Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen

namespace:aan_het_eind_van_deze_eeuw_-_vooruitzicht_en_terugblik

Aan het eind van deze eeuw - vooruitzicht en terugblik

Door George Woodcock

  • Oorspronkelijke titel:
  • Verschenen: 1990
  • Bron: De As #90 http://www.tijdschrift-de-as.nl; The Raven 10, anarchist quarterly, London, Maart 1990
  • Vertaling: Simon Radius

Aan het eind van deze eeuw - vooruitzicht en terugblik

Ik ben niet bepaald een aanhanger van kringlooptheorieën aangaande de geschiedenis, maar zoals vele anderen ben ik toch wel onder de indruk gekomen van het feit, dat in het grootste deel van de 20ste eeuw en met zulke regelmatige tussenpozen, golven van rebellie, zo niet revoluties, konden uitbreken.

Met enig gegoochel met de tijd, komt er een regelmatig patroon van dertig jaar te voorschijn als men de contrarevoluties van de Bolsjewiki van oktober 1917 als de climax ziet van een beweging die in de jaren 1900 begon met de echte volksopstand van 1905 in Rusland. Dan brengt een sprong van dertig jaar ons naar de dertiger jaren met de Spaanse Burgeroorlog en de militante arbeidsonlusten (werkloosheid) in de beide Amerika’s en in die delen van West-Europa die niet onder een dictatuur zuchtten.

Zo op het oog leek het radicalisme van de jaren zestig van andere aard dan dat van de jaren 1900 en 1930. Het was hoogst elitair en men was onderling erg verdeeld, er was weinig echte samenhang: een revolte van minderheden, geprivilegieerde, universitair opgeleide jongeren die zich meer met morele problemen bezighielden dan met materiële. Jonge vrouwen die de militante strijd van de feministen van 1900 verbreedden. Zwarte en andere raciale minderheden die de strijd tegen de apartheid en discriminatie voorzetten, oorspronkelijke bewoners die de terugkeer naar hun geboorteland eisten en de politieke soevereiniteit opeisten die hen ontnomen was door generaties van exploiterende blanken. Gehandicapten die bovenal hun rechten beklemtoonden om als volwaardige menselijke wezens behandeld te worden. Enz.

Anders dan in de jaren dertig, toen de ideologieën van links (stalinisme, trotskisme, sociaaldemocratie) met hun helden geconfronteerde werden met ideologieën van rechts en hun helden (nazisme, fascisme), waren er in de zestiger jaren geen echte eenmakende ideologieën. Oud Links was in de ogen van strijdvaardige jongeren en minderheden even ongeloofwaardig als Nieuw Links. En hoewel de Burgerrechtenbeweging (begin zestig) en de wereldwijde oppositie tegen de Vietnamoorlog (vanaf 1967) ook hun uitwerking hadden op Noord-Amerikaanse verzetsgroepen, was misschien toch de enige gelegenheid dat men een werkelijk gevoel van eenheid van gevoelens en vooruitzichten had tijdens die enkele weken van 1968 (in zeker opzicht een voorloper van de recente gebeurtenissen in de Oost-Europese staten). Toen vonden de studenten, de intellectuelen en de arbeiders van Parijs elkaar massaal in een strijd die tijdelijk het functioneren van de regering De Gaulle lamlegde.

Maar zelfs in 1968 - net als in het Parijs van de Commune bijna een eeuw eerder - was de eenheid van de opstandige impuls en de directe actie beperkt tot enkele plaatsen, want de meerderheid van de landelijke bevolking en van de kleinere steden trok zich terug in haar traditionele bolster van conservatisme. De strijdvaardige dagen van Parijs 1968 -met de zwarte vlag wapperend boven de Parijse Beurs- verkwijnden tot een romantische herinnering, een prachtig ’had-kunnen-zijn’.

Er zijn natuurlijk historische verbanden tussen wat in de jaren 1900 en 1930 gebeurde en de gebeurtenissen die in Oost-Europa in de jaren negentig begonnen. Met het optreden van de Bolsjewiki als belangrijke partij tijdens de 'revolutie’ van 1905 in Rusland begon het lange en verschrikkelijke proces waarbij het marxisme/leninisme beproefd werd op zijn bruikbaarheid voor een sociaal- politiek programma. Het faalde zowel in ideologisch opzicht als in de praktijk van de sociale en economische maatregelen: het bood brood en spelen aan tegen de prijs van de vrijheid en van alle drie kwam niets terecht.

De politieke realiteiten van de jaren dertig - vertaald als de confrontatie tussen de totalitaire orde en de imperialistische machten - leidden tot de tweede wereldoorlog en tot de situatie waarin de Bolsjewiki zowel voor dictators als voor imperialisten konden doorgaan. En -ondanks hun eigen falen in Rusland- eisten zij de controle op over Oost-Europese landen, vanaf de Baltische staten tot Albanië toe, en ook over China en zo nodig Noord-Korea en landen binnen Indochina. Tegen deze achtergrond van een wereld, verdeeld tussen oude en nieuwe imperialismen - de Vietnam-oorlog manifesteerde en symboliseerde dit conflict - ontstonden de radicale bewegingen van de zestiger jaren.

Ik zou de geschiedenis geweld aandoen als ik zou stellen dat de gebeurtenissen in Noord-Amerika en West-Europa in de zestiger jaren erg veel invloed hadden op de recente gebeurtenissen in Oost-Europa en China. Want de tradities van het studentenverzet, die de grootste overeenkomst vormen tussen de jaren zestig en negentig, reiken veel verder terug in de geschiedenis van het 19de eeuwse Europa. Het zou van een dwaas soort historicisme getuigen als men de huidige situatie zou benaderen zonder deze in zijn specifieke waarde te laten. Want wat onmiddellijk opvalt is een tweetal fundamentele verschillen tussen historische gebeurtenissen nu, in de jaren negentig, en gebeurtenissen in de jaren dertig en zestig.

In de eerste plaats waren de opstandige bewegingen die de regeringen van Warschau tot Boekarest onlangs ten val brachten (en die best binnen afzienbare tijd tot de ineenstorting van de regering in Beijing kunnen leiden) geen revoluties volgens het marxistisch-leninistisch-blanquistisch model, geleid door partij- elites, gericht op de vestiging van een fictieve dictatuur van het proletariaat of welke andere uitverkoren klasse ook. In werkelijkheid stonden al die zogenaamde revolutionairen aan de verkeerde kant: het waren ongeloofwaardige makelaars in macht.

De Oost-Europese opstanden en ook die in Beijing, waar de bevolking de militante studenten steunde, waren omwentelingen-zonder-zichtbaar-leiderschap en stonden onvoorstelbaar dichtbij de eerste fasen van een libertaire omwenteling, zoals Peter Kropotkin en de andere oude anarchisten voor ogen hadden.

Een belangrijk verschil met de beweging van de jaren zestig lag hierin, dat het nu niet meer ging om bepaalde achterstandsgroepen van de bevolking, maar om hele volkeren, van allerlei leeftijd, geslacht en, zoals Roemenië op dramatische wijze aantoonde, van raciale achtergrond. Maar alleen rebellie, hoe wijdverspreid ook, en zelfs de val van de autoriteiten is niet genoeg, zoals anarchisten altijd hebben betoogd. Als geen nieuwe autoritaire structuren worden opgelegd, moeten de mensen hun eigen vrijwillige netwerken van wederzijdse hulp scheppen en bovenal moeten zij - zoals Kropotkin benadrukte in De Verovering van het Brood - ervoor zorgen dat de revolutie niet doodbloedt door de productie en de distributie van voedsel en gebruiksgoederen onder de directe controle van de burgers te brengen.

Voor zover duidelijk is, op de dag dat ik dit schrijf, hebben de leiders en de woordvoerders van de vele, grotendeels ad-hoc-groepen, die samenvloeiden bij de volksopstand in de communistische landen deze waarheden veronachtzaamd, als die leiders er zich al van bewust waren.

Het is allemaal prachtig praten wat ik nu doe. Anarchisten hebben die neiging altijd al gehad, beschermd als ze waren door het feit dat het anarchisme de enige grote politieke theorie is, die nooit onbruikbaar is gebleken doordat ze nooit op enigerlei grote schaal is uitgeprobeerd. Maar men kan vragen wéér anarchisten stonden en wat zij echt gedaan hebben in de opstandige perioden van deze eeuw en waarover zij nu wellicht speculeren.

In de reeks gebeurtenissen in Rusland die tot de bolsjewistische staatsgreep van 1917 leidden en de burgeroorlog die daarop volgde, speelden de anarchisten een minimale rol, want hoewel de twee meest beroemde anarchistische theoretici - Bakoenin en Kropotkin - Russen waren, bloeide de beweging in hoofdzaak in ballingschap en was zij in Rusland zelf vroeg van het toneel verdwenen door toedoen van zowel de sociaal-democraten (Bolsjewiki en Mensjewiki) als meer nog door de populistische sociaal- revolutionairen met hun sterke boeren- aanhang. Alleen dankzij de bijzondere omstandigheden van de burgeroorlog in de Oekraïne kon Nestor Makhno met zijn rebellenleger een aantal jaren een aanzienlijk gebied van libertaire communes in stand houden, dat verdedigd werd tegen zowel de witte als de rode legertroepen.

Tegen de jaren dertig was het anarchisme ook grondig onderdrukt in Italië, waar het ooit zo actief was geweest, net als in Duitsland, terwijl het in Frankrijk terrein verloren had aan de communisten, die genoeg van de militante syndicalisten geleerd hadden om de controle te behouden over de grote arbeidersorganisatie CGT, de Confédération Générale du Travail. In Spanje echter waren de syndicalisten trouw gebleven aan hun libertaire tradities en werd de CNT, de grootste arbeidersorganisatie, nog steeds geleid door de anarchistische militanten van de FAI. In de eerste jaren van de Spaanse Burgeroorlog werden Catalonië en grote gebieden van Andalusië in hoofdzaak door anarchisten beheerd en in deze korte periode werden de fabrieken en openbare diensten van Barcelona en de andere grote Catalaanse steden bestuurd door de arbeiders- syndicaten, terwijl vele dorpen in Andalusië en Valencia zichzelf tot agrarische vrije communes omvormden, hetgeen kennelijk op succes wees binnen hun beperkt gebied.

Het experiment duurde misschien te kort om het een volledig succes te kunnen noemen, maar daar stond tegenover dat het niet mislukte vanwege interne tekorten van het systeem van vrije communes, want de dorpscommunes bloeiden toen zij verpletterd werden door de troepen van Franco, die Andalusië binnendrongen en elders door de communistische colonnes achter de republikeinse linies, die van wapens werden voorzien vanuit Rusland, wapens die aan alle niet-stalinistische groepen geweigerd werden.

In de zestiger jaren speelde het anarchisme een opmerkelijke andere rol dan in de laatste decade van de 19de eeuw en de vroege 20ste eeuw. Rudimentaire groepen bleven bestaan of kwamen in landen als Italië en Frankrijk weer tot nieuw leven. Ze wierpen zich op als de erflaters van vroegere bewegingen. Zij hielden heel indrukwekkende internationale conferenties in plaatsten als Carrara en Venetië, maar in Spanje zelf -zelfs nadat de dictatuur beëindigd was- ontwikkelde zich geen massabeweging met de macht en het ledental van de vroegere CNT. Een kleine, verdeelde CNT verrees, maar bleek veel meer tijd te hebben besteed aan interne disputen dan aan hernieuwde militante activiteiten in de industrie.

Terwijl de anarchistische beweging weer opkwam in het midden van deze eeuw als een ijle geest van haar eigen verleden - ontdaan van zijn grote achterban maar nog steeds vasthoudend aan de oude mythologie van dramatische revolutionaire actie - was het echter de idee van het anarchisme die het duidelijkst herrees en aandacht opeiste. Bakoenin verscheen naast de ’jonge Marx’ in de verwarde discussies van Nieuw Links, dat zich -gelukkig maar- nooit ontwikkeld heeft tot een eigen consistente ideologie.

Anarchistische groepen als zodanig mogen dan weliswaar geen groot opzien gebaard hebben onder al die kleine groepjes (groupuscules) in Parijs 1968, maar de hele studentenbeweging was indertijd doortrokken van libertaire ideeën en de zwarte vlag op de Sorbonne was daar even op zijn plaats als de rode vlag in andere delen van de stad. In alle opzichten werd de anarchistische idee verspreid in de jaren zestig en zeventig. De eerste boeken over de echte geschiedenis van het anarchisme verschenen en serieuze biografieën en andere studies van belangrijke anarchistische denkers werden gepubliceerd. De theoretische geschriften van Kropotkin, Bakoenin en Proudhon werden herdrukt en nu niet meer door militante groepjes, die krap bij kas waren, maar door uitgevers die ze wijd en zijd verspreidden. Anarchisme werd nu voor het eerst een serieus onderwerp voor academische studie en anarchistische gezichtspunten vonden een serieuzer gehoor dan ooit tevoren.

Dit kan allemaal worden afgedaan als een kwestie van academische mode - wat deels ook zo was- als het niet gevolgd zou zijn door een paar belangrijke verschuivingen in de attitude van anarchistische denkers die tot een soort van neo-Kropotkinistische beweging leidde, waarin sommige van de vruchtbare inzichten uit Wederzijdse Hulp en andere werken van Kropotkin opnieuw bekeken werden op een manier die voor de negentiger jaren nog relevant zijn. Dit houdt de aanvaarding in van het feit - wat Kropotkin zelf niet geheel onderkende- dat de 19de eeuwse anarchisten (met uitzondering wellicht van de oude, slimme vos Proudhon) zich lieten misleiden door twee illusies van hun tijd, hoewel in mindere mate dan hun socialistische en communistische rivalen.

Eén illusie was de burgerlijke mythe van de onvermijdelijkheid en de noodzakelijke gewenstheid van de materiële vooruitgang. De andere was gelegen in het verschijnen - naast het joods-christelijk-islamitisch geloof - van utopische en neo-utopische bewegingen met een eschatologie (een leer van de laatste dingen: leven, dood, oordeel) in de geest zoals Zoroaster die, als eerste (600 v.o.j.) ontwikkeld had; het concept van een voortdurende strijd tussen de krachten van goed en kwaad, waarbij uiteindelijk het goede bestemd is om te triomferen. Aldus geseculariseerd (ontdaan van zijn kerkelijke inhouden) liep deze toekomstvisie niet uit op het Koninkrijk Gods, maar op het Utopia van de volkomen aardse samenleving.

De klassieke anarchisten stonden, nogal ambivalent tegenover dit vooruitzicht, met de echo’s van het tijdperk van de barricaden nog in hun oren: zij keken eerder uit naar een periode van strijd, beschouwden die utopische, toekomst met gepast vertrouwen, want zonder veranderingen is er alleen de dood, in morele dan wel in fysieke zin. En dan zien we hoe Kropotkin gaat denken in termen van een opstand die een volledige maatschappelijke transformatie tot stand zal brengen en ook de middelen weet te vinden om die nieuwe samenleving veilig te stellen. Maar weigert, zoals hij in De Verovering van het Brood doet, om meer te doen dan de mogelijke lijnen te schetsen, waarlangs de mensen in die bevrijde toekomst hun communaal leven vorm zullen geven.

Ik heb altijd geloofd dat deze tegenzin bij Kropotkin, en bij de meeste andere anarchisten, om in termen van een geplande en vastgelegde structuur te denken, samenhangt met zijn verlangen om in de samenleving de natuurlijke tendensen te vinden die de mens zullen leiden - als hij/zij bevrijd is - om, zonder de bemoeienis van revolutionaire plannenmakers, een vrije en bevredigende levenswijze te ontwikkelen, gebaseerd op coöperatie en niet op dwang…

Deze opvattingen houden in feite in dat anarchisme geen revolutionaire doctrine is in de zin van een duizendjarig Rijk zoals het Christendom belooft, een Nieuwe Hemel en een Nieuwe Aarde. Het is eerder een restauratieve leer die ons voorhoudt dat de middelen waarmee wij een vrije maatschappij kunnen creëren al aanwezig zijn in de verschijningsvormen van wederzijdse hulp, die in de wereld om ons heen al bestaan. Dit is, lijkt mij, Kropotkins belangrijkste boodschap voor de jaren negentig. Een boodschap die al ontwikkeld was in de jaren zestig en de vroege jaren zeventig door enkele van onze beste nieuwe anarchistische denkers, met name door Colin Ward in zijn Anarchy in action (1973) (Vert. Anarchie in Actie) en door Paul Goodman in een hele reeks boeken in de jaren zestig, zoals People and Personnel, Growing up absurd en New Reformation. Wat Goodman en Ward en anderen ons ook meteen vertelden was, dat het niet nodig is om op de Grote Dag van de Revolutie te wachten, dat apocalyptisch moment: in feite zouden wij als wij wachten wel eens onverhoeds gepakt kunnen worden. Wat wij zouden moeten doen is: nagaan in hoeverre er in onze samenleving in feite anarchistische relatievormen bestaan, om daarop voort te bouwen; alle vrijwillige initiatieven te ondersteunen en aan te moedigen die gebaseerd zijn op wederzijdse hulpverlening, apart van officiële initiatieven -in de welzijnssector en andere geledingen die gebaseerd zijn op paternalisme en die tot afhankelijkheid leiden.

Deze argumenten zijn, geloof ik, heel belangrijk voor de laatste tien jaar van de 20ste eeuw en vooral de buitengewone gebeurtenissen waarmee deze periode begon: volksbewegingen -niet geleid door autoritaire partijen of partijen überhaupt- die autocratische regeringen ten val brachten, wat meer dan veertig jaar lang als onbestaanbaar werd beschouwd. Met verrassend weinig geweld -en dan nog bijna geheel aan de kant van de in paniek geraakte onderdrukkers- hebben de volkeren in de Oost-Europese landen zichzelf bevrijd. In enkele opzichten schenen zij in een onvoorstelbaar gunstige positie te verkeren doordat de zogenaamde oud-revolutionaire elite, in de gedaante van de verschillende communistische partijen, op dit moment in totale verwarring en diskrediet verkeert.

Afgezien van Polen waar Solidariteit zich al eerder als partij geproclameerd heeft en niet als beweging, heeft de triomferende oppositie in de andere landen zich in politieke zin nog niet goed georganiseerd. De gretigheid waarmee de verslagen communistische leiders in deze landen het idee van meerpartijensystemen schijnen te aanvaarden, weerspiegelt duidelijk hun gedachte dat een terugkeer tot conventionele 'democratische’ politieke vormen hen de beste garantie biedt om nog iets van hun macht te behouden en nog wat meer terug te winnen. In hoeverre de opstandige bevolking in de verschillende landen zich bewust is van deze gevaren, hoe ver zij is met de organisatie van eigen alternatieve vormen van administratie en met het scheppen van de voorwaarden om zichzelf te vrijwaren tegen bedrog en uitbuiting, weten wij nu nog niet. Dat zal altijd afhangen van de waakzaamheid en het initiatief van de arbeiders, de boeren en de intellectuelen in die verschillende landen.

Maar wij kunnen ook zelf heel wat leren van het observeren van de situatie in Oost-Europa en van de opstandige situatie die ongetwijfeld zeer binnenkort in China tot wasdom zal komen.

We kunnen eruit leren dat, indien een heel volk de straten met woede volpropt, de macht van ook de meest meedogenloze regering onmiddellijk verzwakt wordt en dankzij vastberadenheid weggevaagd kan worden met niet meer dan incidenteel geweld. Ook kunnen wij er uit leren hoe waakzaam het volk moet zijn in de uren van de overwinning, die vreugde in zwakte doet verkeren, waardoor niet voorkomen kan worden dat een nieuwe horde van machtszoekers de kans krijgt om het kwaad van weer een ander regeringsproces op te starten. En om dat thema uit te werken zal er iemand nodig zijn die een nieuwe Verovering van het Brood schrijft, aangepast aan de negentiger jaren van deze eeuw.

namespace/aan_het_eind_van_deze_eeuw_-_vooruitzicht_en_terugblik.txt · Laatst gewijzigd: 10/07/17 08:27 door defiance