergat’ zijn echte klassevijanden: de anarchisten.

Anarchistische kring ‘Baffardello’ van Carrara

* Wij kozen ervoor om het Italiaanse woord pedroni te vertalen door bandieten. Pedroni verwijst in feite naar populaire struikrovers. In de context van de nederlandstalige gebieden zou je de term met enige goede wil kunnen begrijpen als geuzen.

(1) 8 september 1943. In 1940 stort Italië zich aan de zijde van nazistisch Duitsland in de oorlog. Na een reeks nederlagen (terugtocht van de Italiaanse troepen uit Tunesië op 12 mei 1943, landing van Anglo- Amerikaanse troepen te Sicilië op 10 juli 1943) wordt Mussolini door de Grote Raad van het fascisme opzij geschoven. De koning laat hem arresteren en benoemt op 25 juli 1943 de maarschalk Pietro Badoglio in zijn plaats. Gedurende twee maanden voert hij een dubbelzinnige politiek: terwijl Italië bondgenoot blijft van de Duitsers, begint het eveneens onderhandelingen met de Anglo-Amerikanen. Op 3 september 1943 wordt de wapenstilstand getekend, op 8 september wordt het bekend gemaakt. De koning Victor-Emmanuel III verlaat in zeven haasten Rome en vlucht naar Brindisi. Het leger dat geen bevelen meer ontvangt, krijgt af te rekenen met een grote beweging van desertie. Op 12 september wordt Mussolini bevrijd door de nazi’s, en op 15 september sticht hij in het noorden van Italië zijn collaboratie-regime, de Repubblica Sociale Italiana in Salò. Enkele dagen voordien hadden de tegenstanders van het fascisme zich gegroepeerd in een Nationale Bevrijdingscomité (CLN) dat tot aan het einde van de oorlog het Italiaanse Verzet vertegenwoordigde. De grote officiële geschiedenis van het Verzet begint dus op 8 september 1943. Het hoofddoel was het nationale territorium van de Duitse bezetting te ‘bevrijden’, terwijl het Comité de Anglo-Amerikaanse bezetting van de zuidelijke helft van het land volledig aanvaardde.

(2) OVRA. De term OVRA verschijnt voor de eerste keer op 3 december 1930 in een perscommuniqué van het Agenzia Stefani over de ontmanteling van een clandestien netwerk van Giustizia e Libertà in Milaan. OVRA verving in dat communiqué het woord ‘politie’. Bij gebrek aan een officiële definitie worden deze initialen over het algemeen geïnterpreteerd als ‘Organizzazione Volontaria di Repressione Antifascista’, Vrijwilligersorganisatie voor antifascistische repressie. De OVRA was de geheime politieke politie van het fascistische regime, draaiende op de gewoonlijke verklikkers en een uitgebreid netwerk van spionnen. De OVRA was afhankelijk van de inlichtingendienst van de Afdeling van de politieke politie en de Afdeling voor algemene en bijzondere zaken. Deze waren op hun beurt ondergeschikt aan de Algemene Directie van de publieke veiligheid van de minister van Binnenlandse Zaken. De officieuze baas van de OVRA, Guido Leto, omschreef het als een organisatie zonder territoriale beperkingen voor onderzoeken, met geavanceerde technische middelen en enorme financiële voorzieningen.

Leto staat vanaf het einde van 1943 in contact met de Anglo- Amerikaanse geheime diensten en de chefs van het Verzet. Hij verblijft kort in de gevangenis en wordt na de oorlog directeur van de Technische Scholen van de politie. Bijna alle inspecteurs van de OVRA maken na 1945 carrière: Saverio Polito bijvoorbeeld wordt prefect van de politie van Rome, Ciro Verdiani wordt in 1949 verantwoordelijke voor de onderzoeken naar de maffia in Sicilië. Gesualdo Barletta, de voormalige verantwoordelijke van de OVRA in Rome, was van 1948 tot 1956 de directeur van de nieuwe Divisie voor algemene en bijzondere zaken.

(3) 25 april 1945. Pas in 1955 werd 25 april gekozen als feestdag voor de definitieve overwinning op het fascisme en het nazisme. Deze datum werd verkozen boven 28 april, de dag van de executie van Mussolini. Zijn lijk werd daarna vanuit het dorp Dongo naar de piazzale Lorete in Milaan vervoerd om daar uitgestald te worden. Deze datum deed echter op een te radicale manier herinneren aan de burgeroorlog, ten nadele van de etatistische continuïteit en de opdringing van een ‘nationale verzoening’ die zowel door rechts als door de communistische partij gewenst werd. In feite was het op 2 mei dat de nazifascistische troepen zich overgaven aan de Anglo-Amerikanen, maar deze datum liet te weinig plaats aan het Italiaanse nationale verzet. Historisch gezien markeerde 25 april 1945 alleen maar de volledige machtsovername door het Nationale Bevrijdingscomité (CLN) en haar lancering van de algemene opstandige staking in drie steden in het noorden (Milaan, Turijn en Genua). Zij die de strijd voor de vrijheid verderzetten, zoals een aantal anarchisten, hielden op ‘partizanen’ te zijn en werden na 25 april 1945 dus opnieuw ‘bandieten’ en ‘criminelen’ zoals onder het fascisme.

(4) Brigate Nere [Zwarte Brigades]. Mussolini, die zich sinds september 1943 schuil hield in de republiek van Salò (RSI), beslist om de fascistische partij (PRF) te militariseren door op 21 juni 1944 per decreet de Brigate Nere op te richten. Hij beveelt dat de “politico-militaire structuur van de Partij zich moet omvormen tot een exclusief militaire organisatie.” Alle leden van de PRF, van 18 tot 60 jaar, maakten deel uit van de brigades. Brigate Nere wordt zo de nieuwe naam van de federaties van de partij. Ze telde 48 territoriale afdelingen die overeenkwamen met de provincies die onder controle stonden van de RSI, waaronder 4 ‘mobiele’ brigades. De Brigate Nere moesten de interne vijand (de partizanen dus) bestrijden. Deze gewapende partij voerde politie-operaties uit en concurreerde onophoudelijk met de andere organen van het regime, in het bijzonder met de Guardia nazionale repubblicana (bestaande uit carabinieri, overblijfselen van de politie van de Italiaanse kolonieën in Afrika die trouw waren gebleven aan het regime en miliciens) en vooral met de paramilitaire organen (de Italiaanse SS, de mariniersdivisie X Mas onder leiding van Valerio Borghese). De Brigate Nere, net zoals de andere organen van de RSI, zijn verantwoordelijk voor enorme massamoorden onder de bevolking vanaf de zomer van 1944 tot april 1945. Ze profiteerden in het bijzonder van de Anglo-Amerikaanse beslissing om het offensief te stoppen en de winter van 1944 te laten voorbijgaan, waardoor de partizanengroepen van het noorden alleen stonden tegenover de nazi’s en de fascistische troepen.

Zie Dianella Gagliani, Brigate Nere, Mussolini e la militarizzazione del Partito fascista repubblicano, Bollati Boringhieri, Turijn, 1999, 306 p.

(5) Linea Gotica. De Linea was een verdedigingslinie die door de Duitse militaire legerleiding ingesteld was na de voorlopige val van Mussolini in juli 1943 en de landing van de Anglo-Amerikanen op Sicilië in de zomer van 1943. De Linea Gotica strekte zich uit over 280 kilometer van het oosten tot het westen van Italië, vertrekkende van Massa en Carrara aan de Middellandse Zee, over de Appenijnen tot aan het noorden van Pesaro aan de Adriatische Zee. Tussen 28 augustus 1943 en september 1944 staan 20 Anglo- Amerikaanse en 22 Duitse divisies tegenover elkaar langs deze linie.

De gevechten behoorden tot de meest zware van de hele oorlog. De partizanenbrigades die zich in de rug van de nazi’s bevonden waren zeer kostbaar voor de Geallieëerden, in het bijzonder bij de bevrijding van Pesaro en vervolgens Rimini, en bij de bevrijding van het gebied ten zuiden van Bologna. Als vergelding wreken de nazi’s zich op talloze dorpen. In Marzabotto bijvoorbeeld worden tussen 29 september en 1 oktober 1944 ongeveer 1830 mensen vermoord. Hoewel de Geallieëerden hadden beslist hun offensief te staken om de winter van 1944 te laten voorbijgaan, beslisten talrijke groepen partizanen om hun aanvallen op Duitse troepen verder te zetten.

(6) Palmiro Togliatti (1893-1964). Hij is één van de leiders van de Italiaanse communistische partij (PCI) en vlucht in februari 1926 naar Moskou. Daar vertegenwoordigt hij de PCI in het uitvoerende orgaan van de Communistische Internationale (CI). Vanaf 1931 verdedigt hij binnen de CI de stelling van de trage actie op het legale terrein binnen de weinige ruimte die het fascisme nog vrijliet, en wilde hij zo de massatendensen die aanwezig zijn binnen het fascisme uitbuiten om een beweging op te bouwen die in staat zou zijn het omver te werpen. Vanaf 1934 verdedigt hij de stelling van een eenheidsfront met de sociaal-democraten. Hij wordt benoemd tot directeur van het Secretariaat van de Communistische Internationale, en wordt vanaf 1937 afgevaardigde van de CI in Spanje. Nadat hij had bijgedragen tot de liquidatie van de Spaanse revolutionairen, verdedigde hij uiteraard het pact tussen Duitsland en de Sovjetunie van 1939. Het is dus pas vanaf 1941, na de nazi- aanval op de Sovjetunie en vervolgens na de val van Mussolini in september 1943 dat de Italiaanse communistische Partij van de antifascistische strijd haar centrale as maakt. In augustus 1936 schrijft hij nog in ‘Oproep aan de fascisten voor het welzijn van Italië’, gepubliceerd door Lo Stato Operaio, het blad van de PCI in Parijs: “Wij verkondigen dat we bereid zijn samen met jullie en het hele Italiaanse volk te vechten voor de verwezenlijking van het fascistische programma van 1919.”

Na 18 jaar ballingschap in dienst van de CI keert hij in maart 1944 terug naar Italië en ordonneert onmiddellijk dat er “met alle democratische partijen” samen een nieuwe regering gevormd moet worden, en dat de klassebelangen niet mogen voorgaan op het nationaal belang. Hij wordt dan minister zonder portefeuille in de monarchistische regering Badolgio en daarna Bonomi van april tot december 1944. Daarna wordt hij van december 1944 tot juni 1945 (tweede regering Bonomi) vice-president van de Raad, en van juni 1945 tot juli 1946 bekleedt hij de post van minister van Justitie en Gratie (binnen de linkse regering Parri en daarna de rechtse regering De Gasperi).

Met andere woorden, het is Togliatti die als leider van de communistische partij en uitvoerend minister de amnestie van 22 juni 1946 heeft voorgesteld en heeft toegepast. Deze amnestie zal 7000 van de 12000 opgesloten fascisten vrijlaten (waaronder ex-ministers en talloze beruchte beulen en fascistische verantwoordelijken). De anarchisten en andere dissidente partizanen van de PCI zullen daarentegen 30 jaar gevangenis uitzitten voor ‘delicten’ tegen de fascisten.

Over het artikel van 1936, zie Palmiro Togliatti, Appel aux fascistes, Nautilus, Parijs, 1983, 60 p.

Over de linkse en ultra-linkse oppositie tegen de PCI binnen het verzet na de terugkeer van Togliatti, zie Arturo Peregalli, L’altra Resistenza. Il PCI e le opposizioni di sinistra (1943-1945), Graphos, Genua, 1991, 390 p.

Over de activiteiten van minister Togliatti, zie Arturo Peregalli en Mirella Mingardo, Togliatti guardasigilli (1945-1946), Colibrì, Paderno, Dugnano, Milaan, 1998, 128 p.

Autobiografische scherven van Uomini Contro

  • “In de hel van het leven
  • treedt het meest nobele deel
  • van de mensheid binnen.
  • De anderen blijven
  • op de drempel staan
  • en verwarmen zich.”

Hebbel

De protagonisten

Carrara is een stad met een echte anarchistische traditie, een traditie die teruggaat tot in de duisternis der tijden. De Lega degli spartani (de Liga van de voortzetters van Spartacus) biedt een goed voorbeeld van de liefde voor de vrijheid van de inwoners van Carrara biedt. In de vorige eeuw, de tijd van Bakoenin, telde de Lega een groot aantal medeburgers.

Deze proto-anarchisten, een beetje ruw en vaak niet zo beschaafd, waren - en de herinnering aan hen is nog zeer levendig - bijzonder genereus en vol menselijkheid, en toonden vooral de grote hunker naar autonomie als allereerste vrijheid, wat de typische kenmerken zijn van het traditionele anarchisme van mijn generatie. Zij verdroegen het niet te leven en te werken voor een patroon, ze verdroegen het dus niet uitgebuit te worden en zich slaven te voelen. Om vrij te blijven werkten ze daarom op de volgende manier: ze zochten naar resten in de marmergroeven die verlaten waren door de kapitalistische uitbuiters, waarmee ze hen dus een dienst bewezen. Daarna gebruikten ze deze resten naar oude artisanale gewoonte om in de stad spiegeldragers, vijzels, vazen en andere objecten te maken die ze om te overleven verkochten op de lokale markt of aan de grenzen van hun provincie.

Toen zei men dat deze spartani minder goed leefden dan de andere arbeiders die werkten in de marmergroeven. Daaruit kunnen we afleiden dat deze personen verkozen - en dat hebben ze lange tijd gedaan - om in nog miserabelere omstandigheden dan de andere uitgebuitenen te leven om autonomer en vrijer te blijven. Voor hen had de vrijheid zelfs op het moment van hongersnoden geen prijs. Een identiek voorbeeld vindt men in Liguria, een regio naast Carrara. Eeuwenlang bestonden daar twee types contracten voor matrozen die wilden inschepen. De twee contracten verschaften verschillende lonen. Zij die het minst goed betaald werden (zij die onder het contract met het laagste loon vielen) hadden daarentegen wel het recht om te protesteren, te klagen en zelfs om de baas te beledigen.

Tijdens de tweede helft van de vorige eeuw sloten de bewoners van mijn land, de arbeiders, de marmerontginners, de uitgebuitenen, net zoals het grootste deel van de matrozen van Liguria, zich massaal aan bij de ideologie die eerst door Bakoenin en daarna door Gori (1), Malatesta en Toccafondo werd gepropageerd: het libertaire socialisme. Heel wat bekende en minder bekende figuren van de anarchistische beweging kwamen uit mijn land, maar de geschiedenis van deze feiten en deze mensen is al geschreven.

Ik zal me tevreden stellen met het beschrijven van het Carrara waar ik geboren ben, waar ik de eerste jaren van mijn kindertijd doorgebracht heb en waar ik de ideeën heb laten rijpen waarvoor ik heb gevochten, waarvoor ik meer de helft van mijn leven in de gevangenis heb gezeten, waarvoor ik nu ik buiten ben nog steeds wil vechten, waardoor ik heb kunnen overleven, waarvoor ik wil blijven leven en strijden.

(1) Pietro Gori (1865-1911): Veelzijdig anarchist, met name als advocaat die verschillende kameraden heeft verdedigd (waaronder Malatesta en de anderen die beschuldigd werden omwille van de algemene staking tegen de verhoging van de broodprijs in Ancona in 1898), als schrijver die Addio Lugano (1894) samenstelde, als spreker tijdens debatten in Engeland en de Verenigde Staten, als agitator die deelneemt aan het oprichtingscongres van de Argentijnse FOA (1901) dat aanleiding zal geven tot de anarcho-syndicalistische FORA in 1904.

De vooroorlogse tijd

Mijn moeder stierf toen ik negen jaar oud was, en jammer genoeg heb ik weinig herinneringen aan haar. Mijn vader was beeldhouwer. Hij beitelde marmeren beelden en dankzij zijn activiteiten reisde hij veel en bezocht vele steden. Hij heeft mij Belgrado genoemd omdat zijn herinnering aan deze mooie stad nog erg levendig was.

Mijn vader heeft zich op politiek vlak nooit geëngageerd. Hij was een soort vrijdenker, en hij had interesse voor de problemen van het volk en de uitgebuitenen. Hij las veel. Hij had zo z’n eigen manier om het leven te zien en te bestuderen, vooral wat inter- individuele relaties betrof. Maar nooit uitte hij militante ideeën, en ik herinner me niet dat hij ooit een vinger heeft bewogen om te vechten tegen de bazen, de Staat, de fascisten en de Kerk.

Laat het duidelijk zijn dat het fascisme hem op geen enkele manier beviel; ik herinner me daarentegen dat hij verlangde en droomde van een vrijer collectief leven. Vaak uitte hij zich met kleine boutades, korte vertogen tegen het fascisme en tegen Mussolini. De echo van standpunten weergalmde tot bij de autoriteiten van de stad: hij werd meegenomen naar het casa del fascio (1) en bedreigd. De fascisten zeiden hem duidelijk dat hij zich maar beter niet uitte zoals hij gewoonlijk deed als hij wilde dat ze hem met rust lieten. Er is geen gevolg van gekomen en hij bleef binnen de muren van zijn huis de fascisten bekritiseren.

Wanneer we discussiëerden over het anarchisme, dat ik vanaf mijn 18 jaar had omarmd - een keuze waarvan hij zich volledig bewust was -, zei hij graag: “Pas op voor de ideeën die je propageert, ze zijn heel mooi maar ik heb de indruk dat het slecht zal aflopen. Je zal het wel zien als ik me vergis, maar je zal in de gevangenis of in één of ander gesticht eindigen. Overhaast je niet, laat je niet inpakken door je fascinatie voor deze ideologie, die de meest menselijke is maar ook de meest onrealiseerbare in deze fascistische rotzooi. Volgens mij - zei hij dan nog - zou je rustiger kunnen leven, het is niet het moment om onder zulke vlag te vechten, je zou beter het eind van de dictatuur afwachten.”

Eigenlijk was mijn vader niet tegen mijn ideeën. Gezien hetgeen mij overkomen was - van repressie tot gevangenis - aarzelde hij niet om te sympathiseren met de anarchisten van Carrara en dus met mijn ideeën. Ik kan daar nog aan toevoegen dat mijn vader van alle individuen uit de anarchistische beweging die hij heeft gekend, het meest door Errico Malatesta geraakt werd. Hij had hem ontmoet in Milaan, hij was ermee bevriend en had veel respect voor hem. Naar aanleiding van de hongerstaking die Malatesta in 1920 in de San Vittore- gevangenis in Milaan begonnen was, vertelde mijn vader vaak over hem en zei me: “Ik heb in mijn leven nooit een mens met zo’n grootse en menselijke opvattingen gekend.” Hij onderstreepte vaak de bijzondere kwaliteiten van Errico: zijn soberheid, zijn uitbundigheid, zijn generositeit en zijn zin voor menselijkheid.

“Ik herinner me, zo vertelde hij me eens, dat ik hem op een rots zag zitten, omringd door zijn kameraden, terwijl ze met de grootste natuurlijkheid een beetje brood en vijgen deelden. Zo’n houding, zo eenvoudig en sympathiek… Ik bedacht me dat als ik niet zoveel problemen had, niet zo’n talrijke familie en kinderen moest voeden en als ik jonger en vrijer geweest was, ik zeker niet geaarzeld zou hebben deel uit te maken van zijn beweging en die van zijn kameraden.”

Na de Eerste Wereldoorlog hernamen de anarchisten van Carrara hun strijd tegen de bazen en de Staat. De vorming van de groep del Piastrone, die zich met alle middelen waarover ze beschikte verzette tegen de komst van het fascisme, dateert van deze periode. Terwijl Picelli met zijn Arditi del Popolo (2) en de revolutionaire syndicalisten de Mars op Rome van Mussolini in Parma probeerden te blokkeren, deden de kameraden in Carrara hetzelfde in hun stad. In die periode was ik nog een kind, maar ik herinner me niet dat ik heb horen praten over andere groeperingen die bereid waren om de opkomst van het fascisme ten allen prijze te stoppen.

Toen ik jong was, was er een zekere Forzetti, een anarchist uit Carrara die me door zijn manier van doen bijzonder had geraakt. Toen hij het beu was door de carabinieri’s en de fascisten vervolgd te worden, opende hij het vuur op hen. Volledig omwille van politieke redenen. Hij werd veroordeeld tot 30 jaar gevangenis, ik heb hem ontmoet in de gevangenis van Pianosa in 1937 of 1938.

Een heel boek zou niet volstaan om alle feiten, anekdotes en acties van de anarchisten van Carrara en Toscane tegen de fascisten te vertellen. Je moet weten dat mijn kameraden niet dezelfde fout begingen als de socialisten en de communisten, die helemaal werden verpletterd door de groei van het fascisme en pas in 1943 de strijd opnieuw opnamen. De anarchisten hebben nooit opgegeven en hebben zelfs na 25 april [de datum van de officiële bevrijding van Italië] verder gevochten, binnen de beperkingen van hun mogelijkheden welteverstaan.

Ze publiceerden affiches en pamfletten en verdedigden zich met wapens wanneer dat nodig was. Aangezien ik niet op de medewerking van grote groepen kameraden of de massa’s kon rekenen, ben ik tijdens het fascisme mijn subversieve anarchistische activiteiten begonnen als individualist. Het is niet dat ik geloofde in de theorieën van Nietzsche, Stirner of Ciancabilla (3). Nee, ik voelde me eerder collectivist, libertair communist. Maar aangezien ik niet op een collectieve, georganiseerde manier kon vechten tegen het kapitalisme en de fascistische Staat, koos ik ervoor - om mijn anarchisme te doen overleven - individueel te ageren, of eerder, te reageren.

Mijn libertaire volwassenheid is geboren uit een wetenschappelijke en persoonlijke analyse die ik tijdens mijn jeugd gemaakt heb. Mijn revolte richtte zich onmiddellijk tegen autoriteit, tegen het fascisme, het kapitaal, de Staat, de misbruiken, de uitbuiting van de ene mens door de andere. Ik moest strijden tegen al deze dingen die me verhinderden adem te halen en me een individu te voelen.

Toen ik 18 jaar was, sloot ik me aan bij de anarchistische beweging van Carrara, een beweging die, terwijl ze volledig opgejaagd en bestreden werd, overleefde door vergaderingen, discussies, gezamelijke lezingen, de circulatie van boeken en kranten, de verdeling van pamfletten, het plakken van affiches en gewapende acties tegen het regime.

Van tijd tot tijd kwamen we samen op een plaats die “Buc” (il buco: het gat) genoemd werd: we daalden af langs een trapje naar een ondergrondse kamer waar we praatten over “wat te doen” bij het schijnsel van een kaars; we analyseerden het heden en we probeerden greep te krijgen op de toekomst. De acties, vaak gewild, georganiseerd en gerealiseerd door één enkele kameraad of hooguit door twee, vonden plaats met wat we konden recupereren. Ieder handelde alleszins volgens zijn eigen bewustzijn: ieder dacht na over projecten en zette zijn project op de meest autonoom mogelijke manier in gang. Het is dankzij dit clandestiene bestaan van de beweging dat Lucetti zijn project ontwikkelde om Mussolini te vermoorden, op z’n eentje met een bom. Jammer genoeg mislukte zijn poging, maar hij had geprobeerd en dat was zeer belangrijk.

Ik denk dat Lucetti het perfecte voorbeeld is van een anarchist die wanneer hij geen collectieve emancipatorische acties met en vanuit de massa’s kan realiseren, er uiteindelijk voor kiest om in dit klimaat van onderdrukking en afwezigheid van vrijheden (wat het fascisme was) zijn anarchisme, zijn revolutie, op de enig mogelijke manier te verwezenlijken: door individuele actie. In klare taal: zijn actie was individualistisch maar rechtvaardig.

Hij heeft geageerd tegen het regime, tegen de onderdrukker, tegen de autoriteit en tegen de Staat. Hij heeft zijn daad zelf georganiseerd, met zijn eigen krachten en capaciteiten.

Het overleven van de clandestiene anarchistische beweging waar ik deel van uitmaakte was, om het zo te stellen, het werk van individuen. Ze bleef zich uiten, ook al gebeurde dat niet ononderbroken. Ondanks het klimaat van onderdrukking, drukten en verdeelden de kameraden van Carrara pamfletten waarin ze de bevolking aanspoorden om te reageren tegen de tiran en hun eigen strijd voor emancipatie voort te zetten. Ze schoven de pamfletten onder de deuren van huizen, legden ze in de wachtzalen van de stations, op de tafels van cafés. Het is dus in dit klimaat van constante samenzwering dat ik mijn plannen voor de aanval op het regime en de fascistische Staat ontwikkelde.

Het is door te lezen en te studeren dat ik terecht gekomen ben ik in de buco, in de clandestiniteit. Ik ben tot het anarchisme van Bakoenin gekomen door me te verdiepen in het nietzscheaanse denken. Toen ik jonger was, ongeveer 15 jaar oud, had ik de werken van deze Duitse filosoof gelezen: de Godenschemering, Alzo sprak Zarathustra, de Vrolijke Wetenschap. Deze werken stelden me in het begin tevreden door hun haat voor de christelijke en bourgeoismaatschappijen. Mettertijd spraken de ideeën van Nietzsche me niet meer aan: mijn denken was al vanaf het begin verbonden met het egalitarisme, het libertaire socialisme, het collectivisme. Mijn rebellie en mijn dorst naar kennis ontmoetten vervolgens De ene en zijn eigendom van Stirner. Enkele maanden later verwierp ik ook Stirner. Zelfs hij stelde me niet meer tevreden.

Om te besluiten kan ik zeggen dat ik tijdens de fascistische periode mijn leven in vrijheid al lezend heb doorgebracht. Na de werken van Bakoenin, Proudhon, Kropotkin, Malatesta, Cafiero, etc., gelezen en bestudeerd te hebben, ben ik mezelf als anarchist beginnen omschrijven. Daarna heb ik de kameraden van Carrara ontmoet. Ik ben met hen beginnen militeren.

Van deze jaren herinner ik mij Giovanni Zava, Oreste Bonucelli, Pelliccia, de broers Tolaini, Orgade (il claudicante, ‘de kreupele’). Met hen heb ik gediscussieerd en geageerd, met hen ben ik in de gevangenis, op het politiekantoor of onder administratief arrest beland. Eens terug in vrijheid, heb ik met hen de strijd hernomen. Samen met hen ben ik in elkaa geslagen, ben ik verklikt voor clandestiene propaganda, samen met hen heb ik veroordelingen opgelopen en ben ik, eens terug in vrijheid, herbegonnen met ageren.

In die tijd heb ik persoonlijk meerdere acties uitgedacht en voorbereid, die vaak vaak slechts projecten zijn gebleven. Eén keer ben ik er zelfs in geslaagd volgens de regels van de kunst een aanslag te plannen tegen het casa del fascio in Carrara, tegen de secretaris van de fascistische partij Renato Ricci en zijn handlangers, maar het is er niet van gekomen.

(1) Casa del Fascio : lokale zetel van de Nationale Fascistische Partij (PNF). De casa del fascio was niet enkel een simpele randsectie van de organisatie, maar een soort tempel van politieke religie ter ere van Benito Mussolini, met zijn dodencultus en zijn bataljons zwarthemden. Op 28 oktober 1923, lanceerde Mussolini tijdens een toespraak om de eerste verjaardag van de Mars op Rome te vieren, deze casa: “Ik bewonder het feit dat jullie mooie kantoren bouwen. Wij zijn artiesten. Wij houden niet van de obscure wijnkelders. Laten we de zweterige lokalen die vol met infecties zitten overlaten aan zij die bij de lage diersoorten horen.”

(2) Arditi del Popolo: [“Onbevreesden van het volk”]: De Arditi waren een 20 000 man sterk speciaal korps van het Italiaanse leger wiens rol het was om achter de vijandelijke linies aan te vallen onder het motto: “de mooie en wraakzuchtige dood.” In 1918 bekeert een deel van de Arditi, doorheen hun oud-strijdersorganisaties, zich tot een wraakzuchtig nationalisme dat zich zal aansluiten bij Mussolini in Milaan en Padua, terwijl een ander deel (dichter bij de socialisten, anarchisten en revolutionaire syndicalisten) hun haat en walging voor de oorlog omzetten in revolutionaire en anti-kapitalistische woede. Eind juni 1921 zullen daaruit de eerste anti-fascistische formaties geboren worden onder de naam van Arditi del Popolo. In Viterbo (11 juli 1921), Sarzana (21 juli), Ravenna (11 september), Rome (9-13 november), Piombino (24 april 1922), Civitavecchia, Bari, Genua, Ancona (begin augustus) en Parma zullen ze de fascisten uit hun stad jagen, op hun eentje of samen met de opstandige bevolking, door hun militaire kennis te gebruiken bij straatgevechten.

De Arditi del Popolo ontbonden zich snel na de slag van het akkoord dat op 3 augustus 1921 tussen de leiders van de socialisten en de fascistische partij werd getekend. Ook de afscheiding van de Italiaanse communistische partij (PCd’I) van Amadeo Bordiga, die in januari was gesticht en die niets anders wilde dan groepen ondergeschikt aan haar leiding,en de hevige repressie die volgde op de verovering van de macht door de fascisten op 29 oktober 1922 speelden mee. Uiteraard waren zij ook slachtoffer van hun eigen beperkingen, zoals het gebrek aan politieke perspectieven (ze waren eerst en vooral een groep van proletarische zelfverdediging). Ze zijn altijd erg afhankelijk gebleven van de context die getekend werd door de nederlaag van de beweging van fabrieksbezettingen, het falen van de pogingen tot opstand, en uiteindelijk de komst van het fascisme en haar niet te ontkennen populaire basis.

Zie Marco Rossi, Arditi, non gendarmi! Dall’arditismo di guerra agli arditi del popolo (1917-1922), BFS Edizioni, Pisa, 1997, 190p.; Eros Francescangeli, Arditi del popolo. Argo Secondari e la prima organizzazione antifascista (1917-1922), Odradek, Rome, 2000, 322p.; Luigi Balsamini, Gli arditi del popolo; dalla guerra alla difesa del popolo contro le violenze fasciste, Galzerano Editore, Salermo, 2002, 280p.

(3) Guiseppe Ciancabilla (1871-1904): In 1897, na in Griekenland aan de zijde van de revolutionaire socialist Amilcar Cipriani te hebben gevochten tegen de Ottomaanse overheersing, publiceert deze socialistische journalist in Avanti! een gesprek met Malatesta dat aanleiding zal geven tot discussies en debatten tussen socialisten en anarchisten. Daarna sluit hij zich bij de anarchisten aan. Naar aanleiding van de repressie van de revoltes van 1898, gaat hij in ballingschap naar Zwitserland, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. Als stichter van de krant L’Aurora en van het blad La Protesta Umana in 1902 te Chicago, ontwikkelt hij ondermeer het idee van de informele organisatie, waarbij hij individuele daden tegen de macht verdedigt (de moord op de koning van Italië Umberto I door de anarchist Gaetano Bresci op 29 juli 1900, de moord op de Amerikaanse president William McKinley door de anarchist Leone Czolgosz op 29 oktober 1901).

(4) Gino Lucetti (1900-1943): Afkomstig uit Avenza, regio van Carrara. Op 11 september 1926 werpt Gino Lucetti in Rome een bom naar de wagen van Mussolini die de piazzale di Porta Pia voorbijreed. Jammer genoeg stuiterde de bom op de motorkap weg en ontplofte een eind verder, waardoor meerdere mensen lichtgewond geraakten. Op 11 juni 1927 wordt hij door een speciaal tribunaal veroordeeld tot 30 jaar gevangenisstraf (Leandro Sorio, een anarchist die ober was in de herberg waar Lucetti verbleef, en Stefano Vatteroni, een anarchist uit Rome die bevriend was geraakt met Lucetti, kregen 20 en 18 jaar wegens medeplichtigheid). Hij wordt eerst opgesloten in de gevangenis van Regina Coeli (Rome), vanaf augustus 1927 in Portolongone (op het eiland Elba), daarna, in februari 1930, in Fossombrone (Pesaro) en uiteindelijk in de gevangenis op het eiland Santo Stefano in juni 1932. Na de landing van de Anglo-Amerikaanse troepen en na de wapenstilstand die op 8 september 1943 met de Italiaanse regering werd gesloten wordt het grootste deel van de politieke gevangenen bevrijd. Na 17 jaar gevangenis, in een hel van folter en honger, komt Lucetti op 11 september 1943 buiten. Zes dagen later, wanneer hij zich nog in Ischia (Napels) bevindt waar hij was vrijgelaten, sterft hij tijdens een bombardement van de nazi’s dat ondersteund werd door Italiaanse kanonnen vanuit de zee.

Zie Riccardo Lucetti, Gino Lucetti: l’attentato contro i Duce (11 settembre 1926), Cooperativa Tipolitografica Editrice, Carrara, 2000, 206 p.

De eerste gevangeniservaringen

Zoals ik al zei, ben ik meermaals in de kooien en in de spelonken van het fascistische Italië beland. Om exact te zijn, ik herinner me noch het aantal keren, noch de precieze redenen. In 1937 of 1938 werd ik in Pianosa ondergebracht in de 6de divisie: ze sloten me op in cel n°2 terwijl een kameraad in n°3 zat, een zekere Natale Fruzzetti. We zagen elkaar tijdens de wandelingen en stopten maar niet over de mogelijkheden voor een revolte te discussiëren en de huidige situatie te analyseren. Dat was intussen al een gewoonte geworden.

Maar toen zaten er ook andere antifascistische gevangenen binnen. Onder de socialistische gevangenen zat een zekere Pertini (1). Ik herinner me dat de kritiek op wat er gebeurde in de Sovjetunie tijdens die jaren erg uitgewerkt was bij de socialisten, zeker over wat er gebeurde tussen Trotski en Stalin.

Op een dag stelden de socialisten, verbetener dan gewoonlijk, de theses die net ontwikkeld waren op het laatste congres van de Communistische Internationale in vraag en beweerden dat het zogenaamde staatssocialisme enkel in één ‘gidsland’ werd toegepast en moest toegepast worden. Tijdens dit congres had Trotski het toekomstige failliet van het Russische experiment voorspeld en aangetoond, zowel op internationaal niveau als in zijn middens. Voor hem was dat verbonden met het feit dat de Sovjetunie juist het enige ‘socialistische’ land was. Enkele socialisten en communisten verdedigden daarentegen dat Stalin gelijk had om de bruikbaarheid en noodzakelijkheid van Rusland als enig socialistisch land en enig gidsland te theoretiseren.

Pertini was bij diegenen die Trotski en zijn theses verdedigden. Natele Fruzzeti was een eenvoudig man van weinig woorden, maar hij voelde toch de noodzaak om tussenbeide te komen. Ik herinner me dat hij voor de socialisten en de communiste onderstreepte dat het nutteloos was om zowel in de ene als in de andere hypothese te volharden aangezien de strijd tussen Stalin en Trotski een ander karakter had: Stalin was machtiger en zag in Trotski een tegenstander die moest uitgeschakeld worden. En als Trotski - daar stond Fruzzeti op – op de plaats van Stalin gezeten had, zou hij op dezelfde manier als zijn rivaal gehandeld hebben.

“Ik denk, besloot Natale, dat hun familiedispuut ons niet aangaat. Ik stel dus voor terug te komen op de analyse van het sociale vraagstuk dat ons van dichtbij aangaat. Dat deze twee Staatsmannen onderling hun plan trekken, volgens hún machtslogica.” Hierop antwoordde Pertini iets in de trant van: “Onze theoretische vraagstukken brengen ons momenteel tot ee internationale analyse. Jullie, anarchisten, kunnen jullie conclusies trekken, maar voor ons is dat geen politiek. Als je jullie methodologie volgt, kan je geen ander resultaat dan dat van jullie bekomen. Ik denk dat jullie voor bepaalde vraagstukken gewoon niet geschikt zijn: jullie zijn te kortzichtig om de objectiviteit van onze specifieke dilemma’s te begrijpen. Zelfs als ik jullie begrijp - besloot hij dan - en als ik weet dat ik met jullie kan discussiëren over het politieke karakter van het sociale vraagstuk, dan geef ik er nog de voorkeur aan, zonder jullie te willen beledigen, om te vermijden over buitenlandse politiek te praten. Vanuit een strikt ideologisch en anarchistisch standpunt hebben jullie volledig gelijk, maar wij - als socialisten - hebben er belang bij te begrijpen wat er in Rusland gebeurt, zelfs al gaat het maar over een simpel machtsprobleem.”

Voor mij, een nieuweling, was Rusland niet meer dan een land waar er een revolutie was geweest. Nochtans, ondanks het klimaat van samenzwering waarin we als anarchisten leefden, ondanks de beperkingen van mijn leeftijd (ik was 18 jaar oud), ondanks mijn schaarse contacten en mijn beperkte kennis over wat er tussen 1917 en 1920 in Rusland was gebeurd, ben ik 45 jaar later nog steeds niet van mening veranderd. Ik beschouwde de geboorte van een Staat en een ‘proletarische’ rode dictatuur in Rusland als iets zeer negatiefs. Maar ik bleef gefascineerd door het feit dat een gewapend volk in het begin de bazen en de regeerders had verslagen en daarna, in de mate van het mogelijke, met diezelfde wapens de bekomen veroveringen verdedigde. In de Oekraïne bijvoorbeeld zocht Makhno naar de meest libertair mogelijke manier om de revolutie te voeren - ondanks de tegenstand van de Witten en daarna ook van de Roden.

Mijn kameraden en ik, wij wilden de Russen in deze eerste fase imiteren. We wisten dat we maar met weinig waren om te vechten tegen een goed georganiseerde fascistische Staat, maar we brandden van verlangen om een voorbeeld te geven, in naam van het ideaal en een betere samenleving. We wilden deze (objectief bekeken) negatieve omstandigheden veranderen opdat de uitgebuitenen zich later op een libertair socialistische manier zouden kunnen organiseren.

In de geschiedenis van de Russische revolutie hadden de gebeurtenissen in Kronstadt me bijzonder geraakt: de gewapende matrozen hadden nog een laatste keer geprobeerd om de revolutie uit te breiden door op een extreme en voorbeeldige manier te vechten tegen de bolsjewistische macht, de nieuwe rode bazen. De repressie die daarop volgde is in mijn geheugen gebrand: anarchisten, matrozen en revolutionairen werden gefusilleerd op bevel van Lenin en Trotski, de chef van het Rode Leger.

In de Russische revolutie en de oprichting van een nieuwe socialistische Staat zag ik een bevestiging van de hypotheses die Bakoenin al had aangereikt na de breuk met Marx in de Eerste Internationale.

Wat Lenin en Trotski betreft, deel ik het oordeel dat Malatesta bij de dood van de eerste had uitgedrukt:

“Lenin is dood. Goed. Leve de vrijheid!”

(1) Alessandro Pertini (1896-1990): Historische figuur van het Verzet. Als socialist engageert hij zich vanaf 1924 in de antifascistische strijd. In 1925 werd hij omwille van een pamflet voor de eerste maal veroordeeld. In februari 1929 werd hij vervolgd door de Franse Staat omdat hij daar (waar hij in 1926 naartoe gevlucht was) clandestiene radio-uitzendingen verzorgde die bestemd waren voor Italië. Als hij terugkeert naar Italië, wordt hij tot 7 jaar gevangenis veroordeeld omdat hij “de nationale belangen had geschaad” en omwille van “beschadiging van het aanzien van Italië in het buitenland.” Daar leerde hij een aantal partizanen van andere tendensen kennen, met een deel ervan sympathiseerde hij. Vanaf 1935 wordt hij onder huisarrest geplaatst, vanaf 1943 neemt hij deel aan het Nationale Bevrijdings Comité, reorganiseert hij de socialistische Partij (PSIUP) en de partizanengroepen die met hem verbonden zijn. Na de oorlog wordt hij chef van de socialistische Partij, daarna voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers (1968-1976) en president van de Republiek (1978-1985). Op zijn manier trouw aan zijn partizanenverleden, ondersteunde hij de vragen voor de vrijlating van ex-partizanen die na de oorlog werden opgesloten.

1942 - 1944

Het anarchistische verzet tegen het fascisme in Carrara en in heel Italië was al 20 jaar aan de gang. De anarchisten gingen de gevangenissen in en uit en werden onder toezicht geplaatst, de confino (1), voor sporadische maar permanente daden, begaan door individuen of door kleine groepen.

Op een avond zijn we met enkele kameraden binnengestapt in een lokaal in Carrara waar zich zeven of acht militieleden bevonden die gewapend waren met dolken waarop het beeld van Mussolini en een doodskop gegraveerd was. Dat was meestal hun dienstwapen wanneer ze geen matrakken of pistolen hadden. Met de gewoonlijke fijnbesnaardheid die hen onderscheidde, vielen ze de jonge zussen van de baas van de herberg lastig. Wij grepen snel in, met pistolen in de hand, en nadat we ze hadden ontwapend hebben we ze wat klappen gegeven. Het ging niet eenvoudigweg over de dommigheden die ze aan het zeggen en doen waren, maar wel over het ontladen van een beetje van de schuwe haat die we tegenover hen voelden opwellen. De operatie was snel volbracht maar de volgende dag opende de fascistische militie op bevel van adjudant Evangelisti de jacht: ze zochten ons in de buurt van onze woonplaatsen en op de plaatsen waar we geregeld kwamen. Gelukkig hebben ze ons niet gevonden, want dat zou ons einde betekend hebben. Toen volstond het om een revolver op zak te hebben om zonder proces gefusilleerd te worden.

Het was niet onze eerste actie zonder bedekt gezicht, zo ging het al een jaar, alles voor alles riskerend. Wij waren immers openlijk in strijd tegen het regime, bereid om alles te riskeren, zelfs het leven. Om te ontsnappen aan arrestaties zijn we na deze affaire naar Milaan gevlucht. Daar bevond ik me tijdens een nacht in november 1942 (één van de jaren waar het fascisme zich sterker voelde dan ooit en waar zij die hun arm met het wapen in de hand durfden opheffen tegen de zwarthemden zeldzamer en zeldzamer werden) in de viale Corsica. Ik was een affiche aan het plakken die clandestien gedrukt was en de Italianen opriep in opstand te komen tegen de oorlog, tegen Mussolini en tegen het fascisme. Samen met twee andere kameraden werden we verrast door een politiepatrouille. We hebben ons al schietend verdedigd, en nadat we twee agenten in de spoedafdeling van het ziekenhuis hadden doen belanden zijn we erin geslaagd weg te geraken. Eén van ons was ook gewond geraakt, en de Popolo d’Italia, de krant van het regime, omschreef ons de volgende dag als “misdadigers en saboteurs van het morele verzet van de gewapende troepen”, en betreurde dat we niet waren vermoord.

Onze vrijheid is in ieder geval van korte duur geweest: we werden geïdentificeerd door de OVRA, die ons spoor niet echt kwijt was geraakt nadat de fascistische militie van Carrara ons signalement over heel Italië verspreid had. Die avond slaagden we erin hen op de Piazza Cairoli af te schudden door verschillende routes te nemen. Uiteindelijk vluchtten we naar de Porta Ticinese, naar het huis van één van mijn zussen. De volgende ochtend verwittigde mijn nicht ons nadat ze melk was gaan kopen, dat de weg beneden vol agenten in burger stond. Ze wachtten ons op, terwijl ze met hun handen in hun zakken ronddrentelden. Onze pistolen waren geladen, we hadden eveneens granaten, maar we wilden ze niet gebruiken in het huis van mijn zuster. Zelfs als we het idee om al vechtende te sterven konden verdragen, zou het doen sterven van vrouwen en kinderen ons verantwoordelijk gemaakt hebben voor een slachting.

We zijn langs de agenten in burger naar buiten gelopen. De agenten volgden ons met hun hand op de kolf van hun pistolen. Ik denk dat ze ons wilden begeleiden tot een half verlaten plek waar ze ons kalm konden afmaken zonder te veel lawaai te maken. Ik herkende onmiddellijk een fascist uit Carrara, waarvan we wisten dat hij lid was van de OVRA en dat hij zeker op de hoogte moest zijn van de affaire in de herberg. Plots botsten we op een anarchist uit Sesto S. Giovanni die achter het stuur zat van een vrachtwagen. Hij was onze redder. Hij begreep onmiddellijk wat er gaande was en heeft ons snel doen instappen, en zette zo een punt achter een extreem kritieke situatie: auto’s waren toen nog weinig talrijk en de fascisten hadden geen tijd om er één of twee tegen te houden om ons te kunnen achtervolgen. Zo zijn we rustig tot bij het station in het noorden geraakt en van daaruit zijn we tot in Genua geraakt, verborgen in een goederentrein en na vele tussenhaltes. We werden ontvangen door een andere zus van mij, die later gearresteerd werd omdat ze ons onderdak had verschaft. Ze werd uiteindelijk toch vrijgelaten omdat ze de vrouw was van een adjudant van het leger.

Vanuit Genua zijn we naar La Spezia gegaan en in een pension blijven logeren. We hebben daar onze plakrondes en de verdeling van de pamfletten afgewerkt. Op een avond, rond 23u, nog maar net terug in het pension, werd er op de deur geklopt. We waren nog niet gaan slapen en ik ben gaan opendoen. Er stonden zes agenten in burger met hun handen in de zakken van hun regenjassen. Met de beleefdheid die hen karakteriseerde, vroegen ze brutaal naar onze papieren. Ze voegden eraan toe dat ik hen moest volgen terwijl de anderen mochten blijven. Dat was natuurlijk niet meer dan een belachelijke tactiek om ons te scheiden. Zonder één woord te zeggen, begrepen we dat ze ons alleen maar wilden scheiden om ons afzonderlijk te kunnen arresteren of elimineren. Onderaan de trap hadden we andere ‘platvoeten’ [flikken] opgemerkt die deze hypothese bevestigden. Overtuigd dat we waren toegekomen aan wat ze op een stereotiepe manier ‘de rekening vereffenen’ noemen, en wetende dat we weinig mogelijkheden hadden om levend aan zo’n arrestatie te ontkomen, kozen we voor de directe confrontatie: het vuur openen. Ze trokken op hun beurt hun wapen en haalden de trekkers over. Eerst in de kamer, daarna in de hele wijk, speelde zich een gebeurtenis af die nogal beroemd is gebleven in de annalen van die tijd, die nu zo ver weg is. Het vuurgevecht duurde tot aan het ochtendgloren.

Eerst hebben we hen uit het pension gedreven om een vlucht te wagen, maar ons optimisme verminderde: het kleine gebouw was omsingeld door troepen van de fascistische politie en door Duitsers. Fascisten, politieagenten, en Gestapo zaten eveneens op de daken en in de aanpalende huizen. We hebben ons binnenin het pension gebarricadeerd en, zoals ik al zei, duurde de belegering tot aan het ochtendgloren, tot aan de laatste patronen.

Ik herinner het me alsof het gisteren was: Giovanni Zava, één van mijn kameraden, was geraakt door vijf of zes projectielen. Ik daarentegen, was twee keer geraakt. Mijn dijbeen was verbrijzeld, en ik slaagde er nog maar amper in om te bewegen. Ook de derde kameraad, Giorgi, was toegetakeld. Rondom ons waren er enkele agenten gewond, waarvan één stervende was. Het einde van de operatie, of eerder de overgave, vond plaats toen de nazifascisten bedachten dat wij na hun langdurige aanval misschien al dood waren, of nog leefden maar hoe dan ook zonder munitie zaten. Door een ‘geniale’ actie, snel en moedig, forceerden ze de deur die doorzeefd was met kogels. Met een reeks onzinnige sprongetjes, kwamen ze massaal binnen in de kamer waar wij buiten bewustzijn lagen, waarna ze ons schreeuwend meesleurden. Er stond een meute nieuwsgierigen die aangetrokken waren door het lawaai van de schoten en de politiemobilisatie. De mensen waren wanhopig door de bombardementen van de Geallieerden van de voorbije dagen. Ze schreeuwden ons toe: “Ter dood! Lynch hen! Fusilleer onmiddellijk de Engelse, Amerikaanse en Russische parachutisten, doe hen betalen voor onze doden, onze pijn, hun luchtbombardementen.”

Na een kort medisch onderzoek, werden we afgevoerd naar het commissariaat van La Spezia. Daar sloten ze ons op in ondergrondse cellen zo groot als een crypte. Ze hebben ons noch geslagen, noch gefolterd - ze dachten dat ze hun feest wel wat later konden vieren. In feite had de commissaris reeds in twee minuten de noodzakelijke beschikkingen getroffen, en het bevel gegeven de musketten en de kogels te nemen om ons tegen de muur te plakken en ons snel gerechtigheid te bezorgen, zonder al te veel toestanden. Fataal genoeg komt er een verantwoordelijke van de nationale fascistische Partij van La Spezia aan, met een theatraal uniform aan dat types zoals hij dag en nacht droegen. Met de autoriteit en de macht die hem kenmerkten, blokkeerde hij de executie tussen twee “Aandacht, rust!” door. Na uren discussie slaagt hij er door zijn smerige onkunde en de macht die de Duce en de Partij hem toekende in de politieagenten ervan te overtuigen de executie op te schorten, in de hoop tot op de bodem van onze subversieve organisatie en tot onze veronderstelde leiders door te dringen. Zij waren volgens hem de hersenen, aanstichters en auteurs van de affiches die gevonden waren in de lavabo van het pension en niet helemaal door het vuur waren verteerd. Wat ons dus op dit extreem kritieke moment redde, was de onkunde, die één van de kenmerken is van alle bureaucraten, geweldenaars en autoritairen, en in feite van alle fascisten. In de geest van deze arme kaffers, versuft door hun valse idealen en hun ondergeschikte rol, moesten we noodzakelijkerwijze een chef hebben, een ‘intelligente’ persoon zoals zij.

Na een beetje beter verzorgd te zijn, werden we enkele uren later getransporteerd naar de gevangenis van La Spezia. Een lang en onverdraaglijk onderzoek begon, de nazifascisten hoopten het hele kluwen van gebeurtenissen te ontwarren. Na dagen van slagen en folter ontdekten ze dat het niet mogelijk was de draad van een onbestaand kluwen, de vrucht van hun fantasie, te vinden. Het is bekend dat anarchisten, of ze nu naar school zijn gegaan of niet, kritisch en autonoom genoeg zijn om zelf meester en verantwoordelijk te zijn voor wat ze plannen en doen.

Ze hebben ons dossier, met noten over de feiten in de herberg van Carrara en over de gebeurtenissen in Milaan, met een beschrijving van de nacht van de belegering en de aanval op het pension in La Spezia en de pamfletten die door de politie waren gevonden, opgestuurd naar een speciaal tribunaal in Rome dat, in die tijd, voor gelijkaardige feiten of zelfs nog minder significante feiten, alleen doodstraffen uitsprak. Wat ons in leven hield, was de hoop, en voor mij de zekerheid, dat het fascisme ondanks alles de oorlog had verloren en dat haar dagen, of op z’n minst haar maanden in de meest pessimistische versie, geteld waren. Het volstond om een tijdje te overleven, enkele seizoenen in het slechtste geval, om eruit te geraken.

In elk geval moet je weten dat wij ons in die tijd gedoemd voelden tot een zekere dood: voor ons was leven en sterven iets zeer relatief. Enkele dagen later, heb ik toch de garantie gekregen dat we aan de dood zouden ontsnappen.

Het is mijn broer, de schoft, die me gered heeft van executie. Ik praatte al sinds jaren niet meer met hem en ik was gedegouteerd door het feit dat mijn vader eveneens een zoon had die secretaris was van de nationale fascistische Partij van Massa. Hij kwam tussenbeide bij zijn collega in Rome, en dankzij deze onverwachte verwarring, werd ons dossier vanuit het speciaal tribunaal voor de bescherming van de Staat (2) doorgegeven aan een ordinair tribunaal. Het is zeker dat hij dit niet alleen omwille van onze familiale band heeft gedaan: een fascist en een anarchist kunnen in geen geval broers zijn. Hij heeft zo gehandeld omdat hij het zich niet kon permitteren, in zijn positie, een familielid te hebben dat geëxecuteerd werd voor een delict tegen het regime.

Mijn delicten waren afwisselend politiek en gemeen recht, hij zorgde ervoor dat de tweede reeks voorging. Zoals gebruikelijk, vond mijn zaak plaats voor een ‘normaal’ tribunaal: het Hof van Assisen van La Spezia.

Uiteindelijk heeft het proces niet plaatsgevonden omwille van een overplaatsing van rechters en omdat de tribunalen slecht of niet meer functioneerden door de bombardementen waaronder de stad toen te lijden had. Ze hebben ook geprobeerd het dossier en het proces door te geven aan het tribunaal van Genua, maar daar was de situatie dezelfde, wat hen uiteindelijk deed afzien van deze transfer. De naoorlogse rechters hebben deze kwalificatie als normaal delinquent, die me gered had van executie, aangegrepen om me gemakkelijker kapot te kunnen maken en me naar de kerker te sturen in plaats van me voor te dragen voor een medaille voor Verdienste in het Verzet (waarmee ik trouwens niet zou weten wat te doen).

Maar wat waren deze delicten van gemeen recht? Het jaar dat ik met onbedekt gezicht had geageerd, had ik geld afhandig gemaakt van ondernemers (fascistische haaien) van op de hoek om onze antifascistische strijd, onze revolutie, te financieren: een ondertekening met het wapen in de hand voor de anarchie en tegen het fascisme. Dat waren dus mijn delicten van gemeen recht. Zij hebben dat gekwalificeerd als afpersing van fondsen. Wat mij betreft, ik blijf en volhard erin ze onteigeningen te noemen.

Ik heb het jaar 1943 dus doorgebracht in de ene gevangenis na de andere, tot in die van Massa. Mijn kameraden en ik werden in de afdeling met hoge veiligheidsvoorzieningen geplaatst, opgesloten in isolatie in het gezelschap van andere politieke gevangenen en diegenen die ze als gijzelaars gebruikten. We konden de andere gevangenen noch zien, noch met hen praten. Briefwisseling of bezoek was niet toegestaan.

Deze opsluiting in de ‘dodengang’ was vreselijk. Eerst en vooral door het eten: de SS die tot op de tanden toe gewapend waren bedeelden ons per dag niet meer dan een scheplepel, half gevuld met een bouillon van zeewater (bij gebrek aan zout) en een snee brood van ongeveer 100 gram. De honger groeide geleidelijk en onze fysieke gezondheid leed eronder. Daarenboven kwam er elke keer wanneer de partizanen buiten een actie deden een nazi-officier tot bij onze cellen en bekeek ons zonder de deur te openen. Hij koos er dan willekeurig 10 uit om te fusilleren in een verlaten marmergroeve. Elke keer dachten we “Het is mijn beurt.”, en elke keer stierven we een beetje.

Alleen de industriëlen en de ondernemers die opgesloten zaten voor verraad liepen geen enkel risico: zij betaalden en, in plaats van geëxecuteerd te worden, kwamen ze vijf of zes dagen later vrij. Een behandeling die gelijkt op de behandeling die vandaag gereserveerd is voor de frauduleuze industriëlen die hun gevangenisstraf uitzitten in Zwitserse ziekenhuizen nadat ze honderden mensen vergiftigd hebben.

Voor de rest speelden ze hun dubbelspel niet uit antifascisme. Ze ‘hielpen’ ons in stilte omdat ze onze eventuele overwinning (het jaar 1943 begon) begonnen te vermoeden, en ze wilden zich dus voorbereiden om enkele eretitels te bemachtigen om te vermijden dat ze niet onmiddellijk opgehangen werden, of dat het volk zich gerechtigheid zou verschaffen tegen hen zoals tegen de zwarthemden. Het grootste deel heeft zo z’n huid en z’n geld gered, en ze hebben misschien wel een medaille gekregen van één of andere imbeciel, terwijl ik rotte in de gevangenis.

Ik had geen geld en werd beschouwd als zeer gevaarlijk, ik had geen enkele hoop op vrijlating, ik zou vroeg of laat toch afgemaakt worden tijdens een represaille-operatie. Elke dag had ik de indruk iets aan de dood te ontrukken. Toen mijn anarchistische kameraden zijn gekomen om me te bevrijden, hebben ze me uitgestrekt mediterend op de strozak aangetroffen. Ik probeerde te wennen aan de idee binnenkort te sterven.

De partizanen kwamen bij de gevangenis aan met drie, twee van hen waren gekleed als carabinieri, de andere had handboeien aan. De poorten werden voor hen opengedaan in de gedachte dat ze een gevangene binnenbrachten. Binnen hebben ze de dienstdoende agent, die men de portier noemt, ontwapend. Dan hebben ze de twintig andere partizanen geroepen, die verstopt zaten in de omgeving van de gevangenis, allemaal bewapend met machinegeweren en geleid door commandant Elio. Ze hebben de bewakers opgesloten in het registratiekantoor, de telefoonlijn doorgeknipt en de sleutels buitgemaakt. Ze zijn binnengedrongen bij de ‘politieke gevangenen’ en hebben ons bevrijd. Ze riepen me bij mijn voornaam: “Allez, Belgrado, je bent vrij, laten we allen vluchten!” (we waren met 52). Alvorens te vertrekken, wierp een kameraad de sleutelbos in een cel van een gevangene van gemeen recht, waardoor de gevangenis helemaal leegliep.

Het was een echt spektakel om de stad overweldigd te zien door honderden gevangenen, sommigen droegen het dwarsgestreepte winteruniform, anderen het zomeruniform in witte, half gescheurde stof, de armen beladen met alles wat ze hadden kunnen stelen uit het depot van de gevangenis. We hebben ook de soldaten van de wacht met ons meegenomen, maar het waren arme miserabelen, dommeriken die we daarna hebben laten gaan.

De Duitsers die daarna zijn toegekomen hebben minder begrip getoond voor onze cipiers. Om hun wraak te ontlopen, was de directeur van de gevangenis gevlucht. De adjudant, een tirannieke folteraar, heeft zichzelf van kant gemaakt om niet in hun handen te vallen. Die avond verlies ik het contact met de partizanengroep die me had bevrijd, omwille van het gebrek aan licht en omwille van de emoties. Twee dagen later ontmoette ik hen opnieuw achter hun stellingen in de bergen.

Het was juni 1944.

(1) Confino di polizia [plaatsing onder toezicht door een politionele maatregel]: De plaatsing onder toezicht is geen fascistische uitvinding. Ze zat al vervat in de Pica wet van 1863 tegen struikroverij en werd tegen het einde van de 19de eeuw ingezet tegen de socialisten. Ze vervult opnieuw ten volle haar taak tijdens de Eerste Wereldoorlog tegen elke “onbetrouwbare” persoon (pacifisten of eenvoudigweg tegenstanders van de regering of van het verloop van de oorlog). Het fascistische decreet van 6 november 1926 voert de confino in: een maatregel die op elke persoon beoordeeld als zijnde een gevaar voor de gevestigde of openbare orde kan toegepast worden. Een commissie samengesteld uit de procureur, de politiecommissaris, de provinciale commandant van de carabinieri en een verantwoordelijke van de zwarthemden beslist over de confino, die een plaatsing voorziet van maximaal 5 jaar (die telkens weer vernieuwd kon worden) op een plek ver verwijderd van de woonplaats van de veroordeelde, over het algemeen de eilanden van Ustica, Favignana, Lipari, Pantelleria, Lampedusa, Tremiti en Ventotene.

Onder de 600 politieke gevangenen die de volgende maand onder confino geplaatst werden, bevinden zich onder meer communisten zoals Amadeo Bordiga en Antonio Gramsci, en anarchisten zoals Gino Bibbi en Luigi Galleani. De definitieve wet betreffende de confino dateert van 1931 en voorziet, bovenop de verplichting om te werken, een spertijd, een verbod om op publieke plaatsen te komen, regelmatige melding in de lokalen van de politie of het verbod om zich te verwijderen van de opgelegde verblijfplaats. Van november 1926 tot juli 1943 kregen bijna 17 000 mensen een confino opgelegd, waarvan enkelen onder “gemeen recht” omwille van moord of trafiek, enkele Libiërs (een 40-tal in 1930), Albanese antifascisten en Sloveense nationalisten. In juli 1943 en de voorlopige val van Mussolini, zorgt maarschalk Badoglio ervoor dat eerst de weinige katholieken, liberale republikeinen en getuigen van Jehova vrijkomen, en vervolgens de socialisten en communisten waarvan de partijen in de regering stappen. De anarchisten daarentegen worden overgeplaatst naar het concentratiekamp van Renicci d’Anghiari (Arezzo), waar het tot zware confrontaties met de bewakers komt totdat die in september, na de ondertekening van de wapenstilstand met de Anglo-Amerikanen, het voor bekeken houden. De duizenden anarchisten die terugkomen uit confino vervoegen de rangen van of vormen de eerste partizanengroepen in hun oorspronkelijke regio.

(2) Tribunale speciale per la difesa dello Stato [Speciaal Tribunaal voor de verdediging van de Staat]. Ingesteld door de wet van 25 november 1926, op het toppunt van de fascistische juridische architectuur. Deze wet stelde de doodstraf - in 1889 afgeschaft door de Zanardelli-wet - opnieuw in voor een oneindige reeks politieke delicten die gingen tot “samenzwering tegen de onafhankelijkheid en de nationale eenheid”, of, uiteraard, opstand en het “ontketenen van de burgeroorlog”. Voor de andere politieke antifascistische activiteiten waren er straffen van 1 tot 30 jaar voorzien. Dit tribunaal, voorgezeten door een militair en vijf rechters die lid waren van de Militie, veroordeelde in feite iedereen: van de eenvoudige voorbijganger die zich had uitgesproken tegen Mussolini tot de partizanen. Het was een commissie die besliste of de aangeklaagden voor het Speciaal Tribunaal moesten komen of doorgestuurd werden naar de klassieke rechtbanken. Tussen 1926 en 1943 vermeldden de officiële cijfers van deze commissie 15 800 antifascisten die naar het Speciaal Tribunaal gestuurd werden.

De partizanenstrijd

Ik zou een heel boek vol kunnen schrijven met enkel anekdotes over de tijd in de bergen. Maar door plaatsgebrek en opdat ik geen feiten en daden zou vertellen waarover het geheugen mij in de steek zou kunnen laten, sta ik liever stil bij wat ik me het best herinner. Van de lente/zomer 1944 tot 25 april 1945 ben ik verbonden gebleven aan de formatie “Elio” die haar naam kreeg van haar commandant, een Slaaf die leefde en nog steeds woont in Carrara: Elio Wochiecevich (een marxist). Ik heb maar een twintigtal dagen deelgenomen aan de activiteiten van de formatie Lucetti die geleid werd door Ugo Mazzucchelli.

Op dat moment waren er vele partizanenformaties actief in de Apenijnse Alpen, die natuurlijk verbonden waren met elkaar en afhankelijk waren van het algemeen commando van de brigade dat zich bevond in een verlaten marmergroeve, die Carbonera werd genoemd.

Mijn formatie, “Elio”, telde in haar rangen een wisselend aantal personen, laat ons zeggen tussen de 100 en de 180, over het algemeen anarchisten. In de regio opereerden, zoals ik al zei, nog twee andere formaties: één met aan haar hoofd Mazzucchelli, en de andere gemengd, samengesteld uit individuen die verbonden waren met de anarchistische beweging en leden van de socialistische en communistische partijen. Ik herinner me niet dat ik in de bergen van Carrara en van Parma formaties heb gezien die niet op de onze leken: ik heb nooit liberalen, monarchisten of katholieken zien vechten. Sindsdien ben ik overtuigd dat bepaalde individuen, omdat ze privileges hebben, nooit aanwezig zullen zijn op het moment waarop we de wapens tegen andere gepriviligeerden moeten opnemen.

Ik herinner me erg goed een episode waaraan ik toen heb deelgenomen: een vuurgevecht tussen vijf anarchisten, waaronder ik, en een groep fascistische politieagenten, waaronder de droevig beruchte luitenant Gallo, gekend als folteraar van partizanen, net zo vreselijk als bloeddorstig. Samen met mij waren er Giovanni Mariga, bijgenaamd il Padovano, Libero Mariotti en twee anderen waarvan ik de namen liever verzwijg.

Terwijl we wandelden over een weggetje van Sarzana stootten we toevallig op de politieagenten. Ze herkenden enkele van mijn kameraden, en roken in ons de vijand, de bandieten, de partizanen. Gedurende enkele minuten wisselden we schoten uit. Eén van hen, met een hogere rang, was dodelijk geraakt terwijl Libero Mariotti doorboord was door verschillende projectielen en het leven liet. We zijn erin geslaagd om ons terug te trekken, onder de angstige blik van twee Duitse miliciens die als aan de grond genageld de scène hadden bijgewoond. Deze twee zijn niet tussenbeide gekomen in het conflict omdat we in burger waren (net zoals de agenten) en in hun ogen dus allemaal op elkaar leken.

Toen de fascistische politieagenten de aanwezigheid van hun bondgenoten opmerkten terwijl ze in moeilijkheden zaten, begonnen ze te schreeuwen: “Help ons, het zijn bandieten, het zijn partizanen.” Onmiddellijk, zonder in paniek te geraken en met een opmerkelijke dosis koelbloedigheid, herhaalden we dezelfde zin. De twee Duitsers kwamen zo in een uiterst delicate situatie terecht die ze nooit in hun oorlogshandleiding geleerd hadden. Ze bleven dus gewoon staan uit angst om fascisten te vermoorden. Ten prooi aan twijfel lieten ze hun pistolen in hun holsters, en we verlosten hen uit hun schaamte door te verdwijnen.

Een andere militaire operatie, die ik me nog herinner alsof het gisteren was, vond plaats in Torrione. Het is de naam van één van de grootste marmergroeven van Carrara waar zich een huizenblok bevond dat voor de oorlog dienst deed als slaapzaal en refter voor de arbeiders. We hebben die gebouwen gebruikt als basis, en meerdere kamers deden dienst als opslagplaats voor wapens en munitie. Er was ook een enorme hangar die we hadden omgevormd tot lokaal voor onze gevangenen.

De dag waarover ik vertel was zo bijzonder dat we die uiteindelijk Alba Tragica (Tragische dageraad) zijn gaan noemen. De operatie van Torrione vond plaats in november 1944. De kameraden die op wacht stonden waarschuwden ons dat er verschillende tanks en rupsvoertuigen stonden aan de brug van Vara, en dat hun artillerie als gek de marmergroeven bestookte. We hoorden inderdaad het gedreun van kanonnen, maar ik herinner me niet of het omwille van de echo of een andere reden was dat we dachten dat de nazifascisten verder weg dan dat waren. We dachten eerst dat het ging om artilleriebombardementen van de Linea Gotica (1) die zich niet zo ver weg bevond.

Ik kan zeggen dat de verlaten marmergroeven toen echte onneembare forten waren. We namen onze posities in en ontdekten dat er honderden Duitsers van de Wehrmacht en tientallen SS’ers, gedekt door de Decima Mas van Valerio Borghese (die vandaag de “Zwarte Prins” wordt genoemd), tegenover ons stonden. Ze dachten dat ze deze bergen met hun artillerie gemakkelijk zouden kunnen uitkuisen. Gedekt door het vuur van de tanks kropen de Duitsers en de fascisten door het vijandig terrein van slingerpaden, om de top te bereiken waar onze voorposten hen opwachtten.

Die dag kon de formatie waar ik deel van uitmaakte rekenen op 140 kameraden. Toen ze bij onze ingang aankwamen, openden we het vuur met zware machinegeweren waarmee we het begin van het bloedbad aankondigden. De weinige mannen die erin geslaagd zijn deze vuurbarrage te passeren, werden vervolgens afgemaakt door onze licht automatische wapens, onze granaten en onze zelfgemaakte handbommen, net als door de kleine marmerlawines die ad hoc voorbereid waren. Op een bepaald moment bevond ik me afgezonderd op een voorpost met een machinegeweer, en op m’n eentje heb ik enkele uren lang het hoofd geboden aan ontelbare vijanden.

De Duitse opmars werd verhinderd door deze onverwachte ontvangst en de oneffenheden van het terrein dat ze amper kenden. Ze waren verplicht te stoppen, hun pogingen om onze posities in te nemen bleven de hele dag lang tevergeefs. Ze beseften veel te laat dat onze posities met hun middelen bijna onneembaar waren, beschermd door de hoogte en de marmerblokken. ‘s Avonds beslisten de Duitsers zich terug te trekken, en dan zijn we afgedaald om wapens en gewonden te recupereren. Daar hebben we een dertigtal jonge SS’ers uit de Elzas gevangengenomen die we opsloten in de tot gevangenis omgevormde hangar. Ze werden ieder om beurt ondervraagd door de chef van de formatie Elio en de politieke commissaris Rigo. De gevangenen hielden in het begin vol dat ze geen deel uit maakte van de speciale Hitlerbrigade van de SS, maar van de brigade die opgericht was in Duitsland en verspreid was over alle bezette gebieden om de orde te bewaren. Vervolgens stelden deze jongeren van 18 jaar dat ze tegen de oorlog waren die Hitler en Mussolini voerden tegen de partizanen en de Geallieerden.

Deze jongens uit de Elzas hadden maar één angst: gefusilleerd worden. Om dat te vermijden waren ze niet alleen bereid Hilter te verloochenen, maar zelfs hun eigen moeder. Voor executies van nazifascisten moesten we het bevel van het Nationale Bevrijdingscomité afwachten. Gezien de extreme jeugdigheid van de gevangenen en aangezien ze aan de Geallieerden de ernst en de klasse waarmee de operatie verlopen was wilden tonen, besliste het Comité het opportuun was ze uit te leveren aan de andere kant van de Linea Gotica. Deze uitlevering vond nooit plaats omdat de Duitsers in de daaropvolgende dagen een tweede uitkamoperatie uitvoerden. We lieten de gevangenen toen deels onbewaakt en ze hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om te vluchten en naar hun basis terug te keren. Om opnieuw hun beruchte, trieste en schandelijke rol bij de SS op te nemen.

Ik kan maar over een paar van de bijna dertig operaties vertellen die door mijn formatie tussen juni/juli 1944 en april 1945 werden uitgevoerd. Ik herinner me zeer goed twee keer de frontlijn met commandant Elio te hebben overgestoken.

Deze doorsteken vonden plaats toen onze formatie zich volledig heeft moeten verplaatsen naar de bevrijde zones omwille van de intensiteit van de uitkamoperaties en de concentratie van nazifascistische krachten in de stad, die de Duitse versterking op de Linea Gotica vergezelde. Dit was de ultieme poging van de nazifascisten om de Geallieerden op deze linie tegen te houden om tout court de activiteit van de partizanen van Parma tot Carrara te stoppen.

In september 1944 ben ik Carrara binnengegaan samen met de partizanen van de formatie Elio. Ik heb dus deelgenomen aan de operatie die eindigde met de moord op een bekende Duitse spionne (een Italiaanse met de graad van sergeant, in heel Italië gezocht door het Nationale Bevrijdingscomité, en door alle verzetsgroepen in heel Europa gezocht - bovenop de Geallieerden). De bezetting heeft vier dagen geduurd, daarna hebben we ze onderbroken opdat de bevolking bevoorrading kon ontvangen. Een onvoorziene vertraging van de Geallieerde opmars had het meest duistere schrikbeeld van honger gezaaid bij de bevolking van mijn stad.

Enkele dagen later heb ik deelgenomen aan de blokkade van Doganella, een gehucht nabij Carrara, samen met enkele andere kameraden van Elio. Tijdens deze blokkade verloren de Duitsers elke zin voor realiteit en, overmeesterd door paniek, begonnen ze elkaar uit te moorden. Dit gevecht liet onder meer de ontsnapping toe van Don Erasmo Celorio, een priester van het Heilig Hart Instituut van Marina di Ronchi (Massa). Ik hield niet veel van geestelijken, en dat wist hij. Als hij nog zou leven, zou hij zich de gebeurtenissen en de details van deze dag herinneren en kunnen navertellen.

Ik ben vergeten te zeggen dat ik in september 1944 ook heb deelgenomen aan het gevecht in de marmergroeven van Ravaccione tegen de Duitsers. Een SS-bataljon dat deel uitmaakte van de groep die onder bevel stond van majoor Rader en dat had deelgenomen aan de brandstichtingen en massamoorden in het dorp Vinca, werd in een hinderlaag gelokt. De partizanen vielen hen van hogerop met automatische wapens aan. Ze werden allemaal afgemaakt.

Daarenboven kunnen de commandant van mijn formatie, Elio Wochiecevich en de commandant Alessandro Brucellaria van de divisie “Gino Menconi” - waarmee mijn formatie verbonden was - getuigen over mijn activiteiten als partizaan. Deze commandanten kunnen eveneens bevestigen dat ik heb deelgenomen aan het gevecht van Darma, waar de Duitsers verplicht waren om vele doden achter te laten op het terrein en hun garnizoen van Padula over te laten aan mijn formatie. Ik heb eveneens deelgenomen aan de ruwe confrontatie die plaatsvond aan de monding van de rivier Magra, aan de bevrijding van Sarzana en van La Spezia.

(1) Linea Gotica. zie noot 5 bij de inleiding tot de Italiaanse uitgave.

Onmiddelijk na de oorlog

Op 25 april 1945, de definitieve val van het regime, barstte er een extreme vreugde los. Bij alle partizanenformaties, bij allen die al vanaf het begin zich tegen het fascisme gekant hadden en die daarna jarenlang hun leven geriskeerd hadden in de bergen. De euforie van zij die de vijand overwonnen hadden.

Zeker, de gewapende revolte had een resoluut verschillende situatie gecreëerd die niet het paradijs op aarde leek, des te meer voor ons anarchisten. We kunnen zeggen dat we van een dictatoriale één-partij situatie naar een andere, meer liberale situatie waren overgegaan die meerdere partijen toeliet tot de regering. We waren van een autarkische vorm van kapitalisme overgegaan naar een soort internationaal kapitalisme. De ideologie die door het nieuwe regime werd gepropageerd, ondermeer door de partijen, was door en door klerikaal - in de meest middeleeuwse zin van het woord.

De lezer kan zich inbeelden wat voor ideeën mijn naasten en mijn kameraden over deze situatie ontwikkelden. Ik overdrijf niet als ik zeg dat de katholieken in Carrara en in haar provincie altijd een etnische minderheid geweest zijn. Ze waren aan het uitsterven. Nooit hebben we de priesters willen of kunnen verdragen. Deze nieuwe democratisch-klerikale realiteit (bovenop de aanwezigheid van de Amerikanen) klonk vals, trok ons niet aan en beviel ons nauwelijks.

Wij, anarchisten, zijn ons in elk geval beginnen organiseren vanaf 26 april: we hebben groepen gevormd en de Italiaanse Anarchistische Federatie gereorganiseerd. Van de clandestiniteit gingen we over naar een vorm van propaganda en strijd die typisch zijn voor een regime met formeel gegarandeerde vrijheden. Vanaf 26 april hebben we beslist definitief af te rekenen met het fascisme, maar dan wel op onze manier. Nadat we de Duitsers verjaagd hadden, had ik absoluut niet de intentie al de rest te vergeten. Of de revolutie nu komt of niet, ik zal de mijne voeren. Ik zal de tirannen, de woekeraars en de eigenaars doen betalen voor de honger, de miserie en de wanhoop onder het fascisme. Ik wilde hen vervolgen, zoals zij ons vervolgd hadden. Mijn wraak zou zonder pardon zijn.

Maar de nieuwe bazen waren dit idee niet genegen: Pietro Nenni bijvoorbeeld (1), commissaris van de zuiveringsacties, heeft de grote vissen, de haaien, niet gepakt. Hij gaf er de voorkeur aan jongeren te pakken, de sympathisanten uit de dorpen, enkele arme sufferds die wat boter op hun brood wilden. Met dit manoeuvre verwelkomde de Italiaanse Staat opnieuw vele fascistische kaders in haar magistratuur en in de rangen van haar politie. De procureur van Genua bijvoorbeeld wist zeer goed dat wij, de slachtoffers van het fascisme, niet zo makkelijk en zo katholiek de fascisten en hun collaborateurs zouden vergeven. Ik denk dat diezelfde procureur alleen maar door mijn dossier te lezen al wist met welk individu hij te maken had. En daarom heb ik 32 jaar in de gevangenis gezeten. Mijn misdaad: tegen het fascisme gevochten hebben en de ‘overwinning’ behaald te hebben.

Ik werd aangehouden tijdens een hinderlaag door politieagenten van de bourgeois Republiek die gegroeid was vanuit het Verzet in mei 1945 in La Spezia, waar ik bezig was te jagen op de fascisten die niemand wilde oprakelen. Ik was alleen in de hinderlaag die voor mij gelegd was, maar kameraden zoals Giovanni Zava, die in het verzet zaten in Serravezza en in de regio van Pistoia, werden bijna tegelijkertijd gevangengenomen omwille van dezelfde redenen. Ze beschuldigden ons deel te hebben genomen aan de schietpartij van 1942 waarbij een politieagent werd doodgeschoten.

(1) Pietro Nenni (1891-1981). Lid van de Socialistische Partij vanaf 1921, al snel wordt hij één van haar leiders als chefredacteur van de krant Avanti!. Hij vlucht naar Frankrijk in de herfst van 1926 en start een grote Italiaanse reformistische partij. Op haar Congres van Parijs in 1930 verenigde ze alle niet-communistische tendensen. Verenigd met de niet-communisten tekent hij in 1943 als partizaan een “pact van eenheid in de actie” dat zal standhouden tot aan het eind van de oorlog, ondanks het Duits-Sovjet pact van 1939. Hij zetelt voor de socialisten in het Nationale Bevrijdingscomité (CLN) en wordt vice-president van de Raad en minister belast met de Grondwet van juni 1945 tot juli 1946 (eerst de linkse regering Parri, daarna de rechtse regering De Gasperi), daarna minister van Buitenlandse Zaken tot in januari 1947 (tweede regering De Gasperi). Hij werd ook Hoog-Commissaris belast met de zuivering, van juni 1945 tot aan de afschaffing van dit ambt in februari 1946, en schrijver van de wet die zijn naam draagt (een decreet dat vanaf 14 november 1945 in voegen trad). Dit decreet had een aanzienlijke vermindering van de zuivering tot gevolg. Zo vertrouwden ze aan de openbare administraties de taak toe om zichzelf te zuiveren, ondanks hun 23 jaar goede en loyale diensten aan het fascisme. Over zijn functies als “groot zuiveraar”, zie Hans Woller, I conti con il fascismo. L’epurazione in Italia (1943-1948), il Mulino, Bologna, 1997, p. 437-511.

De veroordeling

Ons proces vond pas plaats in 1949, vier jaar na het einde van de oorlog simpelweg omdat het grootste deel van de oude partizanen tot in 1948 gewapend blijf, in de hoop op een volgende sociale revolutie. De burgerlijk-pauselijke magistratuur doorzag dat en vermeed processen zoals het mijne te voeren tijdens de té hete periodes van het naoorlogse Verzet. De vastberaden aanwezigheid op het proces van oude partizanen wiens geest van verzet nog levendig was had het oordeel en de resultaten van de open procedure tegen ex- partizanen zoals ik kunnen beïnvloeden.

In 1949 had de Italiaanse Staat zich daarentegen definitief geconsolideerd. De laaiende geesten en revolutionaire hoop van velen waren tanende, zeker na de aanslag op Togliatti (1). In dit jaar begonnen de eerste verhitte discussies binnen de linkse parlementaire partijen. Daaruit volgden de hersenbloedingen aan de basis. Daarenboven had de politie in 1949 veel van haar controlemacht herwonnen en had ze haar ijzeren vuist tegen de revolutionairen en de oude verzetsstrijders gereorganiseerd. Zodoende beslisten de magistraten en de politie, in de zekerheid dat ze niet geconfronteerd zouden worden met mensen die kant kiezen of represailles, in alle rust en kalmte de hangende processen te starten, waaronder het mijne.

In mei 1949, tijdens mijn proces, probeerde de verdediging tevergeefs de waarde en het verband tussen onze acties en het Verzet (dat met een hoofdletter V) aan te tonen. Er was niets aan te doen. Eerst werd ik veroordeeld tot levenslang, daarna werd de straf automatisch omgezet tot 30 jaar als gevolg van een bepaling van het Grondwettelijk Hof. Ik heb gratie gevraagd in 1948, 1954 en 1967. Ik heb proberen ontsnappen uit de gevangenis in 1948, 1952 en 1955. Zonder succes.

Om precies te zijn, moet gezegd worden dat tijdens het proces aangetoond werd dat de politieagent die stierf tijdens de gewapende confrontatie niet door mij gedood werd. De kogel die in zijn lijk werd teruggevonden was van het kaliber 7.65, terwijl ik in die tijd twee pistolen met kaliber 9 gebruikte. Toen ik begreep dat de dader één van mijn kameraden kon zijn, diegene die op tijd gevlucht was naar het buitenland, heb ik mezelf tijdens het onderzoek aangewezen als dader in een brief die gericht was aan de voorzitter van de rechtbank. Ik deed het omdat mijn kameraad een vrouw en drie kinderen had. Ik was alleen en het was dus minder erg als ik dertig jaar in de gevangenis bleef. Daarenboven had ik de politieke verantwoordelijkheid voor de groep, het was dus correct dat ik tegenover de vijand voor allen betaalde.

Ik had echter niet gedacht dat ik in de gevangenis oud zou worden. Ik was een partizaan, en we hadden amper gewonnen.

(1) Palmiro Togliatti (1893-1964). Leider van de Communistische Partij, zie eveneens noot 5 van de inleiding tot de Italiaanse uitgave. Op 14 juli 1948 probeert een jonge rechtse kerel hem te vermoorden en verwondt hem zwaar. Spontane opstanden, al snel ‘gekalmeerd’ naar de laatste instructies van de chef voordat hij het bewustzijn verliest, breken uit in Abbadia San Salvatore (Toscanië), waar opstandige mijnwerkers een politieagent en een carabinieri doden voordat ze de telefonische contacten tussen het noorden en het zuiden van Italië verbreken. In Genua nemen zeelui en arbeiders de stad in handen en ontwapenen de politieagenten. In Turijn wordt de FIAT bezet en de directeur gegijzeld. De situatie is eveneens pre-insurrectioneel in Venetië, terwijl in Rome een immense menigte wacht op het signaal van de CP om in opstand te komen. De politierepressie zal uiteindelijk 16 doden en 204 gewonden maken tijdens de verschillende confrontaties. Togliatti keert in september terug op het politieke toneel; niet alleen als persoonlijke vertegenwoordiger van Stalin, maar eveneens als zijn Italiaans symbolisch equivalent. Hij weet tot het uiterste zijn statuut van ‘overlevende’ uit te buiten om een persoonlijkheidscultus te introduceren.

Mijn gevangenissen

Mijn gevangenissen zijn vast en zeker anders dan die van Silvio Pellico (1). Hij heeft zijn straftijd in feite bijna volledig doorgebracht in Spielberg. Mijn tijd was totaal anders. Mijn gevangenis was de gevangenis van een rebel die voortdurend overgeplaatst werd. De redenen voor deze overplaatsingen waren grosso modo de volgende: ik probeerde te ontsnappen telkens wanneer het mogelijk was; de directeurs van de gevangenissen zagen mij als een aanstoker van rebellieën; en ik propageerde anarchistische ideeën en visies over het leven en de vrijheid, hetgeen natuurlijk niet gedeeld werd door de penitentiaire autoriteiten.

In 1946 ging ik van de gevangenis van Pisa naar die van het eiland Pianosa. Na enkele maanden werd ik overgeplaatst naar de gevangenis van Parma. Van daaruit, anderhalf jaar later, na een reeks levendige protestacties en een ontsnappingspoging (sowieso afgeschreven in een embryonaal stadium), werd ik door de gealarmeerde directie overgeplaatst naar de strafinstelling van Fossombrone. Daar verbleef ik van 1949 tot 1951, nadien werd ik overgeplaatst naar Pesaro. Vervolgens werd ik opnieuw overgeplaatst naar Parma, daarna naar Saluzzo en nog een keer naar Parma. Daarna, opnieuw via Saluzzo, belandde ik terug in Pianosa.

Daar deden ze me verstaan dat ik, rekening houdende met mijn voorgeschiedenis, een ongewenste gevangene was. Nog geen maand later stuurden ze mij terug naar Milaan onder het voorwendsel dat ik nood had aan een kuur en medische bezoeken. Dit gebeurde in 1953.

De artsen van de gevangenis besloten me deze bezoeken toe te staan, maar noch uit medelijden, noch uit andere humanitaire overwegingen. Integendeel, hun verzoekschriften ontstonden vanuit het feit dat de gevangenisdirecties geen andere manier vonden dan zich op deze manier van mij te ontdoen, met de hulp van het medische korps. Het moet gezegd zijn dat de directeurs nooit redenen gehad hebben om mij graag te zien of aan mij de voorkeur te geven boven anderen.

Vanuit de Milaanse gevangenis San Vittore, belandde ik in de gevangenis op het eiland Pianosa en van daaruit vervolgens in de gevangenis van Fossombrone. Toen werd ik naar Napels gestuurd waar ik zes maanden ben gebleven. In 1954 werd ik overgeplaatst naar Civitvecchia. Ik ben daar twee maanden gebleven. Na een beweging tegen de directeur - een zekere meneer Bonamano - waar bijna 150 gevangenen aan deelnamen, werd ik teruggestuurd naar Fossombrone.

Voor de zoveelste keer kwam ik in deze instelling aan met de vergezellende brief die aanraadde me niet terug naar Civitavecchia te sturen. In deze zendbrief werd aan de directie daarenboven gesmeekt me 10 dagen straf op te leggen. Deze vraag werd tot op de letter toegepast, en ik onderging een vermindering van het dagrantsoen, ontzegging van de toegang tot de kantine, een vermindering van het aantal uren wandeling en het verbod om het even wat te schrijven, zelfs niet op toiletpapier, te verwerken - volledig zoals het gevangenisreglement het voorschreef.

Sinds toen, en tot in 1975, leidde ik mijn leven op het ritme van en getekend door permanente overplaatsingen: ik keerde drie, vier, vijf keer terug naar dezelfde strafinstellingen. Voor een definitief veroordeelde zijn er niet veel gevangenissen in Italië. Ik denk dat je ze op één hand kan tellen. Ik ken ze volledig: het aantal ramen, de poorten, de inhoud van de cellen, de vierkante meters voor de wandeling, de staat van afslijting van de treden, de spijkers en de tegels waarover je kan struikelen, kortom alles. De gevangenissen op de eilanden, die ik niet als toerist heb bezocht, zijn die van Pianoso, Asinara op Sardinië en Porto Azzurro op Sicilië waar ik vijf of zes keer gestraft ben - met de slechtste reputatie.

Mijn kameraden en ik hebben daar een zeer moeilijk leven geleid, met zeer zware beperkingen. Op dit vervloekte eiland werden wij, ex-partizanen, zeer streng bewaakt. De andere gevangenen, die van gemeen recht, ondergingen in deze gevangenissen ook beperkende maatregelen, al waren ze lichter dan de onze. Zoals ik al zei denk ik dat ik alle of bijna alle Italiaanse strafinstellingen heb bezocht want in tegenstelling tot de 200 juridische gevangenissen [equivalent van arresthuizen], waren dat de enige etablissementen die voor mij hun deuren konden openen: ik was een definitief veroordeelde zonder enige hoop op een herziening van mijn zaak.

In alle gevangenissen, inclusief Maschio di Volterra, heb ik de effectieve mogelijkheden om een ontsnapping te wagen onderzocht en bestudeerd, elke keer dat de gelegenheid zich voordeed en wanneer er een reële kans was om de dingen in gang te zetten. In Volterra heb ik met zorg de middelen uitgekiend om te ontsnappen, en ik vernam nadien dat een zigeuner, een zekere Bonora, en een Milanees erin geslaagd waren. Als heuse monniken hadden ze een klassieke tunnel gegraven, een ondergrondse pijp die hen tot buiten de muren van de strafinstelling leidde. Een beetje later werden ze echter terug ingerekend op de nationale weg richting Pisa.

Ik weet zeer goed dat de Sint-Vincentiussen (bijnaam die in de gevangenis van Bergamo gegeven wordt aan zij die buiten leven) vaak gefascineerd zijn door kruimeldiefstallen begaan door de meeste gewiekste dieven. Gefascineerd door geslaagde ontsnappingen met gezond verstand en volharding, door diegenen die op de een of andere manier erin slagen te vermijden de rekening te betalen (de obool die je moet overmaken aan de ‘keizers’). Aan deze individuen, die uiteindelijk niet rationeel geloven in de Staat en haar instellingen en die gefascineerd blijven door zij die op een romantische en intelligente manier proberen te ontsnappen, zou ik willen uitleggen dat, als ik geen ‘Papillon’ geworden ben, dat te wijten valt aan het feit dat ik na drie ontsnappingspogingen alsmaar meer gecontroleerd werd. In feite is de mogelijkheid om te ontsnappen verbonden met de plaats en de structuur van de gevangenis en de manier waarop de bewaking van een individu georganiseerd is. Na mijn vruchteloze pogingen ben ik een gevangene geworden die bijzonder bewaakt werd door de cipiers van de helft van Italië. Daarom werd ik altijd in de meest beveiligde cellen gestopt, de cellen die zich toevallig in de divisies en secties bevonden waar de mogelijkheid om buiten te komen, pardon, om te ontsnappen, quasi onbestaande was.

Langs de andere kant had ik al sinds mijn jeugd geen vertrouwen in de wetten van de Staat, en niet meer of minder in de oude of nieuwe Grondwet van de Italiaanse Staat. Ik kon niet rekenen op een campagne van kameraden of antifascisten die ik amper kende. Wanhoping voor een herziening van mijn proces, zag ik niet veel reële mogelijkheden om buiten te komen vooraleer ik mijn volledige straf uitgezeten had. Alleen via de illegale weg van de ontsnapping zou ik terug vrije lucht kunnen inademen.

Voor mij, een geketende slaaf, bestond de enige hoop en het enige middel in de weg die de wanhopige slaven al hadden gekozen: de slaven in de tijd van Rome en haar Imperium die Spartacus hadden gevolgd.

(1) Silvio Pellico (1789-1854). Een schrijver uit Piemonte die als liberaal Italiaans patriot streed tegen de Oostenrijkse bezetting. Hij werd in 1821 aangehouden voor politieke samenzwering, werd ter dood veroordeeld en zag zijn straf omgezet worden in 15 jaar gevangenis. Hij is de auteur van het boek Mijn gevangenissen dat in 1833 gepubliceerd werd en over zijn opsluiting in de gevangenis Santa Margarita in Milaan, in de gevangenis Plombs in Venetië en in het fort Spielberg in Moravië vertelt.

De andere gevangeniskameraden

In de gevangenissen van de democratische Republiek Italië heb ik, naast de talrijke politieke gevangenen, kameraden gevonden die voor het merendeel oude anarchistische partizanen waren. Ik ga hier hun verhaal vertellen zoals ze het mij verteld hebben en zoals ik me het herinner.

Ik begin met mijn herinneringen aan de jongste anarchistische partizaan uit Carrara: Goliardo Fiaschi. Hij werd op 21 augustus 1930 geboren in Carrara, zoon van Pietro en Nella del Vecchio. Hij woont nog steeds in deze stad, in de via Santa Maria 1. Hij was een strijdbaar partizaan, geïdentificeerd onder het protocolnummer 014375. Op 9 september 1943 heeft hij deelgenomen aan de strijd voor de bevrijding van zijn geboortestad door gedeserteerde militairen te helpen vluchten en hun wapens te recupereren, die nadien gebruikt werden door de partizanengroepen. Het was de eerste opdracht die de antifascisten van Carrara hem toevertrouwden. Fiaschi heeft zich eveneens gewijd aan het transport van materiaal, waaronder wapens, naar de bergplaatsen van het Nationale Bevrijdingscomité. Hij was amper 13 jaar en heeft tot z’n 15 jaar in het Verzet gezeten.

Geholpen door zijn jonge leeftijd kon hij met kleine karren onder de ogen van de nazi’s passeren. De karren waren officieel geladen met hout en vodden maar in feite puilden ze uit van wapens, munitie, voedsel en kledij. Ook voor hem waren het antifascisme en de afkeer van de nazi’s een familietraditie: zijn vader militeerde reeds lange tijd bij de tegenstanders van het regime. De jongen leerde snel musketten van 1891 en 1938 te monteren en demonteren, en daarna leerde hij er zeer goed gebruik van te maken. De eerste keer dat hij probeerde te schieten met een Italiaans pistool met een lading van kaliber 12, hield hij het wapen met twee handen vast maar het gleed tussen zijn vingers weg, en hij raakte gewond. Het tweede pistool dat hij in handen kreeg was een Walter 7.65 die samen met een automatisch machinegeweer gestolen was van een Duits voertuig. Dat laatste wapen bereikte nooit de depots van de partizanen, want Fiaschi had het vernietigd toen hij wilde “bestuderen hoe het werkte.”

Goliardo stapte in het verzet bij de formatie “Gino Lucetti” in Carrara, en zijn engagement duurde tot eind 1944. Toen verliet hij deze formatie om het Duitse front door te steken en aan de zijde van de Geallieerden te gaan vechten in Serravezza. Aangezien ze daar een al te lange tijd geblokkeerd bleven, verplaatste hij zich naar het front van Abetone in de rangen van de 3de brigade “Costrignano” van de divisie Modena.

Aan het einde van de oorlog keerde hij te voet terug naar huis aangezien ze hem een paard hadden geweigerd, en het is pas vlakbij Abetone dat hij door een Amerikaanse wagen meegenomen werd tot aan het gemeentehuis van Bagni di Lucca. Hij bleef er drie dagen en werd tot bij hem thuis gereden door dezelfde Amerikaanse commandant, de eigenaar van de wagen. In Carrara was zijn huis half vernietigd door Duitse bommen, maar zijn familie was gezond en wel.

Wanneer we over die tijd praten, herhaalt Goliardo graag wat hij toen heeft meegemaakt:

“Ik ben niet naar het front gegaan om mijn huid te redden, zoals vele anderen deden, maar om mijn grond te bevrijden. Mijn moeder begeleidde me in tranen tot aan een heuvel, smeekte me mijn weg niet verder te zetten. In Bergiola heb ik andere partizanen ontmoet en we zijn samen tot in Antona gegaan. Daar kwamen we een burgerkolonne tegen waarmee we het front hebben doorstoken. Toen we appèl hielden in Serravezza, bleken 14 personen vermist. Ik was vertrokken uit Carrara ondanks de tranen van mijn moeder, want ik was verontwaardigd over de Geallieerden: in feite kwamen ze nooit. De stad Carrara had niets menselijks meer, de mensen waren wanhopig door de honger, door de nazirepresailles en de Geallieerde artilleriebombardementen. Voor mijn vertrek had ik al meerdere bombardementen meegemaakt. In Avenza had een bom me bijvoorbeeld voor de helft bedolven. Een andere keer, toen ik terugkeerde naar de stad, blies een kanonschot de nek van een boerin weg die melk naar de miserabelen bracht. Ik heb haar nog hulp willen bieden, maar er was niets meer aan te doen.

Aan het front in Abetone hebben de Geallieerden me desondanks wapens gegeven, een Sten en Sipe granaten. Tijdens het gevecht van Monte Lancio, een dagoperatie tegen Duitse fortificaties, geraakte ik ondanks het vuur van de tegenstanders als tweede (na mijn commandant Filippo) op de kam van de berg. De volgende dag, na dit gevecht, begonnen we onze bevrijdingsmars richting Fanano. De geforceerde mars ging door en we hebben Sestola, Pavullo, Sassuolo en uiteindelijk Modena bevrijd. Deze laatste etappe was niet gemakkelijk geweest, maar eerder vol hinderlagen. De wegen en de velden waren bezaaid met mijnen, de enkele overgebleven Duitsers leverden hardnekkig verzet. Ik herinner me niet meer of het in Sestola of Marano was dat de nazi’s een bloedbad hadden aangericht: het hospitaal brandde met alle gewonden nog binnen, wij roken reeds van ver de stank van brandend menselijk vlees. Uiteindelijk kwamen we Modena binnen onder een regen van bloemen. Ik wandelde trots aan het hoofd van mijn brigade. Ik was zo tevreden dat de oorlog gedaan was, dat we hadden gewonnen tegen de nazi’s. Maar ik voelde me ook verdrietig omdat ik geen nieuws had over mijn familie en mijn stad.”

Toen de partizanenstrijd afgelopen was, besliste de jonge anarchistische activist zijn strijd tegen het internationale fascisme voort te zetten. Hij had al een memorabel en waardig voorbeeld gesteld in het Verzet, maar zijn revolutionaire en strijdbare geest liet geen stilstand toe.

In augustus 1957 ontmoette hij in Toulouse Facerías, de beroemde anarchistische guerrillero en onteigenaar. Het was 14 augustus en Facerías was naar de roze stad gekomen om Frans geld te wisselen voor Spaanse deviezen, voor een bedrag waarmee hij daarna naar Spanje kon terugkeren om een aanslag tegen Franco te plegen. Op 15 augustus verlieten Goliardo Fiaschi, een zekere Augustin (1) en Facerías Toulouse om ‘s nachts de grens over te steken. Onder de indruk van zijn partizanenverleden had Facerías de jonge Fiaschi in zijn groep verwelkomd. De drie staken zoals voorzien de grens over. Ze hadden de hoge intensiteit van politiepatrouilles (ondanks het feestklimaat naar aanleiding van de Annunciatie) opgemerkt en moesten het geschikte moment afwachten om zachtjes voorbij te glippen, wat hun komende tocht vertraagde.

Volgens dit plan moesten de drie anarchisten een exact parcours volgen langs verschillende dorpen alvorens Barcelona te bereiken. De reis van Toulouse naar Barcelona moest per fiets gebeuren opdat het op een eenvoudige trip zou lijken.

Ze hielden halt vlakbij San Juan. Vanop de hoogte konden ze de omgeving in de gaten houden. Goliardo daalde af naar de vallei om water te halen maar hij ontdekt dat het bergriviertje vervuild was door paardenmest. Om te vermijden dat ze door de Guardia Civil van het dorp zouden opgemerkt worden, waren ze toch verplicht ervan te drinken. Ondertussen vond er op de heuvel een levendige discussie plaats tussen Augustin en Facerías over de opgelopen vertraging: de tweede hield vol dat ze alle voorziene etappes moesten volgen terwijl de eerste stelde dat ze zo snel mogelijk in Barcelona moesten zien te geraken. Facerías daalde af naar het dorp om iets te kopen en vroeg de twee anderen te wachten. Bij zijn terugkeer vond hij de twee kameraden verborgen op de begraafplaats terug, en niet op de plaats waar hij ze had achtergelaten. Ze hadden een patrouille van de Gardia Civil opgemerkt en ervoor gekozen om van plaats te veranderen. Augustin, Facerías en Goliardo zullen met nog meer vertraging uit het dorp vertrekken.

De tocht van het ene dorp naar het andere werd als volgt georganiseerd: Facerías moest doorheen de dorpen fietsen, Fiaschi en Augustin zouden hem volgen met een interval van tien minuten. Wanneer Goliardo de eerste bereikte, verduidelijkte hij dat Augustin beslist had de trein naar Barcelona te nemen. Ze zetten hun reis met twee verder.

We denken dat de franquistische politie getipt was over het plan van de drie revolutionairen. Op 27 augustus werd Augustin gearresteerd ondanks een wilde ontsnappingspoging uit het huis van een kameraad van Sabadell.

Op 28 augustus waren Goliardo en Facerías al vierentwintig uur in Barcelona. Ze wachtten op Augustin, maar die verscheen nooit op het afgesproken uur en op de afgesproken plaats. De volgende dag spraken ze af elkaar te zien op hun schuilplek op de Mont Tibidabo. Facerías zou daar zijn de 29ste om middernacht, of op de middag de volgende dag. Hij vroeg eveneens aan Goliardo om terug te keren naar Frankrijk als hij er ook op de tweede afspraak niet was.

Ze namen afscheid van elkaar, en Goliardo vertrok naar de schuilplaats nadat hij twee flessen met water had gevuld. Onderweg werd hij omsingeld door zes met machinegeweren gewapende individuen die hem het bevel gaven stil te staan. De kameraad Fiaschi, die zich niet kon verdedigen omdat hij zijn handen vol had, schreeuwde hen - in goed Toscaans - een reeks Italiaanse beschuldigingen en verwijten toe. Toen ze hem hoorden vloeken in deze taal, zeiden de politieagenten: “Het is de Italiaan, de vriend van Facerías.”

Bij de eerste ondervraging veinsde de Toscaanse anarchist dat hij niets wist van wat ze hem vroegen, en nog minder over hoe ze Facerías konden vinden. De flikken namen hem mee naar de kazerne, en omdat hij zich niet verstaanbaar kon maken in het Spaans, begonnen ze te zoeken naar een tolk. Ze vonden een hotelbaas uit Carrara die in Barcelona werkte die zich gewillig leende om de ondervraging te vertalen. “De politie had het bevel geen gevangenen te maken, dus als je niet in het Italiaans had gepraat, was je nu al dood geweest,” zei de tolk tegen hem.

De ondervraging was erg zwaar, bijna gewelddadig. De politieagenten wilden ten allen prijze te weten komen waar Facerías naartoe was. Fiaschi wist het echt niet, hij was er zeker in geslaagd zich te verwijderen van de plaats waar ze elkaar hadden verlaten, ondanks de vele observatieposten van de politie. De franquistische miliciens waren op dat moment waarschijnlijk aan het eten.

Op alle vragen antwoordde Goliardo dat hij alleen maar naar Barcelona was gekomen om in te schepen naar Mexico. Nadat ze in de namiddag contact hadden opgenomen met het commissariaat waar Augustin werd vastgehouden, stelden de agenten zich harder op: ze bevolen hem alles te vertellen en verduidelijkten hem dat hij het in het andere geval zou betreuren dat hij ooit geboren was; zijn versie zou in elk geval moeten kloppen met de versie die Augustin reeds had gelost.

‘s Nachts beklommen de militieleden van de Guardia Civil de Mont Tibidabo met hem in de hoop Facerías te pakken te krijgen in zijn schuilplaats. Goliardo ging een eerste keer voorbij de schuilplaats en vermeed ze opzettelijk terwijl hij tegelijkertijd erg luid begon te praten in de hoop dat, als hij er was, hij zou kunnen begrijpen dat er flikken waren.

Na een omweg die hij lang deed duren, nam Goliardo de flikken tegen twee uur ‘s morgens mee naar de barak (in de zekerheid dat Facerías er op dit uur niet zou zijn). De politieagenten, die Goliardo als schild gebruikten, drongen de schuilplaats binnen en vonden niemand. Ze namen alleen de fiets en de wapens van Facerías mee. Fiaschi bleef samen met de politieagenten tot de volgende dag in de barak, tot een half uur na de middag. Het was exact op dit uur dat hij wist dat Facerías gedood was door machinegeweerschoten van de politie. Hij werd vervolgens nog drie dagen en drie nachten lang ondervraagd (alleszins, dat is wat hij vermoedt), in de cel naast Augustin maar zonder dat ze elkaar konden zien. Hij werd eveneens verplicht een papier te tekenen waarvan hij nooit geweten heeft wat erop stond.

Pas in de gevangenis zag Goliardo Augustin tijdens een wandeling, na twintig dagen isolatie. Op 12 augustus 1958 veroordeelde het speciaal militair tribunaal van Barcelona hen. De hoorzitting duurde een uur, en zoals gebruikelijk in Spanje werd de straf pas drie dagen later aan de beide beschuldigden meegedeeld. Goliardo Fiaschi werd veroordeeld tot 20 jaar en één dag gevangenisstraf, Augustin tot 21 jaar en 4 maanden. De eerste gedroeg zich voorbeeldig tijdens het proces: hij vroeg enkele minuten om te praten, en die werden hem uitzonderlijk toegekend. Hij profiteerde ervan om tegenover de franquistische rechters, de kwaliteiten van Facerías te verdedigen door hem “vrijheidsstrijder” te noemen en door zijn revolutionair figuur te loven.

Na acht jaar gevangenis werd de anarchist uit Carrara uitgeleverd aan de Italiaanse magistratuur. Kameraad Fiaschi werd uitgeleverd aan Italië omdat onze magistratuur en onze politie hem een reeks overvallen wilden aansmeren die hadden plaatsgevonden na het Verzet en waarvan de daders onbekend waren gebleven.

De Italiaanse reactionaire krachten ontvingen hem met kreten als “Daar is de chef van de anarchisten.” Nogmaals, ik zeg dit hier om aan te dringen op het feit dat de politieagenten en magistraten weigerden te begrijpen dat er bij anarchisten noch nood, noch behoefte aan een chef is. In Italië werd hij vervolgd door de magistratuur en veroordeeld (ook al was hij onschuldig) tot een jarenlange gevangenisstraf. Zo werd hij uit het sociale leven gerukt, uit het militantisme en verwijderd van zijn kameraden. Hij kreeg gratie in maart 1974, op 44-jarige leeftijd. Deze gratie werd hem uiteraard pas op het einde van zijn veroordeling toegekend, na tussenkomsten van kameraden en enkele (zeldzame) politiekers die echt hebben geleden onder het fascisme en de gevangenis. Zijn moeder, in de tachtig, en zijn zeer zieke zus konden eindelijk hun Goliardo omhelzen.

Tijdens mijn gevangenschap ben ik ook de voormalige commandant van mijn partizanenformatie tegengekomen: Elio Wochiecevich. Ik zag hem terug in de bak van Porto Azzurro, waar hij tien jaar moest uitzitten (een straf die hij tot op de laatste dag uitzat) omdat hij door de politie en de magistratuur verantwoordelijk was gesteld voor een aanslag op een kazerne van de oproerpolitie in Carrara, kort na de oorlog. In Porto Azzurro bleef Elio de fundamenten van zijn rebellie verdedigen, dezelfde fundamenten die hem ertoe gebracht hadden te gaan vechten in de bergen.

Tijdens mijn omzwervingen van gevangenis naar gevangenis ben ik ook meerdere keren Giovanni Mariga tegengekomen, de adjunct-commandant van de partizanenformatie “Elio”. Ik ben hem tegengekomen in Fossombrone, Pisa, Genua, Livorno en Porto Longone. Ik laat het woord aan Giovanni opdat hij zijn verhaal kan vertellen:

“Ik, Mariga Giovanni, geboren in Padua in 1899, was voor de Eerste Wereldoorlog niet geïnteresseerd in politiek. Ik herinner me dat ik voor de Grote Oorlog zondag als verdediger voetbalde bij de club van de Società Calcio Padova. Ik heb nooit iemand iets gevraagd tijdens mijn leven, en nog minder om oorlog te voeren, het is te zeggen, om mensen te leren slachten zonder de reden ervoor te kennen. Maar mijn klasse werd opgeroepen en dus ben ik met leeftijdsgenoten vertrokken. Ik ben naar de Piave gegaan en naar de regio van Trentin, daarna heb ik deelgenomen aan de bevrijding van Trieste.

Ik heb mijn dienst beëindigd in 1920. Ik herinner me dat mijn compagnie direct na de oorlog, terwijl ik nog bersagliere [korps van tirailleurs] was, ontbonden werd in Ancona, in de kazerne van villa Rei. Op een dag beslisten de generaal en de gouverneur om ons samen met andere geallieerde troepen naar Albanië te sturen om een revolte te onderdrukken. Toen we in de haven kwamen gaven de officieren ons het bevel in te schepen op de cargo. We hebben ons massaal omgekeerd en zijn naar de kazerne teruggekeerd De dagen voor de inscheping hadden enkele kameraden (zogenaamde anarchisten) Errico Malatesta de kazerne binnengebracht. Ze hadden hem verborgen in een geblindeerde wagen die instond voor de bevoorrading van de kantine. Vermomd als bersagliere – ondanks zijn 60 jaar – hield hij antimilitaristische toespraken: hij nodigde de troepen uit tot desertie en veroordeelde alle oorlogen.

Toen ik in 1920 terugkeerde naar Padua, ontmoette ik daar een anarchistische kelner uit Trieste. Hij zag me reageren tegen de fascisten die problemen zochten en gaf me boeken en pamfletten. Zo werd ik een anarchistisch militant en sindsdien heb ik zonder onderbreking gevochten tegen het fascisme. Als ik me niet vergis, heb ik tijdens de twintig jaar dictatuur, van 1922 tot 1943, bijna 16 jaar van mijn leven in de gevangenis gezeten. Mijn periodes achter de tralies gingen van minimum drie jaar tot maximum zes jaar.

Bij het begin van de gewapende weerstand werd ik door partizanen bevrijd uit het kasteel van Malaspina, waar ik mijn zoveelste straf uitzat. Tot 25 april 1945 ben ik bij hen onder de wapens gebleven in de bergen van Carrara. Net zoals Belgrado heb ik ook aan alle operaties van de formatie “Elio”, waarvan ik de adjunct-commandant was, deelgenomen. Feitelijk ben ik voor Pedrini bevrijd en heb ik dus langere tijd partizaan kunnen zijn. Uit eerlijkheid sta ik erop te verduidelijken dat ik vele operaties alleen of met kleine groepjes kameraden heb uitgevoerd terwijl andere groepen van de formatie er andere deden. Ik heb deelgenomen aan alle grote gevechten die de formatie tegen de nazifascisten gevoerd heeft; Belgrado heeft ze al opgesomd. Ik heb de Linea Gotica meerdere malen overgestoken, ik heb meerdere malen deelgenomen aan pogingen om Italiaanse, Russische en Engelse gevangenen te bevrijden die op het punt stonden door de Duitsers gedeporteerd te worden. Ik heb ook de gelegenheid gekregen om ouderen, vrouwen en kinderen van honger en repressailles te vrijwaren.

Op een dag vernam ik dat er een gevaarlijk koppel spionnen, de terreur van het hele land, aangekomen was in Carrara. Ik heb een plan uitgedokterd dat ons toeliet hen te verrassen. Een van de spionnen was een Italiaanse die al jaren in dienst was bij de Duitsers. Ze was een sergeante en door hen gedecoreerd met een briljanten kruis. Ze had tijdens haar carrière talrijke partizanen en antifascisten doen aanhouden waarvan het merendeel werd veroordeeld en gefusilleerd. Deze vrouw, sergeant en spionne, werd gezocht door het Nationale Bevrijdingscomité in heel Italië en alle bevrijdingscomités in de Staten die door de Duitsers bezet waren. Toen ze me zag, doorzag ze onmiddellijk mijn bedoelingen en trok haar wapen, maar ik was sneller en deed haar gerechtigheid met mijn Sten. Na deze gebeurtenis, die maar enkele momenten duurde, probeerden de andere vrouw en de aanwezige Duitsers in volle paniek te vluchten.

Ik heb me vaak vermomd als Duits soldaat. Verkleed als koerier, ben ik meerdere keren de controleposten gepasseerd die de Duitsers, de ‘echte’, regelmatig op de wegen oprichtten. Uiteraard werden deze operaties uitgevoerd met een militair voertuig. Dat werd bestuurd door een kameraad die zelfs als hij dood was zijn het stuur nog niet zou loslaten, ook al deed hij het vaak in zijn broek. Op een keer heb ik samen met andere kameraden (nog altijd vermomd) een colonne Duitsers tegengehouden op de Aurelia. Daar hebben we eveneens meerdere Italianen, waaronder een priester, bevrijd. In Gardiano de Garfagnana heb ik daarenboven de kans gehad om vier Russen van een zekere dood te redden.

Maar op een avond, enkele dagen na 25 april, kwamen er enkele individuen binnen in een herberg in Santo Stefano Magra. Er volgde een vuurgevecht waarbij twee personen werden gedood, waaronder een voormalig secretaris van de fascistische partij. Die secretaris was berucht omwille van zijn wreedheid tegenover antifascisten. Het volstaat te vermelden dat zijn bijnaam Rompiteste (“hoofdenbreker”) was. Die kerel liet de partizanen werkelijk alle hoeken van de kamer zien, zijn bijnaam kwam van de manier waarop hij van leer trok tegen de antifascisten uit de regio, voornamelijk anarchisten. Enkele dagen na het vuurgevecht, ben ik in een hinderlaag gelopen. Zij die er toen bij waren hebben verteld dat diegenen die met een machinegeweer op mij hebben geschoten (twee kogels zijn in het botweefsel van mijn schedel blijven steken) politieagenten in burger van het politiek bureau van de prefectuur waren dat in die tijd geleid werd door een zeer jonge commissaris, een zekere Dr. Mangano.

Er vond een proces plaats over het vuurgevecht in Santo Stefano Magra en ik was één van de vijf beklaagden. Net zoals de anderen heb ik verklaard dat ik niet bij de gebeurtenis betrokken was. Desondanks hebben ze ons allen veroordeeld tot 23 jaar gevangenis. Dat was de eerste stap van de burgerlijke magistratuur om de zaak te beklinken. Feitelijk was er geen enkel echt bewijs tegen mij, maar een anarchist is altijd een ideale schuldige, een voorbestemd slachtoffer wanneer het volk gerechtigheid doet aan iemand die haar verhongerd en gefolterd heeft.

Wat betreft het beroep had ik niet de minste centiem om een advocaat te betalen. Ik had reeds al het weinige dat ik had gegeven aan de advocaat die in eerste instantie voor mij had gepleit. Zelfs Flora, mijn gezellin, heeft me niet kunnen helpen omdat ze alles al onder hypotheek gebracht had om de kosten van het eerste proces te dekken. Kortom, zonder vertrouwensadvocaat werd ik in beroep veroordeeld tot levenslang terwijl de straf van de anderen verminderd werd. Enkele jaren later heb ik twee zinloze gratieverzoeken ingediend bij Saragat, de toenmalige president van de Republiek. Ik heb hem daarna twee lijnen geschreven om hem te ‘bedanken’, lijnen die als beledigingen moeten geklonken hebben, maar daarvoor moet hij ze natuurlijk wel begrepen hebben. De derde keer dat ik een gratieverzoek ingediend heb kreeg ik hulp van vele kameraden van Carrara en andere steden in Italië. Ik heb de gratie vooral bekomen dankzij de beslissende interventie van Sandro Pertini die intussen voorzitter van het parlement geworden was. Ik zou hier aan willen toevoegen dat hij volgens mij één van de zeldzame antifascisten is met een hoofdletter A. Toen ik uit de gevangenis kwam, heb ik aan Pertini beloofd me niet te wreken en niet te zoeken naar diegenen die mij in hinderlaag gelokt hadden.

In 1968 heb ik na 22 jaar gevangenisstraf mijn vrijheid herwonnen. Ik was 69 jaar. Ik denk dat de gratie mij vooral toegekend werd omwille van de verdiensten die ik als partizaan geleverd had. Toen ik thuiskwam, stelde ik vast dat ze mij, zonder dat ik iets gevraagd had, het Ridderkruis van Vittorio Veneto en een decoratie van de Geallieerden met een bewijsstuk van verdiensten hadden toegekend. Ik heb eveneens het voorstel van kolonel Rossi teruggevonden die me voordroeg voor een Gouden Medaille voor Moed omwille van de gevoerde strijd tijdens het Verzet. Dit was de tekst:

“Voorstel om de hoogste beloning voor militaire moed toe te kennen aan de partizaan Mariga Giovanni (il Padovano), lid van de formatie “Elio” die door mij geleid werd tot aan de ondertekening van de Grondwet, om de volgende redenen: gezien de vaardigheid tot superieure moed op elk moment, gezien de constante trouw aan de ideeën van de Bevrijding, wist hij zich altijd en bij elke gelegenheid opmerkelijk te onderscheiden en verdient hij de bewondering van zij die verbonden waren met deze zaak; hij heeft twaalf keer de frontlijn overgestoken om individuele acties uit te voeren, die qua risico’s en belang niet minder waren dan het maximum. Tijdens de trieste dagen die volgden op het gevecht van Garfagnana, begaf hij zich voortdurend tussen de vijandelijke linies om zijn commandant en de Engelse majoor Oldan uit de omsingeling te bevrijden. Voor zijn acties op het slagveld heeft hij de hoogste beloning verdiend die in haar sublieme essentie een geschenk voor weinigen is, maar Hij was één van deze weinigen, zoniet de beste.

Fto. Il Comandante Militare Il Colonnello Rossi.”

Deze medaille, die ik niet gevraagd had net zoals ik de andere decoraties niet gevraagd had, is me nooit toegekend geweest. In plaats daarvan heb ik een officieel document gevonden van het district Padua waarop je kon lezen dat ik geen enkele decoratie verdiende aangezien ik tot levenslang veroordeeld was. Zoals ik al eerder zei, hebben medailles me nooit bevallen, en dus, in plaats van tijd te verliezen met ze op te eisen, heb ik een aangetekende brief gestuurd naar het ministerie om deze heren te vragen mij geen andere medailles meer toe te kennen.

Ik had veel problemen op te lossen toen ik thuiskwam. Ik was 69 jaar en had niets om van te leven. Gelukkig hadden ze net een wet gestemd volgens dewelke we recht hadden op een klein pensioen als ex-partizaan. Ik heb mijn aanvraag ingediend en afgewacht. Een tijd later werd ik opgeroepen om de commissie die verantwoordelijk was voor het toekennen van pensioenen aan ex-partizanen te helpen. De commissie was samengesteld uit een luitenant, een kapitein en een majoor van het leger. Tegenover hen: een berg dossiers en aanvragen die zij moesten evalueren en goedkeuren. Ze moesten eenvoudigweg uitzoeken of iemand al dan niet partizaan geweest was.

Ik heb ze naar mijn kunnen geholpen, er waren immers veel individuen geweest die in het Verzet gezeten hadden onder een oorlogsnaam. Daarom heb ik aan de commissie uitgelegd dat ik mijn mening kon geven op basis van een lijst van namen van gevechten, maar dat ik geen enkele bevestiging kon geven over diegenen die hun naam niet naast de data van hun burgerlijke status hadden geschreven.

Ik stelde voor om in ieder geval een ontmoeting te organiseren met de eventuele geweigerden om hen te kunnen herkennen. Op het einde van de operatie vroeg de commissie mij of er naar mijn mening nog partizanen bestonden die hun aanvraag niet op tijd ingediend hadden of van wie de aanvraag nog steeds niet aangekomen was. Ik antwoordde dat er zeker en vast nog een partizaan was die ontbrak, en dat ik dat zelf was. Ze hebben mijn dossier heropend en gezegd dat het onvolledig was.

Feitelijk moest je in de aanvraag bewijzen dat je minstens zes maanden partizaan geweest was en met zoveel mogelijk details en referenties drie acties vermelden waaraan je deelgenomen had.

Dat was even slikken, want 6 maand is 6 maand, terwijl ik gedurende twee jaar partizaan was geweest en dat een fractie van een seconde volstaan had om te sterven.

Tijdens mijn werkdagen heb ik opgemerkt dat er in de dossiers van de gepensioneerden 500 personen waren die beweerden dat zij gerechtigheid gedaan hadden aan de Duitse spionne. Ik heb mijn aanvraag dus aangevuld en aan de commisie gezegd: “Als jullie geloven dat 500 mensen op hetzelfde moment gerechtigheid kunnen gedaan hebben aan één individu, en het is trouwens waar dat vele mensen de toelating hadden om deze operatie uit te voeren, dan denk ik dat voor jullie 500 of 501 niet veel zal uitmaken.” Een beetje later heb ik op mijn beurt m’n pensioen gekregen waar ik nog steeds van leef.”

Een andere kameraad en vriend die ik meerdere keren tijdens mijn opsluiting tegengekomen ben, en die ik altijd met groot plezier begroet, was Giovanni Zava. Ik heb al gezegd dat hij samen met mij in de herberg in La Spezia was tijdens die fatale nacht in 1942. De democratische magistraten, afkomstig vanuit het verzet, hadden hem nog een nieuw delict aangewreven. Ze beschuldigden hem, samen met andere kameraden, van de moord op een voormalig federaal secretaris van de fascistische partij kort na de oorlog in Genua. Hij kreeg evenwel amnestie voor deze misdaad in 1949.

Ik ben Giovanni Zava, Goliardo Fiaschi en Giovanni Mariga nadien in Carrara tegengekomen, allemaal in vrijheid. Zava is iets minder dan een jaar in vrijheid, dus sinds 1974, na 31 jaar onrechtvaardige opsluiting als medaille voor zijn moed als partizaan. Hij heeft, net zoals ik, er nog een jaar en enkele maanden extra gezeten, want de magistratuur wilde de jaren van 1942 tot 1944 toen hij in de fascistische gevangenissen zat niet aftrekken van de straf.

Ik wil tenslotte nog verduidelijken dat er een grote kans bestaat dat, naast de vermelde kameraden die ik al kende en die ik meerdere malen in de gevangenis tegengekomen ben, nog steeds ex-partizanen in die hoedanigheid in de gevangenis zitten, anarchisten of niet.

  • “Het meest nobele deel
  • van de mensheid treedt binnen
  • in de hel van het leven. De anderen blijven
  • op de drempel staan
  • en verwarmen zich.”

Hebbel

(1) Het gaat hier over Luis Agustín Vicente. Deze gebeurtenissen worden kort vermeld door Antonio Téllez Solá in Sabaté: Guérilla urbaine en Espagne (1945-1960), ed. Repères-Silena, Toulouse, 1990, p. 256-257, en uitvoeriger in Antonio Téllez, Guerilla urbaine: Facerías, ed. Ruedo Iberico, Paris, 1974. Merk op dat de banden tussen José Lluis Facerías en Italië veel verder gaan dan de ontmoeting met Goliardo Fiaschi, aangezien hij in dit land verbleef onder de naam Alberto van 1952 tot 1957. Bovenop zijn auto-financi eringsactiviteiten en aanslagen, was hij bijvoorbeeld betrokken bij de hulp aan gewetensbezwaarden, heeft hij de Anarchistische Federatie in Genua gesteund, heeft hij de krant Lotta Anarchica opgericht, heeft hij bijgedragen aan de redactie van Quaderni del Militante, internationale bijeenkomsten georganiseerd en anarchistische klassiekers vertaald.

De mentaliteit van het merendeel van de gevangenen

In de gevangenis heb ik meerdere malen dezelfde scène meegemaakt. Erover vertellen zal vast en zeker verrassend zijn. Die scène vindt plaats wanneer bepaalde gevangenen, vooral zij die lange straffen ondergaan hebben, naar buiten worden gestuurd aan het einde van hun straf: wanneer ze op de drempel van de poort staan, durven ze niet verder te stappen. Ze zouden willen blijven, hebben de moed niet om de vrijheid tegemoet te gaan, ze hebben de moed niet om opnieuw te leren leven in de samenleving ‘buiten’. De rest, het merendeel van de gevangenen, is bereid om na enkele maanden opsluiting eender wat te doen om het leven in de gevangenis een beetje aangenamer te maken.

Sommigen zijn zelfs bereid te folteren, te verkrachten of te mishandelen om op een goed blaadje te staan bij de directie en in ruil minieme privileges te verkrijgen. Met of zonder privileges, ondanks alles blijven ze geketende galeislaven. Vaak worden ze zelfs door de bewakers geminacht omwille van hun manier van handelen. Als besluit kan ik bevestigen dat een gevangene die een lange straf moet uitzitten zich in het algemeen aanpast aan zijn omgeving. Aangezien de gevangenis zijn nieuwe thuis is, probeert hij de meest comfortable positie te vinden. Om een bekrompen doel te bereiken is hij bereid zich volledig te verkopen aan de cipiers, aan de directie en aan de priester.

Wat een gevangene ook doet, van hielenlikker tot de meest smerige lafaard, het kan niet alleen teruggevoerd worden op een individu dat geen uitdrukkelijke individualiteit of een zekere morele trots heeft en waarvan de enige kritische zin niet verdergaat dan de dimensie van zijn beperkte persoonlijke situatie. De hielenlikkerij waaraan dit soort gevangene zich overgeeft komt op een punt waar de gevangene vergelijkbaar wordt met en zichzelf ziet als een cipier, tot in zijn geest, een cipier zonder uniform of pet, een cipier met een gestreepte pyjama. Er zijn zo weinig gevangenen die proberen te ontsnappen, je zou het bijna niet geloven. Het zijn werkelijk uitzonderingen.

Voor 1 op de 100 gevangenen die denkt aan een ontsnapping of er één voorbereid, zijn de 99 anderen onmiddellijk bereid om hem te verraden en de directie in te lichten. Het grootste deel van de gevangenen verkiest hielenlikken, kleine diensten doen voor de directeur en de priester, en zo een beetje beter af te zijn – eerder dan zijn huid te riskeren door over de muur te springen en daarna het risico te lopen buiten, in vrijheid, niet te kunnen overleven. Het is niet gemakkelijk vergeten te worden.Voeg daar nog de problemen aan toe die een ontsnapte gevangene krijgt wanneer hij niet veel relaties heeft en een manier zoekt om van kledij te veranderen en te eten. Grote moeilijkheden, zeker voor iemand die ongeletterd, onontwikkeld, onkritisch en onzeker is.

Weet goed dat het eerste obstakel voor een gevangene die wil ontsnappen (versuft door de opsluiting) het organiseren van zijn eigen vlucht is. Alleen al daarvoor moet je rationeel kunnen denken, moet je een organisatorische capaciteit hebben en koelbloedig zijn. Het volstaat niet om het boek Le Comte de Monte Cristo in stripvorm te lezen om een ontsnappingsplan op punt te kunnen zetten.

Het moet ook gezegd worden dat een kameraad, een idealist, een anarchist, over het algemeen niet erg gebonden is aan de gevangenis. Zijn rijpheid maakt hem in feite sterker. Zijn verstand is beslist kritisch en ontwikkelt zich alsmaar verder. Als hij beslist te proberen ontsnappen, dan weet hij wat hem buiten wacht: zijn kameraden, zijn echte vrienden en vooral een militante solidariteit. Voor een gewone gevangene daarentegen is er buiten, in het beste geval, niets meer dan het milieu van de malavita met haar wetten, haar halve toneelspelers, haar valse mythes en haar logica.

Besluit: diegene die het beste in de gevangenis overleeft, is diegene die leeft in de voortdurende hoop zo snel mogelijk vrij te komen en dat met alle middelen, legaal of illegaal. De anderen raken afgestompt, degenereren volledig, worden in het beste geval levende doden, of in het slechtste geval grote oren, onderkruipers, gereedschap, gevangenen van de directie, de priester en de Staat.

Mijn ontsnappingspogingen

Ik heb in mijn leven als gevangene dus drie keer proberen te ontsnappen. De eerste keer probeerde ik het in Genua in 1947. Beter gezegd, we probeerden het met vier: Zava, twee andere gevangenen die met onze ideeën sympathiseerden en ikzelf.

Onze techniek was de meest simpele en meest gekende: ik heb maandenlang clandestien gewerkt tot ik een metaalzaag om de tralies door te zagen heb kunnen bemachtigen. Eens het kostbare gereedschap bemachtigd en de tralies doorgezaagd, daalden we af naar de binnenplaats met een geïmproviseerd koord dat we klassiek van een laken gemaakt hadden.

Het parcours dat we hadden moeten volgen, zag er zo uit: eerst moesten we de twee binnenplaatsen oversteken, daarna over twee ringmuren klauteren waar vier schildwachten die in die tijd gewapend waren met machinegeweren ronde liepen. We werden gedreven door een dorst naar vrijheid en door het verlangen om de strijd voor de emancipatie samen met de anarchistische kameraden van Carrara en zij die op de rest van het schiereiland streden terug op te nemen. Wanneer ik we zeg, dan heb ik het over ons alle vier.

De twee jongeren uit Genua, die ik blijf omschrijven als sympathisanten, waren uiterst gevoelig en zijn een tijdje de slachtoffers geweest van mijn preken en die van Zava. Ze werden vrij snel actieve deelnemers aan onze avondvergaderingen waar we over ideologie discussieerden en de realiteit analyseerden. Tijdens de eerste discussies hielden de twee jongeren er naar mijn mening zeer verwarde ideeën op na. Ze zagen in het door de communistische partij gemystifisceerde communisme en marxisme de enige bron, de enige Italiaanse weg voor de bevrijding van de uitgebuitenen.

Zava en ik zagen daarentegen geen enkel paradijs op aarde en duwden de analyse naar meer diepgang: zo hebben we geprobeerd hen mee te nemen naar de meest libertair mogelijke stellingen. Tijdens deze vergaderingen probeerde ik, ondanks de last van de jaren, om al mijn herinneringen aan de teksten van Bakoenin, Malatesta en Kropotkin te gebruiken om hen te laten begrijpen wat de verschillende oorzaken waren die tezamen het sociale vraagstuk produceren, en dus de uitbuiting van de mens door de mens. Na deze reeks van avondlessen over het anarchisme, waren de twee jongeren uit Genua effectief vervuld van ons libertair ideaal, en begonnen ze zich net zoveel als ons te beschouwen als echte militanten.

Jammer genoeg, om terug te komen op ons leven als ‘papillons’, mislukte de vluchtpoging. Eens we in stilte afgedaald waren tot op de eerste binnenplaats na de tralies te hebben doorgezaagd, zijn we op het gebouw dat als lijkenhuis dienst deed geklommen. Het dak van dit gebouw bestond uit zeer fijne leien dekstenen. De grijze platte stenen braken onder ons gewicht en veroorzaakten een enorme heibel. Als een alarm trok ze de aandacht van de schildwachten die enkele schoten losten terwijl ze “Wie is daar?” brulden. Binnen enkele minuten stonden alle cipiers rond het lijkenhuis en werden we als vier muizen in de val gepakt. Tijdens deze ontsnappingspoging waren er aan geen van beide zijden gewonden gevallen. Voor ons bleven er alleen maar trieste gevolgen over: we ondergingen meerdere sancties zoals de isolatiecel, het dwangbuisbed, slagen van cipiers en van mozzi (gevangenen die de kerkerwachters helpen bij deze operaties) en, dulcis in fundo, kregen we nog een ‘eerlijk proces’ zoals het penitentiair reglement voorziet.

Als ik het me goed herinner vond het proces zeven of acht maanden later in Genua plaats, in een grijze zaal die Bakoenin een onrechtsbank zou genoemd hebben. Zava en ik kregen als ‘beloning’ zes maanden extra. Het was onze eerste serieuze ontsnappingspoging en de veroordeling was voor de zogenaamde democratische magistratuur de rekening, de eerlijke prijs. De twee sympathisanten uit Genua kregen drie maand, want Giovanni en ik hadden de volledige verantwoordelijkheid voor de ontsnapping op ons genomen, we hadden verklaard dat we hen hadden meegesleurd.

Mijn tweede halsbrekende ontsnappingpoging vond plaats in 1951. Ik heb geprobeerd te ontsnappen uit de gevangenis van Saluzzo met ‘kameraden’ die helemaal anders waren dan de vorigen. Dezelfde geschiedenis heeft zich herhaald: ik heb een enorm deel van mijn tijd gespendeerd om de middelen te bemachtigen, de gereedschappen die nodig zijn voor een ontsnapping. Ik had zelfs geld dat diende voor de eerste dagen na de ontsnapping.

Ik heb alles op de volgende manier bemachtigd: ik heb gewacht tot enkele vertrouwenskameraden die ik in de gevangenis had leren kennen vrij de gevangenismuren verlieten. Ik heb hen gevraagd om vijlen en zagen te zoeken en die te verbergen of in de zolen van een paar schoenen, of ze te bakken in een brood, of ze te verbergen in een dubbele wand van een doos. Een tijdje later werd mijn droom werkelijkheid en kreeg ik al het materiaal in mijn cel. Eens de tralies van ons raam doorgezaagd was, gingen we over naar de tweede fase van het plan. We zaten op de derde verdieping, en de tweede moeilijke etape bestond uit het afdalen naar de binnenplaats.

Deze keer leek de ontsnappingspoging vanaf het begin al ingewikkelder, het was een collectieve poging. We waren met twaalf en niet met vier zoals de eerste keer. Een beetje verduidelijking: het idee voor de vlucht was niet de vrucht van mijn initiatief alleen, maar een plan dat in onze cel was gegroeid. Alle twaalf waren partizanen, politieke gevangenen. Onder ons noemden negen zich communisten, en drie zich anarchisten.

Toen we beslisten om onze vrijheid te veroveren hebben de anderen zich tot mij gericht. Mijn ervaring met ontsnappingen was voortaan beroemd – in de gevangenis gaat de informatie en de beruchtheid zeer snel rond. Eens we de middelen bij elkaar gekregen hadden, de risico’s overwogen hadden en de tralies doorgezaagd hadden, zijn we overgegaan tot de collectieve actie: ik ben als eerste afgedaald en eens ik op de grond stond, volgde de tweede zoals afgesproken. Maar de derde, overwelmd door de emoties, liet het lakenkoord los en liet zich vallen in plaats van zachtjes af te dalen. Zijn val ging gepaard met een enorm lawaai. De heibel alarmeerde iedereen die in de gevangenis zat. Enkele kameraden uit de cel raakten in paniek en durfden niet meer te bewegen. Anderen die moediger waren hebben geprobeerd zo snel mogelijk af te dalen, waardoor ze, je kan het je inbeelden, nog meer lawaai maakten. De schildwachten lieten hun sirenes loeien: een tiental minuten lang stoven ze alle richtingen uit. In minder dan een uur waren we allemaal gepakt en opnieuw onderging ik de gewoonlijke sancties: de isolatiecel, het dwangbuisbed, een fijne dosis klappen, voor de juridische autoriteiten verschijnen en als cadeau een overplaatsing: vakantie in een andere gevangenis voor een betere verlengde vervolging.

Na dat alles, ben ik voor de tweede keer voor de rechtbank gekomen. Ik legde deze keer aan het tribunaal mijn situatie uit. Ik zei dat ik een onverdiende veroordeling onderging en dat de delicten die me werden aangewreven acties met een ideologisch karakter waren of, als ze dat verkozen, puur politieke acties.

De magistratuur bleef ons beschouwen als gewone delinquenten, ondanks mijn reacties tijdens de procedure: ik heb geprobeerd om mijn kooi van beklaagde om te vormen tot een platform, tot een tribune om aan te klagen en te verdedigen. En zo vroeg ik dus aan de rechter en de advocaten dat ze moesten proberen de minister van Justitie en van Gratie aan te klampen om ons dossier te heropenen. Uiteraard hebben we niets bekomen en heeft niemand naar ons geluisterd.

Deze keer kreeg ik 18 maanden als recidivist, terwijl de anderen die aan hun eerste poging waren, 6 tot 8 maanden mochten slikken. Zij die op het moment van de ontsnapping in de cel waren gebleven, werden eerst beschouwd als relatief schuldig, de magistraten probeerden hen te beschuldigen van medeplichtigheid. Uiteindelijk werden ze vrijgesproken omdat wij alle verantwoordelijkheid op ons genomen hadden.

We hebben onszelf als enige verantwoordelijken voor de organisatie van de ontsnapping opgegeven. We verklaarden dat we op het moment dat we beslist hadden om te vluchten niet aan hen hadden gedacht. We dekten hen in door te zeggen dat ze van niets wisten aangezien we tijdens de wandeling, buiten de cel, samenzworen.

In de gevangenis van het eiland Pianosa heb ik mijn derde ontsnappingspoging ondernomen. Pianosa is een eiland van de Toscaanse archipel dat op ongeveer zeventig kilometer van Livorno ligt. Op dit eiland zaten gewone gevangenen en ‘fysiek gehandicapten’ opgesloten: ik bevond me bij de gewone gevangenen.

In deze Cayenne heb ik geketende veroordeelden leren kennen op wie ik kon vertrouwen. Ik organiseerde dus een ontsnappingsplan met mijn drie celgenoten. Zoals je je wel kunt voorstellen was de grootste moeilijkheid het oversteken van de zee.

Voor deze nieuwe ontsnappingspoging heb ik alle herinneringen die ik had over schone kunst herbruikt. Steunend op mijn ervaring als oude student van de academie begon in poppenhoofden te maken. Ik modelleerde met klei, krijt en broodkruim om hoofden te vormen die zoveel mogelijk leken op de onze, ik kleefde er haar aan dat we bij onszelf hadden afgeknipt. Deze hoofden lijmde ik dan op geïmproviseerde poppen die geconstrueerd waren met oude truien en caleçons die vol stro staken.

Het resultaat was bevredigend: ik had met een monnikengeduld vier dubbelgangers gefabriceerd. Wij lieten de poppen in de bedden liggen en werkten het doorzagen van de tralies van onze cel af. Vanuit het raam daalden we af tot op de binnenplaats en staken een aangrenzende moestuin van de gevangenis over. We beklommen de muur van de moestuin met een koord voorzien van een werphaak. Al lopende bereikten we de zee. We hadden met enkele kameraden uit Livorno afgesproken dat een motorbootje moest voorbijvaren op een precies uur en, met die boot, de vrijheid. De twee kameraden waarmee we hadden afgesproken waren leden van de naburige Anarchistische Federatie en waren ‘op vakantie’ in de gevangenis van Pianosa om een korte straf uit te zitten. Samen met hen had ik het plan voor de ontsnapping tot in de puntjes uitgewerkt. De laatste details van de onderneming had ik nog op punt gesteld in een gecodeerde brief.

Op de afgesproken dag hebben mijn drie kameraden en ik de actie aangevat om weg te geraken uit de gevangenis terwijl de vrienden van Livorno zich in beweging zetten om ons te komen oppikken. Ze zijn ingescheept vanop de kust, daar heb ik concrete bewijzen van gehad.

Jammer genoeg veranderde plotseling het weer tijdens de oversteek; ten gevolge van een onweer was de zee stormachtig geworden en onbevaarbaar. Omwille van deze omstandigheden zijn de kameraden van de Federatie van Livorno moeten terugkeren. Pas na duizenden moeilijkheden zijn ze teruggeraakt. Onze situatie was er niet veel leuker op. Wij waren dan wel buiten de gevangenis, maar op een eiland en zonder enige reële mogelijkheid om de ellende ten einde te brengen. Enkele uren later waren we tot alles bereid, en met een enorme hoeveelheid moed en de dorst naar vrijheid die we wilden lessen, hebben we alles op alles gezet.

Wanhopig maar in vol bewustzijn, hebben we geprobeerd de zee met een vlot over te steken. We hadden in zeven haasten een vlot gebouwd met boomstammen en koorden die we in de schuur van een boer gevonden hadden. Maar het vlot, hoewel het gebouwd was door mensen die ten alle prijze hun vrijheid willen veroveren, kon de furie en het geweld van de golven niet weerstaan. De zee was die nacht zo onstuimig dat we er ondanks onze inspanningen niet in geslaagd zijn de branding voorbij te geraken, zelfs nog geen honderd meter. Na meerdere uren, hebben we ons overgegeven aan de kracht van de zee en eens terug op het vasteland, werden we de volgende morgen gearresteerd op de begraafplaats waar we ons verstopt hadden.

Er kwamen wachters te paard en cipiers op de fiets aan. Ze hebben ons tussen twee vuurgevechten door uit deze laatste schuilplaats gejaagd. De deelnemers aan deze derde ontsnappingspoging waren twee Sicilianen, een kerel uit Cremona en ikzelf. De kerel uit Cremona was actief geweest in de anarchistische beweging onder het fascisme en had daarna, vanaf de jaren 30, meerdere jaren in het buitenland doorgebracht. Vanuit Frankrijk, waar hij naartoe gevlucht was, is hij doorgetrokken naar Spanje om deel te nemen aan de revolutie en de oorlog.

Toen we terug binnen de gevangenismuren waren, hebben ze ons tot bloedens toe geslagen en voor drie maanden overgeplaatst naar Porto Azzurro. Daar werden we de volle drie maanden lang opgesloten in de strafcel. Uiteindelijk brachten ze ons naar Livorno voor een zoveelste proces. Ik heb daar een nieuwe beloning van 18 maanden gewonnen. De kerel uit Cremona kreeg een jaar en de twee Sicilianen elk twee maanden.

Het was mijn laatste collectieve uitbraakpoging. Ik heb nog eens geprobeerd om te ontsnappen tijdens een transfer. Ik was erin geslaagd me te ontdoen van de handboeien die me boeiden aan de carabinieri die me begeleidden. Wanneer een gevangene van de ene gevangenis naar de andere overgeplaatst wordt, wordt hij eerst overgedragen aan carabinieri. Zij leiden de gevangene naar het station, stoppen hem in een celwagon en begeleiden hem tot aan de bestemming. Als de gevangene zich van zijn handboeien kan ontdoen, heeft hij tijdens het overstappen in een station al wat kans. Als hij jong en lenig is kan hij het op een lopen zetten en gemakkelijk ontsnappen.

Dat is wat ik een keer gedaan heb tijdens een overplaatsing, maar ook deze keer was het geluk niet aan mijn zijde. In het station waar ik erin geslaagd was me te bevrijden krioelde het per toeval van politie-agenten en mensen van de havenmilitie die de carabinieri geholpen hebben om me te pakken te krijgen.

Deze keer heb ik geen proces gekregen omdat mijn ‘vlucht tijdens overplaatsing’ niet beschouwd werd als een ontsnapping. Ik denk dat een vlucht van deze soort toch wel voor de rechtbank zou komen, maar tot op vandaag weet ik nog altijd niet waarom dat niet gebeurde. De machtigste vijand die een gevangene moet overwinnen om te kunnen ontsnappen is de vijandigheid van de anderen, denk ik. In theorie impliceert een ontsnapping een lichte repressie de volgende dagen voor zij die achterblijven. Maar het is veeleer de afgunstige en onderworpen geest van andere gevangenen die bepalend is voor hun vijandelijkheid dan een veralgemeende repressie.

In het grootste deel van de gevallen zijn het individuen zonder idealen, bereid om zelfs hun moeder te verkopen, opgevoed tot geweld, gediplomeerd in smerigheid door de gevangenis, door het lijden en door ontberingen van alle soort.

Deze ongelukkigen zijn afgunstig op de geketende kameraden die willen vluchten en, omdat ze zich onmiddellijk prostitueren aan de gevangenisautoriteit, sloven zich uit en verkopen je in ruil voor exclusieve en onbetekende privileges.

De ontsnappingspoging is de zuurstof van enkele gevangenen die kritisch, gezond en jong genoeg zijn en die de noodzaak om te reageren tegen de gevangenis voelen. Vaak overleef je de gevangenis alleen maar door vluchtplannen te smeden. Denken aan vluchten, hopen het te doen, is een manier om niet te sterven in de gevangenistombe. Maar het grootste deel van de gevangenen, zoals ik al vaak heb herhaald, vormt een niet-denkende massa en een verzameling van angsthazen. De risico’s en gevaren van hij die verlangt te ontsnappen gaan van de gewapende schildwachten tot de moeilijkheden om buiten middelen om te overleven te vinden. Daarom past de gevangenismassa die afgestompt is door de kerker zich aan zonder te beseften dat ze enkel nog meer afgestompt zullen worden.

Het 'leven' in de Italiaanse gevangenissen

De situatie in de gevangenis van vandaag verschilt van de fascistische periode door een verbetering van de voeding, maar die voldoet hoe dan ook niet aan de minimale behoeften van een menselijk wezen.

Ze geven aan de gevangene een rantsoen dat niet meer kost dan 500 lire per dag. Daarenboven wordt deze dagelijkse som onverbiddelijk en systematisch geamputeerd door de interne camorra van de gevangenis. De verantwoordelijken hiervoor zijn de gevangenen die werken voor de keukendienst, de chefs en de cipiers (die zijn altijd de eerste verantwoordelijken voor het inpikken van voedsel). Voor deze heren zijn het systeem en de regel zoveel mogelijk stelen van de gevangenen. Bijgevolg krijgt de gevangene die in zijn cel wacht op zijn portie eten ter waarde van 500 lire uiteindelijk een rantsoen van minder dan 50 %.

De kwaliteit is vreselijk belabberd, de voedingsmiddelen zijn altijd de slechtse van de markt. Het eten is dus heel eenvoudig afstotelijk voor de smaakorganen van de gevangene. Maar in enkele gevangenissen is de situatie, na ontelbare protesten die door de veroordeelden geleid en betaald werden, lichtjes veranderd en een beetje verbeterd. Fossombrone is één van die plaatsen. Na twee jaar onder zo’n regime gaat de gezondheidstoestand van een veroordeelde in Italië er serieus op achteruit: het grootste deel van de individuen komt volledig verzwakt buiten. De situatie op vlak van omgeving, hygiëne en sanitair is simpelweg tragisch. De staat van de cellen en de vochtigheid van de gebouwen zijn typisch voor oude instellingen.

Feitelijk zijn het grootste deel van de Italiaanse gevangenissen omgebouwde oude kloosters of middeleeuwse forten. Deze structuren blijken al bij de eerste blik totaal ongeschikt: ze houden een veel groter aantal gevangenen vast dan waar er effectief plaats voor is. Als je de gevangenen in alle Italiaanse centrales bekijkt, dan krijg je hetzelfde gevoel als wanneer je een ton met haringen opendoet.

Om het op een intellectuele manier te zeggen, de situatie (of eerder de verhouding ruimte/individuen) is zoals Schopenhauer ze beschreef voor de egels die opgesloten op een ongelukkige plaats eindigen met elkaar te steken. In deze beperkte ruimtes breken ruzie’s uit voor het minste. Tegen elkaar uitpakken en zo de lichtgeraaktheid en het opgestapelde lijden ontladen onthult wat de gevangenisadministratie is. De echte en enige verantwoordelijke voor deze ondraaglijke situatie is sowieso, altijd en alleen de Staat en haar regering die, omwille van hun onmenselijkheid, sinds dertig jaar geen enkele maatregel genomen hebben.

Ik ben het er absoluut mee eens dat er geen gevangenis kan en mag bestaan in een samenleving zoals die geïdealiseerd wordt door de anarchistische denkers. De gevangenissen in een maatschappij zoals de onze, die zich als modern en beschaafd beschouwt, geven een duidelijk voorbeeld van haar echt beschavingsniveau.

De Italiaanse situatie is een frappant voorbeeld van een onmenselijke ‘beschaving’ die naar het hoogste niveau van ondraaglijkheid gestuwd is. Het gevangenisreglement is nog altijd dat van Albertino en daarna van het fascisme, het is intact gebleven zonder veranderd te zijn noch door de Risorgimento noch door het Verzet. Dit reglement is integraal opgenomen in de republikeinse Grondwet. We kunnen zeggen dat de enige en miniscule veranderingen van de laatste dertig jaar het gevolg zijn van enkele ministriële rondzendbrieven die bepaalde disciplinaire maatregelen een beetje verlicht hebben.

In 1968 en in de loop van de volgende jaren breekt er in de gevangenissen een reeks opstanden uit om hervormingen te bekomen. De radicalisering van de analyses die de studenten en arbeiders buiten formuleerden hadden ook hun repercussies binnen de muren van de gevangenis van het schiereiland. De veranderingen die voorgesteld werden, overgenomen in de kranten, op de radio’s en de televisies, waren de intrekking van het strafrecht en de hervorming van het gevangeniswezen.

Van 1968 tot 1975 hielden de gevangenen in heel Italië zich blijvend op de hoogte van alle gepolitiseerde revoltes in elke strafinstelling, over de uitgebreide en talrijken toespraken die de politiekers nu en dan voor hen hielden en over wat de regering nooit zou doen. De opeenvolging van revoltes was het gevolg van een collectieve bewustwording van de veroordeelden, door de klassieke methode van het achterwege blijven van eender welk hervormingsproject, al was het maar miniem, na een berg toespraken te hebben gehouden.

Van de ene opstand naar de andere kwamen we terecht in een situatie waar we de cipiers konden horen zeggen: “De gevangenis, zelfs als het een voorbijgestreefd concept is en zelfs als de huidige situatie onhoudbaar is, is er zo aan toe dat we de regering vragen ons carte blanche te geven om de situatie te kunnen bedwingen.” De minister van Justitie en Gratie gaf, ondanks zijn gewoonlijke immobiliteit, toe om ‘uitzonderlijk’ aan de cipiers carte blanche te geven zoals gebruikelijk was onder het fascisme. Deze maatregel werd hen vooral toegekend in de gevangenissen waar de gerevolteerde gevangenen van heel Italië samen opgesloten zaten.

Hier moeten we nog aan toevoegen dat de maatregelen die in de gevangenissen van Sardinië, Sicilië en Porto Azzurro getroffen werden ruim de wreedheid en hardheid van de maatregelen die de nazifascisten in hun tijd namen voorbijstaken. Vandaag de dag is er in alle Italiaanse gevangenissen een onwankelbare repressie in voegen, die veel verder gaat dan de repressie die Mussolini in zijn tijd had aangeraden. Volgens de huidige normen heeft de gevangene recht op één uur wandeling, zoals in de tijd van Mussolini. Maar deze paragraaf kan naargelang de discretie van de gevangenisdirecteur geïnterpreteerd worden op een manier die aan de gevangene toelaat te genieten van één tot zes uur wandeling. De zes uren worden toegekend in de strafhuizen waar de fysiek gehandicapte of aan tuberculose lijdende gevangenen opgesloten zitten. In alle andere gevangenissen, het grootste deel dus, duurt de wandeling maximum één of twee uur als de gevangenisdirecteur ‘denkt’ dat dit nodig is.

De mogelijkheden van gevangenen om met elkaar te communiceren is relatief en beperkt. Twee gevangenen kunnen met elkaar praten tijdens de wandeling, maar altijd onder het controlerende oog en oplettende oor van een duo cipiers die daar officieel staan om ontsnappingen en opstanden te voorkomen en tegen te gaan. Een van de methodes die de gevangenen gebruiken om met elkaar te communiceren is het doorgeven van kleine briefjes van de ene cel naar de andere.

Een andere gelegenheid om met elkaar te praten is het televisie-uurtje en in dit geval moet je de berichten fluisteren. Communiceren is in elk geval een mogelijkheid die altijd afhangt van geluk en toeval, met al die spionnen die ons omringen… Als er gepraat wordt over politiek of cultuur moet je oppassen. Feitelijk is het gewoon afgelopen als diegene die meeluistert denkt dat er in hetgeen gezegd wordt ook maar vaag te maken heeft met een opstand. We worden dan onmiddellijk gescheiden, naar de cel gebracht en je weet nooit of er ooit nog een andere gelegenheid zal komen om elkaar te zien. In het algemeen is de communicatie allesbehalve gemakkelijk en vooral discontinu.

De gevangene die door gedachten, acties of verzuim de artikels van het gevangenisreglement doorbreekt wordt onderworpen aan een isolatie van vijf dagen tot maximum drie maanden. Uiteraard hangt het aantal dagen of maanden af van het begaan ‘delict’: als het gaat over ruzies, opstanden of ontsnappingen krijg je het maximum en voor andere lichtere inbreuken het minimum.

Bij zware inbreuken heb je bovenop de isolatiecel recht op een reductie van het eten. Van twee maaltijden per dag ga je naar één maaltijd en een broodrantsoen, je verliest met andere woorden de povere 50 gram worst van de avond of de magere portie bonen. En wat de isolatie betreft: die straf wordt beslist en opgelegd door een interne commissie die bestaat uit de directeur, de dokter en de aalmoezenier. Deze laatste, in theorie en volgens de heilige Kerk, zou de verdediger van de gevangene moeten zijn, het is te zeggen, hij zou bij de twee anderen de zaak van de gevangene moeten bepleiten in naam van de liefde en de christelijke liefdadigheid. In feite zou de dienaar van God de gevangene moeten beschouwen als een zoon van God en hem een beperking van de straf of een verlichting van het lijden moeten toekennen. Tegenover de gevangene wordt hij integendeel meestal de derde aanklager. Uiteraard gebeurt dit vooral eens de gevangene buiten de lijntjes is gegaan en zeker als de ‘schuldige’ gekend staat als een slecht christen.

Ik denk dat de gevangenen allemaal in ongenade gevallen armen zijn, arme duivels, maar voor deze grote vader Staat en voor moeder katholieke Kerk moeten ze zich verdeeld voelen in de ‘goeden’ (de berouwvollen) die aan de rechterkant van God zullen zitten en de ‘slechten’ die tot het laatste Oordeel veroordeeld zullen blijven. Het is statistisch bewezen dat de straf die wordt voorgesteld door de directeur maar zelden gereduceerd wordt door de priester. En in mijn geval kan ik zelfs zeggen dat het vaak dankzij de priester is dat mijn straf verhoogd werd. Uiteraard mag iedereen ervan denken wat hij wil, maar voor mij zijn de aalmoezeniers gewoon zwaar krapuul. De dokter daarentegen, moet zich alleen maar uitspreken over de fysieke conditie van de gevangene en zeggen of hij in staat is de straf te verdragen of niet. Deze meneer handelt in het algemeen met een ‘geprostitueerd en verkocht geweten’ en zal zich maar zeer zelden uitspreken voor de gevangene. Je kan in dezelfde gevangenis in isolatie geplaatst worden of in een andere, dat hangt af van de capaciteit van de gevangenis, of er isolatiecellen beschikbaar zijn of niet.

De isolatie duurt meestal één maand, maar kan gaan tot drie maanden. De cellen die hiervoor gebruikt worden zijn erg eng, benauwd, weinig verlucht, het licht bereikt ze nooit en je ademt er dus een lucht in die door een optimist verstikkend zou noemen. Deze cellen zijn systematisch bewoond door talloze spinnen en hele families vlooien en luizen. De ingang van deze cellen is voorzien van grote tralies en variëert van 50 op 50 cm tot een maximum van 60 op 80 cm. Deze lokalen bevinden zich meestal op de slechtste plaatsen van de gevangenis, meestal ondergronds. Voor de directies is het belangrijk dat ze maximaal geïsoleerd zijn zodat de schreeuwen van de gevangene niet door de anderen gehoord kunnen worden. Er staat ook een bed in deze grafkelders (een militair opvouwbaar veldbed) met een matras van smerig paardenhaar, zo vuil en vettig dat je zelfs gedegouteerd bent om er nog maar op te gaan zitten. Deze ‘matras’ is sinds decennia niet meer gewassen: de urinevlekken die haar versieren dateren in het beste geval van de fascistische periode. In de vouwen van de matras vind je volledige kolonies insecten en parasieten, ook al bestaan er al jarenlang desinfecterende middelen. De smerigheid van deze plekken waar ik meerdere keren heb gezeten is onbeschrijflijk. Naast het bed staat er ook een ijzeren tafel aan het hoofdeinde die zeer goed past bij de smerigheid van de cellen.

Dit interieur wordt verlicht door een lamp die vastzit aan het plafond en ’s nachts maar erg zelden wordt uitgedaan.

In bijna alle strafinstellingen blijft de lamp altijd aan om ‘veiligheidsredenen’, zeker als de gevangene onderworpen wordt aan strikt toezicht. Naast de isolatiecellen bestaan er in deze afdeling van de gevangenis ook dwangbuisbedden. De gevangene wordt hierop vastgebonden en ‘behandeld’ door de cipiers en enkele gevangenen die officiëel gezien bij de kuisploeg horen, maar in feite actiever zijn dan een betaalde cipier.

Deze kuisers of lozzi, zoals ze gewoonlijk in gevangenisjargon genoemd worden, zijn echte varkens, in staat eender wat te doen tegen een vastgebonden gevangene.

Deze daden, die angst zouden moeten aanjagen, gaan van een wilde afranseling tot zaken die nog veel erger zijn: vaak eindigt het met de ‘kuiser’ die zich masturbeert of pist in de mond van de gevangene. Dat gebeurt vooral wanneer de astgebonden ongelukkige stomweg om een druppel water of een trek van een sigaret vraagt. Deze zaken gebeuren zeer vaak, en ik heb de onomstotelijke bewijzen van de wanhopigen die ze ondergaan hebben.

Ik ben vaak op het dwangbuisbed beland en elke keer werd ik afgeranseld. Gelukkig is er nooit iemand in geslaagd om in mijn mond te pissen: ik denk dat ik veel geluk heb gehad, want je hebt maar weinig mogelijkheden om te reageren wanneer je vastgebonden bent. Een gestrafte en geïsoleerde gevangene zou normaal gezien ook recht hebben op een uur wandeling, maar in het beste geval beperkt die zich tot 40 à 45 minuten. De andere beperkingen waaraan de gestrafte onderworpen wordt gaan van een verbod om anderen te zien tot een verbod om te schrijven met de familie of om dingen te kopen in de kantine. Conclusie: tijdens isolatie verliest de gestrafte alle minimale rechten die de andere gevangenen wel hebben.

Ik ben een vijftiental keer voor drie maand in isolatie, en een veertigtal keer hebben ze me vastgebonden op het dwangbuisbed. Voor ik daar belandde, kreeg ik uiteraard elke keer de hoorzitting van de ‘grote commissie’ die bestond uit de directeur of de chef van de cipiers, de dokter en de aalmoezenier. Ze straften mij met isolatie en het dwangbuisbed omwille van mijn ontsnappingspogingen, voor mijn protesten en voor de meerdere opstanden die ik heb veroorzaakt, opgehitst of geleid. Eens vastgebonden op het dwangbuisbed ben ik talrijke malen tot bloedens toe geslagen voor tijdspannes die gingen van drie tot vijf dagen.

Ik heb deelgenomen aan alle opstanden die uitbraken in de strafinstellingen waar ik me bevond. Onder de meest heftige opstanden herinner ik me die van Saluzzo, die in Parma waar ik recentelijk aan deelgenomen heb en die van Fossombrone toen we gedurende vier dagen drie afdelingen van de gevangenis in handen hadden. We hebben ons daar pas overgegeven na de tussenkomst van de algemene inspecteur van preventie en gevangeniswezen en van de procureur van Ancona. Ze hebben toen van mijn levendige stem de ‘desiderata’ gehoord die onze opstand motiveerden.

Samen met deze ‘heren’ heb ik de lokale problemen van de gevangenis en de structurele gebreken onderzocht die mijn kameraden en mij het meest tegen de borst stootten. Het bekomen resultaat was een opvoering van het aantal uren wandeling, een zekere verbetering van het eten en vooral de mogelijkheid om twee keer in plaats van één keer per maand een douche te nemen. Daarenboven kregen de jongsten ook de mogelijkheid om voetbal te spelen en werden enkele andere kleine toegevingen van weinig belang gedaan. Deze opstand, waarvan ik de organisator, de inspirator en de herkende verantwoordelijke was, leverde me een mooi ‘reiscadeau’ op naar de gevangenis van Porto Azzurro. Daar kwam ik aan met de gebruikelijke begeleidende brief die stelde dat ik een zeer gevaarlijk element was en daarenboven een muiter. Dankzij deze aanbevelingsbrief ben ik anderhalf jaar gebleven in de afdeling waar de rebellen vanover heel Italië opgesloten zaten. Na de meest heftige opstanden mocht ik dus een bijzondere repressie ondergaan. Bedankt!

Tijdens mijn ‘vakanties’ in de gevangenis werd ik vaak geslagen en in het bijzonder, zoals ik al zei, na mijn ontsnappingspogingen. De eerste keer was te Genua in 1947. In 1955 ben ik op het eiland van Pianosa zo zwaar afgeranseld dat mijn leven aan een zijden draadje hing. Meer precies moet het gezegd zijn dat ze me daar zoals het reglement voorschrijft op het dwangbuisbed vastgebonden hebben: drie dagen en drie nachten achter elkaar.

Al die tijd had ik geen recht om te drinken of te eten en telkens ik een slok water vroeg, kreeg ik gezouten water en stokslagen. Na mijn ontsnappingspoging in Saluzzo kreeg ik een identieke behandeling en telkens bracht ik via protesten terechte eisen naar voren, met of zonder de steun van de andere gevangenen. De methoden die de Italiaanse cipiers gebruiken om de fysieke gezondheid van een opstandige gevangene te breken zijn:

  • Vuistslagen en klappen op alle delen van het lichaam, van het hoofd tot de buik, op de rug, op zo’n manier dat de bloeduitstortingen zo min mogelijk zichtbaar zijn;
  • Voor de zwaardere straffen grijpen onze heldhaftige bewakers naar de afranseling met zandzakken (dit systeem laat hen toe serieuze interne kwetsuren te veroorzaken zonder enig spoor na te laten op de huid van het lichaam. De zakken, die ik maar al te goed ken, wegen tussen één en anderhalve kilo);
  • Bij bepaalde gelegenheden, kan je vuistslagen krijgen en bepaalde beklemmende grepen ondergaan, in het bijzonder aan de testikels. Deze geüniformeerde smeerlappen draaien en pletten de testikels op een bepaalde manier om een zeer scherpe pijn te veroorzaken.

Deze lijfstraffen worden met twee doelen uitgevoerd: of om de gevangene te laten ‘zingen’, of als straf op zich. Uiteraard zijn deze straffen niet voorzien in de codes of reglementen. Het gaat om officieuze daden die door de Staat stilzwijgend worden overgelaten aan de discretie van de cipiers. Toen ik probeerde te ontsnappen, werd ik geslagen en gefolterd omdat ze wilden weten hoe ik de zaag had bemachtigd, wie me de zaag had opgestuurd, wie mijn medeplichtigen waren, etc. Na de revoltes daarentegen onderging ik hun speciale behandeling omdat ik het had aangedurfd om de wet, de orde en de artikels van het gevangenisreglement te tarten. De folteraars zijn over het algemeen onbekwaam, beulen die ondergeschikt zijn aan de bevelen van hun oversten: de chef beveelt, de huurlingen voeren slaafs uit.

Deze individuen zijn onbewusten en analfabeten, krapuul dat niets anders is dan een groep van bravi (1) die ter beschikking staan van de directie. Deze huurlingen zijn tot alles bereid, ook tot moorden, als de directeur ‘het verlangt’. Maar zelfs dan kan je nog onderscheid maken tusen de individuen. Sommigen folteren alleen maar om te gehoorzamen aan de bevelen van een overste. Anderen, het grootste deel, folteren met veel plezier: op een bloeddorstige en verbeten manier. Zo ontladen ze hun libido, hun opgekropte haat en wreedheid.

Ik denk dat de slechtheid die hen kenmerkt voortgebracht wordt door het milieu vanwaaruit ze komen en waarin ze vele jaren vertoefd hebben: milieus waar geweld de absolute regel is. De intellectuele en morele toestand van deze mensen is zo laag dat ze in staat zijn op het minste te reageren en eender wat te doen met de grootste bloeddorstigheid, terwijl ze er zeker van zijn dat ze nooit één of andere legale sanctie zullen krijgen en dat ze goed beschermd worden door de gevestigde autoriteit, door de Staat.

Die gewelddadige omgeving die deze individuen heeft doen degenereren wordt geproduceerd door een hiërarchische, dus gewelddadige en onmenselijke maatschappij. Het is geweten: geweld is oorzaak en gevolg, het is een andere definitie voor de Staat. De cipiers zijn er de laagste schakel van en uiteraard de meest extreme schakel van het geweld van de Staat tegen het individu. Ik heb dit allemaal overleefd door voortdurend te reageren, dankzij een zin die naar mijn mening zowel voor zij die opgesloten zitten als zij die buiten zijn geldig is:

“De rebellie is het adeldom van de slaaf.”

(1) I Bravi: door de lokale heer betaalde beulen om hun laagste opdrachten uit te voeren vanaf de 17de eeuw.

Reageren om niet te sterven

Om niet ‘burgerlijk’ te sterven, of beter, opdat het verstand niet afsterft wanneer je een lange veroordeling moet uitzitten, moet je reageren door te lezen, te schrijven en te denken. Maar in de Italiaanse gevangenissen, bestaan er jammer genoeg geen grote bibliotheken.

In het algemeen is het erg moeilijk om er boeken van klassieke auteurs of biografiën van wetenschappers te vinden. De gast van de gevangenis kan in de bibliotheek bijna alleen maar teksten van openlijk kerkelijke of fascistische auteurs vinden.

In de gevangenis van San Vittore in Milaan is er een enorme bibliotheek die ‘slecht’ gecontroleerd wordt door de aalmoezenier. Dankzij zijn vadsigheid kan je er teksten van Spencer, Darwin, Hemingway, Kant en Hegel vinden. Deze teksten heb ik met plezier herlezen, aangezien een heel deel ervan, ondanks het repressieve fascistische klimaat, reeds in die tijd beschikbaar was. Jammer genoeg heb ik niet alleen in Milaan opgesloten gezeten.

In Fossombrone, Pianosa, Parma en Castelfranco is er niets leesbaars te vinden. In sommige gevangenissen zou ik zelfs tevreden zijn geweest met Pinocchio. Daar waar er niets te vinden was om te lezen, reageerde ik door te peinzen en na te denken. De Italiaanse gevangenissen hebben maar een mager aanbod van kranten. Tot voor kort kon je alle rechtse dagbladen en weekbladen vinden (het meest ‘linkse’ blad was gedurende decennia Famiglia Cristiana). Ondanks de komst van de socialisten in het parlement of in de regering na 1963, kwamen zelfs ABC en Espresso niet voorbij de poorten van de gevangenis.

Als een gevangene daarentegen teksten van profascistische kranten wilde, moest hij alleen maar moeite doen om iets te kiezen uit het aanbod. Ik herinner me dat iemand de oude nummers van Candido en Il Borghese gevraagd had. Hij kreeg ze nog dezelfde dag.

In Fossombrone heb ik meerdere keren geschreven naar de minister van Justitie en Gratie om een toestemming te bekomen om Umanità Nova, de krant van de Anarchistische Federatie, en L’Unità, de krant van de communistische partij te krijgen. Na een reeks van protesten en andere aanvragen, heb ik de toestemming gekregen om L’Unità te lezen. Umanità Nova is me 32 jaar lang niet toegekend: ik denk dat ze het blad beschouwden als te opzwepend voor een gevangene. L’Unità (afgezwakt als ze toen al was) bleek geen probleem.

Naast deze burgerlijke kranten en enkele uren televisie, bleef er geen andere mogelijkheid meer over dan mijn verstand op een autonome manier te gebruiken: ik ben gewend geraakt aan peinzen en denken. Eén van de systemen die ik meedere keren heb gebruikt om de tijd te doden en niet afgestompt te raken, was om passages uit boeken en gedichten van bekende auteurs tegen mezelf te herhalen, die ik toen ik jong was had bestudeerd. Ik zou niet weten hoeveel keren ik A Silvia van Leopardi, L’inno a Satana en de Odi barbare van Carducci gereciteerd heb. Mijn voorkeur ging uit naar de uitgaven van Sonzogno en naar de populaire en socialistische verdeling uit het begin van de eeuw van Darwin, Keppler en Einstein. Wat de geschiedenis van de anarchistische beweging betreft heb ik enorm veel nagedacht over personen als Cafiero die met de complimenten van Karl Marx de eerste zes hoofdstukken van Das Kapital in het Italiaans heeft uitgebracht. Ik heb me verschillende keren het waarom van deze publicatie afgevraagd. Ik heb die vraag beantwoord met de woorden van de libertaire internationalisten van toen: “Het vertalen en onthullen van ideeën, het verspreiden van alles wat kan dienen om de massa’s te doen nadenken is altijd revolutionair. Wanneer mensen kritisch worden door te lezen en te studeren, ontwikkelen ze automatisch de zin voor de rebellie en het verlangen om de maatschappij revolutionair te veranderen.”

Ik doodde de tijd door te mediteren en zo verliep mijn veroordeling. Het was alsof ik las: het uur van de wandeling en de maaltijd kwamen snel en met de wandelingen en het voedsel gingen de maanden voorbij. Zo was het echter niet voor het merendeel van de andere gevangenen. Hun verstand was vaak verstoken van enig idee, ze hadden zich nooit gewend aan studeren of aan nadenken.

Het is triestig en luguber voor de mensen die veroordeeld zijn tot de gedwongen eenzaamheid om geen ankerpunten te hebben om aan vast te klampen of ideeën om over na te denken. Het verstand van deze mensen gaat er elke dag op achteruit. Het kan niet anders dan dat ze afstompen en degenereren. Na de oorlog werden alfabetiseringslessen van een elementair niveau ingesteld voor de gevangenen. De lesgevers werden met mondjesmaat aangeworven door de directies van de gevangenissen: ik heb onder hen alleen maar democraten en fascisten tegengekomen. In plaats van zich te richten op de culturele problemen van hun leerlingen die tussen de 20 en 80 jaar zijn, praten de leraars met hen over sport en leren de leerlingen niets. Honderden gevangenen hebben het studiebewijs bekomen zonder te weten hoe ze een aftreksom met drie cijfers moeten maken, zonder de naam van Garibaldi of het aantal Italiaanse onafhankelijkheidsoorlogen te kennen. De scholen hebben als enige doel te ‘tonen’ aan de buitenwereld dat de gevangenis een heropvoedingsomgeving is.

Naast lezen en nadenken, heb ik ook de tijd gedood met schrijven om sclerose te vermijden. Uiteraard vallen mijn schrijfsels niet te onderwerpen aan literaire kritieken. De waarde van mijn geschriften is uiterst subjectief. Ik heb nooit veel belang gehecht aan wat ik heb geschreven: ik schreef gedichten met de metriek van de klassieken van de vorige eeuw. Ik denk niet dat de metriek die ons werd aangeleerd vandaag nog in de mode is. De thema’s die ik ontwikkelde waren heel divers: de dood van kameraden in de gevangenis, de lente, de liefde, de natuur, Pietro Nenni…

Het grootste deel van mijn schrijfsels wierp ik in de vuilbak nadat ik ze had voorgelezen aan geïnteresseerden, of zelfs direct nadat ik ze geschreven had. Ik heb er nooit aan gedacht om wat ik geschreven heb te verzamelen of te bundelen, in het bijzonder omdat ik nooit de zekerheid gehad heb om levend de gevangenis te verlaten. Wat ik nog heb zijn niet meer dan de laatste blaadjes die nog in mijn zak staken toen de deur van mijn cel openging om me ‘vrij’ te laten.

Ik heb ooit zelfs geprobeerd om een tragedie samen te stellen. Nadat ik die in versvorm gegoten had, heb ik ze in proza herschreven in de hoop haar meer ‘verteerbaar’ te maken. Het thema was geïnspireerd op de witte doden van het werk (de tragische dood van zij die in de smeltoven van een fabriek vallen of die verstikt worden door mijngas). Ik kreeg het idee voor deze tragedie na het lezen van een fait divers toen ik in 1964 in de gevangenis van Ragusa op Sicilië zat. In dezelfde gevangenis ontwikkelde ik de tragedie vanuit een oud anarchistisch lied van Pietro Gori, Le Quattro Stagioni. Het was jammer genoeg eveneens in Ragusa waar de cipiers me de manuscripten tijdens een celdoorzoeking afgepakt hebben. Ik denk dat ze die vernietigd hebben en daarmee ook het verlangen om een andere te schrijven.*

* Hier eindigt het manuscript van Belgrado Pedrini: het is jammer genoeg niet volledig ten gevolge van zijn vroegtijdig overlijden.

Uittreksels uit L'Amico del Popolo (februari 1978 - maart 1979)

Toespraak van de kameraad Belgrado Pedrini

Uit L’Amico del Popolo N° 1

Toespraak van de kameraad Belgrado Pedrini naar aanleiding van de oprichting van de anarchistische kring ‘B. Filippi’.

Zeer dierbare kameraden!

Ik denk dat ik jullie gedachten kan raden. Ik denk dat ook jullie de heroprichting van de anarchistische kring ‘B. Filippi’ een goede zaak vinden. Het is een grijpbaar signaal van de wil van de anarchisten uit Carrara om de kronkelende weg die Michael Bakoenin ons getoond heeft verder te zetten. Met alsmaar grotere en hardere krachten, om binnen de kortste keren te komen tot de bevrijding van de mensheid van elke vorm van slavernij, vernedering en ellende die door de Staten en hun dienaars gewild worden.

Voor anarchisten is geen enkel offer te groot om deze grandioze sociale omwenteling tot een goed einde te brengen. We weten allemaal hoe steil de historische weg is die we onder de bliksems van de vijand afleggen, hoezeer onze weg bezaait is met obstakels en gevaren. Maar we ontwapenen ons niet. Het is zeker dat de geschiedenis, de wetenschap en de filosofie ons op een dag gelijk zullen geven. Tijdens het lange wachten zullen we geen tranen laten om de aanvallen van de vijand, maar de mooie en wrekende dood toesnellen en groeten. Zo deed Bruno Filippi. Hij wierp zelfs het laatste atoom van zijn jonge leven op de brandstapel.

Het volstaat een verhaaltje op te rakelen om te begrijpen hoe groot het anarchistische geloof van Bruno Filippi was, hoezeer hij haar in zich opgeslokt had. Bruno Filippi kreeg een brief met een sceptisch oordeel over de anarchie waarin stond dat de anarchie er misschien wel nooit zou van komen. Hij antwoordde:

“(…) zeg aan de zwaluw die naar de lente vliegt dat hij er nooit geraken zal; u zal hem zijn vleugels zien intrekken, hij zal verloren en ontroostbaar zijn. Maar ik sta erop, ik plooi niet: ik ben op weg naar de anarchie omdat de geschiedenis er ook heen gaat. Ik ga naar de stralende anarchistische lente die vreugde en plezier naar de slaven en onderdrukten van de hele wereld zal brengen.”

In termen van geschiedenis zal Bruno Filippi de cyclus van de grote heroïsche daden niet afsluiten. Hij vervolgde daarentegen zonder dralen de tragische weg van de grote iconoclasten van het anarchisme.

Hij wordt in 1900 in Milaan geboren. Daarna werkt hij mee aan de anarchistische krant L’Iconoclasta en aan het tijdschrift Vertice onder leiding van Renzo Novatore. Op 19-jarige leeftijd stelt hij de geruchtmakende daad die jullie allemaal kennen. Geïnspireerd door de nemesis van de wraak, neemt hij een bom met zich mee om de directe medeplichtigen van de Savoie monarchie te straffen. De Savoie hadden de zee van bloed omgezet tot goud, op de kap van het Italiaanse volk en de volkeren van de halve wereld.

Jammer genoeg krijgt de papperige camorra zijn verdiende les niet toen ze op die dag in in de adellijke club van Milaan de rijkdommen die vergaard waren met wapenhandel zaten te vieren. Op deze tragische 7de september 1919 ontploft de bom vroegtijdig in de handen van de wreker. Bruno Filippi wordt aan stukken gereten. Maar zijn daad was niet zinloos. In alle uithoeken van de wereld schokte een rilling van terreur de massamoordenaars van de volkeren. De anarchisten lieten geen tranen, ze versterkten hun overtuiging voor de revanches die gingen komen. Revanches, die niet meer zijn dan de wraak van de rechtvaardigheid en de liefde.

Bewonderaars als we zijn van het revolutionaire denken van Bruno Filippi, zitten we hier in dit kleine anarchistische lokaal als in het hol vanwaaruit Marat de vuren aangestoken heeft die één van de grootste mondiale revoluties gevoed hebben. We zullen onze dagelijkse strijdkreet, onze brandende wraak, onze banvloek tegen alle onderdrukkers ter wereld en tegen alle uitbuiters op aarde in de ether smijten. Wij zijn overtuigd dat de anarchistische kring ‘Bruno Filippi’ die door onze wil herboren wordt uit een bijna dertigjarige vergetelheid, met respect voor de autonomie, de solidariteit en de broederlijkheid van alle anarchistische groepen in Italië en in de wereld zal ervaren.

Om deze bescheiden toespraak te besluiten wil ik mijn meest levendige dankbaarheid aan alle kameraden van Carrara en van de kring ‘Francisco Ferrer’ uit Genua uiten. Zij hebben ons een materiële en financiële bijdrage aangeboden om de kring opnieuw op te richten. Een broederlijke groet aan de kameraden die naar Carrara gekomen zijn om met ons deze mooie dag te vieren. We zien de anarchistische banier wapperen in de wind. Ze huldigt het onsterfelijke beeld van Bruno Filippi.

Lang leve het libertaire denken! Lang leve de anarchie!

Antwoord van de anarchisten van de groep ‘B. Filippi’

Uit L’Amico del Popolo N°3

Antwoord van de anarchisten van de groep ‘B. Filippi’ op de krokodillentranen van de regering, de partijen en de vakbonden.

Heren, het is inderdaad waar dat één van de grootste verantwoordelijken voor de economische en morele ramp van dit sentimentele en huilerige Italië ontvoerd is. Zoals Helena voor wie de Trojaanse oorlog losbarstte. Eén van de verschillende hypotheses is dat zo’n ontvoering niet georganiseerd kan zijn door jonge revolutionairen. Ze beweren dat het de hoge piefen zijn die proberen een anti-proletarische staatgreep te verantwoorden door meer sociale wanorde te veroorzaken. Het volk kijkt met grote ogen naar de gangbare mysteries van de Italiaanse politiek die door verdachte belangen verbonden is met de buitenlandse politiek.

Een andere hypothese zegt dat het de marxistische revolutionairen geweest zijn die het voormalige zwarthemd Aldo Moro ontvoerd hebben. Moro staat vandaag aan het hoofd van het apparaat van de [christen-democratische] meerderheidspartij die Italië over ranzige waters die lijken op het Stinfale-meer leidt.

Wel dan? Wie heeft Italië tot aan de rand van een economisch bankroet geleid, waardoor ons land nog altijd overleeft door buitenlandse leningen die de regering en het volk tot slaven maken van de politieke wil van de zogenaamde geallieerde Staten? Wie heeft de sociale slapte geprovoceerd? En de corruptie, de pornografie, de drugs, de diefstal en het Staatsgesjoemel? Al die schandalen die de hoogste functionarissen van de regering voor de rechtbank brengen? Wie heeft de miljarden die uit het bloed en het zweet van de arbeidersmassa’s gezogen zijn vrijelijk laten vluchten – miljarden die nu veilig op buitenlandse rekeningen staan? Wie heeft de politie bevolen om op de arbeiders van Avola, Reggio Emilia, Milaan, Rome en Turijn te schieten?

Wie dan wel, als het niet de politieke klasse is die honderd, duizend Bava Beccarissen (1) gebaard heeft om haar privileges en rijkdommen te verdedigen? Wie, als het niet een samenraapsel is van leiders die gesteund worden door de contra-revolutionaire communistische partij en de slaafse vakbonden?

Hebben de regering, de vakbonden en de politieke partijen nog het lef om de verantwoordelijkheid voor hun wandaden, hun politieke, economische en sociale nederlaag af te schuiven op enkele jonge rebellen? En dat nadat ze wanorde, sociale onrechtvaardigheid en zovele misbruiken binnen alle staatsinstellingen gecreëerd hebben! Hoe komt het dat deze uitzuigers niet in tranen uitgebarsten zijn, hoe komt het dat ze de klokken niet hebben laten luiden toen diezelfde leiders jonge meisjes uit het volk stalen en misbruikten, of toen ze Pinelli (2) en Serantini (3) vermoordden?

Jullie, autoritaire heren, schreeuwen jullie alleen maar wanneer de harpoen zich in jullie vlees boort dat haar privilèges krijgt van de god van het kapitaal? Wanneer jullie de dood in de ogen kijken, zullen jullie dan nog geloven dat jullie superieur en onraakbaar zijn?

Wel, dit is wat de anarchisten van de groep ‘B. Filippi’ antwoorden: steek jullie hoofden in de ashoop en zeg het mea culpa op. Wij, wij hopen dat ze jullie allemaal ontvoeren en dat ze jullie met jullie geldkluizen de Tiber insmijten.

(1) Fiorenzo Bava Beccaris (1831-1924) – Van 1859 tot 1866 neemt Beccaris deel aan de Krimoorlog. Daarna wordt hij op het ministerie van Oorlog algemeen directeur van de artillerie en de genie. Hij krijgt het bevel over het VIIde en IIIde legerkorpsen. Op 6 mei 1898 worden arbeiders en syndicalisten van de Pirelli-fabriek in Milaan gearresteerd. De arbeiders betogen, de politie schiet en vermoordt drie arbeiders en verwondt vele anderen. De volgende dag wordt de algemene staking in de hele stad afgekondigd. De regering Di Rudini kondigt de staat van beleg af en vertrouwt alle macht toe aan generaal Bava Beccaris. Op 8 mei 1898 beschieten zijn kannonen de barricades en de massa: een honderdtal mensen worden afgemaakt, een duizendtal anderen raken gewond. Op 6 juni kent de koning Umberto I hem persoonlijk het kruis van Groot-Officier in de militaire orde van de Savoie toe omwille van zijn wapenfeiten in Milaan. Op 16 juni bieden ze hem daarenboven nog een senaatszetel aan. Op 29 juli 1900 vermoordt de anarchist Gaetano Bresci (1869-1901) in Monza de koning met drie revolverschoten. Hij verduidelijkte dat hij de doden van 1898 en de belediging van de decoratie van de slachter Bava Beccaris heeft willen wreken.

(2) Guiseppe Pinelli (1928-1969) – Pinelli was een anarchistisch spoorwegbeambte en voormalig partizaan. Na een verhoor van drie dagen, wordt hij op 15 augustus 1969 vanop het 4de verdiep van het algemeen politiecommissariaat van Milaan uit het raam gesmeten. Hij werd ervan verdacht informatie te hebben over de mogelijke auteurs van de aanslag op 12 december tegen de Nationale Landbouwbank op de piazza Fontana in Milaan. Deze aanslag had 18 doden en 90 gewonden veroorzaakt. Deze aanslag was in feite overduidelijk gepleegd door de fascisten. Commissaris Luigi Calabresi was één van de flikken die verantwoordelijk was voor de moord op Pinelli. Hij wordt op 17 mei 1972 geëxecuteerd.

(3) Franco Serantini (1951-1972) – Serantini was een anarchist die in Pisa door de politie vermoord werd. Op het einde van haar verkiezingscampagne wilt de MSI (extreem-rechtse partij, de rechtstreekse erfgenamen van de fascisten van Mussolini) een meeting houden in Pisa op 5 mei 1972. De stad wordt afgegrendeld, de PCI weigert te mobiliseren. Alleen Lotta Continua en de anarchisten houden een betoging. Ze worden aangevallen door de oproerpolitie die op hun beurt bekogeld wordt met molotovs, stenen en flessen. Het komt tot een mensenjacht: 27 personen worden gearresteerd en 9 worden opgesloten in de gevangenis. Onder hen ook Franco Serantini, die terwijl hij op de grond ligt door tien flikken gemassacreerd wordt. Hij sterft in de morgen van 7 mei, na 32 helse uren zonder verzorging. In februari 1977 worden de beulen vrijgesproken door een hof van beroep. Op 31 maart van dat jaar schiet de libertaire groep Azione Rivoluzionaria de gevangenisdokter Alberto Mammoli uit Pisa in het been: “Mammoli werd niet geëlimineerd omdat hij schuldiger zou zijn dan anderen, maar omdat hij politiek, menselijk en professioneel gezien medeverantwoordelijk is voor de moord op de anarchist Serantini. Zijn gedrag verschilt niet van dat van de andere dokters in de Italiaanse gevangenissen.”

Arbeiders!

Uit L’Amico del Popolo N°11

  • Deze hier is Bacchus en die daar is Ariane
  • Knap, in vuur en vlam voor elkaar,
  • Zelfs als de tijd hen ontsnapt en bedriegt
  • Samen zijn ze altijd gelukkig

Arbeiders!

Hebben jullie gemerkt hoe de krokodillentranen die de regeringsmannen en de communistische partij lieten stromen over de doodskist van Moro erg snel opgedroogd zijn in de slaapverwekkende uitwasemingen van de electorale competitie? De twee politieke krokodillen hebben reden om victorie te kraaien. Samen kunnen ze naast elkaar blijven bestaan, in mooie harmonie samenwonen – daarin versterkt door de goedgelovigheid van het Italiaanse volk.

De twee partijen, die van de overleden Moro en die van de overleden Berlinguer (politiek overleden weliswaar), volharden in hun electorale farce. Ze gaan gewoon door met hun wandaden op kap van de arbeiders die nog altijd geloven in de ‘magnifieke effecten van de vooruitgang’ die bezongen worden door de valse apostelen van Christus en de valse epigonen van Marx.

De daalder beslagen met het kruis jubelt omdat ze een handvol stemmen meer gekregen heeft dan die met hamer en sikkel. Maar de arbeiders zullen opgemerkt hebben dat er na deze electorale overwinning nog steeds niet meer brood in hun schoofzak zit: “de wolvin heeft na de maaltijd nog meer honger dan ervoor.”

Arbeiders! De anarchisten van de groep ‘B. Filippi’ zullen het nooit moe worden jullie het enige wijze dat jullie kunnen doen voor te stellen: “Stem op geen enkele partij.” Geef een historische schop onder de kont van de professionele politiekers, ontdoe jullie van je Bazen-Bloedzuigers, organiseer zelf jullie sociale leven. Wees vrije mensen en geen nederige dienaars.

Jullie kunnen dat alleen doen door de libertaire sociale revolutie, het graf van alle vampieren op aarde.

Communistische arbeiders!

Uit L'Amico del Popolo N°12

Communistische arbeiders !

Het verbaast ons anarchisten dat jullie nog geloven in het internationalistische en revolutionaire communisme van de zogezegde Sovjetunie. Laat ons het Italiaanse communisme laten vallen. Haar ideologische dood lijdt immers geen twijfel: op haar kadaver heeft de paus van Rome, de vervanger van God op aarde, een voor de geschiedenis (in pectore [vanuit het hart] welteverstaan) onomstotelijk bewijs geleverd: “overleden aan een overdaad van historisch compromis, mag ze nu het koninkrijk der hemelen betreden.”

Communisten, misschien geloven jullie ook in deze ideologische dood, maar laten jullie je hoop uitgaan naar het sovjetcommunisme. En misschien dromen jullie wel dat een massa tanks met rode sterren voor jullie de poorten van het Campidoglio [gebouw van het Italiaanse parlement] zal openen. Als ze jullie verafschuwen, zouden ze hopen dat deze memorabele sovjetmars op Italiaanse bodem realiteit wordt. Zo zouden jullie zelf kunnen voelen met welke tranen en met welk bloed het communisme dat de huzaren uit Moskou jullie voorstellen, doordrenkt is. Gelukkig voor jullie zal deze onuitgesproken hoop vast en zeker teleurgesteld worden.

De rationele anarchisten hebben niet alleen Bakoenin en Malatesta bestudeerd, maar ook voldoende nagedacht over Marx en Lenin om jullie te kunnen verzekeren dat hun doctrines nooit gerealiseerd zijn. Zelfs niet gedeeltelijk. Een communisme dat ingesteld wordt door een Staat is in alle gevallen een ontkenning van de vrijheid en de sociale gelijkheid. De Sovjetunie is niet gebaseerd op het marxistische ‘historische en dialectische materialisme’, want zo’n doctrine zou op filosofisch niveau het atheïsme en op economisch niveau de gelijkheid omvatten. Dit zou de afschaffing van geld als ruilmiddel, de toepassing van het principe ‘aan ieder naar zijn behoeften’ en het afsterven van de Staat betekenen.

Zoals Saturnus z’n eigen kinderen opvrat heeft de Sovjetunie alle theoretische stellingen van het marxisme verorberd, beginnende met de instelling van een proletarische macht. Vraag aan Brezjnev of het hij of de arbeidersklasse is die beveelt in zijn ‘socialistisch’ land! Hij is echter ook niet meer dan de laatste veelvraat van het marxisme omdat voor hem ook Lenin en Trotski al goed begonnen waren met alle politieke macht van de sovjets af te nemen. De communistische arbeiders moeten weten dat Rusland een imperialistische Staat is. De Sovjetunie wordt niet georganiseerd op basis van de principes van Marx en Engels, maar van Bismarck en Machiavelli. Dat ze dus geen enkele hulp van hen verwachten om het socialisme in Italië op te bouwen.

Het echte communisme zal verwezenlijkt worden wanneer het volk de bazen, de schurken en de verraders beu is.

Lang leve de anarchistische sociale revolutie!

Burgers

Uit L’Amico del Popolo N°30

Burgers,

Na het horen van de toespraken van de burgemeester van Carrara en van de senator Pecchioli over het Verzet voelen wij de noodzaak om met jullie over hetzelfde te praten. Als voormalige partizanen denken we dat we dit recht wel hebben.

Wanneer de politiekers ons vertellen over de bevrijding van Carrara of over de bevrijding van Italië in het algemeen, dan gebruiken ze een belachelijk eufemisme om niet openlijk te moeten zeggen dat Italië eenvoudigweg van baas veranderd is. Vroeger commandeerde het fascistische kapitalisme, vandaag is het de beurt aan het filosofisch-fascistische en qua macht fascistische kapitalisme. Gisteren was het volk een trillende slaaf, vandaag is het een tumultueuze slaaf: niet alleen slaaf van de rijken, maar ook van hun dienaars zoals zij die in het Animosi-theater gesproken hebben.

De senator heeft ons platweg gezegd dat het Verzet niet verraden geweest is. Maar niemand heeft hem kunnen vragen wat hij eigenlijk verstond onder Verzet. De mensen van zijn partij die samen met de anarchisten deelgenomen hebben aan de bevrijdingsstrijd tegen het fascisme wilden in Italië de vrijheid en de sociale en economische rechtvaardigheid (zonder dewelke er geen enkele vrijheid bestaat) vestigen. Vandaag zien we hen neerknielen voor de Paus en de kapitalistische Staat die hen betalen om aan hun kant te staan. Ze zijn niet meer dan nederige dienaars van de kerkelijk-kapitalistische Staat die ze daarvoor wilden verwoesten… Desondanks is de senator naar Carrara gekomen om ons zonder enige schaamte te komen vertellen dat het Verzet (verstaan als de strijd tegen alle sociale onrechtvaardigheden) niet verraden geweest is!!!

Coherentie van een communistisch senator!

Uiteraard heeft hij veel geleerd van de katholieke Kerk. Die beweren ook dat het christelijke ideaal nooit verraden geweest is – zelfs niet na Torquemada, Giordano Bruno en de katholieke Inquisitie!!!

In tussentijd tetterde de communistische senator maar door tegen het terrorisme van de ‘subversievelingen’. Hij piepte geen woord tegen het terrorisme van de burgerlijke Staat waaruit logischerwijs het terrorisme geboren wordt van diegenen die komaf willen maken met de kapitalistische schande en de groeiende sociale onrechtvaardigheden. De senator schiet op de rebellen die vrijkomen uit de rotte ingewanden van de uitbuiter Staat, die hij ten alle prijze wil verdedigen. Maar hij zegt niets over de alsmaar talrijkere en schandelijkere misdaden van de politieke klasse die de Republiek een modderzee induwt om de fascistische Staat te kunnen heroprichten!

Senator Pecchioli ziet de werkloosheid van miljoenen arbeiders niet, hij ziet de miljoenen moeders die een huis zoeken niet, hij ziet zij die nog altijd in krotten wonen niet, hij ziet de jeugd niet die zich drogeert omdat ze noch vertrouwen noch hoop heeft op een sociale verbetering.

Pechioli ziet de eindeloze diefstallen niet die de rijken alsmaar rijker en de arbeiders alsmaar armer maken. En bovenal ziet hij de aanwezigheid niet van alsmaar talrijkere militaire ‘bajonetten’ die de uitbuiters van het volk verdedigen. Volgens Pecchioli had Spartacus de slaven niet moeten opruien tegen de imperiale onderdrukkers, maar zonder geweld moeten wachten totdat de lex romana de rechtvaardigheid en de politieke vooruitgang zou vestigen dankzij de ingevingen van de senators!

Carlo Pisacane (1) – zo zegt Pecchioli – had de gevangenen van Ponza niet moet bevrijden, hij had niet moeten proberen de slaven van Sapri te bevrijden. Hij had vriendelijk, rustig en geweldloos moeten afwachten totdat de legale gerechtigheid geschiedde.

Dus, laten we allemaal vriendelijk zijn en wachten totdat Pecchioli, de Paus en zijn clerus de sociale rechtvaardigheid realiseren!

Maar wij, heren, zeggen aan het volk dat de rebellie het adeldom van de slaaf is.

(1) Carlo Pisacane (1818-1857). Carlo was de jongste zoon uit een adelijke familie van Napels. In 1847 ontvlucht hij zijn omgeving en ziet af van een militaire carrière voor een getrouwde vrouw. Zijn revolte tegen de burgerlijke maatschappij brengt hem ertoe de republikeinse troepen te vervoegen die in maart van het volgende jaar Rome bezetten. Met de steun van Mazzini wordt hij er vice- minister van oorlog. Daarna gaat hij in ballingschap naar Frankrijk, Engeland en Zwitserland tot in 1857. Hij ontdoet zich van autoritaire en Italiaanse nationalistische ideeën (zoals die van Mazzini). Hij plaatst de creatie van een federatie van communes voorop, eerder dan de oprichting van een nieuwe Staat. Op 25 juni 1857 vertrekt hij met twintig kameraden vanuit Genua. Ze maken een schip buit tussen Sardinië en Tunesië en landen op het eiland Ponza. Daar bevrijden ze ongeveer 328 gevangenen (opgesloten republikeinen en gestrafte militairen). Op 28 juni brengen ze hen naar Sarli. De krachten waarop ze rekenden om de revolte tegen het koninkrijk van Ferdinando II van Napels te ondersteunen vinden ze daar niet. Geïsoleerd tegenover de royalistische troepen van de Bourbons, worden ze gedecimeerd. Op 1 juli ontneemt Pisacane zichzelf het leven eerder dan gevangen genomen te worden. De dag ervoor mislukken in Livorne et Genua ook de pogingen tot opstand van de signatuur van Mazzini. Zijn kameraden die die overgave overleefden bleven opgesloten tot aan het einde van het koninkrijk van Napels. In 1860 (drie jaar later) slaagt Garibaldi erin om het koninkrijk te verslagen.

Aan de betweters van de burgerlijke pers

Uit L’Amico Del Popolo N°33

Aan de betweters van de burgerlijke pers,

De Italiaanse pro-kapitalistische pers maakt hetze over onrechtvaardigheden in andere landen (vooral die achter het ijzeren gordijn). Ze vindt het ongelooflijk fijn om à la Dostojevski en Tolstoj de lagers, de getto’s en de dwangarbeidskampen daar te beschrijven. Wij willen aan aan de broodschrijvers van rechts en links een nauwkeurige vraag stellen: jullie die Solzjenitsjin en zijn tragisch verhaal over de archipels van de dood uit het hoofd kennen, zijn jullie nooit gaan kijken wat er in de Italiaanse psychiatrische lagers gebeurt? Zijn jullie nooit op uitstap geweest naar de zoete landen van Beccaria (1) en Lombroso (2)? Nee? Wel, ga daar dan eens heen en misschien zullen jullie dan de moed niet meer hebben om tekeer te gaan tegen de gestichten van andere landen waar hersenen gewassen worden met officiëel chloorhydrietzuur totdat de laatste cel van het vrije denken uitgedoofd is.

Zo’n zaken kennen wij sinds 1918 beter dan jullie..Maar jullie weten niet, of jullie doen alsof jullie het niet weten, wat hier in de gestichten van ons Alma terra natia [ons geboorteland] gebeurt. Hier worden de hersenen niet gewassen, maar met matrakslagen kapot gemaakt. Hier worden de ledematen gebroken op bedden van Procuste, te midden van het gehallucineerd gebrul van de gemassacreerden. In naam van de ‘psychiatrische wetenschap’ van het christelijk regime waar tot op de dag van vandaag nog steeds de folter Usque ad mortem [tot aan de dood] uitgevoerd wordt, zoals in de tijd van Alessandro Borgia en Paus Clemens VII.

Hebben jullie al eens gehoord van de nefaste namen Saporiti, Amati en Raguzzini, de directeurs van het gerechtelijke psychiatrische gesticht van Aversa? Misschien niet. Wel, doe dan de moeite om eens te luisteren naar deze onberouwvolle discipelen van de criminologie van Lombroso wanneer ze privé-lessen geven aan de schuwe bewakers van het gesticht die allemaal oude semi-analfabete kinkels uit het zuiden zijn.

Hoor ze: “Diegenen waarover jullie waken zijn geboren als delinquenten. Hun bijzondere ziektebeeld bewijst dat: een vooruitstekend voorhoofd, uitstekende jukbeenderen, scherpe kaken, losstaande oren, aapachtige armen, manke gang. De oorzaak van hun delicten is van psycho-fysieke oorsprong, ze komen voort uit een verborgen klier onderaan de schedel. Deze delinquenten begaan hun misdaad dus uit organische noodzaak en zijn daarom ontoerekeningsvatbaar. Maar de maatschappij moet zich verdedigen en beschikt daarom over de macht om hen voor onbepaalde tijd op te sluiten in psychiatrische gestichten. Redenen van sociale opportuniteit raden ons dus hun ‘wetenschappelijke’ eliminatie aan, zonder verder zinloos geslaag. We hebben hier ook criminelen die geen losstaande oren etc. hebben, maar die even gek en onverantwoordelijk zijn. Om hen te temmen moeten ze behandeld worden met zwepen en dwangbuisbedden. Hoe eerder ze verdwijnen, hoe beter het zal zijn voor de maatschappij die we verdedigen.”

Geef deze lessen aan een dom en bloeddorstig bewakerskorps en beeld jullie in wat er zal gebeuren met de ongelukkigen die in deze Lagers van goede gezondheid terechtkomen…!

Een ander goelagarchipel!

Let ook een beetje op de smeerlapperij in jullie land, o pennen die verkocht worden aan zij die het meeste betalen!

(1) Cesare Beccaria (1738-1794): Deze Milaanse markies is de auteur van het boek ‘Delicten en straffen’ (1764) waarin hij een juridische hervorming bepleit. De historici onthouden graag dat Beccaria zich opwierp voor de afschaffing van de doodstraf en de instelling van een modern gerechtelijk systeem dat de burgers van de Franse Revolutie geïnspireerd heeft. Ze vergeten echter dat hij de instelling van vaste straffen (niet geïndividualiseerd en zonder de verzachtende omstandigheden in overweging te nemen) en het behouden van de lijfstraffen bepleitte.

(2) Cesare Lombroso (1835-1909): Hij was directeur van het psychiatrisch hospitaal van Pesaro (1871) en daarna professor in klinische psychiatrie aan de universiteit van Turijn. Lombroso was één van de grondleggers van de criminologie. Hij is de theoreticus van de geboren crimineel die te herkennen valt aan geërfde morfologische tekenen (grote oren, vlezige lippen, ‘mongoloïde’ ogen). Lombroso was socialist. Hij schreef de boeken ‘De criminele mens, de geboren crimineel, de morele gek, epilepticus’ in 1876, ‘De anarchisten’ in 1894 en ‘De criminele vrouw en de prostituee’ in 1895.

De waarheid over de speciale gevangenis van Asinara.

Uit L’Amico del Popolo N°36

Burgers,

Voor zij die het niet weten: Asinara is een eilandje, iets groter dan Piazza Alberica en Piazza Farini tezamen. Het ligt op een geweerschot van Porto Torres op Sardinië.

Sinds enkele dagen gaan er meerdere versies de ronde over deze modelgevangenis, de vijfde parel al die ontspruit aan het macro-verstand van generaal Dalla Chiesa. Laten we deze nieuwe machtige Bava Beccaris die zijn kannonen zal richten op de geketende slaven die de Staat een beetje bang gemaakt hebben, even achterwege. De Staat is niet op het recht gebaseerd, maar op de meest genadeloze van alle sociale onrechtvaardigheden. Ze wordt verdedigd door gewapende uitgehongerde bendes zonder geloof en zonder sociaal bewustzijn.

Deze verdediging wordt voor een groot deel mee opgetrokken door de troepen broodschrijvers die zich gespecialiseerd hebben in de leugen ten dienste van de Staat. De sociaal-democraten Constantino Belluscio en Terenzo Magliano zijn naar Asinara gegaan om met eigen ogen te kunnen vaststellen dat de cipiers het zwaar hebben… terwijl de gevangenen leven in een soort Eden waar hen zelfs geen kippenmelk ontbreekt!!!

Op basis van onweerlegbare observaties bevestigen wij juist het omgekeerde: de cipiers hebben het zeer goed. Ze krijgen een hoger salaris dan de arbeiders en een comfortabel pensioen – terwijl ze niets anders geproduceerd hebben dan ketenen en tranen. De politieke gevangenen hebben het erg zwaar dankzij de imperatieven van generaal Dalla Chiesa die denkt dat hij door honger en pesterijen de revolutionaire geestdrift van de jonge rebellen kan doven.

In de tijd van Mussolini werden de kortgeknipten uit Ethiopië geketend naar Asinara gebracht waar ze stierven van de honger, de ontberingen en de afranselingen. Ondertussen verspilden de fascistische cipiers het geld en de pakketten die ze gestolen hadden van deze arme ongelukkigen. Zoals Vercingetorix sleepten zij de zware ketenen van het triomfgespan van Rome mee (Vae Victis). De geschiedenis herhaalt zich, en de nieuwe overwonnenen van Asinara worden uitgehongerd, gepest, geslagen bij het minste protest, naakt opgesloten in verstikkende cachots nadat ze tot bloedens toe met de zweep geslagen zijn. Allemaal door de arme cipiers die het toch zo zwaar hebben… en waaraan de Staat al miljoenen gespendeerd heeft opdat ze ijverig hun werk van bloeddorstige beulen zouden verderzetten. Wij antwoorden op deze geloofsdaden van generaal Dalla Chiesa dat wanneer hij een rochel op z’n kop wilt, hij dan naar Carrara komt onder de brug Ponte Baroncino. Als deze beul zich aangevallen voelt door onze taal, aanvaarden wij met plezier een duel, met pistolen of met degens, zoals hij wil. In het andere geval is hij de smerige beul die we denken dat hij is (1).

(1) Pedrini heeft tevergeefs gewacht op de brug van zijn stad Carrara op de generaal van de carabinieri, de coördinator van de antiterroristische strijd. Dalla Chiesa wordt later prefect van Palermo en in 1982 coördinator van de strijd tegen de maffia. Enkele maanden nadat hij deze functie opnam, werd hij vermoord.

De zevende afdeling van het Manicomio Giudiziario in Aversa (1)

Uit L’Amico Del Popolo N°38

Burgers,

De pers in dienst van de burgerlijke Staat gaat tekeer tegen het terrorisme en de gruwelijkheden die in andere landen begaan worden alsof de Italiaanse kerkelijk-kapitalistische regering immuun is voor alle vormen van wreedheid. Het maakt niet veel uit of die nu openlijk begaan worden of in het geheim in de gevangenissen en de gerechtelijke gestichten gebeuren waarvan we eerder al een uitvoerige beschrijving gaven. Maar aangezien onze publieke aanklacht zelfs niet de minste rimpel veroorzaakt op het stenen gezicht van de Staat, heropenen we ons offensief tegen de gevangenissen en de gerechtelijke gestichten die door onze broodschrijvers eufemistisch ‘huizen voor psychiatrische zorgen’ genoemd worden.

De tekening die jullie hiernaast zien geeft min of meer één van de ‘genezingssystemen’ weer die gebruikt worden in de triestig beroemde zevende afdeling van het Manicomio Giudiziario in Aversa. Het wordt gebruikt voor gevangenen die volledig mentaal ziek verklaard zijn.

In het algemeen laten ze deze arme dementen in hun smerige kamer creperen. Elke morgen jagen de bewakers hen met de slagen van hun riem, met schoppen en kloppen, de binnenplaats op. Verzet van de zieken blijft niet uit – tenmidden van beestachtig bloedstollend gebrul. De stank die de lichamen van deze ongelukkigen en hun omgeving uitademen bereikt de neusgaten van de verantwoordelijke dokters – allemaal aanhangers van de doctrine van Lombroso. De dokters bevelen dan om het collectief wassen met ‘sanitaire’ pompen te beginnen. Al even ‘sanitair’ laten ze de gewassen lichamen in de zon of door de wind drogen. Als vodden.

Deze onmenselijke scène neemt dikwijls theatrale dimensies aan die de meest onverbiddelijken doen lachen. De gekken reageren op hun beurt immers met geweld. Dit vormt de kleine binnenplaats om tot een wijde arena van stierengevechten: naast het gebrul, het water en de gesmoorde kreten, vuistslagen, trappen, kopstoten op goed geluk.

Bij zo’n situatie komen de bewakers massaal aangehold en dwingen deze arme gekken naar de dwangbuisbedden waar ze ‘gekalmeerd worden met riem- en stokslagen.’

Er is genoeg voor een dierentemmer als generaal Della Chiesa, die nog erger is in de kampen van zijn exclusief domein, om prat op te gaan.

Over de rest, over de gevangenissen in het algemeen, dierbare medeburgers, zullen we in de volgende nummers van de kring Bruno Filippi praten.

(1) Manicomio Giudizario : gesticht waar veroordeelden die gek verklaard zijn opgesloten worden.

Verklaring vanuit de gevangenis aan de burgers van Italië

Ik denk dat jullie allemaal de situatie van de gevangenissen in Italië deels kennen. De laatste tijd hebben de pers, de radio en de televisie er uitvoerig over gepraat, maar ze hebben het dikwijls alleen over de materiële aspecten. Daarom denk ik dat het nuttig is volgende verklaring de wereld in te sturen, in de hoop dat het de ogen een beetje meer zal openen. Niet alleen de ogen van de gewone burger, maar ook en vooral die van de journalisten die het onderwerp van de gevangenissen behandelen zonder er iets over te weten.

Mijn verklaring verwijst naar het concept van de ‘sociale Verlossing van veroordeelden’ waar de gerechtelijke instellingen van het nieuwe democratische en kapitalistische Italië het vaak over hebben. Twee termen die trouwens tegenover elkaar staan, want er kan geen democratie zijn waar kapitalistische uitbuiting is.

Ze zullen pas over een ‘modelgevangene’ (een sociaal en moreel gerehabiliteerde) spreken wanneer de psychologische krachten van de veroordeelde vernietigd zijn, wanneer hij geen waarden meer heeft, wanneer hij een onderworpen en overtuigde slaaf geworden is. Hij zal alleen maar uit een miserabele berekening overtuigd zijn. In de ongeneeslijk reactionnaire geesten van de burgerlijke autoriteiten is dít het gewrongen idee van de morele en sociale Verlossing van veroordeelden.

Wanneer hij op die manier gerehabiliteerd is zal hij terug toegelaten worden in de samenleving. Dankzij het werk van intimidatie en desintegratie van de ‘nieuwe opvoeders’ is het zeker dat hij de gedienstigheid die hij in de stalmest van de gevangenis geleerd heeft zal blijven tentoonspreiden. Voor de opvoeders draait het er niet om de rebel te overtuigen, maar hem nederig te verplichten tot totale onderwerping aan de heersende klasse.

De gerechtelijke autoriteiten – of eerder de autoriteiten van de patroons – kunnen hun toegeeflijkheid zo ver voeren dat ze voorwaardelijke invrijheidsstelling toekennen aan de rebelse slaven. Die zullen zich dan de weg van de onderworpen terugkeer van de psychologisch verwoeste gevangenen toe-eigenen, waar ze zich door hun instinctieve rebellie nochtans eventjes van afgescheurd hadden.

Maar wanneer de berouwvolle probeert opnieuw het hoofd te heffen en weigert om zich te onderwerpen aan de gebiedende wil van de gevestigde autoriteiten die de heersende klasse verdedigen, wanneer hij weigert de vernederingen van de politie te aanvaarden, wordt hij snel terug naar de gevangenis gebracht om er een nieuwe ‘gezondheidskatharsis’ te ondergaan.

Als een veroordeelde zijn straf daarentegen met onverwachte trots heeft uitgezeten en zich goed gedragen heeft tegenover de andere gevangenen en geen pakezel geworden is; als hij zich niet aan de voeten geworpen heeft van de nieuwe slavendrijvers die men vandaag met een eufemisme ‘opvoeders’ noemt, danzal men zeggen dat hij een onverbeterlijke crimineel is. Iemand die het niet waard is om terug in de samenleving toegelaten te worden. Zo’n verklaring is niets meer dan een juridische leugen, gekroond met de hypocrisie van de Staat.

De veroordeelde die zich niet laat recupereren door de valse morele en sociale principes van de burgerlijke en klerikale maatschappij (die in essentie gebaseerd is op de macht van het geld) onderscheidt zich doordat hij tot de categorie van de veronderstelde ‘onverbeterlijke delinquenten’behoort. Zij die niet toegeven op de sociale rechten die vandaag zoals gisteren vertrappeld worden door mensen die zich eerlijk noemen en aan de top van de sociale piramide staan, maar die morgen begraven zullen worden in de beerputten van de geschiedenis.

Wij partizanen, wij bandieten!

  • De vervolgden zijn niet diegenen die jullie zien in de kranten of op de podia.
  • Jullie kunnen ze niet zien.
  • Ze zitten opgesloten in duistere gevangenissen, met een lege maag,
  • geslagen door de wetten en de machtsmisbruiken.
  • Jullie houden ze ver uit het zicht
  • en zij beleven zwarte seizoenen,
  • tussen de ruïnes van de waardigheid.
  • Maar, vrij in gedachten,
  • zelfs met hun kelen die opengereten zijn
  • door de stilte en de eenzaamheid,
  • zullen jullie ze levend zien,
  • bereid om de wereld die geboren wordt te verdedigen.*

Mijn verhaal is het verhaal van mijn kameraden. Mijn verhaal komt overeen met dat van vele andere partizanen die in de nasleep van de Bevrijding in de gevangenissen beland zijn. De dronken dagen van hoop, van gelach en vreugde waren voorbij. Wij staan terug op ons beginpunt, gedesoriënteerd, zonder een cent en blootgesteld aan de klappen van het lot. Zo hebben we beslist om zoals tevoren verder te vechten, tegen de oude en de nieuwe bazen. We sluiten geen enkele slag uit. In de ogen van diegenen die ons ‘kameraden’ noemden voordat zij de macht grepen zullen we opnieuw bandieten zijn.

Het fascisme draagt nieuwe kleuren, de kleuren van de nieuwe partijen: van de Christendemocratie tot de socialistische en communistische Partij. Het Verzet is in rook opgegaan, voortaan in hoofdletters gegraveerd in de Grondwet van deze sociale- burgerlijke republiek.

De libertaire idee, die een grote rol gespeeld heeft in het reële Verzet, werd door de nieuwe bazen en regeerders in de ban gedaan. Maar geen enkele daad van heroïsme en opoffering voor de sociale bevrijding van de kameraden in de strijd tegen de nazifascisten zal verloren gaan.

De herinneringen leven, zoals de folteringen en alles wat we in de nazikampen ondergaan hebben. Onze doden zijn talrijk en anoniem. Zij die in het Verzet zaten hebben niets bekomen omdat ze niets anders vroegen dan de vrijheid en de solidaire en wederzijdse gelijkheid tussen de mensen. Het geld heeft nooit waarde gehad in de morele code van deze mensen: dat is wat ik tijdens de partizanenstrijden geleerd heb.

Ik was de jongste gappista (1) van Italië. Ik was 16 jaar toen ik me aansloot bij de clandestiene communistische partij. Tijdens het verzet ben ik uit de Partij gestapt. Ik was te rebels, ik kon discipline noch hiërarchie verdragen, mijn liefde voor de vrijheid was te groot voor de beperkingen die een partij eist. De libertaire idee, die ik op een bepaalde manier altijd gekoesterd heb (mijn oorlogsnaam die ik mezelf gegeven heb getuigt ervan: il Monello [de schalk, deugniet]), werd mijn filosofie en levensstijl.

De ontmoeting met de anarchist Giovanni Mariga gaf een definitieve wending aan m’n leven. Hij werd Padovan genoemd, en was min of meer even oud als mijn vader.

Onze ontmoeting/confrontatie, in het gebergte tussen Toscanië en Emilie Romagne in de loop van 1944, was erg heftig. Ik stond voor de eerste keer tegenover een man die rebelser en ‘meer capabel’ leek dan mezelf. Hoewel hij een nors man van weinig woorden was, enkel toegewijd aan de actie (hij hield ervan om plannen te maken met een revolver), bezat hij een uitzonderlijke menselijkheid die zich ten volle uitte in zijn buitengewone moed. Hij bezat een trots en rijkelijke solidariteit die zijn eenvoudige anarchistische individualisme buiten haar oevers deed treden. Het bracht hem ertoe zich volledig te geven voor zijn kameraden zonder ooit iets in ruil te verwachten. Hij was de eerste in een lange reeks kameraden van ideeën en acties waarmee ik de goede en slechte momenten van het leven gedeeld heb. Tussen ons bestond er een ongeschreven code die gebaseerd was op wat betekenis gaf aan ons libertaire idee en die ons in al onze acties begeleidde: de absolute oprechtheid, nooit een gegeven woord breken en de totale weigering van elk compromis.

Ik ga jullie geen bilan schetsen van mijn activiteiten als partizaan. Ik zal jullie niet vertellen over mijn lijdensweg van de ene gevangenis naar de andere, tijdens de strijden van het Verzet of na de oorlog. Ik zal geen lijst opmaken van de revoltes en de geplande ontsnappingspogingen uit de penitentiaire instellingen die ik ‘bezocht’ heb en waarvoor het democratische gerecht me als een soort ‘bonusreis’ naar het gesticht voor veroordeelden in Aversa gestuurd heeft.

Ik wil jullie daarentegen vertellen over de kameraden waarmee ik ideeën en een intens, misschien wel uniek, leven gedeeld heb. Ik ga jullie eerder vertellen over het geluk dat ik gehad heb met zulke waardevolle kameraden aan mijn zijde. Deze kameraden hebben me geholpen mijn trots en waardigheid te bewaren, zelfs in de donkerste momenten. Ik wil jullie vertellen over wat van een mens een mens maakt, wat de levensomstandigheden ook mogen zijn.

Ik ben Belgrado een eerste keer tegengekomen in de jaren 60 in de doorgangssectie van de gevangenis van Firenze. Het was alsof ik opnieuw mijn oude kameraden van onze partizanenstrijd (Mariga, Sergio, Zava en zovele anderen) ontmoette. Ondanks de vele gelijkenissen met de andere kameraden, was Belgrado door zijn autodidactische cultuur de meest ‘filosofische’. Tezelfdertijd was hij soms ontwapenend naïef, zoals een kind dat begiftigd is met een sublieme intelligentie.

Zava daarentegen leek op het eerste zicht een gentleman.

Geraffineerd, elegant gekleed, hij leek wel een serieuze advocaat.

In werkelijkheid was hij een echte ‘pretmaker’. Hij hield ervan om grappen van alle soort uit te halen en was tegelijkertijd het geprefereerde ‘slachtoffer’ van de stoten die men uithaalde.

Om jullie te laten begrijpen wat voor een persoon hij was, ga ik jullie vertellen dat hij in de gevangenis van Santo Stefano stilletjes de kat van Sante Pollastro opgegeten heeft. Pas jaren later zou hij het vertellen aan Pollastro, gezien zijn beruchte ‘ernst’. De hond van de directeur onderging hetzelfde lot… Om het met een boutade te zeggen: Giovanni Zava was geen hoerenzoon, maar een zoon van een coöperatief van hoeren…! Hij bezat een enorme capaciteit tot actie, was erg extravert en goed gezelschap.

Sergio Ravenna voegde aan de capaciteit tot denken en actie nog een quasi bovennatuurlijk idealisme toe. Het was híj die ons tijdens onze gevangenisodyssees steunde. Nooit vergat hij de actieve solidariteit, nooit vergat hij de concrete hulp die ons vaak toegelaten heeft om te ontsnappen aan zwaarwegende en kritieke situaties, dankzij zijn vele kennissen. Sergio had een bijna absolute afkeer van materiële goederen, zijn libertaire ideaal bracht hem ertoe ons te helpen, en zelfs zichzelf het noodzakelijke te ontzeggen. Ik denk dat Sergio de ‘liefste’ en meest diep menselijke kameraad was die ik ooit tijdens mijn leven gekend heb.

Na een erg lange opsluiting komen Mariga, Zava en Pedrini, samen met andere ‘oude’ anarchistische kameraden waarvan ik jullie de opsomming bespaar, vrij. Ze gaven leven aan de anarchistische kring ‘Bruno Filippi’, aan de Ponte Baroncino in Carrara.We hebben zo onze activiteit als anarchistische revolutionairen ten volle herbegonnen. We keerden terug op een toppunt van de beweging van sociale libertaire subversie die onze bestaansreden is en blijft. Onze solidaire praktijk richtte zich aldus naar de nieuwe jonge rebellen en kameraden die het voorwerp waren van criminele en repressieve aandacht van de Italiaanse democratische Staat aan het einde van de jaren 70 en de jaren die daarop volgden. Ik laat nu het woord aan een jonge kameraad die deel uitmaakt van de kring, zodat die kan vertellen over zijn ervaringen die gerijpt zijn uit het contact met de ‘ouderen’.

Een warme groet aan allen Il Monello (Giovanni Boni)

* De vervolgden van de Gestapo (1945) van Giovanni Boni, ‘Monello’.

(1) Gappista (lid van de Gruppi d’azione patriottica, GAP): Beperkte groepen van 3 à 4 individuen, die onderling autonoom waren, gecreëerd door de communistische Partij na 8 september 1943. Hun praktijk was de stadsguerilla: bommen tegen kazernes van de Militie, van carabinieri of van het Duitse leger; executie van fascistische verantwoordelijken en hooggeplaatste nazi’s, industriëlen en handelaars; in brand steken van militaire voertuigen; sabotages van telefoon- en elektriciteitscentrales,… In Turijn, Milaan, Firenze, Bologna en omstreken waren ze vanaf het begin het meest actief. Een waardevolle getuigenis over de activiteiten van de GAP in Turijn en Milaan vind je in Giovanni Pesce, Senza tregua. La guerra dei GAP, Feltrinelli, Milaan, 1967, 308 p.

Over de revolte en het leven

Het is erg moeilijk om te praten over je eigen ervaringen, omdat ze je in conflict brengen, inclusief met jezelf. Ik verwijs niet naar een discours sui generis, naar een veralgemeend anarchisme dat verstaan wordt als ideologie, maar naar een anarchisme dat vertrekt vanuit de revolte, iets wat het mijne is. Binnen deze context gaat het dus over levende materie. Ik zal vertellen over de ervaring van de kring Bruno Filippi.

Ik was een adolescent die begonnen is, zoals alle jongeren, vanuit de ervaringen van kleine rebellieën. Vooral mijn bijzondere conflictualiteit met de familiale institutie, en omdat mijn grootvader me geleerd had om zelfs mijn vader niet te aanvaarden. Hij was een van de eerste partizanen, zijn ideeën waren gebouwd op een stirneriaanse basis: de beste leerkracht is hij die aan zijn eigen leerlingen de revolte leert.

De kring Bruno Filippi werd geboren na de ervaring van de culturele kring van de via Ulivi. Vanuit de wil om een kring te creëren die verder zou gaan dan het verdelen van boeken en informatie, om een plaats op te bouwen waar de kameraden een discours van strijd en radicaliteit konden uitdragen. Van kleine lezingen of minimale strijden gelinkt aan de streek (bijvoorbeeld over het herstel van de wegen, de strijden aan de zijde van de vrachtwagenchaffeurs, de sociale ontevredenheid,…) tot het aanraken van thema’s die gevoeliger lagen binnen de sociale context op nationaal niveau. Ik denk aan de vragen die in de jaren 70-80 opgeworpen werden, zoals het terrorisme, de gewapende strijd,… Dit zijn thema’s die dagelijks bediscussieerd werden binnen de bewegingen van sociale subversie. Binnen deze context groeide mijn ervaring in Carrara. Mijn ervaring, en die van zovele andere jonge kameraden, jonge anarchistische revolterende rebellen.

De kring Filippi brak het conformisme dat al jarenlang de anarchistische beweging van Carrara verlamde. Het kwam tot harde polemieken met diegenen die, om met rust gelaten te worden, de gemakkelijke weg van het opportunisme kozen. Zo wilden ze de risico’s van eventuele repressie voor zichzelf verminderen. We moeten juist een volle en totale solidariteit tonen met de anarchistische en libertaire, informele en meer radicale ervaringen, zelfs met de gewapende. Zoals bijvoorbeeld met Azione Rivoluzionaria (1) die zwaar ingingen tegen de historische en officiële verschijnsvormen van het anarchisme in Carrara die voortaan gereduceerd waren tot herdenkingen en verjaardagen van een nostalgisch verleden, lichtjaren verwijderd van het dagelijkse sociale leven in de stad. Ik zeg jullie dit om uit te leggen dat de Kring een verhouding tussen leven en ideeën had die zich niet scheidde van wat we in sociale strijden verdedigden en van welke verschijning van die tijd dan ook. Er was geen scheiding tussen theorie en praktijk: wat we zeiden, dat leefden we ook op datzelfde moment.

Zoals iedereen weet stortte in die tijd een woeste repressie zich op alle uitingen van de radicale en sociale antagonistische beweging. Er vond een zee van arrestaties en mega-processen plaats tegen kameraden die door de flikken en magistraten die zich telkens bezig hielden met deze of gene georganiseerde gewapende uiting, beschuldigd werden. We begonnen af te klokken op de processen tegen de kameraden die in verschillende steden (Livorno, Firenze,…) plaatsvonden.

Deze manier om de subversieve strijd te ondersteunen viel samen met een solidaire medeplichtigheid met allen die geraakt werden door politionele en juridische repressie. Onze aanwezigheid en die van vele andere kameraden wakkerde het enthousiasme en het verlangen om te strijden aan, zowel bij ons als bij de gevangen kameraden. Voor ieder van ons was ademhalen en samenzweren tegen de Staat het dagelijkse doen en de manier om te leven en te voelen geworden.

Zoals ik het beleefde, waren de relaties tussen de jongeren en de zogenaamde ‘anciens’ binnen de kring Filippi conflictueel omdat ik zocht naar actiemethodes – en mijn verlangen kruiste dat van vele anderen – die zich noch in het onmiddellijke noch in de specifieke problemen die we het hoofd moesten bieden concretiseerden. Uiteraard begreep ik de geslotenheid van de ‘anciens’ niet. Misschien dacht ik dat alles mij toekwam, zaken die vaak de kop opsteken bij enthousiaste jongeren met kokend bloed.

Misschien was het om ons te leren wat niet aangeleerd wordt: hun passionele en cynische houding was de consequentie van de bijzondere manier waarop ze omgingen met hun leven en hun revolte. Ik sloeg er niet in de betekenis ervan te achterhalen, aangezien ikzelf niet de helft van mijn leven in de gevangenis had doorgebracht. De barsheid van het conflict met deze anarchisten maudits die mijn ‘foute omgang’ werden, heeft me de mogelijkheid gegeven om op een autonome manier in alle betekenis van het woord te groeien, zonder mezelf illusies of mythes te maken. Wanneer je leeft en niet vegeteert kan er geen enkele geformaliseerde relatie of uitgestippeld parcours bestaan. Daarom laten de volledig horizontale en face-to-face verhoudingen geen ruimte voor opportunisme. Deze kameraden droegen een barse vrijmoedigheid in zich, en een menselijkheid die vandaag onvindbaar is. Ze leefden een vol leven waar het discours van de beweging, van het denken en van de actie één waren; ze leefden hun leven als een ‘spel’.

Er bestond geen enkel rigide organisatorisch discours onder ons, er waren geen gevestigde affiniteitsgroepen, maar wel groepen die ontstonden voor bepaalde acties en zich al even snel terug oplosten. Er waren geen leiders, geen bazen. Alles gebeurde volgens een vrije en solidaire relatie zonder overheersing. Er was respect voor elke directe actie van revolte, zonder aan bepaalde acties een privilege toe te kennen. Ze hebben me geleerd dat ik meer capaciteiten had dan ikzelf dacht. Deze kameraden die de helft van hun leven in de gevangenis gezeten hebben, openden de weg van het ‘alles weten te doen en wel onmiddellijk’, in volle vrijheid en verantwoordelijkheid. Persoonlijk onderhield ik mijn meest intieme relatie met Belgrado en Sergio, die de meest aanwezige kameraden van de kring waren. Wat me geraakt heeft, is hun grote openheid van geest, hun begrip voor verschillende posities en hun bescheidenheid in tegenstelling tot de typisch arrogante relatie van zij die een grote cultuur hebben, hebben me geraakt. Bijvoorbeeld deze zin van Belgrado: “Mijn trots is dat ik geen enkel uur werk aan de Staat gegeven heb.” Sergio leek veel op hem, ik herinner me zijn grote menselijkheid en vastberaden karakter. Het volstaat te denken aan het feit dat hij gedurende meer dan 30 jaar de posities van Belgrado, Mariga, Zava en zovele anderen die door de Staat gevangen waren gesteund heeft. Hij kwam in conflict met diegenen die, hoewel ze anarchisten waren, zich conformeerden en zich geleidelijk aanpasten aan de nieuwe post-Verzet Staat. Ik denk dat deze kameraden, wat hun situatie ook mag zijn, altijd aanwezig waren en een visie en praktijk van solidariteit hadden die verder ging dan hun omgeving. Ze strekte zich uit naar allen die zich binnen of buiten koppig en rebels tegenover de macht toonden.

De kring Bruno Filippi had een intense subversieve anarchistische activiteit in Carrara. Ondanks haar korte bestaan, en dankzij de aanwezigheid van al deze kameraden en zovele andere anoniemen. De theorie ging samen met de praktijk, tegen elke specialisatie van leven en strijd. We brachten in het bijzonder de wederzijdse solidariteit in praktijk, bijvoorbeeld door naar andere steden te gaan om de activiteiten die door andere kameraden ontwikkeld werden te ondersteunen. Het resultaat was dat kameraden van over heel Italië en zelfs uit het buitenland naar de kring kwamen. Zoals we konden verwachten gezien de levendigheid van de situatie, richtte het oog van de autoriteit met nieuwe en langdurige aandacht op de herboren subversieve anarchistische praktijk in de stad. We heroverden wat in de loop van de jaren verloren gegaan was in de beweging. De posities van Belgrado, Mariga en andere ‘ouderen’ over propaganda en gewapende organisatie, zoals bijvoorbeeld over onze beweging (dwz. Azione Rivoluzionaria) gaven bewijs van een groot begrip en openheid van geest, zonder daarom de vele jongeren te verstoten die posities innamen die meer conformistisch leken en die ertoe neigden zich aan het systeem aan te passen (waardoor ze al op de oude conservatieven begonnen te trekken). Ik zeg dit omdat ze een grote bereidheid om te leren en in confrontatie te gaan aan de dag legden. Ik kan jullie vanuit deze ervaring zeggen dat niemand tot iets verplicht, tenzij tegenover kameraden die je vertrouwt. De menselijkheid, soms de boosheid, en de waardigheid horen altijd bij diegenen die het leven en de revolte maken…zonder meesters.

Een kameraad van de anarchistische kring ‘Bruno Filippi’ van Carrara

(1) Azione Rivoluzionaria: Deze gewapende libertaire groep was actief tussen 1976 en 1979. Ze eisten onder meer de volgende acties op: de aanval op de Edizioni Paolini, de explosie van de winkel van Luisa Spagnoli die gevangenen uitbuit (La Spezia, 3 februari 1977), de kogelschoten in de benen van dokter Alberto Mammoli (31 maart 1977), de explosies van een aanwervingsbureau en een autodealer van Opel (Milaan, 30 april 1977), explosies van een electrische centrale, een wervingsbureau en het hoofdkwartier van Michelin (Turijn, 1 mei 1977), de aanval op en sabotage van de werven van nieuwe gevangenissen (Firenze en Livorno, 17 juli 1977), de aanval op de fabriek IPCA (Cirie, 2 augustus 1977), de explosie tegen de kantoren van de krant La Stampa (verbonden met Agnelli, de baas van FIAT) en de kogelschoten in de benen van de journalist van L’Unità (verbonden met de communistische Partij) Nino Ferrero (Turijn, 17-18 september 1977), de explosie tegen het Sportpaleis (Turijn, 21 september 1977), de gedeeltelijke onderbreking van de stedelijke communicatie (Milaan, 28 september 1977), de explosie van de administratieve zetel van de krant Corriere della Sera (Milaan, 24 februari 1978), de aanslagen tegen de Banca di Roma en de autodealer Ferrari (Rome, 6 april 1978), de aanval op het kantoor van Democrazia Cristiana (Aoste, 19 juni 1978), de aanval op IBM (Turijn, 23 juli 1978) en de aanval op de kantoren van de krant Gazzetta del Popolo (Aoste, 29 juli 1978).

De opeisingen en theoretische documenten zijn gepubliceerd in Azione Rivoluzionaria, Contributi alla critica armata libertaria, edizioni Anarchismo, Catania, 1980, 92 p.

namespace/wij_waren_rebellen_wij_waren_bandieten.txt · Laatst gewijzigd: 04/08/17 11:48 door defiance